woensdag 13 mei 2026
Home Blog Pagina 131

Historie MV Agusta: 80 Jaar snelheid, stijl en strijd

0

Dit jaar bestaat MV Agusta tachtig jaar. Dit iconische merk, dat voortkomt uit een luchtvaartimperium, staat bekend om snelheid en stijl, heeft generaties motorrijders geïnspireerd en talloze racetradities neergezet. Van baanbrekende innovaties tot adembenemende ontwerpen, MV Agusta blijft ons verrassen. In dit artikel nemen we je mee op een reis door de geschiedenis, de hoogte- en dieptepunten en wat de toekomst nog in petto heeft.

Giovanni Agusta ontwierp en bouwde in 1907 zijn eerste vliegtuig, de Ag1 dubbeldekker. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak diende hij bij het Italiaanse Primo Battaglione Aviatori, het eerste luchtmachtbataljon van de Italiaanse luchtmacht. Dat was gestationeerd in Malpensa, net zoals nu een vliegveld vlakbij Milaan. Na de oorlog richtte Agusta de Costruzioni Aeronautiche Giovanni Agusta S.A op in Cascina Costa di Verghera, vlakbij Malpensa. Daar ontwierp en ontwikkelde hij vliegtuigen die door zijn bedrijf ook werden geproduceerd. Het bedrijf groeide bijzonder snel. In 1927 overleed Giovanni, hij was pas 48 jaar oud. Zijn vrouw, Gravin Giuseppina Agusta, volgde hem op en leidde samen met haar zonen het familiebedrijf. Domenico Agusta, de oudste zoon, zou uiteindelijk de belangrijkste rol gaan spelen.

Historie Bimota & Kawasaki: verenigde krachten

Na de Tweede Wereldoorlog kwam MV’s rol in de luchtvaartindustrie tot een einde toen deze industrietak door de geallieerden in Italië werd stopgezet, de voormalige vijand mocht geen vliegtuigen meer fabriceren. Terwijl de oorlog in Noord-Europa doorging en nog veel slachtoffers maakte en ellende bracht, begonnen ze in Italië al voorzichtig aan de wederopbouw. Met name goedkope, functionele en individuele transportmiddelen waren hierbij onontbeerlijk en MV speelde hier goed op in. Vliegtuigen waren uit den boze, maar MV had nog wel de beschikking over productiefaciliteiten en vakkundig technisch personeel. In oktober 1945 begon de productie van hun eerste motorfiets, de MV 98. Het was een eenvoudige, maar technisch goed opgebouwde 98cc-tweetakt met twee versnellingen in een heel eenvoudig frame. MV’s 98 woog 70 kilo en had een topsnelheid van 70 km/u en dat was niet slecht voor het motorblokje dat een vermogen leverde van 3,5 pk bij 4.800 tpm. De naam MV prijkte trots op de tank. Hij kreeg aanvankelijk de modelnaam ‘Vespa 98’ mee, maar daar nam Piaggio geen genoegen mee. Zij hadden de naam Vespa al laten registreren voor hun innovatieve scooter. Vanaf dat moment ging hij simpelweg als MV 98 door het leven. Met deze eenvoudige machine boekte MV ook haar eerste racesuccessen zowel op de weg als in het terrein. Het was geen hardloper maar erg betrouwbaar was hij zeker en om een race te winnen zul je hem toch eerst uit moeten zien te rijden. Waar de eerste race met een MV gewonnen werd is niet meer te achterhalen, wel is zeker dat Vicenzo Nincioni hem op zijn naam schreef in 1946. Dat jaar kwamen ook de MV 98 Turismo en de Lusso op de markt, voorzien van plunjer achtervering en de Lusso had daarnaast een telescoopvoorvork. In het kielzog van het vroege sportsucces realiseerde MV zich dat de racerij een uitstekende manier was om publiciteit voor het merk te genereren. Om die reden brachten ze de MV 98 Sport uit. Het motorblok leverde met 5 pk ongeveer 1,5 pk meer dan het standaardmodel. Het frame was korter en aan de voorkant deed in plaats van een parallellogram-vork een telescoopvork dienst. De voetsteunen stonden verder naar achteren en het stuur was erg smal. De berijder ‘sneed door de wind’, aldus MV in die tijd. Het duurde niet lang of MV ging ook racers bouwen in de 125cc-, 175cc- 250cc-klassen en in 1950 volgde het debuut in de 500cc-klasse. Het merk zou prachtige tijden gaan beleven in de Grands Prix van de jaren ‘50 tot en met de jaren ‘70. Uit de racerij kwamen regelmatig nieuwe modellen voort die vooral de sportieve rijders erg waardeerden.

De eerste viertakt

In oktober 1946 debuteerde ook de eerste viertakt van MV. Het was een verticale 250cc-ééncilinder die voor het eerst te zien was tijdens een sportevenement in La Spezia, waar hij werd bereden door Egidio Conficoni. Het model bleef tot 1951 in productie, maar er werden er slechts enkele van gebouwd. Op de Motorshow van Milaan, de voorganger van de huidige EICMA, was in 1947 een nieuwe 125cc-tweecilinder tweetakt van MV te bewonderen. Het was de Zefiro, die de bijnaam ‘Ranetta’ kreeg. Dat betekent ‘kleine kikker’ omdat hij een heel typerend uitlaatgeluid had. De Zefiro was een innovatieve en sportief vormgegeven motorfiets, maar verkocht nauwelijks omdat hij ontzettend duur was. Om die reden bracht MV in 1948 de betaalbare 125 cc Turismo op de markt. Dit was een doorontwikkeling van de 98 en een motor die gericht was op de ‘gewone’ motorrijder die hem gebruikte voor woon-werkverkeer. De Turismo had een tweetakt motorblok van 123,5 cc en leverde een vermogen van 4,8 pk. MV kon het niet laten en bracht ook een heuse raceuitvoering van deze ééncilinder op de markt. Het was de 125 Corsa, goed voor een vermogen van 9 pk. Deze machine was uiterst competitief en schonk MV haar eerste grote overwinning: de 125cc Grand Prix der Naties die verreden werd op het Italiaanse Faenza in 1948. De 125 B was de eerste scooter die MV Agusta in productie nam, in 1949 kwam hij op de markt. Hij werd opgevolgd door de C en de luxere C Super Lusso die niet heel veel van elkaar verschilden. Deze scooter werd goed verkocht in Italië. Eind jaren 40 zocht Graaf Agusta naar nieuwe exportmogelijkheden. In Spanje had het Franco-regime een verbod ingesteld voor de import van motorfietsen en het was ook niet toegestaan voor niet-Spanjaarden om in Spanje een bedrijf te beginnen. Om die reden verleende Graaf Agusta een licentie aan het Spaanse Alpha in Barcelona, waarna vanaf 1948 in Spanje ook MV’s geproduceerd werden onder de naam MV Alpha. De verkopen groeiden snel maar de productiecapaciteit van Alpha kon de vraag bij lange na niet bijbenen. In 1953 werd daarom overgestapt naar Avello, een fabriek met grote capaciteit waar ook Puch’s in licentie gebouwd werden. Aanvankelijk onder de naam MV Avello en vanaf 1955 onder de eigen naam MV Agusta werden daar tot 1972 MV’s gebouwd die varieerden in cilinderinhoud van 49 cc tot 300 cc.

In 1957 won Hailwood voor het eerst op MV

In de jaren ‘50 groeide MV Agusta sterk. Dat had te maken met de successen in de motorsport die een prima publiciteit genereerden in combinatie met een veelzijdig modellenprogramma. MV prikkelde motorrijders met name in 1950 toen ze het viercilinder 500 Turismo viertakt prototype lieten zien op de toonaangevende motorshow van Milaan. Een prachtig uitziende naked die rechtstreeks afgeleid was van de viercilinder wegracer waarmee MV Agusta debuteerde in de 500cc tijdens de Belgische Grand Prix van 1950. Maar begin jaren ‘50 was MV vooral succesvol in de 125cc-GP’s. Met de sportieve 125 Motore Lungo, die tussen 1950 en 1953 in productie was, speelde MV daar op de straat gretig op in. Het was een verticale ééncilinder tweetakt. Zijn naam was afkomstig doordat het carter zich voor de cilinder uitstrekte waardoor het blok nogal lang overkwam. Dat kwam omdat er een speciale twin-spark ontstekingsmagneet gehuisvest was. Vliegwielmagneten waren gebruikelijk op dit soort machines, maar die hadden moeite met toerentallen boven de 7.000 tpm en daar begon de 125 Motore Lungo nu net lekker te lopen. In 1950 werd de 125 CGT geïntroduceerd op de motorshow van Genève. Hij werd aangedreven door een 125cc-tweetakt. Leek de 125 B-scooter nog op een Vespa, de C Gran Turismo had meer weg van een vroege, met minder plaatwerk omgeven Lambretta. Dat was een bewuste keuze van MV, de CGT was eenvoudiger en goedkoper te produceren. De Ovunque-scooter die in 1951 op de markt kwam, was nog eenvoudiger en nog goedkoper. In 1952 kwamen als opvolger van de 125cc-modellen de 150 Turismo en Sport op de markt. MV produceerde ook in heel kleine oplages de 150 Supersport, die bedoeld was voor lange afstandsraces. Op de motorshow van Brussel werd in 1953 de Pullman geïntroduceerd. Hij werd aangedreven door een 123,5cc tweetakt ééncilinder die een vermogen van 5 pk leverde. Dat was goed voor een top van 75 km/u. Het was een slimme mix tussen een motorfiets en een scooter die in ruim drie jaar tijd zo’n 27.000 keer van de band rolde. Het werd een populaire motorfiets voor woon-werkverkeer en utilitaire diensten. De post en energiemaatschappijen maakten er dankbaar gebruik van. In 1953 kwam ook de 175 CS op de markt. Dit was een mijlpaal, want het waren de eerste viertaktmodellen van MV Agusta die, in uitzondering van de vroegere 250, echt in grotere aantallen geproduceerd werden. Daarnaast waren deze machines behoorlijk geavanceerd en leverden relatief veel motorvermogen. Dat kwam omdat de MV-clientèle van destijds vooral sportief van aard was. MV adverteerde in die periode met het feit dat ze een hoger motorvermogen voor hun motorfietsen belangrijker vonden dan betrouwbaarheid. In de vele stratenraces van destijds werd het merk dankzij de 175 CS en zijn opvolgers een synoniem voor sportiviteit en de racesuccessen stapelden zich op. De CS-serie bleef in productie tot 1959 en was tevens de eerste reguliere productie MV’s die een top van 100 km/u konden halen. De CS Turismo was het eenvoudige basismodel met 17” wielen, ideaal voor woon-werkverkeer en toeren. De CS Turismo Lusso zag er wat sportiever uit dankzij zijn grotere 19” wielen en een duozadel. De 175cc-ééncilinder viertakt leverde een vermogen van 8 pk bij 5.600 tpm en was fraai ontworpen. Opvallend was de toepassing van een enkele bovenliggende nokkenas, terwijl MV’s grootste concurrenten nog motorblokken met stoterstangen bouwden. Bijzonder was de 175 CSS, een rasechte supersportuitvoering van de CS, voorzien van schommelarmvoorvork. Hij werd bekend onder de naam ‘Disco Volante’ vanwege de karakteristieke vorm van de brandstoftank die onderaan erg breed uitliep. Motorisch viel vooral de grotere cilinderkop op. De CSS leverde een vermogen van 11 pk bij 6.700 tpm en kon een top halen van 110 km/u. Er was ook een echte productieraceversie leverbaar, de 175 CSS-5V. Hij had een lichter frame net zoals de regulier CSS had hij een schommelarmvoorvork. Hij was specifiek bedoeld voor de 175cc-productieraceklasse en had een vijfversnellingsbak. Deze machine werd ook wel ‘Squalo’ (haai) genoemd en leverde een vermogen van 15 pk bij 8.800 tpm. De Squalo boekte ook veel succes buiten Italië. Mike Hailwood won zelfs zijn eerste race op een tot 196 cc opgeboorde CSS-5V op Oulton Park in 1957. Tussen 1954 en 1957 zijn ongeveer 200 van deze bijzondere machines gebouwd. Er was ook een straatuitvoering leverbaar, met een gedempte uitlaat en verlichting. In 1954 debuteerde de Rapido-serie. Dit waren de opvolgers van de eenvoudige tweetakt wegmodellen die de basis vormden van MV Agusta’s motorfietsgamma. De 125cc Turismo Rapido was de eerste, hij werd aangedreven door een eenvoudig viertakt stoterstangen motorblok met vier versnellingen. Naarmate de tijd vorderde kwamen er Rapido-varianten op de markt, zoals de Turismo Rapido Lusso, de Extra, Extra Lusso en America. Het 125cc-Pullman modellenprogramma kreeg in 1955 uitbreiding met de Super Pullman. Hij leverde met 6 pk iets meer vermogen, maar zag er meer uit als een motorfiets dankzij zijn grotere wielen. Opvallend was de toepassing van een korte schommelarmvoorvork in plaats van een telescoopvork zoals de Pullman had. Maar 1955 had meer te bieden. Ook de 48 ging in productie. Het was MV’s eerste bromfiets die tot 1959 in productie zou blijven. Daarnaast was er de 300 Twin, die in 1955 debuteerde. Het was een sportief model met dubbele bovenliggende nokkenassen dat een vermogen leverde van 20 pk bij 8.000 tpm. In 1956 deed de 250 cc Raid zijn intrede, een allround motorfiets die ook in een heel kleine militaire oplage gebouwd werd. In 1959 werd het ééncilinder viertakt motorblok opgeboord naar 300 cc. Hij zou tot 1962 in productie blijven.

De laatste overwinning in de GP

In 1958 ging de nieuwe Codice Della Strada (wegenverkeerswet) in Italië in werking. Dit had tot gevolg dat motoren van 125 cc en minder niet meer op snelwegen mochten komen. MV reageerde hierop door de Rapido-modellenlijn te vergroten naar 150 cc, met de 10 pk sterke 150 Rapido Sport als meest populaire model. Daarnaast deed ook de goedkope 175 cc A- en B-modellenserie zijn intrede. Die zou niet heel populair worden en ging na een paar jaar stilletjes uit productie. Hij was bedoeld voor degenen die de veel sportievere CS-serie met enkele bovenliggende nokkenas minder waardeerden, maar meer een eenvoudiger woon-werkmachine zochten. De nieuwe wet bracht voor wat betreft het kleinere marktsegment ook de 83 cc Ottantatre Turismo en Ottantatre Sport voort. Tot 1960 bleven die in productie. De verkopen van de 125 cc Super Pullman liepen ook fors terug door de nieuwe wegenverkeerswet. Hij ging in 1958 uit productie nadat er in totaal ongeveer 3.000 exemplaren van gefabriceerd waren. Dat was jammer, want er was uitgebreid getest met brandstofinjectie dat in 1959 zijn intrede had moeten doen op het model. Met de motormarkt ging het steeds slechter in die tijd. De FIAT Topolino en met name de FIAT 500 zorgden ervoor dat een auto voor iedereen bereikbaar werd. Dat ging ten koste van de Italiaanse motorindustrie. Tegenvallende verkopen en torenhoge kosten vanwege de noodzakelijk geachte deelname aan races zorgden ervoor dat veel fabrieken hun koers drastisch omgooiden. In die periode lanceerde MV verschillende modellen zoals de Tevere 235 en de 125 Centomilla. Dit model was voorzien van een centrifugaal oliefilter dat bijzonder effectief was. Om die reden werd het nieuwe model als ‘Centomilla’ gedoopt. Dat betekent 100.000 in het Italiaans, een verwijzing naar het feit dat MV destijds een garantie van 100.000 kilometer op het motorblok gaf! In 1960 kwam de 155 cc Chicco-scooter op de markt die slechts vier jaar in productie bleef. Door de nieuwe wegenverkeerswet was het 150 cc-segment wat populairder geworden. In een dalende motormarkt was dat een belangrijk signaal. Om die reden bracht MV in 1959 de 150-serie uit. Ze waren gebaseerd op de Centomilla en werden in een aantal verschillende uitvoeringen geproduceerd tot 1970. De Checca-modellenlijn verscheen in 1960 en zou tot 1969 in productie blijven. Het waren de opvolgers van de Ottantatre en zouden geleidelijk in diverse uitvoeringen uitgroeien van 83 cc naar 99 cc en tenslotte 124 cc. De meeste fabrieken waren om financiële redenen in 1957 met de GP gestopt om het hoofd boven water te houden. MV Agusta nam aanvankelijk ook dat besluit, maar verscheen in 1958 toch weer op de circuits. Wat volgde was een periode zonder al te veel concurrentie, waardoor vele wereldtitels binnen bereik kwamen en die met topconstructeurs en coureurs uit die tijd netjes geboekt werden. Eind 1964 contracteerde MV Agusta de Italiaanse topcoureur Giacomo Agostini, die privé en later met Moto Morini-fabrieksracers opzienbarende resultaten behaalde met 175 cc- en 250 cc-wegracers. Met Agostini begon een waanzinnig succesvolle periode voor MV. De drie- en viercilinder GP-racers waren bijna ongenaakbaar in de 350 cc- en 500 cc-wereldkampioenschappen. Ago won tussen 1966 en 1972 opeenvolgend het 500 cc-wereldkampioenschap met MV, tussen 1967 en 1972 werden ook de wereldtitels voor constructeurs in deze klasse door MV binnengehaald. De latere driecilinder 500 GP-racer was een technisch kunststukje en de laatste die het nog succesvol op kon nemen tegen de opkomende Japanse tweetakten. Agostini claimde uiteindelijk de laatste MV-overwinning in een wereldkampioenschap wegrace. Dat was tijdens de West-Duitse Grand Prix, die verreden werd op de Nürburgring op 29 augustus 1976. Daarna maakte hij de overstap naar Yamaha, na in 1977 nog een paar races op Suzuki gereden te hebben. Hoewel MV bezig was met de ontwikkeling van een nieuwe generatie vierkleps motoren werd besloten hier verder geen gevolg aan te geven. Het ging eind jaren ’70 slecht met de fabriek, de motorverkopen liepen terug naar een absoluut dieptepunt en de fabriek raakte steeds dieper in de financiële problemen. In 1980 rolden de laatste MV’s van de band. Toen werd het stil rond MV. Tot in juli 1986 groots aangekondigd werd dat alle prototypes, racers, frames en motorblokken van de voormalige raceafdeling in de verkoop gingen. De verontwaardiging in Italië was groot toen zich buitenlandse kopers aandienden. Ondanks een pleidooi aan de Italiaanse regering om dit materieel in Italië te houden werd het toch verkocht. De Italiaans-Amerikaanse Robert Ianucci, eigenaar van een advocatenkantoor en de historische motorrenstal Team Obsolete, kocht alles op. Onder auspiciën van Ianucci komen de historische MV Agusta racers tot op de dag van vandaag af en toe nog steeds in actie.

Historie Indian Motorcycle: Indian Summer

Een 600cc-viercilinder met cardan

In de jaren ‘60 ging het slechter en slechter met de motormarkt. MV reageerde alert en besloot haar modellenprogramma uit te breiden. In een poging om meer jongeren naar een gemotoriseerde tweewieler te lokken werd in 1962 de 50 cc Liberty-modellenserie geïntroduceerd. In 1964 kwam er ook een 70 cc-uitvoering van de Liberty, voor de 50 cc-categorie deed de Germano zijn intrede met een moderner motorblok. De Liberty-modellen zouden tot 1968 in productie blijven. De 166 cc Arno-tweecilinder viertakt was een riskant model in die commercieel uiterst onzekere tijd. Hij was bedoeld voor de financieel welgestelde motorrijder die een technisch lekkernij kon waarderen. De nieuwe 125 cc-serie die in 1965 debuteerde was gebaseerd op de Centomilla, hij werd redelijk verkocht en de verschillende uitvoeringen bleven tot 1973 in productie. MV was al vroeg sinds haar ontstaan ook actief in de terreinsport. In de jaren ‘60 vond er een opleving plaats, de terreinracerij werd steeds populairder. MV’s nieuwe 125 was dan ook leverbaar in een terreinuitvoering, de 125 Scrambler. De terreinsuccessen van MV zouden ook leiden tot de echt serieuze 125 Regolarita, een 125 cc-ééncilinder viertakt met vijf versnellingen die een vermogen leverde van 12,5 pk. Deze terreinfiets werd een succes. Medio jaren ‘60 begon de motormarkt iets aan te trekken. De motorfiets werd meer gezien als hobby en zwaardere machines werden wat populairder. MV veranderde haar modellenpolitiek en draaide de frequentie waarin het bijna jaarlijks nieuwe, lichte modellen onder de 175 cc introduceerde terug en legde de focus op de zwaardere modellen. Wat dat betekende werd tijdens de show van Milaan in 1965 duidelijk toen MV een nieuwe 250 twin en een volledig nieuwe 600 cc-viercilinder introduceerde. De twin zou in verschillende uitvoeringen, inclusief een scrambler, tot 1971 in productie blijven. Zijn opvolger was toen al in productie. Dat was de tot 350 cc opgeboorde 350 Twin, die het tot 1974 vol zou houden en ook in diverse uitvoeringen -inclusief scrambler en politie- leverbaar zou zijn.

De 600-viercilinder vormde het begin van een nieuwe modellenlijn die tot 1980 stand zou houden. De 600 sloeg in als een bom. De motorische gelijkenis met de machtige GP-racers van MV was overduidelijk. Maar er waren wel verschillen, de cilinderinhoud was bewust groter gehouden dan 500 cc en hij was voorzien van cardanaandrijving. Het merk duldde geen concurrentie in de racerij en wilde voorkomen dat hij teruggebouwd werd naar 500 cc. Cardanaandrijving was ook lastig om te bouwen naar de meer voor de racerij geschikte kettingaandrijving, hoewel sommige vroege MV-viercilinder wegracers ook cardanaandrijving hadden. De 600 was vooral bedoeld als toermachine en daarmee was het een lastige MV om in de markt te zetten. Merkliefhebbers wilden liever een sportieveling en voor toerliefhebbers was hij weer te sportief. Veel maakte dit dilemma niet uit, voor beide categorieën was hij nagenoeg onbetaalbaar. Deze machine vormde wel de basis voor de legendarische 750 cc-supersportieve viercilinders. De eerste 750 deed zijn intrede tijdens de show van Milaan eind 1969. Het was de 750 Sport, heel karakteristiek uitgevoerd met vier uitlaatdempers en goed voor een top van ongeveer 220 km/u. Later kwam er nog een GT-uitvoering van de 750 en in 1971 ook een Super Sport inclusief volle kuip en racezitje. De topsnelheid werd met 260 km/u wel wat optimistisch geclaimd. In 1974 kreeg de 750 S schijfremmen en werd hij ook leverbaar met volle kuip. In 1975 kwam de nieuwste versie van MV’s sportieve viercilinder op de markt. Dit was de iconische 750 S America, maar wel met een cilinderinhoud van 790 cc. De laatste viercilinder uit de klassieke MV-periode was de 837 cc 850 SS. In Engeland werd hij de Boxer genoemd, in Duitsland de Super Daytona. Het was in feite een 750 S America die de fabriek op voorraad had, maar waar geen belangstelling meer was. MV besloot het model te upgraden, waarna de laatste toch nog verkocht werden. In 1980 viel het doek voor deze generatie viercilinders definitief toen de productie stilgelegd werd.

Castiglioni en Tamburini

Graaf Domenico Agusta overleed in 1971. Dat was een grote klap voor het merk. Domenico regeerde de fabriek en haar raceactiviteiten met harde en soms scrupuleuze hand. Het management raakte verdeeld. De fabriek leed steeds meer verlies en de racerij vrat kapitaal. Uiteindelijk werd besloten de raceactiviteiten in te perken en het modelprogramma volledig te beperken tot de 350cc-modellen en de zware 750-viercilinders. In een poging meer motorfietsen te verkopen in het kleinere segment transformeerde MV de 350cc tweecilinder. Ze huurden Giorgetto Giugiaro in die een verfrissend nieuw ontwerp introduceerde. In 1973 werd een prototype getoond op de show van Milaan en in 1975 ging de nieuwe 350 Ipotesi tweecilinder viertakt in productie. Opvallend genoeg kwam er in 1975 ook een nieuwe MV 125cc eencilinder viertakt op de markt. Dit zou het laatste nieuwe model van het oorspronkelijke MV blijken te zijn. Het was de fraaie 125 Sport, die dezelfde styling meekreeg als de Ipotesi. Tot 1980 bleven deze machines in productie. Het waren opvallende verschijningen. Het ontwerp was erg sportief en modern, de Ipotesi was de eerste Italiaanse productiemotor met gietwielen en drie schijfremmen. Er was ook een toeruitvoering leverbaar, de GT. Het vermogen van de Ipotesi lag op 34 pk bij 8.500 tpm, dat was maar liefst 7 pk meer dan zijn voorganger.

In 1992 werd de MV Agusta merknaam overgenomen door Cagiva’s Claudio Castiglioni. Castiglioni was vastbesloten MV nieuw leven in te blazen. De Cagiva-fabriek had destijds al een nieuwe viercilinder motorfiets in ontwikkeling. MV Agusta’s nieuwe hoofdkwartier werd ingericht in de Cagiva-fabriek in het Italiaanse Schiranna. Castiglioni maakte veel kapitaal vrij en investeerde volop in de ontwikkeling van een nieuwe MV-straatmotor. Hij contracteerde Massimo Tamburini, bekend van Bimota en modellen zoals de Ducati 916. Het resultaat dat voor het eerst tentoongesteld werd op de show van Milaan in 1997 was in één woord opzienbarend. De MV Agusta F4 was geboren, de voorloper van alle huidige MV Agusta’s. Het ontwerp was hypermodern en voorzien van veel innovatieve details en prachtige ontwerpoplossingen. De F4 was in MV’s traditionele racekleuren rood en zilver uitgevoerd. De overtreffende trap kwam al in 1999 toen de ‘Oro’ zijn intrede deed, met een geclaimde topsnelheid van meer dan 280 km/u.

In 2003 kwam de naakte Brutale op de markt. Het was een poging om meer cashflow te genereren. MV had kapitaal nodig om te overleven, want de peperdure modellen kenden geen hoge productieaantallen. Het was niet genoeg, daarom besloot Claudio Castiglioni in december 2004 een deel van zijn aandelen in MV Agusta te verkopen aan de Maleisische automotive gigant Proton. Dit leverde een bedrag van 70 miljoen euro op. Een jaar later kocht de Italiaanse financiële holding GEVI S.p.A. deze aandelen over voor slechts een euro. De samenwerking tussen GEVI en Castiglioni verliep niet heel erg soepel. Claudio zocht naar wegen om van GEVI af te komen en vond een bijzondere zakenpartner in Harley-Davidson. Dit leidde in juli 2008 tot een deal waarin Harley-Davidson de hele MV Agusta Group overnam voor 109 miljoen dollar. Castiglioni zou aanblijven als directeur. Vervolgens investeerde Harley een bedrag van 40 miljoen euro waarmee schulden afgekocht werden, model upgrades uitgevoerd werden en in razend tempo nieuwe modellen werden ontwikkeld.

Het is bijzonder dat Harley-Davidson in 2009 besloot om de MV Agusta Group toch weer te verkopen. Het was een besluit dat genomen werd om financiële risico’s binnen het Harley-Davidson conglomeraat te beperken vanwege aanhoudende tegenvallende verkopen van hun eigen motoren. Door de enorme kapitaalinjectie van Harley-Davidson was MV Agusta in korte tijd weer een redelijk gezond bedrijf geworden. Opvallend genoeg kocht Castiglioni MV Agusta vervolgens weer terug voor een bedrag van een euro. Een jaar later, tijdens de EICMA in Milaan, werd de nieuwe generatie van de F4 geïntroduceerd met het nieuwe 998 cc Corsa Corta-motorblok dat een vermogen leverde van 201 pk. De Brutale-modellenlijn kreeg ook een update met de 990R en de 1090R.

Op 17 augustus 2011 overleed Claudio Castiglioni op 64-jarige leeftijd aan een langdurige ziekte. Zijn zoon Giovanni volgde hem op en benoemde Massimo Bordi als vice-directeur. Hij maakte de visie van zijn vader waar toen hij in 2012 de nieuwe F3-modellenserie, ontworpen door Ezio Mascheroni, in productie nam. De ‘Supersport’ F3 en de naakte Brutale 675 gaven de MV-verkopen een mooie impuls. Een jaar later werd de F3-modellenlijn uitgebreid met de 798 cc F3 800 en de Rivale 800, die MV bestempelde als een hypermotard. Later zouden ook de Brutale 800 en de Brutale 800 Dragster volgen. Het sportieve toersegment werd bediend met de Turismo Veloce 800, een motor die zich in hetzelfde segment bevond als de Ducati Multistrada, en de Stradale 800. De F3-modellen verkochten goed, in 2012 stegen de verkopen zelfs met 70% vergeleken met het jaar ervoor.

De aanhoudende groei zorgde echter ook voor productieproblemen die alleen opgelost konden worden met een nieuwe kapitaalinjectie. Mercedes-AMG bracht uitkomst en nam MV Agusta voor 25% over. Naar verluidt investeerde Mercedes-AMG een bedrag van 30 miljoen euro in MV en ondersteunde de sales & marketing. Maar dit bleek op termijn niet genoeg te zijn. Toen Mercedes-AMG vervolgens aankondigde haar belang in MV te willen verminderen, ontstonden er problemen met de kredietvoorziening die banken verleenden aan MV. Dit leidde ertoe dat MV bij de rechter aanklopte voor bescherming tegen een faillissement. Dit werd in maart 2016 onder de Italiaanse Concordato di Continuità vastgelegd. Dit is een wettelijke Italiaanse continuïteitsovereenkomst die bedrijven beschermt tegen een faillissement door voorbarige schuldeisers op afstand te houden. De overeenkomst werd toegekend voor de tijdsduur die het zou kosten om een nieuwe investeerder te vinden die bereid was om geld in MV te pompen, maar de overeenkomst kwam wel met pittige voorwaarden. De productieproblemen moesten opgelost worden. De productieaantallen, die zo’n 9.000 stuks per jaar bedroegen, waren hoger dan dat de fabriek redelijkerwijs aankon. Een maximum van 7.000 werd wel acceptabel gevonden. De R&D kosten moesten worden teruggebracht van 15 miljoen euro naar 7 miljoen en het budget voor de raceafdeling ging terug van 4 miljoen euro naar 600.000. Tot slot moest het personeelsbestand met tweehonderd medewerkers inkrimpen.

De zoektocht naar een nieuwe investeerder leverde resultaat op toen in november 2016 Giovanni Castiglioni een deal sloot met het Engels-Russische COMSAR Invest. Zij waren onderdeel van de Black Ocean Group en werden geleid door de familie Sardarov. Maart 2017 werd deze deal samen met een financieel herstelplan voor MV Agusta S.p.A. geaccordeerd door de rechter. Halverwege 2017 had de Black Ocean Group 49% van MV Agusta Holding, de moedermaatschappij waar MV Agusta S.p.A. onder viel, in handen. Dat was inclusief de 25% die Mercedes-AMG daarvoor in handen had. Giovanni Castiglioni behield zelf 51%.

Tijdens de EICMA in Milaan van 2018 debuteerde een nieuwe modellenlijn van 1000cc-viercilinders, waarvan de techniek ontworpen was onder leiding van Brian Gillen en het ontwerp door Adrian Morton. De Brutale 1000 Serie Oro werd geïntroduceerd als ’s werelds snelste naked. Het motorvermogen van 208 pk, 212 pk met een speciaal uitlaatsysteem, en een koppel van 115 Nm moest garant staan voor een topsnelheid van maar liefst 312 km/u. Hij werd gekozen als mooiste motorfiets die tentoongesteld werd op de EICMA van 2018. Ook werden er twee volledig nieuwe modellen geïntroduceerd, de neo-klassieke Superveloce 800 Serie Oro, die gebouwd werd in een gelimiteerde serie van 300 stuks en de F4 Claudio, waarvan er 100 gebouwd werden. Eind 2018 investeerde de Black Ocean Group 40 miljoen euro in MV Agusta en Timur Sardarov werd de nieuwe CEO. Een jaar later werd een vijfjarig businessplan gepresenteerd waarin aangekondigd werd om binnen vijf jaar de productie naar 25.000 motoren op te voeren. Massimo Bordi werd aangesteld als vice-directeur onder Timur Sardarov en Paolo Bettin werd aangesteld als financieel directeur. Giovanni Castiglioni bleef aan als consultant.

De Superveloce was voorheen al in een beperkte oplage van 300 stuks gebouwd, maar dat veranderde in 2020 toen hij in een meer reguliere, maar nog steeds exclusieve serieproductie ging. Hij was gebaseerd op het 800 cc F3-platform. MV noemde het een ‘moderne interpretatie van het iconische MV Agusta-stijlconcept. Het is een fusie tussen het verleden en het heden, één die een toekomst mogelijk maakt met de goede herinneringen uit het verleden daarin verweven.’

In november 2022 kocht de Pierer Mobility A.G. een 25,1% minderheidsaandeel in MV Agusta. Het was de bedoeling dat deze firma, bekend van KTM, Husqvarna en GasGas, MV ook zou gaan ondersteunen met productie knowhow en sales. In maart 2024 steeg het aandeel van Pierer naar 50,1 en daarmee was een meerderheidsbelang zeker gesteld. Maar ook KTM raakte in zwaar weer en in januari 2025 werd Black Ocean weer volledig eigenaar van MV.

Je kunt niet anders dan benieuwd zijn naar hoe het MV Agusta in de toekomst zal vergaan. Eén ding is zeker, het merk heeft zich altijd bewezen als een verrijking van de motorwereld. Het is een merk dat kleur geeft aan de motorhistorie!

Met dank aan Roberto Patrignani (RIP), Sandro Colombo, Museo MV Agusta – Manuela Boschetti, Luca Passerini

De wereldtitels
MV’s laatste wereldtitel werd behaald in de 500cc in 1974 met Phil Read als rijder. MV was gigantisch succesvol in de racerij. Dat had deels te maken omdat de grote Italiaanse motorfabrikanten zich eind 1957 terugtrokken uit de racerij. MV won het 500cc-wereldkampioenschap in 1956 en daarna kwam er een weergaloze onafgebroken reeks tussen 1958 en 1974. In de 350cc scoorde MV wereldtitels in 1958 tot en met 1961 en 1968 tot en met 1973. In de 250cc werd MV wereldkampioen in 1956 en 1958 tot en met 1960. In de 125cc tenslotte werden wereldtitels binnengehaald in 1952, 1955, 1956 en 1958 tot en met 1960.

Giacomo Agostini vierde grote successen met MV Agusta. In 1967 won hij de GP500 van West-Duitsland op Hockenheim. Het werd de één na laatste overwinning van MV.
Motocarri driewielers
Net zoals de meeste Italiaanse motormerken produceerde MV Agusta ook de typische ‘motocarri’-driewielers. De voorkant was motorfiets, de achterkant werd gevormd door een laadbak met twee zijwielen net zoals op een kleine vrachtwagen. Soms zie je ze nog rijden in Italië. Het waren erg goedkope werkpaarden die heel effectief waren. MV bouwde haar eerste motocarri in 1947, aangedreven door het MV 98 tweetaktblok. Er zijn er heel weinig van gebouwd, in 1948 stopte de productie. Deze 98cc-motocarri viel op door zijn afwijkende bouw, het laadgedeelte bevond zich voor het motorfietsgedeelte zoals bij een bakfiets. In 1955 werd een nieuwe poging ondernomen, dit keer met het motorfietsgedeelte aan de voorkant en het laadgedeelte aan de achterkant. Deze kleine motocarri werd aangedreven door een speciale versie van het 175cc-motorblok met enkele bovenliggende nokkenas. Hij bleef tot 1958 in productie. In 1959 kwamen er twee nieuwe MV motocarri op de markt, beiden voorzien van een metalen cabine. Het waren de 150 cc Centuro en de 235 cc Tevere. In 1968 kwam er een voorgoed einde aan de motocarri-productie van MV Agusta.
De MV Agusta 98 Motocarri uit 1947. Vanaf 1959 bouwde MV Agusta motocarri met de besturing vooraan.

Foto’s: Archives A. Herl, Roberto Patrignani (RIP), Sandro Colombo, Museo MV Agusta – Manuela Boschetti

Zesvoudig wereldkampioen Jonathan Rea sluit rijke racecarrière af na 2025-seizoen

0

Jonathan Rea, ongetwijfeld een van de grootste namen in de geschiedenis van het World Superbike Championship, heeft aangekondigd dat hij na het seizoen 2025 zal stoppen met fulltime racen. De Noord-Ierse coureur, die momenteel uitkomt voor het Pata Yamaha Prometeon WorldSBK-team, laat een indrukwekkende erfenis achter met statistieken die voor zich spreken: zes opeenvolgende wereldtitels, 119 overwinningen, 264 podiumplaatsen, 44 pole positions en 104 snelste ronden in 459 races.

Rea’s dominantie in de periode 2015-2020 bij het Kawasaki Racing Team (KRT) is ongekend in de geschiedenis van het kampioenschap. Zijn vermogen om jaar na jaar te presteren op het hoogste niveau, in samenwerking met teamgenoten als Tom Sykes, Leon Haslam en Alex Lowes, heeft nieuwe maatstaven gezet voor excellentie in de motorsport. De combinatie van zijn uitzonderlijke talent, onvermoeibare toewijding en sterke band met zijn Kawasaki Ninja ZX-10R vormde de basis voor deze historische reeks kampioenschappen.

Jonathan Rea rijdt net op Yamaha maar heeft nu al een eigen model

De Yamaha-periode: een nieuwe uitdaging

Na zijn succesvolle jaren bij Kawasaki maakte Rea in 2024 de overstap naar Yamaha, waar hij op de YZF-R1 reed. Deze verandering werd met grote belangstelling gevolgd in de motorsportwereld, maar bleek uiteindelijk niet het succes te brengen waarop was gehoopt. Ondanks enkele hoogtepunten, waaronder een pole position in natte omstandigheden in Assen en een podiumplaats in de Superpole-race op Donington Park in 2024, werd zijn periode bij Yamaha gekenmerkt door uitdagingen.

De technische aanpassing van de Kawasaki naar de Yamaha bleek ingewikkelder dan verwacht. De YZF-R1, uitgerust met een 998cc vloeistofgekoelde viercilinder met crossplane-krukas die ongeveer 200 pk (147 kW) levert, vereiste een andere rijstijl dan Rea gewend was. Het Deltabox aluminium frame en de volledig instelbare KYB-ophanging boden uitstekende prestaties, maar Rea had moeite om de perfecte harmonie te vinden die hij eerder met zijn Kawasaki had bereikt.

In het seizoen 2024 eindigde Rea als 9e in het algemeen klassement, terwijl zijn teamgenoot Andrea Locatelli als 5e eindigde. In 2025, voorafgaand aan zijn aankondiging om te stoppen, stond Rea 12e in het kampioenschap, met Locatelli op de 6e plaats. Deze resultaten weerspiegelen de uitdagingen waarmee hij te maken kreeg tijdens zijn Yamaha-periode.

Geavanceerde technologie onder de kap

De Yamaha YZF-R1 waarmee Rea reed, is uitgerust met een indrukwekkend pakket aan elektronische hulpmiddelen. Het Yamaha Ride Control (YRC)-systeem stelt rijders in staat om motor- en chassisinstellingen aan te passen, terwijl het Traction Control System (TCS) instelbare niveaus van interventie biedt om wielslip te voorkomen. Daarnaast zorgt het Slide Control System (SCS) voor het beheer van zijwaartse bewegingen tijdens het nemen van bochten.

Andere belangrijke technologieën zijn het Launch Control System (LCS), dat de acceleratie vanaf een staande start optimaliseert, het antiblokkeersysteem (ABS) dat wielsblokkering tijdens het remmen voorkomt, en het Quick Shift System (QSS) dat schakelacties zonder koppeling mogelijk maakt. Deze systemen zijn cruciaal voor het beheersen van het vermogen van de YZF-R1 en het verzekeren van optimale prestaties onder diverse racecondities.

De motorfiets staat bekend om zijn precieze handling en wendbaarheid, dankzij het lichtgewicht chassis en geavanceerde veersysteem. De crossplane-krukas levert lineair vermogen, wat de grip en stabiliteit in bochten verbetert. De motor wordt geprezen om zijn inrijsnelheid in bochten en stabiliteit tijdens het midden van de bocht.

Reacties uit de WorldSBK-gemeenschap

Andrea Dosoli, Division Manager van Yamaha Motor Europe, erkende Rea’s talent en toewijding en sprak zijn teleurstelling uit dat hun samenwerking niet aan de verwachtingen heeft voldaan. Teamgenoot Andrea Locatelli noemde het “een eer om Jonathan als teamgenoot te hebben” en gaf aan veel van hem te hebben geleerd. Toprak Razgatlioglu, een van Rea’s grootste rivalen die nu voor BMW rijdt, beschreef hem als “een legende” en wenste hem het beste.

Commentator Steve English merkte op dat “Rea’s pensioen het einde van een tijdperk markeert en een aanzienlijke verschuiving in het WorldSBK-landschap betekent. Zijn vertrek zal in de hele paddock worden gevoeld.” Deze reacties onderstrepen de enorme impact die Rea heeft gehad op de sport en het respect dat hij geniet onder collega’s en experts.

Afbeelding: Facebook Jonathan Rea

Ola wil met futuristische elektrische superbike Ola Diamondhead de markt veroveren

0

Ola Electric, bekend van zijn elektrische scooters, heeft de motorwereld verrast met de aankondiging van de Diamondhead, een futuristische elektrische superbike die tegen 2027 in productie moet gaan. Dit project markeert een verschuiving voor het Indiase bedrijf, dat nu ook het high-performance segment van de elektrische motormarkt betreedt.

De Diamondhead is meer dan een concept; het weerspiegelt Ola’s ambitie om een speler van wereldformaat te worden in de elektrische voertuigenindustrie. Met zijn scherpe ontwerp en veelbelovende specificaties wil de Diamondhead concurreren met gevestigde merken zoals Zero Motorcycles, Energica en LiveWire.

Honda’s elektrische revolutie: De EV Fun Concept komt eraan

Productiecapaciteit en uitdagingen

Een belangrijke vraag is of Ola, voornamelijk bekend als scooterfabrikant, de complexiteit van superbike-productie aankan. De Ola Futurefactory in Tamil Nadu, een van ’s werelds grootste productiefaciliteiten voor tweewielers, biedt een voordeel. Met meer dan 3.000 robots en een jaarlijkse capaciteit van 10 miljoen eenheden, heeft Ola de infrastructuur. Echter, eerdere productievertragingen en kwaliteitsproblemen bij de S1-scooters werpen vragen op over de consistentie die nodig is voor een premium product.

Technische specificaties en innovaties

De Diamondhead belooft indrukwekkende prestaties. De motor zal waarschijnlijk worden aangedreven door Ola’s zelf ontwikkelde 4680 Bharat-celbatterij, die hogere energiedichtheid en efficiënte productie biedt. Met een vermogen van 150-170 pk en een bereik van meer dan 200 kilometer bij sportief rijden, positioneert de Diamondhead zich aantrekkelijk in het premium segment.

Marktpositie en concurrentie

Of de Diamondhead een succes wordt, hangt af van Ola’s vermogen om de perceptie van het “scooterbedrijf” te doorbreken en te concurreren met merken zoals Ultraviolette Automotive. De prestaties van de Diamondhead kunnen potentieel indruk maken, maar de concurrentie is scherp.

Moto2 Hongarije 2025: Nederland boven in kwalificatie, Veijer blinkt uit in race

0
Collin Veijer (95) behoorde zowel in de trainingen als in de race tot de snelste Moto2-coureurs. Dat smaakt naar meer!

Na de beste Nederlandse kwalificatie ooit in de Moto2 wist Collin Veijer ook in de race een topresultaat te behalen. Op slechts 1,3 seconde van winnaar David Alonso eindigde de Staphorster op een knappe vijfde plaats op Balaton Park. Veijer was het hele weekend sterk en lijkt zijn draai in de Moto2 volledig gevonden te hebben. Zonta van den Goorbergh veroverde zelfs een tweede startplek in Hongarije, maar zakte in de race terug naar een dertiende plaats.

Interview Moto2-teammanager Jarno Janssen: ‘Op een bepaald punt moet je van structuur veranderen’

Na een achtste plek op twee seconden van het podium op de Red Bull Ring wist Collin Veijer zijn stijgende lijn een week later voort te zetten in Hongarije. Het krappe en technische circuit van Balaton Park was nieuw op de kalender, waardoor alle coureurs met gelijke kansen begonnen. Veijer lijkt na de zomerstop zijn ritme en vertrouwen in de Moto2 helemaal gevonden te hebben. “Ik begin de motor eindelijk te begrijpen,” vertelde de Red Bull KTM Ajo-coureur voorafgaand aan het weekend aan Ziggo Sport. Dat bleek ook tijdens de trainingen: in elke sessie eindigde hij in de top-zeven. In de kwalificatie reed Veijer naar de vijfde tijd, op slechts 0,127 seconde van de pole-tijd. Zijn beste startplek tot nu toe in de Moto2! Vanuit Nederlands perspectief was het zelfs de beste Moto2-kwalificatie ooit, want Zonta van den Goorbergh deed het nóg beter met een indrukwekkende tweede tijd. De 19-jarige Brabander staat onder druk, omdat zijn toekomst in de Grand Prix onduidelijk is. Volgens RW-Idrofoglia Racing GP-teammanager Jarno Janssen is de kans klein dat hij volgend jaar nog bij het Nederlandse team rijdt.Tijdens de trainingen was Van den Goorbergh al snel, maar hij miste veel rijtijd door remproblemen in meerdere sessies. Daardoor moest hij starten in Q1. In die sessie waren de problemen verholpen en liet hij direct zijn snelheid zien met meerdere snelle rondes. Hij eindigde als eerste en plaatste zich daarmee voor Q2. Daar leek hij zelfs op weg naar zijn eerste pole position in de Grand Prix, maar in de laatste sector was zijn ronde net niet perfect, waardoor hij op slechts 0,050 seconde van Diogo Moreira als tweede eindigde. Het betekende voor Van den Goorbergh de vierde keer dat hij vanaf de eerste startrij mocht vertrekken. Zijn teamgenoot Ayumu Sasaki pakte met een negende tijd eveneens zijn beste startpositie in de Moto2.

Collin Veijer (links van de finishvlag) zit op de eerste rij wanneer hij David Alonso (80) ziet winnen, voor Diogo Moreira (10) en Manuel Gonzalez (18).

Veijer geweldig

Met twee Nederlanders op de voorste startrijen begon de allereerste Moto2-race ooit op Hongaarse bodem. In eerdere GP’s dit jaar waren de starts en openingsronden niet het sterkste punt van zowel Van den Goorbergh als Veijer – een cruciaal aspect in de uiterst competitieve Moto2-klasse. Veijer kwam het beste door de krappe eerste bocht en reed op een vierde plaats, terwijl Van den Goorbergh zich verremde en terugviel naar P7.In de eerste ronde had Veijer’s race overigens zomaar ten einde kunnen zijn, want bij het uitkomen van een bocht kreeg hij een flink moment en werd hij bijna van zijn motor geslingerd. Hij viel terug naar de zesde plaats, maar wist zich snel te herpakken en pakte de vijfde plaats terug ten koste van Adrian Huertas. Van den Goorbergh reed in eerste instantie zevende, maar zijn tempo bleek onvoldoende om aan te haken bij de kopgroep en hij begon geleidelijk posities te verliezen. Halverwege de race was hij teruggezakt naar de twaalfde plaats.Op dat moment reed Veijer nog steeds op P5, vlak achter Aron Canet en Jake Dixon, met David Alonso kort achter zich. Vooraan hadden Moreira en Manuel Gonzalez een kleine voorsprong opgebouwd. Veijer, die het hele weekend al een sterk tempo liet zien, bewees – net als een week eerder in Oostenrijk – dat hij dat ook in de race kon volhouden. Met nog acht ronden te gaan haalde hij Canet in, de Spanjaard die volop meestrijdt voor de wereldtitel. De vierde plaats had Veijer slechts enkele ronden in handen; Alonso ging hem voorbij. Toch streed de Nederlander volop mee voor zijn eerste Moto2-podium – en misschien zelfs meer. Want samen met Dixon en Alonso kwam de Staphorster steeds dichterbij Gonzalez en Moreira. Alonso had in de slotfase het beste tempo. De Moto3-wereldkampioen van 2024 dichtte het gat naar de leiders en sloeg in de laatste ronden toe. Hij pakte zijn eerste Moto2-zege op het technische circuit van Balaton Park. Voor de 19-jarige Colombiaan was het al zijn negentiende Grand Prix-zege in totaal.Moreira werd tweede, voor kampioenschapsleider Gonzalez, die bij het ingaan van de laatste ronde nog aan de leiding reed. Slechts 1,3 seconde achter de winnaar eindigde Veijer op een ijzersterke vijfde plek, vlak achter Dixon. Na zijn achtste plaats in Oostenrijk opnieuw een geweldig resultaat, binnen acht dagen. Veijer liet niet één, maar twee keer zien zich te kunnen meten met de beste Moto2-rijders ter wereld. Een veelbelovende ontwikkeling voor de Nederlandse motorsportfans, die reikhalzend mogen uitkijken naar het vervolg van het seizoen. “Het belangrijkste was dat we een heel goed tempo hadden. We komen steeds dichterbij, dus we moeten deze moeten solide stappen vooruit blijven zetten”, aldus Veijer. 

Topsnelheid

Van den Goorbergh slaagde er – zoals vaker in zijn carrière – niet in om een goede startpositie om te zetten in een topresultaat. De RW-Idrofoglia Racing GP-rijder reed in de tweede helft van de race lange tijd rond op de dertiende en veertiende plaats. In de voorlaatste ronde crashte zijn teamgenoot Sasaki, die een aantal posities voor hem reed. In de slotronde raakte Van den Goorbergh nog in gevecht met zijn voormalig teamgenoot Barry Baltus, die zijn lastigste weekend van het seizoen beleefde. De Belg werd uiteindelijk twaalfde, Van den Goorbergh dertiende. Daarmee voegde de Nederlander drie WK-punten toe aan zijn totaal, maar daar was hij natuurlijk niet tevreden mee na zijn tweede startplek. Baltus behield ondanks zijn magere resultaat zijn vierde plek in het wereldkampioenschap. Na afloop bleek uit de reactie van Van den Goorbergh dat een gebrek aan topsnelheid volgens hem de oorzaak was van het terugvallen: “Het is lastig om het gevecht aan te gaan als je op het rechte stuk steeds al wordt ingehaald, nog voordat je moet aanremmen. Bij de volgende race in Barcelona krijgen we weer een nieuw motorblok en hopelijk kunnen we daar iets meer performance uithalen.”

Moto2 Hongarije 2025 uitslagen

Moto2 Hongarije
1. David Alonso (CO), Kalex, 37.18,405;
2. Diogo Moreira (BR), Kalex, +0,174;
3. Manuel Gonzalez (E), Kalex, +0,305;
4. Jake Dixon (GB), Boscoscuro, +0,876;
5. Collin Veijer (NL), Kalex, +1,344;
6. Aron Canet (E), Kalex, +2,608;
7. Adrian Huertas (E), Kalex, +3,984;
8. Filip Salac (CZ), Boscoscuro, +6,462;
9. Daniel Holgado (E), Kalex, +8,126;
10. Ivan Ortolá (E), Boscoscuro, +9,015;
11. Marcos Ramirez (E), Kalex, +11,696;
12. Barry Baltus (BE), Kalex, +14,240;
13. Zonta van den Goorbergh (NL), Kalex, +14,639;
14. Albert Arenas (E), Kalex, +14,919;
15. Tony Arbolino (I), Boscoscuro, +15,626.
  • 22 ronden = 89,650 KM
  • Racegemiddelde winnaar: 144,1 km/h
  • Snelste ronde (16e): David Alonso (CO), Kalex, 1.40,964 = 145,2 km/u (record)

WK-stand (na 14 van 22 races)

Positie Rijders, nationaliteit en fabrikant Punten
1 Gonzalez 204
2 Canet 179
3 Moreira 173
4 Baltus 147
5 Dixon 132
6 Celestino Vietti (I) – Boscoscuro 106
7 Deniz Öncü (TR) – Kalex 100
8 Arenas 96
9 Senna Agius (AU) – Kalex 93
10 Ramirez 89
19 Veijer 32
20 Van den Goorbergh 17

Fotografie: MotoGP, teams

Moto3 Hongarije 2025: Maximo Quiles bevestigt zijn status

0
Máximo Quiles (28) won nipt van Valentín Perrone (73). De twee 17-jarigen rijden allebei hun eerste seizoen in de Grand Prix.

Na ruim een half jaar wordt Maximo Quiles al genoemd als een van de grootste talenten in het Grand Prix-paddock. En terecht. De 17-jarige coureur moest de eerste twee GP’s vanwege zijn leeftijd missen en sloeg nog twee races over door een blessure, maar eindigde in zijn eerste negen Moto3-races in het wereldkampioenschap al vijf keer op het podium – waaronder één zege. Op Balaton Park bewees Quiles opnieuw waarom hij in één adem wordt genoemd met namen als Pedro Acosta en David Alonso, rijders die eveneens direct indruk maakten in het WK. Wanneer er een nieuw circuit op de kalender verschijnt dat ook nog eens krap en technisch is, komen de beste talenten bovendrijven. Polesitter Quiles wist zich samen met vier andere sterke rijders los te rijden van de rest van het veld. Halverwege de race verloor Quiles de leiding na een foutje in een van de krappe chicanes. In het tweede deel van de race reed collega-rookie Valentin Perrone grotendeels aan kop en ging ook als leider – vlak voor Quiles – de laatste ronde in. Daarin ging Quiles in de aanval, maar Perrone liet zien waarom ook hij als een enorm groot talent wordt beschouwd. In een ultieme poging probeerde Perrone alsnog de winst te grijpen. De twee 17-jarige coureurs gingen zij aan zij over de finish. Quiles won zijn tweede Grand Prix met een minieme voorsprong van 0,018 seconde. David Muñoz pakte zijn vijfde podiumplaats op rij, voor Angel Piqueras en kampioenschapsleider José Antonio Rueda.

Interview Moto2-teammanager Jarno Janssen: ‘Op een bepaald punt moet je van structuur veranderen’

Moto3 Hongarije 2025 uitslagen

Moto3 Hongarije
1. Maximo Quiles (E), KTM, 35.31,839;
2. Valentin Perrone (AR), KTM, +0,018;
3. David Muñoz (E), KTM, +0,858;
4. Angel Piqueras (E), KTM, +0,858;
5. José Antonio Rueda (E), KTM, +0,952;
6. Adrian Fernandez (E), Honda, +6,159;
7. David Almansa (E), Honda, +9,546;
8. Joel Kelso (AU), KTM, +10,025;
9. Alvaro Carpe (E), KTM, +11,696;
10. Jacob Roulstone (AU), KTM, +20,109;
11. Dennis Foggia (I), KTM, +24,862;
12. Nicola Carraro (I), Honda, +26,871;
13. Casey O‘Gorman (IE), Honda, +32,279;
14. Ryusei Yamanaka (JP), KTM, +36,636;
15. Marcos Uriarte (E), KTM, +37,394. 
  • 20 ronden =  81,500 KM
  • Racegemiddelde winnaar: 137,6 km/u
  • Snelste ronde (9e): David Muñoz (E), KTM, 1.45,700 = 138,7 km/u (record)

WK-stand (na 14 van 22 races)

Positie Rijder Punten
1 Rueda 250
2 Piqueras 181
3 Quiles 164
4 Muñoz 155
5 Carpe 146
6 Kelso 111235
7 Perrone 92
8 Yamanaka 90
9 Fernández 89
10 Almansa 88
Máximo Quiles (28) won nipt van Valentín Perrone (73). De twee 17-jarigen rijden allebei hun eerste seizoen in de Grand Prix.

Fotografie: MotoGP, teams

Motoravonturier Paul van Hooff op 61-jarige leeftijd overleden

2

Afgelopen vrijdag is schrijver, motorrijder en avonturier Paul van Hooff op 61-jarige leeftijd overleden. Hij had al langer gezondheidsproblemen.

Van Hooff werd bekend in de motorwereld door zijn indrukwekkende motorreizen en de daarbij behorende avonturen. Zo reed hij van het noordelijkste puntje van Alaska naar de zuidelijkste stad van Zuid-Amerika en van Amsterdam naar Tokio. Zijn trouwe metgezel tijdens deze avonturen was zijn oude Moto Guzzi V7, die hij liefkozend ‘Guus’ noemde.

Met zijn verhalen inspireerde hij vele motorrijders en avonturiers.

Meerdere keren hebben we Paul voor de camera gehad. In de onderstaande video vertelt hij over zijn reis van Noord- naar Zuid-Amerika:

In deze video praten we met Paul over zijn reis van Amsterdam naar Tokio:

We wensen de familie en vrienden van Paul heel veel sterkte met dit grote verlies.

MXGP Arnhem 2025: twee keer Wilhelmus in Arnhem

0

De in grote getale opgekomen Nederlandse toeschouwers kregen waarvoor ze waren gekomen: het Wilhelmus voor de favorieten Jeffrey Herlings en Kay de Wolf. Kleine tegenvaller was de tweede plaats van Lotte van Drunen.

Jeffrey Herlings miste aan het begin van het seizoen enige GP’s vanwege een in oktober opgelopen zware knieblessure. Voor de wereldtitel was hij toen eigenlijk al uitgeschakeld. Nadat hij na een sleutelbeenbreuk nog twee GP’s miste gold voor hem daarom dit seizoen: gaan voor dagsucces. En dat kreeg hij vandaag in Arnhem, want hij leidde in beide manches bij alle doorkomsten. Een makkie was het echter niet voor de vijfvoudig wereldkampioen, want de Belg Lucas Coenen zat hem zwaar op de huid. Herlings had het geluk dat Coenen in beide races een slechte start had en zich een weg naar voren moest banen. Herlings: “Een thuis-GP is altijd geweldig, rijden voor eigen publiek en dan ook nog mijn 110e GP-zege behalen. En dan te bedenken dat ik nog maar 3,5 week weer op de motor zit.”

Voor Glenn Coldenhoff werd het een GP om nooit te vergeten. In beide voorgaande jaren was hij telkens als vierde geëindigd. Hij was er daarom op gebrand nu wel op het podium te komen. En dat lukte, twee vierde plaatsen waren toereikend voor de derde plaats totaal achter Herlings en Lucas Coenen. Coldenhoff: “Eindelijk hier op het podium. Ik ben wel zo blij. Ik reed vandaag erg goed. Wat ging het publiek tekeer! Nog drie GP’s en daarin is voor mij het belangrijkst om de derde plaats in het kampioenschap veilig te stellen.”

Brian Bogers verraste met een zevende plaats, Calvin Vlaanderen viel met een twaalfde plaats tegen en Roan van de Moosdijk werd veertiende.

Interview Moto2-teammanager Jarno Janssen: ‘Op een bepaald punt moet je van structuur veranderen’

Kay de Wolf keek voor Arnhem tegen een behoorlijke puntenachterstand aan op klassementsleider Simon Längenfelder. De Wolf voelt zich op een zandcircuit als een vis in het water, maar dat geldt niet voor de Duitser, die na een nulscore in de kwalificatierace in de beide manches niet verder kwam dan de klasseringen acht en vijf. Daardoor leverde hij 25 punten in op De Wolf, die met nog drie GP’s voor de boeg (Turkije, China en Australië) nu nog slechts 15 punten achter Längenfelder staat. De Wolf: “Zandbanen liggen mij erg goed. Ik heb alle vertrouwen in een goede afloop van het kampioenschap.” Met De Wolf stonden de Italiaan Andrea Adamo en de Belg Sacha Coenen op het erepodium. Rick Elzinga deed het met de zevende plaats erg goed. Cas Valk werd tiende, Kay Karssemakers twaalfde, Scott Smulders vijftiende en Jens Walvoort zestiende.

Na haar zege van gisteren rekende Lotte van Drunen (die in vijf starts in Arnhem vijf keer als eerste over de finish kwam) erop dat ze ook vandaag zou winnen. Dat pakte anders uit, want ze wist de bliksemsnel vertrokken Daniela Guillen niet voorbij te komen. Bij het ingaan van de laatste ronde zat ze even naast de Spaanse, maar haar voorbij steken lukte niet. De GP-winst was voor Guillen met Van Drunen als tweede en Shana van der Vlist als derde. In de WK-stand leidt Van Drunen nog altijd met een tot twintig punten gegroeide voorsprong op Kiara Fontanesi. De Italiaanse werd in het zand van Arnhem vierde en zesde. Guillen is opgeklommen naar de derde plaats op één punt achter Fontanesi.

De EMX250 leverde een zege op voor de Let Janis Martins Reisulis, die met nog de slotwedstrijd in Turkije te gaan goede vooruitzichten heeft op het binnenhalen van de Europese titel. Met een zevende plaats was Bradley Mesters de beste Nederlander.

Ook de komende twee jaar wordt de Nederlandse MXGP vererden op Motorsportpark Gelderland Midden in Arnhem.

Kay de Wolf.

Toertest Suzuki V-Strom 1050 DE vs. Suzuki V-Strom 800 DE: ruige toerkarakters

0

Wanneer je op reis gaat, is een allroad een logische keuze: vaak kunnen ze veel bagage meenemen en als het asfalt ophoudt, kun je gewoon verder. In theorie, want ook allroads heb je in soorten en maten. Bij Suzuki heb je ruime keuze: we namen de Suzuki V-Strom 1050 mee naar Denemarken en koersten langs de Moezel met de Suzuki V-Strom 800 DE.

Allroads zijn ooit populair geworden omdat ze een grote actieradius combineerden met een hoog veercomfort, goede bagagemogelijkheden en een zekere mate van offroad-competentie. In de loop der jaren zijn er wel diverse merken die dat concept geweld hebben aangedaan, met kleine wielen, korte veerwegen en kleine tanks, zodat er eigenlijk alleen een avontuurlijk uiterlijk overbleef. Daarmee konden salon-avonturiers leuke insta-plaatjes schieten, maar echte avonturiers stonden met lege handen. Die trend is echter weer gekeerd, in elk geval bij Suzuki. Dat wil zeggen: Suzuki biedt de keuze. Er zijn wat meer asfaltgerichte V-Stroms, met 19-inch wielen en wat minder veerweg, maar er is ook nog keuze uit V-Stroms met 21-inch spaakwielen en veerwegen, die ook een hobbelig gravelpad met goed gevolg af kunnen leggen. Dat zijn de zogenaamde DE-versies, leverbaar in 800- en 1050 cc. Met een rit naar de Moezel en een naar Denemarken voor de boeg, lijkt dat een ideale combo!

Duotest Kawasaki Ninja 1100SX SE vs. Suzuki GSX-S1000GT: Gran Turismo

Koffers

Als ik op een regenachtige ochtend de koffers van de V-Strom 1050 sta vol te laden, prijs ik me gelukkig met mijn keuze. Het koffersysteem van de V-Strom speelt een grote rol in dat geluksgevoel. Deze V-Strom is afkomstig van Hoegee Suzuki Center in Afferden. Marc Hoegee houdt niet van half werk. Ondanks een wat kort tijdsbestek en een behoorlijke portie meerwerk heeft hij er toch een fraaie aluminium kofferset opgezet (zo’n kunststof set staat niet op zo’n motor, joh) en er prijkt een zeer fraai bevestigde TomTom-dock boven het al even fraaie full colour TFT-dashboard, met een mooi weggewerkte bekabeling. De 1050 heeft namelijk alleen een USB-aansluiting in het dashboard en daar draait de TomTom niet op. Er is wel een 12-V-aansluiting, maar die zit helemaal in het kontje.

De koffers zijn geweldig. Het zijn bovenladers, waarvan het deksel naar voren scharniert. Ze zijn groot, gemakkelijk afneembaar en waterdicht – op deze trip geen overbodige luxe. De topkoffer is ruim genoeg voor een Arai Tour X5-helm of, in dit geval, mijn foto-uitrusting. Je hebt altijd de sleutel nodig om ze te openen. Dat heeft voor- en nadelen: onderweg is het lastiger als je even wat wilt pakken, maar ze zitten ook altijd op slot.

Dr Big

Een nadeel van de koffers merk ik als ik mijn been over het tweedelige zadel wil zwaaien. De V-Strom heeft een modern design. Van voren heeft hij een spatbord boven het wiel en daarboven nog een ‘snavel’, een aandenken dat refereert aan de tijd van de Dr 800, ook wel DR Big genoemd. De snavel loopt over in de brede tank en integreert ook meteen de radiateurkappen. De koplamp/dashboardunit torent uit de snavel alsof het een losse unit is, met een verticaal gestapelde, vierkante LED-koplamp en een ruitje, dat instelbaar lijkt maar het niet is. Je kunt het nog wel een centimeter hoger monteren, maar dat is het. Aan de achterzijde is de uitlaat, zoals tegenwoordig gebruikelijk, omhoog gericht naast het achterwiel geplaatst. Veel fabrikanten maken dan koffersets met een uitsparing voor de uitlaat, zodat je rechts een grote koffer hebt waar niets in kan. Suzuki heeft ze gewoon hoger gemonteerd. Probleem opgelost. Tenminste, als je een 20-jarige cancan-danseres bent. Die krijgt het been wel over het zadel. Voor een 60-jarige motorjournalist met de nodige gebruikssporen is de uitdaging een stukje groter.

V-Strom 800

Uiteraard loop ik twee weken later tegen hetzelfde probleem aan als ik met de V-Strom 800DE op pad ga. De 800 is wat anders van bouw: hij heeft geen V-twin maar een tweecilinder-in-lijn, dus ook een ander frame. De stijl is echter vergelijkbaar: De snavel is één geheel met radiator-covers, daarbovenop is de koplamp/dashboardunit geplaatst, alsof hij er ‘los’ op ligt. De neus valt verder op door de dubbele, boven elkaar geplaatste kleine LED-koplampen in een hexagonale behuizing, die wat streetfighter-achtig aandoen. De 800 heeft hetzelfde, goed afleesbare TFT-scherm, dat via de drie knoppen op de linker stuurhelft te bedienen is. Het scherm heeft een witte dag- en een zwarte nachtmodus. Ik vind de zwarte modus mooier, dus die laat ik staan. Smartphone-connectiviteit heeft hij niet, dus ook hier dient mijn wat provisorisch, aan de boven het dashboard uitstekende beugel, bevestigde TomTom voor het richtingsgevoel. De draad ervoor heb ik langs de tank naar de accu getrokken, want ook hier is alleen een USB-aansluiting in het dashboard. Een 12V-stopcontact is tegen meerprijs verkrijgbaar, standaard heeft hij hem niet. Wel heeft de 800 – net als de 1050 – een grote 20 l tank, een kunststof beschermplaat waar de 1050 een aluminium exemplaar heeft en handkappen op het conisch gevormde, aluminium stuur. Hij heeft eveneens fraaie spaakwielen met Dunlop Trailmax Mixtour-banden. Bij de 800 zijn zowel de voor- als de achterband voorzien van een binnenband, de 1050 heeft een tubeless achterband. Da’s wel apart. Verder is het zadel van de 800 eendelig, met 855 mm is de zithoogte maar liefst 25 mm lager dan bij de 1050. Ook hier vormen de koffers bij het opstappen echter een horde die Femke Bol een stuk gemakkelijker zal nemen dan ondergetekende.

Windbescherming

Met de 800 trek ik richting zuiden, via Venlo langs Keulen op naar Koblenz. Een snelwegrit van zo’n 250 km. De eerste kilometers zijn comfortabel. Het zadel heeft een goede breedte en een comfortabele polstering. Het is smal van voren, waardoor ik de voeten gemakkelijk op de grond kan zetten. Het brede, conisch gevormde stuur ligt lekker in de hand, de handvatten zijn niet te dik, het remhendel is goed instelbaar en de voetsteunen staan prettig, bijna recht onder me. Dat draagt bij aan de beenruimte en geeft een fijne, flauwe kniehoek. Deze positie maakt het ook gemakkelijk om op de voetsteunen te gaan staan. In die stand sluit de motor ook mooi aan op de onderbenen, daar stoort niets. Op de Duitse snelweg gaat de snelheid wat omhoog, maar niet veel. Het valt op dat de windbescherming matig is. Eigenlijk voelt het meer alsof je op een naked bike met een fly-screen zit dan op een reis-allroad. Dat is een keuze, de DE-uitvoering heeft een iets lager ruitje om bij offroad-rijden beter zicht te hebben. Het kan eventueel nog twee centimeter hoger gemonteerd, maar dat scheelt weinig. Gevolg is dat het bovenlichaam best veel wind vangt. Met 30 graden is dat prettig, want dan werkt mijn doorwaai-pak tenminste goed. Mijn armen worden er echter wel langer van, bovendien voelt de motor door de kofferset boven de 150 km/u wat elastisch, het stuur begint te weaven. Dus laat ik het bij 125 km/u. Het lage ruitje heeft ook zijn voordelen, trouwens, want het turbulentieniveau is minimaal. Dat is goed uit te houden, al merk ik wel de keerzijde van de zachte polstering, na 200 km moet ik echt even afstappen om het branderige gevoel in de kadetten kwijt te raken. Een volledige tank rijd ik dan ook niet leeg, want je komt ver op een tank. Ik rijd gemiddeld 1:20; de langste afstand was daarbij 290 km, maar toen kon er nog maar 13,5 liter in. Dan had ik dus nog 6,5 liter over, goed voor 130 km…

Cruisecontrol

Het leven aan boord van de V-Strom 1050 is heel anders. Het regent op de snelweg naar Hamburg en Flensburg, dus ik rijd het liefst zo lang mogelijk door, zodat ik mijn natte handschoenen niet opnieuw hoef aan te trekken. Gelukkig is de actieradius groot en het dashboard geeft goed aan hoeveel kilometer je kunt. Als het laatste witte blokje uitgaat, kun je nog zo’n 70 km, volgens de aanduiding. Daar laat ik het nooit op aankomen, maar ik haal desondanks afstanden van meer dan 300 km op een tank, waarbij het verbruik gemiddeld over de hele reis op 1:17,4 uitkomt. Die afstanden zijn ook heel goed vol te houden, want het zadel is goed gevormd en lekker stug. Het zit ook lekker, da’s belangrijk, zadelpijn heb ik ook na 600 km nog niet. Ook de – ietwat verbrede – voetsteunen zitten op de goede plek en het conisch gevormde stuur, dat 20 mm breder is dan bij de standaardversie, ligt lekker in de hand. Ik kan ook redelijk goed met de voeten bij de grond, al kan ik me voorstellen dat dat niet voor iedereen geldt, want een zithoogte van 880 mm is best stevig. Dat het zadel met behulp van een meegeleverde beugel nog 20 mm hoger kan, neem ik graag van Suzuki aan, maar proberen ga ik het niet. Het is goed zo. Ik stoot mijn schenen trouwens om een of andere reden vaak aan de voetsteunen, als ik mijn benen neerzet. Dat heb ik met de 800 niet. Verder heeft de DE-versie net als de 800 een iets lager ruitje dan de standaard V-Strom, zodat je beter zicht hebt op gravelpaden. Het zit wel wat hoger dan bij de 800, zodat je meer bescherming geniet. Prettig bij dit weer, maar het ruitje geeft wel veel turbulentie rond de helm. Ik heb even geprobeerd 150 te rijden. De motor voelt dan enorm stabiel, maar door de turbulentie trilt mijn hoofd zo hard, dat ik niet scherp meer zie. Ik heb het ook hier bij 125 km/u gelaten. Dat gaat een stuk gemakkelijker dan op de 800, want de 1050 heeft standaard cruisecontrol. Fantastische uitvinding, ik geloof niet dat ik ooit nog een motor zonder koop.

Elektronica

Als ik de volgende dag met de V-Strom 1050 vanuit het Deense Aabenraa vertrek, regent het weer pijpenstelen. Ik zet de motormodus in de regenstand, de tractiecontrole en de ABS-modus idem dito. Af en toe zie ik het lampje van de tractiecontrole desondanks oplichten, terwijl ik toch best voorzichtig rijd. Goed dat deze Suzuki is voorzien van het “Suzuki Intelligent Ride System”, dat bij de 1050 beschikt over een IMU, die zowel acceleratie als hoekversnellingen rond de lengte-, hoogte- en breedte-as meet. Dat maakt een hele range aan microprocessor-gestuurde assistentiesystemen mogelijk. Zo heeft de nieuwe V-Strom bochtafhankelijk Motion Track Brake System ABS met lastafhankelijke en hellingshoekafhankelijke remkrachtverdeling. Voor offroad-gebruik kan het ABS op de achterrem bij de DE-versie ook worden uitgeschakeld. Datzelfde geldt voor de in drie standen instelbare tractiecontrole, die op de DE-versie een extra ‘Gravel’-modus biedt, die een beperkte mate van slip toestaat op onverharde ondergrond. Dat maakt het gemakkelijker om over gravelpaden te rijden. Dan heeft de V-Strom nog een bidirectionele quickshifter, cruisecontrole, drie ride-modi, Hill hold, een easy start system en low RPM-Assist. Alles dat afstelbaar is kun je bedienen via de mode-knop op de linker stuurhelft en aflezen op het zeer goed afleesbare kleuren TFT-scherm. De 800 is trouwens eveneens voorzien van het Suzuki Intelligent Ride System met rijmodi A (Active), B (Basic) en comfort (C), tractiecontrole met drie normale standen, een off-modus en ook een Gravel modus, ABS met twee interventieniveaus en eveneens een off-modus. Verder is de 800 eveneens voorzien van het easy-startsysteem, low-RPM-assist en een bidirectionele quickshifter. Cruisecontrole heeft de motor niet en het ABS is niet bochtafhankelijk.

Stabiel

Na Haderslev wordt het droog en op weg naar Skaerbaek kan het gas er af en toe lekker op. Daarbij valt op dat de 1050 erg gemakkelijk en neutraal stuurt. Hoewel het grootste deel van Jutland best vlak is, zijn er toch nog behoorlijk veel mooie stuurweggetjes en daar blinkt de 1050 uit. Je kunt hem zeer gemakkelijk insturen en in snelle bochten voelt hij mega-stabiel, alsof je op rails rijdt. Bij snelle bochtencombinaties merk je wel dat de motor 252 kg weegt, maar desondanks kun je hem nog best snel omleggen. De V-Strom 1050 stuurt gewoon rustig en zeker. Dat komt onder meer omdat deze DE-uitvoering een 21-inch voorwiel heeft in plaats van een 19-inch exemplaar. Vreemd is trouwens dat de achtervelg tubeless banden faciliteert, maar dat de voorband nog altijd een binnenband nodig heeft. Met de bandenmaat is ook de balhoofdhoek trouwens vergroot van 25,3 naar 27,5° terwijl de naloop is verlengd van 109 naar 125 mm. Voeg daarbij een langere achterbrug en een mede daardoor 40 mm langere wielbasis van 1.995 mm en je snapt dat alles is gericht op stabiliteit. Daar helpt ook de vering bij: die voelt enigszins stug aan voor een allroad, met name aan de voorzijde. Dat geeft een goede feedback. De achterzijde is iets soepeler. De veervoorspanning heb ik met de handige handversteller een aantal slagen extra gegeven om te compenseren voor de belading. Dat zou ik met de uitgaande demping ook kunnen doen, maar hij is nu soepel zonder te deinen en dat vind ik wel lekker. De motor voelt stabiel en dat geeft een veilig gevoel. Dat doen ook de remmen. De radiale voorremklauwen grijpen fel aan en er is weinig handkracht voor nodig om een indrukwekkende vertraging te halen, terwijl de motor nauwelijks duikt. Heel prettig.

Strand

De route die ik volg, is uitgezet op een fietscomputer. Het gevolg is dat ik geregeld een gravelpad op wordt gestuurd. De meeste daarvan zijn stevig aangereden, maar er zitten wel kuilen in en het heeft veel geregend en het week geworden kleilaagje bovenop maakt het best glad. De tractiecontrole gaat dus in de G-modus en ik rijd rustig verder, staand op de voetsteunen. De controle die je hebt is goed. De Dunlop Trailmax Mixtour-banden hebben nog aardig grip op deze paden. De motor voelt stabiel en strak, ook omdat de vering goed functioneert. Ze is stug genoeg om goed te laten voelen wat er onder de wielen gebeurt en toch soepel genoeg om op de hobbels mooi in te veren en daarna weer meteen stil te staan, klaar voor de volgende bump. De veerwegen zijn met 170 mm voor en 168 mm achter groter dan bij de standaardversie en als je het niet al te gek maakt is dat ruim voldoende. Dat merk ik ook als we later op het eiland Romo komen. Daar mag je op het strand rijden. Dat laat ik me geen twee keer zeggen. Het gas gaat er vol op en dan merk je hoe nuttig die G-stand is. De motor spurt weg zonder zich in te graven.

Test 2023 Suzuki V-Strom 1050DE: de eerste indrukken vanuit Griekenland

Funbike

De G-stand is ook aanwezig op de 800, maar bij de Moezel zijn geen offroad-paden te vinden. Thuis wel, dus daar heb ik hem al even aan de tand gevoeld. Hij doet dit nog beter dan de 1050. De grote veerwegen van 220 mm voor en achter zorgen samen met de soepele veren en de goed uitgebalanceerde demping dat je heel vlot over tractorpaden kunt boenderen. Aan de Moezel houd ik het op asfalt, waar de vele bochtige wegen het dal uit en in voor enorm veel stuurplezier zorgen. Het verschil in stuurgedrag met zijn grote broer is dan opmerkelijk, het is alsof je van een toermotor op een superlichte funbike overstapt. De wendbaarheid is van een ander niveau, het voelt of de machine 40 kg lichter is, terwijl het verschil maar 22 kg is. Toegegeven: voor vijf dagen Denemarken had ik meer bagage en een kettingslot bij me: voor twee dagen Moezel zijn de koffers aanvankelijk een stuk lichter, ook omdat de Suzuki-importeur een schijfremslot onder het zadel had gestopt en de ketting dus thuis is gebleven. De ruimte wordt echter al snel opgesoupeerd door een aantal flessen Schwarze Katz-wijn voor thuis. Het maakt de 800 niet uit. Het is een heerlijke stuurmotor. Hij is in de bochten heel gemakkelijk op de apex te mikken. Hij volgt de gekozen lijn trouw, zonder dat het zenuwachtig aanvoelt. De soepele vering laat iets minder duidelijk voelen wat er onder de banden gebeurt dan de wat stuggere poten van de 1050, maar een groot voordeel is dat de 800 alle hobbels en bobbels veel mooier absorbeert, zodat het rijwielgedeelte schokvrij, rustig en beheersbaar blijft aanvoelen. Bij een sportieve rijstijl merk je dat de achterkant ietwat te hard terugkomt, sportieve rijders zullen er dus wat meer uitgaande demping in draaien. Dat kan, ik heb het niet gedaan. Verder ook kudos voor de dubbele 310mm-schijfrem: die zijn uitgerust met ‘gewone’ tweezuigerremtangen. Het hendel voelt wat minder hard dan op de 1050 en het remt wat minder fel, maar de remmen zijn goed doseerbaar en leveren meer dan genoeg remkracht als je doorknijpt. De achterrem doet trouwens prima mee.

Netjes 800

Op de slingerwegen, zoals die van Zell am Mosel naar Grenderich, kan ik de V-Strom 800 nog eens lekker de sporen geven. Het nieuw ontwikkelde blok is fantastisch, dat moet gezegd. In theorie zou de Suzuki-twin moeten aanvoelen als een V-motor, want de kruktappen van de twee cilinders staan in een hoek van 90° met elkaar, waardoor de motor hetzelfde ontstekingsinterval krijgt als een 90° V-twin, namelijk 270° en 450°. In de praktijk loopt de motor gelijkmatiger en netter, met een beetje voelbare vibraties rond de 5.000 tpm. De twin blinkt uit in beheersbaarheid en een enorme souplesse. In de hogere versnellingen trek je vanaf zo’n 3.000 tpm soepel weg en voor een inhaalactie hoef je eigenlijk niet eens terug te schakelen, in de zesde versnelling heeft hij meer dan genoeg trekkracht paraat voor een beheerste passeeractie. Maak je het spannend, dan tik je beter wel een of twee versnellingen terug. Dan knort de twin er razendsnel vandoor, waarbij je rond de 6.000 tpm nog even een extra versnelling voelt. Voor het terugschakelen is deze motor uitgerust met een in twee richtingen werkende quickshifter. Als je hard rijdt, werkt hij wel goed. Bij lagere toerentallen geeft vooral terugschakelen nogal eens een schok, het voelt dan ook wat stroef. Dan pak ik liever de koppeling erbij. Die bekrachtigde slipperkoppeling is – dankzij die bekrachtiging – licht te bedienen en goed te doseren. Toch gaat het opschakelen wel eens wat stoterig, omdat de quickshifter tegelijkertijd zijn werk probeert te doen. Die kun je in het menu uitzetten, dan heb je daar geen last meer van. Dan pakt hij na het schakelen weer mooi op, ook omdat de gasreactie perfect is. Sterk punt is verder dat de motor ook goed te doseren is als je door dorpen en steden rijdt, dus onder de 50 km/u.

Goede quickshifter

Ook de V-Strom 1050 is voorzien van een quickshifter. Naar mijn gevoel doet die het iets beter dan die van de 800. Dat merk ik vooral als ik bij Sonderborg de kust afrijd en het eiland Kegnaes rondrijd. De 90° V-twin heeft een enorm lekker koppel van onderuit, dat piekt bij 100 Nm @ 6.000 tpm. Het topvermogen is 107 pk (79 kW) @ 8.500 tpm. Dat lijkt wat weinig tussen de moderne pk-kanonnen, maar nog steeds veel meer dan je op deze wegen kunt gebruiken. Echt hoog in toeren rijden doe ik ook maar heel af en toe, want de motor is al heerlijk sterk van onderuit. Hij trekt al vanaf 2.000 toeren zonder klapperen weg en als je boven de 6.000 toeren komt, begint hij er enorm aan te sleuren, met een fantastisch hamerend geluid. Maar dan wordt het al heel gauw tijd om met de heel fijn werkende quickshifter op te schakelen. Die schakelt niet alleen goed op, maar ook goed terug. En als je gewoon de koppeling gebruikt, dan raakt de ontsteking daar niet van in de war. Op kruissnelheid loopt de motor trouwens mooi rond en lekker rustig. Bij 100 km/u draait hij 3.750 tpm, waar de wat korter gegearde 800 4.400 tpm draait. En het mooie is dat de geluidsproductie van de uitlaat daarbij heel bescheiden blijft. Ik ben ook erg tevreden met de gasreactie in de A-stand, die ik toch het meeste gebruik.

Reismotor of funbike?

Het zijn twee verschillende karakters, die twee V-Stroms. De 1050 DE is een echte ‘reis-enduro’ voor lange, comfortabele reizen. Hij is 3.600 euro duurder dan de 800, maar daarvoor krijg je ook veel meer, onder andere een standaard middenbok, bochtafhankelijke assistentiesystemen, betere remmen en cruisecontrole. Daarbij wil ik de aantekening maken, dat er voor mij dan wel een hogere ruit op zou moeten en dat enige lenigheid gewenst is wil je met kofferset op- en afstappen. De 800 is vriendelijker voor de portemonnee en het is een echte funbike, die lichter en wendbaarder aanvoelt en die dankzij zijn lagere gewicht en langere veerwegen ook betere offroad-capaciteiten heeft. Ook hier moet je geen artrose in je heupen hebben voor het op- en afstappen, wanneer de verder uitermate handige kofferset is geplaatst. Wil je er echt lange afstanden mee afleggen, dan is de aanschaf van een hogere ruit en een comfortabeler zadel aan te raden.

Foto’s: Peter Aansorgh, Bart Aansorgh, Daniel Riesen

Eerste test 2025 KTM 390 Enduro R: rustige rebel

0
2025 KTM 390 Enduro R

Wie KTM zegt, denkt meestal meteen aan felle oranje motoren, rauwe eencilinders en een geluid dat de halve straat wakkerblaast. Maar wat blijkt? De 390 Enduro R bewandelt een heel ander pad. KTM die het eens rustig aan doet? Ja dus. En dat maakt deze kleine avonturier minstens zo verrassend als zijn grote broers, zij het op een heel eigen manier.

KTM heeft het 390-platform, waarop onder andere deze Enduro R staat, flink onder handen genomen. De LC4c-ééncilinder krijgt geoptimaliseerde cilinderkoppen en nieuwe injectoren, terwijl de versnellingsbak soepeler is geworden en het frame vernieuwd. Afijn, een hele verse generatie 390 dus. De Enduro R is, zoals KTM het noemt, een dual sport en is dus geschikt voor zowel on- als offroadgebruik, met de nadruk op dat laatste. Een machine die duidelijk bedoeld is voor wie de eerste stappen wil zetten in het enduro-verhaal. Met 165 kg rijklaar is het een lichtgewicht, met 45 pk bijzonder toegankelijk. Zelfs zijn zithoogte van 890 mm is nog redelijk te doen. Het dual sport-segment is nooit weggeweest, maar krijgt dit jaar wel een stevige injectie met de vernieuwde Honda CRF300L, nieuwe Suzuki DR-Z4S en dus ook de 390 Enduro R. Lichte, relatief goedkope, maar vooral toegankelijke motoren die tegen een stootje kunnen en waar makkelijk mee offroad gereden kan worden. Veel makkelijker dan met die zware adventuremotor die al gebruikt wordt voor woon-werkverkeer, weekendtrips en verre reizen.

Verademing

KTM heeft het imago van rauwe, sportieve, soms agressieve motoren te maken, wat ook meteen de sterkte van het merk is. Maar vrees niet dat je al wheeliënd de eerste de beste straat uittrekt op de 390 Enduro R. Dit is een zachtaardige, rustige en makkelijke motor om mee te rijden. De zitpositie voelt meteen goed aan: rechtop, ontspannen, overzichtelijk. Tijdens deze test rijden we nauwelijks op de weg, maar zoeken we wat leuke offroad- en boswegen op, waar opvalt dat dit het terrein is voor de 390. Vooral het lichte sturen is een verademing, komende van een Africa Twin die ik laatst offroad reed. Ook manoeuvreren op smalle stukken of eenvoudigweg omkeren, al dan niet langs de motor, is kinderspel.

Test 2025 Suzuki DR-Z4S(M): frisse start voor een oude bekende

Gebrek aan geluid

De ééncilinder is best soepel, maar zeker niet spannend. Ook niet in hoge toeren. Het is dus een atypisch KTM-blok. Je hebt voldoende kracht om overal vlot uit te trekken, maar schrik krijg je er nooit van. En da’s maar goed ook voor dit type motor. Kudos voor KTM dus. Wat wel opvalt, of integendeel, is het gebrek aan uitlaatgeluid. De kleine uitlaat onder het motorblok is mooi weggewerkt, maar ook mooi weggemoffeld. Een flauw, inspiratieloos geluid. Maar ook dat heeft weer een voordeel, want wil je in het bos veel lawaai maken? Wij kregen tijdens de fotoshoot alvast geen enkele boze blik van voorbijkomende wandelaars en fietsers. Dat is ook weleens fijn…

Lastige koppeling

Over blikken gesproken. Die op het nieuwe TFT-scherm is bijzonder geslaagd. Een heel klein infoscherm dat nauwelijks ruimte inneemt, mooi vormgegeven is, duidelijk en makkelijk in gebruik is en soepel reageert. Helemaal goed. Veel valt er niet in te stellen, maar je kunt wel makkelijk switchen tussen de verschillende rijmodi en het ABS-systeem op standje ‘Offroad’ zetten. Er is ook een rijmodus ‘Offroad’ die helemaal naar wens kan worden aangepast, wat bijzonder is in dit segment. Even enthousiast zijn we over de optionele quickshifter. Die doet zijn werk bijzonder soepel voor een ééncilinder. We raden ook uitdrukkelijk aan om die te bestellen, want we worden heel wat minder enthousiast van de koppeling. Die grijpt heel snel aan en voelt niet lekker. Het gevoel is onnatuurlijk, waardoor we een recordaantal keer zijn stilgevallen. De accu vond dat in ieder geval niet zo aangenaam. Wij ook niet. Gelukkig is het niet al te moeilijk om de stilvallende en dus soms ook vallende motor recht te houden met je been.

Leuke details

De vering en remmen doen hun werk prima. Niet meer, niet minder. Verwacht geen high-end WP-magie of remkracht die je bijna over het stuur trekt, maar wel een degelijk en voorspelbaar geheel dat past bij het rustige karakter van de 390 Enduro R. De vering is goed afgesteld voor een mix aan ondergronden; van gravelwegen tot modderstroken en van stenen tot diepe putten. Nergens voelt het aan dat de KTM er moeite mee heeft. En is het nog niet hoe je het precies wil, dan kan de vering vooraan ingesteld worden qua in- en uitgaande demping, terwijl de veervoorspanning van de monoshock ook kan worden aangepast.

Andere leuke standaarddetails zijn een USB-C-poort aan de linkerkant van het infoscherm en een beschermingsplaat aan de onderkant. Beide onmisbaar, hoewel sommige lezers zich daar wellicht vragen bij stellen. Vooral niet doen, je krijgt het er toch standaard bij.

Conclusie eerste test 2025 KTM 390 Enduro R

De KTM 390 Enduro R is geen typische KTM, zoals de meeste motorrijders het merk kennen. Het is geen adrenalinepomp of hooliganmachine, maar eerder een rustige instapper die beginnende offroaders of enduristen meteen vertrouwen geeft. Het grootste voordeel? Zijn gebrek aan gewicht, wat hem erg wendbaar laat sturen en eenvoudig te hanteren maakt. Daarbij is de ééncilinder soepel en fijn, met toch voldoende kracht. Exact wat een beginnende of rustige off-roadrijder nodig heeft. Let wel op met de wat vreemd aanvoelende koppeling, maar dat kan ook een kwestie van gewenning zijn.

Pluspunten 2025 KTM 390 Enduro R

  • Wendbaarheid en licht gewicht
  • Soepel motorblok
  • Quickshifter (optie)

Minpunten 2025 KTM 390 Enduro R

  • Koppeling voelt onnatuurlijk
  • Flauw uitlaatgeluid (wél goed in bos)
  • Motorblok mist spanning in hoge toeren

Foto’s: Bert Claes

Technische gegevens 2025 KTM 390 ENDURO R

MOTOR
Type vloeistofgekoelde ééncilinder
Cilinderinhoud 399 cc
Boring x slag 89 x 64 mm
Compressieverh. 12,6:1
Koppeling natte multiplaat
Transmissie zesbak
Eindoverbrenging ketting
PRESTATIES
Maximaal vermogen 45 pk (33 kW) @ 8.500 tpm
Maximaal koppel 39 Nm @ 7.000 tpm
ELEKTRONICA
Motor rijmodi
Rijwielgedeelte offroad ABS
RIJWIELGEDEELTE
Frame stalen trellisframe
Vering voor 43mm UPSD-telescoopvork
Stelmogelijkheden in- en uitgaande demping
Vering achter monoshock, split piston
Stelmogelijkheden veervoorspanning
Veerweg v/a 230/230 mm
Rem voor een 285 mm schijf met radiale tweezuigerklauw
Rem achter een 240 mm schijf met éénzuigerklauw
Banden v/a 90/90-R21, 140/80-R18
PRIJZEN
Nederland € 7.550
België € 6.699
ALGEMEEN
Rijklaargewicht 165 kg
Tankinhoud 9 l
Wielbasis 1.475 mm
Zithoogte 890 mm
Balhoofdhoek 27,1°
Naloop 107 mm
2025 KTM 390 Enduro R

Eerste test 2025 Harley-Davidson Pan America 1250 ST

0
Eerste test 2025 Harley-Davidson Pan America 1250 ST

Toen Harley-Davidson enkele jaren geleden z’n Pan America aankondigde, donderde de motorwereld haast synchroon van z’n stoel. Wat had het merk van in chroom gehesen V-twins in godsnaam naast het tarmac te zoeken? Betrekkelijk veel, als we op de nog steeds meer dan degelijke verkoopcijfers mogen afgaan. En toch maakt die hoogpoter exact vijf jaar na z’n debuut een opmerkelijke omgekeerde beweging. Een verschuiving terug van stoffige bergwegen richting asfalt, waar hoogpotige concurrenten als de Yamaha Tracer 9 de pikorde aanvoeren. Staat de Pan Am ook daar z’n mannetje, of spotten we ‘m binnenkort toch weer tussen bos en beek?

Anno 2025 breidt Harley-Davidson z’n adventure line-up uit met de Pan America 1250 ST: een sportievere, meer op de weg gerichte variant van de populaire Pan America. Dat deze nieuwe telg meer op asfalt dan onverhard is gericht, valt al op tijdens het obligate rondje bandenschoppen. Je hebt je motorlaars immers amper tegen het rubber gemikt, of je merkt al dat er geen noppen of spaakwielen te bespeuren vallen. In plaats van het 19/17-inchcombo van de standaardversie is de ST uitgerust met een duo gegoten 17-inchwielen met Michelin Scorcher Sport eromheen. De nieuwe ST staat dieper door z’n poten (170 mm veerweg voor en achter, ten opzichte van 190 en 180 mm op de Pan Am) en dus lager bij de grond (-35 mm aan grondspeling). Ook het zadel is iets dieper uitgesneden (825 mm), waardoor je ook als kleinere rijder perfect met beide voeten op het asfalt steunt.

Kort getest 2025 Harley-Davidson Street Bob: de essentie

Meer of minder?

Opvallend genoeg – zeker voor een ‘Adventure Tourer’, zoals de Pan Am – ruimt het verstelbare windscherm plaats voor een kleiner, gerookt en vast exemplaar op de neus. De handkappen, middenbok en stuurdemper van de Special gaan overboord en ook de voetsteunen krimpen gevoelig. Wie z’n eigen snufferd onder het rijwielgedeelte waagt, merkt daarenboven dat de uitlaatlijn een stuk werd afgeslankt. Die doet het vanaf heden zonder tussenkamer en klinkt instant een stuk virieler. Dat het rolgeluid zonder de noppenbanden ook een stuk lager ligt, zet die soundtrack enkel kracht bij. Mooi zo! Opvallend genoeg gaat er geen grammetje overboord – integendeel. De ST tikt met volle tank af op 246 kg, wat eentje meer is dan de standaardversie. Een verschil datavermoedelijk op het conto van de wielen komt te staan.

Stuk actiever

Zodra je op de ST stapt, merk je dat deze motor heel anders zetelt dan de standaard Pan America. Dankzij het lagere zadel voelt hij meteen toegankelijker aan, zelfs voor rijders tussen de 1m70 en 1m75 – zoals ondergetekende. Door de dieper uitgeholde zitting is de rijpositie ook iets compacter – lees: scherpere kniehoek – waardoor je er meteen een stuk actiever voor gaat zitten, met je armen over de lange tank richting het iets smaller geworden stuur gestrekt. Het dashboard voelt meteen vertrouwd aan, met het bekende TFT-scherm en de bedieningsknoppen. De bediening verloopt identiek als op de Pan Am-broertjes, en het gros van de elektronische rijhulpjes blijft behouden. Denk aan de IMU, hellingshoekgevoelig ABS en dito tractiecontrole, wheeliecontrole, bandenspanningsmeters en DSCS-antislip. Enkel de snufjes die specifiek voor offroadrijden zijn bedoeld, gingen – vanwege compleet onnodig – op de schop. Denk aan uitschakelbaar ABS achter en offroad-rijmodi. De Screamin’ Eagle-quickshifter (up/down) behoort dan wel weer tot de standaarduitrusting. Iets zegt ons dat die weleens van pas gaat komen, vandaag.

Bekende krachtbron

Onder de tank ligt immers hetzelfde 1252 cc Revolution Max V-twin-blok als bij de andere Pan America’s, dat in deze versie 150 pk en 127 Nm ten berde brengt, bij respectievelijk 9.000 en 6.750 tpm. Twee Newtonmeter extra dus, en het vermogen dat 250 tpm hoger piekt dan voorheen. Maar de manier waarop die cijfers tegen het asfalt worden gejaagd, is het meest indrukwekkend aan deze machine. Zo levert de dikke V-twin al een pak koppel onderin, waarbij hij vanaf 2.000 toeren fors doorpakt tot bij de begrenzer. Daarbij loopt het blok lekker soepel tussen de 3.000 en 5.500 toeren in, maar zet je je het best schrap vanaf 6.000 tpm. Dan ontbindt de Rev Max z’n duivels, raast hij door de toeren en komt de ST-insteek helemaal boven water. Waanzinnig hoe hard dit blok pompt. Wees daarbij een tikkeltje beducht voor de Sport-modus, die vrij agressief is getuned en waarbij het ABS en de tractiecontrole later tussenbeide komen. In deze modus transformeert de ST van een sportieve adventure naar een volbloed naked. Inclusief het loeihard optrekken van onderin en een overschot aan power in hogere regionen. Ronduit indrukwekkend, al blijft de Road-modus de meest bruikbare van de vijf presets. Een kleine tegenvaller is de standaard gemonteerde quickshifter. De standaard quickshifter werkt bij lage toeren/snelheden best behoorlijk, maar op hogere toeren is de werking beperkt. Opschakelen vanaf 5.000-5.500 tpm gaat steevast gepaard met een forse schok. Terugschakelen verloopt doorgaans soepel en met autoblip. Maar de algemene afstelling voelt ruw aan, iets meer verfijning was wenselijk geweest.

Impact

Het grootste verschil tussen de ST en de Special- en standaardversie is uiteraard de ophanging, en bijbehorende aangepaste geometrie. Vooraan steunt de Harley-Davidson Pan America 1250 ST op een 47 mm UPSD van Showa, achteraan steekt van dezelfde producent een instelbare monoshock met afzonderlijke stelknop. Onder invloed van de ingekorte veerwegen, internals en aangepaste wielmaten krimpt de wielbasis met 5 mm, en loopt de naloop terug van 108 naar 95 mm – de balhoofdhoek blijft ongewijzigd.

De impact van dat gebeitel is ronduit verbluffend: richtingwissels verlopen beduidend kwieker en met sprekend gemak, en ook het insteken van bochten gaat met meer precisie en vertrouwen. Dat alles zonder te vervallen in nerveus stuurgedrag – de Pan Am ST blijft stabiel en straalt ook rust uit op hogere snelheden.

Opvallend genoeg voelt de ST – ondanks z’n lekker agressieve voorkomen en bedoelde insteek – aanvankelijk een tikkeltje zacht aan op de voorzijde, zeker onder remdruk. Hoewel die setting best comfortabel te noemen is, combineert het minder goed met de forse machtsontplooiing in het vooronder. Gelukkig kan je met de ingaande demping in de weer op de voorvork, dus is het softe gevoel met enkele clicks extra compressie snel van de baan. Mooi zo.

Wereld van verschil

Hoewel de 17-inchwielen uiteraard een belangrijke rol spelen in het rijgedrag, maken de gemonteerde banden minstens evenzeer een wereld van verschil. De standaard Michelin Scorcher Sport-banden (120/70 vooraan en 180/55 achteraan) bieden immers aanzienlijk meer precisie en grip dan het grover geprofileerde rubber van de reguliere Pan America. Complimenten aan het ontwikkelteam in Milwaukee: de ST voelt niet aan als een model dat simpelweg van 19- naar 17-inch wielen werd omgeturnd. Integendeel, het lijkt alsof deze motor vanaf het begin ontworpen is met dit sportievere onderstel in gedachten. Waar zulke aanpassingen vaak resulteren in een wat geforceerd stuurgedrag, waarbij de motor in bochten ‘naar binnen wil vallen’, is daar bij de Pan Am ST nauwelijks sprake van. Wil je de 246 rijkilo’s tot een gecontroleerde stop brengen, dan kan je rekenen op de voor deze ST opgewaardeerde en elektronisch gelinkte Brembo’s. De dikke radiale Monobloc-vierzuigers vooraan bijten doortastend maar met finesse in twee 320 mm remschijven, achteraan volstaat een enkelvoudige opstelling ruimschoots voor elk manoeuvre of correctie. Gewoon helemaal niks op af te dingen – zeker nadat je de hierboven omschreven aanpassing doorvoert op de voorvork.

Euvel

Ondanks z’n sportieve inborst is het rijcomfort aan boord prima. Het motorblok zelf seint niet al te veel vibraties door voor een V-twin van dit formaat, en het zadel biedt ruim voldoende ruimte voor de rijder en is lekker dik gevoerd. Zoals gezegd, lever je ietwat beenruimte in ten opzichte van de gewone Pan Am, maar voor langere rijders is er om dat euvel te overwinnen een optioneel hoger zadel (+25 mm) verkrijgbaar. Een twijfelpuntje voor elk type rijder is de windbescherming: het lage, niet-verstelbare scherm zorgt vooral op hogere snelheden en zeker op autosnelwegen voor meer turbulentie dan je op een tourer zou wensen. Oplossingen zijn – uiteraard – beschikbaar via de copieuze optiecatalogus van Harley-Davidson, waar je zowel een 11” (28 cm) als 18” (46 cm) hoog alternatief windscherm kunt kopen.

Prijs en kleuren

Nu we het toch over centen hebben: de Pan America 1250 ST is verkrijgbaar vanaf €23.595 en komt in drie kleurstellingen. Voor de basisprijs rijd je enkel met Billiard Grey naar huis, voor Vivid Black (zoals onze testmotor) en Brilliant Red tel je 500 euro extra neer. In het gamma positioneert Harley-Davidson z’n nieuwe ST qua prijszetting mooi tussen de Pan America (22.495 euro, niet vernieuwd voor 2025) en Pan America Special (24.495 euro, 2025-model) in. De volledig uitgedoste CVO (2025) blijft ver buiten schot met een vanafprijs van 33.995 euro.

Conclusie eerste test 2025 Harley-Davidson Pan America 1250 ST

Kwestie van m’n vraag in de inleiding te beantwoorden: de Harley-Davidson Pan America 1250 ST heeft zeker z’n plaats tussen de meer straatgerichte concurrenten, dat staat na deze test buiten kijf. Al hinken we toch een tikkeltje op twee gedachten. Jazeker, we zijn fan van de sportieve look en sound, het strakkere stuurgedrag, de forse remmerij en het erg potente blok. Dat zijn wat ons betreft absolute voltreffers, waardoor de Amerikanen met deze ST een meer dan gedegen toevoeging maken in hun gamma. Anderzijds zou ik, zeker van een sporttouringmotor – want dat is hij toch – een stuk meer windbescherming verwachten, en moet de quickshifter eigenlijk beter presteren om als echte troef te boek te staan. Aan de eerste bedenking is mits wat extra euro’s een mouw te passen, de tweede is minder makkelijk ingeruild. Of de Pan America 1250 ST een verkoophit wordt, valt af te wachten – maar een bitse strijd is gegarandeerd.

Pluspunten 2025 Harley-Davidson Pan America 1250 ST

  • Blok loopt oerend hard
  • Sturen voelt (logischerwijs) een pak flitsender dan op de standaard Pan Am
  • Lagere zadelhoogte en mooier geluid

Minpunten 2025 Harley-Davidson Pan America 1250 ST

  • Focus op straatkilometers, maar verstelbaar windscherm verdwijnt
  • Quickshifter is niet de soepelste op de markt

Foto’s: Manu De Soomer/Motorsportspics.com

Technische gegevens Harley-Davidson Pan America ST

Type Vloeistofgekoelde V-twin, DOHC, variabele kleptiming
Cilinderinhoud 1252 cc
Boring x slag 105 x 72,3 mm
Kleppen/cilinder 4
Compressieverhouding 13:01
Carburatie Elektronische injectie
Koppeling Natte multiplaat
Transmissie Zesbak, slipperassist
Eindoverbrenging Ketting

Prestaties

Maximaal vermogen 150 pk (110 kW) @ 9.000 tpm
Maximaal koppel 127 Nm @ 6.750 tpm

Elektronica

Motor Rijmodi, IMU, quickshifter
Rijwielgedeelte Hellingshoekgevoelig ABS en tractiecontrole, DSCS, vehicle hold, elektronisch gekoppeld remmen

Rijwielgedeelte

Frame Stalen trellisframe met motor als dragend onderdeel
Vering voor 47 mm Showa Balance Free UPSD-vork
Stelmogelijkheden (voor) Instelbare veervoorspanning en ingaande demping
Vering achter Showa Balance Free monoshock met link
Stelmogelijkheden (achter) Veervoorspanning
Veerweg v/a 170/170 mm
Rem voor Twee 320 mm-schijven met radiaal gemonteerde Brembo Monobloc vierzuigerremklauw
Rem achter Een 280 mm-schijf met enkelzuigerremklauw
Banden v/a 120/70ZR17, 180/55ZR17 (Michelin Scorcher Sport)

Prijzen

Nederland v.a. € 23.595
België v.a. € 20.495

Afmetingen

Wielbasis 1.570 mm
Balhoofdhoek 25°
Naloop 95 mm
Zithoogte 825 mm
Gewicht 246 kg (rijklaar)
Tankinhoud 21,2 liter