vrijdag 24 april 2026
Home Blog Pagina 1159

Is dit de nieuwe Aprilia RS660 Supersport?

0
2020 Aprilia RS660

Op de EICMA 2018 toonde Aprilia een nogal verrassende motor: de RS660. Met veel bombarie werd de motor geïntroduceerd en aangeprezen als een nieuwe supersport. De Aprilia RS660 zou klaar zijn om het op te nemen tegen Kawasaki en Yamaha. Zowel op de weg als op het circuit.

We zijn inmiddels een half jaar verder. De eerste levenstekens van de Aprilia druppelen binnen. Zoals op social media, waar deze patentfoto’s opdoken. De poster beweert bij hoog en bij laag dat dit de nieuwe supersport uit Noale is. Zou kunnen. Maar mocht het waar zijn dan lijkt de motor uiterlijk weinig veranderd ten opzichte van het originele concept dat in Italië stond.

De Aprilia wordt aangedreven door een 660 cc paralleltwin die is afgeleid van het RSV4-blok. Daarvan heeft Aprilia de twee voorste cilinders van de V4 gebruikt. Zo kunnen ze de motor zo compact mogelijk bouwen. De vering wordt nu geleverd door Sachs, niet door Ohlins zoals op de conceptmotor. De overige esthetische en technische aspecten van de motor lijken vrij onveranderd te zijn gebleven.

Schotland: Highlands in de winter

0

Doorrijden in de winter was de laatste jaren een makkie. Maar je kunt ook te ver gaan. Je kunt bijvoorbeeld hartje winter naar de Schotse noordwestkust rijden.

Vijf minuten nadat we in het pikkedonker in Dornie aan de westkust zijn gearriveerd strompel ik een bloedheet hotelkamertje in. Mijn natte jas en handschoenen gooi ik op de verwarming. Daarna trek ik mijn schoenen uit. De walm van 550 km geploeter in de regen over zompige highlands komt me tegemoet. De zware lucht van bloemkool en aardappels die in het hotel hangt, is er niets bij.

Vanaf de boot van Newcastle kostte het mijn reisgenoot Bas en mij bijna elf uur om er te komen, terwijl er volgens de routeplanner 6,5 uur voor staat. Dat zit zo: we hebben de verkeerde motor en we dragen de verkeerde kleding.

Oké, met een Honda CBF 600 SA is natuurlijk niets mis bij dit soort ritten. Maar een Suzuki DRZ400 met noppenbanden en een zadel ter breedte van een reetveter, is bij grote afstanden alleen voor sadomasochisten aantrekkelijk. (‘Nou, zit best lekker,’ hoor ik Bas zeggen.) Maar mochten we ergens op de Highlands in een meter sneeuw terecht komen, dan kan een van ons op de DRZ naar de bewoonde wereld rijden om een vaatje whisky te halen voor de ander.

Tosti-ijzer

De kleding bestaat uit goede winterpakken met daaronder warmteondergoed, maar het probleem zit natuurlijk in de handen en voeten. Eigenlijk heb ik hetzelfde aan als tijdens eerdere wintertochten door Ierland, Cornwall en de Elzas, maar daar was de regen lang niet zo hardnekkig en guur als vandaag door Schotland. Als je daarin urenlang bij een temperatuur van een graad of twee rijdt, gaat het interne kacheltje vanzelf uit. Maakt niet uit hoeveel koffie en broodjes je erin gooit. De enige manier om je handen en voeten warm te krijgen is om ze rechtstreeks in een tosti-ijzer te leggen. Of langdurig hete koffie vast te houden. Dat zorgt voor veel tijdverlies. En voor gemopper: want waar blijft toch die opwarming van het klimaat als je hem nodig hebt?

Palmbomen

De naam Dornie zal niemand iets zeggen, maar toch is het wereldberoemd. Dat komt door Eilian Donan Castle, dat hier op een eilandje voor het dorp ligt: een kasteel dat figureert in talloze reisgidsen en films als Highlander en The world is not enough. De middeleeuwse bunker vat het karakter van de Highlands krachtig samen: meedogenloos, grimmig, naargeestig en tegelijkertijd indrukwekkend.

Na Dornie kunnen we twee kanten op. Naar het eiland Skye of langs de westkust naar boven. Skye is overbekend, maar de westkust van het vasteland kun je rustig rekenen tot Undiscovered Scotland. En daarom kiezen wij de laatste mogelijkheid. En nog maar nauwelijks hebben we de route naar het noorden gekozen of de Western Highlands laten zich van hun zachte kant zien. Nu eens niet donkerbruin gras, maar groene struikjes, helmgras, varens, bloeiende rododendrons

en palmbomen. Zegt u? Jazeker. In de beschutte baai van het artiestenplaatsje Plockton groeien palmbomen. Die gedijen namelijk goed in plaatsen waar het VVV wil bewijzen dat het lang niet zo koud is als wordt gedacht. Maar daar trappen we natuurlijk pas in als er dames met een hoelarokje in de buurt zijn. Wij zien echter alleen Schotse wandelaars in regenjassen en knickerbockers. En we horen de palmbomen klappertanden. We bevinden ons niet voor niets op dezelfde breedte als het noordelijkste topje van Denemarken.

Zondagsrust

Het is snel gedaan met het lieflijke Schotland. Na een half uurtje rijden we alweer over een kale hoogvlakte die geflankeerd wordt door donkere bergtoppen van tegen de 900 m. Veel zien we er trouwens niet van, want de wolken hangen erg laag vandaag. Niet veel later komen er bakken vol water uit. Maar we hebben de indruk dat het hier op een droge dag best wel eens mooi zou kunnen zijn.

De wegen zijn minder leeg dan de dunne lijntjes op de kaart suggereren en we passeren nog redelijk wat dorpjes. Niet een daarvan heeft op deze zondag een geopend tankstation – iets waar je met een tankje van DRZ-formaat toch altijd zo reikhalzend naar uitkijkt. Respect natuurlijk voor de zondagsrust, maar bij Kinlochewe hebben we er genoeg van. Beleefd, maar vastberaden slepen we een mevrouw uit haar huiskamer met het verzoek het naastgelegen tankstation toch maar even te open te gooien. Ze doet het. Als straf voor de verstoring, gaat het daarna nog veel harder regenen. Al even verzopen als gisteren bereiken we ons hotel in Ullapool.

Verhaal gaat verder onder het kaartje..

Ingewandengehakt

Het havenplaatsje Ullapool heeft maar 1300 inwoners, maar toch is het de grote stad in dit gebied, met zelfs in de winter nog een betrekkelijk levendig centrum van witte stenen huisjes en net genoeg pubs voor een kleine kroegentocht.

In de Seaforth pub bestellen we een potje ingewandengehakt, beter bekend als haggis. Bij

buitenlanders staat dit nationale gerecht symbool voor de barbaarse smaak van de Schotten, maar eigenlijk valt het ons best mee. Dus dat zegt Bas dan ook vriendelijk tegen de gastvrouw. ‘Lang niet zo goor als ze zeggen, mevrouw!’ Als hij haar daarna even sympathiek wijst op een foutje in de bediening zijn de rapen gaar. Briesend loopt ze weg en ze weigert ons nog te bedienen.

‘Trots volk wel, die Schotten,’ zegt Bas als we ontnuchterd naar het hotel terugkeren.

Machtige kustbergen

Het weer is de volgende morgen volledig omgeslagen. Voor het eerst zien we blauwe lucht. Nu blijkt hoe prachtig Ullapool aan de diepblauwe Loch Broom ligt. Het is zo helder dat we de noordelijkste eilanden van de Hebriden, 70 km van de kust af, ontdekken. ‘We hebben het hele stuk niet voor niets gereden,’ constateert Bas tevreden. Als we weg A837 naar boven nemen, wordt het eigenlijk alleen nog maar mooier en magischer. Machtige kustbergen als de Ben More Coicagh (743 m) en Cul Mor (849 m) toornen groots boven breedgolvende moors uit, die zijn bedekt met bruingele heide. Maar dan wat gehuchten en boerderijen komen we niet tegen. Over de culturele bezienswaardigheden kunnen we dan ook kort zijn: een paar gesloten musea ter grootte van een schuur en twee ruïnes bij Loch Assynt. Een daarvan is Ardvreck Castle, dat als een soort middelvinger boven het loch uitsteekt. In april 1650 zocht de op de vlucht geslagen graaf Montrose hier zijn toevlucht. Nadat de vrouw des huizes Christine McLeod hem welkom had geheten, sloot ze hem met een list in de kerker op. Nog geen maand later werd de graaf in Edinburgh geëxecuteerd. Het voorval staat bekend als hoogverraad aan de legendarische Schotse gastvrijheid. Zoiets komt normaal gesproken nooit voor. Maar Bas denkt daar anders over. Hij meent zelfs te weten in welke pub te Ullapool een verre nazaat van Christine McLeod werkt.

Boomloos

Na het kasteeltje begint de noordwesthoek van de Highlands, die als het meest onhergbergzame deel bekend staat. De kolos Quinag Mountain (808 m), vlak na de enige haarspeldbocht die we tegenkomen, zorgt inderdaad voor een imponerend welkom. Maar daarna verzacht de winterzon veel. Zagen we de eerste dagen alleen maar zwartwit foto’s, nu bestaat het landschap uit aardige pastelkleurtjes. Toch blijft de ondertoon een tikkeltje zwaarmoedig. We houden het erop dat dit door de huizen komt. Betonkleurige, zuinige hokjes met kleine ramen, waarin alle ontberingen van het Schotse leven lijken opgeslagen. ‘Als ze hier houten huisjes hadden neergezet, zag het er drie keer zo vriendelijk uit,’ vindt Bas. De vraag is alleen waar ze het hout vandaan moeten halen, want het gebied lijkt grotendeels boomloos.

De weg begint steeds meer een waardig hommage aan John McAdam – de Schotse uitvinder van het asfalt – te worden. Bij het gat Newton hopt hij over wat eilandjes, erna kronkelt hij mild langs rotsachtige kustinhammen en lochs met helderblauw water. De hoogste bergen hebben we achter ons gelaten, maar de enkele piek die we passeren (Foinaven 911 m) is met sneeuw bedekt. ‘Gisteren gevallen,’ zegt een winkeleigenaar in Scouri More. ‘De winter is nog lang niet voorbij. En als je niet snel weg bent, ga je daar nog wat van meemaken,’ laat hij er onheilspellend op volgen.

Vrouwen met vislaarzen

De laatste stopplaats aan de westkust is het vissersdorp Kinlochbervie (480 inw.). Alle toebehoren die wijzen op een afgelegen ligging zijn hier aanwezig. Een tankstation waar je drie keer voorbij rijdt zonder het te zien, een winkel die alleen maar blikvoer en verf verkoopt, mannen die stomverbaasd naar motorrijders kijken, vrouwen met vislaarzen, een vishaven die met EU-geld is betaald en een hotel waar het nog steeds 1970 is. En bovenal een oogverblinde omgeving: steile heuvels, de woeste kliffen bij Droman en enkele van de mooiste stranden van Groot-Brittannië: Sandwood Bay en Oldshoremore. Er is zoveel moois te zien dat we ons reisdoel Cape Wrath – noordelijkste punt van de westkust niet voor donker halen. Morgen dan maar, besluiten we.

Hondenweer

Maar dat is een inschattingsfoutje. Dat blijkt als Bas de volgende morgen in alle vroegte paniekerig op mijn kamerdeur bonst. ‘We moeten snel weg,’ roept hij. ‘Het wordt hondenweer vandaag!’ Nog voor het goed en wel licht is, snellen we het dorp uit om dwars over de Highlands naar de oostkust over te steken. We zijn amper een kwartier onderweg of het begint te sneeuwen. En voor ons ligt 50 km onbewoonde wereld.

‘Hadden ze sneeuw voorspeld?’ vraag ik.

‘Ja, heel veel zelfs,’ antwoordt Bas. ‘Maar ik dacht: ik hou mijn mond maar, misschien zijn we het voor.’

We besluiten zo hard mogelijk door te rijden, want met het beetje dwarsprofiel van de banden van de Honda wil je niet door twintig centimeter sneeuw ploegen. Maar na 10 km is alles al wit, ook het wegdek. Door het groffe asfalt valt de gladheid nog mee, maar het zicht is slecht. Tegen het beslaan van het vizier is niet op te wrijven. Met een half geopende klep en sneeuwvlokken die in de ogen priemen, gaat het nog het best.

Wolven

Het verloop van de weg kunnen we nog net volgen door het spoor van een vrachtwagen die ons voor is geweest. Alsof we door een roedel hongerige wolven worden opgejaagd, jakkeren we voort. 60, 70 km/h rijden we, soms 90 en nog steeds voel ik de Honda nauwelijks glibberen. En dan komt de vrachtauto in zicht die voor ons uit rijdt. Het blijkt een strooiwagen te zijn…

Les één bij motorrijden in de sneeuw luidt waarschijnlijk: passeer nooit een strooiwagen. Maar dat bedenken we pas als we er al voorbij zijn. Vanaf nu concentreer ik me op het noppenspoor van Bas, die kennelijk minder last heeft van een beslagen vizier. Vraag me hoe, maar heelhuids bereiken we de bewoonde wereld.

Op de doorgaande wegen is de sneeuw hier al grotendeels weggereden. Maar het lukt niet meer om uit de greep van de kou te blijven. In etappetjes van hooguit 50 km rijden we van pubkachel naar pubkachel. De Schotse Highlandkust is prachtig in de winter, maar toch net iets te ver weg.

Royal Enfield Continental GT 650 & Interceptor 650 test

0

De laatste decennia associëren we Royal Enfield met prehistorische mono’s. Die tijd is over: met roadster Interceptor 650 en caféracer Continental GT 650 staan er twee moderne twins die niet alleen hun uiterlijk, maar ook hun prijs meehebben. Hoe rijden ze?

Frankrijk: Lotharingen

0

Gold Lotharingen door zijn kolen- en staalgebieden eens als grijze muis, nu is de industriecultuur salonfähig met schitterende steden als Metz of Nancy. Industriemoe?Het uitgestrekte akkerland rondom bieden ideale vluchtwegen in de groene natuur.

Klaus Daams

De hoogovens van Lorfonte en Richemont worden met potlood onderstreept. Niets tegen de mooie vakwerkdorpen of heuvels van de Vogezen, die in de reisgids eveneens worden beschreven, maar bij een reportage onder het motto : « Het avontuur werk – en natuur- in het kolenbekken om de Carreau Wendel-mijn » neemt de ansichtkaart-idylle nu eenmaal de tweede plaats in. Dus nog het hoofdstuk over de ijzer- en staalindustrie van Lotharingen aangekruist, voordat het boek tenslotte in de koffer van de Ulysses verdwijnt.

Op deze motor snel ik een paar uur later op de A1 door de Eifel richting Saarland. De vrijdagavondzon dompelt het vette wormachtige bochtstuk in een gouden gloed. De mijn (La Mine) en het industriemuseum Carreau Wendel, ook wel Wendel-Vuillemin genoemd, ligt direct achter de Duits-Franse grens in Petite-Rosselle- kan echter wegens het ontbreken van een fotografeervergunning pas na het weekeind bezoek van het Amerikaanse staal krijgen.

Genoeg tijd dus om met de brullende Buell de koeien in de wei te laten galopperen; of om ontspannen te kanoën op de liefelijke Nied, heel vreedzaam. Dat het in deze streek niet altijd vreedzaam toeging- Verdun is maar honderd kilometer verwijderd – en dat het noordelijke deel van Lotharingen en de hele Elzas eens tot het Duitse rijk behoorden, mag als bekend worden verondersteld en is hier niet het thema.

Hackenberg, het grootste fort in de Maginotlinie, de kastelen van Malbrouck en Sierck-les-Bains als ook Rodemarck, een van de misschien mooiste dorpen van Frankrijk, behoren tot de „musts“ voor iedere toerist. Dat geldt minder voor de hoogst omstreden en in het liefelijke Moezellandschap overal zichtbare atoomcentrale Cattenom met zijn vier machtige koelwatertorens, waaruit iedere minuut donkere wolken in de lucht ontsnappen.

Tijd om een logeeradres te zoeken. Alle hotels – en dat zijn er niet veel in dit niemandsland dicht aan de Luxemburgse grens – zijn vol. Geen wonder, morgen is het Pinksteren. Eerder van gisteren lijkt Aumetz, dat eruitziet als een uitgestorven, spookachtig stadje na de goldrush en waar de schachttoren van een stilgelegde mijn als een galg in de nachtelijke hemel oprijst. Er zit niets anders op dan naar Thionville te vluchten. In ieder geval een goede gelegenheid om op de bewegingsgolf van de Ulysses door het centrum te surfen totdat Odysseus eindelijk in het Hotel du Parc een zacht bed vindt. En daarna direct doorgestart naar het volksfeest op het Place de la Liberté, dat aan de Cranger kermis in het Roergebied herinnert.

Vrije tijd en werken, je afbeulen en je ontspannen- een verbintenis, waarin de meeste mensen gelukkig, of in ieder geval tevreden zullen zijn geweest. Voor de Kumpels in Lotharingen hield deze band tot het jaar 2004, toen voor de kolenmijnbouw het laatste uur sloeg. Tot dat jaar heeft men in ruim honderd jaar tijds bijna drie miljard ton minette gedolven, oölitisch ijzererts met een gering ijzergehalte, dat over een lengte van 120 kilometer van Haye tot naar Luxemburg in het gesteente van het Moezelgebergte te vinden is. De resultaten van de veredeling kunnen nu nog bewonderd worden aan de Eiffeltoren, waarvoor de staalfabrieken van Pompey 7300 ton materiaal hebben geleverd.

De crisis, onder meer veroorzaakt door concurrentie van hoger ijzerhoudend importerts, wist men te pareren door het productieassortiment uit te breiden en ook door investeringen in nieuwe technologieën, met het gevolg dat het Lotharingse staal thans op de wereldmarkt iedere concurrentie kann aangaan. Hoe dat er concreet uitziet, kan men goed bestuderen in de Vallée de la Fesch bij Thionville, waar het Arcelor-concern, wereldwijd nummer twee in de productie van staal, letterlijk hoog van de toren blaast. Omdat bij het traditionele hoogovenprocédé bij het winnen van een ton ruw ijzer ook 1,5 ton kooldioxide, de klimaatkiller bij uitstek, vrijkomt, hebben Europese ondernemingen de Ulcos (Ultra Low Co² Steelmaking) in het leven geroepen. Streven is om de emissies met 30 tot 70 % te verminderen.

Willen wij naar het openluchtmuseum van ijzerertsmijnen (Ecomusée des Mines de Fer) van Neufchef, ongeveer 10 kilometer ten zuidwesten van Thionville bij Hayange- of maken wij liever een rit de hemelsblauwe zondagmorgen in? Geen moeilijke keus. Maar voordat de als Enduro gecamoufleerde streetfighter met zijn achter traliewerk gevatte dubbele schijnwerpers als een gloeiende tweelingslans in de armada van insecten te keer gaat, eerst nog een ronde Hayange. Uit de functionele sculptuur van een staalfabriek- waar overigens de rails voor de TGV worden gemaakt – rijzen de drie somberbruine torens als raketbases op. Direct daarnaast bloeit een waar mijnwerkershuisjes- en volkstuintjes-idylle, en in de schaduw van de A30, die over de stad heen gelegd is, beloven de ongeschminkte beige-grijze gevels van de discotheek Decibel en van Club Privé Syracus ondanks of juist dankzij al deze triestigheid een leven vol kleur. De Underground Tattoo Studio in de rue de Verdun is in ieder geval in staat om deze kleurigheid op kunstige wijze en levenslang aan te brengen. En nu alleen nog XB12X in Barricade Orange.

Eerst naar de Moezel, dan naar het natuurpark om het meer van Madine, dat is grofweg het plan. Langzamerhand wordt het werkelijk mooi en typisch Frans.De hitparade dreunt uit de open bars en uit de over de rotondes cirkelende Clio’s en Co, die overluid worden begeleid door DJ’s met zomaar even 14000 lettergrepen per minuut. En er middentussen in de blues van de Buell, ondersteund door het luide zoemen van de ventilator voor de achtercilinder.

Plotseling moet er scherp geremd worden in Ars-sur-Moselle, waar op de stoep een zilveren unicum voor een excurs aanleiding geeft: „De kunst om samen met motors oud te worden“. De Peugeot Moto Comfort 250 van 1955 is de trots van Robert Buniet, die juist met zijn vriend René Maguin in een vakgesprek op niveau is gewikkeld. Dat zij evenwel voor de vreemdeling uit Amiland graag onderbreken. In de garage van monsieur Maguin, hij is 75 en was 30 jaar lang verkoper bij Simca en Peugeot, sluimeren schatten als een Moby Sport 125 en een Motobecane 125 met handschakeling, en alle hebben er minstens een halve eeuw op zitten. In de schappen diverse blikken met vloeibaar lood, daarnaast een verzameling van motorhelmen uit de tijd. Op een vervuld leven, au revoir en bonne route!

Een paar kilometer in het zondagmiddagsverkeer langs de Moezel, en dan rechts af het dal in van de Rupt de Mad. Vijfde gang, 2500 toeren- dat is voorlopig genoeg. Nauwelijks nog verkeer, in plaats daarvan meer akkers, meer koren, meer hemel, langzamerhand ook meer toeren op de teller. Wie daarmee niet tevreden is, kan zich aan het lac de Madine vermaken, een meer van 1100 ha, compleet met camping en een infrastructuur die bij het vrijetijdsleven hoort. Of op de 375 meter hoge Butte de Montsec, waar een Amerikaans monument, goed gecamoufleerd als een antieke tempel, aan de Eerste Wereldoorloig herinnert. De ruïnes van Grand zijn ongetwijfeld voor historisch geinteresseerden een hoog genot. In de thermen van deze eertijds Romeinse stad werd de god van de geneeskunst, Apollo Grannus, vereerd. Daarnaast bood een amfitheater dat 17000 toeschouwers kon bevatten gelegenheid bij gladiatorengevechten te schreeuwen of te kermen. Op een krachtige speerworp afstand van Grand verwijderd staat in Domrémy-la-Pucelle het geboortehuis van Jeanne d’Arc, Franse nationale heilige en zeker de beroemdste Lotharingse.

‘Vous cherchez quelque chose?’, aldus onderbreekt mij charmant een autorijdster bij het bestuderen van de kaart op de kruising van D 12 en D 908. Wat ik zoek? Een zo ideaal mogelijke motorroute voor de avonduren. Weliswaar leert de ervaring dat zich deze het best zonder vreemde hulp laat vinden. Het enigszins heuvelachtige landschap heeft, met lichte overdrijving, de naam van Klein Lotharings Zwitserland gekregen. „Eric’s Land“ zou ook goed passen. Alsof de Buell door de maker zelf juist voor dit land is ontworpen, schreeuwt zij als een bronstig hert op de smalle departementswegen en in het dal van de Esch, maakt plotselinge wendingen als een haas en laat de nozem van weleer weer opleven. Maar goed dat er voor de laat-pubertaire escapade geen getuigen zijn. Eenvoudigweg even voor het plezier van het horen twee of drie gangen terugschakelen en dan weer gas geven, zodat aan de rand van de weg de korenhalmen op de wind heen en weer schudden.

Wie daarna een kaars voor Eric zou willen opsteken, kan dat in de voormalige abdij der Premonstratensers in Pont-à-Mousson doen. Het kloostercomplex ligt direct aan de Moezel en is zetel van het Europese centrum voor sacrale kunst. Alternatief kan men bij Blenod in Jezainville een zwaar-industriële gedenkpauze inlassen: een fabriksareaal met buizen als tentakels van een reuzenkreeft, daarin flakkerend vuur als het oranjekleurige oog van een cycloop. In het mooie centrum van het Moezelstadje interesseren dan eerlijk gezegd alleen nog maar een filet canard en drie Kronembourg van het vat.

Pinkstermaandag. ‘Kerkdienst’ op Eurosport met de MotoGP van Mugello. Inmiddels brengt in Lotharingen Petrus regenwolken naar de startplaats. Een ideale dag voor een uitstapje naar het motormuseum in Amneville- of naar de kunst- en Jugendstilmetropool Nancy, waar op het werkelijk schitterende Place Stanislas de grote zonneschermen van de straatcafés bij ieder weertype beschutting bieden. Het barokke ensemble is te danken aan de Poolse koning Stanislaus Leszczynski, die, in zijn eigen land onttroond, tengevolge van de heerlijke machinaties van de 18de-eeuwse huwelijkspolitiek hertog van Lotharingen werd en daar dertig jaar lang als bouwmeester furore maakte.

Genoeg bezinning op deze feestdag. Met koers zuidoost weg uit Nancy, voorbij aan St.Nicolas-de-Port met zijn laatgotische basilica en het Franse brouwerijmuseum – beide staan vandaag niet als eerste opgesteld- naar Dombasle-sur-Meurthe. Een idyllische plaats: vissers en joggers bevolken de oever van de rivier, muscleshirt en mastiff worden er uitgelaten. Daarachter „Solvay Carbonate France“, de belangrijkste sodafabriek van Frankrijk met kalkovens die tot de grootste der wereld behoren. 1,4 miljoen ton steenzout wordt jaarlijks op het in de buurt gelegen plateau van Haracourt gewonnen en in Dombasle verwerkt.

Vrije vaart ten oosten van de Moezel tussen Nancy en Metz in een dicht geknoopt net van smalle landwegen. Bij Velaine-sous-Amance kwinkelieren vogels, koeien herkauwen bij Sivry en aan de hemel bewegen zich steeds wisselende wolkenformaties. Aan de D 44 bij Serrières rijzen als twee-eiige tweelingen een stalen elektriciteitsmast en een ijzeren kruis aan de weg op in de inmiddels bijna vlekkeloos blauwe hemel. In de vrije ruimte onder de Gekruisigde spant een spin met even dodelijke als esthetische precisie haar net uit. Arbeid en natuur. Het „staaldraden“ producerende insect als wapendier van de streek? Zelfs voor Frankrijk waarschijnlijk iets te revolutionair. Reeds sedert 1430 is het Lotharingse kruis, met de karakteristieke twee balken, het wapen van het land. In de Tweede Wereldoorlog werd dit kruis symbool van het Franse Verzet en van de regering-in-ballingschap onder Charles de Gaulle.

Bij Eply geurt het landelijk, de scenerie herinnert sterk aan de Niederrhein, om precies te zijn aan de Duffelt, tussen Nijmegen en Kleef. Daar hebben jaren geleden vindingrijke cineasten de mensen verteld, dat zij gehoord hadden, dat zich in de buurt het paradijs zou bevinden; of zij wisten waar precies? Uiteraard was er geen Niederrheiner die niet dadelijk een gedetailleerde beschrijving wist te geven. In het landelijke Lotharingen zal het waarschijnlijk niet anders zijn; en de witte runderen van Raucourt zijn natuurlijk betoverde prinsessen.

Hoe mooi het ook zou zijn geweest: een gezellig landhotel lag in de afgelopen uren niet aan de weg. Dus alsnog naar Metz, de hoofdstad van Lotharingen. Met zijn vele oude kerken, burgerhuizen en bruggen, een mengeling van middeleeuws flair en modern leven. En boven alles uit steekt de gotische kathedraal St. Etienne met glazen ramen van Marc Chagall. Als dan ook nog de 13000 lampen en spots de lichtmetropool dompelen in een knus en warm schijnsel, wordt gegarandeerd zelfs de grootste anti-romanticus zwak.Voor de profane dingen des levens zorgt het centraal gelegen hotel Kyriad, met ondergrondse garage en vis-à-vis het kebab-restaurant Berfin- met de beste döner van de stad, zoals de man aan het draaispit trots verkondigt.

‘Dat daar is de frees van een freesmachine, waarmee ondergronds de steenkool gewonnen wordt; de hele machine is 13 meter lang en weegt 83 ton’, legt de gids Roland Heckel op het terrein van de Carreau Wendel Mijn uit. Zoals vele Lotharingers in de grensstreek spreekt hij Duits. Begonnen is de winning van steenkool reeds in 1856 in deze mijn, die overigens genoemd is naar de Franse fabrikantendynastie de Wendel, die de mijn in hun imperium inlijfden en tot een wereldonderneming uitbouwden. Nadat het Lotharingse kolenbekken afwisselend dan weer tot het Duitse Rijk, dan weer tot Frankrijk behoorde, kwam Wendel na 1945 aan de staat. Een grondige modernisering had plaats en de productiecapaciteit werd in vergelijking met de vooroorlogse situatie verdrievoudigd. Zijn bloeitijd bereikte de mijn in de jaren zestig met een maximale productie van 10.000 ton steenkool per dag.

Ter vergelijking: In de Ensdorf-mijn in het Saarland, een van de acht overgebleven Duitse mijnen, worden dagelijks 24.000 ton steenkool gewonnen. Toen in 1986 de toegankelijke steenkoolvoorraden uitgeput waren, sloot Wendel na 130 jaar. En opende zijn poorten weer in 2001, nu als industriemuseum van de staat, waar, uniek in Frankrijk, de voor het grootste deel bewaard gebleven machinerieën voor het winnen van steenkool een realistische blik in het werk zowel boven- als ondergronds toelaten. Kortom, hoogst indrukwekkend.

Wasinstallaties, schachttorens, machinehallen, kolentransportlokomotieven- alles is er nog, als had een reus overhaast zijn speelplaats verlaten. Of alsof een neutronenbom is ingeslagen, want van de uiteindelijk nog 2800 mijnwerkers zijn er maar weinige over: 50 vullen de oude schachten met beton, acht werken in het museum. Alleen wat gras en onkruid proberen zich heel voorzichtig te vermeerderen. Onverwoestbaar is ook een oude rode tractor, die uit een of andere poort als een tor aan het licht krabbelt. Twee uur duurt de rondleiding, aan het eind waarvan de Ulysses 1200 nog verrassend gezelschap krijgt: Bij de ingangspoort van Wendel duikt plotseling een Shadow 125 op, in het zadel en nauwelijke terug te kennen Jean Claude Weyland, de 60-jarige bestuurder van de tractor. Hij cruist regelrecht zijn vrije tijd binnen. ‘Glück auf!’.

Bezienwaardigheden

  • Mijnbouwmuseum Carreau Wendel, Petite-Rosselle, tel. +33 (0)3 87870854, www.la-mine.fr
  • IJzerertsmuseum Aumetz, Aumetz, tel. +33 (0)3 82919626/82857655, www.musee-minesdefer-lorraine.com
  • IJzerertsmuseum Neufchef, Neufchef, tel.+ 33 (0)3 82857655, www.musee-minesdefer-lorraine.com
  • Niet te vergeten de Völkinger Hütte, een ikoon van de zware industrie; www.voelkinger-huette.org
  • Niet in een museum, maar op muren en op huisgevels kunnen in Algrange, Fameck, Florange, Hayange, Knutange, Nilvange en Yuts (alle bij Thionville) muurschilderingen van Greg Gawra bewonderd worden, een hommage aan de wereld van de kleine man tijdens de industrialisering van Lotharingen.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-0208_lotharingen.GPX”]

Erzberg Rodeo vanuit het zadel

0
Erzberg Rodeo 2019

Het is één van de zwaarste endurowedstrijden ter wereld, vergelijkbaar met die zotte Romaniacs. De Erzberg Rodeo werd dit jaar voor de vijfentwintigste maal georganiseerd in een Oostenrijkse groeve die de bijnaam  ‘De IJzeren Gigant’ draagt. Vier dagen lang vol gas om je maar te mogen kwalificeren voor de laatste dag. Dan wordt namelijk de Red Bull Hare Scramble verreden, waar slechts 500 van de in totaal 1700 deelnemers aan kunnen meedoen. Tijdens die wedstrijd rijden amateurs als wel professionele endurorijders, motocrossers en trialrijders tegen elkaar. Hoe moeilijk dat is? Nou, de amateurs gaan er bij de start eigenlijk al vanuit dat ze maar vier of vijf van de checkpoint zullen gaan halen – Van de 27. Zo moeilijk dus..

Maar dat zelfs zo’n wedstrijd makkelijk kan lijken bewijst Graham Jarvis. De Brit wist dit jaar voor de vijfde keer de winst te pakken en filmde die hele tweeënhalf uur durende strijd met zijn helmcamera. De beelden? Die zie je hieronder! Let op: al snel zit de camera vol modder, vanaf 3 minuut 35 is er weer onbelemmerd zicht.

Foto: ©Philip Platzer/Red Bull Content Pool

Weerzien: Honda CBF1000A 2008 Test

0
Honda CBF1000 2008

We testen sinds 1973 motoren. In deze rubriek hebben we oog voor de beste motoren van weleer, die nu vaak voor een prikkie in de showroom staan. We nemen motoren die ooit een vergelijkingstest wonnen onder de loep; wat kosten ze nu en hoe rijden ze naar de huidige maatstaven?

Eenvoud troef

Een vergelijk, dat ingestoken werd om onder de dikke Japanse sporttoerders het kaf van het koren te scheiden, wordt gewonnen door de minst sterke en de enige van de drie die geen koffers heeft. Dan moet die Honda CBF1000A toch wel iets bijzonders zijn…

Tien jaar geleden was deze CBF1000A van Honda een van de bestverkochte motoren van het land, waarop MOTO73-testredacteur van dienst Sjoerd Schippers in MOTO73 editie 13 van 2008 besloot: ‘Beoordeel je deze motor enkel op zijn uiterlijk, dan snap je daar misschien niks van. Het is niet de meest flitsende motor, suf is een veelgehoorde benaming, maar je krijgt wel heel veel motor voor de iets meer dan tienduizend euro die je moet betalen’. Een dikke tien jaar later betaal je van die 10.110 euro nog maar 39,5 procent. Weet wel dat er dan inmiddels – schrik niet – 85.450 kilometers onder de wielen door zijn gerold.

Honda CBF 1000 2008 Actie

Die waarschuwing niet te schrikken komt vooral omdat zijn uiterlijk weinig verraadt van die indrukwekkende kilometerstand. Het uiterlijk kan nog altijd, zoals men toen ook concludeerde, als suf worden omschreven. Maar suf of niet, de snaarstrakke afwerking waar veel Honda’s om geroemd werden en worden, betaalt zich uit. Op een paar kleine plekjes na is de motor waarlijk als nieuw. Waar de laarzen de schetsplaten raken en hier en daar een klein plekje vliegroest is al dat er te vinden is wat optiek betreft. Dat ook het blok nog heel strak in de lak staat, is het bewijs dat Honda’s intentie de motoren nog net dat beetje beter af te werken, zijn vruchten afwerpt. Motoren van Honda van een generatie voor deze CBF werden geteisterd door afbladderende verf op de krachtbron. Hier, niets van dat alles.

Wat rijden betreft roemde Schippers zijn schakelluie karakter, wat hem totaal anders maakte dan de Suzuki GSF1250 Bandit GT en de Yamaha FZ1 Fazer Grand Tour waar men de Honda tegenover zette. Aan de kant van de Suzuki wordt het op koppel gegooid – met liefst 15 newtonmeter meer dan de CBF – en de Yamaha zet in op sportiviteit. De FZ1 is namelijk wel 23 kilo lichter, heeft een upsidedownvork en welgeteld 52 pk meer dan de Honda. Hoe de Honda daarvan wint? Nou, niet alleen op de prijs, want ja, met 11.395 euro voor de Suzuki en 12.999 euro voor de Yamaha, is de CBF inderdaad wel de prijspakker, maar zijn allroundkarakter geeft de doorslag. ‘Geen flitsende motor, maar wel een waar je je direct op thuis voelt. En of je er nu hard mee wilt rijden in je eentje, of samen met vrouw en bagage een lange reis wil maken, het kan allemaal’, aldus Schippers.

Als een katana door karnemelk

Nu haalde Schippers zelf geen punten aan die erg gevoelig zijn voor het verstrijken van de tijd, maar de meningen van gastrijders duiken daar wel in. De ene roemt zijn heerlijk schakelende bak en de vertrouwenwekkende en strakke vering, terwijl de andere graag de prima remmen – met ABS, toen nog een luxe en geen verplichting – benadrukt. Dat zijn nu net wel zaken, waar de tand des tijds wel eens een pijnlijke hap uit kan nemen. Als het exemplaar dat wij reden compleet genegeerd is wat onderhoud betreft, willen we het graag de titel meegeven van meest onverwoestbare motorfiets die we ooit gereden hebben, maar naar alle waarschijnlijkheid heeft deze CBF1000A simpelweg altijd braaf zijn beurtjes en voldoende aandacht gehad.

Honda CBF1000 2008 Static

Daarmee is eigenlijk niets van zijn oude glorie vergaan, want het stuurt nog altijd boven verwachting strak. Het remt niet heel hard, maar wel meer dan hard genoeg voor een motor van dit kaliber. En ja, dan die bak. Schakellui is het blok absoluut, met een prima voorraad koppel aan de rechterpols. Het maakt nagenoeg niets uit in welk verzet je het aanspreekt; het is er. Komt het wel op schakelen aan, dan ga je haast op zoek naar de quickshifter, zo soepel gaat het. Als een mes door de boter? Vervang dat mes door een net geslepen katana en in plaats van boter is het lauwe karnemelk waar het doorheen vliegt; zo vloeiend en gemakkelijk. En dat nadat de CBF al het overgrote deel van een ton heeft gedraaid.

Eenvoudige uitblinker

Waar de CBF1000A vooral – nu nog – in uitblinkt, is de eenvoud. Weinig aan de motor verrast en tegelijkertijd is het toch op veel manieren een verrassende motor. Het trekt zonder moeite een pak koppel open, en wel in een mate waar je niet op rekent met dat redelijk behouden uiterlijk. Ook het kinderlijk eenvoudig omgooien van de motor waar MOTO73 in 2008 al over roemde, kunnen we tien jaar – en ruim 85.000 kilometer later – ook nog steeds beamen. Het gecombineerde ABS-remsysteem werkt, zoals Schippers toen al zei nog altijd ‘simpelweg goed’, al blijft het wennen dat de motor iets duikt wanneer je de achterrem intrapt.

Overigens was het niet enkel lof voor de Honda in 2008, want het ruitje verstellen bleek het testteam van toen niet heel gemakkelijk af te gaan. Blijkbaar is het echt niet het meest eenvoudige stukje verstelling, want het was ons niet eens opgevallen dat de occasion die mogelijkheid had. O, en de klokkenpartij, die werd ook als ‘minst modern’ van de drie weggezet. Daar kunnen we het hier, zelfs zonder vergelijking, alleen maar mee eens zijn.

Door de bank genomen moet je erkennen dat alle punten die in 2008 in het voordeel van de CBF1000A spraken, er een decennium later nog altijd zijn, en dat ze weinig van hun glans hebben verloren.

Honda CBF1000 2008 Actie

Hoeveel mag hij kosten?

We hebben de prijs al even besproken, maar er één ding is zeker: met 3995 euro ligt deze specifieke Honda CBF1000A goed geprijsd in de markt. Goedkoper zijn ze er ook, maar dan kijk je al snel naar modellen die al een jaar of twee ouder zijn, waar vervolgens wel weer tegenover gezet kan worden dat de kilometerstand veelal lager is. Het feit dat er nog steeds legio CBF1000’s met kilometerstanden van ruim over de halve ton te koop staan voor vergelijkbare bedragen – de goedkoopste die we konden vinden kwam uit 2009 en had bijna 90.000 kilometer op de klok. Vraagprijs? 2950 euro – zegt ook iets over de kwaliteit en waardevastheid. Dat dit exemplaar er op wat kleine smetjes na feilloos uitziet en nog start, rijdt en stopt zonder falen, onderstreept de notie. Het alom bekende cliché, dat een Honda simpelweg niet kapot is te krijgen, is en blijft dat: een cliché. Je kunt er alleen niet omheen dat fietsen als deze dat cliché lijken te bewijzen, en dat zie je terug in de prijs. In zowel positieve als negatieve zin, dat wel.

Tekst Nick Enghardt foto’s Jarno van Osch

Motorarcheoloog

0
De Plek - Motorarcheoloog

Brutale mensen hebben de halve wereld. Zeggen ze. Maar niet-brutale lui hebben de andere helft. En daar is het leven een stukje aangenamer.

Een tof stukje van díe wereld schurkt aan tegen de Sallandse Heuvelrug. Een ritje over de flanken van die zeldzame bult in ons platgeslagen land bekt wat minder heftig dan eentje over de Alpen. Gewoon niet over spreken op een verjaardag.

Daar, in de luwte van die eigenaardige verheffing in het Sallandse landschap, ligt Okkenbroek. Er wonen net aan zeshonderd zielen en die moeten het doen zonder winkel, kroeg of ander onderkomen voor publiek vermaak. En de kerk biedt buiten de zondagochtend ook niet veel vertier. Maar in de schaduw van de kerk gebeurt het: motormuseum Okkenbroek.

Techniek van de mestvork

Entreegeld? Hebben ze hier nooit van gehoord, openingstijden ook niet. In de collectie zit geen logica en kom niet binnen met een volle blaas, want een bezoekerstoilet, daar doet ‘uitbater’ Hein van der Vegt niet aan.

Je kunt je leven wijden aan het vullen van je knip, liefde voor je partner of het lot der mensheid. Hein houdt het graag simpel en dicht bij huis. Halverwege de jaren zestig bond hij de strijd aan tegen roest. Roest op motorfietsen. ‘Ik werd geboren op de boerderij en was voorbestemd om boer te worden. Niks voor mij. Techniek, dát was het.’ De techniek van de mestvork bood weinig uitdaging. Het werd de motorfiets. ‘Op mijn veertiende haalde ik de eerste binnen: een 98cc-DKW. Waren ze thuis niet blij mee.’

Doorleefd ijzer

Vanaf het moment dat Hein de eerste guldens verdient als zelfstandig smid, een eigen meissie en huis heeft, gaat hij los. Vuilnisbelten en boerenschuren stroopt hij af om motorfietsen te behoeden voor de ondergang. De wekelijkse inzameling van het grofvuil in de dorpen rond Okkenbroek was hij vóór. ‘Er reed hier nogal wat rond. En er stond nog veel meer stil. Hier in de streek kent het motorvolk mij. En ik hen. Ik wist waar iets te halen was.’

En zo is het gekomen dat de motorfiets steeds meer vierkante meters smederij veroverde. Met Eysink in de hoofdrol. Je komt hier ook exoten tegen als Cemec, de Franse ‘BMW boxer’. In de naoorlogse jaren opgebouwd uit onderdelen van legermotoren die de Duitsers na de capitulatie moesten achterlaten. Ducati Monza (met koningsas), Velocette, Zündapp, Sparta, Norton, BSA, Jawa, Simplex, DKW, Enfield; de hele motorfietsgeschiedenis van vóór de grote doorbraak van de Japanse motormerken komt hier voorbij. Doorleefd ijzer. Hein kent de geschiedenis van elke fiets.

Onverwachte ontmoetingen met en levensverhalen van bezoekers, Heins vrouw Mariet waardeert die onderbrekingen van het kabbelende Sallandse leven. Maar zelf op de motor stappen? Al die jaren wist ze de boot af te houden. Tot vorig jaar een filmploegje haar zover kreeg. Voor het eerst in haar leven. En daarna nooit meer. ‘Wandelen of fietsen bevalt me beter. Hoor je de vogels fluiten.’

Motorarcheologie

Hein is niet van het wegdoen. Maar in de vroege jaren zeventig was er geen ontsnappen aan. ‘De ellende die de Amerikanen aanrichtten in de Vietnamoorlog zat me hoog. Harley en Indian, dat voelde niet goed meer.’

Ze gingen de deur uit en kwamen er heel lang niet meer in. Het weerzien met Harley in 1984 was uniek. Hein hielp een vriend in Eerbeek bij het plaatsen van een hek, toen zijn schop stuitte op iets hards in de grond. Het instinct ging op scherp. Voordat het avond was stond bovengronds een onttakelde Harley J uit 1920. Die dag werd een nieuw begrip geboren: motorarcheologie. Dit voorjaar zal de oude Harley-Davidson tot leven komen, na 35 jaar zoeken, verzamelen en restaureren.

Balsem voor de ziel

Bij Hein en Mariet kom je gewoon aanwaaien. De ontvangst is balsem voor de ziel. De onder keuzestress zuchtende mens heeft hier maar één keuzemoment: bij de collectebus voor kansarme, gehandicapte kinderen in Roemenië.

‘Ik was een kind, hoe kon ik weten dat dit voorgoed voorbij zou gaan’, zong Wim Zonneveld over de teloorgang van de dorpse wereld van zijn jeugd. Wim heeft één stipje op de kaart over het hoofd gezien. Want als Hein en Mariet je uitzwaaien bij het vertrek, weet je dat je dat leven van weleer nog even hebt aangeraakt.

Meer mooie verhalen? Hier heb je er één: Benno Bullet.

Tekst Olivier Visser, foto’s Chris Pennarts

Test Aprilia RSV4 RF 2018

0
Test Aprilia RSV4 RF 2018

Ooit won de Aprilia RSV4 een aantal vergelijkingstesten, maar de afgelopen jaren bleef de superbike uit Noale wat buiten beeld. Hoog tijd dus om te kijken hoe de 2018-machine presteert en er achter te komen of het grotere vermogen van de V4 op de openbare weg ook nog bruikbaar is.

Compacte krachtpatser

De Aprilia RSV4 RF mag er op het eerste oog vrijwel hetzelfde uitzien als zijn voorgangers, maar Aprilia heeft zijn nieuwe superbikes volgestopt met veel moderne snufjes en een bak meer vermogen. Ik neem de krachtpater uit Noale mee naar de Belgische Ardennen om te zien of de RSV4 echt zo goed is als wordt beloofd.

Aprilia stond aan het begin van deze eeuw vooral bekend om zijn hegemonie bij de tweetakten in de 125cc- en 250cc-klassen in de Grands Prix. De door Honda opgedrongen regelwijzigingen, waardoor die klassen verdwenen, zullen bij de Aprilia-fabriek in Noale niet goed zijn ontvangen. De Italiaanse fabrikant moest op zoek naar een nieuwe raceklasse en vond die in het WK Superbike. In 2009 debuteerde Aprilia met de RSV4, een bijzondere motor met een 65-graden-V4-blok en 180 pk die in eigen huis werd ontwikkeld. Alles aan deze motor schreeuwde dat het een echte racemotor was. Het was daarom ook geen verrassing dat Max Biaggi met de RSV4 in 2010 en 2012 de titel in het WK Superbike wist te pakken. Sylvain Guintolli plakte daar in 2014 nog een wereldtitel bij en zo bewees Aprilia ook een supersnelle viertaktmotor te kunnen bouwen. Tien jaar later is de lat voor het superbike-segment echter een stuk hoger gelegd. 180 pk is al lang niet meer genoeg en de ontwikkelingen in de elektronica hebben flinke stappen gemaakt. Het antwoord van Aprilia is een nieuw gamma aan RSV4-modellen. Een vermogen van 201 pk en een oerwoud aan racewaardige elektronische hulpmiddelen maken de RSV4 weer tot een competitieve Superbike-machine.

Begeerlijke blikken

Ik kijk al dagen uit naar het moment dat ik de sleutels van de nieuwe Aprilia RSV4 RF overhandigd krijg, maar als het dan eindelijk zover is, begin ik met één blik op het dashboard en de knoppen aan het stuur al scheel te kijken. Het is allemaal behoorlijk hightech geworden en het kost me dan ook een dag knopjes drukken en online speuren om uit te vogelen hoe alles werkt. Collega Eddie de Vries geeft uiteindelijk de juiste tip om de wheelie control uit te schakelen en collega Nick Enghardt voegt daar aan toe ‘dat dit uiteraard alleen voor testdoeleinden mag worden gebruikt’. Natuurlijk, jongens.

Voordat ik naar de Ardennen vertrek, heb ik de RSV4 in een loods in Zoetermeer staan, want voor de deur in Amsterdam leek me niet zo’n sterk plan met alleen een schijfremslot tot mijn beschikking. In de regio van Zoetermeer maak ik de eerste meters en merk ik meteen dat deze motor hier erg ongeschikt voor is. Drempels, rotondes en rechte 80-kilometerwegen zijn een saaie bedoening. Ook het stukje A12 van het Prins Clausplein tot de afslag Zoetermeer is slaapverwekkend: in de derde versnelling met ingeschakelde cruisecontrol. Vlak voor vertrek maak ik nog een klein ritje van Amsterdam Oud-Zuid naar Amsterdam-Noord. De stoere Italiaan met zijn kenmerkende V4-geluid trekt in de Amsterdamse binnenstad erg veel begeerlijke blikken. De buitentemperatuur van boven de 30 graden en rode verkeerslichten maken het leven er jammer genoeg niet veel gemakkelijker op. De temperatuur van het koelwater stijgt snel boven de 100 graden en dat activeert op zijn beurt weer de ventilatoren die hete lucht op mijn benen blazen. Bij het zoveelste rode verkeerslicht kom ik al druipend van het zweet tot de conclusie dat dit een heel dom idee was.

Snaarstrak

Op de bochtige bergwegen in de Belgische Ardennen, nabij het circuit van Spa-Francorchamps, schud ik de slechte ervaringen van de eerste dagen snel van me af. De Aprilia RSV4 RF komt hier eindelijk echt uit de verf. Met een brede grijns laat ik de motor door de toeren schreeuwen, slinger ik vloeiend het landschap door en ga ik menig toerrijder voorbij. De RSV4 leent zicht uitstekend voor dit bochtige berglandschap. De motor laat zich erg gemakkelijk van richting veranderen en ligt snaarstrak in de bocht. De quickshifter werkt zowel bij het op- als terugschakelen en het gebruik van de koppeling wordt hierdoor tot het minimum beperkt. Ook zorgt de quickshifter ervoor dat de motor heel erg soepel door de versnellingen gaat en stabiel blijft. Het veringpakket van Öhlins staat standaard al perfect afgesteld en daar hoef ik me op geen enkele manier druk om te maken. In langzamere korte bochten heb ik wel het gevoel dat de RSV4 zich iets te gemakkelijk de bocht in laat vallen. Ik zou de naloop kunnen aanpassen, maar heb hier niet de tijd of tools voor. De voorremmen, voorzien van radiaal gemonteerde Brembo-monoblock-klauwen – zijn met één vinger te bedienen, remmen hard en geven goede feedback in het hendel. Als ik vanuit het hoogste punt in België weer de berg afdaal, merk ik echter dat de voorrem na een tijdje toch een beetje last krijg van fading. Het is heet en ik moet hard remmen, maar ik dacht dat deze remmen dit wel zouden moeten kunnen trekken. Het faden is echter maar heel gering en baart me uiteindelijk geen enkele zorgen.

Het krachtige motorblok voelt zich hoog in het toerenbereik duidelijk op zijn best. Het valt op dat in de Sport-stand de motor pas boven de 7000 toeren echt op gang begint te komen. De standaard kettingwieloverbrenging (41/16) is behoorlijk aan de lange kant. Goed terugschakelen dus. Deze combinatie maakt dat je behoorlijk gas moet geven om uit stilstand van de plek te komen. Het op hoge toerentallen wegrijden levert een heerlijk geluid op, maar komt ook een beetje patserig over. Ook heb je met deze lange overbrenging genoeg aan de tweede versnelling om je rijbewijs kwijt te raken en tik je in de vierde versnelling gemakkelijk 240 km/u aan. Dat laatste is natuurlijk gebaseerd op theoretische berekeningen en niet op werkelijke ervaring. Persoonlijk zou ik de overbrenging meteen een stuk korter zetten. Dat maakt het rijden meteen een stuk leuker en je krijgt de kans de vijfde en zesde versnelling ook eens te gebruiken. Je hebt er niet voor niets voor betaald.

Bezinning

De RSV4 is compact, maar ik voel mij met mijn 1,85 meter niet bovenmaats voor deze motor. De tank sluit goed aan op mijn benen en ik heb niet te veel druk op mijn polsen. De zitpositie is sportief en voor deze wegen erg goed. Bij een normale zitpositie biedt de voorkuip helaas weinig bescherming tegen de wind en heb ik het gevoel op een naked bike te zitten. Dat drukt de pret echter helemaal niet en rijdend op mijn automatische piloot bevind ik me ineens voor de poorten van het circuit Spa-Francorchamps. Ik informeer of ik een paar ronden op het circuit mag rijden, maar krijg te horen dat er een auto-evenement gaande is en de poort gesloten blijft. Jammer. De aanrijroute van het circuit is gelukkig verlaten en ik zie meteen kans om de elektronische hulpmiddelen te testen. Met de launch control-weigering van Dani Pedrosa op Phillip Island in 2007 nog op mijn netvlies leg ik mijn vertrouwen in de engineers van Aprilia. Met geknepen billen schakel ik de launch control in, geef vol gas en laat de koppeling in één keer los. De RSV4 brult en sputtert een beetje, maar rijdt vlekkeloos van de plek. Het eerste vinkje kan worden gezet. De launch control werkt. Ook de wheelie control werkt uitstekend, al hoef ik met deze lange overbrenging niet bang te zijn om achterover te slaan.

In het dorpje Malmedy parkeer ik de RSV4 op een pleintje en pak ik een terrasje om even bij te komen. Van een afstandje bekijk ik de motor weer eens goed. Zelfs met de grote taartschep en dikke standaard uitlaat is het een superstoere motor met erg krachtige lijnen. De gesmede aluminium wielen maken het plaatje helemaal af. Het echte meesterwerk bevindt zich, net als bij een mooie vrouw, onder de bekleding. Ik ben stiekem een beetje verliefd geworden op deze motor, maar zou niets liever willen dan deze krachtpatser eens op het circuit de sporen te geven.

Conclusie

De Aprilia RSV4 RF mag dan wel lijken op zijn voorgangers, maar onderhuids heeft de motor een behoorlijke metamorfose ondergaan. De viercilinderkrachtbron heeft meer dan genoeg kracht in huis om de klinkers uit de straat te trekken en produceert op hoge toerentallen een oorstrelend geluid. Het geluid dat bij mij echt kippenvel opwekte, was dat van op hoge toerentallen van het gas af gaan. Het geroffel dat dan uit de uitlaat komt, is echt meesterlijk. Alle elektronische poespas is voor mij beetje te veel van het goede, maar je kunt bijna niet meer zonder. Zeker voor (veilig) straatgebruik zijn de elektronische hulpmiddelen meer dan welkom. Het is daarom ook fijn dat het allemaal goed werkt. De RSV4 is niet perfect en zeker niet goedkoop, maar ik ben van mening dat het een superbike is die zich qua prestaties kan meten met de beste. Als ik een garage zou hebben, zou ik er graag een RSV4 in hebben staan. Het liefst met race-uitlaat, racekuip en klaar voor het circuit, want daar ligt toch het hart van deze motor.

Tekst Peter Politiek – Foto’s Bart Vos

Elektronica

De nieuwe RSV4-modellen zitten boordevol nieuwe elektronische hulpmiddelen die rechtstreeks uit het WK Superbike en de MotoGP zijn doorgesijpeld. Het elektronicapakket noemt Aprilia het APRC System (Aprilia Performance Ride Control) en omvat ATC (Aprilia Traction Control) voor de maximale grip en minimale wielspin, AWC (Aprilia Wheelie Control) om te voorkomen dat de voorkant (te lang) van de grond komt, ALC (Aprilia Launch Control) dat ervoor zorgt dat je vol gas kunt starten zonder de koppeling te laten slippen en AQS (Aprilia Quick Shift) die het mogelijk maakt zonder koppeling op of terug te schakelen. De meeste instellingen zijn al rijdend aan te passen. Extra elektronische hulpmiddelen zijn het race-ABS, de pitlimiter en de cruisecontrol. De RSV4 beschikt over drie rijmodi: Track, Sport en Race. Een behoorlijke keus aan mogelijkheden, die niet alleen gemakkelijk of snel aan te passen zijn, maar het rijden ook gemakkelijker en veiliger zouden moeten maken.

Modellen

De 2018-Aprilia RSV4 is beschikbaar in twee (straat)modellen. Allereerst is er de Aprilia RSV4 RR voor € 20.585 die is uitgerust met Sachs-vering en gegoten wielen. Daarnaast is er de Aprilia RSV4 RF voor € 24.995, die is voorzien van Öhlins-vering en gesmede wielen. In de Verenigde Staten is nog een zeer gelimiteerde oplage van honderd stuks inclusief MotoGP-winglets verschenen: de Aprilia RSV4 RF LE.  Volgens de brochure is er ook een echte raceversie van de RSV4 beschikbaar, de Factory Works GP met 250 pk, pneumatische kleppen en speciale elektronica en vering. De prijs van deze uitvoering is helaas onbekend.

Plus
Looks, blok bij hoge toerentallen, vering, quickshifter, launch control

Min
Blok bij lage toerentallen, windbescherming, bedieningsgemak elektronica

Harley-Davidson 2020 plannen min of meer onthuld

1

Het Grote Plan dat Harley-Davidson een duwtje in de rug moet geven, zijn al enige tijd bekend. Begin februari vorig jaar doken de eerste patent-tekeningen op. En even later werden de pre-productie prototypes officieel aangekondigd door de fabriek. Maar verdere technische details over hoe en waar de motoren worden gemaakt, waren schaars.

Een Indiase motorwebsite, die een vrij betrouwbare bron blijkt van Aziatisch marktnieuws, meldt dat één van de nieuwe Harleys er een met een kleine inhoud zal zijn. Denk aan een 250cc tot 500cc luchtgekoelde cruiser die op Aziatische markten kan worden verkocht voor slechts 4.000 dollar.

Het zal duidelijk zijn dat wanneer een motorfiets, die in Azië concurrerend geprijsd is, tegen de tijd dat ie Europa bereikt zeker een paar euro duurder zal zijn. Maar het betekent ook dat nieuwe rijders, met name A2-rijbewijshouders, een Harley’ in hun garage kunnen zetten voor ergens rond de €6.000,-.

Ook beweert de website dat de motorfiets, het blok en eigenlijk alles waarschijnlijk in India zal worden gebouwd. Op zich snijdt dat hout, gezien het feit dat de huidige Street 750-modellen ook in India worden gemonteerd. Dan kun je er ook vanuit gaan dat het met relaties en infrastructuur om het project van de grond te krijgen ook in orde zijn.

Dat het werkt, bewijst KTM. Die heeft succes met de DUKE-modellen, waarvan sommige zijn gebouwd in samenwerking met Bajaj. Maar ook BMW’s G310-serie word gebouwd en geassembleerd door het in India gevestigde TVS Motor Company.

De site vermeldt ook dat het nieuwe model waarschijnlijk de hoofdrol zal spelen op de EICMA show in november dit jaar. Ook staat op de site dat Harley geweigerd heeft om commentaar te geven op de zaak.

Motoplex Utrecht: Eerste Piaggio Group flagship store van Nederland staat in De Meern

0
Motoplex_Piaggio_flagship_store

De Piaggio Group heeft een concept uitgedacht dat momenteel wereldwijd wordt uitgerold: Motoplex. Onder één dak én in passend exclusieve omgeving stralen alle producten die de Piaggio Group bouwt. Pels Motoren uit De Meern opent vrijdag 21 juni de eerste Motoplex-vestiging van Nederland.

In Motoplex Utrecht kun je alle modellen van de motormerken Aprilia en Moto Guzzi bewonderen, maar ook de motorscooters van Vespa en Piaggio. De ruime vestiging – 600 vierkante meter – werkt stimulerend op, zoals dat heet – ‘een optimale merkbeleving’.

Bezoekadres

Pels Motoren/Motoplex Utrecht
Gessel 1
3454 MZ  DE MEERN