Weblog > Hoe lang nog?
En toen kwamen er twee jonkies, beiden woonachtig in Oss.
Vanaf het moment dat ik dertig jaar geleden bij MOTO73 begon heb ik heel veel motorcross-GP’s verslagen. Ik heb een fantastische tijd meegemaakt, want de Nederlanders telden volop mee en waren talrijk in de GP’s vertegenwoordigd. Eind jaren zeventig, de hele jaren tachtig en het begin van de jaren negentig waren hoogtijdagen voor de Nederlandse motorcross en dus ook voor degenen die daar verslag van mochten doen. Gerrit Wolsink was op zijn hoogtepunt en had in 1979 geruime tijd zicht op de wereldtitel 500cc. Gerard Rond deed het goed in de 125cc-klasse en stapte vervolgens over naar de 500cc, destijds de koningsklasse van de cross. Kees van der Ven reed voorin in alle soloklassen en werd de eerste rijder die GP’s in elk van de drie klassen (125cc, 250cc en 500cc) wist te winnen. Hij had in 1984 lange tijd de wereldtitel 125cc in het vizier, maar een handblessure gooide roet in het eten.
En toen kwamen er twee jonkies, beiden woonachtig in Oss. Zij zetten de Nederlandse crosswereld destijds goed op de kaart. Beiden maakten in 1984 hun GP-debuut. In 1985 streed Dave Strijbos al tot de laatste wedstrijd om de 125cc-wereldtitel. Hij greep er toen net naast, maar kreeg een jaar later zijn revanche in het Argentijnse Salta. Helaas voor hem slechts gadegeslagen door hooguit een twintigtal Nederlanders. Een jaar later was het de beurt aan John van den Berk, die in Schwanenstadt zijn eerste wereldtitel behaalde. In zijn kielzog waren zeker 2000 Nederlanders naar Oostenrijk afgereisd. Die zorgden daar voor een geweldig feest. Een jaar later was het nogmaals feest, want Van den Berk werd in zijn debuutjaar bij de kwartliters direct wereldkampioen in die klasse. Dat was in het Zweedse Tibro. Ook daar waren veel Nederlanders aanwezig. En er volgde nog meer. In 1993 behaalde Pedro Tragter ver van Nederland in het Australische Manjimup als derde Nederlander een wereldtitel in een soloklasse.
In die tijd leefde de motorcross enorm in Nederland. Vooral in Gelderland en Noord-Brabant was bij wijze van spreken op elke hoek van de straat een crosscircuit te vinden. Iedereen kon dus dicht bij huis gaan crossen. Een busje of aanhanger was soms niet eens nodig, want de motor werd vanaf huis naar de crossbaan geduwd. En dan is de stap om een crossmotor aan te schaffen niet zo groot. Net zo goed als er massaal wordt geschaatst als er natuurijs naast de deur ligt. Als je dicht bij huis je sport kunt beoefenen is het gemakkelijk om met een bepaalde sport te beginnen. Hoe anders is het nu? Door oprukkende woningbouw, een verminderde tolerantie van omwonenden (soms ook wel terecht, omdat er wel eens buiten de vastgestelde tijden werd gereden), andere politieke inzichten (Amsterdam bijvoorbeeld) en de groene maffia is het aantal circuits sterk verminderd. Als je eerst tientallen kilometers moet rijden om legaal enkele uren per week te kunnen crossen bedenk je je nog wel een keer alvorens een crossmotor aan te schaffen. Minder circuits betekent ook automatisch minder wedstrijden en dat maakt het ook weer minder interessant te gaan crossen.
De Grands Prix - toen nog afzonderlijk per klasse verreden - en internationale wedstrijden trokken veel toeschouwers en veel motorclubs wilden graag een GP organiseren. Op tal van banen die nu niet meer bestaan werd gestreden om punten voor het wereldkampioenschap. Dat was o.a. het geval in Norg, St. Anthonis, Venray, Stevensbeek, maar ook op circuits die nu nog wel bestaan, maar zijn afgehaakt als GP-organisator, zoals bijvoorbeeld Halle. Markelo is weer teruggekeerd als GP-organisator, maar dan in de MX3-klasse en dit jaar komt de Europese landenwedstrijd naar de Herikerberg.
In de MX1 en MX2 mogen we ons als Nederlanders gelukkig prijzen dat we jaarlijks twee GP’s hebben, in Valkenswaard in het voorjaar en in Lierop in de slotfase van de titelstrijd. Of moet ik nu ‘hadden’ schrijven? De kans dat we dit jaar in eigen land twee keer naar een GP kunnen gaan lijkt op dit moment niet al te groot. Ondanks goede bezoekersaantallen wordt er in Valkenswaard niets verdiend. Hoe dat komt? Er lopen erg veel mensen rond met permanente kaarten. Vraag me niet hoe ze eraan komen, maar een feit is wel dat die bezoekers de penningmeesters van Valkenswaard en Lierop geen cent opleveren. In het huidige economische klimaat staan de sponsors ook niet te dringen om hun centen uit te geven. Daar komt nog bij dat de beste plaatsen langs de baan - de plaatsen die op televisie goed in beeld komen - door de promotor worden opgevuld, zodat een organisator zijn eigen sponsors nooit de beste locaties kan aanbieden.
De huidige organisatoren in Valkenswaard, die er erg veel energie, tijd en geld in hebben gestoken, willen een stapje terug doen. Er hebben zich nieuwe mensen aangediend, maar ook zij zien voorlopig nog geen kans een kostendekkende exploitatie op te zetten. Dat komt niet alleen omdat er niet voldoende geld van de toeschouwers binnenkomt, maar ook omdat er veel aan promotor Youthstream moet worden betaald. Een entreeprijs van 50 euro lijkt momenteel wel het maximaal haalbare, dus die kan niet omhoog.
Het huidige contract van Lierop loopt dit jaar af. Als er voor Lierop daarna een ongunstiger contract uit de bus komt, kan de GP ook daar gevaar lopen. Maar wellicht komt het niet zo ver, omdat het Youthstream moeite kost een volwaardige kalender op te stellen. Zuid-Afrika haakte al af, Turkije is na één jaar al weer afgevoerd en de belangrijkste geldschieter in Bulgarije zou de geldkraan willen dichtschroeven. In Engeland treedt elk jaar een nieuwe organisator aan. En dat komt niet omdat er in een GP-weekend een berg geld kan worden verdiend. Wellicht heeft Youthstream de organisatoren de komende jaren wel zo hard nodig dat ze hun eisen iets naar beneden moeten bijstellen. Ik hoop het, want het zou zonde zijn als de prima georganiseerde GP’s van Lierop en Valkenswaard van de kalender zouden verdwijnen. Ik ga er elk jaar met veel plezier naar toe en hoop dat nog lang te kunnen doen.
Jan
Foto: ANP


