dinsdag 5 mei 2026
Home Blog Pagina 1332

Kawasaki Versys 650 2015

0

Ik ben zojuist onder de rook van vulkaan Etna doorgevlogen en geland op het Italiaanse eiland Sicilië. Dat betekent zoveel als waardeloos asfalt, gevaarlijke gekken op de weg en met een beetje mazzel een prachtig zonnetje. Prima plek te maken met de nieuwste generatie Kawasaki Versys 650, de derde generatie Versys alweer. Die overigens niet bekend staat als een rijdende vulkaan, maar meer een fijne allemansvriend. Eens kijken of’ie die status nog steeds verdient.

Annemiek van der Kolk

De allereerste Versys werd door Kawasaki op de wereld gezet in 2007 en generatie twee volgde drie jaar later in 2010. De Versys 650 is altijd een ranke en slanke motor geweest. Handig ontworpen en mooi compact, dankzij een staande tweecilinder als krachtbron. De vorige Versys zag er dan ook prima uit: twee koplampjes boven elkaar, vrolijk van kleur en hoog op de poten.

Inmiddels heeft de Versys een heuse facelift ondergaan en is’ie nog steeds leuk om te zien. Het frame is overgenomen van de eerste generatie Kawasaki ER6N. Je herkent het direct aan de achterschokbreker, die diagonaal uit het midden is gepositioneerd, aan de rechterzijde van de motor. De richting van de veer loopt mooi mee in het verlengde van het frame, een fraai detail.

Tsuyoshi Shibata is de Japanse productplanner van Kawasaki. Shibata is uitgedost met lange zwarte haren die strak samengebonden zijn tot een paardenstaart. Even aan zijn staart trekken… Hij vertelt hij me dat de Versys 650 een stuk volwassener is geworden: ‘Door het aangepaste uiterlijk met de dubbele koplamp naast elkaar, heeft de Versys duidelijke trekken van de Kawasaki-familie. We hebben de motor op vele punten aangepast. Allemaal zaken die we via de feedback van echte motorrijders hebben doorgekregen. Zo brengen we de Versys-familie naar een hoger niveau.’ En dankuwel, dat zullen we zelf gaan zien.

Perfecte woon-werkverkeer fiets

De motor is natuurlijk ontworpen met de forens in het achterhoofd, zeer geschikt om er woon-werkverkeer mee te rijden. Dat kunnen we na de eerste 30 kilometer al bevestigen. We manoeuvreren met twaalf man achter elkaar aan tussen het drukke Siciliaanse verkeer door. Midden in de ochtendspits, met de koppeling half in geknepen, rijden we zigzaggend tussen de auto’s. De platenkoppeling wordt nu met vijf drukveren in plaats van drie uitgerust en is daarmee vederlicht te bedienen. Een fijn verbeterpunt.

Koffers op een motor is vaak een lastig huwelijk. Soms mooi, maar vaak genoeg ziet het er niet uit. Op deze Versys vind ik ze wel passen. Daarbij is de nieuwe Versys 10 centimeter smaller geworden, waardoor de zijkoffers nu dichter op het chassis aansluiten. Kruip-door sluip-door tussen het verkeer als het stoplicht op rood staat gaat probleemloos. Een gaatje is al snel breed genoeg om er tussendoor te kunnen. Ideaal. Rond hobbelen met een tas op je rug behoort tot de verleden tijd. De koffers zijn groot en praktisch genoeg om flink wat kwijt te kunnen. Alweer een voordeel voor de verstokte motorforens.

Door gebruik te maken van sterkere velgen en dikkere buizen voor het subframe is het maximale draagvermogen van de motor gegroeid tot 210 kilo. Dat is een toename van 30 kilo ten opzichte van de vorige Versys. Dat subframe kan nu ook prima een topkoffer dragen,, samen met een passagier eventueel. De topkoffer heeft een inhoud van 2 integraalhelmen, ofwel 5 kilo aan laadvermogen, ofwel 47 liter vloeibaar spul. De zijkoffers hebben een zelfde draagvermogen als de topkoffer, 5 kilo per stuk dus.

Ik zou er persoonlijk niet aan moeten denken om het complete maximale draagvermogen vol te benutten, dat zou namelijk betekenen dat met elke koffer volgeladen, er nog iemand van dik 140 kilo mee achterop zou kunnen! Dan kan diegene nog zo lief zijn. Ben zeer benieuwd waar het voorwiel heen gaat als ik dat zou doen. Dat verdwijnt vast de lucht in, haha!

Voor € 599,- levert Kawasaki je een tankpad, handkappen én die ‘one-key’ zij-koffers met binnentassen. Heel praktisch zo’n één-sleutel-systeem. Uit ervaring weet ik dat een tweede sleutel aan je sleutelbos het gedeelte rond je contactslot lelijk kan beschadigen. Voor vergeetachtige motorrijders is het ook superhandig! Met enige zelfkennis durf ik te beweren dat ik met een aparte sleutel voor de koffer, gegarandeerd een keer zou vertrekken met een open zijkoffer. Zie je het al voor je? Een wegdek vol met reservesokken, gezellig gekleurde ondergoed, tandenborstel en aanverwante artikelen voor dat weekendje weg?

Accessoires

De versnellingsindicator kan als accessoire gemonteerd worden. ‘We hadden net iets te weinig tijd om het te integreren in het dashboard’, zo vertelt Hiroyuki me. ‘Op zich jammer, maar we denken voor de doelgroep waarvoor deze motor is ontworpen, dat het niet overkomelijk is’. Vooruit dan maar. De indicator is een nogal groot ding, die reageert op het inknijpen van de koppeling.

Ook de handvatverwarming dien je af te vinken op de accessoirelijst. De handvatten worden er een stuk dikker van en aan de rechterkant voel je dat er een verwarmingsdraadje ontbreekt. Op zich te verklaren, want dat handvat moet je kunnen draaien om gas te kunnen geven. Maar toch, we hebben daarvoor nettere oplossingen gezien. Wat er wel mooi en ‘af’ uitziet, is het vernieuwde reservoirtje van de remvloeistof. De LED-mistlampen geven een stoere ‘touch’ aan de Versys, de looks van een niet te stuiten wereldreiziger!

De accessoires zijn keurig bevestigd, voor een doe-het-zelver dan. Af-fabriek zou je een montage verwachten zónder stekkertjes, krimpkous, meccano-achtige steuntjes en schroeven. Een beetje rommelig. Dat vind ik ook van de beugel van de kuipruit. Door het gebruik van strips met gaatjes, schroefjes en dingetjes lijkt het alsof hij passend gemaakt is voor deze motor en er origineel eigenlijk niet op hoort. De kuipruit is in hoogte verstelbaar met twee grote draaiknoppen aan de buitenkant van de ruit. Praktisch zijn die draaiknoppen wel. Qua aerodynamica zou het logischer zijn als die knoppen zich aan de binnenkant van de ruit zouden bevinden. Die ruit doet zijn werk overigens best aardig, mits je niet boven de 120 km/u komt. Daarboven begint de rijwind langs het scherm lekker te bulderen rond mijn helm.

Tijd om te toeren

We rijden inmiddels ruim buiten de spits en ver buiten de drukke stadswegen. Op Sicilië rijd je dan door bergen en heuvelachtig landschap. En zo blijkt al snel dat de Versys niet alleen voor woon-werkverkeer goed functioneert. Lekker rustig toeren en om je heen kijken, ook dáárvoor is de Versys perfect. Het rijden rond de Etna is heel bijzonder. Ik geniet van alle natuurschoon en merk op dat ik er een beetje filosofisch van word. Hoe nietig ben ik als mensje al rijdend op een motortje door dit grootse landschap?! De vulkaan is nog steeds actief en draagt een dikke witte rookpluim boven zijn besneeuwde kratertop. Nog geen jaar geleden heeft de vulkaan zelfs lava gespuugd! Maar hopen dat’ie zich vandaag niet ergert aan motorvolk. Vulkanische grond is hartstikke vruchtbaar. Het duurt een jaartje of 30.000, maar dan groeit er werkelijk van alles op. Logisch dat hier overal groentestalletjes langs de kant van de weg staan. Ik zie olijfbomen groeien, amandelstruiken, hazelnoten, veel – heel veel – artisjokken en de venkel groeit gewoon als onkruid in de rand van de berm.

De twee cilinders onder me knorren lekker rond. Ze draaien het prettigst vanaf 2.000 toeren, daaronder worden ze te nukkig. Vanaf 5.000 toeren wordt het blok een beetje rauw en begint de boel wat te trillen. Voorheen werkten de trillingen hinderlijk door in het stuur en de voetsteunen: bij de derde generatie Versys 650 is dat niet meer het geval. De voetsteunplaten zijn bekleed met dempend rubber. Het stuur en het motorblok zijn nu geheel opgehangen in rubbers. En dat werkt prima. Er is goed geluisterd door Kawasaki naar de ‘feedback’ van de motorrijders.

Het zal geen verrassing zijn: net als bij de vorige Versys-modellen heeft Kawasaki het blokje ingericht op een optimaal laag- en midden toerengebied. Hij is met 69 pk overigens wel een 5 pk sterker dan de vorige. Ook het maximum koppel groeide een beetje naar 64Nm. Maar de powerband is vrij smal. Als je lekker door wilt kachelen moet je stevig doorpoken. En eerlijk is eerlijk, daar is’ie niet heel goed in. Bij snelheden boven de 150km/u lijkt de Versys te willen opstijgen. Gewoon daaronder blijven en genieten van z’n comfort. Aan de voorkant is de dempercartridge ondergebracht in de rechterbuis van de Showa voorvorkpoot en met een schroevendraaier is de veervoorspanning in te stellen. Aan de achterkant is de uitgaande demping met een draai aan de knop onder het zadel te veranderen. Handig als je (onverwachts) iemand oppikt, of wat extra bagage mee wilt nemen.

Ook het zadel is erg comfortabel en niet al te breed. De zithoogte is 84cm. De zithouding is erg rechtop, mede omdat de voetsteunen ten opzichte van het voorgaande model iets zijn verplaatst. Ik kan nét met mijn tenen het asfalt raken. Jammer dat de voetsteunen nu precies dáár zijn geplaatst, waar ik met mijn kuiten langs kom. Ik moet mijn voeten dus iets schuin naar voren of achter de steuntjes plaatsen. Verder is de Versys prima handelbaar, het gewicht hangt laag in het frame en is goed gecentraliseerd.

Lekker toeren, praktisch woon-werkverkeer, daar is de Versys 650 heel goed in. En dankzij de grotere tank van 21 liter kun je dat ook lekker lang van volhouden. Dat geldt ook voor de banden; de Dunlop D222’s geven niet erg veel feedback, maar gaan wel lang mee. De Versys is standaard uitgerust met ABS. De diameter van de achterremschijf is iets groter geworden. In het voorwiel vinden we ‘waved disks’ met nieuwe remklauwen en een herziene afstelling van de hoofdremcilinders. Samen met nieuwe remblokken fungeren ze niet te bijterig, maar als prima stoppers.

Dit vindt Annemiek

Met de kreet ‘All roads, one bike’ luidt Kawasaki de introductie van de nieuwe Versys 650 anno 2015 in. Niet alleen een mooie facelift, er is heel veel ten goede veranderd aan de Versys 650 ten opzichte van het oude model. Dat je er alle wegen mee kunt rijden is een feit (maar het blijft de vraag hoe natuurlijk haha!) De Versys lijkt mij vooral gemaakt te zijn voor woon-werkverkeer en rustige toerritten. Met de Versys 650 moet je je gewoon aan de verkeersregels houden, dan voldoet hij in alle opzichten. Het is geen buitensporig extreme fiets, maar hij biedt de motorrijder wél alles wat hij nodig heeft om plezier te hebben op twee wielen. Er is tevens een 35kW kit verkrijgbaar.

Waarom er geen KTM RC790 komt

0

De polonaise ging over de redactie toen KTM de eerste beelden vrijgaf van The Scalpel; een ontwerpstudie die we inmiddels beter kennen als de 790 Duke. Een middenklasse naked, met een afgewogen twin en een vlijmscherp rijwielgedeelte, maar waarom eigenlijk geen gekuipte versie?

Dat de tijd van de 600cc-supersport inmiddels gekomen en zowat gegaan is, weten we ondertussen wel, maar ook de grote sportmachines beginnen nu echt hun charmes te verliezen op straat. ‘Vroeger had je geen traction control, toen had je gewoon niet meer dan 150 pk’, gaat heel gemakkelijk op. Zeker nu Ducati met de Panigale V4 de grens van de rek opzoekt in de inmiddels al ruimschoots overschreden 200 pk-grens.

Wil niet zeggen dat de consument niet meer geïnteresseerd is in sportieve motoren; het is gewoon allemaal niet meer fatsoenlijk los te laten op ’s Lands wegen – weet er iemand nog een dijk waar je nog wel mag rijden? – en om die reden zoeken steeds meer supersportieve rijders hun heil tijdens circuitdagen, maar juist die onvoorwaardelijkheid van een sportief rondje om de kerk blijft een zalig iets.

Geniet met mate
Dat is waar de middenklasse zou kunnen stralen. Op straat heb je niets aan een toerenjakkeraar als een YZF-R6 of een moddervette 1299 Panigale, maar een 899 Pani is met zijn 150 pk een geweldig stuk speelgoed waarvan je ook nog het idee krijgt iets van zijn limieten bloot te kunnen leggen.

Zo zou ook een RC790 – in lijn met de RC390, hopelijk niet in lijn met het misbaksel dat we hierboven neergezet hebben – perfect kunnen zijn voor de sportieve straatrijder. Met 105 pk, een drooggewicht om en nabij de 175 kilo en een prijskaartje van net over de tien ruggen heb je alles wat je nodig hebt en meer.

Enkel, Stefan Pierer – KTMs opperhoofd – heeft aangegeven geen racers voor de straat te willen maken. Ze hebben een verantwoordelijkheid voor de veiligheid van hun klanten. De RC8 zou volgens die theorie de laatste der Mohikanen zijn in een oranje racekuip met koplampen. Enkel zou een RC790 zo gevaarlijk nog niet zijn, in vergelijking met zijn concurrentie.

Kortom; KTM, houd woord en bouw geen superbike meer voor op straat, maar overweeg toch serieus eens die RC790. Wij willen hem wel, mits hij er niet uitziet zoals onze afgrijselijk lelijke rendering. Dankuzeerbeleefd.

Foto: KTM/Motor.nl

 

Catalogus Grand Canyon 2018 is uit

0

Dit is een persbericht. De redactie van MOTOR.nl is dus niet verantwoordelijk voor de inhoud. Heb je zelf een persbericht dat je graag op MOTOR.nl ziet? Dan mail je deze naar redactie@www.motor.nl.

Catalogus Grand Canyon 2018 is de 21ste op rij

Onder het eigen label Grand Canyon brengt IGM Trading dit jaar de 21e versie van de Grand Canyon catalogus op de markt. In deze 2018 catalogus vind u onder andere het volledige programma van de eigen motorkledinglijn Grand Canyon Bikewear, de uitgebreide collectie motorlaarzen en motorsneakers van het Italiaanse Stylmartin, en alle Retro en Touring helmen van het Italiaanse Premier helmets. Daarbij levert IGM Trading uit eigen voorraad ook de volledige kledinglijn van Richa, dit wordt in een aparte catalogus gepresenteerd. Wilt u online door de catalogus bladeren klik dan hier.

Sinds 1995 levert IGM Trading motorkleding, helmen en accessoires. Als groothandel heeft het een uitgebreid dealer netwerk in de Benelux en Duitsland, daarnaast wordt er ook aan importeurs in diverse overige Europese landen geleverd.

Bridgestone lanceert Adventure-band

0

Dit is een persbericht. De redactie van MOTOR.nl is dus niet verantwoordelijk voor de inhoud. Heb je zelf een persbericht dat je graag op MOTOR.nl ziet? Dan mail je deze naar redactie@www.motor.nl.

Eigenlijk is Bridgestone bescheiden geweest met de typeaanduiding van haar nieuwe allroad/adventure band. De A41 steekt namelijk op alle punten met kop en schouders uit boven zijn voorganger, de op zich al behoorlijk goede A40.

Met zijn robuuste looks en diepe profiel sluit de A41 naadloos aan bij de stoere uitstraling van de populaire adventure bikes. De A41 haalt ook het beste uit deze motoren dankzij een groter contactoppervlak in combinatie met geavanceerde, nieuwe compounds, waarbij opvalt dat zowel de voor- als de achterband zijn voorzien van een dubbele compound; behoorlijk uniek voor dit type banden. Verder zorgt een nieuw profiel voor een snelle afvoer van water. Dit alles maakt de A41 tot de best sturende band in zijn klasse, overigens zonder dat dit ten koste van de levensduur gaat. Die blijft namelijk even goed als bij voorganger A40, ondanks de in alle opzichten betere prestaties.

Het diepe vertrouwen dat de A41 geeft maakt het rijden met je allroad nog geweldiger; gevoel en feedback van een heel nieuw level. En zoals je van je adventure bike mag verwachten, onder alle omstandigheden. Dan merk je dat de A41 voor en door Europa ontwikkeld is. Met volle bepakking van de Autobahn dat uitnodigende off-road pad inschieten? Geen probleem met de A41 die juist onder moeilijke omstandigheden ongekend veel tractie en grip biedt. Ook in de regen trouwens. Op een kletsnat testcircuit werden met de A41 maar liefst 8% snellere rondetijden gemeten, wat alles zegt over het vertrouwen en het plezier dat de A41 ook op de natte weg geeft.
De nieuwe Bridgestone Adventure A41 is nu al leverbaar in alle meer en minder gangbare maten, ook voor de CRF1000L Africa Twin.

Mag het een onsje minder zijn Rossi?

0

Valentino Rossi laat waarden optekenen waarvan een professioneel wielrenner nog jaloers wordt. De Italiaan is 1.82 mtr lang, maar weegt slechts 65 kilo. Minder is onmogelijk zou je zeggen, dan gaat het bijna richting een eetstoornis. Toch weegt Rossi nog altijd meer dan zijn grootste concurrenten Marc Marquez, Dani Pedrosa en Maverick Vinales. Om qua gewicht niet verder achterop te raken huurt Rossi professionals in die hem helpen met zijn eetpatroon.

Zoals het een Italiaan betaamt houdt de Doctor van goed voedsel en het doet hem daarom deugd dat hij flink kan eten zonder direct aan te komen. Blijkbaar is zijn spijsvertering net zo snel als de man zelf. Een speciaal dieet volgt hij dan ook niet, wel houdt hij de porties in de gaten. Bovendien eet hij geen slecht voedsel, maar vooral gezond voer. Hij heeft er een goede reden voor: vijf kilo extra meeslepen scheelt volgens hem een tiende seconde per ronde. 

Rossi heeft moeten leren leven met zijn lengte- en gewichtsnadeel. Al ging dat niet altijd van harte. In het verleden deed hij al eens een informeel verzoek aan de Veiligheidscommissie om een gecombineerd minimumgewicht voor rijders en motorfiets in de MotoGP-klasse in te stellen. Dat zou het gewichtsvoordeel van een man als Dani Pedrosa (51 kilo zwaar en 1.60 mtr lang) teniet doen. De Italiaan is sportief genoeg om te zeggen dat hij door zijn lengte en massa minder hoeft te knokken met een GP-racer dan Pedrosa, maar de drie turven hoge Spanjaard heeft ondertussen ruimschoots bewezen dat hij zijn mannetje wel staat.

Foto: 2Snap

IJsland: De vergeten Westfjorden

0

Het lijkt een toeristische mythe. Nét de ene deel waar niemand naartoe gaat, zou het allermooist zijn. Jaja. Na 15 keer voorbij de Westfjords te zijn gereden, ontdekken Jan Kruithof en Jan Dirk Onrust nu dat het nog waar is ook. Dat betekent dat onze IJslandreis van dit jaar absoluut door deze bijzondere uithoek gaat.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/ijsland-westfjorden.gpx”]

Jan Dirk Onrust

Door een zwartgeblakerd, smeulend rotslandschap trekt een lange stoet mensen. Tussen de zwaveldampen en borrelende modder door klinkt Spaans, Japans, Amerikaans, Frans en Russisch. Het lijkt bijna een scene uit een ondergangsfilm, waarin de laatste bewoners op zoek zijn naar een veilig heenkomen. Europa 2024 ofzo. Maar in werkelijkheid is het Krafla, een actief vulkanisch gebiedje in het noordoosten van IJsland, vlak langs de ringweg.
IJsland barst van dit soort dramatische landschappen. De ene Hollywood blockbuster na de andere wordt er opgenomen. En dat lijkt zijn uitwerking op het toerisme te hebben gehad. Bijna nergens ter wereld nam het toerisme de laatste jaren zo snel toe als op IJsland. Maar een deel van IJsland slaan ze vrijwel allemaal over. En daar gaan wij naartoe: de Westfjorden.

Moeilijk toegankelijk?!

Zelf zijn we ook minstens 15 keer niet naar de Westfjords geweest. Ze passen niet goed in het rondje, dachten we altijd. Teveel kilometers. En wanneer hoorde je nou wat over dat afgelegen deel van IJsland? Maar tijdens de laatste reizen drongen er toch wat berichten door die jeuk veroorzaakten. Zoals het verhaal van de man van Google Streetview, die we drie jaar geleden tegenkwamen met zijn Opel Corsa met lantaarnpaal op het dak. Hij vervloekte heel IJsland en vooral de Westfjorden. ‘Vreselijke wegen. Al weken ben ik bezig en er komt maar geen einde aan. En ze probeerden me nog te tillen ook bij een hotel in Isafjordur.’

Een jaar eerder waren we er geweest als een onvoorspelde sneeuwbui niet de toegangsweg had geblokkeerd. Een vreemd gesprekje in een hotel vlak voor de Westfjorden maakte ons nog nieuwsgieriger.

‘Wilden jullie naar de Westfjorden?’ vroeg de hotelbazin. ‘Bijzonder…’
‘Hoezo bijzonder? Zijn ze niet mooi?’
‘Jawel. Maar de Westfjorden zijn… uh… de Westfjorden..’
‘Wat bedoelt u?’
‘Er komen weinig buitenlanders… En de Westfjorders… tsja… dat zijn…’
‘…Westfjorders misschien?’
‘Ja, precies!’

Duidelijker wilde ze niet worden. In onze jongensboekengeest ontstond al snel het idee dat er iets verzwegen moest worden. Maar wat? Links en rechts vroegen we verder. Meestal luidde het antwoord dat het fjordengebied ruig en mooi was, maar moeilijk toegankelijk. En toen zei een boer: ‘Moeilijk toegankelijk?! Pfff. Er is de laatste jaren zoveel verbeterd. Nee, ik denk eerder dat die mensen de Westfjorden liever voor zichzelf houden. Bij veel IJslanders staan ze namelijk bekend als het mooiste deel van het land.’

Basken moeten dood

En dan was er ook nog het opmerkelijke verhaal dat de Westfjorden in april 2015 (!) een verordening schrapten die toestond om Basken te doden. Het ging om een 400 jaar oude noodwet die was bedoeld om Baskische walvisjagers te verjagen. Die hadden destijds narigheid uitgehaald, iets met diefstal en met een vrouw. Nadat ruim dertig Basken waren omgebracht, werd de regel eeuwenlang vergeten. Prettig voor de Basken natuurlijk dat ze naar de Westfjorden kunnen zonder vermoord te worden. Het onderstreepte tegelijkertijd dat het fjordengebied het wilde westen van IJsland was. Meer redenen om daar te gaan kijken heb je eigenlijk niet nodig.

Dichtgetimmerd en verlaten

Ruim 500 kilometer na de boot komen we bij de afslag naar de fjorden. Bij het laatste tankstation aan hoofdweg 1 gooien we de tank vol en kopen we een paar broodjes. Het zou wel eens lang kunnen duren voordat we een volgende tegenkomen. En dan gaan we afslag Isafjordur op, de hoofdplaats van de Westfjorden – afstand 330 km, twee keer verder dan Reykjavik. Meteen is het stil, maar niet helemaal onbewoond. Tegen de flauwe helling liggen weilanden met een enkele boerderij. Na acht kilometer komen we bij een dorpje aan het water, Bordeyri. Van een afstand ziet plaatsje er fris en kleurig uit. Van dichtbij is het deels dichtgetimmerd, verveloos en verlaten. Er zouden 25 mensen wonen, maar we zien geen teken van leven, op een bewegend gordijn na. Een gedenkplaat tussen enkele verroeste landbouwwerktuigen vertelt dat Bordeyri vroeger een bloeiende handelspost van de Denen was. Nu is het eerder een spookdorp en dat hebben we nog niet eerder gezien op IJsland. De Westfjorden hebben hun eerst visitekaartje afgegeven.

Zinderend

Kortgeleden was de weg naar Isafjordur grotendeels onverhard. Nu is daar nog maar een kilometer of dertig van over. Het eerste stuk duikt een kwartiertje na Bordeyri op. Met de zwetende Google-man in het achterhoofd rijden we erop. Het blijkt bijna zo vast als asfalt te zijn. Maar het landschap breekt wel open. Na elke bocht of heuvel ontvouwt zich een nieuw panorama van bergen en kapen in vele tinten blauw. Het smalle reepje grasland tussen de bergen en de zee licht soms zo fel op, dat het lijkt alsof er een licht onder zit. Op de meest beschutte plekken staan wat witte huisjes met een blauw of oranje dak. Hoog in de bergen zien we plakken sneeuw en een gletsjer liggen.
‘Zinderend,’ zegt Jan als we even stoppen voor een foto. ‘En dan dacht je dat je alles wel had gezien…’

Landschappen kunnen ontroeren, net als muziek of een film. Maar dit doet nog iets meer. Het is zo sereen en sprankelend, en het voelt zo ver weg van alles dat je Europa met al zijn problemen in een paar kilometer volledig kwijt bent.

Vlinderbrillen

We zijn allang weer terug op het asfalt als we voor Holmavik stoppen voor een kop koffie bij een gemeenschapshuis. Vier werklui die buiten aan de waterleiding rommelen, staren ons ongegeneerd aan zonder te groeten. Ik krijg de neiging te zeggen dat de wet is veranderd en dat we bovendien geen Basken zijn. Maar het is duidelijk dat ze hier niet dagelijks buitenlandse motorrijders zien.

In de kantine-achtige ruimte is het onthaal gastvrijer. Een lieve vrouw zegt dat de vleessoep op het vuur staat en dat we zoveel kunnen pakken als we willen. Aan de muur hangt een collectie zwart-wit foto’s met plaatselijke bewoners. Ik zie vlinderbrillen, Surpremes-kapsels en Ford Taunussen 12m. ‘Dat zijn foto’s uit de jaren zestig,’ zegt de gastvrouw. Ik had eigenlijk gehoopt dat ze van vorig jaar waren. Maar dit is geen tijdreis. De koffie komt gewoon uit een Nespresso-apparaat en we hoeven niet te betalen met een kip. De soep is ouderwets lekker, dat wel.

Rust

De weg naar Isafjordur loopt grotendeels langs het water. Maar soms moeten we een hoogvlakte op. Dat gebeurt niet vaak op IJsland, waar bijna alle wegen gelijkvloers liggen. Hier dus wel en het is sensationeel mooi. We rijden over nieuw asfalt van het ene bergmeer naar het andere, die met een rivier aan elkaar zijn verbonden. Weer zijn we de enigen die zich aan het eindeloze uitzicht vergapen; het is zo rustig dat we de motoren een kwartier lang midden op de weg kunnen zetten, zonder ook maar iemand te hinderen.
De rust is begrijpelijk: de Westfjorden zijn zo groot als een kwart van Nederland en er leven net zoveel mensen als in Den Haag op één vierkante kilometer.

Uit op rottigheid

Het toerisme stelt hier nog zo weinig voor, dat een gepensioneerde schooljuf in korte tijd een van de grotere en leukste accommodaties kon opbouwen op een van God verlaten plek. Heydalur heet de omgebouwde boerderij met aangebouwde huisjes, camping, restaurant en paardenfarm. Via een onverharde zijweg van een kilometer of vijftien bereiken we het.

Ik ben nog niet afgestapt of ik voel iets prikken bij mijn enkel. Er hangt een poolvos aan mijn been. Andere gasten lachen om mijn verbaasde gezicht. ‘Hij is niet gevaarlijk, hoor. Hij is gewoon speels.’

De vos is wild, maar zo hondsbrutaal dat ze hem als troeteldier beschouwen en koekjes geven. Maar de liefde komt van één kant. Mickey, zoals ze hem noemen, blijkt doorlopend uit te zijn op rottigheid. Hij springt op mijn motor, grist een handschoen uit mijn helm en gaat ermee vandoor. En zo loop ik een kwartier achter een vos aan te rennen. Ik wil niet een hele roofdiergroep over een kam scheren, en ik weet dat ze bij de Volkskrant zeggen dat er ook vervelende schapen zijn. Maar wat een etter, zeg, die Mickey.
Binnen, in de gemeenschapsruimte, zit een andere treiterkop: een papegaai. Het beest kan zo feilloos de ringtone van de huistelefoon nadoen dat gasten naar het personeel roepen dat ze moeten opnemen. De plek, de jonge Franse bediening en de huttensfeer zijn de andere redenen om Heydalur niet snel te vergeten.

Bloedfanatieke Vikingen

De tweede Westfjordenetappe gaat door vijf fjorden en langs honderden watervallen om te eindigen in Isafjordur. In Nederland zouden we het een bescheiden dorp noemen, hier is het de hoofdstad (2700 inw.). Isafjordur ligt zo ver van de bewoonde wereld dat bij de middenstand het specialisatietijdperk nog niet is ingetreden. Waar anders vind je een zaak die en hamburgers en gitaren en brilmonturen verkoopt? Maar onze interesse gaat vooral uit naar een kroeg met een lcd-scherm. Het Nederlands elftal speelt vandaag namelijk een kwalificatiewedstrijd. Tegen IJsland…

Even later staan we tussen 38 bloedfanatieke Vikingen die samen al zeker een litertje of honderd bier naar binnen hebben geslagen. Wanneer ik na een gore overtreding van de IJslandse ballenwachters ‘rood!’ roep, heb ik onze herkomst verraden. Dat we desondanks niet in elkaar worden gerost, komt omdat Nederland kansloos verliest. Of omdat de dorpelingen gewoon aardige gasten zijn. Daarom besluiten we maar niet een vechtpartij met de 38 man te beginnen, ook al kunnen we slecht tegen ons verlies.

Sacrale stilte

De derde etappe loopt bijna geheel door het binnenland. Bijna 100 van de 170 kilometers zijn onverhard en gaan de ene bergpas na de andere over. Dat klinkt sommigen misschien iets te spannend, maar het is wel een hoofdroute. Dat betekent dat de weg uitstekend wordt onderhouden. Geen gaten, geen keien, geen zachte stukken; eerder bijna-asfalt waar je zonder te zweten 80 of harder rijdt. Zelfs als we naast de weg sneeuwveldjes passeren, blijft het wegdek goed. Het grote spektakel komt van het landschap. Sacraal stille dalen onderbroken door woeste hoogtes met een zwart berg die daar nog eens bovenuit stijgt – de hoogste van de Westfjorden. En daarna de lieflijkheid van een fjord, waar we de mooiste van alle watervallen passeren: Dynjandi. Waar heb je Patagonië of Alaska voor nodig als je dit hebt? In al die stilte komen we bij drie houten huisjes uit aan een fjord, waar koffie wordt geschonken. ‘Hoe kom je op het idee hier een koffietentje neer te zetten? Hier komt toch niemand?’, zeg ik tegen de serveerster.

‘Nou, niemand…,’ zegt ze. ‘Dit is Hrafnseyri, een van de belangrijkste monumenten van IJsland. Dit is de geboorteplek van Jon Sigurdsson, de man die IJsland onafhankelijk maakte. Zijn verjaardag is onze nationale feestdag. Bij de feesten komt dit huis altijd op de tv.’
‘Oké, twee koffie dan maar.’

Na nog eens een uur onverhard komen we op een achtbaan van nogalnieuw asfalt naar eindpunt Patreksfjordur. Kort geleden was die ook nog onverhard. Het gaat snel met de aanleg van goede wegen op de Westfjorden. Maar wat ons betreft mag de slechte reputatie nog wel een tijdje doorsijpelen.

Triumph Street Twin 900 2016

0

Een nieuwe Bonneville, dat is bijna vloeken in de kerk. Want het succes van de Bonneville zit-em juist in het feit dat-ie zo fijn oud is gebleven. Gelukkig hebben ze dat bij Triumph heel goed begrepen. Van een afstandje is de Street Twin nog steeds een klassieker. Maar intussen staat er wel gewoon een gloednieuwe Bonnie, waaraan geen boutje gelijk is gebleven. Mannen met baarden, vrouwen met tattoo’s en Harry de heropstapper: Bonnie is back!

Annemiek van der Kolk

Welkom in 2016, ook dit motorjaar is weer het jaar van de Hipster, rode ruitblouses en mannen met baarden. Een doelgroep die de retrobike een warm hart toedraagt. Grote vraag is of de Triumph Bonneville anno 2016 nog steeds een motor is waarmee je je imago als moderne rauwdouwer kunt bevestigen. Ik reis dus af naar het zonnige Valencia in Spanje voor de grote kennismaking met de kleinste Bonneville van de nieuwe generatie: De Street Twin 900.

Oer-motorfiets

De Street Twin heeft het silhouet van een echte oer-motorfiets. Teken je 2 wielen, een ronde tank, koplamp met een stuur erboven, dan teken je de Street Twin. Knap gedaan door de ontwerpers van Triumph. Ze zijn ze er goed in geslaagd het originele uiterlijk van de Bonneville te behouden. Maar vergis je niet, Bonnie is tegenwoordig wél uitgerust met de modernste technologie. Zo is de Street Twin voorzien van vloeistofkoeling, ride-by-wire, injectie, een USB-aansluiting onder het zadel, de nieuwste generatie ABS en tractiecontrole, maar je moet écht goed zoeken om deze elementen te spotten. Zelfs de radiateur is nagenoeg onzichtbaar weggewerkt tussen de voorste framebuizen. Die kon ook klein blijven, omdat het blok ook nog eens van ribben is voorzien die meehelpen koelen. De injectie is mooi weggewerkt achter een zijkapje, zodat het net lijkt of daar ouderwetse carburateurs achter zitten.

De Street Twin is voorzien van nieuwe gietwielen; 18 inch voor en 17 inch achter. Voor mij als niet-poetser lekker praktisch. Rond me heen hoor ik echter gemurmel van andere journalisten dat ze liever spaakwielen zouden zien. De vraag rijst dan ook, of er nog spaakwielen verkrijgbaar zijn. Hier-en-daar is er nog wellicht nog een setje te vinden bij enkele dealers, is het antwoord van de Engelsen. Maar ze worden niet meer gemaakt door Triumph. Wie nog een setje wil dient zich dus snel te vervoegen bij de dealer, want op is écht op!

Comfortabel

Ondanks alle nieuwe technieken is de motor lichter dan het voorgaande model. En dat is goed nieuws want dat begon, zeker in vergelijking tot de concurrentie, wat zwaarlijvig te worden. De Street Twin weegt droog 198 kilo, waarmee we met een volle tank en alle overige vloeistoffen uitkomen op 217 kilo. Nog steeds geen vlieggewicht, maar je kunt er prima mee uit de voeten.
De zadelhoogte bedraagt slechts 75 cm en door de uitgekiende vorm van het nieuwe zadel kan ik met beide voeten plat het asfalt raken. Dat maakt manoeuvreren vanuit stilstand een peulenschil. Het zadel van het zadel is overigens 25% dikker dan bij het vorige model. En dat is welkom, de zit is lekker comfortabel. De rem- en koppelingshendel zijn beide instelbaar, fijn voor kleine-handen-mensen zoals ik. Het zicht in de kleine ronde spiegels naar achteren is uitstekend. De voetsteunen staan vrij laag en de zithouding is bijna rechtop en daarmee lekker relaxed, zonder last te krijgen van je onderrug.

Het geluid van een Britse Twin

Het wordt tijd dat we een stukje gaan rijden. We starten de motoren en da’s meteen een verrassing: Wat een mooi geluid! Ik ben onder de indruk. Zoals de mensen Triumph al hadden voorspeld; een prachtige tweecilinder-sound. Vance & Hines is de nieuwe partner in uitlaten en dat blijkt een goede keus. Ik zet de motor in de eerste versnelling en moet met een beetje gas en iets slippende koppeling wegrijden, anders slaat hij af. De bediening van de koppeling gaat heel licht en de versnellingsbak laat zich al net zo makkelijk bedienen. Als je niet beter zou weten, lijkt de gashandel verbonden te zijn met een kabel naar het blok. Een kabel waar een beetje rek inzit, want de response is wat indirect, niet wat je verwacht bij ride-by-wire elektronica.

We doorkruisen eerst Valencia voordat we de stad uitrijden richting de bergen. De motor laat zich heel gewillig door het stadsverkeer manoeuvreren. Hij rijdt soepel met lage toeren in de lagere versnellingen. Het is prachtig helder weer. Al rijdend tussen de sinaasappelplantages en langs rijstvelden richting het zuiden, bereiken we vervolgens de weggetjes richting het westen naar Don Aguas en Millares in de bergen. En ja je leest het goed, ten zuiden van Valencia liggen rijstvelden. Van de eigen Spaanse rijst wordt immers de Paella bereid. Nooit bij stilgestaan. Meestal knal ik daar dus op volle vaart voorbij, maar de nieuwe Bonnie nodigt bij uitstek uit om ook lekker te genieten van het landschap. En da’s zeker geen slechte eigenschap.

Ook het dashboard is vernieuwd. Of nou ja, dashboard, een grote ronde klok dus. Daarop kun je de snelheid in mijlen of km/u aflezen, de toeren per minuut worden niet gemeten. Schakelen op gehoor dus. Met een knopje op het stuur kun je de boardcomputer uitlezen, waaronder twee triptellers, een totaalteller en een aantal gemiddelde snelheden. Na het starten van de motor wordt verschijnt overigens altijd de totaalkilometerstand in beeld: voor de andere settings dien je dus iedere keer het knopje te beroeren.

Stiekem racen

Een open deur, maar toch: motorrijden is een gevoelskwestie, helemaal zonder toerenteller. Het blok levert 55 PK bij 5900 toeren en maximaal 80 Nm bij 3200 toeren. Dit koppel is dus 18% hoger dan bij het vorige model. Je merkt dat de vermogensafgifte heel lineair is. Mooi hoor! Ik voel nergens een dip bij het optrekken. Zonder toerenteller kun je overigens vrij gemakkelijk in het rode gebied terechtkomen als je lekker aan het jagen gaat, juist omdat die vermogensafgifte zo mooi is. Zelf goed opletten dus. Bonnie is overigens wél voorzien van een versnellingsindicator, altijd handig.

De gietwielen zijn beslagen met Pirelli’s van het type Phantom Sportscomp. Deze banden zijn voorzien van een mooi ‘vintage’ profiel. Vóór is de breedte 110, en achter 150 mm. Ze maken een vederlicht stuurgedrag mogelijk. De wegen hier zijn belegd met prachtig asfalt en kronkelen zich weelderig rondom Valencia. Met andere woorden, de omstandigheden vragen nee, schreeuwen om… lekker te scheuren! We moeten natuurlijk niet vergeten dat deze motor niet bedoeld is om te jagen. Maar als alle omstandigheden daartoe uitnodigen dat precies wat er wel gebeurt. En dan loop je heus de kans dat je de echt alle 55 pk’s uit het soepele blok moet wringen. En okee, dan slaat de achtervering slaat bij de zwaardere collega’s soms een beetje door. Bij de eerste koffie-stop wordt de achterveer een beetje strakker afgesteld. De motor richt zo wat minder op bij het aanremmen van een bocht en stuurt wat neutraler de bocht door. Zelf vind ik het niet nodig. Wat mij vooral opvalt is dat bij het stevig inknijpen van de voorrem, bij het aanremmen van die bocht, het stuur een beetje tordeert. Het is dan goed voelbaar dat voorwiel maar 1 schijf heeft. En als je echt lekker voor die bocht gaat verzitten, dan raken de stepjes het asfalt.

Happy

Na de eerste rit van 90 kilometer voor de lunch en een tweede van 67 kilometers na de Paella, bejubelt het ganse journalistengilde de handling van de Street Twin én de zithouding. Waarbij we allemaal de beperkingen van deze leuke motor wegwimpelen onder het mom van: ‘Vergeet niet dat deze motor niet gemaakt is om zo te jagen, het is dat wij ons soms niet kunnen bedwingen.’ We tanken de motoren af voor de testgroep van de volgende dag. En weer verrast de Street Twin ons. Ditmaal met haar zeer zuinige karakter. Nieuwe Bonnie rijdt met gemak 25 kilometer op 1 liter brandstof, zelfs na onze acties van de afgelopen kilometers. Keurig. Ondanks de aanpassingen voor de Euro 4 emissienorm, het nieuwe frame en de nieuwe vering is het karakter van de eerste generatie Bonneville behouden. Hij is perfect om lekker te genieten, rustig te toeren, een boodschap te halen, een rondje door de stad te maken en te tuffen door het achterland. Wil je betere prestaties? Dan ben je beter af met een Street Triple ofzo. Triumph biedt zat andere modellen die beter geschikt zijn voor het serieuze veegwerk. Voor al die overige ritten: de Street Twin is een heerlijke allemansvriend. Eind januari zal de Street Twin de showroom van de Triumph-dealers sieren; half februari worden de ‘zware’ Bonnevilles geïntroduceerd: de T120 en T120 Black, voorzien van een 1200 cc twin. Ik ben heel benieuwd!

Annemiek over de Triumph SteetTwin 900 – Bonneville

De eerste Triumph Bonneville was in de jaren zestig een icoon, dat nog eens werd onderstreept door de vele records die de Bonnie heeft gevestigd. Had je in die tijd een Bonneville, dan was je meteen een held. Maar er is veel veranderd in ruim 50 jaar motorontwikkeling. Zo ook voor de Bonneville. Die is tegenwoordig uitgerust met de modernste technieken, waaronder ABS, tractiecontrole en een schakelassistent. Bruut geweld of snelheidsrecords zitten er tegenwoordig echter niet meer in voor de Bonneville. De Street Twin 900 is een vriendelijke tweecilinder met authentiek Bonneville karakter, dat wel. Een karakter dat een glimlach op je moderne motorrijdersgezicht tovert, of je nu wilt of niet. En zeg nu zelf, dat is toch ook geweldig voor je imago?

Uitvoeringen

De Street Twin is standaard uitgevoerd in glanzend zwarte lak en kost 9.900 euro.. De motor is tevens verkrijgbaar tegen een kleine meerprijs in mat zwart en metallic zwart en daarnaast nog in two-tone rood en een grijze uitvoering.

Accessoires

Er zijn meer dan 150 accessoires verkrijgbaar voor het verder personaliseren van je Street Twin. Kun je zelf niet kiezen? Standaard levert Triumph 3 kits: De Scrambler-kit voor zo’n 2.600 euro, de Brat Tracker-kit voor 1.800 en de Urban-kit voor 1.600.

Historie

In 1959 werd de eerste Triumph Bonneville geïntroduceerd: De T120 Bonneville 650. De Bonneville ontleent haar naam aan de grootste zoutvlakte ten westen van Great Salt Lake in de VS. De vlakte ontstond na het opdrogen van Lake Bonneville en is vooral bekend geworden door de vele snelheidsrecordpogingen die daar werden (en nog steeds worden) gehouden. Van 1955 tot 1970 was Triumph daar uitermate succesvol met supergestroomlijnde sigaarmotoren, allemaal uitgerust met de beroemde 650 cc staande twin. Zo’n 40 jaar na de eerste introductie kwam Triumph met een nieuwe generatie Bonnevilles met een blok met 790cc. In 2006 groeide het blok verder naar 865CC en in 2008 werd de carburateur vervangen door injectie. 2009 werd het jaar van de gietwielen en dit jaar verschijnt er een compleet nieuwe lijn Bonnie’s.

Hollywood

Vele acteurs sterkten hun winners-imago met hun ‘Bonnie’. Hoe ‘tuff’ was Ann Margret Dall in de film ‘The swinger’?! Steve McQueen, Marlon Brando en Clint Eastwood reden Bonneville en ook Richard Gere in de film ‘An officer and a gentleman’.

Indian Scout Sixty 2016

0

In Amerika kunnen ze alleen maar rechtdoor. Zeggen nog altijd de beste stuurlui aan wal, vooral Europese. Maar dat is veel te kort door de bocht. Weet Indian sinds twee jaar diep verankerde clichés met modern technologisch elan los te wrikken, de nieuwe, meer basic Scout Sixty moet de jeugdige instap van onderuit vergemakkelijken. Het verrassende decor: het flamboyante, poenige Las Vegas. Met, jawel, her en der omringende stuurwegen.

Joost Overzee

Toegegeven, de dorre, desolate vlaktes rondom de in de woestijn geparachuteerde stad Las Vegas lenen zich minder voor ‘Europees’ stuurwerk dan bijvoorbeeld de Black Hills in South Dakota. In die bosrijke regio ter grootte van half Nederland kan de gemotoriseerde Europese alpinist zijn hart ophalen op perfect geplaveide stuurwegen. Dat de gemiddelde Amerikaan minder op heeft met kronkels demonstreerde vorig jaar nog een kolderiek schouwspel van rijder en passagier die in een schitterend overzichtelijke bocht hun kleding stonden af te stoffen op een tiental meters afstand van hun Electra Glide, keurig op zijn kop in een sloot gelegen, het voorwiel langzaam uitdraaiend tot stilstand. De slechte grappen over Harley-Davidsons zouden voor het oprapen liggen, ware het niet dat vele Yankee rijders even weinig ervaring hebben met bochten als Nederlanders met woestijnrally’s. Andersom wil een beetje knappe stuureigenschappen een buitengewoon aangename bijkomstigheid zijn bij zigzaggen over onbekend terrein.

Gezonde eigenschappen

Passeren deed ik toen het gecrashte (en waarschijnlijk voor het laatst samen gesignaleerde…) duo op stiekem een van de verrassingen van 2014, de Indian Scout. Die machine bleek een openbaring gezien zijn sterke, tot 8.250 toeren draaiende, achtkleps 1133 cc V-twin en het onvermurwbaar stabiele aluminium frame. Eigenschappen die je zelden op de gemiddelde rond modderende cruiser bemerkt. Waarbij een lichte uitzondering gemaakt kan worden voor de dikke Chief-serie, die een jaar eerder de terugkeer van Indian als onderdeel van de Polaris Industries inluidde. En indruk maakt door zijn – ook weer – gezonde rijwielgedeelte en motorloop. En imposante verkoopprijzen.

Zo ook de reden van introductie en bestaan van deze benjamin Scout, de Sixty, bedoeld als smakelijke kiloknaller onder de magische grens in de VS van tienduizend dollar. Sterker nog, viel de vader-Scout in het thuisland ternauwernood op ‘elf’ te houden (in Nederland zestienduizend euro…), de Sixty staat in de Amerikaanse catalogus voor negenduizend, in onze Lage Landen voor veertien met ABS.

Aderlatingen

Die prijsreductie is natuurlijk gepaard gegaan met aderlatingen. Zo heeft de cilinderboring ingeleverd, resulterend in een totale inhoud van 999 cc, 78 pk en 89 Nm voor de dubbelnoks achtklepper. Overigens staat de ciinderinhoud gelijk aan zestig cubic inches (60 cu), vandaar de troetelnaam. De senior Scout doet het respectievelijk met 1133 cc, 100 pk en 98 Nm. Hoewel de padvinder die op de kleintjes let dus liefst 22 paardenkrachten moet inleveren, beperkt het koppelverschil zich tot slechts negen Newton meters, waarbij de Sixty zijn topkoppel nota bene iets vroeger (5.600 tpm) aflevert dan senior (5.900 tpm). Dat geeft al een aardige, zij het papieren indicatie over de kruidige krachtsontwikkeling van de nieuweling.

Merkwaardig genoeg is de zesbak niet aan de bezuinigingsdrang ontkomen en telt de Sixty er nu gewoon vijf doordat de oorspronkelijke vijfde gang uit de zesbak lukraak verwijderd is. Mocht je nu een immense kloof verwachten tussen de twee hoogste versnellingen, zij gerust. Je schakelt zo makkelijk en ongemerkt door het ontstane gat dat je jezelf haast afvraagt waarom de 69 cubic inch krachtbron nog zes gangen telt.

Vijf of zes stuks, schakelen doet de bak over de hele linie bijzonder aangenaam, trefzeker, stil, soepel, direct. Genoeg reden om bij deze voor de eerste maal te opperen dat de krachtbron gepeperd en sportief genoeg is om in een ander soort motorfiets gehangen te worden. Ook het vinden van de vrijstand is een peulenschil, een aangename bijkomstigheid daar de koppeling wat spierkracht vergt. Of in ieder geval genoeg om tere vingertjes in stadsverkeer te vervelen of te verdoven. Vertoef je toch in de stad, wil de grote draaicirkel opspelen, zij het dat de machine zich door de extreem lage zithouding en algehele fijne handelbaarheid eenvoudig en snel laat in- en uitsteken.

Geen hulp

Natuurlijk levert de 999 cc met betrekkelijk korte slag geen vette klappen van de grote molen, zoals de 1811 cc Chief dat doet. Toch weet de Scout Sixty je op het verkeerde been te zetten in de wetenschap dat hij bijna 8.500 tpm kan draaien. Sterker nog, de acceleratiekracht bij lage toeren voelt sterker dan je op basis van het hoge toerental zou verwachten. De krachtbalans van de 850 stationaire toeren tot het tienvoudige blijkt zo goed dat ik tijdens de driehonderd twintig kilometer eigenlijk geen moment verlegen zat om bottom power. Terwijl de Sixty toevallig wel 246 droge kilo’s dient te verslepen, plus een rijder en wellicht tanktas of rugzak als enige bagageattributen. Okay, het accessoirespakket biedt lederen bergruimte, ruiten in soorten en maten en onder andere Remus kanonspijpen. Plus, let wel, optionele schokdempers ‘for those who want to push the bike harder’.

Sophisticated hulp- c.q. lapmiddelen zoals keuzemenu’s in rijmodi kent de Sixty niet, hoeft ‘ie ook niet. Injectie en gasreactie functioneren onder alle omstandigheden voorbeeldig vanuit de losse pols zonder dat de power ook maar een moment zou willen intimideren. De padvinder, hij eet uit de hand, maar is tegelijkertijd niet vies in vuurtje stoken. Heb je bij tijd en wijle behoefte aan uitwaaien op hoge(re) snelheid, dan biedt de krachtbron je die mogelijkheid. Het is met deze V-twin niet zo dat je veroordeeld bent tot relaxed hakkepuffen omdat het motorblok domweg tot niets anders in staat is.

Nieuwe stijl

Dit cruisen nieuwe stijl van (en op) Amerikaanse bodem maakt serieus wat in je los, zij het dat de padvinder vocaal meer zijn mannetje zou mogen staan. Door de enorm lange dubbelloops pijpen (wat moeten die wel wegen?!) worden de gedempte verbrandingsklappen ver achter de rijder uitgespuwd, zodat een achtervolgende biker bijkans meer jolijt beleeft aan de sound dan jijzelf.

Een minder florissante erfenis van vadertje Scout zijn aanzwellende motortrillingen boven de vijfduizend toeren. Die vormen eerder regel dan uitzondering op een 60° V-twin. Bij doortrekken en –schakelen heb je er geen last van omdat het kortstondige momenten betreft. In de hoogste versnelling correspondeert het begin van de vibraties met 120 – 130 km/u, waarmee de vraag is gesteld hoe vaak je Amsterdam – Maastricht zou willen afleggen op een Scout (Sixty) op hoge, illegale snelheid. Eigenlijk alleen als je op de bestemming erachter komt dat je thuis het fornuis met pannetje rijstepap vergeten bent uit te zetten. Grotere argwaan richting de trillingen zullen we pas moeten betrachten als Indian het plan uitvoert om een stoere, krachtige naked te maken op basis van dit blok en frame.

Ben je benieuwd naar toerentallen, zul je over een knap stel ogen moeten beschikken. Een snelheidsmeter is ‘what it takes’ het beeldschermpje biedt toerental, tripmeter, totaalstand, motortemperatuur. De keuze tussen deze parameters is te maken met de linker wijsvinger, dus waar reguliere machines hun flitslicht hebben zitten.

Frivool en fruitig

Niet alleen wat betreft zijn laagtoerige kracht, maar ook qua soortelijk gewicht lijkt de Sixty de rol van ‘great pretender’ te vertolken. Zou Indian een drooggewicht van tweehonderd kilo hebben opgegeven, ik had het blindelings geloofd. Het moet aan de extreem lage en de rond het motorblok geconcentreerde bouw te danken zijn dat de machine zo frivool door bochten en hoeken fladdert. De wielbasis van dik anderhalve meter en de 29° balhoofdhoek weet de Indian succesvol te camoufleren doordat om te beginnen het voorwiel niet de hatelijke eigenschap heeft om bij de geringste manoeuvre in de bocht te willen vallen. In navolging van Ducati, die met de Diavel blijft aantonen dan er met een 240 mm achterband prima te sturen valt, demonstreert Indian de neutrale, transparante, aangename verdiensten van een 130/90-16 worst aan de voorzijde. Dat rubberwerk stamt van het Chinese Kenda en voldoet, behoudens gevoeligheid voor lengterichels. In het snelle bochtenwerk wil linksaf iets eerder aan de grond dan rechtsaf vanwege de zijstandaard, maar de mate van grondspeling volstaat wel om eventuele stuurambities van de rijder serieus te nemen. Een machine als – ik noem er maar een – de Harley Forty-Eight raakt bij wijze van spreken bij sterke zijwind al het asfalt wat de stuurmogelijkheden van mens en machine jammerlijk tekort doet. De bandengrip bij nat wegdek moeten we even op sterk water zetten, in afwachting van Scout’s aankomst in ons gezellige zeeklimaat…

Voor het oog is de rempartij bepaald niet iets om van in extase te raken, maar zeker de achterrem met één (1) zuigertje toont zich bijzonder effectief, zo effectief dat het in Europa standaard uitgeruste ABS welhaast een must is.

Diavelse Scout?

Rozig laat ik in de fascinerende woestenij van het Red Rock natuurpark de kabels vieren na ’s werelds beste hamburger in cowboydorp Bonnie Springs Ranch. Met het tempo op cool down-niveau blijkt het aangenaam toeren met de bips zo laag over het asfalt scherend. Niet meer dan zes en een halve centimeter veerweg kennen de twee dappere, schuine schokdempers, maar een spoedafspraak bij een lokale chiropractor kan uitblijven. Kort als de veerweg is, slaan de dempers niet door en bieden ze in dat handjevol centimeters nog een acceptabel comfort, tenzij je natuurlijk verzonken putdeksels over het hoofd ziet. Ook bij sneller stuurwerk voelen ze zeker niet onderbemeten; de achterzijde volgt de voorkant stabiel en zeker. Opvallend, aangezien uitgaande demping en enige negatieve veerweg ontbreken, de schokdempers na inveren dus keihard tegen de bovenste stuit terugkeren. In combinatie met de ongecompliceerde, soepele, maar ook weer best aangename voorvork lijkt de Scout Sixty alle geschreven wetten over effectieve veerelementen en rijgedrag te tarten. Want sturen, veren en toeristisch rijden laat de Indian erg goed toe. Zou deze Sixty qua positieve verrassingseffect dan de ideale opstap vormen voor de Ducati Diavel? Alles wijst in die richting…

King?

Met de rugzak als koudeschild voor de borst gebonden, wijst mijn richting oostwaarts, naar de immense verlichte gloed boven de horizon in een verder aardeduistere avond. Zo’n memorabel moment van totale gemotoriseerde gelukzaligheid, eenzaam op je eenzitter, zonder misplaatste afleiding door een kleppende passagier, schallende radio, luxe bagage, laat staan telefonische bereikbaarheid.

Met de vuurzee aan neon in het steeds dichter naderende verschiet, passeert de Sixty en zijn rijder steeds meer immense wielen van doordenderende Peterbilts en Kenworths. Bijna verontrustend, zo nietig, laag en smal ik me voel op deze freeway. Staan de kwaliteiten, ook op de snelweg, van de Indian buiten kijf, ik begin me serieus af te vragen of deze jongen zich wel stoer en macho genoeg voelt. Voel ik me op een Chief werkelijk ‘King of the Road’ (met praktische ongemakken van dien, zoals de – slik! – aankoopprijs), de Scout Sixty en zéker de 1133 cc vormt door zijn geringe formaten juist een stijlbreuk met de pompeuze Amerikaanse traditie.

Die verandering van spijs komt ons Europeanen verdraaid goed van pas, de 1133 bewees dat al. Gretige toerentallen, een zeer aanvaardbare onderbuik, verbazingwekkend stuurwerk; de Scout Sixty past prima bij ons snelle, hectische, bochtige netwerk en verkeersbeeld. Meer nog dan in Amerika; schijnen geen bochten te zijn, heb ik me laten vertellen…

Joost over de Scout Sixty

De tijd dat zelfs de magerst gemotoriseerde custom of cruiser eruit moest zien als een twee liter koppelkanon, is wel voorbij. Gelukkig maar, want de slanke, lage Scout Sixty is een duveltje uit een doosje waarmee bijzonder veel schik mee te beleven valt voor wakkere rijders. Zeker als je als ‘angry young man’ (of ‘girl’), strijdend tegen vastgeroeste conventies en rijders onderweg op bochtig parcours eens even goed wilt verrassen. Het (wederom) verbluffende frame en krachtbron – op te waarderen tot vijf jaar garantie – maakt o zo benieuwd naar een eventuele naked roadster op dezelfde basis. Jammer dat de dure dollar het prijsniveau wat te hoog houdt.

Norton Dominator SS 2016

0

Ik ben bijna door mijn tijd heen. Maar ik wil nóg een rondje op de Dominator SS. De fabriek van Norton bevindt zich achter Donington Hall, op een vorksplitsing aangegeven naar rechts. Ik kies echter voor links: een korte, door bomen omlijste oprijlaan die ineens buigt om uitzicht te bieden op het klassiek symmetrische, Gotische en deftige huis. Een perfecte omlijsting van de rit…

Roland Brown

Een paar Union Jack vlaggen wapperen op het dak. De Aston Martin – met nummerplaat SG V8 – van Norton-baas Stuart Garner staat buiten, naast het rode tapijt bij de deur. Een geweldige, typisch Britse setting die wordt versterkt door de aankomst van een even spectaculaire Norton, met op de glimmende tank uiteenspattende zonnestralen.

Ik rijd langzaam verder op de oprijlaan, doe een snel rondje rond het ronde tuindingetje voor de voordeur van de Hall. Daarna geef ik de Dominator weer de sporen richting terug. Waarbij de uitlaatpijpen een korte, oorverdovende blaf produceren. Een paar minuten later parkeer ik voor de fabrieksingang van Norton, overhandig de SS aan een klaar staande technicus – ‘we hoorden je al aankomen’ – om achter te blijven met piepende oren, snelkloppende aderen en een enorme grijns op mijn gezicht.

Nauw verwant

Wanneer de Dominator SS er bekend uitziet, dan komt dat waarschijnlijk omdat hij nauw verwant is aan de niet straatlegale Domiracer. Een fiets die vorig jaar bij zijn onthulling al heel wat aandacht genereerde. Die originele twin, een geesteskind van Norton’s chef-technicus Simon Skinner, is een met liefde, handmatig gebouwde, complex gedetailleerde sportieve versie van de Commando 961. Slechts vijftig keer gebouwd en uitverkocht binnen een week, ondanks zijn prijs van 25.000 Britse ponden (ca. 34.000 euro, zonder de typisch Nederlandse belastingen etc.). Waarbij sommige eigenaren nog eens 2.750 euro extra betaalden om deze motor straatlegaal mee naar huis te krijgen.

Norton liet zich niet vermurwen om meer Domiracers te bouwen. Toch heeft deze fiets navolging gekregen in de vorm van de straatlegale Dominator en de nog exotischere versie, de SS (Super Sport). Hij doet denken aan de Dominator 650SS uit de beginjaren zestig: de bevallige paralleltwin met dubbel wiegframe en een inhoud van 646 cc. Een fiets die behoort tot de meest illustere Norton-creaties, een van de snelste en meest verfijnde straatfietsen van zijn tijd.

Minimalistisch

Net zoals de Domiracer is de Dominator SS slank en minimalistisch, met als stralend middelpunt een glimmende aluminium brandstoftank. Deze hangt boven een zeer herkenbaar Norton-vormig motorblok, waaruit aan beide zijden een enkelvoudige uitlaatpijp ontspruit. Deze kronkelt heerlijk alvorens te eindigen in een ingewikkelde, handgevormde megafoon.

De uitstraling van de caféracer verschilt veel van die van de Commando waarop deze is gebaseerd. Het 961 cc metende, luchtgekoelde blok is echter ongewijzigd gebleven. Dit blok haalt zijn prestaties uit een lange slag van 88 x 79 mm. Het frame is echter geleend van de Domiracer, met zijn diagonaal gemonteerde monoshock in plaats van de dubbele versie van de Commander. De bovenste buizen buigen aan de achterkant naar beneden, op een manier die doet denken aan het beroemde wiegframe van Norton.

Niet teleurstellen

Ondanks de overeenkomsten zijn er ook veel verschillen tussen de Domiracer en de Dominator SS. ‘We vonden de Domiracer eigenlijk te mooi om er maar vijftig van te maken. Aan de andere kant wilden wij natuurlijk ook de mensen die hier veel geld voor hadden betaald niet teleurstellen’, zegt Skinner. ‘De Dominator heeft het kleine scherm, iets dikkere pijpen, andere zijpanelen en wat andere dingetjes om de prijs te reduceren en hem geschikt te maken voor massaproductie. Als je slechts vijftig eenheden maakt, kun je eenvoudig over de top gaan qua details. De Dominator moest echter een productiemachine worden.’

Dit is bijzonder waar in het geval van de standaard Dominator. Deze wijkt af door zijn in Commando-stijl gespoten tank, in plaats van de handgerolde aluminium versie van de SS. Dit gepolijste deel weerspiegelt zich overigens in het bovenste vorkdeel en de bevestiging van de dubbele chroomomrande instrumenten. Het duurdere model krijgt bovendien voetsteunen van ruw aluminium, evenals onderdelen zoals de om gewichtsredenen doorboorde zijpanelen die worden gedeeld met het standaard model.

Gedrongen monozit

De monochrome uitstraling wordt benadrukt door de gedrongen monozit van koolstofvezel. In de neus hiervan zit het aluminium klepje van de olietank die, bij de SS, is voorzien van een subtiel geschilderde Union Jack. Meer koolstofvezel is te vinden in de airbox (inclusief de vermelding #1 op deze als eerste geproduceerde fiets), de spatborden en het kleine scherm boven de ronde koplamp. Het cilinderoppervlak en de aluminium spaakwielen zijn in zwart uitgevoerd, net zoals frame en swingarm. Zelfs de veer van de Öhlins schokdemper is zwart in plaats van het bekende geel.

Gefascineerd

Het is één van die fietsen waar je urenlang gefascineerd naar kunt kijken, maar daar heb ik geen tijd voor. Dus zwaai ik mijn been over de redelijk lage zitting, die is gevoerd met een dunne laag schuim, en buig voorover om te leunen op de lage, slanke, achterwaarts gebogen clip-on handvaten. De contactsleutel zit onder de nette klokken met zwarte wijzerplaten. Met een druk op de knop komt de 961 cc stoterstangenmotor tot leven, begeleid door een diepe, donderende explosie van geluid (de SS wordt eveneens geleverd met gehomologeerde uitlaatdempers). Een geluid dat doet denken aan een pitstraat met klassieke racers.

De voetsteunen zijn ietwat naar achter en redelijk hoog geplaatst, toch voelt de Dominator behoorlijk comfortabel. Ik schakel de eerste versnelling in… en doe dat nog een keer om zeker te zijn dat het goed gaat. De eerste versnelling inschakelen is misschien wat problematisch omdat deze eerste SS – de persoonlijke fiets van baas Garner – nog weinig kilometers heeft gemaakt. De flinke paralleltwin heeft echter genoeg pit bij lage toeren en heeft zo’n lage overbrenging, dat hij ook prima in zijn twee wilt optrekken, wanneer daarom wordt gevraagd.

Geen twijfel

De gasprespons is soepel. Je hebt slechts een kleine draai aan de gashendel nodig. Ondanks zijn agressieve caféracer imago is er geen sprake van oncontroleerbaarheid of twijfel; slechts een krachtige, onmiddellijk aanwezige portie acceleratie, gecombineerd met een heerlijk breed uitgemeten toerengebied aan koppel. Met als toetje een heerlijk geknetter uit de uitlaat wanneer je de gaskraan dichtdraait.

De vrij ademende pijp voegt een paar pk’s toe aan de 80 pk – bij 6.500 tpm – van de standaard Commando. Met een maximum koppel van 90 Nm bij net iets meer dan vijfduizend toeren levert dit meer dan genoeg acceleratie op voor pret op binnenwegen. Eenmaal onderweg schakelt de bak prettig en lijkt de Domi altijd klaar voor een snelle sprint wanneer je de gashendel even beroert. Hierbij geholpen door zijn lage overbrenging die er voor zorgt dat hij 5.000 tpm draait bij 120 km/u.

Gezoem

Er ontstaat rond het rode gebied bij de achtduizend toeren wel wat gezoem door de achterwaarts geplaatste voetsteunen en de dun gevoerde zitting. Deze fiets is niet echt gemaakt voor gebruik op de snelweg, maar voelt zich helemaal in zijn element wanneer ik een brede, bochtige, doorgaande weg bereik en de snelheid opvoer richting topsnelheid van net iets boven de 200 km/u. Voor deze wegen en weggetjes is hij ideaal: snel genoeg voor de kick, terwijl de heggen aan beide kanten van de weg voorbij schieten. De prestaties worden beklemtoond door zijn rumoer en de wind die aan mijn schouders en nek trekt, ondanks het kleine carbon stuurkuipje.

Het chassis is goed afgestemd op de prestaties, zoals je mag verwachten van een relatief lichte en eenvoudige fiets, waarbij een afstammeling van het beroemde wiegframe de boel bij elkaar houdt. De oude Dominators hadden helaas niet het voordeel van een stevige swingarm zoals de SS die heeft. Of van de topkwaliteit Öhlins vering aan beide uiteinden. De meervoudig instelbare upside-down vork en de piggy-back TTX schokdemper staan garant voor een soepele rit. Om de schokdemper te verstellen volstaat het om even voorover te buigen en de gemakkelijk bereikbare knoppen iets bij te stellen.

Sportieve geometrie

De mix van een 17-inch voorwiel en een lekker sportieve geometrie zorgt voor scherpe en accurate besturing. Het maakt de Norton plezierig wendbaar op de soms hobbelige binnenwegen van de Britse Midlands. Grote schijven voor en radiaal geplaatste Brembo klauwen leveren krachtige en controleerbare stopkracht. Zonder ABS. Dat dan wel. De Dunlop Qualifiers plakken prettig op de weg en er is genoeg bodemspeling om goed hard door de bocht te gaan. Mocht je een circuitje overwegen, weet dan wel dat de lage uitlaten als eerste over het asfalt schrapen, met als mogelijk gevolg een lichter wordend voorwiel.

Pure pret

De Dominator is pure pret wanneer je er agressief mee rijdt, hoewel fietsen zoals deze ook dan niet echt hard rijden. Hij voelt al één met je op meer vriendelijke snelheden. Het is geen fiets voor de stad, maar kan goed overweg met de soms wat langzamere stukken op de route, zoals het doorkruisen van een dorpje. Waarbij ik zonder resultaat probeer om het geluid een beetje in toom te houden. Gelukkig arriveer ik weer in Donington Hall zonder de lokale politie wakker te schudden. Die hebben waarschijnlijk wat minder begrip voor dit uitstekende, hoewel ietwat asociale, stukje lokale vakmanschap.

Onderweg dienen zich wel een paar kwaaltjes aan. De chique aluminium tankdeksel lekte een beetje nadat ik de tank had gevuld. Ook is het achterlicht los getrild. Dit is een traditie bij Britse twins, iets waar kopers niet op zitten te wachten nadat ze 24.500 pond hebben besteed aan de Dominator SS. Echter, opstartprobleempjes kun je mogelijk verwachten.

Gelimiteerd

Hopelijk heeft Norton deze zaken onder controle nu de gelimiteerde productie van 200 eenheden van de SS loopt en de meeste er van al zijn verkocht. Wie er toch een wil hebben nadat alles is verkocht, kan de ongelimiteerd leverbare standaard Dominator (UK £1.950) upgraden met aluminium tank en luide uitlaat. Zodat het bijna een SS is.

Roland over de Dominator SS

Hoe dan ook, de herboren Dominator is een bijzondere motorfiets. Er zijn genoeg snellere, efficiëntere en rationelere fietsen te koop, vaak voor veel minder geld. Maar er zijn er slechts een paar die in de buurt komen van en uitzien, klinken en voelen als deze verbazingwekkende, old-school caféracer die Norton’s wedergeboorte in een nieuwe versnelling zet. De nieuwe Dominator betekent een voortzetting van de beroemde lijn van tweecilinder Nortons met deze naam. De originele Dominator was de 497 cc Model 7 uit 1949, de eerste naoorlogse paralleltwin roadster van Norton. Maar de SS is pas écht schatplichtig aan de Dominator 650 SS uit 1962. Een motor die de naam Norton definitief op de kaart zette. De nieuwe SS is een passend eerbetoon.

Dominator – de tweecilinder traditie van Norton

De nieuwe Dominator betekent een voortzetting van de beroemde lijn van tweecilinder Nortons met deze naam. De originele Dominator was de 497 cc Model 7 uit 1949, de eerste naoorlogse paralleltwin roadster van Norton. Hij moest het opnemen tegen de Triumph Speed Twin die een revolutie had betekend in de motorfietsindustrie.

Model 7, ontworpen door Bert Hopwood, produceerde 29 pk en kende een topsnelheid van 150 km/u. Hij was vrij licht en bouwde een goede reputatie op qua betrouwbaarheid en solide handling. Het werd een succes, ondanks de hogere aanschafprijs dan zijn concurrent van Triumph.

Al snel diende de opvolger zich aan, een stijlvoller model, de Dominator 88. Deze beschikte over het dubbele wiegframe dat succesvol was bij de eencilinder Manx racefietsen van Norton. Het wiegframe bewees zich als ideale combinatie met de tweecilinder en gaf de Dominator 88 prettige handling en een licht gewicht, twee zaken die bijdroegen aan het succes.

In 1956 vergrootte Norton de cilinderinhoud naar 597 cc om de Dominator 99 aan te drijven. Echter, het best bekende model met de beroemde naam verscheen in 1962: de Dominator 650SS. Dit was een stijlvol, zilverkleurig sportmodel met een 646 cc motorblok, goed voor 49 pk. Met dank aan de valstroomcilinderkop, ontwikkeld naar die van de Domiracer productieracemachine die in eerdere jaren meestreed in de TT.

De Dominator 650SS is misschien wel de eerste twin van Norton die competitieve prestaties op de rechte lijn combineert met de verfijnde handling, een traditie van het merk. Deze motorfiets won verschillende prestigieuze langeafstandsraces voor productiemotoren en werd door Motor Cycle News uitgeroepen tot ‘machine of the year’ in 1962 en ’63. Hij bleef zes jaar in productie (waarna hij werd vervangen door de Commando 750 cc) en wordt gezien als een van de beste Nortons ooit. Een passende inspiratiebron dus voor de nieuwe Dominator SS.

Ducati 959 Panigale 2016

0

De laatste rondjes op de Ducati 959 Panigale op het circtuit van Valencia. Normaal gesproken zou ik behoorlijk afgedraaid zijn. Maar op deze ‘kleine’ Panigale kan ik eigenlijk de hele dag wel doorgaan. Heeft Ducati zijn racers getemd?

Roland Brown

Een introductie op het circuit is altijd pittig, helemaal als de laatste ronden in zicht zijn. De kans op foutjes is dan groot, en menig journalist is er in de laatste bocht wel eens af gegaan. Maar toen er deze keer met de geblokte vlag gezwaaid werd, besefte ik dat ik best zou willen doorrijden tot de tank helemaal leeg was. En dat terwijl ik eerder op de dag de indruk kreeg dat de 959, vergeleken met grote broer 1299 Panigale, weliswaar snel en capabel is, maar ook een beetje… ehm… saai. Toen was ik echter nog niet verleid door de eigen, subtiele charmes van dit super-middengewicht van Ducati.

Natuurlijk is het niet eerlijk om de 959 te vergelijken met hun wapen in de open klasse, al was het alleen maar omdat ze hem wat zwaarder hebben moeten maken om te voldoen aan de Euro 4-normen. Door de nieuwe uitlaat met dubbele geluiddemper en andere uitstootgerelateerde maatregelen heeft de 959 een nat gewicht van 200 kg, 7 kg méér dan zijn voorganger, de 899 Panigale. In vergelijking met de 1299 betekent dat 20 extra kilo’s.

Is dat erg? Mwah, het is helaas de realiteit in 2016, voor álle fabrikanten. De laatste tijd zijn we eraan gewend geraakt dat vooral rappe Ducati’s steeds sterker én lichter werden.

Vanwege de Euro 4 norm moesten de ingenieurs in Bologna zich echter opeens concentreren op het verminderen van het geluidsniveau. Het extra gewicht van de grotere dempers en andere onvermijdelijke voorzieningen om de motoren stiller te maken moesten ze vervolgens zien te beperken. Dan valt die 7 kilo nog best mee.

Aanpassingen

De hogere prestaties van de grotere V-twin motor met een inhoud van 955 cc worden door die extra kilo’s grotendeel tenietgedaan. Het piekvermogen ligt op 157 pk bij 10.500 tpm, wat 9 pk meer is dan bij de 899. Maar het draait niet alleen maar om de prestaties bij deze aanpassing. Net als 899, is de 959 ontworpen om rijders van andere merken en typen motoren aan te trekken, doordat hij gebruiksvriendelijk is en zich thuis voelt op zowel de weg als het circuit. Daarvoor is de 899 op flink wat punten aangepast.

Zo is de Superquadro achtkleps desmomotor gegroeid naar 955 cc, dankzij een langere slag van 60,8 mm (hetzelfde als bij de 1299) in combinatie met een boring van nog steeds 100 mm. Andere injectoren, een verbeterd high-flow luchtfilter en grotere uitlaatpoorten met een diameter van 60 mm, dragen bij tot een aanzienlijk hoger koppel boven de 5000 toeren.

Nog belangrijker zijn de veranderingen die doorgevoerd moesten worden met het oog op de Euro 4 norm, want zonder die aanpassingen zou de motor in vele landen niet op de markt gebracht kunnen worden. De cilinderkop- en carterdeksels zijn voorzien van geluiddempend materiaal. Het ontwerp van de distributieketting, tandwielen en geleiders is aangepast om het geluidsniveau te verminderen. En dan is er nog die nieuwe dubbele uitlaat, die Ducati heeft gemonteerd om het geluid in toom te houden (in Amerika, Australië en een aantal andere landen wordt de 959 nog steeds verkocht met de compacte uitlaatpijp van de 899). Desondanks blijft de Panigale een motor die er fantastisch goed uitziet, met de originele zwarte geluiddemper of uitgerust met de titanium Akrapovic slip-on, een ‘street-legal’ accessoire.

De veranderingen in het chassis zijn minder ingrijpend. De 959 behoudt het aluminium monocoque-frame van zijn voorganger, met de combinatie van 43 mm Showa Big Piston vorken en Sachs schokdemper, maar het draaipunt van de achterbrug is 4 mm verlaagd. Naast de iets bredere, meer bescherming biedende kuip van de 1299 is hij ook voorzien van de aluminium voetsteunen die geïntroduceerd zijn met de limited-edition Superleggera.

Electronica

Het elektronicapakket is te vergelijken met dat van de 899. Tractieregeling met acht standen en drie rijmodi waarbij de ABS-instelling automatisch aangepast wordt. Op verzoek van Ducati rijden we onze eerste sessie op het circuit van Valencia in Sport, de middelste stand (die dus gewoon eigenlijk ‘Street’ zou moeten heten). Dat is niet meteen een succes, want nadat de 959 is aangeslagen met een aanzienlijk gedempt maar nog steeds herkenbaar V-twin geluid uit die shotgun-pijpen, voelt hij wel wat braaf aan op de baan.

De bochten uit accelereert hij met minder venijn dan ik had verwacht. Dat is deels te danken aan de tractiecontrole, die in Sport vrij behoudend staat afgesteld. Ook stuurt hij wat minder soepel dan ik had gehoopt; hij heeft de neiging de apex te missen en wat uit te lopen. Nogmaals: op de A3 autopista richting Madrid is de Sportstand waarschijnlijk prima, maar op het circuit hebben we meer nodig.

Standje circuit

Dat kan gelukkig geregeld worden, met paar simpele drukken op de knop en een tandje meer veervoorspanning. Voor de volgende sessies gebruiken we dus de scherpere Race-modus. En monteur Gabriele geeft de schokdemper wat meer pep om mijn gewicht en formaat te compenseren. Ook monteert hij achter een nieuwe Pirelli Supercorsa SC2 (standaard is de 959 uitgerust met een Diablo Rosso Corsa), omdat het achterwiel vóór mijn eerste sessie wat versleten was.

De verbeteringen zijn meteen duidelijk. Het gas reageert feller en directer; de Ducati schiet met veel meer enthousiasme de bochten uit. Slechts af en toe voelen we een betrekkelijk kleine onderbreking door de DTC, die nu teruggezet is tot de derde van de acht standen. Op de betrekkelijk korte pitsstraat van Valencia trekt de Panigale op tot zo’n 250 km/u, met nog iets achter de hand, terwijl ik mijn hoofd zo ver mogelijk omlaag buig achter het iets hogere scherm, geërfd van de 1299.

De topprestaties zijn beslist beter vergeleken bij de 899, net als het koppel in de middenregio, wat nuttig is op de weg. Maar zelfs deze V-twin met langere slag heeft toch minstens 7000 toeren of meer nodig op de teller om met een flinke stoot uit de bochten te komen. Ook knal je bij 11.500 toeren vrij abrupt tegen de toerentalbegrenzer aan, even opletten dus. Bij de reeks tweedeversnellingbochten in het middenveld van het Ricardo Tormo circuit betekent dat doorschakelen en meteen weer terugschakelen. Iets meer bruikbaar toerenbereik zou welkom zijn.

Voor wat betreft de versnelling is er goed nieuws en slecht nieuws. De bak is heel soepel en de quick-shifter, een verfijndere uitvoering van die van de 899, werkt feilloos. Ook lagere toerentallen lijkt hij goed aan te kunnen, wat een voordeel is op de weg. Maar in tegenstelling tot de shifter van de 1299 heeft hij geen auto-blipper voor terugschakelen. De 959 is wél voorzien van een doeltreffende slipperclutch, die vooral nuttig was toen ik al remmend twee versnellingen moest terugschakelen voor een lange, langzame linkse bocht.

Voorts verliest de 959 heel vlug snelheid, hoewel de bekwame Ducati ook op het gebied van remmen oneerlijke circuitconcurrentie heeft van zijn grotere broer. De Brembo M4.32 remklauwen van de 959 leggen het af tegen de tweevingerfelheid van de sublieme M50’s van de 1299. Op de weg verdient de minder scherpe remkracht van de kleinere motor wellicht de voorkeur. En het Bosch ABS functioneert zelfs op het circuit geweldig, hoewel het lang niet zo geavanceerd is als het bochtensysteem van de 1299.

Precisie

Ook de wegligging is prima in orde, althans na die extra slag voorspanning op de voordempers. Motorrijders van normale lengte zullen dat probleem waarschijnlijk niet hebben (hoewel de iets kleinere berijder met wie ik de motor deelde ook de voorkeur gaf aan de hogere stand). De uitstekende dempingsregeling van de ophanging is gunstig voor iedereen.

Na de aanpassingen zwenkt de Panigale met indrukwekkend gemak en precisie de bochten in. Een extra klik compressiedemping op de goed toegankelijke vorkstelschroeven van de Showa’s zorgt voor meer stabiliteit tijdens het remmen. Ook is hij heel stabiel; af en toe trekt hij een beetje wanneer ik over een van de kleurrijke, brede stoepen van het circuit rijd, maar met behulp van de Sachs stuurdemper herpakt hij zich heel snel. Ondanks extra kilo’s voelt hij toch licht en wendbaar aan, zodat de laatste linkse bocht met late apex, heuvelafwaarts, veel minder moeilijk lijkt dan bij vele andere motoren het geval is. Goed gedaan.

Dat is uiteindelijk wat me het meeste bij blijft over het rijden met de Panigale op Valencia: hoe zelfs de laatste rondjes van de dag zo moeiteloos lijken te gaan. Net als zijn voorganger, de 899, haalt hij het niet bij de rauwe racekracht van de lichtere en veel krachtigere 1299; diens rondetijden zal hij, naar ik inschat, evenmin benaderen. Maar zonder enige twijfel zal de 959 snel zijn op het circuit en allerlei soorten motorrijders aanspreken. Wat minstens zo belangrijk is: het lijkt erop dat hij de traditie van zijn voorganger voortzet en tevens een fenomenale superbike voor op de weg is.

Paul Ventura, manager productmarketing van Ducati

‘We waren toch al van plan om de 899 te moderniseren voor 2016, want voor onze superbikes hanteren we dezelfde filosofie als bij het racen, namelijk altijd vooruitgaan. Maar het belangrijkste van dit project waren de veranderingen die we moesten aanbrengen om te voldoen aan de Euro 4-normen.’

‘Dat was een heel nieuwe uitdaging voor ons. Volgens mij zijn we heel blij met het resultaat, maar gemakkelijk was het niet. Het was niet bepaald een klein project, het had heel wat voeten in de aarde. Afgezien van alle aanpassingen aan de motor moesten we voor Euro 4 nog meer dingen aanpassen. Bijvoorbeeld de swing-arm, niet alleen voor het verlaagde draaipunt maar ook om ruimte te maken voor de nieuwe laterale uitlaat.’

‘Een goede berijdbaarheid is net zo belangrijk voor de 959 als prestatie; dat was ons uitgangspunt. Net als de 899 is het geen instapmodel, maar de poort naar de wereld van Ducati superbikes. We wilden een model dat voldoende prestaties bood om motorrijders van alle niveaus aan te spreken, ook de meest ervaren rijders, maar dat niet intimiderend was.’

“De 959 is nog steeds de motor waar je probleemloos op kunt stappen en plezier aan beleeft, zonder dat je het gevoel hebt dat je het moet bezuren als je iets verkeerd doet. Ons streven was een motor te maken die echt heerlijk rijdt, niet alleen op het circuit maar ook op de weg.

‘Is er nu ruimte in ons assortiment voor een kleinere sportmotor? Misschien. Vanwege de elektronica wordt het grote vermogen van deze motoren steeds minder een obstakel, ook voor beginnende rijders. Dus misschien is er wel ruimte voor een motor met kleinere cilinderinhoud, maar dan moeten we een manier vinden om die te realiseren binnen onze merkwaarden. En tegenwoordig verwachten de afnemers allerlei functies, zoals tractieregeling.’