Col de l’Isèran: de oud-kampioen op 2.770 meter

De Col de la Bonette claimt de hoogste geasfalteerde Alpenpas te zijn, maar bij de Col de l’Iseran vinden ze dat de Bonette vanuit buitenspelpositie heeft gescoord. En daarom schrijven ze in hun brochures dat de Col de l’Iseran met zijn 2770 meter de hoogste is. Dat hou je toch, het eeuwige geklaag van mensen wier col tweede is geworden. Maar toen de pas in 1937, na zes jaar bouwen, officieel in gebruik werd genomen, was het wel de hoogste en dat zou 24 jaar lang zo blijven.

De Col de l’Isèran loopt van Bourg St. Maurice (840 m) naar Lanslebourg (1399 m) en heeft een lengte van 83 km. Maar het interessante deel – de ruige hooggebergte passage – zit tussen de wintersportplaatsen Val d’Isère (1840 m) en Bonneval-sur-Arc (1835 m) en meet 31 km. Dus laten we daar beginnen.

Het oude en tegelijkertijd moderne Val d’Isère is zo chique dat zelfs de eigenaar van het plaatselijke motorhotel meer doet denken aan een dure dameskapper denken dan aan een motorrijder. Aan bijna alle kanten is het mondaine plaatsje ingeklemd door magnifieke bergen. Als je door de hoofdstraat – met gerenoveerd centrum – in oostelijke richting omhoog kijkt, zie je waar je na 10 km rijden op uitkomt.

Na Val d’Isère volgt de weg een tijdje de Isère, die hier langs sappige Alpenweiden langzaam omhoog gaat. Wanneer het dal lijkt dood te lopen, steekt de weg de rivier over en klautert hij langs de steile bergwand naar boven. Daarvandaan heb ik het ene na het andere prachtige uitzicht op het skidorpje dat ik achter me liet. Nog een paar koeien kom ik tegen en dat is het gedaan met de lieflijkheid. Kilometers lang rijd ik door kaal gesteente met hier en daar de ornamenten van een oude bergpas: stenen muurtjes aan de bergkant en bij wijze van vangrail grote keien aan de dalkant. Op asfalthoogte zie ik ook nog wat plakjes sneeuw die de felle augustuszon hebben overleefd. Die ben ik in een hele week passenrijden door de westelijke Alpen nog niet tegengekomen.

Maanlanding

In de tweede week van juni gaat de pas, na drie weken bulldozeren, open. Goede kans dat je dan tussen de hoge sneeuwwallen moet rijden. Zelfs in juli kun je hier nog in winterwonderland terecht komen, zoals de Tourkaravaan in 1996 merkte, toen de col wegens zware sneeuwstormen uit de etappe werd geschrapt – net als de Galibier (2645 m) trouwens.

Bovenop de col wacht een weids plateau met een herberg en een kerkje, die ongeveer net zo oud zijn als de weg. De herberg is al die tijd in handen geweest van de familie Machet, van wie ik de blonde Sylvie in het bijbehorende souvenirwinkeltje aantref. Het robuuste kerkje heeft geen pastoor, dus eigenlijk is het een kapel. Maar dat is nog altijd meer dan het simpele kruis of bidkastje waar de meeste passen het mee moeten doen. Het geeft nog maar eens aan wat voor waarde er werd toegekend aan de col. Het was dan wel geen landing op de maan, maar veel scheelde het niet. Niet voor niets werd de officiële opening van de Col de l’Isèran verricht door de toenmalige Franse president Albert Lebrun.

Ander tijdperk

Twee kilometer na de top loopt de weg door een nauwe doorgang naar de zeer groene Haute Maurienne-vallei. Langs de steile hellingen ruimen ze hier in juni niet alleen sneeuw, maar ook keien zo groot als topkoffers. In de mooie afdaling, met zicht op de glinsterende gletsjers (tot 3750 m) aan de overkant van het dal, lijk ik een ander tijdperk in te glijden. Ik ga over een stenen boogbrug langs oude muren, onder me zie ik scheve huisjes met leistenen daken. Een grote familie, inclusief jonge kinderen, haalt op de wei hooi met vork en kar binnen.

Nog ouderwetser lijkt Bonneval sur Arc, het dorpje aan het einde van het steile deel van de pas. Bonkige Asterix-huisjes aan nauwe straatjes, waar boerenzoons bezig zijn hooi op de bovenste verdieping van een huis te laden. De balkons onder de overhangende daken werden kortgeleden gebruikt om mest te drogen, die s’ winters in de kachel ging. Geitenkuddes trekken nog regelmatig door de steegjes. Van elektriciteits- of telefoonkabels is geen spoor te zien. Het is alsof je via de col een tijdreis hebt gemaakt. Maar dan moet je natuurlijk niet naar boven kijken, naar de skiliften, hotels en luxe chalets, want dat verstoort die prettige illusie.

Een mooie col met geschiedenis dus. En met veel motorrijders en wielrenners.