Frankrijk: De Opaalkust ontdekt

Op nog geen twee uur rijden van de Nederlandse grens, begint de Franse Opaalkust. Door een bioscoophit hebben de Fransen zelf eindelijk ontdekt hoe leuk en mooi dit deel van Frankrijk is. Nou wij nog. Jan Dirk Onrust Verschrikkelijk is het, daar in het Hoge Noorden van Frankrijk. IJskoud kan het er zijn, min twintig graden Celsius. Minstens. En als het niet vriest, dan regent het. Altijd. Ze hebben alleen maar zware industrie en de mensen die er wonen, zijn onverstaanbare horken. Zo ziet de gemiddelde Fransman het uiterste noordwesten van zijn land. Of beter gezegd: zag. Want sinds de ...
Op nog geen twee uur rijden van de Nederlandse grens, begint de Franse Opaalkust. Door een bioscoophit hebben de Fransen zelf eindelijk ontdekt hoe leuk en mooi dit deel van Frankrijk is. Nou wij nog. Jan Dirk Onrust Verschrikkelijk is het, daar in het Hoge Noorden van Frankrijk. IJskoud kan het er zijn, min twintig graden Celsius. Minstens. En als het niet vriest, dan regent het. Altijd. Ze hebben alleen maar zware industrie en de mensen die er wonen, zijn onverstaanbare horken. Zo ziet de gemiddelde Fransman het uiterste noordwesten van zijn land. Of beter gezegd: zag. Want sinds de speelfilm Bienvenue chez les Ch'tis dit jaar alle bezoekrecords heeft gebroken, is de mening volledig omgeslagen. Meer dan tien miljoen Fransen hebben inmiddels de belevenissen gezien van een postkantoorchef die voor straf van de Provence wordt overgeplaatst naar het stadje Bergues, vlakbij de Belgische grens. Samen met de postbeambte ontdekten zij dat de Hel van het Noorden eerder een hemel is, met allervriendelijkste bewoners en een prachtige omgeving. Sindsdien heeft het anders zo slaperige stadje geen oog dicht gedaan. Uit heel Frankrijk (en Zwitserland en België) stromen er wekelijks duizenden nieuwsgierigen naar toe. En op een mooie zaterdagmiddag eind mei, ben ik een van hen. Pissende filmsterren Bergues – plaatselijk bekend onder de Nederlandse naam Sint Winoksbergen – ligt op een kilometer of zes van Duinkerken. Deze grote havenplaats vertegenwoordigt met zijn zware chemische industrie en nabijgelegen megakerncentrale alle somberheid die het noorden wordt toegeschreven. Maar als ik hier de snelweg verlaat, kom ik al snel in een kalm, frisgroen weidelandschap terecht. Niet strak Hollands, ook niet chaotisch Vlaams, maar iets er tussenin. Bergues zelf doet denken aan een stadje als Naarden. Een stadswal, een paar grachtjes, oude huizen van gele baksteen. Na de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog werd het stadje geheel gerestaureerd, maar de ziel zou zijn verdwenen. Met de komst van de film lijkt die weer terug te zijn. Tegen het middaguur is het feestelijk en druk in het centrum. Er staat een kermis, er rijdt een toeristentreintje rond, groepen toeristen worden door gidsen rondgeleid. 'En hier dames en heren, stond monsieur Philippe (de hoofdrolspeler - jdo) in de gracht te pissen,' vertelt een gids aan een ademloos luisterende menigte. 'Piste hij echt?' vraagt een toerist die zich heeft verkleed als postbode – de nieuwe nationale held van Frankrijk. 'Nee, daar hebben ze een trucje voor, een nepblaas met water,' zegt de dorpsgids, inmiddels een ingewijde in de wereld van cinematografisch bedrog. 'Filmsterren pissen niet in het openbaar.' De grootste bunker Bergues zorgt voor een vermakelijke eerste kennismaking met het Franse Noorden. En minstens zo leuk: na dit stadje wordt het eigenlijk alleen maar beter. Als ik mijn BMW GSA over smalle, bochtige landweggetjes naar Eperlecques stuur, neemt de lieflijkheid gestaag toe. Bij de erven van keuterboertjes ruik ik de fruitbomen, ik stop een keer voor een overstekende ganzenfamilie, langzamerhand komt er wat reliëf in het landschap. Vlakbij Watten ligt er zelf een flinke bult met daarop het Park van Eperlecques. Aan de achterkant van de bult is het plotseling afgelopen met de lieflijkheid. Verscholen in het dichte bos ligt hier namelijk Le Blockhaus. De grootste bunker van Europa: 22 meter hoog, 90 meter lang, 50 meter breed met muren van een meter dik. De megabunker met eigen spoorlijn, waaraan 6.000 dwangarbeiders hebben gewerkt, zou worden gebruik om V1- en V2-raketten te lanceren. De geallieerden kregen daar lucht van en wisten het complex zwaar te beschadigen. De Duitsers gebruikten het daarna alleen voor de productie van vloeibare zuurstof – de brandstof van de V2. Van Le Blockhaus hebben ze nu een redelijk interessant museum (€7 p.p.) gemaakt, waar je behalve de bunker onder meer de lanceerinstallatie van een V1 kunt zien. Le Blockhaus is de eerste confrontatie met de duistere, maar erg boeiende kant van de Opaalkust. Nog velen zullen volgen. Een kleine twintig kilometer zuidelijker bijvoorbeeld, vind je La Coupole – een bunkercomplex met een betonnen koepel van vijf meter dik. De Duitsers bouwden het nadat Le Blockhaus was gebombardeerd. Tegenwoordig is het uitgebouwd en ingericht tot een raket- en ruimtevaartmuseum. De V2 van Werner von Braun was tenslotte de basis voor het latere Apollo-programma van de NASA. Groots en interessant, maar de koudste rillingen bewaar ik nog even voor een later moment. Nu eerst naar de kust. Door het uitstapje naar Le Blockhaus en La Coupole sla je de streek tussen Duinkerken en Calais over. En dat was precies de bedoeling. Maar het zuidstrand van Calais mag je niet overslaan. Want hier begint de fantastische kustweg naar Boulogne sur Mer. In het eerste plaatsje dat ik tegenkom – Sangatte - wordt het meteen al mooi. Ik rijd langs een smalle duinenrij, waar ik tussen de vele strandopgangen het Nauw van Calais zie glinsteren. Typisch voor de Opaalkust: op zee is het drukker dan aan de kant. Minstens twintig schepen zie ik op de drukste zeestraat te wereld, terwijl een zeilwagen het brede strand vrijwel voor zichzelf heeft. Op de kustweg is het nauwelijks drukker. De Twee Kapen De prikkelende zeelucht maakt me na een lange dag fris en wakker. Puur uit plezier draai ik het gas in de eerste flauwe bochten wat verder open dan toegestaan en dan ineens loopt de weg steil omhoog. Dat is het begin van een van de mooiste streken die je binnen een straal van 300 km van Utrecht kunt vinden. Het Land van de Twee Kapen. Als je er niet op rekent, valt je onderkaak van verbazing op je tank. Vanaf het noorden van Denemarken is de kust min of meer vlak geweest, maar hier stijgt hij naar een hoogte van 134 meter. Eindelijk ben je nu ook in landschappelijk opzicht in het buitenland aangekomen. Sterker nog: even is het alsof je naar de hemel gaat. Maar de Fransen noemen deze eerste bult Cap Blanc Nez. Deze eerste van de Twee Kapen is een krijtrots die geologisch identiek aan de beroemde White Cliffs aan de overkant. Bovenop de Blanc Nez staat een obelisk die herinnert aan slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, er zijn bunkers en het uitzicht is fantastisch. Althans, dat neem ik allemaal maar aan. Maar zien kan ik het niet. De kaap is namelijk potdicht. De omvangrijke renovatie die vorig jaar begon, neemt iets meer tijd dan verwacht. Maar met een beetje geluk zijn de werkzaamheden afgerond op het moment dat deze Promotor in de bus valt. Heel veel maakt dat niet uit. Het beste zicht op een kaap heb je toch altijd vanaf de zijkant. Na het afgesloten plateau volgt een flinke afdaling. Die is zo stevig dat er namen van profwielrenners op het wegdek zijn gekliederd. Er ligt zelfs een prachtige haarspeldbocht in. Aan de voet van de kaap, in het dorpje Escalles, besluit ik dat het genoeg is voor vandaag. Temeer omdat hier een hotelletje staat met schappelijke prijzen en een goed restaurant: L'Escale. Pubs en clubs In de vroege morgen rijd ik over een heuvellandschap naar de volgende kaap - Cap Gris-Nez, die een kilometer of tien verderop ligt. De zee wordt beschenen door het typische heiige, roomwitte licht waaraan Opaalkust zijn naam te danken heeft. Nergens is Engeland dichterbij dan hier – ongeveer 33 km – maar het is vandaag net niet helder genoeg om het te zien. Kaap Gris-Nez (50 m) heeft lang niet de hoogte van Blanc Nez, maar hij steekt verder de zee in en roept daardoor een minstens even sterk 'kaapgevoel' op. Vlakbij de kaap ligt het beruchte Batterie Todt-geschut, dat met kanonnen van 20 meter het scheepsverkeer tot aan de overkant toe kon raken. Een deel van het complex is een oorlogsmuseum. Tussen de twee kapen ligt het aangenaam rustige kustplaatsje Wissant. Maar voor het pareltje van het Land van de Twee Kapen moet je 10 kilometer doorrijden. Daar ligt Wimereux, een levendig stadje met prachtige oude zeevilla's aan het strand, tussen de krijtrotsen. Bijzonder aangenaam, maar helemaal geweldig als het hier onaangenaam is: als tijdens een najaarsstorm de golven tegen de boulevard beuken. Op ansichtkaarten zie je hoe spectaculair het er dan uitziet. Iets verder, even na de met kiezelstenen bezaaide monding van het riviertje Slack, eindigt het kaaplandschap en ga ik Boulogne sur Mer in. Deze stad heeft de naam oerend lelijk te zijn, maar als je recht op het hoogste gebouw – de Basiliek Notre Dame – afrijdt, zit je zomaar in een prachtige, historische binnenstad met een dertiende-eeuwse muur er omheen. Ook niet missen: Nausicaa, een echt goed zee-aquarium. Daarna een vers visje halen bij de visafslag en dan snel wegwezen. Bij Boulogne houden de krijtrotsen zo ongeveer op en begint een uitgestrekt duinlandschap met wat bossen en – vanaf Hardelot - zeer brede stranden. En er liggen een paar leuke kustplaatsjes, waarvan Le Touquet de bekendste is. Het wordt ook wel Paris-Plage (het strand van Parijs) genoemd, maar ik zie er vooral veel Engelsen. Dat betekent dus dat er veel pubs en clubs zijn. Het schuldgevoel over een lange nacht doorhalen, kun je de volgende morgen afkopen met dure chocolaatjes of andere exclusiviteiten voor je vrouw. Het eindpunt van de Opaalkust bereik je 12 kilometer zuidelijker in Berck. Ook wel aardig, maar ik mis nog iets waarvan je steil achterover slaat. Maar dat vind ik op de terugweg, acht kilometer achter Wissant. Hier liggen talloze heel kleine, lekkere boerenweggetjes, met soms heerlijk slecht asfalt. Maar daar is het hele achterland van de Opaalkust mee bezaaid, dus daar gaat het niet om. Het gaat om een bunker die hier ligt: Mimoyecques. Ik vind hem bij een restaurantje onderaan een kalkheuvel. Op het eerste gezicht lijkt het niet meer dan een grotingang. Maar als ik daar instap, ligt er een tunnel van bijna een kilometer lang voor me. De tunnel heeft een aantal aftakkingen en eronder lagen waarschijnlijk nog eens twee van zulke tunnelcomplexen. Met andere woorden: dit is absurd groot. Het werd allemaal aangelegd om een geheim wapen van de Duitsers te huisvesten: de V3 - een kanon van 150 m lang, dat was bedoeld om Londen te treffen. Nog voor er een schot was gelost, wisten de geallieerden het complex al onbruikbaar te maken met 'aardbevingsbommen' van 5443 kg per stuk. Ik bedoel maar: aan de Opaalkust valt veel te ontdekken. Zelfs bij de achteruitgang van een restaurant. Maar de grootste ontdekking is toch wel dat dit interessante en mooie gebied op maar enkele uurtjes van huis ligt. De taal van de Ch'tis In WO I vroeg een soldaat uit de Opaalkust aan collega uit dezelfde streek in zwaar Picardisch dialect: 'Ch'tis? (Ben jij dat?)' 'Oui, ch'mis! (Ja, dat ben ik!)', luidde het antwoord. De andere soldaten vonden dit zo grappig dat een bijnaam voor de Noorderlingen ontstond, die zich via de loopgraven over heel Frankrijk verspreidde: de Ch'tis. Het Ch'ti - is Noord-Frans met een scheut verbasterd Vlaams of oud-Nederlands erdoor. Dat zie je ook terug in vele plaatsnamen aan de Opaalkust. Wissant komt van Witzand. Sangatte van Zandgat. Calais van Kales. Cap Blanc Nez van Blankenesse. Boulogne van Bonen. Zoals elke minderheid met een zwaar dialect vinden de Noorderlingen dat ze er niet echt bij horen. Ze menen dat ze een stuk ijveriger en serieuzer zijn dan hun lanterfantende landgenoten. De beroemde uitspraak: 'Frankrijk is mooi, maar jammer dat er Fransen wonen,' is dan ook niet bedacht door een onnozele Nederlandse minister, maar door het Franse staatshoofd Charles de Gaulle. En dat was uiteraard zelf een Noorderling. Overigens, de naam Charles de Gaulle is uiteraard een verbastering van Karel het Doelpunt. [sgpx gpx="/wp-content/uploads/gpx/TRK-opaalkust.GPX"] [gallery columns="4" size="medium" favethemes_gallery_title_input="Opaalkust" ids="71369,71372,71374,71376,71379,71383,71385,71386,71388,71389,71390,71371,71377,71378,71373,71380,71381,71382,71375"]

Doorgaan met lezen?

Om verder te lezen heb je een abonnement nodig. Heb je die al? Dan kun je hier inloggen.

Wil je graag toegang? Kies dan één van onze abonnementen, dat kan al vanaf €2,50 per maand.

MotorNL Digitaal vanaf €2,50 per maand

Alle artikelen uit MOTO73 en Promotor lees je iedere dag vers online via onze Premium artikelen en bladerbare PDF magazines.

Of maak een keuze uit één van onze magazine abonnementen inclusief Digitaal Premium vanaf €4,-

MotorNL Nieuwsbrief

Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief of aanbiedingen en blijf iedere week op de hoogte van al het nieuws, motortests, leuke routes of aanbiedingen.






Hierbij geef ik toestemming om me via email, met de informatie die ik in dit formulier opgegeven heb, nieuwsbrieven te sturen.

Uitschrijven kan op elk moment, onder iedere nieuwsbrief staat onderaan een link om uit te schrijven. We hebben je privacy hoog in het vaandel, onze privacy policy is op de website te lezen. Als je dit formulier instuurt, dan ga je akkoord met de voorwaarden genoemd in de privacy policy.


Over de auteur

Rijdt al heel lang motor. Is niet zo geïnteresseerd in de motor zelf, maar wel in wat-ie kan. Sterke voorkeur voor allroads, maar hypernakeds zijn ook niet te versmaden. En natuurlijk classics vanwege de techniek én de aaibaarheid. Rijdt zo'n 40.000 km per jaar. Heeft drie motoren, waarvan één woon-werk. Bezit zelf geen auto.

Misschien vind je dit ook interessant?