Ik heb een nieuwe buurman, Kees Pit, een Nederlander die na z’n pensionering het lelijke Zaandam geruild heeft voor het prachtige Gent. Hij is altijd controleur van schuursponsen geweest in de Zaandamse fabriek Schuurspons & Co, en nu geniet hij van z’n rust in de hoofdstad van het fantastische Oost-Vlaanderen. ‘Ben jij familie van Henk-Jan Pit?’ vroeg ik hem. ‘Ik heb een neef die Henk Pit heet,’ zei hij, ‘en een andere neef die Jan Pit heet, maar een Henk-Jan Pit ken ik niet. Wie is dat?’ ‘Henk-Jan was een collega-auteur,’ zei ik, ‘die na twee schitterende romans, getiteld Hou op met doodgaan en De vliegende splijtzwam jammerlijk verongelukt is toen hij op een keer zo moe was dat hij zich te slapen legde op het wegdek van de hoofdstraat in Spijkenisse en overreden werd door een Scania Vabis, die ringen en halskettingen kwam leveren bij juwelier Het Blinkende Goud, overigens de befaamdste juwelier in heel Spijkenisse.’ Ik schiet goed op met Kees. Hij is een geschikte kerel, die niemand lastig valt, en die z’n hobby, het smelten van vetkaarsen, uitvoert zonder om het even wie ermee te storen. Bovendien is hij een motorrijder. Hij bezit een Harley-Davidson Sportster 883 uit 2003. Dat is een ietwat vrouwelijke motor, maar Kees heeft dan ook iets vrouwelijks: een bles, oogschaduw, soms een rok, en schoenen met hoge hakken, maar in Gent zijn we wat gewend, dus we kijken hem er niet op aan.
Herman Brusselmans: ‘Omdat m’n vrouw hier de broek draagt, zal de nieuwe motor er niet komen’
Hij vroeg mij of hij z’n Sportster kon stallen in mijn garage, en hoeveel hem dat per maand zou kosten. ‘Kees,’ zei ik, ‘m’n garage is groot genoeg voor twee motoren, en het kost je geen cent, want wij Vlamingen zijn zeer vrijgevig weet je wel.’ Hij kreeg tranen van ontroering in z’n ogen, zoveel vrijgevigheid was hij in Nederland nooit gewend geweest. Hij gaf me wel een cadeautje, een doosje pralines van Leonidas, die ik samen met m’n vriendin Lena en ons zoontje Roman smakelijk opsmikkelde. Kees vroeg gisteren of we niet samen een ritje konden maken met onze respectieve motoren, zijn Harley en mijn Triumph. Het was prima weer, zodat ik het een goed idee vond. Kees had een spannend latex pak aan, en ik m’n gebruikelijke motorkloffie. We vertrokken aan mijn garage, nadat ik had gezegd dat een ritje naar de Lembeekse bossen leuk zou zijn, mede omdat zich daar een paar toffe restaurant-café’s bevinden waar we de inwendige mens zouden kunnen versterken. Nadat we vertrokken waren viel het me op dat Kees een beroerde motorrijder is. Hij bewoog zich voort met schokken, schakelde te vroeg of te laat, en slingerde over de weg. Het leek wel alsof hij bezopen was, hoewel hij me had toevertrouwd dat hij in 2021 de drank had afgezworen nadat hij in dronken toestand z’n toenmalige vrouw Toos een rammeling had gegeven, waarna ze meteen de scheiding aanvroeg. Op weg naar Lembeke passeer je het gemoedelijke dorpje Kaprijke, dat bekend staat om z’n vloerkleedindustrie, z’n warme bakkers, en z’n vele sloten. Kees miste een bocht en reed pardoes zo’n sloot in. Het kostte nog heel wat moeite om de Harley weer op het droge te krijgen, en we reden door naar Lembeke, waar we in restaurant-café De Boshoeve elk een warme chocomelk en een pannenkoek met stroop degusteerden. Op te terugweg reed Kees ter hoogte van Kaprijke alwéér in een sloot, en het was toen dat ik besloot om nooit meer samen te motorrijden met Kees Pit, nochtans een geschikte kerel.


