De races op het Engelse circuit van Mallory Park in Engeland werden altijd graag bezocht door ons. Het is een klein en intiem circuit met mooie zichtpunten om goede foto’s te nemen. Wellicht belangrijker was het feit dat er op loopafstand van de paddock ook een echte Engelse pub op het terrein staat.
Daar troffen rijders, monteurs en fans elkaar voor en na de races. Ideaal om een snel interview af te nemen, foto-orders te noteren en handtekeningen te scoren. Berucht waren sommige feestjes in het verre verleden als een echt grote naam een race had gewonnen op Mallory. Mike Hailwood en Barry Sheene zorgden er steevast voor dat de pub na sluitingstijd gewoon door bleef draaien, stampvol, met de deur op slot. Dit werd een privéfeest genoemd, om problemen met de wet te vermijden. Races op Mallory hadden een relaxte sfeer, je kon altijd prima terecht om rijders eens goed te spreken, motoren gedetailleerd te bekijken en te fotograferen. Traditioneel werden ieder jaar de Post TT-races op Mallory door ons bezocht. Dit evenement vond plaats het eerste weekend na de TT-races op het eiland Man. Na alle spanningen die het racen voor veel coureurs op het nogal gevaarlijke Man met zich meebracht, was de Post TT op Mallory altijd heerlijk ontspannend.
Cees van Dongen wint in 1969 de 125cc GP van Spanje
De foto is genomen vlak voor de start op Mallory van de F750 ‘Race of the Year’ op 19 september 1971. We zien Ray Pickrell op een BSA Rocket 3 F750 Triple-fabrieksracer, een van de meest succesvolle 750cc-racers uit begin jaren ‘70. Ray overleed in 2006 en was tot die tijd een vast contact als ik informatie wilde hebben over de latere Norton twins & BSA en Triumph triples. Hij wist er buitengewoon boeiend over te vertellen en raakte niet uitgepraat over de technische ontwikkeling van deze machines. Het ging dan niet alleen over de racers maar ook over de straatmachines. Dit waren de laatste zware modellen van BSA en Triumph voordat beide fabrieken in de jaren ‘70 ten onder gingen. Ze braken dankzij hun driecilindermotorblok met de paralleltwintraditie van beide merken. Hoopvol werden ze eind jaren ‘60 geïntroduceerd, maar waren vrijwel direct achterhaald door Honda’s CB750 die in Amerika bewust voor minder dan de helft van de verkoopprijs van deze Engelse driecilinder op de markt gezet werd.
Racen vanuit het café
Ray werd geboren in 1938 in het dorpje Harrow Weald, Middlesex. Zijn vader was een buitengewoon fanatieke motorrijder. Toen Ray 16 werd, stond er een Ambassador Supreme voor hem klaar, aangedreven door een 225cc-tweetakt Villiers-motorblok. Want aan autorijden deed de familie Pickrell niet. De Ambassador werd opgevolgd door een Norton Dominator en daarna een BSA Gold Star. Ray hield van sportief rijden en was eind jaren ‘50 veel te vinden bij de beroemde ‘Busy Bee’ en het nog veel beroemdere ‘Ace Café’. Vanuit beide cafés werden illegale straatraces georganiseerd op het wegennetwerk rond Noord-Londen. In 1960 schreef Ray zich voor de grap in voor een race op Brands Hatch. Met zijn BSA Gold Star maakte hij tot zijn grote verbazing een kopstart. Tijdens de eerste ronde keek hij op Paddock Hill om en zag de meute achter hem, geleid door toekomstig wereldkampioen Phil Read. De achtervolgende meute fascineerde hem net even iets te lang, want toen Ray weer voor zich keek, was het te laat. Zijn BSA raakte naast de baan en slingerde Ray onbeheersbaar als een bokkige stier van zich af. Het was de enige crash in zijn leven die niet veroorzaakt werd door een mechanisch defect. Desondanks zette Ray door en besloot meer races te gaan rijden.
In 1967 werd hij gespot door Paul Dunstall, een Norton-dealer en tuner uit Zuid-Londen. Dunstall bouwde erg succesvolle Norton-tweecilinderwegracers en besloot Ray te gaan sponsoren. Dit leidde in 1968 tot zeventien raceoverwinningen, inclusief Ray’s eerste TT-overwinning op het eiland Man in de 750cc TT Production-klasse. Ray sloot deze race af met een gemiddelde snelheid die lag op 157,9 km/u. Het ronderecord dat hij brak in die klasse was nog indrukwekkender: 159,9 km/u.
Slippery Sam
Zijn successen bij Dunstall zorgden voor een contract met het BSA/Triumph-team in 1971. De BSA Rocket 3 en Triumph Trident F750-driecilinderwegracers bevielen hem prima. ‘A match made in heaven’ noemde Ray het zelf toen ik hem eens vroeg naar zijn ervaringen met deze Engelse driecilinder Formule 750-racer. Geen wonder, want hij reed met deze Triple de sterren van de hemel in de Transatlantic Match Races, hij won zijn tweede TT-overwinning op het eiland Man met de roemruchte ‘Slippery Sam’ – de Triumph-driecilinder Production TT-racer – en als klap op de vuurpijl won hij samen met Percy Tait dat jaar de Bol d’Or 24-uursrace op Le Mans. En de F750 Race of the Year op Mallory, het toneel van deze foto? Daar eindigde hij de race op de derde plaats, achter John Cooper (BSA Rocket 3) en Giacomo Agostini (MV 500-3 GP-racer).
In 1972 won Ray opnieuw de Production TT op het eiland Man met ‘Slippery Sam’ en zette ook de ongelooflijk zwaar bevochten F750-race op zijn naam. In beide races brak hij het ronderecord. In de F750 zelfs met een snelheid van 170 km/u en dat was sneller dan Ago op zijn 500cc-driecilinder MV Agusta GP-racer in dezelfde week tijdens de Senior TT 500cc WK-race wist te realiseren. Maar in de laatste race van het jaar, de Race of the Year op Mallory, ging het vreselijk mis.
Tegenslag definieert de mens
In de 1000cc-race liep de versnellingsbak van zijn BSA vast bij een snelheid van 145 km/u toen hij wegreed uit Mallory’s Devil’s Elbow-bocht. Hij vloog door de lucht en klapte hard terug op het circuit. Een fractie van een seconde later werd hij zwaar geraakt door de Triumph Triple van Tony Jefferies, die de vastlopende BSA van Ray niet meer kon ontwijken. De Triple van Jefferies vloog na de aanrijding hoog door de lucht en kwam gewelddadig neer op het lichaam van Ray, waarna hij onder meer zijn bekken op zes plaatsen brak. Meer dood dan levend en met helse pijn werd hij naar het Royal Infirmary Hospital in Leicester vervoerd. De zwaargewonde Ray dacht dat hij zou sterven, zijn doktoren ook. Hij zou het overleven, maar zijn racecarrière was voorbij en de rest van zijn leven zou hij invalide blijven. Uiteindelijk vond hij weer werk als vrachtwagenchauffeur.
Ik ging graag naar Engeland om hem te bezoeken en reed dan regelmatig met hem mee in zijn vrachtwagen. Iedere keer kwam weer meer nieuwe Triumph- en BSA-informatie boven water. Af en toe vierde hij bij ons in Nederland vakantie als zijn werk en zijn gezondheid het toelieten. Met sterretjes in zijn ogen vertelde hij dan opnieuw over zijn tijden op de Dunstall Domi-racers en vooral de BSA en Triumph Rocket 3 en Trident Triples.
Ondanks zijn afgrijselijke ongeval dat zijn leven toch wel gebroken had, bleef Ray heel positief ingesteld. Een belangrijke levensles. Shit happens, maar het opkrabbelen daarna definieert je als mens. Ray wist dat. Hij overleed in 2006 op 67-jarige leeftijd. Gezien het intensieve contact was het vanzelfsprekend geworden om zijn laatste afscheid bij te wonen. Juist die ochtend, in een belabberd Engels hotel, scheerde ik me en voelde ik een vreemde knobbel in mijn hals. Weken later werd Ray op een persoonlijke manier een heel mooi voorbeeld voor me hoe je met een grote tegenslag omgaat.
Foto: Archives A. Herl



