In de tijd dat er in de cross-GP’s nog geen vast deelnemersveld was, kwamen er vaak meer dan veertig rijders naar de wedstrijden. De trainingstijden op zaterdag bepaalden welke veertig rijders op zondag mochten starten. Behalve bij een enkele GP waren de startplaatsen bijna altijd vol. De rijders die zich kwalificeerden, kregen startgeld, wat meestal genoeg was om hun reiskosten te dekken. Of ze verder nog iets verdienden, hing af van hun prestaties in de manches.
Over het algemeen waren de circuits in Scandinavië goed onderhouden, dus iedereen reisde eind juli 1993 vol goede moed naar het Zweedse Borås. Helaas had het daar dagenlang geregend, waardoor het circuit veranderd was in een grote modderpoel. Dit was op zich niet zo’n groot probleem, want vrijwel iedereen had wel eens onder zulke omstandigheden gereden. Echter, er lag een gevaar verborgen: onder de modder zaten grote stenen verstopt. Omdat het de eerste keer was dat er op deze baan werd gereden, was het bestaan van die stenen bij de rijders onbekend. Het circuit was speciaal aangelegd voor deze GP op een terrein dat in de winter voor langlaufen werd gebruikt.
Een unieke ijsspeedwayprestatie: historisch brons in Assen #terugblik
Al snel vroegen de rijders zich af of het wel verantwoord was om hier te rijden. Greg Albertyn zei: ‘Ze willen wel proberen de baan veiliger te maken, maar ik vraag me af of ze daarin zullen slagen.’ Stefan Everts, die dringend meer punten nodig had om zijn achterstand op Albertyn in te halen, deelde deze bezorgdheid. Voor hem was het duidelijk: ‘Het feit dat ik mijn laatste kans op de titel verspeel door hier niet te rijden, doet er niet toe. Het gaat om de veiligheid van de rijders.’ Kurt Nicoll voegde toe: ‘De kans op ongelukken is hier groot. En wie gaat er dan naar het ziekenhuis? De mensen van de FIM, de Zweedse bond of de organisatie? Nee, dat zijn wij, de rijders, en daarom moeten we hier vandaag niet rijden.’
De organisatie ging wel aan de slag met de baan, maar het merendeel van de rijders was niet meer te overtuigen. De vier belangrijkste teammanagers – Michele Rinaldi (Yamaha), Sylvain Geboers (Suzuki), Alec Wright (Kawasaki) en Jan de Groot (Honda) – kwamen overeen dat hun rijders niet aan de start zouden komen.
Van de toprijders stonden Peter Johansson en Trampas Parker in dubio. Johansson, een Zweed die dertig kilometer van Borås woonde, wilde zijn supporters niet teleurstellen. Parker, de Amerikaan, bagatelliseerde het gevaar: ‘Motorcross is nu eenmaal een gevaarlijke sport. De toeschouwers hebben betaald om ons in actie te zien.’ Uiteindelijk sloten beiden zich toch aan bij de boycot.
De GP werd alsnog verreden, met vijftien rijders aan de start van de eerste van de drie manches: zes Zweden, drie Finnen, twee Japanners, twee Belgen, een Deen en een Noor. De manches werden gewonnen door de Deen Jesper Jörgensen, de Fin Miska Aaltonen en de Belg Peter Iven, die de eerste manche had gemist maar later besloot deel te nemen ‘omdat ik het geld en de punten goed kan gebruiken.’ Een week later werd Greg Albertyn, rijdend voor het JHK-Honda-team van Jan de Groot, wereldkampioen.
Foto: Jan Boer



