Ötztaler Gletscherstrasse: de hoogste op 2.829 meter

Sinds de aanleg van de Ötztaler Gletscherstrasse kun je bij Sölden ook in de zomer skiën. De weg leidt namelijk naar het hoogst over asfalt bereikbare punt van de Alpen, waar hij aan de voet een van de grootste gletsjers uitkomt.

Maar in half augustus lijkt Sölden meer op een motordorp dan een skioord. Groepjes motorrijders rijden af en aan of hebben plaatsgenomen op de terrassen, waar borden aangeven dat Biker willkommen sind. En wat doen de motorrijders aan de voet van het hoogst bereikbare punt van de Alpen gaat? Ze rijden er massaal voorbij. Negen van de tien gaan de Timmelsjoch naar Italië op. Een fantastische pas, daar niet van, maar na afloop hoor je ze klagen dat het veel te druk is geworden. En dan heb je nog eens die mafkezen met hun veel te brede Lambo’s en Ferrari’s die er in het weekend een potje komen blaffen. Ergerlijk.

Toch zijn er wel een paar redenen te bedenken waarom vrijwel iedereen de Ötztaler Gletscherstrasse vandaag overslaat. Een ervan is dat het VVV me vertelt dat het laatste deel van de weg is afgesloten. De enige juiste reactie op die mededeling is: ‘Dat zullen we nog wel eens zien.’ Ik ben namelijk op een BMW 1200 GS, dus ben ik volstrekt unstoppable. Lees de advertenties maar.

Tien keer kehren

In alle rust begin ik dus aan de 14 km lange klim naar de top, die op 2829 m ligt. Dat komt neer op bijna 1500 m klimmen vanaf Sölden. Verwacht desondanks geen haarspeldbochtencircus, integendeel. De hele weg telt slechts tien ‘Kehren’. Stijgen gaat via lange rechte lijnen van rond de tien procent. En dat moet een tweede reden zijn waarom de Ötztaler Gletscherstrasse weinig populair is onder motorrijders.

De derde reden doemt noemt vijf kilometer op. Een Mautstation. Ik schrik me een ongeluk. Want maut is tol. Nadat mijn hartslag tot onder de 120 is gezakt, betaal ik vijf euro. Maar op de Timmelsjoch ben je het dubbele kwijt, dus die reden telt niet echt.

Daarna gaat het snel omhoog. Mijn oren ploppen een keer of twee, ik moet even stoppen omdat ze de weg aan het verbreden zijn en vervolgens rijd ik een tunnel in. Aan het eind van de tunnel staat een bordje met de hoogte: 2829 m. ‘Ben ik er nou al?’ denk ik. Van een afsluiting heb ik niets gemerkt. En voordat ik ook maar iets van rijsensatie hebt gevoeld, sta ik op het hoogste punt. Dat moet reden drie tot en met twaalf zijn waarom motorrijders deze weg links laten liggen.

Groots en geweldig

En toch hebben ze ongelijk. De weg mag dan simpel zijn, dan omgeving waarin je terecht komt is groots en geweldig. Een ijswereld waarin gletsjers de altijd verbijsterende ravage van afgesleten rotsen, puin en keien hebben aangericht. Een decor waarin je zelf niet groter bent dan een kiezelsteentje, met rondom zicht op toppen boven de drieduizend meter. En dan kun je vlak voor de tunnel ook nog een uitstapje maken van een kilometer naar de parkeerplaats van de Tiefenbachferner die op 2800 m hoogte ligt. Heb je in eenvoudig ritje toch maar even het hoogste en twee na hoogste asfaltpunt van de hele Alpen bereikt. Bijkomen van al dit moois kun je in het restaurant bij de skilift, die je vlak na de tunnel bereikt.

Heb je toch een beetje een kater van de weg opgelopen, rijd dan door naar de Kaunertaler Gletscherstrasse, die zal alles meer dan goed maken. Het goede nieuws is dat die hemelsbreed nog geen twintig kilometer verderop ligt. Het slechte is dat je er over de weg 125 km voor nodig hebt.