Husqvarna heeft de nieuwe Norden 901 Expedition voor 2025 onthuld. Dit travel-adventure model is vernieuwd om te voldoen aan de Euro5+ norm en biedt een nog uitgebreidere uitrusting.
De belangrijkste updates zijn:
Een nieuw uitlaatsysteem dat voldoet aan Euro5+
Geüpdatete elektronica met tractiecontrole instelbaar in 10 niveaus
Nieuwe zijspiegels en een hazard light warning system
Verder blijft de 889cc-paralleltwin met 105 pk behouden, evenals het stalen buizenframe. De WP XPLOR vering biedt 240 mm veerweg en is volledig instelbaar.
Andere kenmerken zijn een 5-inch TFT display, connectiviteit via de smartphone-app, vier rijmodi, hoek-ABS, quickshifter, antihop-koppeling, tubeless spaakwielen met Pirelli banden en een 19 liter tank voor 400 km actieradius.
De nieuwe Norden 901 Expedition arriveert eind 2024 bij de Husqvarna dealers. Het model is verder te personaliseren met technische accessoires of kledij uit de Functional Apparel-collectie.
CFMOTO introduceert hun eerste volwaardige avontuurlijke motorfiets met serieuze offroad capaciteiten: de MT-X. Deze motor is gebaseerd op het bestaande MT 800-platform van CFMOTO, dat weer is afgeleid van KTM’s LC8c-platform.
De MT-X onderscheidt zich met een 21-inch voorwiel, 240 mm grondspeling en een krachtige 799cc tweecilinder. Het gestroomlijnde ontwerp omvat opvallende kleuropties, een 7-inch TFT-scherm en een slanke kuipruit.
Rijders kunnen genieten van een 22,5 liter brandstoftank, comfortabel rally-zadel, geavanceerde elektronica met drie rijmodi en cruise control. Rijhulpmiddelen zoals een slipperkoppeling, ABS, quick shifter en traction control zorgen voor veiligheid en rijplezier.
Met deze toevoeging dekt CFMOTO’s lijn van avontuurlijke motorfietsen nu alle basisbehoeften. Het roept de vraag op wat de volgende stap zal zijn. Een big-bore ADV?
De MXoN, de Motocross of Nations, vormt jaarlijks het sluitstuk van het internationale crossjaar. Alle toppers uit de hele wereld komen aan de start. Het Nederlandse trio Jeffrey Herlings, Glenn Coldenhoff en Kay de Wolf behaalde in het Engelse Matterley Basin achter Australië en de VS een fraaie derde plaats.
Het wereldkampioenschap werd een week eerder afgesloten in Spanje. Ondanks dat er een wereldtitel op het spel stond, kwamen lang niet alle internationale toppers aan de start in de twintig GP’s. De Amerikanen geven er de voorkeur aan in eigen land te blijven. In het begin van het jaar wordt daar een hele serie stadioncrosses verreden, later in het jaar volgt de motorcross. Niet alleen de Amerikanen rijden daar, ook toppers uit andere landen laten de GP’s links liggen en rijden in de VS. De Duitser Ken Roczen begon in 2009 in de MX2-GP’s, werd het jaar daarna tweede en veroverde de wereldtitel in 2011 en stak vervolgens de Atlantische Oceaan over. De Fransman Tom Vialle werd in 2020 en 2022 wereldkampioen MX2 en verkaste daarna naar Amerika. Diezelfde stap zet nu ook viervoudig wereldkampioen Jorge Prado. De Spanjaard heeft een contract getekend bij Kawasaki USA. De Australische broers Hunter en Jett Lawrence waren in eigen land zo succesvol dat hun ouders besloten in 2016 met het gezin naar Engeland te gaan verhuizen, in de hoop dat ze daar beiden een mooie carrière zouden kunnen opbouwen. Na een paar jaar in Europa te hebben gereden, verhuisde de familie naar Amerika, waar de beide broers nu tot de absolute top behoren.
Kay de Wolf toonde zich een ware wereldkampioen en was de beste MX2-rijder.
Allemaal samen
Eénmaal per jaar treffen alle toppers, semi-toppers en rijders van een lager kaliber elkaar in de MXoN. Hoewel het een landenwedstrijd is, speelt persoonlijke prestige uiteraard ook een rol. Dat werd dit jaar heel erg duidelijk in een geweldig gevecht tussen Tim Gajser en Jett Lawrence in de slotrace. De MXoN is qua publiek de meest internationale wedstrijd van het jaar. Ook nu was het druk met bezoekers uit tal van landen, ondanks de stevige entreeprijs van 160 pond (190 euro). Voor een bezoek aan het rennerskwartier kwam er nog eens bijna 50 euro bij!
De Olympische gedachte ‘Deelnemen is belangrijker dan winnen’ geldt gelukkig voor heel veel nationale motorbonden, want het overgrote deel van de deelnemende teams weet dat ze geen enkele podiumkans hebben. Maar liefst 36 landen probeerden een plek in de A-finale te bemachtigen. Landen als bijvoorbeeld Griekenland, IJsland, Chili en Roemenië weten al bij voorbaat dat ze totaal geen kans maken, maar toch maken ze de reis. En dat is maar goed ook, want als al die kansloze landen thuisblijven, hou je misschien slechts tien tot vijftien landen over.
Elk land komt met drie rijders: één in de MX2, één in de MXGP en één in de Open Klasse, wat in de praktijk betekent dat dit ook een MXGP-rijder is. Op zaterdagmiddag zijn er kwalificatieraces. Die zijn per klasse en de twee beste resultaten bepalen welke landen naar de A-finale gaan en tevens hun startplaatsen achter het starthek. De startplaatsen op zaterdag worden door loting bepaald. Het lot was Nederland gunstig gezind, want de oranjebrigade lootte plaats acht. Tom Vialle won voor Lucas Coenen en Simon Längenfelder de MX2, waarin Kay de Wolf vijfde werd. De MXGP werd gewonnen door Jorge Prado voor Tim Gajser, Romain Febvre, Hunter Lawrence en Jeffrey Herlings. In de Open Klasse zegevierde Jett Lawrence voor Ruben Fernandez en Maxime Renaux. Glenn Coldenhoff lag zevende, maar werd in de slotfase met pech geconfronteerd toen een steen schade aan zijn motorblok veroorzaakte. Omdat de twee beste resultaten tellen waren de vijfde plaatsen van De Wolf en Herlings ruim voldoende voor deelname aan de A-finale. Daarvoor plaatsten zich 19 landen. De resterende 17 landen reden op zondagmorgen de B-finale. Die werd gewonnen door Letland, waardoor de Letten zich alsnog plaatsten voor de A-finale.
1 van 4
Glenn Coldenhoff bezorgde Fantic het eerste podium op wereldniveau.
Het duel tussen Jett Lawrence (6) en Tim Gajser was het hoogtepunt van de dag.
Eli Tomac was de sterkste Amerikaan.
Nederland aan de leiding
In die A-finale worden drie races gereden. De eerste is voor de MX2 en MXGP, de tweede voor de MX2 en Open Klasse en de derde voor de MXGP en Open Klasse. Met drie keer twee rijders aan de start worden er dus zes resultaten behaald. De slechtste klassering mag als schrapresultaat worden weggelaten.
Voor Nederland begon de dag behoorlijk goed, al was er even een tegenslag toen Herlings in de tweede ronde onderuitging en terugzakte van de derde naar de twaalfde plaats. Hij vocht zich weer terug naar voren en was vijfde op de finish. Die plaats bereikte hij door in de laatste ronde De Wolf voorbij te steken. De wereldkampioen MX2 startte vanaf plaats 26 (omdat er twintig landen meedoen en Nederland zesde was geworden op zaterdag betekende dat de startplaatsen 6 en 26) en was al elfde bij de eerste doorkomst en stak in het verloop van de wedstrijd menig MXGP-coureur voorbij!
Gajser reed de hele manche op kop, met vanaf de tweede ronde de Amerikaan Eli Tomac op de tweede plaats. Ondanks een oogblessure (er kwam iets in z’n oog) werd Febvre derde voor Prado. Voor de Belgen begon het slecht, want Lucas Coenen kwam ten val en brak een sleutelbeen. Dat betekende meteen geen enkele kans meer op een mooie teamuitslag, omdat hij uiteraard zijn tweede race moest laten schieten. Met een totaal van 11 punten leidde Nederland voor de Amerikanen en de Aussies die beide op 19 punten stonden.
Kay de Wolf kon na een korte pauze meteen weer aan de bak. Hij deed van zich spreken in de door Jett Lawrence voor Ruben Fernandez gewonnen race. De Wolf, gestart vanaf de gunstige binnenkant, raakte in gevecht met Simon Längenfelder, de nummer drie van het WK. Hun posities wisselden enkele keren. De omroepers (er werd in meerdere talen informatie verschaft) kwamen woorden tekort om het rijden van de Nederlander te verslaan. Helaas schoof De Wolf twee keer onderuit, kon wel beide keren snel weer verder en verloor slechts twee plaatsen. Hij werd als vijfde afgevlagd. Coldenhoff zat de hele race tegen de top-tien aan, maar ging met nog dik een ronde te rijden onderuit, waardoor er voor hem niet meer dan de achttiende plaats in zat. Desondanks leidde Nederland nog steeds, nu met 34 punten. Op één punt volgden de Amerikanen en Australië stond derde met 39 punten, met net daarachter Frankrijk met 41 punten.
Nog net derde
Bij de start van de slotrace was het wel duidelijk welke landen om het podium zouden strijden, maar hoe hun onderlinge volgorde zou zijn? Belangrijk was betere uitslagen te scoren dan het slechtste resultaat tot dan toe, want dat zou dan het schrapresultaat worden.
Net als zo vaak in de GP’s was er kopstart voor Prado, maar de Spanjaard kon niet in z’n ritme komen en finishte uiteindelijk op een voor hem (en Spanje) uitermate teleurstellende veertiende plaats. Tomac voerde vervolgens zes ronden het veld aan, maar werd gepasseerd door Gajser en Jett Lawrence. Gajser leidde redelijk comfortabel, maar Lawrence was ontketend, kwam bij de Sloveen en nam de leiding over. Dat zinde Gajser niet en er ontspon zich een geweldige strijd. Gajser zette alles op alles en in de voorlaatste bocht kon hij de Australiër voorbijsteken. Wat was dit smullen voor het publiek.
Voor Nederland was de teamzege binnen een minuut al vrijwel zeker uit beeld. Herlings had weliswaar een goede start, maar Coldenhoff strandde op een drietal voor hem gevallen rijders. Bijna als laatste kon hij de race vervolgen. Coldenhoff is in de landenwedstrijd altijd een geweldige vechter. Dat was ook nu het geval, maar meer dan vijftiende plaats zat er voor hem niet in. Wel betekende dit dat zijn achttiende plaats van zijn eerste optreden het Nederlandse schrapresultaat was. Herlings reed een zeer regelmatige wedstrijd, nam geen enkel risico en kwam achter Gajser, Jett Lawrence, Tomac en Hunter Lawrence als vijfde over de finish.
Dankzij het sterke rijden van de broers Lawrence (ze werden eerste, tweede, vierde en achtste) ging de zege voor het eerst naar Australië. De Amerikanen (met Eli Tomac met een tweede en een derde plaats als beste rijder) behaalden het zilver. De derde plaats was voor Nederland. Met dank aan Febvre, die twee ronden voor het eind op de zesde plaats liggend ten val kwam en de race niet kon voltooien. Was Febvre zesde gebleven, dan was Frankrijk derde geworden. Individueel was Kay de Wolf de beste in de MX2, Tim Gajser in de MXGP en Jett Lawrence in de Open Klasse.
Hoe keken de Nederlanders terug op deze editie van de MXoN? De Wolf: ‘Ik ben enorm gelukkig. Het is mijn eerste podium in de MXoN en na de wereldtitel mijn tweede gouden plaat. Ik reed de hele dag erg snel, maar was in de tweede race niet constant genoeg. Twee keer vallen. Dat moet een volgende keer beter.’ Herlings: ‘Ik heb het goed gedaan voor het team, al is twee keer vijfde niet de uitslag die ik had willen behalen. In mijn eerste race ben ik na een val goed teruggekomen. De start in de tweede race was niet zo goed en aan de kop werd erg hard gereden.’ Coldenhoff: ‘Het was voor mij een moeilijk weekend. Ik reed niet al te goed in mijn eerste optreden en ging tegen het eind onderuit, waardoor ik geen goed resultaat neerzette. Ik wist dat ik er daarom in mijn tweede race voor moest gaan. Maar ja, toen raakte ik betrokken bij een valpartij. We haalden wel het podium en daar ben ik trots op. Het is ook het eerste podium voor Fantic. Dat hoop ik volgend jaar in de GP’s vaker te doen.’ KNMV-directeur Wim Mulder: ‘Ik ben tevreden. Met één punt los werd de derde manche wel heel erg spannend. Mooi dat we als derde zijn geëindigd. Daarmee zijn wij het beste Europese land.’
De kalender van de MXGP van 2025 is nog niet bekend, maar wel staat van enkele wedstrijden al vast wanneer ze zullen worden verreden. Het seizoen begint wederom in Argentinië, maar wel op een nieuwe locatie. In het weekend van 1 en 2 maart wordt er gereden in Cordoba, een stad 650 km ten noordwesten van de hoofdstaf Buenos Aires. Promotor Infront heeft een contact van drie jaar afgesloten met Cordoba.
Het seizoen 2025 wordt in het weekend van 20 en 21 september afgesloten in het noord-Australische Darwin. Het is de bedoeling dat er de komende vijf jaar in Darwin zal worden gereden. De voorlaatste GP is net als dit jaar in het Chinese Shanghai. De week daarvoor staat de Turkse GP in Afyonkarahisar op het programma.
MXoN naar USA, Frankrijk en Assen
Volgend jaar wordt het wereldkampioenschap voor landenteams verreden op de Amerikaanse Ironman Raceway bij Crawfordsville in de staat Indiana. Crawfordsville ligt op een uur rijden van het bekende racecircuit van Indianapolis. Er wordt in het eerste weekend van oktober gereden.
In 2026 gaat de MXoN wederom naar het Franse Ernée, waar de landenwedstrijd vorig jaar ook al werd gehouden. Ernée heeft een spectaculair circuit, waar het publiek vanaf een grote helling nagenoeg het hele circuit kan overzien.
Voor 2027 hebben zich twee landen aangemeld. Die lijken weinig kans te maken, want Infront heeft Lee van Dam benaderd om de MXoN voor de tweede keer (werd daar ook al verreden in 2019) op het TT Circuit Assen te organiseren. Van Dam heeft er wel oren naar, mede omdat subsidies van de provincie Drenthe en het ministerie van VWS geen probleem lijken te zijn.
YZ Yamaha bLU cRU FIM Europe Cup
In het bijprogramma van de MXoN wordt al enkele jaren de finale van de Yamaha bLU Cru verreden. Op zaterdagmiddag rijden de 65cc en 85cc, op zondagmorgen de 125cc. Per klassen komen een kleine veertig rijders aan de start, niet alleen Europeanen, maar er waren in Matterley Basin ook rijders uit Nieuw-Zeeland, USA, Argentinië, Canada, Japan en Israël. Uit Nederland waren er vier deelnemers, van wie Kay Zijlstra het beste resultaat boekte met de derde plaats in de 85cc. In die klasse werd Liam Gaasbeek 16e. Jann Huisman werd zevende in de 65cc, terwijl Rutger Boomsma in de 125cc niet scoorde.
Nederland niet bij Europese landenwedstrijd
Twee weken voor de MXoN werd in Roemenië de MoEN verreden, de Europese landenwedstrijd. Nederland liet daar verstek gaan. KNMV-directeur Wim Mulder verklaart waarom Nederland er niet bij was: ‘De in aanmerking komende rijders hadden geen interesse, want de laatste EMX-wedstrijd was een week later. Ze wilden geen risico lopen op blessures en wilden daarom niet naar Roemenië gaan.’ Een begrijpelijke keuze van de rijders, want Gyan Doensen en Cas Valk waren nog volop in de race voor een medaille. Mulder: ‘We hebben aangekaart bij FIM Europe dat de landenwedstrijd na de laatste EMX zou moeten worden verreden.’
Suzuki biedt voor modeljaar 2025 de V-Strom 800 en V-Strom 800DE aan met nieuwe kleuropties en accessoirepakketten. Beide motorfietsen zijn nu voorzien van een Euro5+ conforme 776cc paralleltwin motor. De prijzen blijven gelijk aan het voorgaande modeljaar.
Voor de V-Strom 800 zijn er drie nieuwe kleurstellingen: Metallic Oort Gray, Metallic Matt Black en Candy Daring Red. De V-Strom 800DE is beschikbaar in Champion Yellow, Pearl Tech White en Glass Sparkle Black, elk met aangepaste details en spaakwielen.
Klanten kunnen hun V-Strom verder personaliseren met het Adventure Pack, Black Rhino Pack of Touring Pack. Deze pakketten bevatten diverse accessoires zoals handkappen, een middenbok, zijkoffers, handvatverwarming, valbeugels en mistlampen.
De vernieuwde modellen zijn vanaf eind 2024 (V-Strom 800) en begin 2025 (V-Strom 800DE) te koop bij Suzuki dealers. Beide motorfietsen worden geleverd met 6 jaar fabrieksgarantie en pechhulp. De vanafprijs voor de V-Strom 800 is € 11.999,- en voor de V-Strom 800DE € 12.699,-.
KTM heeft meer details onthuld over hun nieuwe automatisch schakelende AMT-transmissie. Deze transmissie is in feite een twist-and-go systeem dat afhankelijk is van een elektronisch brein om te bepalen wanneer er geschakeld moet worden. De transmissie heeft een schakelpatroon van Neutraal-1-2-3-4-5-6 en kan handmatig bediend worden met een voetpedaal of paddle shifter op het stuur, zonder dat er een koppeling nodig is.
In de automatische modus kan de paddle shifter gebruikt worden om tijdelijk handmatig te schakelen. Het systeem heeft ook een kick-down functie voor extra acceleratie bij inhalen en een terugschakelfunctie door snel gas los te laten.
Motorfietsen met de AMT-transmissie hebben standaard rijmodi. In de automatische modus zijn er drie standen: Comfort, Street en Sport. Deze zijn gekoppeld aan de rijmodi voor optimale afstemming van de schakeldynamiek.
Hoewel meerdere fabrikanten aan vergelijkbare technologie werken, is dit een gedurfde stap voor KTM. Koppelloos motorrijden lijkt de toekomst te worden.
De Vanucci VAJ-5 is een hoogwaardige en veelzijdige motorjas voor mannen en vrouwen. Deze textieljas biedt zowel comfort als uitstekende veiligheid en is geschikt voor lange toertochten of dagelijks gebruik in uiteenlopende weersomstandigheden.
Dankzij het robuuste, elastische buitenmateriaal en het Sympatex-membraan is de jas wind- en waterdicht, terwijl deze toch ademend blijft. De uitneembare thermovoering maakt de jas geschikt voor zowel koelere als warmere dagen. Het AirVent-systeem zorgt voor goede ventilatie tijdens lange ritten.
De jas is aanpasbaar aan de lichaamsbouw door verstelbare delen in de taille, tailleband, mouwen en polsen. Er zijn waterdichte buitenzakken en documentenzakken voor extra opbergruimte. Vanaf maat 60 heeft de jas accordeonstretch aan de zijkanten voor meer bewegingsvrijheid.
De VAJ-5 voldoet aan de hoogste veiligheidsnormen met klasse AA-certificering volgens EN 17092:2020 en verwijderbare Level 2 4Sevn-beschermers op schouders en ellebogen. In hoogte verstelbare elleboogbeschermers en reflecterend materiaal verhogen de veiligheid verder.
De herenversie is verkrijgbaar in maten 48 tot 70 voor €499,99. Het damesmodel is beschikbaar in maten 34 tot 46 voor dezelfde prijs.
KTM heeft een ambitieuze planning voor de EICMA-beurs in Milaan van dit jaar. Na vijf jaar afwezigheid keert het merk terug met een indrukwekkend aanbod aan nieuwe technologieën en modellen voor 2025.
Een van de belangrijkste innovaties is de Automated Manual Transmission (AMT), die KTM beschouwt als het begin van een nieuw tijdperk in motortechnologie. Daarnaast introduceert KTM een groter 8,8-inch TFT-touchscreen met geavanceerde connectiviteitsfuncties.
KTM viert ook het 30-jarig jubileum van de iconische Duke-serie met de lancering van de 2025 KTM 990 Duke R. Hoewel de specificaties nog niet bekend zijn, is het model gebaseerd op de bestaande 990 Duke met een afgeleide van de LC8C-motor.
Op het gebied van off-road presenteert KTM geëlektrificeerde dirtbikes, waaronder de 2025 Freeride E en SX-E 5 minicycles voor jonge rijders. Daarnaast introduceert het merk de langverwachte 390 SMC R en 390 Enduro R.
KTM heeft duidelijk veel in petto voor de toekomst, met innovaties en nieuwe modellen voor zowel straat- als offroad-rijders. Het blijft afwachten of de nieuwe technologieën en modellen de hoge verwachtingen waarmaken.
De Diamond Atelier MK Race is een unieke track bike gebaseerd op het succesvolle MK II-model van het merk. Het project kwam tot stand in opdracht van een Engelse klant die een opvallende en stijlvolle motorfiets voor op het circuit wilde.
De MK Race combineert de ruwe geest van de autosport met het vakmanschap en de rebelse elegantie waar Diamond Atelier bekend om staat. Het ontwerp omvat een slanke halve kuip, een laag geplaatste brandstoftank en een achterkuip in de vorm van een wespenstaart. De op maat gemaakte lak en carbonfiber componenten geven de motorfiets een agressieve en exclusieve uitstraling.
Onder de slanke buitenkant schuilt een zwaar gemodificeerde motor, afgestemd voor circuitgebruik. Met een 1070cc-big bore kit, racezuigers, cilinders en Formule 1-grade coatings is de motor gebouwd voor betrouwbaarheid en prestaties. Een op maat gemaakte titanium uitlaat en geoptimaliseerde koeling completeren het geheel.
De ophanging en remmen zijn eveneens van topkwaliteit, met op maat gemaakte Wilbers-vering en Brembo GP4-RB-remklauwen. Unieke wielen met Pirelli slick-banden zorgen voor optimale grip op het circuit.
De MK Race is uitgerust met geavanceerde technologie, zoals een Starlane Corsaro II Pro GPS Laptimer voor het analyseren van de prestaties. Elk detail van de motorfiets weerspiegelt de toewijding van Diamond Atelier aan perfectie.
De MK Race vormt de basis voor een heruitgave van de Mark Series, waardoor binnenkort meer liefhebbers de kans krijgen om een deel van deze erfenis te bezitten.
Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden er in Italië veel nieuwe motorfabrikanten. Dit was een logisch gevolg van de grote vraag naar betaalbare vervoersmiddelen in het door de oorlog zwaar getroffen land. De meeste fabrikanten richtten zich op de productie van eenvoudige, lichte tweetaktmotoren. Slechts een paar kozen voor viertaktmotoren, waaronder Dr. Francesco Laverda uit Breganze. Hij stamde uit een familie van getalenteerde en innovatieve technici die op diverse technologische gebieden actief waren.
Francesco wilde een dienstfiets ontwikkelen die meer weg had van een motorfiets dan van een simpele bromfiets. Het motorblok moest efficiënt en gemakkelijk te onderhouden zijn, weinig brandstof verbruiken en bovenal innovatief zijn. In 1947 begon hij aan zijn ontwerp. Hij deed het niet alleen maar samen met de jonge Luciano Zen, een getalenteerd technicus die zijn leven lang bij Laverda zou werken en daar een prachtige carrière zou doormaken. In de jaren die volgden werden een aantal prototypes gebouwd die zorgvuldig getest werden door vrienden van Francesco. In 1950 was de machine zover klaar dat hij in productie genomen kon worden. Dat gebeurde onder de naam ‘Laverda’. Want op 13 oktober 1949 was ‘MOTO LAVERDA – Dott. Francesco Laverda S.A.S.’ als nieuwe onderneming officieel opgericht. Naast een heel lange en boeiende traditie in de ontwikkeling, bouw en succesvolle wereldwijde export van landbouwvoertuigen was een geheel nieuwe Laverda-onderneming geboren, die al heel snel van zich zou doen spreken!
1 van 6
De Laverda 75 aan de start van de Giro d’Italia in Bologna, 1954.
Luciano Zen (links) en Marcello Zen (rechts).
De Laverda 75cc-modellen waren de eerste motorfietsen die geproduceerd werden. Hier de 75 Turismo uit 1951.
Eind 1954 werden de Laverda 100- modellen geïntroduceerd. Hier de 100 Sport uit 1955.
Persintroduc-tie van de 100 Sport Lusso in 1957.
Francesco Laverda.
De swingende Tarantina
De eerste Laverda werd ‘Turismo’ gedoopt en was een wonderlijk mooi gebouwde 75cc-eencilinder viertakt. Hij woog slechts 65 kg en kon een topsnelheid halen van 70 km/u. Het kleine, netjes en doordacht gebouwde kopklepmotorblok had een bijna vierkante boring x slag van 46 mm x 45 mm en leverde een maximaal vermogen van 3 pk bij 5.200 tpm. In 1951 werd naast deze machine een sportiever broertje gezet, de ‘Sport’ en een jaar later werd de ‘Carenata’ geïntroduceerd. Dit model was uitgerust met een voller, plaatstalen frame maar was geen verkoopsucces. In 1952 werd ook nog een tweede Sport-versie geïntroduceerd. Een bijzonder sportief ogende machine, die al snel de bijnaam ‘Tarantina’ kreeg. Deze eervolle naam was te danken aan de eerste race-overwinning van Laverda in 1952, want Castellani wist de loodzware, ruim 1.400 km lange race Milaan-Taranto op zijn 75cc-Laverda winnend af te sluiten! Het zou niet de enige overwinning blijken te zijn die deze 75cc-machines en hun opvolgers binnen wisten te slepen. Na verloop van tijd werden bijna alle lange afstandsraces in die periode door Francesco’s machines beheerst, ze waren ongelooflijk succesvol in de racerij. Dit was voor Laverda erg belangrijk. Zij zagen het als de ideale manier om snel veel positieve publiciteit te krijgen, hetgeen de verkopen van het merk alleen maar ten goede kwam. Bovendien was het een ideale manier om de machines te testen. Laverda scoorde snel een lange rij overwinningen die er niet om loog. In 1951 deden vier Laverda Sport-machines mee in Milaan-Taranto, zij finishten respectievelijk op de plaatsen 4, 5, 6 en 10. Een goed debuut, maar dat het veel beter kon bewees Laverda een jaar later op indrukwekkende wijze. Milaan-Taranto van 1952 kende zestien Laverda’s bij de eerste twintig en de top vijf waren allen Laverda’s. Geen wonder dat de nieuwe Sport-versie uit 1952 de bijnaam Tarantina had gekregen…
Maar ook in de Motogiro d’Italia deed de nieuwe Laverda het uitstekend. In de 3.049 km lange race van 1953 won Guido Mariani zijn klasse met een gemiddelde snelheid van ruim 81 km/u. Er zaten maar liefst zes Laverda rijders bij de eerste tien! In de jaren die volgden bleven de successen met de 75cc-modellen en zijn grotere broers binnenstromen in vele lange afstandsraces en de kleinere en grotere Italiaanse wegraces voor zowel professionals als amateurs. Uit radeloosheid besloot de Laverda-oppositie uiteindelijk om echte wegracers tegen deze overmacht in te zetten, overigens tot groot ongenoegen van de fabriek uit Breganze. Maar hun motorfietsen bleken toch uitstekend tegenstand te kunnen bieden, niet zozeer op snelheid, wel op betrouwbaarheid. Als je een race wilt winnen, dan moet je hem natuurlijk wel eerst uit kunnen rijden… Ook in de terreinsport deed Laverda het erg goed. In 1955 werd bijvoorbeeld de prestigieuze en erg zware driedaagse Valli Bergamasche-enduro gewonnen door Guido Benzoni. Hij schreef hierdoor tevens het Italiaanse Kampioenschap in het enduro-tijdrijden op zijn naam.
Het was duidelijk dat Laverda het uitstekend deed. Zo goed zelfs, dat de fabriek de stijgende vraag naar nieuwe motoren niet bij kon houden. Dit had ook te maken met het nieuwe Sport-model dat in 1953 geïntroduceerd werd. Die had een klassiek buizenframe en een wat bewerkt motorblok met een vermogen van 4 pk bij 6.500 tpm. Groot pluspunt was het uiterlijk. Het was een buitengewoon rank en fraai vormgegeven motor geworden. Zelfs de sober uitgevoerde ‘Normale’-versie zag er erg goed uit.
In 1954 werd een 100cc-versie geïntroduceerd op de show van Milaan. Het racedebuut had deze machine toen al achter de rug, met de eerste zeven plaatsen in Milaan-Taranto en de eerste negen plaatsen in de Motogiro! In de jaren die volgden kwamen er verschillende versies van de 100 cc op de markt, waaronder ook een enduro. De modellen werden zowel op motorisch – als cosmetisch vlak door de jaren heen steeds verder gemodificeerd.
In 1958 kwam de ‘Laverdino’ op de markt. Dit was een volwassen ogende 48cc-viertakt bromfiets met de impopulaire fietspedalen die in een Sport -en een Turismo-uitvoering leverbaar werd. De machine ging gebukt onder het voornemen van de Italiaanse regering om een nieuwe wegenverkeerswet aan te nemen. Een onderdeel van deze wet waren de verruimde technische eisen waardoor fietspedalen op een bromfiets voortaan overbodig werden, tegelijkertijd werd de maximumsnelheid teruggebracht naar 40 km/uur.
Laverda begreep dat het geen goed idee was om de Laverdino verder te ontwikkelen, maar in te spelen op de nieuwe mogelijkheden die deze nieuwe wet bood. Uiteindelijk werd de nieuwe wet op 15 juni 1959 officieel bekrachtigd, waarna Laverda in 1960 haar nieuwe 49cc’Mini Scooter’ op de markt bracht. Er waren geen nummerplaten meer nodig en een rijbewijs was niet noodzakelijk, waardoor de Mini Scooter direct een succes werd. Het model was voorzien van een 49cc-kopklepmotorblokje met een boring x slag van 40 mm x 39 mm. Er was een tweeversnellingsbak aan boord. De ranke scooter woog slechts vijftig kilo en reed 1:80! In 1961 werd een vernieuwde versie geïntroduceerd met een drieversnellingsbak en een 49cc-blok dat afgeleid was van dat van de Laverdino uit 1958. Later werd ook nog een 60cc-versie leverbaar voor de Engelse markt.
1 van 8
Laverda’s eerste tweecilinder was de Bicilindrico 200 die in 1961 debuteerde.
De 49cc viertakt Laverdino Turismo uit zijn introductiejaar 1958.
De Laverda-fabriek in Breganze toen uitsluitend nog agrarisch materieel gemaakt werd. De foto dateert uit 1920.
Een nieuwe 125cc ééncilinder modellenlijn werd onthuld op de Show van Milaan van 1965. Afgebeeld is de Trail America. Het vermogen was 11pk.
De agrarische tak van de Laverda fabriek in 1960 laat de typische productiefaciliteiten uit die periode zien.
Dankzij de zware 650cc en 750cc parallelle twins raakte Laverda bekend bij het grote publiek. In 1968 werd de productie opgestart. De opbouw van het blok is goed te zien.
De 49cc Mini Scooter uit 1960.
In 1961 reden Massimo Laverda (rechts) en Lino Marchi van Italië naar Engeland met de nieuwe Miniscooter om het model naamsbekendheid te geven. In Londen werden ze onthaald door Francesco Laverda (rechts).
De eerste Bicilindro
Rond deze tijd trad Massimo Laverda voor het eerst wat meer in de publiciteit. Hij was de eerste zoon van Francesco. Na hem volgden nog zes zussen en een broer, Piero Antonio. Tijdens zijn jeugd was Massimo veel in de Laverda-fabriek te vinden en hij ontwikkelde al vroeg een grote passie voor het motorrijden. Die passie kwam ondermeer tot uiting in 1961. Samen met Laverda-testrijder en coureur Lino Marchi maakte Massimo in maart en april van dat jaar met de nieuwe Mini Scooter een reis van Italië naar Engeland. De Brenner-pas werd moeiteloos overgestoken met deze kleine scooter. Het was een reis die de betrouwbaarheid van de nieuwe machine moest bewijzen, naast hem meer bekendheid te geven. De trip naar Engeland was wat dat betreft een succes.
In 1961 werd de 200cc-Bicilindrico geïntroduceerd, maar het zou tot 1962 duren voordat de productie opgestart werd. In een dalende markt van motorverkopen was de introductie van deze machine een moedige zet. Zoals de naam doet vermoeden is het 199,53 cc metende viertakt voorzien van twee cilinders. De Bicilindrico had een vierversnellingsbak, leverde een vermogen van 11 pk bij 6.500 tpm en was goed voor een topsnelheid van 110 km/u. Dit model bleef tot 1976 in vele uitvoeringen op de markt en werd met behoorlijk succes naar Amerika geëxporteerd. In 1962 kwam ook een flink doorwerkte versie van de Mini Scooter op de markt.
In 1964 werd op de motorshow van Milaan ook een noviteit gelanceerd door Laverda, namelijk de 49 cc Laverdino 2T. Een bijzonder rank en licht gebouwde bromfiets die slechts 32 kg woog! In tegenstelling tot de Laverdino uit 1958 was de 2T uitgerust met een 47,8 cc tweetakt. Daarmee was het de eerste Laverda-tweetakt tweewieler. Het mooie motorblokje had een boring x slag van 40 mm x 38 mm en een vermogen dat net onder de 1,5 pk lag. Het verbruik lag met 1:65 heerlijk laag. Deze bromfiets was zonder meer een noviteit in die tijd, hij had een upside-down voorvork, plastic brandstoftank, plastic kettingscherm en plastic magneetontstekingsdeksel. Maar vooral opvallend waren de (mechanisch bediende) schijfremmen voor en achter!
Het jaar 1964 zou een belangrijk jaar worden voor Laverda. Francesco trad af als ‘Direttore Generale’ en benoemde Massimo tot zijn opvolger. Francesco bleef nog wel actief. Hij kende de talenten van zijn zoon erg goed en vond de tijd rijp om het roer over te dragen. Dat jaar ging Massimo drie weken op reis naar Amerika, waar hij kennismaakte met de marketingcampagne van Honda. Hij leerde veel over deze succesvolle wijze van motoren aan de man brengen en hoe als fabrikant te reageren op marktbewegingen.
Op de show van Milaan in 1965 introduceerde Laverda een nieuw model met een fraai ontworpen, compact en vrijwel horizontaal liggend eencilinder motorblok met een inhoud van 123,2cc. De boring x slag was 56 mm x 50 mm en de compressieverhouding 9,8 : 1. Het vermogen van de Regolarita lag met 11 pk bij 9.200 tpm niet echt laag en de topsnelheid van 118 km/u mocht er zeker zijn. De motor was leverbaar in diverse uitvoeringen waaronder een Trail-uitvoering met een verstevigd frame. Dit ontwerp was ook nog in een 150cc-versie leverbaar, speciaal bedoeld voor de Engelse en Amerikaanse markt. Bijzonder was de latere Regolarità Corsa 125cc. Deze heuse fabrieksenduro werd in twee versies gebouwd, de tweede versie was voorzien van een vijfversnellingsbak en leverde net als de eerste versie een vermogen van 12 pk bij 10.000 tpm.
Uit gesprekken die Massimo gevoerd had tijdens zijn reis naar de V.S. in 1964 met Amerikaanse motorimporteurs en nogal wat Amerikaanse motordealers en journalisten, bleek dat er een grote vraag bestond naar grote, zware motorfietsen. Motoren die als hobby-object bereden konden worden en die niet zozeer ontworpen waren voor dagelijks transport. Motorrijden uit sportieve vrijetijdsbesteding, dat was het idee. In Europa en voor een groot deel ook in Amerika werd die markt goed bediend door de Engelse motormerken, in Amerika was Harley-Davidson ook enorm populair. Massimo was van mening dat er in het zware marktsegment ook een plaats voor Laverda was. Mits de machine gebruiksvriendelijker en betrouwbaarder zou zijn dan zijn Engelse concurrenten…
In die periode waren het Italiaanse leger en politie op zoek naar een opvolger van de op dat moment verouderde 500 cc Moto Guzzi Falcone. Er was een lijst met eisen opgesteld en een verzoek bij de Italiaanse motorindustrie neergelegd om een nieuwe machine te ontwikkelen die als de nieuwe standaard Italiaanse politie- en militaire dienstfiets zou gaan fungeren. Het verzoek werd serieus opgepakt, want in een tanende motormarkt kon dit de redding betekenen van de motorfabriek waarop de keus zou gaan vallen.
Ducati had reeds de 1257 cc metende V4 Apollo ontwikkeld, Benelli, M.V. Agusta en Moto Guzzi gingen hun eigen weg en ontwikkelden respectievelijk een 650cc-parallelltwin, een 600cc-viercilinder en een 700cc V-twin. Deze laatste werd uiteindelijk verkozen en Guzzi liet niet na om een civiele versie te introduceren die uiteindelijk tijdens de show van Milaan van eind november 1965 geïntroduceerd werd. Deze machine was de ster van de show en werd uitermate positief onthaald. Ook in Amerika ontstond direct een grote vraag naar deze motorfiets, met name bij de politie.
Door al deze ontwikkelingen werd het Laverda duidelijk dat er een markt groeiende was voor zware motoren. Na enige twijfel groeide de overtuiging dat een zware machine toch wel goed aan de man te brengen was en in april 1965 werd aan de ontwikkeling van de nieuwe machine begonnen. Als basis werd de 305cc-Honda CB77 Super Hawk twin gebruikt. Dat kwam omdat deze machine destijds enorm populair was en er in Amerika letterlijk gevraagd was om een grotere uitvoering van deze machine. Laverda schafte zich een exemplaar aan via de Zwitserse importeur voor een zorgvuldige analyse. Na achttien maanden hard werken was het eerste prototype klaar. De gelijkenis met de Honda was opvallend, maar er waren voldoende verschillen om niet van een kopie te spreken. Het was een indrukwekkend ogende, maar toch sierlijke motorfiets. Het machtige 360 graden motorblok had twee licht vooroverhellende cilinders. Iedere cilinder had een boring x slag van 75 mm x 74 mm. De cilinderinhoud was 653,8cc. Tegelijkertijd werd een 750cc-versie ontwikkeld, met een boring x slag van 80 mm x 74mm, goed voor een cilinderinhoud van 743,92cc. Karakteristiek was de voor het motorblok geplaatste dynamo. De aandrijving werd netjes afgeschermd door het rechter carterdeksel. Een spanbare duplex-nokkenasketting dreef midden tussen de twee cilinders de twee bovenliggende nokkenassen aan. De twee kleppen per cilinder stonden onder een hoek van 70 graden. Een primaire triplexketting dreef de vijfversnellingsbak aan. De nieuwe Laverda zat erg goed in elkaar. Laverda was duidelijk niet over één nacht ijs gegaan. De kritieke onderdelen in het motorblok waren overbemeten. Het was duidelijk een machine die ontwikkeld was met betrouwbaarheid als uitgangspunt.
Tijdens de Londense Earls Court Motorshow in november 1966 werd een 650-prototype tentoongesteld. Vergeleken met zijn Engelse concurrenten was het een opzienbarend moderne machine en ook nog eens eentje die je niet aan hoefde te trappen. Hij sloeg in als een bom en al tijdens de beurs werden de eerste orders geplaatst. Dit was wat voorbarig, want het prototype was nog niet productierijp. Het zou tot 1968 duren voordat de nieuwe 650 zover was dat hij in productie kon gaan.
Voordat die ook daadwerkelijk opgestart werd, besloot Laverda om vier 650cc- en 750cc-prototypes in te schrijven voor de Motogiro d’Italia van 1968. Een betere manier om de betrouwbaarheid van de nieuwe machine publiekelijk te testen was er niet. De berijders Dossena, Gorini, Passerini en Laverda-testrijder Rizzitelli kregen strikte orders om koste wat kost de race uit te rijden. Hoewel de Motogiro beter geschikt was voor kleine, lichte motorfietsen die erg handelbaar waren, deden de zware Laverda’s het uitstekend. Dossena won zijn klasse en de overige drie eindigden ook bij de eerste tien!
1 van 3
Een Laverdino uit 1963, het viertakt motorblok was vervangen door een tweetakt. Opvallend is de schijfrem in het voorwiel. Een noviteit!
Laverda reclameposter uit de periode 1920-1930.
Nog zo’n prachtige poster.
De SF(C)-jaren
Op 16 mei 1968 was het eindelijk zover: de productie van de 650cc- en 750cc-twins werd opgestart. Slechts 52 exemplaren van de 650 werden geproduceerd voordat de 750cc-versie het stokje definitief overnam. De 750 GT had een motorblok met een cilinderinhoud van 743,9cc. Vergeleken met de 650 was de boring 5mm groter en lag op 80 mm. De compressieverhouding was 8,9:1. Laverda claimde voor deze machine een vermogen van 52 pk bij 6.900 tpm en een topsnelheid van 184 km/u. Net zoals de 650 was de afwerking voor die tijd uitstekend. Laverda had prima componenten uitgekozen, er was veel Bosch-elektra op terug te vinden, Smiths-tellers, Grimeca-remmen en de Ceriani-voorvork was ook al een prima keuze. De 750 werd uitstekend ontvangen, hoewel Laverda ook veel kritiek te verduren kreeg omtrent het Honda-uiterlijk van het motorblok. De kritieken verstomden echter snel toen bleek dat het publiek de Laverda wel op waarde wist te schatten. De verkopen liepen vanaf het begin af aan erg goed, wereldwijd was er belangstelling voor de nieuwe 750.
Het duurde natuurlijk niet lang of de GT kwam ook in Amerika op de markt. Laverda werkte hiertoe samen met McCormack International Motors in Santa Ana, Californië. Onder de naam ‘American Eagle’ werden ze aan de man gebracht en kregen ze een positief onthaal. Zelfs Evel Knievel heeft ze nog gebruikt voor zijn motorstunts.
Al snel werden er met de nieuwe Laverda’s geracet, zeker toen in 1969 de 750 S geïntroduceerd werd. Deze machine leverde een vermogen van 60 pk bij 6.900 tpm. De 750S kwam op een goed moment, want in 1968 had Honda de CB750 geïntroduceerd op de Tokyo Motorshow. In 1969 werd deze machine in Amerika als eerste op de markt gezet. Met een grote dreun veranderde Honda’s hypermoderne viercilinder de markt en bracht menige motorfabrikant in behoorlijke problemen. Maar niet Laverda. Hun 750S hield zich prima staande tegenover de CB en dat was geen wonder gezien zijn kwalitatief hoogwaardige opbouw.
Vooral in de lange afstandsraces deden de Laverda’s het goed vanwege hun sleutelvriendelijkheid en betrouwbaarheid. Het Nederlandse Oss werd al snel een populaire bestemming voor vele Laverda-rijders. Tijdens de 24 uursrace van Oss in juni 1969 schreef Laverda zich in met drie 750S-racers. Samen met Brettoni bereed Massimo Laverda ook één van deze machines. Ze finishten als vierde. In 1970 werd de 24 uur van Oss gewonnen door Brettoni en Dossena. En daar bleef het niet bij. Tweede werden Hutten en van der Wal en derde Somers en de Laat. De trend was gezet, vele nationale en internationale races werden gewonnen door een keur aan Laverda-rijders.
Grote successen volgden toen in 1971 de beroemde SFC 750 uitkwam. Deze machine was een echte productieracer, ontdaan van zware extra’s woog hij net over de 200 kg. Hij was voorzien van een 25 liter grote brandstoftank en een eenpersoons racezitje. Hij leverde een vermogen van 72 pk en kon dankzij de tophalf een topsnelheid halen van ruim 220 km/u. Direct werden er met de SFC races gewonnen. Langeafstandsraces in Imola, Modena, Monza werden allen winnend afgesloten en ook internationaal ging het prima. De 24 uur races in Oss, Montjuïc (Barcelona-Spanje), Zeltweg werden allen gewonnen door SFC’s en in de Bol d’Or werd zelfs een tweede plaats bereikt. In de jaren die volgden bleef het lastig voor de concurrentie om de SFC te verslaan, maar in 1976, toen de laatste SFC 750’s geproduceerd werden, kon hij niet echt goed meer op tegen met name de Japanse concurrentie. De SFC 750 is zonder twijfel de meest beroemde Laverda-twin die ooit geproduceerd is. Er zijn er minder dan zeshonderd geproduceerd in drie verschillende uitvoeringen. Toekomstige wereldkampioenen zoals Marco Lucchinelli, Virginio Ferrari en Franco Uncini hebben allen ooit triomfen gevierd met de SFC 750. Maar ook berijders zoals Brettoni, Dossena en Gallina waren erg succesvol.
De SFC was afgeleid van de 750 SF, die in 1970 geïntroduceerd werd en de opvolger was van de 750 S. De benaming SF staat voor ‘Super Freno’, vanwege de nieuwe, dubbel bediende remtrommels die een vergrote versie van de trommels van de 200 cc waren. De SF was op meer punten verbeterd ten opzichte van de S. De SF zou een bestseller blijken, net zoals zijn opvolgers de SF1 (1972), de SF2 (1974) en de SF3 (1976). De S en de SF waren met name in de Benelux erg populair, in het begin van de jaren 70 was Laverda koploper in de markt. In 1975 wordt ook de GTL geïntroduceerd. Dit model was afgeleid van de GT, maar had een vloeiender uiterlijk. Hij was ontworpen door Giancarlo Daneu. De politieversie van de GTL vond echter meer aftrek dan de civiele versie.
De 750cc serie was bijzonder populair, maar Laverda was al snel na zijn productieaanvang bezig met een nieuw model. Er was een wereldwijde markt voor nog zwaardere motorfietsen en Laverda was van mening dat de 750 als opstapper kon dienen naar een nog zwaardere 1000cc-machine. Marktonderzoek had dit bevestigd. Het was bekend dat ook Honda aan een nieuwe ‘worldbeater’ werkte en geruchten gingen dat Kawasaki aan een geweldenaar werkte. Laverda wilden simpelweg geen marktaandeel aan de Japanners verliezen. Daarover gaat deel 2 van de Laverda-historie, waarin de modellen van de jaren 80 en 90 aan bod komen.
De Laverda Super Falco F8L. Dit vliegtuig was erg succesvol in de vliegsport en stond bekend als de “Ferrari van de lucht”. Het Amerikaanse Sequoia Aircraft maakt nog steeds bouwkits van dit vliegtuig.
Na jaren van afvragen waarom er geen Yamaha R9 sportmotor was, is het wachten voorbij – ze hebben vanmorgen de nieuwe motor aangekondigd. En het is niet gewoon een naked met een kuip erop geplakt. Deze motor is vanaf de grond af ontworpen als een echte sportmachine.
Laten we beginnen met de motor. De R9 heeft dezelfde 12-kleps driecilinder CP3 als de MT-09, XSR900, enzovoort; echter, Yamaha heeft de ECU bijgewerkt om de afstemming te veranderen, een grotere radiator toegevoegd voor betere koeling en de grootte van het achtertandwiel verkleind om de nadruk te leggen op toeren boven koppel. Natuurlijk is er een Inertial Measurement Unit die een elektronica-pakket beheert – bochtsensitieve tractiecontrole, ABS, slide control en wheelie control zijn allemaal standaard, samen met een up/down quickshifter. De motor heeft standaard vijf rijmodi: Street en Rain voor de praktisch ingestelde rijders, Track en Sport voor wie meer prestaties zoekt, en een Custom rijmodus die door de gebruiker kan worden geprogrammeerd. Gasrespons en feedback van de veiligheids elektronica zijn allemaal gekoppeld aan deze modi.
Geclaimde output is 117 pk bij 10.000 tpm en 93,3 Nm-koppel bij 7.000 tpm. Die cijfers herinneren ons eraan dat dit een sportmotor is, gebouwd rondom een voor de straat afgestemd blok.
Dat is allemaal bekend. Wat we nog niet hebben gezien, is een volledig nieuw Deltabox-frame, ontwikkeld vanaf nul in plaats van het frame van de 900-serie nakeds te recyclen. Yamaha zegt dat dit het lichtste frame is dat ze ooit hebben aangeboden op een Yamaha supersport, en dat het bijna een perfecte 50-50 gewichtsverdeling heeft.
1 van 6
De ophangingen zijn gebouwd door KYB, met een 43 mm usd voorvork die verstelbaar is voor voorbelasting, compressie en rebound-demping. Hetzelfde geldt voor de achterkant, met een KYB-schokdemper achter. De voorvering heeft een veerweg van 119,4 mm; de achtervering heeft een veerweg van 116,8 mm.
De voorremmen zijn afkomstig van Brembo, met vierzuiger Stylema-remklauwen gekoppeld aan 320 mm schijven. Er is een enkele 220 mm schijf achter.
Tel alles bij elkaar op, en je hebt een interessante nieuwe motor die gebouwd is voor straatgebruik, maar ook duidelijk veel plezier op de baan kan bieden met weinig aanpassing. Geclaimd nat gewicht is 195 kg; verwacht meer details in de komende weken. De Yamaha R9 komt in maart 2025.
Net als olie in je blok zorgen cookies ervoor dat alles soepel loopt. We gebruiken ze om de website goed te laten werken en je de beste ervaring te bieden. Door verder te gaan, geef je toestemming voor het gebruik van cookies.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.