De Indian FTR 1200 S is een ode aan flat track, Indians favoriete motorsport. Maar deze motorfiets is veel meer. De FTR 1200 S staat voor de nieuwe koers die Indian Motorcycle vaart. De fabrikant concentreert zich niet langer op de traditionele dikke customs en toerbakken. Het levert deze oogverblindende motor op. Onze redacteur Ad van de Wiel vloog naar Amerika om te onderzoeken of deze Indian FTR 1200 S net zo goed rijdt als dat hij eruit ziet.
Vijf miljoenste Harley-Davidson rolt in York van assemblagelijn
Op 8 mei schreef Harley-Davidson geschiedenis. Die dag rolde in York, Pennsylvania, een Heritage Classic van de assemblagelijn. Het was de vijf miljoenste motorfiets sinds 1973.
Het verhaal van Harley-Davidson’s Vehicle Operations begon vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Toen gaf de Amerikaanse marine de fabriek in Milwaukee de opdracht om aan de dringende vraag naar luchtafweergeschut te voldoen.
In 1973 verhuisde de productie van Harley-Davidson van Milwaukee naar York. Daar werden Ironhead Sportster en Shovelhead FL-modellen in grote getale geproduceerd. De fabriek in York produceert nog steeds motorfietsen voor de Verenigde Staten en de rest van de wereld.
Toekomstdromen
De vijf miljoenste, een Heritage Classic 2019, werd gekocht door Walter Barlett bij een Harley-Davidson dealer in Wausau, Wisconsin. Het plaatsje ligt bijna halverwege tussen de fabriek in York en het HD-hoofdkantoor in Milwaukee. De levering van de motor werd door H-D gecommuniceerd met een tweet. In het bericht werd al een optie genomen op de toekomst: ‘Five million dreams to come’.
Facelift voor 2020 Ducati 959 Panigale
De komende twee jaar staat voor de motorfabrikanten in het teken van de voorbereiding op de Euro 5-emissieregelgeving.
Bestaande modellen waarvan de levenscyclus nog niet aan z’n einde is, moeten vanaf 2021 voldoen aan de strengere Euro-5 norm. Nieuwe modellen daarentegen moeten hieraan vanaf volgend jaar al voldoen. Ducati doet een stapje extra door de Panigale 959 alvast aan te pakken. En dat blijft niet beperkt tot blok en uitlaatgassen.
De Ducati Panigale 959 ondergaat een heuse metamorfose die ‘m meer in lijn brengt met de Ducati Panigale V4. Het grote onderscheid tussen beide motoren is natuurlijk de aandrijving, de ‘kleine’ Panigale heeft immers een V-twin en de grote een V4. Wat wel een vraag is: houdt Ducati vast in de inhoud van 959cc? Waarschijnlijk niet.
Om aan de strengere emissie-eisen te voldoen, passen veel fabrikanten een trucje toe. De vernieuwde modellen hebben vaak een dikker blok. Dat heeft twee redenen.
Ten eerste is het gemakkelijker om met grotere verbrandingskamers aan de emissieregels te voldoen dan met kleinere verbrandingskamers. Ten tweede kan het verlies aan vermogen/koppel als gevolg van de strengere emissie-eisens worden gecompenseerd door de grotere cilinderinhoud. Daarmee blijven de prestatie nog steeds op niveau terwijl wel wordt voldaan aan Euro-5.
Voor de officiële specs moeten we wachten tot de EICMA. Wel heeft de nieuwe Panigale van Ducati een werknaam gekregen: Panigale V2. Wel is al bekend dat de kleine superbike z’n eenzijdige achterbrug terugkrijgt. Hiermee is Ducati vast iets van plan, maar wat… ?
Yamaha Ténéré 700 2019 – test
Met de Ténéré 700 keert Yamaha terug naar de basis: een eenvoudige motorfiets die goed presteert op de weg én ernaast. Is de Yamaha Ténéré 700 dé allroad motor van 2019?
Test Kawasaki Versys 1000 SE 2019
Een echte reis is volgens Kawasaki de ideale manier om de nieuwe Versys 1000 aan de tand te voelen. Met zon, zee en eilanden vol mooie stuurwegen is aan alle voorwaarden van zo’n reis voldaan. Houdt de Versys 1000SE zich op de droomlocaties Lanzarote en Fuerteventura zo goed staande als Kawasaki beweert?
Tekst Ad van de Wiel, foto’s Kawasaki
De overtocht per veerboot van Lanzarote naar Fuerteventura duurt een half uurtje. De krachtige motoren van de catamaran vlammen ons in een mum van tijd van het ene naar het andere Canarische eiland. De motoren staan beneden stevig vastgesnoerd op het autodek, de berijders hebben zich verzameld op het zonovergoten achterdek. Het is het ideale moment om de eerste indrukken van de Versys 1000SE te bespreken. We doen het niet. De gesprekken gaan voor de verandering niet over gasaanname, elektronische vering of rijgedrag. Sommige motorrijders staren slechts dromerig uit over de azuurblauwe zee, anderen bewieroken de schoonheid van het vulkanische eiland Fuerteventura dat we achter ons laten. Kawasaki’s snode plannetje om ons het vakantiegevoel te geven, is nu al gelukt.

Dure variant
Introducties volgen regelmatig hetzelfde stramien. Motorfabrikant vliegt journalisten uit de hele wereld in en laat ze een kronkelroute rondom het luxe sterrenhotel rijden. Niks mis mee, maar Kawasaki pakt het met de Versys 1000SE origineler aan. Het wil ons het gevoel geven waar alle motorrijders dol op zijn: een ontdekkingsreis maken op de motor door een prachtige en uitdagende omgeving. Op dag één rijden we eerst over het gitzwarte vulkanische eiland Lanzarote, aan het eind van de middag brengt de snelle veerpont ons naar het gele en zanderige Fuerteventura en daar logeren we in een allerliefst landelijk hotelletje. En zelfs daar gaan de gesprekken nog niet over de nieuwe Kawasaki. Het is eerst tijd voor een
welverdiend biertje en een uitgebreide sessie onderbroekenlol. Mannen onder elkaar, de motoren in een keurig rijtje voor de deur; je kent dat gevoel wel.
Pas bij het avondeten, geen buffet gelukkig, maar borden vol voedsel uit de streek, maken we de eerste analyses van de Versys 1000. De Versys 1000SE om precies te zijn. Dit jaar is de reguliere Versys 1000 vernieuwd (zie kader), maar rijden deden we hem niet. We reden alleen met de SE-versie. Omdat we zo langzamerhand uit de door Kawasaki opgeroepen vakantiesferen zijn, begin ik met de prijs. De SE kost € 17.999,-, terwijl een gewone Versys voor € 14.699,- de jouwe is. Eerlijk is eerlijk: je krijgt wel wat voor die meerprijs. De dure variant heeft een tft-dashboard met smartphoneconnectiviteit, een 40watt- stroomvoorziening, handvatverwarming, handkappen, bochtenverlichting en – het allerbelangrijkste – elektronische vering (KECS). Die vering laat zich dus met een simpele druk op de knop instellen. De veervoorspanning kent drie standen: solorijder, solorijder met bagage en rijder met duopassagier en bagage. De demping is samen met de tractiecontrole gekoppeld aan de rijmodus. In Rain is de vering boterzacht, grijpt de tractiecontrole al in als je naar het gashendel kijkt en geeft de vier-in-lijn zijn vermogen poeslief af. Iedereen snapt dat het bij Road en Sport steeds strakker en leuker wordt.

Ongeduldige trucker in je nek
De vierde rijmodus Rider is helemaal naar wens in te stellen. Dat kan via de knoppen op het stuur, al vraagt dat wel de nodige oefening. Mijn advies is dan ook toch maar de handleiding door te nemen. Het kan ook met een smartphone na het downloaden van de Rideology-app. Een kanttekening hierbij: de app is klaar voor iPhone, maar nog niet voor Android.
Noem me hebberig, maar het liefst zou ik twéé eigen rijmodi hebben. Alle twee met vol vermogen en minimale tractiecontrole, maar de ene modus met de zachtste vering en de ander met de hardste. De vering kan namelijk nog iets harder dan in de Sport-stand en zachter dan in de Rain-stand. Het levert een motor op die het goed en comfortabel doet op asfalt van dramatische kwaliteit en eentje waarmee het goed scheuren is op strakke stuurwegen. Een ding nog over de rijmodi: om van de ene naar de andere stand te wisselen moet je het gas twee à drie seconden afsluiten. Met een ongeduldige trucker in je nek voelt dat als een eeuwigheid.
Het is nog niet over met de digitale verwennerij. De Kawasaki Versys 1000SE heeft ook cruise control gekregen en dat past prima bij deze toermotor, die het ook goed zou doen tussen woonplaats en werkplek. Met een tankinhoud van 21 liter sta je gelukkig niet elke werkdag bij de benzinepomp. Tijdens de rit tekenen we een gemiddeld verbruik van 1 op 17 op, maar dat is met een maagdelijke motorfiets. Dat moet beter kunnen als het blok goed is ingereden.
Terug naar de digitale verwennerij. De SE heeft een quickshifter. Het klinkt altijd wat kinderachtig om te zeggen hoe gaaf dat is, maar dat is het wel. Heerlijk om in een sportieve bui die pook vol omhoog of omlaag te trappen en weer door te knallen. Zoals zo vaak doet de quickshifter het prima bij hoge toerentallen, maar onderin de toeren werkt hij wat weerbarstiger. Dat is jammer, want het blok voelt zich prima bij lage toerentallen. Kawasaki heeft de vier-in-lijn terecht ongemoeid gelaten. De 120 pk zijn nog altijd meer dan genoeg om je – ook met duopassagier – prima mee te vermaken. Het is vooral de bullige soepelheid die indruk maakt. Over letterlijk het gehele toerenbereik heb je altijd meer dan voldoende stuwkracht tot je beschikking. In dorpjes met een snelheidsbeperking van 50 km/u kun je het blok in zes laten staan en zonder horten of stoten trekt het zich vanaf 2.000 tpm weer op gang. Heerlijk dat elastieken karakter. Minder heerlijk zijn de vibraties bij 6.000 tpm die je alleen via de tank voelt. Handen en voeten hebben nergens last van en de trillingen verdwijnen weer bij hogere toerentallen.

Grote klasse
Het asfalt op de Canarische eilanden is voor 99 procent zo goed dat de Versys 1000SE op standje Sport staat. Verwar Sport niet met opgefokt, want dat is deze motor niet. Ja, de inlaathuil bovenin klinkt racy, maar verder pakt het blok keurig en lineair op. De zithouding is serieus goed. Het zadel is zacht, maar toch comfortabel genoeg om kilometers te vreten, de kniehoek is ontspannen en het stuur zit precies waar een motorrijder het wenst. Het windscherm krijgt een extra vermelding. Hoewel de bediening van het verstelmechanisme wel wat 2008 overkomt, is het ruitje zelf van grote klasse. Het zet je zelfs in de laagste stand prima uit de wind en van turbulentie is bij 160 km/u nog geen sprake. Het maakt dus eigenlijk geen moer uit dat het ruitje zich zo knullig laat verstellen, je doet het in de praktijk namelijk nooit.
De zon dreigt weg te zakken achter de zwarte magmaheuvels, het signaal om de laatste kilometers naar het hotel extra gezwind af te leggen. De voorremmen werken krachtiger dan voorheen door de nieuwe radiale remklauwen. De voorvork zinkt niet diep in bij stevige remacties, omdat de KECS de ingaande demping omhoog schroeft en dat levert een soort anti-duik op. Pas bij dit serieuze stuurwerk sluipt er wat onrust in het rijwielgedeelte, maar zonder elektronische vering had ik dat al een stuk eerder opgemerkt. Het insturen kost geen moeite, maar een flitsende stuurfiets is de Versys niet. Eerder een vertrouwenwekkende en neutrale. Al merk je in het korte werk wel dat je met 257 kilo onderweg bent. Bij haarspeldbochten valt de Kawasaki naar binnen, maar laat-ie zich eenvoudig op het gas opvangen.

De Versys 1000 en alle pakketten
Rijden deden we hem niet, maar de reguliere Versys 1000 is eveneens voor dit jaar aangepakt. Het uiterlijk is opgefrist, de remklauwen vooraan zijn radiaal opgehangen, hij heeft ride-by-wire, cruise control en een lcd-scherm. De motor is het gemakkelijkst te herkennen aan de ontbrekende bochtenverlichting en aan de kleuren. De standaard Versys is leverbaar in het typische Kawasaki… oranje en wit. Net als bij de SE kun je kiezen uit een standaard model (€ 14.699,-), maar ook de Tourer (+ € 799,-), de Tourer Plus (+ € 1.199,-) en de Grand Tourer (+ € 1.599,-). Het goedkoopste pakket levert twee zijkoffers, een tankpad en handkappen op. Het middelste doet daar led-mistlampen bij. Het duurste pakket gaat daar overheen met een topkoffer, 12V-aansluiting, GPS-bevestiging en valdoppen. In de Benelux krijg je bij de standaard Versys als extra de luxe ruit van de SE.
Dit vindt Ad
De vorige Versys 1000 was al een prima toermotor, de SE-extra’s maken hem alleen maar beter. Het is geen woesteling. En dat is maar goed ook: niet iedereen zit te wachten op hoogpoters met 160 pk of meer. Integendeel zelfs, rijgemak is een groot goed. Het vermogen en vooral het boterdik uitgesmeerde koppel zijn – ook met duopassagier en bagage – meer dan voldoende om lekker vooruit te komen. Ook met elektronische vering is het niet de snelst sturende motor, maar het stuurgedrag is vertrouwenwekkend. Het KECS rekt het inzetgebied van de Versys 1000SE op. De motor verandert binnen een paar seconden van karakter en dat doet hem vooral goed bij een sportief ritje. Het rijwielgedeelte heeft meer reserve om dat soort scheurwerk goed te verteren, maar het verandert net zo eenvoudig in een aangename toermotor voor twee. Je mag gerust stellen dat Kawasaki de Versys 1000 weer op scherp heeft gezet.
Japanse geruchtenstroom: Honda CRF850L Africa Twin
Het nieuws over een op stapel staande Honda Africa Twin 1100 wordt steeds hardnekkiger. Deze week vingen we in Japan ook een gerucht op dat Honda’s adventure lineup uitbreiding krijgt van een CRF850L.
Het gerucht zou best wel eens een greintje waarheid kunnen bevatten. Als de Africa Twin opschuift naar een inhoud van 1.100cc, ontstaat er onder ruimte voor een middengewicht adventure. Die stap kun je vergelijken met BMW, KTM en Yamaha. Die hebben onder hun zware adventures ook een middengewicht: BMW F850GS, KTM 790 Adventure R en de Yamaha Ténéré 700.
De middelzware adventures zijn momenteel behoorlijk in zwang. Het is voor Honda beslist profijtelijk wanneer ze ion dit segment ook een model hebben. Dat maakt het gerucht dan ook behoorlijk steekhoudend.
Als je een lijst opstelt van middelzware adventures, kun je niet om de Honda CRF1000L heen. Ten eerste wint de Africa Twin het van de andere middelzware modellen op vermogen en gewicht. Ten tweede is de prijs interessant genoeg om ‘m in overweging te nemen.
Wat het gerucht wat onwaarschijnlijk maakt is dat een grotere inhoud van 1.100cc niet per se betekent dat de specs van de Honda Africa Twin sensationeel zullen veranderen. Om dat te bereiken spelen de Euro 5-emissie-eisen Honda niet in de kaart.
Dit zou dan ook weinig ruimte overlaten voor een kleiner model in de Honda line-up. Tenzij de Honda CRF850L een goedkopere optie is, die zich qua prijs laat meten met bijvoorbeeld de nieuwe Yamaha Ténéré 700 (€11.599,-). Dan kan een middelzware Honda adventure zinvol zijn. Ook voor motorrijders die op milde offroad trajecten uit de voeten kunnen en die de NC750X laten staan.
De geruchten suggereren dat de Honda CRF850L een 2021-model zou zijn. Dus in het najaar van 2020 weten we pas zeker of het gerucht ook op waarheid berust.
Motoren tot 1.000 euro – Motoroccasiontest
Wat voor motoren kun je kopen met een budget tot 1.000 euro? Een Honda CB 750 F2 uit 1992, Suzuki DR 500 S uit 1984 en een Kawasaki ZZR250 uit 1994. Voor ieder wat wils!
Meer zien ?
Wat voor motoren kun je kopen tussen de 4.000 en 6.000 euro? Bekijk hier
Frankrijk: Slingeren langs de Seine
Slingerend langs de Seine – de naam komt van het Latijnse Séquyana- die ik volg vanuit de bossen van Bourgondië, door het frivole Parijs tot aan de breed uitwaaierende monding aan de Kanaalkust. Een rit waar je veel over kunt vertellen. Net als over de Aprilia Mana.
Klaus Daams
‘Opgericht door Napoleon de Derde. Het Groot Kruis van het Legion d’ Honneur’. De wandinscriptie in de kunstig aangelegde nepgrot waar de bron van de Seine moet liggen, ronkt vet van de typisch Franse bombast. Op een door struiken overwoekerd eiland, beschut door een rotsig dak en omgeven door een helblauw smeedijzeren hek houdt zich een marmeren nimf met pronte marmeren borsten op. Je maakt onwillekeurig een inschatting naar haar cupmaat. Het zal een kleine B zijn.
In de pan gehakt
Over Daniëls Aprilia Mana maak je geen inschattingen. De machine heeft, net als de Ducati Monster, een buizenframe en een V-twin. Maar de 76 pk sterke motor met automatische overbrenging heeft scootergenen en wordt door conservatieve motorrijders niet helemaal voor vol aangezien. Onze Mana mag zich 676 kilometers lang bewijzen tijdens een dans van de oorsprong van de Seine tot aan de monding aan de Kanaalkust. En het enige bekende stuk op die route is Parijs. Via het Keltisch (Squan) en het Romeins (Séquana) werd de naam van de rivier de ‘Seine’. Maar van oorsprong betekent de naam ‘de bochtige’. En dat is een naam die ons blij maakt.
Eerst nog wat gespetter in de bron. Herstel: we kijken naar de nog heel jonge Seine die als een plassende baby het gras nat maakt. Dan rijden we naar Poncey-Sur-L’Ignon, naar ons pension ‘Le Clos des Sources’. En daar zijn we net op tijd voor de indrukwekkende avondmaaltijd. Twintig kilometer ten westen van ons en dik 2000 jaar eerder was het minder gezellig. Toen werden de troepen van Vercingetorix (zie ook: Astérix en Obelix) in de pan gehakt door de legers van Julius César. De Galliërs in Astérix en Obelix waren in de strips altijd al ontkennend over de nederlaag. ‘Alésia? Wat bedoel je?’
De modern Fransen zitten nog in dezelfde fase. Maar het wordt je als toerist vergeven wanneer je de archeologische sites bezoekt om even snel te kijken naar de resten uit de tijd dat mensen niets beters hadden te doen dan elkaar aan speren te rijgen.
Troyes, de oude hoofdstad
De hendel voor de handrem aan de linker flank van de Aprilia wordt gelost. We rijden weer in het niet spectaculaire landelijke Hier & Nu. Met als enig risico om zonder benzine te komen staan op een van de landweggetjes die kriskras door de bossen en weilanden lopen. Jammer dat ons vervoer niet op water rijdt. Want rivieren en beekjes zijn er wel in overvloed. De Seine is een kind uit een grote familie. Een paar van haar zusjes zijn bijvoorbeeld de Vau, l’Ozerain of Coquille.
In de Val de Seine bij Orret komen weg en water wel heel erg dicht bij elkaar. Als twee flank aan flank jagende honden dartelen water en asfalt zij aan zij door het bos. Even later krijgen we nog meer water. De regen laat een volwassen wolkbreuk op een voorjaarsbuitje lijken. We vluchten in Châtillon sur Seine de pub ‘Le Splendid’ in en merken dat de tijd er heeft stilgestaan. Op de grote televisie draait een documentaire over de Man wiens Neus er af Viel: Michael Jackson. En de waard wordt ten onrechte heel boos op zijn Idéfix-achtige hondje, omdat hij de plasjes regenwater onder onze tafel voor iets anders aan ziet.
Maar de mooiste nattigheid in Frankrijk komt uit Champagne. Troyes is daar de oude, regionale hoofdstad. Het feit dat de plattegrond van het historische centrum de vorm van een champagnekurk heeft, kan toeval zijn. Of niet. Het is in elk geval een passende bodem voor een stukje ‘après moto’. Terwijl we op de hotelkamer de verwarming zo hoog mogelijk zetten om onze spullen droog te krijgen, slenteren we door de binnenstad tussen de popperige vakwerkhuizen. Onze buitenkant is nat genoeg geweest. Nu zoeken we een plek om te proosten op een onvergetelijke dag.
Bikers trefpunt
Ten noorden van Troyes staat de wereld vol graanvelden. Velden met rijp koren liggen langs de D20 op de linker oever van de Seine. Het verkeersdrempelvirus heeft hier ook toegeslagen. Dat breekt het tempo. Dat die dingen er niet lagen op 24 augustus 1944 zal de Amerikanen goed hebben gedaan. In Romilly staat immers het gedenkteken voor de eerste Sherman tank die Parijs bereikte. De Lichtstad is vanaf hier niet ver meer. En de pastorale rust bij Port de St. Nicolas, waar de koeien in een vijvertje badderden, ligt echt achter ons. En wat doet de Seine intussen? Best veel. In Nogent koelt ze een kerncentrale en een paar kilometer verder zorgt ze ervoor dat de slotgracht van La Motte-Tilly gevuld blijft. Even vriendelijk voor een atoomcentrale als voor een hofvijver. Perfect in harmonie in het land met de Arc de Triomphe en de Eifeltoren.
Als een zwerm horzels komen ze ons tegemoet: de gele koplampen van de motards uit Parijs op hun zaterdagmiddagronde. De ‘Bar de la Poste’ in Montereau-Fault-Yonne is een geliefd bikers trefpunt. In de vensterbanken staan Joe Bar en z’n vrienden. Boven de tapkast hangen foto’s. Waard David is een motorsportliefhebber. Dat is duidelijk. En wanneer je van paarden of ezels houdt – of juist niet – dan kun je je plezier op bij de paardenslager naast de kroeg. Voor maar €24,- per kilo scoor je daar ezelsribben. En die waren waarschijnlijk een betere keus dan het spul dat we vijf uur later op tafel kregen.
Pfff.. Parijs…
‘Oeps! Dat zijn wel erg veel torentjes en schoorstenen. Dat is de eerste gedachte die bij je opkomt als je Fontainebleau voor het eerst ziet. Beter geïnformeerde passanten weten dat er in het kasteel ook de tafel staat waaraan Napoleon de Eerste zijn ontslagpapieren tekende, voor dat hij op verlof ging naar Elba. Wij gaan niet naar Elba, maar duiken de metropool Parijs met haar 2.000.000+ inwoners in. En dank zij de special voor grotestadsgebruik aanwezige GPS van Daniël komen we zonder gestress aan bij onze gereserveerde kamers.
Wat je ook zoekt: als je in Parijs ook uit eten gaat; nergens in Frankrijk is de kans om slecht eten opgediend te krijgen groter. Dat wordt duidelijk in de als Roti de Porc vermomde schoenzolen. We haken halverwege de maaltijd af en kijken verder rond. En al menu’s lezend, kom je dan de meest bizarre dingen tegen. Ook op de stoep. Waar de schoenzolen thuishoren. Een Harley Sportster rijder op de Place de la Bastille heeft een enorm schild op zijn motor waarop staat dat Jezus ook van jou houdt. Ranke, zomers geklede meisjes met naaldhakken achter op dikke sportmotoren. Een keurig geklede man die met je meeloopt en je op beschaafde toon op het naderend einde van de wereld attendeert. Een jonge dame met een baby op de arm met een voorstel dat we denk ik gelukkig niet begrijpen en vaandelzwaaiende betogers van het Tamil Bevrijdingsleger. Kortom: Parijs is een brede stroom vol verrassingen en dingen met eeuwigheidwaarde die je moet bezichtigen. Raadpleeg van te voren wel het Internet en je stapel reisgidsen. Dat werkt gerichter. Tel daar de bijna versmolten verhouding tussen de stad en de rivier bij en het feest is compleet. We kunnen het allemaal bekijken omdat we het hectische verkeer ontvlucht zijn en een passende ankerplaats hebben gevonden op het horecaschip ‘O fil de l’o’. We hebben vanaf daar uitzicht op de Pont de l’ Archevêché en de Notre Dame. En je kunt er nog aardig eten ook.
8 uur 30. We zitten nog steeds in Parijs. De poging om een paar rivierbochten af te snijden gaat een beetje mis en via wat omleidingen komen we in Versailles terecht. We laten het mooiste Paleis van Europa voor wat het is en pakken een saai stuk snelweg langs de Seine. Bij afslag nummer 10 verlaten we de A13 en rijden weer lekker tussen het groen. Tussen de bomen door knipoogt de zon tevreden en spiegelt zich wellustig in de rivier. De klippen die het landschap bij la Roche-Guyon overheersen zijn net zo verblindend wit als het gebit van een BN-er. Daarna is de Route des Crêtes met de tiptronic van de automaat in de sportmodus één uitbundig bochtenfeest en een garantie voor een grijns van oor tot oor. We zijn mooi op tijd in Gasny waar de chef van de ‘Auberge du Prieuré Normand’ ons een perfecte maaltijd voorschotelt. Het parkeren in de ondergrondse garage van het ‘Hotel Le Normandy’ valt dan weer tegen. Voor twee naast elkaar geparkeerde motoren betalen we er evenveel als voor twee auto’s.
Impressionistisch landschap
Omdat het er zo mooi is, rijden de we volgende ochtend terug naar la Roche-Guyon, één van Frankrijks mooiste dorpen. Het locale kasteel is half burcht, half slot en een geliefde plek voor schoolreisjes. In Frankrijk maken de schoolkinderen al vroeg kennis met de culturele superioriteit van hun land. Kenden wij dat ook maar. Na een snelle bak koffie op het terras van het vriendelijk aan de rivier oever liggende ‘Les Bords de Seine’ (een adres voor de volgende keer) duiken we het wereldberoemde Giverny in. Nooit van gehoord? De impressionist Claude Monet heeft er gewoond. Zijn tuinhuis en lotusbloemen atelier zijn tegenwoordig bedevaartsoorden voor bloemenschilderijenliefhebbers uit de hele wereld. Na een uurtje ronddolen voel je jezelf als in en droomwereld.
De slinger in de rivier bij Les Andelys is misschien wel het meest schilderachtige stuk van de Seine, die hier als een statige dame ongehaast door het landschap meandert. Rijk begroeide, groene oeverweides, als stenen in een collier fonkelende rotsen en met in het midden van de stroom een eiland dat lijkt op een broche die op gekreukelde zijde ligt. Er varen vrachtschepen, rondvaartboten en in de verte zie je de scherpe spits van een kerktoren. Jammer genoeg is er in de verste verte geen ijsstalletje te vinden in dit landschap met zijn mooie vergezichten. Zelfs Richard Leeuwenhart wist de schoonheid van deze plek te waarderen en liet – wel op een strategisch gunstige plek – het ’Château Gaillard’ neerzetten. Zo kon hij zijn hertogdom Normandië tegen de Franse kroon verdedigen. Van de imposante vesting is alleen een ruïne overeind gebleven.
De Côte des Amants ligt lieflijk op de andere oever. De naam had op de heerlijke bochten, waarvan het asfalt vriendelijk je voetsteunen kust, kunnen slaan. Maar het echte verhaal er achter is verdrietiger en verwijst naar het droevige lot van Edmond en Calliste. Als je daarvan emotioneel vol schiet, kun je weer leren glimlachen in de museum- en havenstad Rouen. Maar bedenk dat ze daar dan weer de as van Jeanne d’ Arc in de rivier hebben verstrooid om te voorkomen dat de plek een bedevaartsoord zou worden. Zo is er toch altijd wat.
Kunstenaarskolonie Honfleur
In la Bouille begint onze laatste etappe. En kijk eens wat er met dat enkeldiepe beekje is gebeurd waar we nauwelijks vier dagen geleden bij Source-Seine in pootjebaden. Madame is machtig gegroeid. Is rustig geworden en breed. Maar net als elke dame blijft ze vol verrassingen. Zo schommelt het veer naar Duclair alsof er zes Beaufort staat en ligt de Aprilia bijna op één oor. Bij Vattevilles lijkt mevrouw de rivier een tikkeltje schizofreen. Eerst verstopt ze zich schuchter achter het gebladerte. Daarna knalt ze exhibitionistisch in alle openheid in haar zonovergoten bed. Of het een zonde is om de ‘Route des Abbeyes’ rechts te laten liggen en geen enkel klooster tussen Rouen en Le Havre te bezichtigen? En wie indruk wil maken op de vrouw van zijn leven kan scoren in Vieux Port waar een overromantisch tweepersoons, rietgedekt huisje ‘a vendre’ staat. Te koop dus. Voor weinig. Maar wanneer je bij Quillebeuf-Sur-Seine enorm groot ‘Mozart’ geschilderd ziet staan, mag je verrast zijn. Het is een momentopname. Wij zagen het op de boeg van een enorme tanker die geankerd lag voor de locale petrochemische installaties.
We hebben ons reisdoel bijna bereikt. De trechtervormige monding van de Seine. Daar vormt de dramatisch gewelfde Pont de Normandië, de met 2200 meter lengte de langste draadgetuigde brug van Europa, zich als een megalomane sinuskromme vanaf de kant het hemelgewelf in. Sensationeel! Wij mogen er nog eens tolvrij overheen. En met stevige zijwind kun je er nog gratis stevig schuin bij hangen ook! Maar wij rijden windvrij en ‘s avonds om tien uur zitten we nog zielsgelukkig op een terrasje. We genieten voor de ‘Vintage Jazz Club’ aan de havenkom van de oude kunstenaarskolonie Honfleur. Een plek waar zelfs de meest verstokte knurften nog een vleug romantiek ervaren en die het toeristische Le Havre met afstand op een tweede plek zet.
Onze conclusie naar 676 nooit oeverloze kilometers? Daniël zegt het zo: ‘De Seine heeft het geluk dat ze door Parijs stroomt. Anders zou niemand de rivier kennen.’ Dat kun je dan jammer en onterecht vinden, maar het geeft een fantastische ervaring ver buiten het mainsteam toerisme. Net als het rijden op een motor met automatische transmissie.
[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRACK-Seine.GPX”]
Promotor Langste Dag Tocht: De Stille Tocht
Geen hond, geen kip, geen donder, geen zak. Tijdens de Langstedagtocht 2019 rijden we van Niemendal via Doodstil naar Nergenshuizen en komen we 250 kilometer lang geen stoplicht tegen.
Toeren over een slingerweg door een leeg landschap naar oorden zonder naam achter de horizon. Daar droom je van als je begint met motorrijden. Van Schotland, Lapland, de Hoge Alpen. Een beetje motoradvertentie kan niet zonder dit soort beelden.
Maar Nederland, nou nee, dat is geen droommateriaal. We zitten met zeventien miljoen op een land ter grootte van een voetbalveld. We zijn een bijna aaneengesloten bedrijventerrein geworden met files en nieuwbouwwijken eromheen. Het gaat zo snel dat je amper je geboorteplaats herkent als je er twintig jaar niet ben geweest.
Rust en ruimte worden schaars. Zo schaars dat gemeenten een hek om een rustig stukje zetten en het een ‘stiltegebied’ noemen. Wat betekent kop houden en je motor thuislaten.
Dikkeboerentrien
Niet heel Nederland barst uit zijn voegen. Er zijn nog steeds wegen waar je zonder wachten kunt oversteken en gebieden waar je ’s nachts duizenden sterren aan de hemel ziet staan. Maar waar liggen die precies?
Het vinden van stille wegen blijkt niet eens zo moeilijk te zijn. Ambtenaren van de RIVM en Rijkswaterstaat houden van zo ongeveer elke doorgaande weg bij hoeveel geluid er vanaf komt. Dat is allemaal op een speciale kaart te vinden. Met wat gepuzzel lukt het dan zomaar om een route te maken van bijna 250 kilometer, die vrijwel geen drempels, rotondes, bedrijventerreinen en stoplichten heeft. Een route met ruimte, groen, wegen waar je nog nooit was geweest en dorpjes waarvan je nog nooit had gehoord. Dus ambtenaren: we mopperen wel eens wat, maar hier hebben jullie mooi werk verricht – ook al was het per ongeluk.
Op zaterdag 22 juni beginnen we onze Stille Tocht bij Blokzijl, een levendig plaatsje met 1.300 inwoners. Veel groter zullen we het niet meer tegenkomen. We ontvangen je met koffie, gebak en een minder luidruchtig T-shirt dan je gewend bent. Daarna gaan we de stilte in. Ooit gehoord van Blankenham, Rottige Meenthe, Oldeholtswolde, Dikkeboerentrien, Twijtel, Tronde, Oude Willem? Oké, Dikkeboerentrien zagen we niet op een bord staan, maar wel een op een fiets rijden. Verder kwamen we bij het voorrijden hier meer trekkers dan auto’s tegen. Maar van zulk oponthoud geniet je alleen maar.
Sterrenwachten
Diever en Dwingeloo zijn bekender en wat drukker. Er staat tegenover dat ze door heel stille bossen zijn omgeven. Dit deel van Drenthe hoort tot de donkerste plekken van Nederland, tot voorbij Westerbork. Vandaar dat je in deze omgeving juist de meeste sterrenwachten vindt. Maar ook overdag is het weldadig rustig hier. Hoe we dat weten? Hoofdredacteur Jan – die je op de foto’s ziet – woont hier weer sinds een maand. Vijfendertig jaar zat-ie in het westen in een rijtjeshuis en een file. Nu is-ie weer helemaal thuis.
Richting Hoge Noorden komen we door de wouden van Grolloo, waar voetbalziener Johan Derksen ergens woont. Via het Nationaal Beek- en Elsdorpenlandschap Drenthse Aa, gaan we dwars door Zuidlaren. Hier kan het nogal lawaaiig zijn, want hier woont motortester Mink Bijlsma. Verder is er niets aan de hand.
Het dorp Doodstil
Met een flinke boog ontwijken we de stad Groningen om uiteindelijk uit te komen in het Nova Zembla van Nederland: Noord-Groningen. Hier knetteren we dwars door het dorp met de mooiste naam, Doodstil. Dat zegt genoeg, maar nog veel stiller wordt het voorbij Usquert, als we buitendijks de Noordpolder ingaan. Sommigen slaan hier een kruis, maar wij vinden het schitterend. Hier staan alleen nog maar boerderijen op grote afstand van elkaar in een vaak omgeploegd zwart landschap. Die ene spookboerderij die ertussen staat is de kroon op de verlatenheid van de polder.
De desolate rust stemt geheel overeen met de metingen van de RIVM. De Waddenzee is tenslotte het grootste aaneengesloten stiltegebied van Nederland. Eventjes merk je hier hoe het is om door Zweeds Lapland of het eindeloze Midden-Westen van Amerika te rijden.
Er is hier één plekje waar je tot aan de Waddenzee kunt komen: Noordpolderzijl. Dit is de kleinste zeehaven van Nederland, goed voor twee garnalenkotters. Erachter ligt de voormalige sluiswachterswoning Het Zielhoes. Dat is nu een huiskamercafé. De plek is fantastisch, maar het café is voor ons te klein. Dus trekken we nog even door naar Pieterburen, vlakbij de stilste gemeente van het Nederlandse vasteland: Marnehuizen, met zijn afgesloten spookdorp waar militairen oefenen voor missies in Afghanistan en omstreken. Hier in de buurt besluiten we onze Stille Tocht met een lawaaiig buffet.
Het allerstilste plekje van Nederland is trouwens Schiermonnikoog. De boot ernaartoe ligt vlakbij. Dat is wellicht een ideetje voor degenen die er een lang weekend van willen maken. Alleen de motor kan niet mee. Vandaar dat Schiermonnikoog zo stil is.
[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/LDT-2019.gpx”]
Faeröer Eilanden: De onwaarschijnlijke eilanden
Huiveringwekkend mooi land waar geen land hoort te zijn. Wegen waar geen wegen horen te lopen. De Faeröer zijn zo bijzonder dat National Geographic Traveller ze verkoos tot meest aansprekende eilanden ter wereld. Maar bijna niemand die ze kent. En daarom organiseren wij er in september een onwaarschijnlijke toertocht. De Kouwepotentocht Extreem.
Jan Dirk Onrust
De Faeröer zaten voor ons al vroeg in de droomcategorie – met Spitsbergen, de Azoren en Groenland – en zouden daar vermoedelijk altijd wel blijven. Ze waren te duur, te ver en te tijdrovend om met de motor te komen. Maar ongemerkt zijn ze dichterbij gekomen. Door een nieuwe cruiseferry van de Smyril Line is de reistijd verkort en zijn de prijzen gezakt. Buiten het hoogseizoen vaart het schip bovendien vanaf het Deense Esbjerg in plaats van het noordelijke Hanstholm. Met andere woorden: de ongenaakbare eilanden zijn binnen bereik gekomen! Zelfs voor eenvoudige middenstanders als mijn kameraad Jan en ik.
Promotor Reizen: Faeröer Eilanden van 9 t/m 16 november
In november schommelt de temperatuur op de Faeröer rond de 8—10 graden. De warme Golfstroom die de eilanden schampt voorkomt een extreem klimaat. Wel extreem zijn de eilanden zelf: extreem bijzonder en mooi zelfs. Extreem is ook de prijs: vanaf €599,-!
Link naar de Faeröer Eilanden
Een dagje rijden
Tja, wie had dat ooit gedacht? Het hotel dat we op de Faeröer hebben geboekt, ligt op maar 800 km rijden van huis! Doen we in een dagje. Tenminste, de eerste 799 km naar Esbjerg. Voor de laatste kilometer moeten we anderhalve dag varen, maar dat is dan ook alles.
In de korte wachtrij raken we aan de praat met de eerste Faeringer die we in ons leven tegenkomen – een grote kerel met heel korte pootjes en een Harley. Hij voorziet ons van nuttige reisinformatie. ‘De wegen op de Faeröer zijn geweldig. We hebben meer schapen dan mensen. En meer mannen dan vrouwen. De vrouwen zijn prachtig. De mannen hebben een kop als een drol, net als ik. Er is vrijwel geen misdaad. We hebben zelfs geen hoer. En als je er toch een ontdekt, moet je me onmiddellijk sms’en, want van die schapen begin ik aardig genoeg te krijgen.’
Met dat soort Faeringers aan boord zullen we ons niet vervelen. Bovendien is de boot van alle luxe voorzien. Van restaurants tot zwembad, van winkels tot bioscoop. Maar wat de Smyril Line echt bijzonder maakt, is de dorpse gemoedelijkheid. Passagiers worden verwelkomd alsof het oude bekenden zijn – wat vaak ook zo is. En goede kans dat je bij het vastsjorren van je motor wordt geholpen door de stuurman. Ze schijnen zelfs nog wel eens te wachten op die ene laatkomer. Maar die gok hebben wij maar niet genomen.
Op de eerste plaats
Ergens halverwege Schotland en IJsland rijzen de achttien eilanden bijna 900 meter uit de diepe oceaan. Anders dan IJsland of de Azoren horen ze niet bij de Mid-Atlantische Rug. Eigenlijk horen ze nergens bij. Het is land waar geen land hoort te zijn, lezen we in een brochure. Bij elkaar zijn de eilanden zo groot als de provincie Utrecht en er wonen nog minder mensen dan in Doetinchem, maar heel speciaal zijn ze wel. Toen 500 experts in 2007 op verzoek van National Geographic Traveller een ranglijst samenstelden van Most Appealing Islands in the World, eindigden de Faeröer glansrijk op de eerste plaats, ruim 100 kokosnotenparadijzen en grote namen achter zich latend. En toch krijgen de eilanden per jaar niet meer bezoekers dan De Efteling in een weekendje…
Helaas niet achterlijk
Onder een zwaar bewolkte hemel meert de boot aan in Tórshavn, dat in een halve cirkel van heuvels om de haven heen ligt. We hadden gehoopt dat we op ruim duizend kilometer van het Europese vasteland ver in de tijd zou worden teruggeworpen, maar Tórshavn blijkt moderner dan – pak ‘m beet – Winterswijk. Je kunt er van alles krijgen, van latte macchiato tot sushi toe. Ze hebben een eigen krant, tv-zender en tijdschriften. Er is een Harley-dealer; de kleinste ter wereld, maar toch. Ze hebben zelfs een paar eigen kledingmerken. Dus lopen we nietsvermoedend het knusse winkeltje van Gudrun og Gudrun binnen om een handgebreide trui met Mart Smeets-motief te kopen. Blijkt dat de beeldschone Gudrun fashionista-designer-dinges is. En dat haar ontwerpen op basis van wol, lamsleer en vishuid een daverend succes zijn in New York, Tokio en Milaan.
‘Nou zal mien de klomp breekn,’ zegt Jan. We doen ons beklag. ‘Waar is een restaurant met blikvruchten als dessert? Waar is de kruidenier met een assortiment van twintig artikelen?’ Een Faeringer geeft een tip: ‘Als je achterlijkheid zoekt, moet je op de Shetlands zijn.’
Het is een ruimteschip
Ons hotel (met wifi, interactieve tv en een hi-tech douche die we niet begrijpen) ligt aan de voet van de bergweg. De weg stijgt naar een meter of 400 en onmiddellijk zitten we in een woest landschap. Het asfalt is van circuitkwaliteit, er liggen mooie bochten en er ligt nergens politie achter de struiken. Sterker: er zijn geen struiken, er groeit alleen mos en gras. Dus je zou zeggen dat dit een scheur-eldorado moet zijn. Maar hier jakkert niemand en daarvoor is een goede reden: schapen. Op alle eilanden houden ze het verkeer bedwang. Rijd je er een aan, dan mag je na je salto mortale de portemonnee trekken.
Er is nog een reden om rustig te rijden: het landschap. We stoppen zelfs om ons eraan te vergapen. ‘Ik heb heel wat bergen gezien,’ zegt Jan. ‘Maar deze zie je nergens.’
We kijken naar pyramide- en tentvormige bergen die uit drie of vier lagen basalt bestaan. Ze zien er zo geometrisch uit dat het lijkt alsof het bouwwerken zijn.
‘Dit zijn helemaal geen bergen, joh,’ zegt Jan. ‘Het is een gigantisch ruimteschip dat een paar miljoen jaar geleden is neergestort. Daarom liggen ze ook op zo’n rare plek in de oceaan.
Een oude radarbasis
Op de bergweg vinden we een spectaculair zijweggetje dat naar de Sornfelli (749 m) klimt. Vanaf deze hoogvlakte heb je bij helder weer zicht op de complete archipel. Hoger kun je per motor niet komen. Of eigenlijk mag je hier niet eens komen. Het is een oude radarbasis van de NATO, die weer in gebruik is genomen sinds de Russen weer stoere taal uitslaan. Maar inmiddels kennen we de beheerder – de Harley-dealer – waardoor we er bij een volgend bezoek toch op kunnen.
Het gaat flink regenen. Dat doet het wel vaker op de Faeröer. Een plaatselijk gezegde zorgt voor troost: ‘Als het weer je niet bevalt, moet je vijf minuten wachten.’ Ook een stukje doorrijden kan helpen. We besluiten daarom naar de meest westelijke punt te gaan, naar het plaatsje Gasadalur. Als we de kilometerslange toltunnel – gratis voor motoren – naar het volgende eiland uitkomen, is het al kurkdroog.
Lastig voor de postbode
Gasadalur, een gat met een dozijn inwoners – biedt een fabelachtig uitzicht over de oceaan en het nabijgelegen vogeleiland Mykenes. Tot 2003 was het gehucht over land alleen na een bergwandeling van een dag bereikbaar. Voor de postbode was dit tamelijk lastig. Vooral als een van de bewoners een wasmachine had besteld – zo stellen we ons voor. Een tunnel van 1,7 km maakte een einde aan het isolement. Uit oogpunt van kostenefficiëntie was er vast een voordeliger oplossing mogelijk geweest. Anderzijds zitten de hele Faeröer zo in elkaar. Bijna alle plaatsjes zijn ooit per roeiboot gesticht. Later kwamen er wegen, waar eigenlijk geen wegen waren bedoeld. Het gevolg is dat er nu voor motorrijders een waanzinnig mooi wegennet ligt.
18 generaties in een huis
Mooie wegen vinden is hier net zoiets als vissen in een zalmfarm. Niet ver van het hotel ontdekken we de volgende dag boven de vlek Velbastadur een weggetje dat meer spektakel biedt dan de fameuze Trois Corniches aan de Côte d’Azur. En dat is dan aangelegd om een stuk of drie boerderijtjes te ontsluiten.
Minder sensationeel, maar wel bijzonder: het weggetje naar Kirkjubøur, waar aan het eind het oudste gebouw van de Faeröer staat: een stenen kathedraal(tje). En het huis waar al achttien generaties een familie woont – wat hier niet eens zo heel bijzonder is.
Even later rijden we op een kronkelweg door een verstild dal dat uitmondt in de felblauwe baai van Saksun, waar een oud vikinghuis is te vinden. Nog mooier vinden we de – alweer doodlopende – weg naar Tjørnuvik, met zicht op de twee versteende reuzen (rotsnaalden van 70 m hoog) Risin en Kellengin die volgens de legende ooit probeerden de Faeröer naar IJsland te slepen.
Zo kunnen we nog wel even doorgaan. En dat doen we ook. De bergpas van Eidi naar Gjögv, die langs de hoogste berg (882 m) scheert, is volgens plaatselijke motorrijders de mooiste van allemaal: aan beide zijden van de top een reeks haarspeldbochten met zeezicht en kapen op de achtergrond. Gjögv zelf staat bekend als het meest schilderachtige dorpje. De smalle baai en de huisjes zijn in elke brochure te vinden. Hier breekt de zon definitief door en laat de groene hellingen zo oplichten dat ze radioactief lijken.
De Noordkaap 3.0
Toch ligt ons favoriete deel nog eens drie lange tunnels, een stadje en 85 schapen (oftewel 60 km) verder. We zitten dan op Vidoy, het noordelijkste eiland. De Faeröer mogen dan in kleine kring bekend staan als het best bewaarde geheim van Europa, de noordelijke eilanden vormen het best bewaarde geheim van de Faeröer zelf. Op Vidoy vind je een klif die de Noorse Noordkaap (308 m) doet verschrompelen: Kaap Enniberg, 754 m vrijwel kaarsrecht omhoog. Alleen kun je de rotswand slechts per boot bekijken. Of vanonder je voeten, vanaf de angstaanjagende top. Vanaf het plaatsje Vidareidi zie je in het westen wel Kaap Kunoyarnakkur op het eiland Kunoy. Die is nog verschrikkelijker: 819 m. En dan zit je hier ook nog ingeklemd tussen twee van de hoogste piramidebergen, terwijl in het oosten het kaapeiland Fugloy ligt te imponeren. Grootser, steiler, hoger en mooier kun je het aan geen enkele kust vinden. Het lijkt vandaag ook onwaarschijnlijk dat je ergens blauwer water en groener gras zult treffen. Dit is de overtreffende trap, dit is de Noordkaap drie punt nul.
[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRACK-Faeroer.GPX”]




































































