zondag 26 april 2026
Home Blog Pagina 202

Historie: Moto Guzzi 500cc-V8 70 jaar

0
Moto Guzzi 500cc-V8 70 jaar

Iedere motorliefhebber heeft zijn absolute favoriet. Een machine uit heden of verleden waar hij of zij letterlijk geen genoeg van krijgt. Voor mij is dat een machine uit een ver verleden, eentje die zeventig jaar geleden tot leven gewekt werd en destijds een waar kunststuk op wielen was: de Moto Guzzi V8. Een bijzonder gecompliceerde 500cc GP-racer met een compact motorblok dat maar liefst acht cilinders telt. Ontworpen en getekend in een tijd zonder digitale hulpmiddelen en andere geavanceerde productietechnieken. Puur vertrouwend op de kennis, kunde en ervaring van al degenen die eraan werkten. Destijds was de Moto Guzzi een ongeëvenaard kunststukje en wat mij betreft bijna een wereldwonder.

Voor mij kwam de eerste kennismaking met de V8 op jonge leeftijd. Ons gezin ging in 1972 op vakantie naar Italië, hoofdzakelijk om de eerste editie van de Imola 200 te bezoeken. Deze race was geïnspireerd op de beroemde Amerikaanse Daytona 200-wegrace en speelde in op de nieuwe, razend populaire Formule 750 waarin zware 750cc-viertakten furore maakten tot een aantal jaren later de tweetakten het stokje overnamen. Een aantal Italiaanse motorfabrikanten hadden speciaal voor deze race een aantal fabrieksracers gebouwd. Ducati lanceerde bijvoorbeeld hun 750cc-desmo koningsasser wegracer, die prompt de race won en garant stond voor vele sportieve nakomelingen die het merk vestigden als een sportieve grootmacht. Moto Guzzi kwam met een aantal geavanceerde F750-racers die gebaseerd waren op de V7 Sport, ooit één van de snelste productiemotoren die op onze aardbol te koop was. Vooral om die machines was het mijn vader als Guzzi-liefhebber om te doen.

Nooit meer handen wassen

Ik kan me herinneren dat we in de pits op Imola rondliepen en plots een enorm kabaal hoorden. Een motor met een enorme kuip, die het voorwiel helemaal omsloot, werd aangeduwd. Hij klonk volledig anders dan de andere motoren die ik die dag had gehoord. Geen zwaar bulderende viertakt, maar een heel hoog, snerpend geluid. Mijn vader trok nog net niet mijn arm uit de kom toen hij zich haastte om dichter bij die motor te komen. ‘Dat is de V8’, zei hij. Ik had echt geen idee waar hij het over had. Maar indrukwekkend vond ik die motor wel. Die grote, groene kuip, dat geluid… Op de motor zat een klein mannetje met een strak zwart pak en een pothelm op. Hij draaide met korte tussenpozen steeds het gas ietsjes verder open. ‘Hij is ‘m aan het opwarmen’, zei mijn vader terwijl hij naar de achterkant van de motor liep om het geluid nog beter te kunnen horen uit de zes uitlaatpijpjes. Hij duwde me recht voor de uitlaten. ‘Ruik eens, dat is Castrol R-raceolie, lekker hè.’ Ik rook een heerlijk zoetige lucht die ik nooit meer zou vergeten, maar mijn ogen gingen wel tranen van de lichtblauwe rook die met die lucht gepaard ging.

We gingen weer rechts vlak naast de motor staan. Plots keek de coureur me aan. Hij gaf me een knipoog en pakte mijn hand, bracht hem naar het gashendel en klemde zijn hand er omheen. Hij draaide een paar keer flink aan het gas. Ik voelde het handvat wat trillen toen het motorblok in toeren klom en kreeg kippenvel van het harde geluid dat o zo schitterend mooi was. De man liet mijn hand los en grijnsde breed. Hij schreeuwde boven het geluid iets uit dat me nog als de dag van gisteren bijstaat. ‘Moto Guzzi – numero uno!’ Moto Guzzi begreep ik wel, dat numero uno in mijn moedertaal nummer één betekent begreep ik korte tijd later pas toen mijn vader het me vertelde. Pa was zwaar onder de indruk, zijn zoon had gasgegeven met de V8… Ik, zo vertelde hij, was één van de weinigen die dit ooit gedaan had. Het was een eer, een absolute eer. Hij keek me indringend aan en zei: ‘je kunt doen en laten in je leven wat je wilt, maar dit mag je nooit, nooit, nooit meer vergeten.’ Korte tijd later reed de V8 het circuit op voor zijn demonstratieronde, ik kon hem met mijn oren volgen tot hij weer terugkwam. Toen we terug naar de parkeerplaats liepen, keek mijn vader me streng en bloedserieus aan. ‘Nog één ding jongen, die rechterhand van jou mag je de rest van je leven niet meer wassen.’ Hij boog zich naar mijn oor en zei, ‘als je moeder daar anders over denkt dan roep je me er maar bij.’ Hij meende het. Voor mij werd het een heilig voornemen en eerlijk gezegd vind ik het nog steeds wat lastig om mijn rechterhand te wassen en ik strek nog steeds af en toe mijn arm uit zodat hij niet nat wordt. Hoe dan ook, ik vond het een schitterende ervaring.

Nu, 53 jaar later, is de man die destijds op de V8 zat een goede bekende geworden. Hoewel hij flink op leeftijd is, hebben we nog regelmatig contact en zoeken we hem een paar keer per jaar op in zijn huisje in Mandello. Mijn zoon is naar hem vernoemd met zijn doopnaam. Het was Lucano Gazzola, hoofdtestrijder van de Guzzi V7 Sport en 850 Le Mans, voormalig Italiaans wegrace- en heuvelklimkampioen. Iemand die met de V7 Sport en Le Mans furore maakte in de lange afstandsracerij in een tijd dat Moto Guzzi zich terugtrok uit die tak van sport. Luciano stak er daarna zijn ziel, zaligheid en huwelijk in. Mijn vrouw beschouwt hem als haar tweede vader en ik als iemand die mij echt begrijpt.

Geschiedenis van Royal Enfield: Made Like a Gun

Onderdelen scoren

Toen we terug naar de camping reden, begreep ik dat er iets bijzonders gebeurd was op Imola. Het was iets dat me echt bijbleef. Toen ik wat ouder was begon, me steeds meer te dagen dat die V8 een heel bijzondere motor was en afweek van alles wat er in zijn tijdperk nog meer op de circuits in actie kwam. Het zou het begin van een speurtocht worden die tot op de dag van vandaag voortduurt. Bij alles wat ik over die motor te weten kwam, riep dat weer meer vragen op. Het waren altijd vragen die ik beantwoord wilde hebben.

Destijds gingen we als gezin regelmatig naar Mandello del Lario, het stadje aan het Comomeer in Noord-Italië waar de Moto Guzzi-fabriek ook nu nog te vinden is. Mijn vader ging daar regelmatig naartoe om onderdelen te scoren voor onze Guzzi’s. Onderdelen die in Nederland onvindbaar of onbetaalbaar waren, maar in Mandello soms nog zelfs vanuit het schap tegen een habbekrats verkrijgbaar waren. Ik zeurde hem altijd de kop gek om naar het Guzzi-museum te gaan waar ik de V8 kon bekijken. Uit oude motorbladen viste ik de namen op van de coureurs die ermee geracet hadden. Maar ook namen zoals ing. Giulio Carcano, de hoofdontwerper en hoofd van Guzzi’s raceafdeling, Umberto Todero en Enrico Cantoni, de constructeurs die hand in hand met Carcano hard werkten aan de ontwikkeling van die motor, kregen een steeds bekendere klank. Ik maakte lijstjes met namen; wie deed wat, wanneer en wat was het verhaal. Toen ik oud genoeg was, ging ik samen met mijn vader en een goed Engelssprekende Italiaanse vriend het gesprek met deze mensen aan, nadat ik ze maanden voor een trip al had bestookt met brieven of ik alsjeblieft langs mocht komen met mijn vader. Brieven, die vertaald werden door de eigenaar van het Italiaanse restaurant waar we vaak kwamen. Als het nodig was, dan belde die goede man ook nog even naar deze mensen op om voor ons afspraken te maken. Tijdens die bezoeken maakte ik altijd netjes aantekeningen die mijn vader secuur naliep. Pa kwam ook regelmatig met vragen waar ik zelf nog nooit aan gedacht had. Hij begon het zelf ook steeds mooier te vinden en dat maakte me nog enthousiaster.

Italianen hebben een zwak voor kinderen. Soms kreeg ik wat foto’s en regelmatig had iemand nog een oud onderdeeltje liggen. Een zuiger, een drijfstang, een kapotte toerenteller, een watertemperatuurmeter, kapot gedraaide rollagerkooien, een carburateur of een stuur. Ik vond dat geweldig en mijn vader en ik maakten er thuis een mooie minitentoonstelling van in de woonkamer. Het mooiste was dat ik altijd bij iedereen terug mocht komen. Dat hebben ze geweten… Naarmate de jaren vorderen namen ze steeds meer de tijd voor me, omdat het duidelijk was dat er diepgaande interesse en veel passie was.

Later ging ik zelf met de motor naar Italië om deze mensen te ontmoeten en te bevragen over de V8. Er was altijd wel een kennis uit Mandello die goed Engels sprak en wel mee wilde gaan om als tolk te fungeren. Soms ging ik samen met Carcano op pad, die het soms heel leuk vond om zijn oude kennissen weer eens te spreken. Hij sprak perfect Engels, net zoals de oud-fabrieksrijders Ken Kavanagh en Bill Lomas. Die twee konden elkaar niet uitstaan en roddelden volop over elkaar.

Waanzinnige dingen sessies

Carcano nam altijd erg uitgebreid de tijd voor me en dat was echt fantastisch, want hij was letterlijk het brein achter het ontwerp, de bouw en de ontwikkeling van de V8. Hij overleed in 2005 op 94-jarige leeftijd en liet me een paar unieke zaken na die ik echt koester, bijvoorbeeld zakboekjes met allerhande afstelgegevens per circuit van de V8 en ééncilinder GP-racers van de seizoenen 1955, 1956 en 1957. Daarna trok Moto Guzzi zich terug uit de GP-racerij, het was onbetaalbaar geworden in een tijd dat de motorverkopen drastisch terugliepen door de komst van kleine, spotgoedkope auto’s die de motorfiets als hoofdtransportmiddel verdrongen. Denk bijvoorbeeld aan de FIAT 500 en de Citroën 2CV.

In de jaren 90 barstte Carcano pas echt los over allerhande diep technische details. De ratio van de boring x slag en de invloed van die keus op het koppel en het motorvermogen. De krukas en zijn lagering, lange tijd een bron van krankzinnig makende ellende. Versnellingsbakkeuzes, carburatiekeuzes en altijd, altijd de positieve en negatieve consequenties die daarbij hoorden. In positief opzicht en negatief opzicht. Consensus, doe je het één, dan offer je andere op, maar soms is er ook winst-winst en dat was waar hij pas echt naar op zoek was. Het was complex en dat maakte hij goed duidelijk. Ook hoe de fabriek op die zaken reageerde, dat het budget toch echt niet altijd oneindig was. Haat en nijd tussen coureurs, het vele heen en weer gereis naar circuits over heel Europa en de logistieke toestanden om de V8 op een circuit te krijgen in Engeland of Noord-Ierland.

Na heel veel spitten in het Guzzi-archief vond ik af en toe een pagina van een overzicht van de dagen waarop de circuits van Monza, Imola of Modena afgehuurd werden voor racetesten. Dat betekende verder zoeken naar de andere pagina’s van dat overzicht en het riep de vraag op of er misschien nog verslagen van die testen waren. Die vond ik soms pas jaren later.

Eindelijk, na vijftien jaar speuren had ik een compleet overzicht per jaar. Samen met Carcano, Todero en Cantoni nam ik ze allemaal door om te kijken wat ze er nog van wisten. Dat was een sessie van vier lange dagen die we iedere dag afsloten met avondeten in een restaurant, waar we soms nog tot twee uur in de ochtend boomden over de V8. Daar kwamen soms heel mooie verhalen uit naar boven, die soms helemaal niets met Guzzi van doen hadden. Maar bijvoorbeeld over Gilera, ontwerpdetails van hun machtige viercilinders die de Guzzi-fabrieksracers het leven zuur maakten. Of over een fabriekscoureur die steevast nog even snel van bil moest voor de start van een GP, liefst zo kort mogelijk voor de start. De meest waanzinnige dingen passeerden op zulk soort momenten de revue.

Poort naar de hel

Soms bleven zaken over de circuittesten van de V8 onduidelijk, soms klopten de verhalen die verteld werden niet helemaal of waren er tegenstrijdigheden. Dat leidde altijd tot heel veel verder onderzoek. Af en toe heftige discussies als Carcano, Cantoni en Todero met elkaar van mening verschilden. Dat soort V8-zaken. Zaken die erg laat in de avond besproken werden nadat er al enige flessen wijn en grappa doorheen gegaan waren, markeerde ik met een vraagteken voor verder onderzoek. Ook de berijders van die testen waren op de notities terug te vinden. Soms waren ze al lang geleden overleden, maar degenen die er nog waren bezocht ik allemaal. Dat betekende regelmatig reizen naar Italië en Engeland. Ik vroeg deze coureurs naar hun ervaringen, sommigen wisten alles nog glashelder. Ken Kavanagh, de eerste professionele motorcoureur uit Australië, vertelde me over de doodsangsten die hij uitstond, want hij vond de wegligging van de V8 levensgevaarlijk. Uiteindelijk besloot hij nooit meer plaats te nemen op die machine en zijn plaats in het Guzzi-fabrieksteam op te geven. Engelsman Bill Lomas kwam met goede suggesties om de wegligging van de V8 te verbeteren. Hij vertelde me ooit een dag lang over circuittesten in Engeland in het tussenseizoen 1956-1957. Op het circuit van Oulton Park in Engeland, speciaal een weekje afgehuurd omdat het veel karakteristieken had met het TT-circuit op het eiland Man. Ze experimenteerden met negen kilo bladlood, dat ze bij een lokale loodgieter opgescharreld hadden. Ze bevestigden dit op diverse plekken aan de voorzijde van de motor, aan het frame en de kuipondersteuning. Doel was om de gewichtsverdeling van de motor te verbeteren. Destijds was de gedachte om maar vooral veel gewicht aan de achterkant van de motor te hebben. Dat had een te lichte voorkant tot gevolg, waardoor wegliggingsproblemen op de loer lagen. Zeker met de V8 die in 1957 tijdens een wereldrecordpoging voor de 10 km met staande start getimed werd op een voor die tijd werkelijk onaards hoge topsnelheid van 285 km/u – destijds inderdaad goed voor een wereldrecord dat pas decennia later gebroken zou worden.

Die recordpoging werd overigens verreden op de ‘Fettuccia di Terracina’, oftewel het Lint van de Terracina, niet al te ver van Rome. Ik heb die weg ooit eens bezocht. Het is een smalle, lange, vlakke en kaarsrechte weg. Heel bijzonder is dat hij een onderdeel vormt van de oeroude Via Appia, een weg die ooit door de Romeinen is aangelegd en letterlijk rechtstreeks naar Rome leidt. Hij is niet alleen heel erg smal, er staan ook bomen vlak naast het asfalt, er liggen slootjes naast met om iedere kilometer links en rechts over de sloot een bruggetje. Niet echt lekker om met snelheden van ver boven de 200 km/u overheen te denderen. Zeker niet met een pothelmpje op en een dun leren pak aan. En dat met een machine die een twijfelachtige wegligging had. Levensgevaarlijk dus, zeker ook, zo verzekerde Lomas me, omdat de weg bij de inritten naar de bruggetjes niet vlak lag maar juist ietsjes omhoogliep en na het bruggetje weer ietsjes omlaag. Dat betekende dat de V8 op hoge snelheid bij ieder bruggetje loskwam van de grond en even door de lucht vloog. De volle stroomlijn die in Guzzi’s eigen windtunnel onder supervisie van Carcano ontwikkeld was, verlengde dat ‘vliegmoment’ ook nog eens even. Als de V8 weer op het wegdek klapte, begon hij ernstig te slingeren. Het kostte Lomas bloed, zweet en tranen om hem op die o zo smalle weg in het gareel te houden terwijl de bomen zich links en rechts op die hoge snelheden aaneenregen als de houten wanden van een doodskist. ‘Maar het gas hield ik wel vol open in die poort naar de hel,’ zo verzekerde hij me letterlijk met een koele, felle en oprecht zwaar verwijtende blik omdat ik hem aan de grootste angstmomenten uit zijn leven deed herinneren. Maar dat bekende hij me pas later, zijn vrouw Kathy knikte daarbij instemmend en vol medeleven, terwijl ze Bill nog een kopje thee inschonk. Als troost, zo leek het wel.

Geschiedenis Moto Laverda #1: De jaren vijftig & zestig

Spinnend achterwiel

Voor de twijfelachtige wegligging van de V8 kwam Lomas wel met goede oplossingen. Hij vertelde me dat er bij de testen op Oulton Park specialisten aanwezig waren van frictiematerialenfabrikant Ferodo, die de remvoeringen en de frictieplaten van de koppeling van de V8 maakten. Zij gebruikten verf die ze op de remtrommels smeerden. Die verf veranderde van kleur naarmate de remtrommels warmer werden vanwege de wrijving die de remschoenen in de remtrommels opriepen. Op die manier deden ze onderzoek naar de perfecte samenstelling van die remvoeringen, die immers niet te warm mochten worden of te koud blijven. De ingenieur van Ferodo die dit onderzoek deed, heb ik ook bezocht, net zoals de bandenspecialist van Avon die me druipend van passie het verhaal vertelde dat de Pirelli’s die op de V8 zaten toen de testen op Oulton begonnen veel te hard waren. Het achterwiel spinde iedere keer als er met de V8 geschakeld werd. Ook de zachtste Avon-achterbanden deden dat de eerste dag van de test. Dus in het holst van de nacht werden er bij Avon nieuwe banden gemaakt met nog zachtere samenstellingen. Zo zacht had Avon ze nog nooit gemaakt en de specialist die ik sprak was apetrots dat hij hieraan had meegewerkt. Hij gaf me wat stukjes rubber van een opgebruikte, zachte V8-achterband die op Oulton gebruikt was. Inmiddels waren die stukjes keihard, dat wel.

Met oud-monteurs nam ik het sleutelen aan die machines door en de ontwikkeling van het motorblok. Om zaken te verifiëren en om hun ervaringen te noteren. De hoofdmonteur van de V8, iemand met de prachtige naam Ippolito Pomi, was een magistrale bron van kennis en inspiratie. Hij had al zijn aantekeningen van destijds paraat. Zijn inmiddels bejaarde zoon geeft af en toe rondleidingen in het Guzzi-museum en is apetrots op zijn vader. Hij krijgt soms de tranen in zijn ogen als hij over zijn vader spreekt en legt zijn hand altijd even liefdevol op de ‘museum-V8’ als hij erlangs loopt.

In de schulden gestoken

Het historisch archief van Moto Guzzi is inmiddels aardig uitgedund. In 2000 werd Aprilia eigenaar van Moto Guzzi. Een paar jaar later kreeg het merk cashflowproblemen. Aprilia besloot geld te genereren en maakte een inventaris van de zaken die ze af wilden stoten. Daar stond ook een deel van het historische archief bij dat niet in de fabriek zelf, maar in een ander gebouw gehuisvest was. Doel was dat gebouw te verkopen en alles wat er nog aan oud, incourant spul aanwezig was, af te stoten. Daar zaten ook nogal wat oude raceonderdelen bij, maar het ging me om het oude papier. Ik wist dat daar erg veel over V8 in te vinden was wat ik misschien nooit meer zou kunnen raadplegen als het verkocht werd. Dat was eind 2003, vlak voordat Moto Guzzi verkocht werd aan de huidige eigenaar Piaggio. Ik werd hierover getipt door iemand bij Guzzi die zich onder meer bezighield met het historische archief.

Onze kinderen waren toen twee jaar oud. Absoluut geen goede periode en met het oog op toekomstperspectief ook geen goed idee om een relatief jong gezin torenhoog in de schulden te steken. Zeker niet in die woekertijd waarin banken zichzelf vrij spel gaven om mensen hard te besodemieteren. Uit ieder hoekje en gaatje maakten we wat geld vrij, sommige motoren gingen de deur uit, wat zaken uit ons eigen archief werden verkocht, oude onderdelen gingen weg. Er kwam een nieuwe hypotheek, geldleningen werden aangegaan en creditcards werden ‘gemaxt’. Guzzi-liefhebbers en oud-werknemers uit Mandello hoorden van onze missie en deden soms een duit in het zakje. Mentaal steunen deden ze ons allemaal. Uiteindelijk zorgde dit ervoor dat we het allemaal over konden nemen. De continuïteit van mijn research was daarmee veiliggesteld – we betalen wel nog steeds iedere dag de prijs daarvoor. Maar we hebben er ook veel voor teruggekregen, erg veel technisch tekenwerk van de V8 en de 250-, 350- en 500cc-ééncilinder GP-racers die Moto Guzzi menig wereldkampioenschap bezorgd hebben.

Maar ik vond ook contracten met bijvoorbeeld A.L.M.A.G. uit Saronno, die voor Guzzi het gietwerk verzorgde van de carters. De wanden van het magnesium carter waren maar 5 mm dik! Een briefwisseling met de Zwitserse ontstekingsmagnetenfabrikant Scintilla over hun beroemde Vertex-ontstekingsmagneet die gebruikt werd op de Gilera-viercilinder fabrieksracers – maar die voor de V8 onbruikbaar was omdat hij niet de benodigde 800 vonken per minuut kon leveren die de V8 nodig had. De briefwisseling die daarop volgde met de Italiaanse elektronicagigant C.E.V., of zij een hoogfrequent bobine en accu-ontstekingssysteem konden ontwikkelen voor de V8. Dat konden ze, inclusief contactpunten die deels van berylliumkoper gemaakt waren.

Ook sprak ik met de man die destijds het plaatwerk van de V8 verzorgde, zoals de stroomlijn, de brandstoftank (tijdens het racen lag het verbruik op 1:9) en het zitje. Hij verwarmde het plaatmetaal voor de lichtmetalen, volle kuip voordat hij hem met een hamer in de gewenste vorm klopte. Dat verwarmen luisterde erg precies. Was de temperatuur te koud dan ging het vervormen veel te lastig. Was het te heet dan werd het werk dat al gedaan was weer tenietgedaan omdat de plaat dan vervormde door de hitte. Dus smeerde hij er een zeepoplossing op. Als die zeep net bruin begon te verkleuren tijdens het verwarmen van het plaatmetaal, dan was de perfecte temperatuur bereikt om hem verder in vorm te kloppen. Hij merkte tijdens het kloppen vanzelf of het metaal te veel afkoelde, waarna hij opnieuw de zeepemmer er weer bijpakte.

Voor de ontmoeting met deze bejaarde plaatwerker maakte ik speciaal een aparte trip naar Italië. Eén dag heen, één middag met hem praten, één dag terug. Hij vertelde me zijn verhaal vol passie onder de warme Italiaanse zon onder het genot van een goede espresso en een vers gebakken ‘dolce’. Het kloppen en het klooien met zeep op een metalen plaat om een kuip voor een oude Guzzi Grand Prix-racer te maken was het hoogtepunt van zijn leven, zo vertelde hij me terwijl hij zachtjes zijn hand op mijn rechterpols legde alsof hij me een groot geheim toevertrouwde. De gedachte dat de V8 met zijn kuip door de lucht kliefde… Geen eer was hoger, zei hij en keek me diep in de ogen. Ik voelde zijn hand op mijn pols, dezelfde pols die ooit het gas van de V8 mee had helpen opendraaien. En ik begreep wat hij zei.

Foto’s: Archief A. Herl

Unieke stickersets voor Suzuki-motoren

0

Suzuki breidt zijn aanbod uit met vernieuwde stickersets die motoren een sportieve en unieke uitstraling geven, terwijl ze bescherming bieden tegen slijtage. Met meer dan veertig exclusieve ontwerpen kunnen Suzuki-rijders hun motor personaliseren.

Elke set bevat een hoogwaardige tankpad die de tank beschermt tegen krassen en slijtage. De stickers voor GSX-modellen hebben een doorlopend Suzuki-logo van zadel tot radiator, en de velgstickers voegen een sportief accent toe.

Lancering van de Team Suzuki-lijn

Suzuki introduceert de Team Suzuki stickersets, speciaal voor de GSX-8S, GSX-8R en GSX-S1000/950. Deze nieuwe ontwerpen in zwart met gedurfde rode en blauwe accenten zijn geïnspireerd op de klassieke racekleuren van Suzuki en bieden een sportieve uitstraling.

Twijfeltest Suzuki GSX-S1000GT vs GSX-S1000GX: Luxeprobleem

Uitgebreid aanbod voor verschillende modellen

Er zijn ook nieuwe stickersets voor de GSX-S1000GX en GT, inclusief detailstickers voor de zijkoffers. Voor de V-Strom Adventure Sports-modellen zijn er opties zoals de Xroad stickerset voor de V-Strom 800 en varianten voor de V-Strom 800DE – Xplore, Djebel en Rally, elk ontworpen om de avontuurlijke uitstraling te versterken.

Verkrijgbaarheid

De nieuwste Suzuki stickersets zijn nu beschikbaar bij erkende Suzuki-dealers en via Suzuki.nl, zodat rijders hun motor kunnen personaliseren.

Test 2025 Yamaha Ténéré 700 (Rally): alles klopt

0

Momentopname: ik heb net een tajine met kip (de zevende sinds ik in Marokko aankwam) soldaat gemaakt op een plek waarvan je niet eens vermoedt dat er ooit een mens gepasseerd is. En toch… De voorrijder laat me weten dat het tijd is om te vertrekken. Nog geen twee minuten later klotst de kip tegen mijn huig, is het voorwiel van de Ténéré 700 Rally al een keer of twee weggeschoven en rijd ik met offroad-banden de voetsteunen tegen het asfalt in een – overigens nutteloze – poging om dat ventje voor mij in het vizier te houden. Nou ja, dat ventje? Monsieur Stéphane Peterhansel…

TestomstandighedenZonnig
Temperatuur20 – 35 graden
Testkilometers180 km – waarvan 130 offroad

Het werd me snel duidelijk: een Dakar-legende als Peterhansel heeft andere definities van snelheid. Met veertien zeges in de Moeder Aller Rally’s op je naam valt dat misschien een beetje te verwachten. Maar wat hier gebeurde, was op zijn zachtst gezegd verrassend. Want we verlieten de lunchplek via een asfaltstrook van vijf kilometer. Op die korte afstand reed ‘Peter’ de laatste van de groep op een minuut of twee. Je zou kunnen denken dat-ie het op de openbare weg en in de aanloop naar de pistes wat rustig aan zou doen. Nee hoor; de Fransman viel de bochten in het voorgebergte van de Atlas aan alsof het de proloog van zijn 36ste Dakar was. Daarna doken we de Atlas in en het ging zo mogelijk nog harder.

Dit voelde in zekere zin aan als een zondagsloopje met een Olympisch marathonkampioen: die mannen hebben evenmin een besef van hoe snel ze gaan bij het loslopen, terwijl jij – haast stervend – ze probeert bij te houden. Bovendien is Peterhansel er niet de man naar om eieren onder de journalisten te leggen. Wil je met hem door de woestijn rijden, dan moet je er verdomme maar voor zorgen dat je hem kunt volgen. Hipsters die ’s ochtends de handen nog snel inwrijven met Dove Soft vooraleer hun manbun onder hun helm te proppen: onthoud u van commentaar.

Droog

En dan is er nog die Agafay-woestijn… Een zandbak ten westen van Marrakesh die uiteindelijk overgaat in het Atlasgebergte. Heerlijke vergezichten, de besneeuwde bergtoppen op de achtergrond. De Agafay is adembenemend mooi, maar droger dan scheepsbeschuit. Er zijn zowel stroken met los zand als stukken bezaaid met stenen. Deze woestijn is ook gestikt met een waar netwerk aan pistes: maar goed dat die Peterhansel met hoge snelheden ook nog een roadbook kan lezen… Kortom: dit was de uitdagende setting waarin de test van de 2025 Yamaha Ténéré 700 en Ténéré 700 Rally zich afspeelde. Inslapen na een test, was nog nooit zo makkelijk…

Test 2025 Yamaha MT-07 & Yamaha MT-07 Y-AMT: de overtreffende trap

Eén basis, twee modellen

Yamaha heeft zijn Ténéré-gamma grondig aangepakt. Enerzijds hebben ze het vereenvoudigd, want met deze 2025 Ténéré 700 en Ténéré 700 Rally is er meer duidelijkheid gekomen. Naast de World Rally (met de grotere tank) zijn dit nu de enige twee modellen met een ‘gewoon’ benzinereservoir. De ‘standaard’ Ténéré is zowel op de openbare weg als op offroad gericht. De Ténéré Rally mikt op avonturiers die liever naast de weg dan erop rijden en heeft daarvoor een aantal specifieke troeven meegekregen. Maar de basis van die twee nieuwe 2025 Ténéré’s is dus dezelfde.

Beide modellen hebben een volledig instelbare ophanging voor- en achteraan, YCCT ride-by-wire gasbediening en twee daaraan gekoppelde mappings. Dat zijn de hoofdzaken. Maar er is meer. Bodywork en zadel werden aangepast en dus ook de ergonomie, er is een nieuw multifunctioneel 6,3-inch TFT-scherm, joystickbediening van het TFT en de mappings op de linker stuurhelft, nieuwe, goedwerkende en stilistisch geslaagde koplampen en – hierbij pinken we een traan van vreugde weg – de terugkeer van de knop waarmee je met één druk het ABS en de tractiecontrole uitschakelt. Nog meer vreugde komt er bij het bekijken van de accessoirelijst. Met de komst van de nieuwe elektronica is het nu ook mogelijk om een optionele up and down quickshifter te monteren. Het is de verdienste van Yamaha dat ze met al deze veranderingen er toch in geslaagd zijn om de Ténéré herkenbaar te houden. Zonder voorgaande informatie zou je niet vermoeden dat de Ténéré zo grondig veranderd zou zijn.

Succesformule

Yamaha heeft met 70.000 verkochte Ténéré’s sinds 2019 maar liefst een kwart van de middenklasse adventuremarkt in handen. Veilig om te stellen dat ze dit deel van de markt domineren. Meer zelfs, ze hebben die succesformule zelf gecreëerd. Toen de Ténéré zes jaar geleden in het gamma verscheen, lag het segment van de middenklasse adventures op apegapen. Yamaha revitaliseerde het, was slim genoeg om er zijn rijke geschiedenis bij te betrekken en heeft ondertussen rond de Ténéré ook een heuse community opgebouwd met onder andere Destination Yamaha-academies over heel Europa, rally-programma’s en de Ténéré Travel Trophy. Het is een understatement te stellen dat dit een belangrijk model is. Dus luisterden de Japanners heel goed naar hun klanten en werden verbeteringen doorgevoerd dáár waar de Ténéré-rijders zelf om vroegen. De ABS-knop is daar een goed voorbeeld van. Maar ook details zoals de plaats van de jiffy of de vorm van het koppelingsdeksel bewijzen dit.

Wennen

Niet verwonderlijk dus dat we tijdens het eerste kwartier van de test overdonderd werden door een veelvoud aan indrukken. We startten met de standaard Ténéré 700, maar zouden in de morgen een route rijden die bijna net zoveel offroad-kilometers had als die van de rit op de Rally later op de dag. De Ténéré 700 heeft standaard banden, dus werd het in diep zand nu en dan euh…moeilijk. En dat was meteen ook de eerste keer dat we voelden dat het CP2-blok door de YCCT ride-by-wire een stukje van zijn typerende karakter verloren is. Moeilijk te omschrijven, maar de gasrespons is wat vlakker of moeten we zeggen ‘op een andere manier geconnecteerd’. En dat is natuurlijk ook letterlijk zo.

Van de twee mappings die gekoppeld zijn aan YCCT, komt de Sport-modus het dichtst in de buurt van wat we van dat heerlijke CP2-blok gewend zijn. De Explorer-modus is neutraler, maar ook in de meest directe Sport-stand is het vermogensverloop zeer lineair. Nu is dat op zich nooit een slechte zaak, maar we kennen deze twin vooral door zijn punch onderin en het bulkende koppel dat-ie in het middengebied loslaat bij elke beroering van het gas. Dat is nu anders. Of het beter is, hangt af van welk motorkarakter je voorkeur heeft. En misschien zit er ook wel een deel van dat gevoel in de uitlaat, die Euro 5+ gewijs zorgt voor een discrete sound. Het is met motorgeluid een beetje zoals met een Air Up-fles. De geur die vrijkomt bij het drinken, laat je vermoeden dat het water toch een smaakje heeft. Net zoals uitlaatgeluid je laat denken dat er wat meer kracht aan boord is.

Nu moet we ook wel zeggen dat we tijdens de ochtendrit ook wat technische en trage stukken onder de wielen kregen en het is vooral bij lage toerentallen dat je het verschil met de vorige vermogenscurve goed voelt. Het vermogen op zich is onveranderd gebleven. 74 pk was altijd al perfect voor de Ténéré en dat is nog steeds het geval. Alleen worden de pk’s lichtjes anders vrijgegeven.

Wereld van verschil

Door de nieuwe en volledig instelbare ophanging kun je de veerkarakteristieken volledig op je wensen afstellen. Gek genoeg is het met de toegenomen stelmogelijkheden minder noodzakelijk. De standaard ophanging is immers een stuk beter dan die op de vorige modellen en we hebben geen enkel moment de behoefte gevoeld om te gaan sleutelen aan de veerafstelling. Niet in de morgensessie op de standaard-versie, niet op de Rally met z’n langere veerwegen en een Dakar-legende die het tempo aangaf.

In de Agafay-woestijn kregen we herhaaldelijk met diepe putten te maken. De reactie van de voorvork én de achterveer is niks minder dan voorbeeldig. Je wéét met deze motor dat je hard naar een put kunt rijden en dat alles op bijna wonderlijke wijze geabsorbeerd zal worden. Knap wat Yamaha hier bewerkstelligd heeft met een motor met 210 rijklare kilo’s. Daarvan krijg je vertrouwen, omdat je al snel aanvoelt dat hoge snelheden en/of onverwachte obstakels geen zware problemen zullen opleveren. Maar aan alles is een grens.

Het grote gevaar van Afrikaanse pistes is dat je overmoedig wordt, denkt dat alles goed gaat. En natuurlijk is dat vaak ook zo. Maar er zijn valkuilen waarop jouw naam staat. Daar moet je op bedacht zijn en daarom rij je in de woestijn altijd met voldoende marge. Tot zover de theorie, want wat doe je als je met het gas tegen de stuit probeert een Dakar-legende bij te sloffen…?

Duidelijk anders

Yamaha heeft de standaard Ténéré en de Rally-uitvoering duidelijk verschillend gepositioneerd en hun rijkarakteristieken zijn ook daadwerkelijk anders. Natuurlijk omdat de Rally hoger op zijn poten staat en je ook hoger zit door de combinatie van langere veerwegen en een iets dikker zadel. Gek genoeg dachten we ook dat de mappings van het blok anders waren, maar Yamaha stelt duidelijk dat de rij-modi op beide motoren identiek zijn. Misschien was het gebruik van Michelin Anakee Wild-offroad banden ook wel een dingetje dat meehielp aan dat andere gevoel, want je krijgt het vermogen er beter mee aan de grond.

We reden met de standaard Ténéré 700 ook een stevig stuk op de openbare weg. Die was niet altijd van even goede kwaliteit en deed op sommige momenten meer aan de woestijn denken dan aan een normale asfaltslinger. Een perfecte simulatie van Belgische wegen dus en dan voel je dat de Ténéré 700 zich als een vis in het water voelt op de openbare weg. En laten we eerlijk zijn, het merendeel van de Ténéré’s rijdt het grootste deel van zijn kilometers ook op asfalt. Wie beperkte offroad-ambities heeft, zal in deze versie een haast perfecte partner vinden. Als je anderzijds iets hebt met iconische kleuren, offroad-ambities koestert, groter bent dan Ariana Grande of een combinatie van die drie belichaamt, moet je niet twijfelen en 1.200 euro extra uitgeven aan de Rally-uitvoering.

Test 2025 CFMoto 800MT-X: omslagpunt

Conclusie test 2025 Yamaha Ténéré 700 (Rally)

De test was grondig, stevig en memorabel. En het vroeg meer tijd dan gewoonlijk om alle indrukken te verwerken. Maar ineens, starend naar de stofpluim van de wegspuitende Peterhansel, dringt alles wat je de voorbije dag gedaan en gevoeld hebt tot je door. Enerzijds de manier waarop de woestijn je telkens weer overdondert, wat Afrika telkens weer met je doet, maar ook alles op die nieuwe Ténéré’s. Het gemak van de joystickbediening van de mappings, ABS, TC… het karakter van het blok, de rijhouding die nog beter klopt dan tevoren, de verbeterde koplampen, het duidelijk afleesbare kleurenscherm en de knop voor het ABS… het flitst door je hoofd en er is maar één conclusie. Letterlijk alles klopt aan deze motoren. Beide versies zijn meer dan een upgrade. Dit is het resultaat van een haarfijne analyse van het vorige model, het luisteren naar commentaren én denken met logisch verstand. Iets wat alleen merken kunnen die kniediep in een community zitten die weet wat ze wil. Met hun Dakar-geschiedenis, iconische XT-modellen en een nog steeds bestaand engagement in alle sportdisciplines waar ze noppenbanden gebruiken, behoort Yamaha nadrukkelijk tot dat selecte groepje. Maar er ligt nog een hemelsbreed verschil tussen weten wat er beter kan aan een al uitstekende motor en het ook nog klaarspelen om die verbeteringen met succes door te voeren. Yamaha is daar met vlag en wimpel in geslaagd.

Foto’s: Yamaha

Technische kenmerken 2025 Yamaha Ténéré 700 (Rally)

MOTOR
Typevloeistofgekoelde CP2 Paralleltwin
Cilinderinhoud689 cc
Boring x slag80 x 68,6 mm
Compressieverhouding11.5:1
Koppelingnatte meerplaatskoppeling
Transmissiezesbak
Eindoverbrengingketting
PRESTATIES
Maximaal vermogen74 pk (64 kW) @ 9000 tpm
Maximaal koppel68 Nm @ 6500 tpm
ELEKTRONICA
Motoruitschakelbare tractiecontrole (uitschakelbaar), 2 rij-modi
RijwielgedeelteABS voor en achter, uitschakelbaar achter of voor én achter
RIJWIELGEDEELTE
Framedubbel stalen wiegframe
Vering voor43 mm Kayaba UPSD voorvork
Stelmogelijkheden voorvolledig instelbaar
Vering achtermonoschok
Stelmogelijkheden achtervolledig instelbaar
Veerweg v/a210/200mm – low: 190/180 mm (230 mm/220mm)
Rem vooreen 282mm-schijf met tweezuigerklauw
Rem achtereen 245mm-schijf met enkelzuigerklauw
Banden v/a90/90-21, 150/70-18
PRIJZEN
Prijs Nederlandv.a. €13.199 (€14.399)
Prijs Belgiëv.a. €11.699 (€12.899)
ALGEMEEN
Rijklaar gewicht208 kg (210 kg)
Tankinhoud16 l
Wielbasis1595 mm
Zithoogte875 mm (910 mm)
Balhoofdhoekn.n.b.
Naloopn.n.b.
2025 Yamaha Ténéré 700

100 Jaar TT Assen: het dubbele TT-podium van Theo Bult

0
Theo Bult met zijn 350cc Yamsel in de voor hem karakteristieke stijl op weg naar een derde plaats in de TT Assen van 1971.

Nederlandse overwinningen in de TT zijn zeldzaam, héél zeldzaam. Enkel Wil Hartog, Jack Middelburg, Paul Lodewijkx, Egbert Streuer, Bernard Schnieders en Hans Spaan hebben het Wilhelmus laten klinken op Grand Prix-niveau in Assen. Toch zijn er talloze andere unieke en soms bijna vergeten Nederlandse TT-momenten. Momenten waarop alles perfect samenviel, of juist nét niet. Prestaties die minstens zo indrukwekkend waren als een Grand Prix-zege. Ter ere van het 100-jarig bestaan van de TT in Assen sprak Moto73 met acht Nederlanders die een bijzonder TT-verhaal te vertellen hebben.

Theo Bult is de enige Nederlander die ooit twee keer op één dag op het TT-podium stond. Winnen deed hij niet in 1971, maar dat was geen schande met legendes als Giacomo Agostini, Phil Read en Jarno Saarinen in het veld. De inmiddels 80-jarige Bult racete slechts vier seizoenen, maar liet in die korte periode een onuitwisbare indruk achter. De voormalig coureur uit Twente spreekt bescheiden over zijn successen, maar aan de hand van een paar eenvoudige voorbeelden wordt al snel duidelijk hoe ongelooflijk getalenteerd hij was.

We schrijven 26 juni 1971, een bijzondere dag in de geschiedenis van de TT Assen. Had je toen al door dat je met je twee podiumplaatsen iets unieks had gepresteerd?

‘Ik besefte wel dat het bijzonder was. Het ging die dag gewoon erg goed. Ik werd derde in de 350cc en later tweede in de 250cc. Qua materiaal was het een prachtige tijd. Iedereen – behalve Giacomo Agostini met zijn MV Agusta – reed eigenlijk met dezelfde motorfiets. De komst met de productieracers van Yamaha’s hadden ervoor gezorgd dat het niveau dichter bij elkaar kwam te liggen, waardoor de rijder echt het verschil kon maken. Je had in die tijd ook een beetje mazzel nodig, omdat er veel meer rijders uitvielen dan tegenwoordig. Ik blijf liever bescheiden en zie het zo: ik heb die dag goed gereden, maar ook geluk gehad.’

Dat is wel erg bescheiden, want het is een indrukwekkende prestatie. En dat terwijl je pas in 1968 met racen begon.

‘Ik had een Ducati Mach 1 waarmee ik op de straat reed. Toen ik in 1968 wilde gaan racen, heb ik die motor met zeer bescheiden middelen omgebouwd tot racemotor. Ik was toen 23 jaar. In mijn eerste seizoen was ik constant de beste viertaktrijder. Mijn doorbraak kwam denk ik in Hengelo, waar ik mocht rijden op een 350cc-Honda van Gerrit Filart bij de Internationalen. Die race won ik meteen. Zo kwam ik in beeld bij Ton Riemersma. Hij richtte samen met Hans Moerkerk zijn eigen raceteam op onder de naam Motorpaleis Riemersma Racing Team. Een aantal rijders – waaronder Wil Hartog – ging rijden bij de Internationalen. Ik kwam in 1969 voor het team uit bij de Nationalen. Eerst reed ik alleen in de 350cc voor Riemersma, maar na een blessure van een andere rijder mocht ik ook voor hen uitkomen in de 250cc. En zo werd ik in 1969 Nederlands dubbelkampioen.’

En dat al in je tweede jaar!

‘Achteraf ging het misschien wel iets te snel allemaal. Maar in die tijd was er bijna elk weekend een wedstrijd. Met een kleine aanhanger trokken we overal naartoe. Tentje mee, op zaterdag trainen, ’s avonds het dorp in voor een pilsje en op zondag de wedstrijden racen. Ik was de jongste thuis en woonde als enige nog bij mijn moeder. En elke keer als ik thuiskwam, was ze nog net zo wit als toen ik een paar dagen eerder vertrok. Ze vond het eigenlijk maar niks. Ze zei ook altijd in het plat Twents voordat ik naar een race ging: “Als een ander denkt dat-ie harder kan, dan laat ze maar mooi jagen.”’

In 1970 reed je al je eerste Grand Prix.

‘Dat was op de oude Nürburgring. Wat een circuit was dat, toen nog 28 kilometer lang. Ik heb het samen met Leo Commu van tevoren verkend. Op mijn slaapkamer had ik een plattegrond van het circuit hangen, zodat ik het in ieder geval een beetje zou kennen. Het ging verrassend goed. Na de start kwam je meteen in een bochtig stuk en daar reed ik op kop. Na driekwart ronde lag ik nog steeds eerste, tot er na een afdaling een bocht kwam. Ik schakelde terug, maar schoot per ongeluk in de vrij. Dan gaat het ineens heel hard. Daar schrok ik van en kneep iets te hard in de rem. De baan was ook nog wat vochtig, waardoor ik onderuit schoof. Vanuit de berm zag ik vervolgens alle coureurs aan mij voorbij razen.’

Heel bijzonder: op kop in je eerste Grand Prix. Later in 1970 reed je ook je eerste TT Assen.

‘Ik vond het geweldig. Het rennerskwartier was toen nog heel open. Rijders en monteurs zaten gewoon in het gras te sleutelen. Daardoor waren de coureurs nog echt benaderbaar. Ik herinner me ook nog dat elke rijder zich persoonlijk moest aanmelden bij het TT-secretariaat. Dat gebeurde bij Jan Weggemans, een kleurrijk figuur. De inschrijving vond plaats boven een café in het centrum van Assen. Ik had toen al een manager, maar ik moest daar zelf naartoe. Zelfs grootheden als Giacomo Agostini en Phil Read moesten zich daar persoonlijk melden. Het was voor mij destijds echt geweldig om tegen die helden te mogen racen.’

100 jaar TT Assen: de droomweek van Bert Smit

Hoe gingen de races?

‘Ik reed zowel in de 250cc als de 350cc. Maar een thuisvoordeel had ik niet, want ik had nog nooit op Assen gereden. Daar werden namelijk geen nationale races gehouden. Tijdens de eerste training reed ik nog met standaard Yokohama-banden, een verschrikkelijke band. Ik ging meteen onderuit in de Strubben. Daarna hebben we in Assen peerbanden van Dunlop gekregen, dat waren toen dé banden die je moest hebben. In de 250cc werd ik achtste. Ik weet nog dat ik daar blij mee was. In de 350cc streed ik met Kent Anderson om de vijfde plek, maar toen scheurde de uitlaat van voor naar achter. Het vermogen was weg en toen ben ik gestopt.’

Een jaar later (1971) stond je twee keer op het podium in Assen. Had je daar vooraf rekening mee gehouden?

‘Het was in 1970 erg goed gegaan op de stratencircuits. Ik won mijn thuisrace in Tubbergen en vervolgens ook in Hengelo en Raalte. Dat was in Assen een voordeel, omdat het toenmalige circuit ook wel wat op een stratencircuit leek: het was smal en je had een vergelijkbare rijstijl nodig. Ik vond het deel van de Bedeldijk naar de Strubben fantastisch. Vooral de knik voor de Strubben was geweldig, daar kon het publiek heel dichtbij de baan komen. Ik weet nog dat ik later, in de jaren 80, tijdens een Historic TT-race op donderdagavond daar een keer een bierblikje tegen mijn helm kreeg. In 1971 had ik wel het gevoel dat ik het goed kon doen in Assen, maar ik zag mezelf niet als kandidaat voor de overwinning. Al dacht Chas Mortimer (collega-coureur) daar anders over. Hij zei tegen mij: “You can win the Dutch TT”. Maar Agostini en Read waren in die tijd te snel. Maar mijn Yamsel liep ook erg goed. Samen met mijn kameraad Gerrit Wilmink prepareerden wij de motor zelf. Dat was een motor met een Yamaha-blok en een Seeley-frame. Vandaar de naam Yamsel.’

Wat weet je nog van de races?

‘Het begon met de 350cc. Ik had niet zo goed getraind. Agostini was met zijn MV Agusta veel te snel en daarachter kwam Read met zijn Yamaha. Ik raakte in gevecht met Jarno Saarinen en Paul Smart voor de derde plaats. Maar ze vielen beiden uit en zo pakte ik mijn eerste podiumplaats van de dag. Veel tijd om daarbij stil te staan had ik niet, want even later was het tijd voor de 250cc. Daarin was Read de sterkste. Ik streed met Dieter Braun om de tweede plaats. We wisselden meerdere keren van positie, maar uiteindelijk lukte het me om hem achter me te houden.’

En toen mocht je twee keer naar het podium.

‘Ja, heel mooi. Dat ging anders dan tegenwoordig. In Assen werd alleen de winnaar en de beste Nederlander gehuldigd. Na de 350cc-race stond ik dus met Agostini op het podium en bij de 250cc met Read. Ik weet nog dat Braun – die derde was geworden in de 250cc – ook de trap naar het podium opging, maar eraf werd gestuurd. Die werd toen heel kwaad! In die tijd was het overal anders geregeld met het podium. Bijvoorbeeld in Oost-Duitsland mocht de top-vijf naar het podium.’

Nog altijd spreekt de inmiddels 80-jarige Twent vol passie over zijn motorsportcarrière.

Is deze TT je mooiste herinnering uit je carrière? En was het ook je beste race in de Grand Prix?

‘Het was een geweldige dag, maar mijn mooiste herinneringen heb ik aan Tubbergen. Dat komt omdat ik daar als kind al kwam. Voordat ik zelf racete, ging ik op de fiets naar Tubbergen om te kijken. In Weerselo kon je de motoren al ruiken; heerlijk! Qua Grand Prix heb ik, naast de TT in Assen, ook op de Sachsenring een hele sterke race gereden in de 350cc. Maar dat zag er in eerste instantie totaal niet naar uit.’

Daar horen we graag meer over.

‘De Yamsel liep kort voor de race op één cilinder. We probeerden van alles, maar kregen het niet opgelost. Ik besloot toch maar van start te gaan, want je moest minimaal één ronde rijden om je startgeld te krijgen. In de eerste ronde pruttelde ik wat over de baan, maar na driekwart ronde begon de motor ineens op beide cilinders te lopen. Ik lag al enorm ver achter, maar reed toch nog een ronde door en begon rijders in te halen. Uiteindelijk ben ik nog vierde geworden. Dat maakte indruk op de Oost-Duitsers, de omroeper was helemaal wild.’

Eind 1971 was je carrière ineens voorbij na een crash in Vessem. Wat gebeurde er?

‘Een jaar eerder was ik in dezelfde bocht ook al gecrasht. Toen remde Hartog zich kort achter mij onderuit en zijn motorfiets raakte daarbij de mijne. Wat er in 1971 gebeurde was ongelofelijk stom, want ik reed bijna een ronde voor op de rest in de 350cc-wedstrijd. Toch wilde ik vol doorgaan om het publiek te vermaken. Het wegdek was vrij nieuw en lag vol grind. Bij het accelereren ging het mis: ik crashte en vloog door de lucht. Ik kwam hard terecht, liep een rugfractuur op en moest drie maanden platliggen.’

100 jaar TT Assen – Wilco Zeelenberg: ‘Moest dat nou zo?’

Je was toen nog maar 26 jaar. Waarom ben je gestopt?

‘Ik dacht: waarom zou ik nog doorgaan? In die tijd ging het helaas ook weleens helemaal mis. Als je op de verkeerde plek crashte, kon het slecht aflopen. Ik heb mogen proeven van hoe het allemaal was en dat wilde ik graag. Ik heb een geweldige tijd gehad, waar ik tot op de dag van vandaag met heel veel plezier op terugkijk. Toen kort nadat ik gestopt was de watergekoelde Yamaha’s kwamen, baalde ik wel even. Want dat was een prachtige motor.’

Volg je de motorsport nog steeds?

‘Ik kijk nog wel races, maar zeker niet allemaal. De huidige MotoGP-motoren vind ik technisch geweldig. Elk jaar ga ik nog naar de TT Assen, maar het rennerskwartier hoef ik niet meer in. Ik mis daar de sfeer van vroeger. Toen kon je nog ergens binnenlopen, maar nu is alles afgesloten. Tijdens de TT wandel ik nu liever een rondje rondom het circuit. Daarnaast doe ik met mijn zoon Axel nog mee aan een aantal classic-evenementen. Ik heb zelf een replica van mijn Yamsel gebouwd. Dat blijft geweldig om mee te rijden!’

Foto’s: Archief Target Press, Henk Keulemans, Asse Klein

Oranje-gekleurde TT Assen
Naast de twee podiumplaatsen van Theo Bult waren er meer Nederlandse successen tijdens de TT Assen van 1971. Rob Bron reed naar een sensationele tweede plaats in de 500cc achter Giacomo Agostini. In de 50cc finishten zelfs drie Nederlanders in de top vier: Jos Schurgers werd tweede, gevolgd door Teunis Ramaker en Jan Bruins. De winst ging naar de Spanjaard Ángel Nieto.
Wist je dat…
Theo haalde in alle twaalf Grand Prix-races de finish. Vijf keer in de 350cc en zeven keer in de 250cc – eindigde hij altijd in de top acht! In 1971 eindigde Theo op een vierde plaats in het 350cc-wereldkampioenschap. Door veel kenners werd de Nederlander wat puur talent betrof vergeleken met de legendarische en veel te vroeg overleden Fin Jarno Saarinen, die in het jaar nadat Bult was gestopt (1972) 250cc-wereldkampioen werd. Wat was er gebeurd als Theo niet zo vroeg was gestopt?

TT-resultaten van Theo Bult

Jaar Klasse Positie
1970 250cc P8
1970 350cc DNF
1971 250cc P2
1971 350cc P3

Turbocharged Hayabusa op weg naar nieuw snelheidsrecord met twee personen

1

Jarrod ‘Jack’ Frost van Holeshot Racing wil samen met zijn passagier Paul Milbourn het wereldrecord voor de ‘Hoogste snelheid met z’n tweeën op een motorfiets’ verbreken. Dit record staat momenteel op naam van tv-persoonlijkheid Henry Cole en ingenieur Allen Millyard, die in mei 2023 een snelheid van 295,31 km/u bereikten op de Elvington Airfield in York met Millyard’s zelfgebouwde 8-liter Viper V10-motor.

Het duo heeft tijdens testpogingen in maart 2025 op Elvington Airfield al indrukwekkende resultaten behaald. Frost reed solo een snelheid van maar liefst 420 km/u. Met Milbourn achterop bereikten ze een snelheid van 360 km/u, wat het huidige record al ruimschoots zou overtreffen. De officiële recordpoging staat gepland voor mei, wanneer ze onder toezicht van Guinness World Records zullen proberen geschiedenis te schrijven.

2025 Suzuki Hayabusa: Euro 5+ en nieuwe kleuren

De techniek achter de snelheidsduivel

Frost’s wapen van keuze is een zwaar gemodificeerde tweede generatie Suzuki Hayabusa. De motorfiets is uitgerust met een krachtige turboset, vermoedelijk een Garrett 50 trim turbo met TD Racing compressor cover, die meer dan 400 pk levert. Voor zijn solo-rit heeft Frost eerder al bijna 800 pk uit zijn motor weten te persen.

De motor is voorzien van een zelfstandige ECU voor nauwkeurige afstelling van brandstof en ontsteking, cruciaal voor het beheersen van het vermogen van de turbo. Daarnaast zijn er gesmede zuigers en versterkte drijfstangen geïnstalleerd om de verhoogde druk aan te kunnen, samen met verbeterde klepveren om klepzweven bij hoge toerentallen te voorkomen.

Het brandstofsysteem is aangepast met high-flow injectoren en een krachtigere brandstofpomp, terwijl een op maat gemaakt uitlaatsysteem zorgt voor optimale gasstroming. De ophanging is verbeterd voor meer stabiliteit bij hoge snelheden, en de carrosserie is aangepast om luchtweerstand te verminderen en neerwaartse druk te verhogen.

Uitdagingen en risico’s

Tijdens de testpogingen ondervond het duo een aantal uitdagingen. Bij het schakelen naar de vierde versnelling begon de motorfiets te slingeren, waarschijnlijk vanwege het toegenomen vermogen en gewicht met twee personen aan boord. Frost moest tijdelijk het gas loslaten, maar klokte desondanks nog steeds een snelheid van 339 km/u. Het team werkt aan aanpassingen aan de ophanging en aerodynamica om dit probleem aan te pakken.

Het rijden met deze snelheden brengt aanzienlijke risico’s met zich mee. Bandenfalen door oververhitting kan leiden tot catastrofaal controleverlies. De minste schommeling of windvlaag kan bij hoge snelheden worden versterkt, waardoor de motor moeilijk te besturen wordt. De turbocompressor zet enorme druk op de motor, wat het risico op mechanische problemen vergroot.

Kosten van extreme prestaties

De financiële investering voor een dergelijke prestatie is aanzienlijk. Een basis turbokit voor een Hayabusa kost tussen de €5.500 en €6.500, terwijl high-performance kits met zelfstandige ECU kunnen oplopen tot €11.000 of meer. Professionele installatie voegt nog eens €800 tot €1.000 toe, en dyno-tuning en aangepaste mapping kosten tussen de €300 en €600.

Gesmede zuigers en drijfstangen kunnen €2.000 tot €4.000 of meer kosten, en brandstofsysteem-upgrades zoals injectoren en een brandstofpomp voegen nog eens €500 tot €1.000 toe. Tel daar de verhoogde onderhoudsfrequentie, gespecialiseerde banden (€400 tot €600 per set) en verbeterde veiligheidsuitrusting (€1.000 of meer) bij op, en de totale investering wordt aanzienlijk.

Cole en Millyard op de 8-liter Viper V10 op weg naar een record .

Nieuwe Ducati Desmo450 MX combineert Italiaanse technologie met MXGP-ervaring

0

Op 3 april 2025 markeerde Ducati een historisch moment met de onthulling van de Desmo450 MX, waarmee het Italiaanse merk uit Borgo Panigale officieel de motorcrosswereld betreedt. Deze stap is het resultaat van een zorgvuldig overwogen strategie, gedreven door de gezonde financiële positie van het bedrijf en de ambitie om een nieuw segment van motorliefhebbers aan te spreken. Volgens Claudio Domenicali, CEO van Ducati Motor Holding, sluit deze ontwikkeling naadloos aan bij de unieke bedrijfscultuur van Ducati, waarin de band tussen racerij en straatmotoren centraal staat.

Ontwikkeling met kampioenen

Met de ontwikkeling van de Desmo450 MX is Ducati niet over één nacht ijs gegaan. Ducati heeft hiervoor de expertise ingezet van negenvoudig wereldkampioen Tony Cairoli en de ervaren coureur Alessandro Lupino. Beide rijders hebben een cruciale rol gespeeld bij het testen en verfijnen van de prototypes. Indrukwekkend genoeg heeft Lupino zelfs deelgenomen aan het Italiaanse kampioenschap met een standaard veringssetup, wat het vertrouwen van Ducati in de kwaliteit van hun basiscomponenten onderstreept.

Tony Cairoli stond aan de wieg van de Desmo 450MX.

Revolutionaire desmodromische technologie

Wat de Desmo450 MX echt uniek maakt in het motorcrosssegment is de 449,6 cc ééncilinder met desmodromische klepbediening. Anders dan conventionele motoren, waarbij kleppen worden gesloten door veren, gebruikt deze technologie een mechanisch systeem dat zorgt voor een nauwkeurigere klepbediening. Dit maakt hogere toerentallen mogelijk en resulteert in een indrukwekkend vermogen van 63,5 pk bij 9.400 tpm en 53,5 Nm koppel bij 7.500 tpm.

Het lichtgewicht aluminium perimeterframe weegt slechts 8,96 kg en is opgebouwd uit gegoten, gesmede en geperste elementen. In combinatie met de hoogwaardige componenten komt het totale gewicht van de motorfiets uit op 104,8 kg (zonder brandstof), wat uitstekende handling garandeert.

Ducati Desmo250 MX maakt indrukwekkend debuut in Italiaans kampioenschap

Premium componenten en geavanceerde elektronica

Ducati heeft niet bezuinigd op de onderdelen van de Desmo450 MX. De vering wordt verzorgd door Showa, met een volledig instelbare 49 mm upside-down voorvork met 310 mm veerweg en een bijpassende monoshock achter met 301 mm veerweg. Het remsysteem komt van Brembo, met Galfer schijven (260 mm voor, 240 mm achter).

De motorfiets is bovendien uitgerust met geavanceerde elektronica, waaronder Ducati Traction Control, Power Launch, Quick Shift en Engine Brake Control. Deze systemen zijn configureerbaar via de X-Link App, waarmee rijders de motorfiets kunnen afstemmen op hun voorkeuren en circuitomstandigheden. Er zijn ook twee rijmodi beschikbaar die verder kunnen worden aangepast.

Beschikbaarheid en prijs

De Ducati Desmo450 MX is vanaf juni 2025 verkrijgbaar bij geselecteerde Europese dealers en kan nu al worden besteld. Voor Nederlandse motorcrossliefhebbers bedraagt de prijs €12.790,-. Ducati belooft tevens redelijke onderhoudskosten, met intervallen van 45 uur voor het vervangen van de zuiger en het controleren van de klepspeling, en 90 uur voor een volledige motorrevisie.

Voor fanatieke rijders biedt Ducati via de Ducati Performance-catalogus een uitgebreide reeks accessoires aan, waarmee klanten hun motorfiets kunnen upgraden naar de specificaties van de MXGP-racemachines van Jeremy Seewer en Mattia Guadagnini. Daarnaast is er in samenwerking met Drudi Performance een complete collectie rijuitrusting beschikbaar.

MXGP van Trentino: legende Cairoli stapt in voor Ducati

0

De motorsportwereld kreeg onlangs opzienbarend nieuws te verwerken: negenvoudig wereldkampioen Antonio Cairoli keert terug in de MXGP-competitie tijdens de Grand Prix van Trentino in Arco di Trento op 12-13 april. Deze onverwachte terugkeer volgt na een ernstige blessure van Ducati-rijder Mattia Guadagnini, die tijdens een trainingssessie op Sardinië zes ribfracturen en longtrauma opliep.

Voor Cairoli wordt dit een bijzondere thuiswedstrijd op een circuit waar hij grote successen heeft gekend. De 39-jarige Italiaanse motorcrosslegende is momenteel nauw betrokken bij het Ducati MXGP-project als test- en ontwikkelingsrijder, waardoor zijn tijdelijke comeback als vervanger een logische keuze lijkt.

Voorbeschouwing MXGP 2025: wie wordt de opvolger van Jorge Prado?

De legende achter Antonio Cairoli

Cairoli, geboren op 23 september 1985, heeft een indrukwekkende carrière opgebouwd die hem tot een van de grootste motorcrossers aller tijden maakt. Hij veroverde wereldtitels in 2005 en 2007 in de MX2-klasse, gevolgd door zeven MXGP-titels (voorheen MX1) in 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014 en 2017.

Zijn agressieve maar vloeiende rijstijl, fenomenale starts en onverzettelijke vastberadenheid hebben hem wereldwijd een enorme aanhang bezorgd. Met 94 Grand Prix-overwinningen staat Cairoli als derde op de lijst van meest succesvolle rijders in de geschiedenis van de sport. Zijn intense rivaliteiten met rijders als Jeffrey Herlings en Clement Desalle hebben een tijdperk in de motorcross gedefinieerd.

Ducati’s MXGP-project en Cairoli’s betrokkenheid

Cairoli speelt een cruciale rol in de ontwikkeling van de Ducati Desmo450 MX. Zijn ervaring en technisch inzicht zijn van onschatbare waarde voor het verfijnen van de motor, die nog relatief nieuw is in het MXGP-circuit. In deze testrol heeft hij bijgedragen aan de verbetering van de rijdynamiek, vermogensafgifte en algemene prestaties van de machine.

Vorig seizoen maakte Cairoli al een wildcard-optreden tijdens de Nederlandse Grand Prix in Arnhem, wat zijn blijvende passie voor de sport illustreerde. Deze nieuwe kans om in competitie te treden zal niet alleen waardevol zijn voor zijn persoonlijke ambities, maar biedt Ducati ook belangrijke continuïteit in hun raceprogramma tijdens Guadagnini’s herstelperiode.

MXGP van Trentino: thuisvoordeel voor Cairoli

De Grand Prix van Trentino in Arco di Trento is een bijzondere locatie voor Cairoli. Het hardpack-circuit in Noord-Italië staat bekend om zijn uitdagende lay-out en spectaculaire omgeving. Voor de Italiaanse motorcrossfans belooft dit evenement extra spannend te worden met de terugkeer van hun nationale held.

Deze wedstrijd zal niet alleen een test zijn voor Cairoli’s huidige vormniveau, maar ook waardevolle real-world racegegevens opleveren voor het ontwikkelingsteam van Ducati. Terwijl Guadagnini werkt aan zijn herstel, zorgt Cairoli’s aanwezigheid ervoor dat Ducati met twee motoren kan blijven deelnemen aan het kampioenschap.

Kymco patenteert geavanceerd anti-wheelie systeem

0

Kymco heeft een innovatief veiligheidssysteem gepatenteerd dat gebruik maakt van actieve spoilers om ongewenste wheelies te voorkomen. Anders dan conventionele elektronische systemen, die de motorprestaties beperken wanneer het voorwiel omhoog komt, biedt Kymco’s oplossing een mechanische en aerodynamische benadering die direct ingrijpt op de voertuigdynamiek.

Het systeem bestaat uit beweegbare spoilers die aan de voorzijde van de motorfiets zijn geplaatst, vergelijkbaar met de aerodynamische vleugels op supersportmotoren. Het cruciale verschil is dat Kymco’s spoilers alleen uitklappen wanneer dat nodig is. Geavanceerde sensoren, waaronder accelerometers en gyroscopen, detecteren wanneer de motorfiets te ver achterover helt – een kenmerk van een beginnende wheelie. Op dat moment activeert een elektronische regeleenheid servomotoren die de spoilers uitklappen.

Hoe het systeem werkt

De werking van het systeem is even ingenieus als effectief. Wanneer de spoilers uitklappen, genereren ze direct een neerwaartse aerodynamische kracht die het opkomen van het voorwiel tegengaat en de motorfiets terug in balans brengt. De aerodynamica van de spoilers is geoptimaliseerd via CFD-simulaties (Computational Fluid Dynamics) om maximale neerwaartse druk te creëren met minimale luchtweerstand wanneer ze niet actief zijn.

In vergelijking met traditionele elektronische systemen zoals tractiecontrole en anti-wheelie programma’s, die ingrijpen door het motorvermogen te verminderen, biedt Kymco’s mechanische aanpak enkele potentiële voordelen:

  • Een directere en vloeiendere interventie
  • Minder impact op de motorprestaties
  • Een directe werking op de voertuigdynamiek in plaats van indirecte vermogensbeperking

Test 2023 Kymco AK Premium: hetzelfde, maar beter

Mogelijke toepassingen en marktpotentieel

Hoewel het patent niet specificeert voor welke motortypes het systeem bedoeld is, lijkt het veelzijdig toepasbaar. Het zou bijzonder waardevol kunnen zijn voor:

  • Krachtige scooters, waar het risico op wheelies bij harde acceleratie kan worden verminderd
  • Touringsmotoren, waar het systeem de stabiliteit en het rijcomfort kan verbeteren, vooral bij zware belading
  • Sportmotoren, waar het een extra veiligheidsniveau kan bieden naast bestaande elektronische hulpmiddelen
  • Elektrische motorfietsen, die bekend staan om hun onmiddellijke koppelafgifte en daardoor vatbaarder zijn voor onbedoelde wheelies

Het anti-wheelie systeem past goed binnen Kymco’s historische focus op innovatie en veiligheid. Het bedrijf, opgericht in 1964 als onderdeel van Honda maar later onafhankelijk geworden, heeft zich gepositioneerd als voorloper in het introduceren van veiligheidstechnologieën zoals ABS op scooters in het middensegment.

Toekomstperspectief

Er is nog geen officiële bevestiging over de serieproductie van dit systeem. Het aanvragen van het patent suggereert echter dat Kymco serieuze plannen heeft om deze technologie verder te ontwikkelen. Als het bedrijf besluit dit systeem op de markt te brengen, zou het een significante impact kunnen hebben op de motorindustrie en mogelijk andere fabrikanten inspireren om vergelijkbare oplossingen te ontwikkelen.

Je motor gratis voor de deur parkeren tijdens RIDERS Festival

0

RIDERS Festival draait om motorrijden, muziek en beleving. Een weekend waar gebruld, geronkt en gebromd mag worden. En waar motorrijders met open armen worden ontvangen. Kom dus vooral ook op de motor! Dat vinden we namelijk fantastisch. Zo fantastisch, dat je je motor gratis voor de deur parkeert.

GRATIS PARKEREN VOOR MOTORRIJDERS

Want motorrijders hebben stiekem toch een streepje voor. Handig ook, als je op de motor komt want dan heb je direct je motorkleding bij de hand. Waardoor je geen excuus meer hebt, en nu toch eindelijk die nieuwe droommotor eens kunt testrijden tijdens RIDERS Festival. Want bijna alle bekende merken staan er met hun line-up van demo motoren.

Vorig jaar verzamelden zich duizenden motoren op de motorparking tijdens het festival. Wat was dat een waanzinnig indrukwekkend gezicht. Dit jaar hopen we dat jullie weer massaal de motor pakken. Want eigenlijk is er niets leukers, toch?

Rij jij toevallig een custombike, chopper of cruiser? Dan wordt het feest nog iets groter. In samenwerking met Bigtwin Custombike Magazine organiseren we namelijk een speciale Custom & Cruiser parking. Jij mag met jouw bike het festivalterrein op rijden. Ook kiezen we weer een ‘Best of Show’ bike. Meld je je aan voor de Bigtwin Ride-In Bikeshow? Dan maak je kans op een toffe prijs! Word jouw motor als mooiste uitgekozen? Dan win jij een speciale award.

Wat kun je verwachten op RIDERS Festival 2025?

‘MET JE CLUPPIE’

Kom je met een gemixte club vrienden op de motor en rijdt een deel een cruiser of custombike, en anderen niet? Dan mag je als custom- of cruiserrijder er ook voor kiezen om ‘bij je cluppie’ te blijven en samen op de algemene motorparking te staan. De algemene motorparking begint zich recht voor de deur en is ook volledig gratis.

PARKEREN MET DE AUTO

Kom je toch met de auto? Geen probleem natuurlijk. Wees er dan wel van bewust dat er beperkte parkeerruimte is voor auto’s. Ook is dit betaald parkeren, wat €15,- per auto per dag is. Ook heb je kans dat je een eindje moet lopen indien de autoparking bij Autotron vol is.

Wil je er alvast zeker van zijn dat je toegang hebt tot het evenement? Op 31 mei of 1 juni, of gewoon het gehele weekend?! Scoor dan nu alvast hier je kaartjes.

Praktische informatie

WaarAutotron Rosmalen

Wanneer         
31 mei en 1 juni 2025
Zaterdag van 10.00 – 17.00u
Zondag van 10.00 – 17.00u
Meer informatieRIDERSfest.nl
Ticketsticketpoint.nl/RIDERSfestival

De Vespa Siluro: een bijzonder stukje motorgeschiedenis uit 1951

0

De Vespa Siluro vertegenwoordigt een fascinerend hoofdstuk in de geschiedenis van scooters en snelheidsrecords. Dit unieke voertuig ontstond in de jaren ’40 en ’50 uit de felle rivaliteit tussen Vespa en Lambretta, waarbij beide merken elkaar voortdurend overtroefden met snelheidsrecords. In een tijd waarin het vestigen van snelheidsrecords niet alleen technische prestaties demonstreerde maar ook de verkoopcijfers significant kon beïnvloeden, besloot Piaggio een ultieme poging te wagen om het prestigieuze record op de vliegende kilometer in de 125cc-klasse te veroveren.

Van mislukte pogingen tot revolutionair ontwerp

De eerste pogingen om het toenmalige record van 161,145 km/u, in handen van Gino Cavanna op een Mondial, te verbeteren waren weinig hoopgevend. In augustus 1949 haalde een prototype met aluminium frame en carrosserie, bestuurd door Dino Mazzoncini, slechts 112 km/u tijdens een test op de speciaal hiervoor afgesloten Firenze-Mare snelweg. Met een vermogen van amper 5,4 pk was dit ruim onvoldoende om de recordhouder te bedreigen.

Een jaar later bereikte een tweede prototype weliswaar 120 km/u, maar bleek het voertuig praktisch onbestuurbaar doordat het voorwiel gevaarlijk licht werd bij hoge snelheden. Na deze tegenslagen intensiveerde Piaggio’s experimentele afdeling haar inspanningen en ontwikkelde twee compleet verschillende prototypes.

Het eerste exemplaar, bestemd voor rijder Giuseppe Cau, gebruikte een conventionele rijpositie met gestrekte benen, maar bleek onhandelbaar bij hogere snelheden. Het tweede prototype, ontworpen voor Mazzoncini, kenmerkte zich door een revolutionaire aanpak: een gestroomlijnde carrosserie waarin de rijder in een gehurkte positie zat, ondersteund door zijn knieën. De werkelijke doorbraak kwam echter met de ontwikkeling van een innovatieve motor met tegenovergestelde zuigers die in dezelfde cilinder werkten, waarmee het vermogen tot 18 pk steeg.

Het record op de Roma-Ostia snelweg

Op 9 februari 1951 werd een traject van de Roma-Ostia snelweg afgesloten voor Mazzoncini’s recordpoging. Gekleed in een speciale gestroomlijnde helm werd hij letterlijk in de torpedo-vormige Vespa getild door de monteurs. De toegangsluiken, geïntegreerd in de carrosserie, werden boven hem gesloten, waardoor hij volledig ingesloten zat in het voertuig.

Mazzoncini lanceerde zich op volle snelheid over het traject tussen de tiende en elfde kilometer in beide richtingen, zoals vereist volgens de reglementen. Het resultaat was verbluffend: een nieuw record met een gemiddelde snelheid van 171,102 km/u, ruim 10 km/u sneller dan het vorige record.

Hoewel Mazzoncini aandrong op meer pogingen, omdat hij overtuigd was dat snelheden tot 180 km/u haalbaar waren, gaven de Piaggio-leiders geen toestemming voor verdere tests. De triomfantelijke geschiedenis van de Vespa Siluro eindigde zo abrupt als ze was begonnen.

Hoe twee Spaanse studenten een Vespa in een Salvador Dalí kunstwerk veranderden

Technische innovaties

De Vespa Siluro combineerde vertrouwde elementen met baanbrekende technologie. Het frame bestond uit een centrale balk met een Vespa-achtige voorvork. Motor en versnellingsbak fungeerde als swingarm voor de achterwielophanging, met rubberen buffers om schommelingen tegen te gaan.

Het hart van de machine was een 124,69 cc tweetakt met tegenovergestelde zuigers die in dezelfde cilinder werkten. Dit innovatieve ontwerp bood thermodynamische voordelen doordat de verbranding plaatsvond op een gehalveerd oppervlak bij gelijke cilinderinhoud. De tegengestelde rotatie van de krukassen, verbonden door tandwielen, hielp trillingen te dempen.

De motor werd gevoed door twee Dellorto carburateurs, één voor elke krukkamer, met een mengsel van alcohol en Essolube-smeermiddel in de opmerkelijke verhouding van 12%. In de uiteindelijke recordversie leverde deze krachtbron indrukwekkende 19,5 pk bij 9.500 tpm.

De Vespa Siluro is tegenwoordig te bewonderen in het Piaggio Museum in Pontedera, waar hij staat als symbool van Italiaanse vindingrijkheid en de naoorlogse zoektocht naar snelheid en technologische superioriteit.