Eén van de eerste coureurs die een onuitwisbare indruk op mij achterliet was de weergaloze Steve Baker. Hij groeide op in Bellingham, een fraaie havenstad in de Amerikaanse staat Washington met, hoe toepasselijk kan het zijn, Mount Baker als achtergrond. Vandaar was het een steenworp afstand naar Canada. Voor Baker kwam dat goed uit, want in de vroege dagen van zijn carrière begin jaren ‘70 reed hij heel veel races in Canada. Door zijn enorme talent werd hij al snel ingelijfd door Yamaha Canada.
In 1976 introduceerde Yamaha de OW31 oftewel de YZR750. De motor was ontwikkeld voor het Formula 750 wereldkampioenschap en de Amerikaanse Daytona 200 mijlsrace. Ruw gezegd had de Yamaha het motorblok van de OW29 viercilinder uit 1975, maar dan in 748cc-uitvoering. Karakteristiek waren de drie laagliggende expansie-uitlaten in combinatie met de enkele hoogliggende. Het rijwielgedeelte was gebaseerd op dat van de YZR500 OW23. De OW31 was een beest van een motorfiets, in 1976 hadden slechts vijf rijders de beschikking over dit kanon: Kenny Roberts, Johnny Cecotto, Giacomo Agostini, Hideo Kanaya en…. Steve Baker. De combinatie OW31 en Steve Baker is wat mij betreft één van de meest spectaculaire die de motorwereld ooit heeft gezien.
Ivar Paolo Trespidi: het enige Argentijnse wereldsnelheidsrecord uit de motorhistorie
Achterband aan vellen
Een zwaar oververmogend motorblok in een onderbemeten rijwielgedeelte, dankzij de recente introductie van de kleverige slicks in die dagen kon die machine daadwerkelijk op de wielen gezet en bereden worden. Maar die banden bleven niet lang heel op deze woeste machine. Dat werd ook duidelijk in maart 1976 tijdens de Daytona 200. Baker, Roberts en Kanaya gingen van start met de OW31, Ago nam niet deel aan de ‘200’ dat jaar. Baker viel uit door een vastloper in de tiende ronde. De achterband van de OW31 had waanzinnig zwaar te lijden onder het woeste motorvermogen. Kanaya en Roberts hadden geen andere keus dan halverwege de race de banden te verwisselen en eindigden daardoor de race als zevende en negende. Roberts had zelfs een klapband gehad en had daarna veel moeite de pits binnen te komen. De achterbanden waren werkelijk volledig aan gort gereden. Ook de legendarische Cecotto kreeg wanhopige signalen uit de Yamaha USA-pits om binnen te komen voor een bandencontrole. Maar de temperamentvolle Venezolaan negeerde de pitsborden en wist met bovenmenselijke krachten de afgrijselijk dweilende OW31 als eerste over de meet te drukken. Zijn achterband lag volledig aan vellen, het loopvlak had blaren, gaten en op sommige plekken was het karkas zichtbaar. Dat hij de race uit had kunnen rijden was een waar wonder.
Ontstellende race
Het verhaal van Daytona ging in 1976 als een lopend vuurtje rond. Dus toen bekend werd dat de OW31 ook op het circuit van Mallory Park in actie zou komen tijdens de beroemde ‘Race of the Year’-races nam mijn vader snel het besluit om daarnaartoe te gaan. Zeker omdat ook Steve Baker aan de start zou komen op dat korte, bochtige, draaierige circuit. Het was een kans deze schitterende machine in actie te zien, met Baker als berijder was dat de oversteek waard omdat Mallory erg toegankelijk is en je vrij dicht op de baan de races kunt volgen. Ik mocht mee en zou geen nacht rustig meer slapen tot het zover was.
Na een redelijk korte reis kwamen we aan op het circuit, niet al te ver van de stad Hinckley waar Triumphs wederopstanding plaatsvond. In het rennerskwartier van Mallory stond de OW31 te pronken, met nog nieuwe banden. Steve Baker was er ook, eindelijk stonden we oog in oog met de wonderjongen uit de Canadese motorracerij. Ondanks zijn 23 jaar zag hij eruit als een jongetje van een jaar of 12 en had hetzelfde postuur. Toen ik hem schoorvoetend om een handtekening vroeg, had ik het idee dat het een klasgenootje van me kon zijn. Hij krabbelde hem rustig neer met een leuke boodschap en gaf me een paar schouderklopjes. Ik kan ze nog voelen.
De race was ontstellend, echt ontstellend. Baker zette in de uiterst korte hairpin van Mallory zijn 750cc-tweetakt gewoon dwars. Je zag zijn rechterhand spelen met het remhendel en het gas, met het achterwiel zwaar driftend joeg hij de OW er gewoon half om zijn as doorheen. Je kon in die bocht letterlijk eventjes blauwe rook van zijn rijspoor ontwaren, terwijl Baker alweer door de volgende bocht joeg. Je kon horen hoe het motorblok van de Yamaha even in toeren klom, iedere keer als hij weer wijd ging door een overmatig glijdende achterband. Met wobbelend geweld kwam de motor daarna weer tot zijn zinnen, Baker moest zijn hele lichaam gebruiken om de motor in bedwang te houden, op geen enkel moment stonden het voorwiel en het achterwiel in lijn met elkaar. Schakelen ging gepaard met halve wheelies, soms zelfs schuin driftend uit een bocht, met Baker als een acrobaat die uit alle macht zijn machine in bedwang probeerde te houden. Ik stond met open mond te kijken. Met trillende handen pakte ik de stopwatch uit mijn zak en drukte hem in toen Baker vlak voor ons langs joeg. Precies 48 seconden later drukte ik hem weer opnieuw in. Destijds had nog nooit iemand zo onaards snel een ronde op Mallory afgelegd. Dit was in 1976. Pas zo’n twintig jaar later zouden de meeste toprijders daar weer in de buurt komen… Er is wat mij betreft geen enkel ander beeld dat de jongensachtige uitstraling van Steve Baker meer recht doet dan deze foto. We zien hem even heerlijk gapen, vlak voor een lange race op het Road Atlanta-circuit bij Braselton (Georgia) op 1 juni 1974. Ook daar reed hij de sterren van de hemel.
Foto: Archives A. Herl










