Hij had er enige tijd voor nodig, maar een transfer naar het Suzuki-fabrieksteam zorgde ervoor dat Kenny Roberts junior uit de schaduw van zijn vader kroop en in 2000 de 500cc-wereldtitel veroverde. Dat was de eerste keer dat een vader en zoon beiden een Grand Prix-kampioenschap wisten te winnen. Het verhaal over KR-JR, die langzaam maar zeker niet langer ‘Junior’ genoemd werd.
Kenny Roberts was in meerdere opzichten baanbrekend in de wegracesport. Als eerste Amerikaan veroverde hij in 1978 de 500cc-wereldtitel, meteen in zijn debuutjaar in de koningsklasse. Zijn uitgesproken mening en Amerikaanse afkomst zorgden voor een kentering in de wegracewereld. De stijl van racen veranderde, er kwam meer aandacht voor veiligheid, en het was het begin van bijna twintig jaar dominantie van Amerikanen en Australiërs in de 500cc-klasse. Zijn zoon Kenny junior maakte dit allemaal als kleine jongen van dichtbij mee. Geboren in 1973 stond hij in 1983 als tienjarige met zijn vader op het podium, toen die zijn allerlaatste Grand Prix in Imola wist af te sluiten met een overwinning. Maar het ging die dag niet om de winst, maar om de verloren wereldtitel, die naar ‘King Kenny’ zijn jongere landgenoot Freddie Spencer ging. Roberts junior zal op dat moment niet hebben gedacht dat hij zeventien jaar later zelf als 500cc-wereldkampioen gekroond zou worden. En zijn vader ook niet…
Vroegtijdig einde
Kenny junior groeide op tussen de coureurs. Zijn vader kreeg na zijn eigen carrière de leiding over het Yamaha-fabrieksteam en begeleidde talloze Amerikaanse rijders – onder wie grootheden als Eddie Lawson en Wayne Rainey. Toen Kenny junior zelf wilde gaan racen, werd hij onthaald met een typische uitspraak van zijn vader: ‘Wanneer je accepteert dat je nooit zo goed zult worden als ik, laat ik je racen.’ Later legde zijn vader dat als volgt uit: ‘Iedereen zou ons met elkaar vergelijken. De druk voor hem om het kampioenschap te winnen was enorm.’ Aan het begin van Roberts jr. zijn Grand Prix-carrière leek het er echter niet op dat hij ooit in de voetsporen van zijn vader zou kunnen treden. Zijn debuut op WK-niveau kwam in 1993, op twintigjarige leeftijd, tijdens de Grand Prix van de Verenigde Staten op Laguna Seca. In eigen land had Roberts jr. toen al bewezen 250cc-races te kunnen winnen. Maar Grand Prix-racen is andere koek, zo bleek snel.
Later in 1994 en 1995 reed hij als vaste deelnemer in de 250cc-klasse voor het Marlboro Yamaha Team, met Rainey als teammanager. Dat team fungeerde als satellietformatie van het 500cc-fabrieksteam van zijn vader. Kenny jr. eindigde vaak in de top tien, maar slaagde er op zijn fabrieks-Yamaha nooit in om echt mee te doen om de podiumplaatsen. Zijn teamgenoot in 1995, Tetsuya Harada, deed dat wel – en streed zelfs om de wereldtitel. Toch kreeg KR-jr. in 1996 promotie naar het Marlboro Yamaha-fabrieksteam van zijn vader in de 500cc. Velen zagen dit als een ‘cadeautje’. Zijn teamgenoten Norifumi Abe en Jean-Michel Bayle scoorden gedurende het seizoen constanter, maar af en toe liet Roberts zien dat hij wel degelijk kon racen. Zo nam hij op Donington Park vanaf de derde startplek brutaal de leiding en hield die twee ronden vast. Een dertiende plaats in het WK was echter een teleurstellend resultaat voor een fabriekscoureur van Yamaha.
Icoon Franco Uncini: van 500cc-wereldkampioen tot beschermheilige
Toch mocht Kenny jr. bij het team van zijn vader blijven. Die raakte namelijk steeds ontevredener over de ontwikkelingen bij Yamaha en besloot te gaan racen met een grotendeels zelfgebouwde Modenas KR3 driecilinder. De prestaties op het asfalt gingen er niet op vooruit. In 1997 en 1998 wist Kenny jr. slechts een handvol top-tienklasseringen te behalen, en het begon erop te lijken dat zijn Grand Prix-loopbaan vroegtijdig zou stranden. Maar eind 1998 kwam er verrassend nieuws: Kenny Roberts junior had een contract getekend bij het Suzuki-fabrieksteam – dat zelf ook enkele moeizame jaren achter de rug had. Opnieuw werd gesuggereerd dat niet zozeer het talent van Kenny jr., maar vooral de status van vader Roberts een doorslaggevende rol speelde bij het sluiten van deze deal.
Vanuit het niets een wereldtopper
Nog één keer werd binnen de familie Roberts alles op alles gezet. Vader Kenny had jarenlang vertrouwd op de technische kennis van Warren Willing, en liet de Australiër naar het Suzuki-fabrieksteam gaan om er met zijn zoon samen te kunnen gaan werken. Ook Suzuki gooide alles in de strijd: er werd een recordaantal testdagen ingepland ter voorbereiding op het seizoen 1999. Die aanpak wierp zijn vruchten af, want tijdens de officiële testdagen bleek de Suzuki RGV500 XR89 met Roberts jr. en Nobuatsu Aoki bijzonder competitief. Ook de Nederlandse monteur Marc Hoegee maakte deel uit van de crew van Roberts jr.
Fitter en beter voorbereid dan ooit begon de Amerikaan aan de eerste Grand Prix van Maleisië. De hoop was dat hij misschien voor het eerst mee kon strijden om het podium. Maar wat volgde overtrof alle verwachtingen. Al vroeg in de race op het Sepang International Circuit pakte Roberts jr. de leiding en reed weg van de wereldtoppers van dat moment: Michael Doohan, Alex Crivillé, Max Biaggi en Carlos Checa. Terwijl dat groepje streed om plek twee, kwam niemand meer in de buurt van de Suzuki-coureur. Zo won Roberts jr. volledig uit het niets zijn eerste Grand Prix, nadat hij nog nooit eerder op het podium had gestaan. Een complete verrassing. Voor het eerst was Roberts geen ‘Junior’ meer. Vijfvoudig wereldkampioen Doohan begreep als geen ander wat Roberts jr. doormaakte en was de eerste die hem kwam feliciteren. Ook voor de Amerikanen was het een bijzonder moment: zij hadden sinds 1994 geen overwinning meer behaald. Vanaf dat moment stelde iedereen zich dezelfde vraag: was dit een eendagsvlieg of niet?
Het antwoord gaf de toen 25-jarige coureur zelf, tijdens de tweede Grand Prix van het seizoen in Japan. Die werd verreden op een kletsnat circuit van Motegi. Opnieuw pakte Roberts jr. al vroeg de leiding en bouwde een comfortabele voorsprong op. Doohan werkte zich langzaam naar voren en kwam uiteindelijk op de tweede plaats terecht, maar reed toen nog altijd vijf seconden achter de koploper. De druk nam toe, maar Roberts jr. bezweek niet. Misschien was het juist zijn jarenlange ervaring met de druk van een beroemde vader die hem hier hielp. Hoe dan ook, Doohan wist hem niet meer te achterhalen en Roberts won zijn tweede Grand Prix op rij. Tijdens de derde Grand Prix, in Jerez, raakte Doohan zwaar geblesseerd – een incident dat het einde van zijn carrière zou betekenen. En ineens was Roberts jr. de favoriet voor de wereldtitel. Maar op dat moment begon Crivillé – Doohans teamgenoot bij Repsol Honda – in topvorm te raken. Roberts jr. kende vervolgens twee mindere races: hij werd dertiende in Jerez en crashte in tweede positie op het circuit van Paul Ricard. Daardoor verloor hij zijn leidende positie in het wereldkampioenschap en die zou hij in 1999 ook niet meer terugveroveren. Toch bleef Roberts jr. sterk presteren. Later in het seizoen wist hij nog twee races te winnen en sloot het jaar af als vice-wereldkampioen achter Crivillé. Een wereldprestatie, zeker gezien waar hij zich een jaar eerder nog bevond.

Wereldkampioen met Suzuki
In 2000 ging Kenny Roberts junior met startnummer 2 voor het hoogst haalbare. Het hielp de Amerikaan dat Crivillé geen rol van betekenis meer speelde en dat veel andere rijders wisselvallig presteerden. Eén constante factor dat seizoen: Roberts junior. Zijn grootste concurrenten waren twee Italianen: Yamaha-coureur Max Biaggi en een sensationele nieuwkomer, Valentino Rossi, rijdend voor Honda. In de beginfase van het seizoen moest Rossi nog wennen aan zijn overstap vanuit de 250cc-klasse en liet hij door valpartijen cruciale punten liggen. Maar in de tweede seizoenshelft was de jonge Italiaan de beste man op de baan. Toch bleef Roberts junior consistent top-vierklasseringen behalen, waardoor Rossi nauwelijks kon inlopen. Tot aan de veertiende Grand Prix van het seizoen, die van Brazilië, had de Suzuki-coureur slechts één fout gemaakt: een crash in leidende positie tijdens de TT van Assen, in de Stekkenwal. In alle andere races finishte hij telkens in de top-zes. Daarmee bouwde hij een comfortabele voorsprong op in het wereldkampioenschap.
Eigenlijk viel de beslissing al in de dertiende van in totaal zestien races, toen Rossi in Valencia onderuitging en Roberts jr. als tweede over de streep kwam. Dat zorgde ervoor dat een zesde plaats in Brazilië genoeg zou zijn om de wereldtitel veilig te stellen, terwijl er daarna nog twee GP’s op het programma stonden. In Zuid-Amerika racete de Suzuki-coureur met zijn hoofd. Hij bemoeide zich totaal niet met de kopgroep. Terwijl Rossi de Grand Prix won, kwam Roberts jr. als zesde over de streep — genoeg om zich 500cc-wereldkampioen te mogen noemen. Een bijzonder moment: voor het eerst in de geschiedenis wisten een vader en zijn zoon beiden een wereldtitel in de wegrace te behalen. Bovendien doorbrak Suzuki hiermee de reeks van zes opeenvolgende wereldtitels van Honda. ‘Opluchting’, was het eerste woord dat de Amerikaan uitsprak na de finish. ‘We hadden ons werk in de voorgaande races al gedaan, maar je moet het nog wel afmaken,’ verklaarde Roberts jr.
Er ontstond een vriendschappelijke band en wederzijds respect tussen de 27-jarige Amerikaan en de 21-jarige Rossi — terwijl de jonge Italiaan al verwikkeld was in een vurige rivaliteit met landgenoot Biaggi. Tijdens de voorlaatste race liet Roberts jr. nogmaals zien waarom hij de wereldkampioen van 2000 was. Op Motegi — waar hij een jaar eerder Doohan had verslagen — reed hij dit keer op een droge baan weg van zowel Rossi als Biaggi. Het leverde hem zijn vierde overwinning van het seizoen en zijn achtste uit zijn carrière op. Rossi verklaarde na afloop: ‘Deze Kenny zal heel moeilijk te verslaan zijn in 2001.’ Maar die Kenny zou dat niveau eigenlijk nooit meer evenaren en geen Grand Prix meer winnen.
Icoon Max Biaggi: de Romeinse keizer die nooit koning werd
In verval en laatste opleving
Na het behalen van de 500cc-wereldtitel leek het alsof Roberts jr. zijn absolute motivatie een beetje was kwijtgeraakt. In 2001 – het laatste jaar van het 500cc-tijdperk – kon de Suzuki-coureur geen vuist meer maken. Met startnummer 1 finishte Roberts jr. slechts één keer op het podium en eindigde hij op een teleurstellende elfde plaats in het eindklassement. Hij werd zelfs verslagen door zijn nieuwe teamgenoot Sete Gibernau, die als negende eindigde en wel een Grand Prix wist te winnen.
In 2002 deden de viertakten hun intrede in de MotoGP. Suzuki kon met de GSV-R niet in de buurt komen van de Honda RC211V en de Yamaha YZR-M1. Daardoor moest Roberts jr. genoegen nemen met een bijrol — een beeld dat zich de daaropvolgende jaren zou voortzetten, met slechts sporadisch top-tienklasseringen als lichtpuntjes. In 2005 wist Roberts jr. nog één keer te verrassen met een tweede plaats in de stromende regen op Donington Park, achter zijn vriend Valentino Rossi, die op dat moment de koningsklasse domineerde. Toch kwam er eind 2005 een einde aan zijn tijd bij Suzuki. Zijn contract werd niet verlengd, mede omdat zijn jongere teamgenoot John Hopkins een betere indruk had achtergelaten. Suzuki koos voor Chris Vermeulen als opvolger van de wereldkampioen van 2000. Daarmee viel het doek voor Roberts jr. bij het merk waarmee hij zijn grootste successen behaalde. Maar zijn vader gaf hem nog een nieuwe kans.
Kenny senior had inmiddels afscheid genomen van Proton – de opvolger van Modenas – en liet een eigen frame bouwen met een Honda-blok: de KR211V. 2006 zou de boeken ingaan als een van de verrassendste MotoGP-seizoenen aller tijden. Bijna elke race vochten andere rijders om de topposities. Ook Roberts jr. kende een opleving. Met de nieuwe machine – die duidelijk competitiever was dan de Suzuki van de jaren ervoor – wist hij zich weer regelmatig in de top-tien te rijden. In Catalonië haalde hij zelfs het podium, achter Rossi en Nicky Hayden. In de tweede seizoenshelft eindigde hij steeds vaker in de top vijf en kwalificeerde hij zich ook opvallend sterk. In Estoril kwam de inmiddels 33-jarige coureur zelfs dicht bij een stunt. Bij het ingaan van de laatste ronde ging Roberts jr. nog aan de leiding, maar werd uiteindelijk gepasseerd door Toni Elias en Rossi. Achteraf verklaarde hij dat hij niet in de gaten had dat het al om de laatste ronde ging. Dankzij zijn constante resultaten — waarbij hij even het niveau uit zijn sterke Suzuki-jaren benaderde — sloot de Amerikaan het seizoen af als zesde in het wereldkampioenschap.
In 2007 werd opnieuw zichtbaar hoe grillig de carrière van Roberts jr. was. De MotoGP stapte over van 990cc- naar 800cc-motoren. De KR211V bleek niet competitief en Roberts jr. besloot halverwege het seizoen een punt achter zijn loopbaan te zetten. In de eerste zeven races had hij slechts twee keer punten weten te scoren. Hij werd vervangen door zijn jongere broer, Kurtis Roberts, die evenmin tot aansprekende resultaten kwam en na één seizoen weer van het Grand Prix-toneel verdween. Roberts jr. was een rijder bij wie het verschil tussen top en flop groot kon zijn. Met het juiste materiaal en de juiste motivatie kon hij de beste coureurs verslaan. Ontbrak een van die twee, dan speelde hij geen rol van betekenis. Zijn vader bleek toch gelijk te hebben met zijn uitspraak: ‘Je wordt nooit zo goed als ik.’ Maar Kenny jr. kwam wel akelig dichtbij, tot verrassing van velen.
Foto’s: Henk Keulemans