13 C
Nederland
woensdag 29 juni 2022

Toerisme Zweden: Terug naar onbekend Zweden

Toen Jan Dirk Onrust een aantal jaar geleden voor Motor.NL door het westen van Zweden reed, zag hij iets bijzonders met een bord ‘te koop’ erbij. En daarom keert hij nu terug. Met een KTM 990 Adventure, Donald Duck’s handboek voor jongens en een kettingzaag.

Tijdens reizen heb je wel eens dat je op plekken terecht komt, die aanvoelen als een warm nest: van die vredige stekjes aan het water, met een weids uitzicht, aangename mensen en een cultuur die je ligt. Dáár zou ik nou willen wonen, denk je dan.
Zelf had ik dat in Zweden. Ik was klaar met het maken van een reisreportage en reed door naar Noorwegen. In de buurt van de grens kwam ik in een gebied dat nauwelijks in reisgidsen wordt genoemd en waar amper folders van zijn. Eda Kommun heette het, een deel van West-Värmland. De heuvels waren wat dichter opeen gepakt dan elders in Zweden. Er waren kleine meertjes, kleine boerenbedrijven en petieterige dorpjes. Veel onverharde wegen, vrijwel geen bedrijvigheid, auto’s op leeftijd. Het was alsof ik een oud jongensboek was binnengereden. En een motorparadijsje. Ik vond het prachtig. En toen zag ik bij een mooi stukje opeens een ‘Te Koop’-bordje staan. Wekenlang zou dat nog door mijn hoofd spoken en uiteindelijk ging ik zoeken op internet.

Die Zweden zijn gek

Ik vond niets. Maar ik zag wel hoe de prijzen waren: belachelijk laag. Kasten van huizen voor 150.000 euro. En grond? Die gaven ze bijna weg: amper een euro voor een vierkante meter. De kans nu eindelijk eens grootgrondbezitter te worden, lag voor het grijpen. Het duurde een uurtje voordat ik een ander stukje grond had gevonden. Tienduizend vierkante meter aan een meertje in het gehucht Skillingsfors, aan een onverharde weg. Bouwen toegestaan. Naaste buren op 50 meter. Achterburen op vijf kilometer. De prijs: ongeveer net zo hoog als het plekje voor mijn motor in een Haagse parkeergarage. Tienduizend euro. ‘Die Zweden zijn hartstikke gek,’ riep ik enthousiast tegen mijn vrouw. ‘Daar moeten we misbruik van maken!’ Kwijlend van hebzucht bekeken we de grond op Google Earth. Zelfs daar zag het er al mooi uit.
We mailden en belden een keer of twintig en een paar maanden later viel de eigendomsakte in de bus. En toen waren we ineens grootgrondbezitter. Er was slechts één klein minpuntje. We hadden het land nog niet gezien.

Zuid-IJsland: In de ban van de Ring

Geen kerncentrale

Lange tijd had ik geen tijd om de grond te bekijken, maar nu, drie jaar later, is het eindelijk zover. Met een KTM 990 Adventure sta ik aan de Noors-Zweedse grens, op een kilometer of zeven van mijn plekje. De 990 is hier helemaal in zijn element, want op de grens eindigt het asfalt en begint een onverhard wegenstelsel. Op een gewone motor heb je soms je handen vol op zulke wegen, maar met de KTM daver ik er moeiteloos overheen, achtervolgd door een grote witte stofwolk.
Na de grens ga ik even door een tunnel van bomen, alsof ik door een toegangspoort rijd. Daarna gaat het landschap open. De weg kronkelt door de weilanden, heuveltje op, heuveltje af. In de berm groeien paarse, witte en roze bloemetjes. Ik kom langs de eerste kleurige huizen met grasland eromheen. Tussen de bomen door zie ik diepblauw water schitteren. De zomer lacht me uitbundig toe en ik lach terug, want wat ik zie stelt me helemaal gerust. Geen kerncentrale, geen bedrijventerrein te zien. Alleen maar landschap dat nog zoeter oogt dan een doos gebak.

Duizend kerstbomen

Na een minuut of tien bereik ik het meertje Askesjon (kilometer breed, vijf kilometer lang), waar ‘mijn’ gehucht begint: Bergerud, een deeltje van het dorp Skillingsfors. Het bestaat uit een stuk of twintig huizen op vijftig tot honderd meter van elkaar. Huisnummers kan ik er niet ontdekken, autowrakken in de tuin – een Zweedse plattelandsgewoonte – des te meer.

Van de foto herken ik het gele huis van de overburen en de twee bomen die elkaar boven de weg omarmen. Ik stop, want hier moet het zijn. Onrust Estate blijkt een volledig door bomen overwoekerd stuk land met een schuurtje te zijn. Vrij uitzicht op het meer, dat veertig meter van me vandaan ligt. Naast mijn grond zie ik een pas gemaaid gazonnetje, een paar zwaaiende buren op hun patio, een steigertje met kinderen die in het water duiken. Och, jongens toch. Het ziet er nog beter uit  dan het plekje van mijn vorige reis. En een ding is zeker. Als ik hier ooit ga wonen, hoef ik de eerste duizend jaar geen kerstboom te kopen. Want die kan ik gewoon uit eigen grond zagen.
Ik worstel mezelf door de dichte struiken en voel aan de deur van het schuurtje. Op slot.

Comazuipende hengelaars

Ik mag hier een huis neerzetten, maar zou ik hier ook een beetje kunnen aarden? Als ik aanklop bij het dichtstbijzijnde huis en een blond rondborstig type in een zomerhemdje opendoet, denk ik dat dat zomaar zou kunnen lukken. Ik stel me voor als de nieuwe buurman die een kopje suiker komt halen. Achter haar verschijnt een rossige reus met baard. ‘Ben je de nieuwe buurman? De eigenaar van de grond? Welkom in Skillingsfors! We gaan eten. Eet je mee?’
Tijdens de aardappelsalade en Zweedse gehaktballetjes vertelt de reus, die eigenlijk Jan heet en bedrijfsconsultant is, dat dit gebied ook wel Klein Zwitserland wordt genoemd. ‘Dat slaat op de vele bergjes. Maar door de ligging en de bergjes is het altijd een geïsoleerd gebied geweest, een uithoek. Toch woonden er tot in de jaren vijftig 1300 mensen rondom het meer. Daarna begon de leegloop. Nu leven er nog maar 370 mensen.’

Door het isolement bleef ook het toerisme achter, volgens Jan. Er is weliswaar een camping aan het meer, maar die trekt voornamelijk comazuipende hengelaars uit Oslo, hier 100 km vandaan. Ook hebben enkele Duitsers en een Nederlander hier een tweede huis. Daar blijft het bij. ‘Gek toch? Dit is gewoon een van de mooiste gebieden van Värmland!’ glundert hij. ‘Maar dat moet je niet doorvertellen.’

Het boek der boeken

’s Avonds zet ik mijn tent op aan de oever van het meer. Het water is zo schoon, dat je het  kunt drinken, zei Jan. Maar de tientallen kleine visjes en beestjes die ik erin zie, weerhouden me ervan. Ik zwem een stukje, bel naar huis en maak een vuurtje van stro om de muggen te verjagen. Dan kijk ik op mijn horloge. Negen uur nog maar. Om de avond door te komen bestudeer ik het boek der boeken: Donald Duck’s Handboek voor Jongens. Met nuttige weetjes als: hoe herken ik de sporen van een wolf, beer of een eland? Hoe leg ik een kampvuur aan? Dat kan ik de komende dagen vast goed gebruiken.
Om half vier word ik even wakker. Door het tentgaas zie ik het meer en de horizon  oranjerood oplichten. Ik maak een foto en slaap verder tot ik een paar uur later mijn tent uitzweet. Ik pak mijn tandenborstel en shampoo en loop het water in. Voor me drijven waterlelies met gele bloemen. Achter me, onder de blauwe hemel staat een oranje KTM op me te wachten. Het leven als grootgrondbezitter bevalt me nu al.

Ach, het komt wel goed

Vandaag ga ik kijken wat de omgeving te bieden heeft. Maar eerst even een versgebakken broodje halen bij een bakkerij aan het meer, twee kilometer verderop. Eigenlijk gaat het me niet om het broodje, maar om het verhaal te horen van de eigenaars. Dat zijn Duitse emigranten Brigitte en Franz Ness. Want dat hou je natuurlijk toch, dat allochtonen naar elkaar trekken. Brigitte heeft een hoopvolle boodschap. ‘Hier is het leven zoveel rustiger en vrijer dan in Duitsland. Daar was iedereen altijd maar gejaagd. Hier zeggen de mensen altijd: ‘Ach, het komt wel goed.’ En als je contact zoekt, vind je dat ook. Duitse vrienden hebben we eigenlijk nooit gehad, maar Zweedse des te meer. Had ik al gezegd dat dit het mooiste stukje van de Skillingsmark (Skillingsfors en omstreken –JDO) is?’

Een kilometertje verder ligt de dorpskern. Een kerkje, een paar huizen eromheen en de enige echte winkel in weide omtrek: de Konsum. Een lekker sloom supermarktje waar je aan het grote assortiment en de lengte van de gesprekken van de caissière af kunt meten hoe diep je de provincie bent binnengedrongen. Als je nog langer wilt ouwehoeren, ga je naar de overkant, naar het wafelcafé, waar de kassa nog een geldkistje is en vrijwilligers de tent draaiende houden. Tot zover het overzicht van het plaatselijk sociaal-culturele leven.

Toerisme: de Grote Mooie Bergenrit door 7 landen

Drank, tabak en naakte meisjes

Het hoogste punt van de omgeving vind ik na enkele kilometers lekker slingeren: een bergje van ruim 300 meter. Voor dit gebied is dat hoog genoeg om er om bescheiden skihellinkje met stoeltjeslift van te maken. Na de helling wordt het landschap wat vlakker, weidser, en de wegen rechter. Na een kilometer of twintig bereik ik de hoofdplaats van de streek: Eda/Charlottenberg. Hier komt wél veel toerisme op af en wel om de volgende redenen: drank, tabak, chips en snoep. Oftewel: alles wat in Noorwegen veel duurder is. Speciaal voor de zielige Noren zijn er aan de grensweg shopping malls en grote supermarkten neergezet. Verstopt bij zijweggetjes voorzien speciaalzaken in een ander Noors tekort: boekjes en DVD’s met naakte meisjes. Tenminste, * kuch * zo is mij verteld.

Om er zeker van te zijn dat ik geen grote attracties over het hoofd zie, rijd ik naar het toeristenbureau op de grens. Hier wacht me een half uurtje ginnegappen met een opgewekte blonde Zweedse mejuffrouw. Ze noemt een aantal kleine attracties in de buurt – een fort, een paar monumenten, een restaurantje met oude Zweedse gerechten. Verder roemt ze de mooie natuur en de vele bijbehorende activiteiten. En ondertussen denk ik: wat een prachtige blauwe ogen. Als ik dit aan mijn vrouw vertel, wil ze hier vast nooit naartoe. Zelf word ik echter steeds zekerder van mijn zaak.

Wat schuift dat nou?

Op de weg terug bezoek ik de zaagfabriek van Per Andersson – met een man of zestig de grootste werkgever in de omgeving van Skillingsfors. ‘Heb je een baantje voor me, Per?’ vraag ik aan de directeur, het enige personeelslid dat in korte broek rondloopt. ‘Nou even niet,’ zegt Per. ‘Wat is je ervaring?’ Ik leg uit dat ik al jaren in de houtindustrie werk en mij heb toegelegd op het volschrijven van erg dunne houtplakjes. ‘Hm,’ zegt Per. ‘Ik heb meer aan iemand die een bulldozer kan besturen.’ Wat schuift dat nou? Per denkt na. ‘Rond de 25 euro per uur.’ Dat is 4000 per maand, reken ik uit. Ik voel de band met Nederland steeds dunner worden.
In buurtsuper sla ik een survivalpakket in van hotdogs, hamburgers en gehaktballen. Dat ga ik vanavond eens op een zelfgestookt vuurtje gooien. Tenminste, dat was het plan. Maar ‘thuis’ kom ik de andere buren tegen. Eva en Magne, Noorse vijftigers. Niet veel later heb ik een uitnodiging voor een barbecueavondje op zak.

Te duur!

Ook vriend Jan – makkelijk. zo heet iedereen hier, behalve Magne – en zijn vrouw zijn uitgenodigd. Eva heeft de barbecue vorstelijk opgetuigd. Magne doet me zo mogelijk een nog groter plezier. Hij blijkt timmerman te zijn en kan een compleet huis neerzetten. ‘Als ik tenminste ooit die duizenden bomen weg krijg,’ werp ik op. ‘Oh, dat is binnen een dag gebeurd, daar zijn machines voor’ zegt Magne. ‘Grond egaliseren kost een dag extra. En dan kun je bouwen. Biertje?’
Hoe komt het trouwens dat die grond zo belachelijk goedkoop was, wil ik weten. ‘Goedkoop?!’ zegt Eva, die aardig, maar ook een tikkeltje scherp is. ‘Je bent getild! Dat mens (de overbuurvrouw – JDO) heeft maar wat gevraagd. En nog gekregen ook!’
Oei, dus ik zit de markt te verpesten?
‘Nee,’ sust Jan. ‘De prijs was redelijk. Maar vroeger kostte grond hier helemaal niets.’ Ik krijg het idee dat ik per ongeluk mijn buren heb overboden.

Een paard met ovenwanten

Als ik vertel dat de schuur op slot zit en ik door de bomen nauwelijks bij de ingang kan, biedt Jan zijn hulp aan. ‘Morgen gaan we de sleutel zoeken en neem ik een kettingzaag mee.’ En als we geen sleutel kunnen vinden, schieten we de deur open met een dubbelloops jachtgeweer, stel ik me voor. Hier los je de problemen nog op een mannenmanier op.
Onvermijdelijk komt de jacht ter sprake, een geliefde hobby van de meeste mannen hier. Magne beweert dat hij al heel wat elanden heeft afgeknald. Maar daar raakt hij toch even een teer puntje bij mij. In de twintig jaar dat ik in Scandinavië kom, heb ik namelijk nog nooit een eland gezien. Hierdoor is bij mij het sterke vermoeden gerezen dat ze bedacht zijn door de toeristenindustrie. Net als Sasquatsch en het Monster van Loch Ness.
Mijn wantrouwen heeft ook te maken met de onwaarschijnlijke vorm van het dier. Op plaatjes ziet het eruit als een slecht gefotosoept paard met ovenwanten op zijn kop. Duidelijk het werk van een amateurfotograaf. Jan en Magne blijven echter stug volhouden dat het barst van de elanden. Oh ja? Maar waarom heb ik er dan nooit een gezien? ‘Omdat toeristen niet goed kijken,’ zegt Jan. ‘Ik durf te wedden dat als ik meega, je er een zult zien.’ Weddenschap aangenomen.

Op elandenjacht

Om acht uur ’s avonds gaan we op pad, want dan komen ze tevoorschijn, beweert Jan.  Urenlang hobbelen we met zijn 4WD over steeds kleinere weggetjes. Een keer of vier zegt  Jan: ‘Hier zag ik er vorige week nog een.’ Ja, dat zal wel Jan. Maar ik wil keiharde bewijzen hebben. Echte herten – reeën – komen we wel een aantal keren tegen. Maar een eland natuurlijk niet.

Maar tegen elven trapt hij opeens op de rem. ‘Daar!’ roept hij. Ik zie niks, behalve bomen en struiken. ‘Goed kijken!’ Hij rijdt een stukje achteruit en dan zet een van de struiken het op een lopen. Verdomd. Eventjes denk ik nog aan twee kerels in een paardenpak, maar nee, daarvoor loopt het beest veel te sierlijk. Het is een echte eland. Dat kost me een fles wijn.

Liz Taylor aan de muur

Na een flinke ruk aan het koord, verscheurt de motorzaag van Jan de ochtendrust. Amper twee minuten later heb ik een stuk of vijftien boompjes omgekapt. De schuursleutel hebben we inmiddels bij de overbuurvrouw gevonden. Als ik naar binnen ga, komt de bekende geur van oude tijdschriften me tegemoet. De muren blijken te zijn behangen met Zweedse weekbladen uit de jaren vijftig – Hemmets Journal, een soort Libelle. Geen naakte meisjes derhalve, maar plaatjes van de jonge Liz Taylor met ontblote bovenarmen. Is ook mooi. Er staat ook nog een roestige sneeuwploeg. Tel er de muffe lucht, de geringe afmetingen (drie bij vijf) en het halfduister bij op, en het is duidelijk dat ik onverwachts de eigenaar van een volwaardig motorhonk ben geworden.
Van mijn laatste kronen koop ik wat eerste levensbehoeften, zoals bliksoep, bier en baked beans en leg ze in het honk. Als noodvoorraad voor de hongerige of dorstige booswicht, die na een lange reis hier verzeild raakt.

Mijn laatste avond heb ik eindelijk voor mezelf. Ik vind een plek aan het meer waar ik met hulp van Donald Duck een kampvuurtje aanleg om mijn vleespakket te bakken. De burgers liggen sissend in het vuur als ik bij ondergaande zon een weemoedig cowboylied aanhef. Het is alsof de heimwee nu al begint te jeuken. Maar dat zullen mijn muggenbulten wel zijn.

Download hier de route

Laatste Artikelen

Gerelateerde artikelen