13 C
Nederland
dinsdag 28 juni 2022

TankTasTocht #3: In regen en wind door West-Friesland

Koninklijk rijden

Op een goed moment heb je in Nederland alles wel een keer gezien. Amsterdam, Rotterdam, Maastricht, Groningen en alles wat daar tussenin ligt. Wat heeft het land je dan nog te bieden? Niks.

Flauwekul natuurlijk. Dat blijkt maar weer eens tijdens deze derde TankTasTocht. Hij voert door West-Friesland, min of meer onze achtertuin. Bekend terrein en toch zijn we blij er weer te hebben rondgereden. Neem nu Hoorn, de Veermanskade. Natuurlijk hebben we die al eens gezien maar het blijft een adembenemende gevelwand, tegenover het water van de binnenhaven. En de Westfriese Omringdijk, die blijft zelfs bij gierende wind en regen koninklijk rijden, zo hoog boven het polderland. Om van het tochtje over het voormalige eiland Wieringen maar te zwijgen. Houd even halt op de Gemeenelandsweg en verbaas je over dat golvende en weidse landschap.

Wat ook blijft, zijn al die Dik-Trom-achtige lintdorpen onderweg, essenlaantjes met sloten links en rechts waarachter zich de stolpboerderijen aaneenrijgen, met daaronder ware schoonheden zoals boerderij Welgelegen, hartje Wognum. En daarbuiten, buiten de dorpen, wacht het ongenaakbare land, open en leeg en uitgestrekt, waarover de wind vrij spel heeft. Het enige wat je moet doen, is je goed vasthouden en voldoende tegenstuur bieden; er waren momenten waarop de wind ons bijna in een heupzwaai nam.

Kussen kussen kussen

We beginnen deze tocht in het Museum van de Twintigste Eeuw, op een fantastische plek, in de voormalige gevangenis van Hoorn, omgeven door het water van het IJsselmeer. Prachtig natuurlijk, om de eerste tv te zien, en de eerste pick-up, en de eerste pc, maar het is de stem van Truus Koopmans die voor mij echt telt. Truus Koopmans, die voor de radio zong van ‘Tsja tsja tsja, Tsja, wat zullen we eten?’ en ‘Onthou het goed, onthou het goed, ’t is de groente die ’t ’m doet’. Mijn eerste verliefdheid, besef ik nu. In 1956 schijnt ze nog een hit te hebben gehad, samen met De Windmolens: ‘Ik wil je kussen kussen kussen, ik wil je kussen, ik ben verliefd’. God bewaar me, Truus, na al die jaren…

Na nog een saluut aan de Bierkade, de Oude Doelenkade en Nieuwendam is het tijd om Hoorn te verlaten, om de strijdbijl op te graven en het gevecht met wind en regen aan te gaan. Al snel krijgen we de volle laag, aan de Bobeldijk en de Zuidermeerweg en vooral de Lagehoek; het water huivert, het riet schrikt, zo gaat het tekeer. We bevinden ons hier hartje Scheringa-country, de man die West-Friesland meenam in zijn grootse dromen én in zijn ondergang. De trieste getuigenis daarvan staat in het nederige Opmeer, net buiten het centrum, nota bene naast de brandweerkazerne. Daar wacht wat het Scheringa Museum voor Realisme had moeten worden, maar een enorme klomp stenen is gebleven, een ietwat obees gebouw. Treurig.

Blij met je zusje?

Wieringen is ook zo’n plek waar ik graag terugkom. Je weet meteen wanneer je er bent, als de lange rechte polderwegen van de Wieringermeer plaatsmaken voor smalle kronkelaars bergje op. Oud landschap – de keileembult ontstond tijdens de voorlaatste ijstijd – dat zich als eiland wist te handhaven toen de woedende zee de lager gelegen gronden eromheen wegsloeg. Nu kun je er over stille weggetjes rondtoeren en je verbazen hoe een paar meter reliëf een totaal ander landschap kan veroorzaken. Onderweg zie ik nog een wulp, wat mij zeer verheugde. Of was het een tüüt zoals ze hier zeggen, een regenwulp?

Dat het op Wieringen nog om een echte gemeenschap gaat, merken we als we in Hippolytushoef (Hippo, voor intimi) bij Teetjes Vis en Dis aanschuiven. Bij alle drukte vindt Teetje de tijd om achter haar toonbank vandaan te komen en neer te hurken bij een klein meisje op een roze loopfiets. ‘Ben je blij met je zusje?’, vraagt ze. Haar vader, de handen in de zakken van zijn blauwe overall, kijkt rustig toe.

Bij Den Oever duiken we weer de Wieringermeer in. Kilometers buffelen over kaarsrechte wegen met namen die getuigen van een ijzingwekkende nuchterheid. De Sluitgatweg, de Oosterkwelweg, de Oom Keesweg. Het toppunt van deze uitgebeende werkelijkheid vormt wel Kreileroord, met zijn Korenstraat en zijn Vlasstraat en zijn Landbouwstraat; rijtjeshuizen met voortuintjes, waarin zwarte kliko’s met blauwe respectievelijk oranje deksels het beeld bepalen. Nog meer vervreemdend: uitgerekend hier tref je nogal wat auto’s met een Hongaars nummerbord. Hongaren? Hier? Ja, seizoensarbeid, ik begrijp het wel, maar toch.

Vliegwiel en poelie

Na enige omzwervingen belanden we uiteindelijk moegestreden in het Nederlands Stoommachine Museum, aan de Oosterdijk, onder Medemblik. En laat dat nou een fijne plek zijn om bij te komen, onder het gesis en gestamp van de diverse stoommachines, terwijl buiten de wind over de daken rolt. Dit type museum kan altijd op mijn onverdeelde sympathie rekenen, niet in de laatste plaats vanwege het type mannen dat daar onbezoldigd de machines onderhoudt en de bezoekers bijpraat. Deze keer is het Robert Gisolf, die me bijpraat over vliegwiel en poelie, excentriek en de ballen van wat.

Pardon? De ballen van wat? Robert corrigeert: ‘Van Watt’, en legt uit. ‘Zie je die twee stalen kogels rond een verticale as, bovenop de stoommachine? Die draaien met een bepaalde snelheid rond. Als het toerental stijgt, wijken die ballen door de middelpuntvliedende kracht naar buiten. Daarbij gaat ergens anders een klep in de stoomtoevoer ietsje dicht, waardoor het toerental daalt. En je snapt wel wat er dan gebeurt. Als het aantal toeren afneemt, draaien de ballen minder snel rond en zakken ze door de zwaartekracht weer ietsje naar beneden, naar binnen. Waardoor die klep in de stoomtoevoer weer wat opengaat en het toerental toeneemt. Zo regelt de machine zijn eigen snelheid.’

Dat je met dit soort simpele middelen zulke oerkrachten kunt temmen! Geheel tevreden hernemen wij de tocht huiswaarts. Wat kan techniek toch mooi zijn!

Fotografie: Jacco van de Kuilen

Laatste Artikelen

Gerelateerde artikelen