Weblog > Winterse perikelen
Jarenlang heb ik in de veronderstelling geleefd dat motorrijden leuk is. Het bleek een illusie: motorrijden kán leuk zijn. Maar in de winter? Mwoh…
Om ons jaarkilometrage van pak ‘m beet 80.000 kilometer te halen worden wij als MOTO73-redacteuren geacht door te rijden in de kilte van de winter. Nou ja, niet in bezit zijnde van een automobiel heb je dan ook bar weinig keus. Ja, het openbaar vervoer…
Leuk als je om de hoek woont, maar een kwelling wanneer je serieus kilometers moet afleggen. Geen optie dus. Daarom vouwen we kranten op borst en rug, steken we voor het stoplicht onze handen achter de radiateur en moet moeder de vrouw bij thuiskomst het kinbandje van de helm losmaken.
Met de korte ritjes valt het nog wel mee, maar moet je meer dan 100 kilometer enkele reis, dan is het serieus kou lijden geblazen. Een koffiestop om de verkleumde ledematen nieuw leven in te blazen is dan ook onvermijdelijk. Een koffiestop waarbij ik altijd vol weemoed in een vlaag van dagdromerij mooie motormomenten uit het afgelopen motorseizoen herbeleef.
Een elke tankstop terugkerend hoogtepunt uit 2009 is een trip naar de Gorges du Verdon; een adembenemende omgeving met prachtige stuurwegen die ik op aanraden van collega Luc Verbeke bezocht. Via Spaanse badplaatsen als Calella en Lloret de Mar reed ik onder een heerlijk lentezonnetje verder naar Barcelona.
Heerlijk, een week in je eentje op pad, je eigen route rijdend, je eigen tijd indelend, rijdend van acht uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds. Voor mij het absolute walhalla, complete onthaasting en een constante bijzonder goede gemoedstoestand voeren een week lang de boventoon.
Tijdens m’n zomervakantie in Thailand beleefde ik een iets hachelijker avontuur op de motor. Bij een temperatuur van 28° trok ik met vijf maten de onbewoonde wereld in, de jungle. Onwetend wat ons te wachten stond, geen kaart bij ons, de regio niet kennend… Het resultaat laat zich raden.
Compleet gedesoriënteerd belandden we na enkele hachelijke uren en vele ontmoetingen met ons onbekende diersoorten in een klein dorpje. Het is donker aan ‘t worden, we spreken de taal niet en zijn compleet uitgedroogd.
Een vriendelijk oud mannetje moet eraan te pas komen om ons voor te rijden naar de bewoonde wereld. Eén motor geeft het onderweg op en met een geïmproviseerd sleeptouw komen we alsnog aan, toevallig in onze eigen verblijfplaats. Het vochttekort vullen we aan met de nodige glazen bier, onszelf wijsmakend dat we de weg ‘echt wel terug hadden gevonden’. Ja-ja...
Hulp dus, je blijkt het op de motor soms nodig te hebben. De tiende februari zie ik om half vijf letterlijk en figuurlijk een bui hangen. Even internetten leert me dat er een enorm sneeuwfront onderweg is naar Nederland. Aangezien ik op de Buell 1125R, met daarop zomerse Pirelli Diablo Corsa’s gemonteerd, naar huis moet besluit ik gauw m’n biezen te pakken.
Via het hazenpad beland ik op de A1 in een enorme sneeuwbui, het grijze asfalt al gauw omtoverend tot een spiegelglad wit sprookjesdecor. Met veel wielspin en een herhaaldelijk uitbrekende achterzijde beland ik op parkeerplaats Jool-Hul, alwaar ik m’n banden nagenoeg leeg laat lopen en de binnenkant van m’n vizier met een pinpasje ijsvrij kras. Een permanente loopneus, geen gevoel in m’n handen, tintelende voeten en een volle sneeuwschep achter m’n kleding maken het tot een onaangename rustpauze.
Hoe kom ik thuis? Wat als ik moet remmen? De automobilisten houden een limiet van 30 km/h aan, het verkeer kruipt langzaam over de snelweg. Maar toch, op de Buell is het niet te doen. Bij de eerstvolgende afslag besluit ik dan ook eieren voor m’n geld te kiezen, ik zet ‘m aan de kant.
Het landschap is wit en de straten zo glad dat ik elk moment verwacht Sven Kramer over de straat te zien schaatsen, in volle training voor de Olympische Spelen. Het kan, want de door auto’s platgereden sneeuw is simpelweg ijs geworden. Geen doen aan dus, en doorrijden zou een kamikazeactie zijn. Nou zijn we daar niet vies van, maar de afloop van deze zou wel érg voorspelbaar zijn.
Terwijl ik met m’n kouwe klauwen moeizaam het adresboek van m’n mobieltje doorscroll, overpeinzend wie ik zal bellen, stopt er een Fiat-bestelbusje naast me: “Jij heb probleem?”, vraagt de man achter het stuur. “Euh, nou, ja, ik euh, het sneeuwt nogal, en, ja, de motor…”, stamel ik wat uit.
“Zullen wij probeer om motor inladen?” Sven, de chauffeur, blijkt van Duitse komaf en geheel bereid mij en de Buell achter in de laadbak mee te nemen. Om me na drie kwartier, geheel belangeloos, voor de deur af te zetten. “Kein dank!” Maar toch, ik kan het niet laten. Sven, bedankt!
Eddie
Foto: ANP


