Het zien van de eerste strooiwagens is als het ontmoeten van de nieuwe vriendin van je vader vlak na de scheiding van je ouders. Het besef daalt in dat je hoop vervlogen is.
Moet dat strooien nou echt? Denk ik elk jaar. Ik wil gewoon motorrijden zonder mijn leven te wijden aan spoelen, poetsen en het industrieel verwerken van vaseline. Dus ga ik op zoek naar argumenten om het strooien te laten stoppen.
Na wat research blijkt dat strooien voor de verkeersveiligheid bijzonder effectief is. Jammer. Wat ik wél vind, is dat het slecht is voor het milieu. Bodemverzouting, schade aan planten en bomen, aantasting van het grondwater. Eureka.
Met dit argument in mijn zak besluit ik de discussie met de Zoutlobby aan te gaan. Voor wie nog nooit van de Zoutlobby heeft gehoord: het is een relatief onbekende internationale organisatie die het bevorderen van zout strooien tot haar hoogste doel heeft verheven.
Op een zaterdagmiddag spreek ik ze bij een hotel. Ze zijn te laat, vermoedelijk omdat ze uitsluitend in strooiwagens rijden. Het is een vreemd gezicht: mannen in pak die uit een strooiwagen stappen.
Excuses blijven uit. Ze hebben net een speeltuin volledig onder het zout gelegd, ondanks twaalf graden, geen vorstverwachting en spelende kinderen. “Je weet nooit wat het weer doet,” zeggen ze. En: “Die kinderen huilden toch al.”
De leider herken ik aan het woord ‘President’ dat op zijn colbert is geborduurd. Ik vond het duiden op compensatiedrang. Wanneer we een uitsmijter bestellen, loopt er iemand naar een strooiwagen om eigen zout te pakken. Ze eten nooit andermans zout.
De middag vult zich met verhalen over strooimomenten en de schoonheid van sneeuw die langzaam verandert in grauwe pap. De mannen drinken veel bier. Op mijn vraag wat ze in de zomer doen, vertelt een ‘Member’ dat ze een eigen indoorskihal hebben laten bouwen. Zo kan er altijd gestrooid worden. Ze reizen vaak naar Scandinavië, vooral de Noordkaap. “Daar valt meer te strooien.”
Op de vraag hoe ze dit bekostigen, krijg ik een vaag verhaal over eigen ondernemingen in de transport en beveiliging. De sfeer schiet deze middag heen en weer tussen agressief en uitermate vriendelijk. Bij het afrekenen staan ze erop te betalen. Contant.
Tijdens de rit naar huis in de strooiwagen – iemand is zo aardig om mij per se een lift te willen geven – besef ik dat ik het argument over milieuschade niet heb benoemd. Ik heb er ook geen zin meer in.
Die avond, wanneer ik in bed lig, hoor ik het voor het eerst: een strooiwagen die door mijn straat rijdt en tien minuten blijft stilstaan voor mijn huis. Het is acht graden en droog. De weken daarna wordt het routine. Elke nacht minstens één strooiwagen. Motor aan. Uiteindelijk ontvang ik een brief waarin wordt vermeld dat ze mij aanraden positief te schrijven over de Zoutlobby, omdat dit goed zou zijn voor mijn carrière als schrijver en voor de toekomstige loopbaan van mijn kinderen.
Vanaf dat moment durf ik toe te geven wat ik al langer voel: zout strooien is eigenlijk prachtig. Het afspoelen van mijn motor werkt ontspannend. Het in de weer zijn met vaseline is bovendien handig; ik kan er meteen mijn lippen mee insmeren. Als mensen mij tegenwoordig vragen waar ik spijt van heb, zeg ik: dat ik het plezier van zout strooien zo lang heb onderschat. Fouten maken is menselijk.
Net als strooien.
Tekst: David van den Hil



