maandag 27 mei 2024

Lull: van pijpkan tot piemel – Aparte plaatsnamen

Je zal toch maar Van Agteren heten. Of Naterop. Of Neukermans. Van Lul. Bestaat ook. Van Kut. Idem. Poepe, Tiet, Kloote, je noemt het en het bestaat. Heerlijk om dat eens achter elkaar te zetten en hardop uit te spreken. Ja, toe maar… Tegelijkertijd zijn het wel allemaal achternamen die mensen voor het leven kunnen tekenen. Tenzij je hem laat veranderen maar dat kost een paar centen. Met scabreuze (lees schunnige) plaatsnamen speelt iets vergelijkbaars. Je zal maar uit Lull komen …

Het ligt in Noord-Limburg maar waar precies is even uitzoeken. Dat komt, al rond 1900 verdween Lull stilletjes uit de stukken – rare naam, vond de overheid, aanstootgevend. En in 1976 toen Lull bij Venray kwam, verdwenen ook de borden. Na raadpleging van diverse bronnen weten we toch hoe er te komen: via de A73, afslag 8 Venray Noord, en dan via de Stationsweg richting Oostrum, tot achter het kapelletje. Daar ligt Lull.

De Hel – Aparte plaatsnamen

Bij aankomst is niets te zien. Ja, het kapelletje, gewijd aan Sint Antonius, patroon van verloren zaken, maar het staat er zo verweesd bij dat ik te doen heb met de heilige, verdwaald in een plantsoen tussen twee nieuwbouwwijken. Voor het overige maakt de omgeving een onttakelde indruk, vooral richting Oostrum, aan weerszijden van de A73. Wat ooit een vriendelijke landweg moet zijn geweest, is veranderd in een doorgangsader en waar de akkers niet zijn vervangen door nieuwbouwwijken, liggen nu morsige industrieterreinen. Kaal, leeg, koud en winderig en tegen twaalven vullen ze zich met plukjes mannen die het lunchuur gebruiken voor een kleine wandeling.

Noaberschap

De vraag is natuurlijk: áls Lull al een vreemde naam zou zijn, waarom hebben ze de plaats dan ooit zo genoemd? En wat is er gebeurd dat men een naamsverandering op een gegeven moment noodzakelijk achtte? Een eerste antwoord krijgen we in het Museum Psychiatrie Venray – daar wacht Jac Haegen, jarenlang werkzaam geweest binnen de inrichting maar bovenal Lullenaar van geboorte. De naam Lull heeft volgens hem niets van doen met een scheldnaam maar alles met de Sompgraaf, het beekje dat al meanderend, al lollend door de nabijgelegen weilanden stroomde. ‘En lollen is in de streektaal lullen geworden. Hier in de buurt heb je ook letterlijk de Lollebeek. Dat is precies hetzelfde verhaal.’

Hij herinnert zich Lull als een hechte gemeenschap van wat keuterboertjes en burgermensen, niet veel meer dan tweehonderd. Noaberschap speelde een grote rol. ‘Of het nou om een geboorte ging, trouwen of sterven, de buren hadden traditioneel een belangrijke taak.’ Zo ging buurman altijd mee als vader een kind moest aangeven en bij de doop droeg buurvrouw de baby. Bij een sterfgeval was het de taak van buurman bij de dode te waken. ‘Dat wilde nog wel eens uit de hand lopen’, grinnikt Jac. ‘Tijdens de wake ging de fles jenever rond en je begrijpt wel, na een nachtje was die leeg en buurman beschonken.’

Samen met Jac lopen we nog even door het museum – een gevolg van het feit dat de Broeders van Liefde uit Gent hier in 1907 het Sint Servatiusgesticht vestigden, ter behandeling van wat ooit krankzinnigen werden genoemd. Conclusie: hoewel je het soms betwijfelt, is er sprake van vooruitgang, zeker op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg. Ga maar na. Ooit legden we de ‘gecken’ en de ‘dollen’ in een kot aan de ketting maar daar komt in de vorige eeuw verandering in. Eerst stappen we van bewaring over op behandeling en die behandeling wordt steeds humaner.

Suprise

Maar dan nog schrik je je rot als je de leerweg ziet die de psychiatrie heeft afgelegd. Een voorbeeld. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw bestond er zoiets als dwangbehandeling, Jac heeft het nog meegemaakt. Daarbij werden patiënten gefixeerd tot ze geen vin meer konden verroeren, een dag of een week of een maand, ja, zelfs langer. Bij gebrek aan beter natuurlijk, maar toch… het lijkt verdacht veel op marteling. Ander voorbeeld, aangeduid met de alles verhullende term bain de surprise. Daarbij lieten ze patiënten bij verrassing in ijskoud water vallen – de daarmee gepaard gaande angst en schrik zouden goed zijn voor hun genezing … En wat te denken van het opwekken van epileptische aanvallen omdat die, beweerde de Hongaarse psychiater Von Medusa, schizofrenie zouden voorkómen?

Intussen zitten we nog steeds met de vraag waarom Lull in de negentiende eeuw uit de stukken moest verdwijnen. Op zoek naar een antwoord dwalen we door de omgeving en weer valt op hoe slordig ermee is omgegaan. Vergelijk dat eens met de inhoud van het boekje ‘Herinneringen aan het buurtschap Lull’ van Wim Jeuken. Foto’s van eenvoudige langgevelhuizen tussen de velden in het groen, van boeren die het graan oogsten, van Truus en Jean die, ieder op een krukje een koe melkend, lachend naar de fotograaf kijken. Meest bizarre: pas vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw, dus in amper dertig jaar, is deze idylle veranderd in wat het nu is.

Op zoek naar antwoorden belanden we op goed moment bij Carel Jeuken in de kelder, niet alleen omdat hij is opgegroeid náást het Sint Servatiusgesticht maar ook omdat hij het vak beheerst waaraan de klompenstreek zijn naam dankt. We krijgen te zien hoe klompenbijl en paalmes te hanteren, waarvoor snijpaard en heulbank staan en wat de verschillen zijn tussen Hollandse klomp en Staphorster klomp en Zeeuwse klomp – ‘’t Zit ’m in de neus’, doceert Carel.

Lief klein klompje

Wat vooral beklijft, is hoe uit zo’n lomp stuk hout zulke fraai gelijnde voorwerpen kunnen ontstaan en dat met zulk grof gereedschap. Ongelooflijk. Thuis ben ik inmiddels de gelukkige bezitter van een flessenopener aan een lief klein klompje – elke dag gaat het even door mijn handen om te genieten van lijn en vorm.

Maar hoe zit het nou met Lull? Carel, 73 inmiddels, herinnert zich vooral de grappen die ze onderling maakten. ‘Ik woonde in ’t Brukske, ’t Broekje zeg maar. En dan zeiden we onder elkaar: “As ge ’t Brukske laot zakke, krijgde ge Lull in zicht”. Of als je wat woorden met iemand had: “Gij zijde er zeker ene van Lull”. Wat betekende ik neem jou niet serieus. Maar verder…’

We eindigen onze queeste in café Halfweg, volgens Jac Haegens, die ertegenover opgroeide, ooit café Lull geheten maar dat wordt binnen hartelijk ontkend. Volgens de huidige eigenaresse heeft het altijd Halfweg geheten, misschien een tijd café Cremers naar de toenmalige eigenaar maar Lull, nee. Wel een idee trouwens, om het café Lull te gaan noemen – publiciteit verzekerd en met meer karakter dan dat saaie Halfweg. Erg gezellig is het er niet, zeker nu in coronatijden want stil en donker, om niet te zeggen somber. Achterin bevindt zich een grote biljartzaal waar een norse man, een grijze zestiger in geruit hemd en verschoten broek, in zijn eentje wat caramboles maakt.

Murmulend zingen

Gaandeweg blijkt hij een buitengewoon bedreven biljarter die, in weerwil van zijn grove bouw, de meest subtiele stoten neerlegt. Hard, zacht, een trekstootje hier, een doorschietbal daar – ‘U bent vast een wedstrijdbiljarter’, roep ik hem toe waarop hij antwoordt: ‘Ja, maar d’r zijn geen wedstrijden.’ ‘Dus u bent aan het trainen?’ ‘Ja, anders zit ge maar de hele dag op uwe stoel.’ Omdat hij verder geen interesse lijkt te hebben in een gesprek, laat ik het er maar bij en bestel de wisselsnack van de maand – deze keer een Ragoezi, ‘verrassend lekkere ragout in een krokante korst’.

Pas thuis, bij raadpleging van het etymologisch woordenboek, wordt duidelijk hoe het nou zit met lul. Aanvankelijk betekende het helemaal niet wat we er nu onder verstaan. Lul wordt in verband gebracht met lullen of lollen en dat is een klanknabootsend woord in de betekenis van murmelend zingen, het voortbrengen van een onafgebroken basistoon – precies wat een kabbelend beekje doet. Vervolgens is die betekenis van klokkend geluid overgegaan op een pijpkan, een kan met een lange tuit waaruit kinderen of zieken konden drinken, onderwijl een lollend lees lullend geluid makend. Dus kon men in 1642 nog zonder omhaal praten over ‘uyt een lul laten drincken’. Vanwege de vormovereenkomst met deze lange tuit is het mannelijk lid langzaam maar zeker ook lul gaan heten. Reden waarom de overheid het eind negentiende eeuw niet langer verantwoord achtte mensen in Lull te laten wonen.

Dit hele verhaal roept trouwens de vraag op: hoe heette een lul toen het nog geen lul was? Maar daarover graag een andere keer.

Paul Vreuls
Paul Vreuls
Paul Vreuls is al sinds 1991 zelfstandig journalist. Hij heeft zich gespecialiseerd in cultuurreizen. Paul publiceert geregeld in Promotor, maar ook in Traveler, een gerenommeerd reizenmagazine, en kranten.

Stay tuned

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en mis nooit het laatste nieuws! Onze nieuwsbrief wordt iedere week op dinsdag (bij veel nieuws) en donderdag verstuurd.


Gerelateerde artikelen