donderdag 14 mei 2026
Home Blog Pagina 1339

Honda CRF1000L Africa Twin 2016

0

Het aanbod meercilinderige allroads is met ingang van 2016 weer verrijkt met een nieuwe naam. Verantwoordelijk voor die toename is Honda met de herintroductie van de Africa Twin. Rijdt die net zo spectaculair als zijn rentree is?

Mink Bijlsma

Africa Twin. Een mythe op twee wielen. In 1986 als pure woestijnrat begonnen aan de al even mythische Parijs-Dakar als NXR 750. Met Cyril Neveu en Gill Lalay (ja: zo lang geleden alweer…) als verantwoordelijken voor een 1-2 overwinning na 15.000 km zand, zand en nog eens zand. In 1988 toegankelijk gemaakt als gekentekende zandhaas voor de Parijs-Dakar liefhebber als XRV 650. In 1990 als XRV 750 verder gegaan om in 2003 bedolven door het zand ter ziele te gaan in de duinen van de Sahara. De Africa Twin was dood, lang leve de Africa Twin.

Patentieus

Ruim 10 jaar later. Van Parijs gaat het al lang niet meer naar Dakar, maar de mythe leeft voort, de roep om een échte allroad in plaats van alleen een optische bleef hoorbaar. En dus besloot Honda de troonopvolger te maken van de Africa Twin. In 2016 volgt de kroning van de nieuwe Africa King. Geheel nieuw motorblok. Geen V twin meer, maar een staande tweecilinder. Om gewicht en kosten te besparen en… het gewicht beter te kunnen centraliseren. 250 cc meer dan voorheen en ook 34 pk meer. Met 32 patenten en de (tamelijk) unieke Unicam cilinderkop. Alles is gedaan om het gewicht te centraliseren en de zware componenten zo dicht mogelijk bij het middelpunt van de motorfiets te krijgen. De accu, de ECU en de ABS regelaar kwamen op de plaats van de achterste cilinder, de drysump olietank kon onder het carter. Om de Africa Twin als een V twin te laten aanvoelen werd de bekende truc van de op 270 graden verzette kruktap toegepast, waardoor de ontsteking op dezelfde momenten plaatsvinden als de oude XRV 750.

Een (uiteraard geheel nieuw) stalen frame (‘omdat dat overal ter wereld makkelijk gelast kan worden’, bron: PR-Honda), met zes ophangpunten voor het blok (waardoor geen stuurdemper nodig is: bron: dezelfde), aangelast i.p.v. aangebout subframe (‘wat je motor bij een schuiver eerder total-loss maakt’, bron: Mink, Promotor), UPSD voorvork, voor en achter volledig instelbare vering, spaakwielen, radiaal gemonteerde remklauwen, serieuze alu carterplaat, ‘Assist-slipper Clutch’, 3-weg tractiecontroleur, LED dag-rij verlichting, 21 inch voorwiel, smalle 90/90 voorband, draadspaken. Geen loze beloften, Loosduinen: here I come…

Wat telt?

34 pk meer als de oude klinkt veel, maar is dat in een tijd dat dikke twins losjes 140 pk aan het achterwiel leveren natuurlijk niet. En nog voordat er ook maar iemand buiten de fabriekpoorten op gereden had, was de kritiek al niet meer van de lucht: slechts 95 pk en maar liefst 232 kilo rijklaar. ‘Te weinig!’ en ‘Teveel’ werd er geroepen. In deze volgorde en zeker niet andersom…

Veel geschreeuw en weinig wol! Ten eerste omdat het tijd wordt de waarheid eens onder ogen te zien. Welke Allroad rijder geniet waar en wanneer van meer dan 100 PK? En hoe vaak? Welke Allroad rijder rijdt hoe vaak en waar vol gas boven de 8.000 tpm? Welke Allroad rijder geniet waar en wanneer van een soepel blok? Welke Allroad rijder rijdt hoe vaak en wanneer tussen de 3.000 en 5.000 tpm?

Ten tweede: de Africa Twin is in tegenstelling tot R 1200 GS, Super Ténéré, Capo Nord en Stelvio om er maar een paar te noemen, serieus bedoeld om écht eens het onverharde in te gaan. En daar is een soepel blok da het ook doet wanneer je eens een versnelling te laat door het zand ploegt, vaker welkom dan je lief is. Wie ooit in het zand gespeeld heeft met een Cagiva Elephant (met Ducati V twin) weet wat hier bedoeld wordt. Daarnaast: de Africa Twin levert al bij 80 Nm bij 2.000 en dat zijn bruikbare Newtonmeters.

Geen duin te hoog

Het grootste nadeel van een allroad is misschien wel de zithoogte. Dat heeft Honda goed begrepen. Het standaard zadel is verstelbaar tussen 830 en 850 mm, optioneel is er een lager en hoger zadel leverbaar waardoor de zithoogte uiteindelijk varieert tussen 820 mm en 900 mm. Voor elke lengte wat wils. Daarbij is het eigenlijk belachelijk dat je bij aanschaf van een nieuwe motor extra moet betalen voor een geschikt zadel. Zie je het al in de reclamefolder? ‘Bij onze nieuwe Kia Trimax kunt u uw autostoel 3 cm verschuiven. Is dat echter te weinig omdat u vrij lang of vrij klein bent, kunt u bij de Kia dealer een andere stoel kopen à raison van slechts € 499,-!’ Dit geldt uiteraard voor bijna alle motorfietsfabrikanten…

Goed, het bestijgen van het ros hoeft dus voor niemand een probleem te zijn. De tank smal, het stuur in nagenoeg perfecte stand. Typisch Honda: alles op de juiste plek. Starten en de verkapte V-twin komt met een typische Honda-sound tot leven. Mechanisch stil, wat ingetogen zoals het Honda betaamt. De koppeling laat zich licht bedienen, maar het hendel staat wat ver van het stuur en is niet instelbaar. De eerste versnelling laat zich er omfloerst in luizen en met een streepje gas komt de Afrika-ganger van zijn plaats. Het hele schakelproces op de schakelversie gaat als vanzelf. Figuurlijk. Elke wisseling van tandwielpaar gaat licht, stil en volstrekt probleemloos, zowel naar boven als naar beneden. De dosering van de koppeling staat boven iedere vorm van kritiek verheven. De souplesse van het motorblok valt ook direct in aangename zin op. Het maakt eigenlijk niet uit wat de ronduit slecht afleesbare toerenteller aangeeft, het blok kan elke situatie aan. Laag in toeren op deellast, volgas, doortrekken tot de begrenzer ingrijpt (overigens volstrekt zinloos), het kan allemaal zonder dat het blok ook maar één keer zucht, kreunt, kraakt of op andere wijze laat merken er geen zin in te hebben. De roffel uit een aandachtig ontwikkelde demper (met twee uitgangen en verschillende dempers in één schaal) is kernachtig en alles behalve saai, de onregelmatige ontstekingsintervallen zijn dat ook niet. Toch merk je aan alles dat het geen echte V-twin is, het is de consequentie van de effectiviteit.

DCT

Naast de traditionele schakelversie is de Africa Twin voor minder fundamentalistisch ingestelde of minder ervaren/zelfverzekerde motorrijders voor € 1.300 meerprijs en 10 kilo meergewicht ook leverbaar met het ondertussen bekende D(ual) C(lutch) T(ransmission). Andermaal verbeterd en het moet gezegd: technisch gezien gaat het systeem richting perfectie. Nieuw is dat er nu uit vier verschillende schakelpatronen gekozen kan worden, waardoor het wat saaie en suffe 2-gangsysteem behoorlijk opgefrist wordt en het motorkarakter een stuk levendiger kan zijn. Emotioneel en subjectief kun je het systeem (zoals ondergetekende) bekritiseren, rationeel en objectief werkt het gewoon donders goed. Je hoeft niet meer te koppelen, je hoeft niet meer te schakelen, je hoeft niet meer na te denken welke versnelling de juiste is en in welke hij staat: dat wordt voor je gedaan. Het schakelproces gaat als vanzelf. Letterlijk. Soepeler dan bij de man met de soepelste rechterpols en fijngevoeligste linkerhand en een linker voet van fluweel. Het systeem is te omvattend om hier geheel uit te diepen, maar het heeft grofweg drie nadelen: het manoeuvreren op de vierkante millemeter is lastiger doordat je de snelheid niet kunt regelen met de koppeling en licht vertraagde reactie bij gas geven. En bij terugschakelen bij hoge toerentallen komt de koppeling te snel op, zou hij wat meert slip mogen hebben.

Afsluitend kan er eigenlijk maar één zinnige opmerking over het hele DCT gemaakt worden: ben je benieuwd hoe het werkt en of het wat voor je is, ga het dan uitgebreid proberen. Niet een uurtje, maar een hele dag. Een goeie dealer zou hier aan mee moeten werken.

Beetje jammer

Echter: Het tempo door de drukke spits waar we ons door heen moeten worstelen, de vele korte bochten die het traject kent en de snelheid van de voorrijder is zó laag dat het een gedegen rij-indruk in de weg zit. Allemachtig, wat gaat het langzaam… Het zal toch niet zo zijn dat Honda het ‘gebrek’ aan (top)vermogen wil maskeren of eventuele zwakheden in het concept niet aan het licht wil laten komen? Het tempo komt eigenlijk niet boven de 80 km/u uit en een hele korte tussensprint met 123 op de klok levert geen zinvolle opmerkingen op over stabiliteit van het rijwielgedeelte, de kracht en dosering van de remmen, de uiteindelijke werking van het ABS, de stabiliteit bij hard remmen, de stuurprecisie, de neutraliteit van het stuurgedrag bij wat sneller bochtengedrag, de windbescherming, de rollende acceleratie, de mogelijke hellingshoek, de windbescherming, mogelijke turbulenties en of het niet verstellen van de ruit een gemis is. Het blijft hier bij korte notities onder de 80 km/u, waar je 3 jaar Promotorgarantie op krijgt. De vering is (mede dank zij de lange veerwegen) uiterst comfortabel. De gasreactie is een tikkeltje fel. De banden geven op koud (ca. 12 Celsius) en nat wegdek weinig vertrouwen. De wendbaarheid is groot. De ergonomie is top. Het zicht in de spiegels is uitstekend. Het blok trilt nauwelijks. De 3-weg Traction Control werkt erg goed en zou onmiddellijk de zeer matig opererende systemen van VFR 1200, Crosstourer c.s. moeten vervangen, de nadelen van een 21 inch voorwiel zijn tot een minimum beperkt.

Off road

Een flink stuk onverhard mocht niet op het programma ontbreken, deed het wel… Het werd een klein rondje waardoor het ook hier blijft bij indrukken in plaats van keiharde bevindingen. Toch laat de African Twin vooral hier zien dat de 232 kilo op papier niet hetzelfde zijn als op de weegschaal. Haast onvoorstelbaar wat hij op het écht onverharde allemaal kan, hoe goed hij uitgebalanceerd is, hoe lichtvoetig hij aanvoelt en dus… wat je er allemaal mee uit kunt spoken. Met die aantekening dat we geen écht (lees: Sahara-achtig) zand gezien hebben. De beperking zit al snel ‘Klip und Klar’ in de onkunde van deze berijder (die echter geen uitzondering is binnen het persgilde) en veel van zijn onkunde kan maskeren dankzij een op losse ondergrond goed functionerend TC en ABS (naar wens beide op achterwiel uit te zetten). En als dit nog niet genoeg is, kun je kiezen voor de DCT versie waarop je je nog beter kunt concentreren op het (figuurlijk) onbekende terrein.

Dit vindt Promotor

De testrit op Corsica was net zo on-spectaculair als de nieuwe Africa Twin rijdt. Prima nieuws eigenlijk. Een échte Allroad heeft namelijk geen enkele behoefte spectaculair te rijden. In tegendeel. De rit was echter wel te kort en eenzijdig om stevige conclusies te trekken en degelijke, betrouwbare ervaringen op te doen. Het laat zich echter wel aanzien dat de nieuwe Honda in bijna alle opzichten een uitstekende motorfiets is die het beste van hard en onverhard weet te combineren. Een (vergelijkings) test zou het moeten bewijzen.

Yamaha XSR900-2016

0

Op een winderige heuvel op Fuerteventura zit ik op een XSR900, uitgevoerd in het bekende gele speedblock-design. Ik wacht op mijn beurt voor een spurt langs de fotografen. Rechts van me staan twee bebaarde journalisten uit Oostenrijk met open jethelmen en bruine leren jacks op identieke Yamaha’s. Retro, maar dan helemaal van nu.

Roland Brown

Dan ben ik. Ik klap het donkere vizier van mijn Arai neer en trek snel op naar de eerste bocht. In zijn een schiet het voorwiel de lucht in en dan nog eens in zijn twee voordat ik het gas loslaat, rem en de XSR met een lichte wending van het brede stuur heuvelafwaarts een trage bocht naar links in zwaai. Op de top schuift mijn knie bijna over het asfalt voordat ik gas geef en de motor ervandoor scheurt. Het stuur trilt enigszins wanneer het voorwiel weer omhoog komt.

Cool? Nou, vanaf het zadel eerder sensationeel, maar dat is het mooie van de XSR900. De nieuwe driecilinder van Yamaha kan zowel een relaxte roadster in retrostijl zijn als een rauw racemonster. Of beide tegelijk: één van die Oostenrijkers maakte behoorlijk tempo en leek daarbij niet gehinderd te worden door zijn baard die achter hem aan wapperde.

Met dank aan de MT-09

Het is niet zo vreemd dat de XSR snel en levendig is, gezien het feit dat hij grotendeels gebaseerd is op de MT-09. Met deze combinatie van een 847 cc-motor met flink veel koppel, wendbaar chassis en concurrerende prijs maakte Yamaha destijds in 2013 zijn comeback als motorfabrikant. Die MT werd gevolgd door de al even indrukwekkende en zelfs nog succesvollere MT-07 twin, die inmiddels geleid heeft tot de retro XSR700, het eerste model uit de nieuwe Faster Sons collectie van Yamaha.

De XSR900 lijkt duidelijk op zijn kleinere broertje en is op dezelfde manier ontwikkeld: in wezen is het een MT-09 met een voornamelijk cosmetische make-over, voorzien van meer metalen onderdelen waaronder een benzinetank met afneembare aluminium zijkappen. De basisspecificaties zijn hetzelfde. Bij de XSR betekent dat een 12-kleps motor met dubbele bovenliggende nokkenas en een vermogen van 113 pk bij 10.000 toeren, gevat in een aluminium frame dat aan de achterkant voorzien is van een afneembaar subframe om het customizen te vergemakkelijken.

Roland Sands

Yamaha is er goed in geslaagd om het custom- imago van de XSR-lijn op te bouwen. De XSR700 werd geïntroduceerd met een verbluffende, handgebouwde creatie van Shinya Kimura, en de 900 krijgt een soortgelijk geïnspireerde maar toch volstrekt andere behandeling van nog zo’n grote naam, Roland Sands. De Faster Wasp van deze voormalige coureur uit Californië, een spectaculaire sportster met hoog stuur en kleurenschema geïnspireerd op Kenny Roberts (hij doet duidelijk denken aan de TZ750 flat-tracker waarmee King Kenny in 1975 de Indianapolis Mile won), heeft de toon perfect gezet.

De productie-XSR kan natuurlijk niet tippen aan de handgebouwde constructie en exotische onderdelen van de Wasp, maar hij oogt compact en agressief. Ook is hij keurig afgewerkt, met lakwerk in passend traditioneel grijs of ‘leisteen’ als alternatief voor het geel. Voor beide spatborden is aluminium gebruikt in plaats van kunststof, net als voor de robuuste steunen van de grote ronde koplamp. In combinatie met details als netjes afgewerkte boutkoppen heeft hij de uitstraling van een weloverwogen samengestelde machine.

Ook vanaf de gestikte buddyseat ziet hij er goed uit. De zithoogte is 830 mm, 15 mm meer dan bij de MT-09. Het uitzicht wordt beheerst door een eenvoudig, rond zwart lcd instrumentenpaneel en een breed, iets verhoogd stuur uit één stuk. Het instrumentenpaneel toont informatie over o.a. brandstofverbruik en bevat meer schakelaars dan dat van de MT-09. Naast de knop rechts op het stuur waarmee je een van de drie rijstanden selecteert, zit er links op het stuur namelijk een schakelaar voor de tractieregeling, die ook twee standen kent.

Welke stand je ook kiest, na starten is het zonneklaar dat de driecilinder net als de MT een bijzonder flexibele krachtbron is die soepel loopt bij hoge toerentallen. Zijn ‘lekkerste gebied’ ligt tussen zo´n 5000 en 7000 toeren per minuut. Dat is het bereik waar ik het meest te vinden was op Fuerteventura. Daar word je namelijk getrakteerd op een feestje van knallende acceleratie en imponerend gebrul. Daarbij zijn geen slingers meer nodig.

Wheeliegewillig

De XSR weegt 4 kg meer dan de MT-09, vanwege de metalen onderdelen (en naar ik aanneem een paar toevoegingen die te maken hebben de Euro 4 norm), maar met zijn 195 kilo, inclusief brandstof is hij nog steeds heel licht. Dat draagt bij tot zijn goede prestaties. Hij lijkt zelfs nog meer geneigd tot een wheelie, waarschijnlijk omdat het zadel zich door de langere tank 5 mm meer naar achteren bevindt, zodat het gewicht van de berijder meer boven het achterwiel rust.

Bij snel optrekken in de eerste twee versnellingen en soms ook in zijn drie, voelde de voorkant uitgesproken licht aan. En soms ging dat wiel gewoon écht de lucht in. Leuk. Maar als je dat niet op prijs stelt, kun je de tractieregeling op stand nr. 2 zetten. Die komt dan tussenbeide bij een dreigende wheelie en treedt ook snel in werking wanneer je een bocht uit komt. De softere stand is misschien nuttig in de regen of zelfs in de stad, maar op deze wegen laad ik de motor in standje één staan. Die laat wheelies toe en grijpt niet in wanneer je een bocht neemt. (De tractieregeling kun je ook uitzetten.)

Standaard

Bijna de hele dag heb ik in Standard gereden, de middelste van de drie rijstanden. De scherpere stand A geeft een extra kick die soms wel leuk is op rechte stukken, maar te scherp voor een nauwkeurige besturing. Ik vind Standard echter prima en het verbaast me daarom dat een stel andere journalisten de voorkeur geeft aan stand B, waarin de motor iets minder scherp reageert. Hoe dan ook, bij de XSR heb je in elk geval de keuze, voor ieder wat wils.

Wat geen twijfel lijdt, is zijn fenomenale vermogen. Bij lage toerentallen pruttelt de Yamaha rustig door, bij 3000 toeren in de hoogste versnelling trekt hij strak op. Dat kan zelfs nog bij 2000 toeren en 50 km/u. Ook aan de andere kant van het spectrum rijdt hij heerlijk soepel en komt hij razendsnel op toeren, tot aan de rode lijn bij 11.200 tpm. Op een kort recht stuk zat ik volgens de meter al gauw op 215 km/u, met nog wat achter de hand. Vanaf die snelheid remt hij bovendien indrukwekkend hard en gecontroleerd, dankzij de dubbele vierzuiger monobloc remklauwen, hoewel de ABS iets eerder ingrijpt dan bij de beste systemen.

Lekker licht

Het lichte gewicht van de XSR is zelfs nog gunstiger voor de prestaties van het chassis, dat net zo wendbaar en alert bleek als dat van de MT-09. De stuurgeometrie is precies hetzelfde, net als de specificaties van de ophanging, met een upside-down vork van 41 mm en een bijna horizontale cantilever schokdemper, beide gemaakt door Kayaba en af te stellen voor voorspanning en terugslagdemping. Maar aan beide uiteinden is de veerconstante wat steviger, met passend sterkere demping, en de voorveren zijn niet lineair maar progressief.

Met zijn sportieve geometrie, lichte gewicht en brede stuur is het geen wonder dat de Yamaha zich heel makkelijk rond laat zwenken. De stuggere ophanging draagt er ongetwijfeld toe bij dat hij betrouwbaarder aanvoelt dan de MT-09. Hij stuurt goed, maar op de bochtige heuvelweggetjes van Fuerteventura heb ik aanvankelijk het idee dat hij toch wat onderdoet op de koplopers in zijn klasse.

Als je de voorspanning van de vork terugbrengt tot het minimum en de terugslagdemping een paar slagen opschroeft, zakt de voorkant iets, wat merkbaar neutraler aanvoelt. Zo is de Yamaha even beheerst als alert. Hij laat zich soepel krappe, blinde bochten in sturen, waarbij ik snel en moeiteloos van richting kan veranderen. Ook fijn is de royale grondspeling en de betrouwbare grip van de Bridgestone S20 banden.

Ook heb ik de voorspanning van de schokdemper achter een paar slagen opgevoerd, voornamelijk in een poging om iets meer rijhoogte te krijgen. Ik vond de Kayaba-unit eigenlijk precies goed. (Een heel forse Franse vent vond hem te zacht.) Het zadel is royaler opgevuld dan dat van de MT-09, maar tegen het einde van de dag begon het wat ongemakkelijk te zitten. Het is ook breder en veel dikker voor een doupassagier, hoewel er nog steeds niets stevigs is om je aan vast te houden.

Zelf personaliseren

Een passagier meenemen kan soms interessant zijn, voor een beetje extra gewicht achter. Solo voelt de XSR namelijk af en toe een beetje nerveus aan, zeker bij wat steviger rijden. Een stuurdemper zou dan eigenlijk ideaal zou zijn voor zo’n snelle, korte en lichte motor. (Dit model met een volledig Öhlins-pakket zou helemaal te gek zijn – wat denken jullie van een XSR900R, Yamaha..?)

In andere opzichten is de XSR praktisch en indrukwekkend zuinig; Yamaha geeft 5,2 l / 100 km op. Dat haalt hij niet, maar toch bleef hij ruim onder de 7 l / 100 km, ondanks stevig scheurwerk. De inhoud van de brandstoftank is met een niet bijzonder royale 14 liter hetzelfde als bij de MT. In de meeste gevallen geeft dat een bereik van minimaal 200 kilometer en soms komt het in de buurt van de 250. De spiegels zijn uitstekend, de maximale stuuruitslag is prima, en de nieuwe slip-assist koppeling heeft een aangenaam lichte hefboomwerking.

Bovendien zijn er meer dan 40 accessoires om uit te kiezen, variërend van een Ace-stuur geïnspireerd op café-racers, voetensteunen achter en een aluminium zadelrand tot meer praktische onderdelen zoals een windscherm, radiateurscherm en canvas tassen. Dat maakt het mogelijk om hem naar eigen inzicht aan te kleden. Zonder dat het in de papieren loopt, want het basismodel van de XSR is redelijk geprijsd. Hij kost iets meer dan de MT-09, maar daar krijg je veel voor terug. Voor de liefhebbers van zowel retro-cool als vlammende eigentijdse prestaties is dit een uniek verslavende combinatie. € 10.699

Triumph 1050 Speed Triple 2016

0

Fantastisch nieuws had Triumph te melden op de beurs in Milaan. Het doek ging van niet één, niet twee, maar een complete reeks nieuwe modellen. Van de Street Twin, via de waanzinnige Thruxton naar de Tigers.. en als klapper nog even een compleet vernieuwde Speed Triple. Van alle modellen die Triumph tegenwoordig nog heeft is de Speed Triple de langst lopende, dus het is logisch dat men daar trots op is.

Vincent Burger

Het is dan ook zo’n ander ding dat je haast niet weet waar je moet beginnen: z’n uiterlijk, z’n prestaties of alle nieuwe snufjes die er op zitten.. en dan moet het nog lekker rijden en goed zitten ook.

Nou goed dan: Triumph legt de lat voortaan net wat hoger. De standaarduitvoering heet vanaf nu Speed Triple S en is voorzien van alles wat we hierna noemen, de hippe uitvoering is nog steeds de Speed Triple R en onderscheidt zich door een andere kleurstelling en chique Öhlins vering. Dat is alles.. de rest krijg je sowieso. Dus ook de Brembo remmen, waar de vorige standaarduitvoering nog Japanse Nissin remmen had. En al had Triumph alleen de R-variant klaargezet, we kunnen dus met redelijk veel zekerheid zeggen hoe de S-versie rijdt. Het eerstvolgende wat opvalt aan de nieuwe Speed Triple is de luchtinlaat die verwerkt is in het kleine schermpje boven de –ook nieuwe- koplampen. Die maakt deel uit van een enorme lijst van veranderingen. Om maar wat te zeggen: alleen al het blok is op 104 punten aangepast. Dat moest wel, want er moest gecompenseerd worden voor de strengere Euro 4 emissieregels en dat vreet vermogen.

Alles nieuw

Toch is het gelukt om uit te komen op een nette 140 pk, waarbij voornamelijk het koppel in het middengebied een flinke boost heeft gekregen, tot zo’n vijf procent meer ten opzichte van het oude model. Hiervoor is wel alles uit de kast gehaald, zowel inlaat, verbrandingskamer als uitlaat zijn enorm op de schop gegaan. De uitlaat is herontworpen en eenvoudiger, maar geeft toch zo’n zeventig procent meer doorloop… en da’s best veel. En uiteindelijk zijn de uitlaatdempers per stuk zo’n driehonderd gram lichter, dat scheelt nogal. Er is zelfs al een laag gemonteerde uitlaat beschikbaar, maar die is niet stil genoeg voor homologatie op de weg. Tegelijkertijd is binnenin het blok heel veel gedaan om een betere verbranding te krijgen en minder verlies door wrijving. Dus voortaan is de waterkoeling volledig intern, zijn de tandwielen herontworpen en ga nog maar even door.

Voor meer gemak ook zorgt de toepassing van ‘ride by wire’. Dankzij die elektronische gasbediening zijn de metingen die nodig zijn voor een optimale verbranding veel nauwkeuriger. En als je dan toch overstapt op een digitale gaskabel, kun je er ook meteen leuke trucjes mee uithalen. Zo heeft de Speed Triple nu naast schakelbaar ABS ook Traction Control in meerdere standen en verschillende instellingen in gasrespons. Niks wat we niet al kennen van andere motoren, maar het is de combinatie die het ‘m doet. En daarvoor heeft Triumph iets slims gedaan: er zijn vier fabrieksinstellingen te kiezen plus een vijfde, instelbare. En ga je vanuit een willekeurige instelling sleutelen aan de voorkeuzes, dan worden ze automatisch opgeslagen in de ‘Rider’ map. De fabrieks-voorkeuzes blijven dus altijd zoals ze zijn en je hebt nog ruimte om een eigen voorkeur samen te stellen. Leuk voor een verregende zondagmiddag.

Met de Speed Triple mikt Triumph op twee pijlers: de ideale mix tussen comfort en sportiviteit enerzijds en modernisme en historie anderzijds. Wat dat laatste betreft gaat het natuurlijk over het ‘Triumphgevoel’, gecombineerd met de nieuwste technologie geïntegreerd in het pakket. Het meeste daarvan hebben we net behandeld, wat het gevoel betreft kun je meer afgaan op de foto’s waarbij de motor wel inderdaad nog helemaal Speed Triple is, maar dan wel een opgefrist uiterlijk heeft. Of het bevalt is een kwestie van je eigen smaak. Over de mix van comfort en sportiviteit kunnen we veel meer zeggen. Om te beginnen hoeft het één het ander niet uit te sluiten, een goed in elkaar stekende motor kan juist door het één ook beter zijn in het andere en daar is de Speed Triple dan ook een goed voorbeeld van. Voor goed comfort heb je juiste zithouding nodig en een goed uitgebalanceerde motor. Voor sportiviteit in feite ook, dus die twee kunnen zeker goed samen. Aangezien we met de R-versie rijden, is de vering dik voor elkaar met serieus Öhlins werk. Maar het staat gelukkig niet plankhard afgesteld, zodat er ook gewoon mee gereden kan worden. We denken overigens dat de standaard Showavering ook dik in orde is, laat dat maar aan Triumph over.

Buiten spelen

Verder is de zit sportief maar niet krampachtig, het zadel te hard noch te zacht en is de motor heel goed geproportioneerd. Inderdaad een positie die je met gemak urenlang kunt volhouden, ook op vlot tempo. Uiteindelijk zal de windbescherming misschien tekort komen, maar daar koop je in eerste instantie een naked voor. Bovendien is er nog een klein ruitje beschikbaar die een klein beetje scheelt. Gaat het wat vlotter, dan heb je nog voldoende bewegingsruimte om te verzitten en bovendien krijg je als je een klein beetje naar achter schuift steun van het duozitje of afdekkapje. De wegen waar we op rijden zijn allemaal schoon, voorzien van nieuw en onbeschadigd asfalt en kronkelen zich uitsluitend in mooie, vloeiende doordraaiers. Daardoor is het makkelijk stevig aanpoten met de Triumph, die daarbij geen steek laat vallen. Wat spelen met de mappings levert inderdaad wel een merkbaar verschil op, maar niet ingrijpend. Logisch ook, want wat je ook kiest, je hebt altijd de volle 140 pk tot je beschikking. Het regent niet, dus ook ABS en tractiecontrole hoeven niet veel te doen.

Toch is het leuk te weten die systemen met je meewaken, op een januarimorgen als deze is het ook in Spanje nog bijzonder koud. En ondanks de standaard gemonteerde Pirelli Supercorsa’s, hebben we niet meteen optimale grip. Wat je wel merkt is de gasrespons, die van heel soft en soepel in Rainmodus wisselt naar scherp en fris in de sportievere standjes. En dan moet het echte werk nog komen als we ’s middags een paar rondjes op het circuit doen. Ook daar heeft de Speed Triple overigens geen enkel probleem mee en hoewel we hier te maken hebben met een echte straatmotor, is het toch wel zo fijn om het echte potentieel op een veilige manier te kunnen aanvoelen. En dat potentieel ligt bijzonder hoog. Wat je ook doet, de Speed Triple krijg je zomaar niet gek. Zelfs als je echt je best doet geeft het rijwielgedeelte geen krimp en rijdt de motor gewoon daarheen waar je ‘m hebben wilt. En voor zo’n ‘dikke’ motor is-ie behoorlijk lichtvoetig ook. Zeker met remmen en insturen is de Speed Triple een toonbeeld van rust en laat zich gewillig meeslepen. En als we het over die remmen hebben, dat zijn weliswaar dezelfde als een Ducati Panigale, maar speciaal voor Triumph heeft Brembo ze een heel klein beetje aangepast zodat ze een stuk minder bijterig reageren. Dat is nou precies die balans waar we het eerder over hadden.

Alleskunner

Met die ideale mix zit het wel goed. Om een motor zó te bouwen dat je daar zonder wijziging prima mee uit de voeten kunt op de weg en op het circuit. Dat is knap, dan heb je inderdaad de balans erg goed voor elkaar. En met de knopjes spelen is dan niet eens noodzaak, maar vooral inrichten naar eigen smaak en comfort. Daarmee keert Triumph weer terug op de gedachte waar het ze met de Speed Triple zoveel jaar geleden om ging: een motorfiets die genoeg kick geeft voor op de weg, gecombineerd met voldoende comfort om het lang uit te houden en scherpte om desgewenst er nog een schepje bovenop te kunnen doen. Neem een leuke route, rij toevallig naar een circuit, doe daar een paar rondjes en rij weer even makkelijk terug naar huis, het klinkt als een goed bestede dag.

Vincent over de Triumph Speed Triple

Natuurlijk is de Speed Triple een evergreen. De motor was, is en blijft een icoon binnen de Triumph familie. Daarom zal het moeilijk geweest zijn ‘m wel up to date te brengen, maar toch die onverzettelijke Speed Triple uitstraling te laten behouden. En dan bedoel ik niet alleen een simpel elektronica foefje, het ding is gerestyled en dat vergt lef. Toch is het ze best goed gelukt: hier staat onmiskenbaar een Speed Triple, maar wel eentje die er weer een paar jaar tegenaan kan en niet hopeloos achter de feiten aan hobbelt. Petje af.

Promotor Primavera 2016: Bijzondere verrichtingen

0

De Primavera, onze grote voorjaarsrit, is gemaakt om stramme motorspieren met veel bochten weer lekker los te krijgen. Deze keer leggen we de lat nog iets hoger door er bijzondere verrichtingen aan toe te voegen.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/primavera-2016.gpx”]

Eerlijk zeggen: wanneer heb je voor het laatst een achtje gedraaid? Of een slalom gereden? Vermoedelijk tijdens je rijexamen. En dat is jammer. Want hoe simpel ook, het zijn nou net van die oefeningetjes die je versneld weer vertrouwd maken met je motor. En dat kun je goed gebruiken, vooral na een lange winter.

Onze eigen Jan Kremers, die we kennen van onze reisbegeleiding en bergtrainingen, is instructeur bij Drive Academy (voortgezette rijopleidingen van de ANWB). In die hoedenigheid ziet hij een flink verschil tussen de voorjaars- en de najaarscursisten. ‘De meeste motorrijders rijden per jaar vier tot zes maanden niet. Als ze weer beginnen, zitten ze vaak stijfjes op de motor. Rechtop door de bocht. Een slalomrijden gaat ze niet goed af. Het gaat allemaal nog niet vanzelf, ze zijn nog teveel met de motor zelf bezig. En ze zijn teveel automobilist geworden in de winter. Dat gaat ten koste van het belangrijkste van motorrijden: goed kijken. Om je heen en ver vooruit. Juist op van die eerste mooie weken gaat het daarom wel eens goed mis.’

Regionale politiekorpsen en ook wij waarschuwen al jaren voor die eerste weken. En daarom vonden we het een goed idee juist de eerste dagtocht van het jaar een beetje educatief verantwoord te gaan doen. Vorig jaar liep de route over een paar oude stratencircuits. Dit jaar hebben we Jan Kremers gevraagd zijn pylonen mee te nemen om je een paar bijzondere verrichtingen te laten doen. Daarnaast is de route ook nog lekker bochtig en goed op lengte.

Home of de keuterboertjes

We doen het allemaal op zaterdag 16 april in Overijssel en een beetje in Drenthe. Home of de keuterboertjes. Dat betekent geen akkers tot aan de horizon, maar kleinere stukje weiland, bos, schattige boerderijen met tamelijk veel bochtige weggetjes ertussen. Een paar rivieren zorgen voor wat extra asfaltkronkels.

We starten in Wijthmen. Daar heeft nog niemand van gehoord die verder dan 20 km verderop woont. Maar als je uit de buurt komt, ken je als motorrijder vast wel restaurant De Mol, met zijn grote oefenparkeerplaats. Eerst word je binnen verwelkomd met koffie, gebak en een voor de gelegenheid ontworpen T-shirt. Daarna leveren we je uit aan onze motorbeul Jan Kremers en zijn pylonen.

We schatten in dat hij gemeen half cirkeltje opstelt, waarin je een draai moet maken. Daarna mag je aan de slalom beginnen. Gaat het met vlag en wimpel, dan krijg je een stempeltje van bekwaamheid. Gaat het met hakken over de sloot, dan geeft Jan ongetwijfeld aanwijzingen voor verbetering. Kegel je alle pylonen omver, dan krijg je ervan langs van onze rijlesnazi. Hoewel, nee, daar is ie veel te aardig voor. Geen enkele reden dus voor zweet in de bilnaad. Het wordt geen strafexpeditie, maar een gemoedelijk onderonsje waar je hopelijk nog wat aan hebt ook. En als je niet wilt meedoen, dan sla je gewoon over. Geen probleem, maar wel even briefje van je moeder meenemen met een geldige reden.

De route

Na de speciale verrichtingen duiken we meteen de weilanden in. Leuke gehuchten, boerderijen en zo af en toe een kasteeltje. Al vrij snel zul je merken dat we de lat nog iets hoger hebben gelegd: op ruim 60 m. Zo hoog is namelijk de Lemelerberg, met op de top uitzicht op een woest heidelandschap van enkele vierkante meters.

We daveren door naar de Sallandse Heuvelrug, slingeren een stuk langs de Overijsselse Vecht, gaan dwars door Beerze – dat met zijn prachtige hallenhuisboerderijen een openluchtmuseum lijkt – en komen gaandeweg in Drenthe terecht. Op een plateautje bij Wijster heeft Jan Kremers inmiddels zijn verduivelde pylonen weer opgesteld. Deze keer wordt het een achtje of een ingewikkelde slalom – we laten het afhangen van zijn stemming. Niet al te ver van het plateau zorgen we voor een restaurant waar je wat kunt eten.

Toeristische lekkernijen

We vervolgen de rit met toeristische lekkernijen als Nationaal Park Dwingelderveld, weggetjes langs de meanderende Reest en het gebied rond Giethoorn inclusief de Beulakerwijde. Allemaal zo nostalgisch als een oud jongensboek en met weggetjes van de goede soort. We ronden af met de oude zeedijk naar Kampen om daarna een op een oude bekende te duiken: de Zalkerdijk met zijn mooie bochten.

Vlakbij Zwolle komen we bij het eindpunt – niet ver van het startpunt – waar een buffet op ons wacht. Als het een beetje meezit met de ruimte, stelt Jan Kremers hier nog een laatste oefening op. We hebben dan zo’n 250 kilometer verslonden. Dat moet genoeg zijn om soepeltjes op weg naar de zomer te gaan.

België: Provence op z’n Belgisch

0

In Belgisch – Lotharingen, het zuidelijkste teentje van de Provincie Luxemburg, is alles anders: de natuur, de mensen, de huizen, het klimaat en de gastronomie, die eigenzinnig op het zuiden is afgestemd. Als er één streek de vergelijking met de Provence kan doorstaan, dan is het de Gaume wel. Maar dat een flink stuk dichterbij.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/belgie-provence.gpx”]

Erwin Kennis

En zo staan we op een dag op het centrale plein van Aarlen, de hoofdstad van Belgisch Lotharingen waar we net een koffie hebben geslurpt. Aarlen behoort strikt genomen niet tot de Gaume, maar we hebben een grondige reden om de grenzen even te verleggen. In Aarlen is namelijk de geestrijke drank, Maitrank een begrip. ‘Het zoete aperitiefdrankje leent zijn typische smaak aan de lievevrouwebedstrobloemen’ vertelt Georges Lepère en hij kan het weten, want hij behoort tot de Confrèrie du Maitrank, een Aarlense vereniging die waakt over de kwaliteit van de maitrank. ‘Het lievebedstrobloemetje wordt geplukt in de Gaumse bossen net voor de bloei’ verduidelijkt Georges. ‘Het drankje ontstond in de abdij van Prum in Duitsland. De monniken vonden de witte moezelwijn te zuur en lieten er lievevrouwebedstro in trekken en daarmee zijn zij eigenlijk de uitvinders van het zoete drankje’ voegt hij er aan toe. ‘Elk jaar rond half mei, duiken Aarlenaars massaal het bos in om hun eigen Maitrank te maken en iedereen heeft wel een geheim recept dat zijn Maitrank onderscheid van alle anderen’ besluit Lepère trots.

Bier en saffraan

We verlaten Aarlen en zetten koers naar het westen. Met zijn zachte, rollende heuvelruggen, cuesta’s genaamd, lijkt de Gaume in niets op de ruwe Ardennen die met een muur van bos de koude uit het noorden tegenhoudt. De mensen van de Gaume, spreken Frans en ‘geel’ Waals dialect, de zon draait er overuren, huizen zijn veelal opgetrokken uit gele zandsteen, in de Ardennen gebruiken ze leisteen en de locale specialiteiten maken van de streek een curiositeit op Belgisch grondgebied. We rijden over golvende wegen die leiden naar vergeten dorpen. Nergens is er drukte te bespeuren, tegenliggers kunnen we op één hand tellen. In Rulles houden we halt bij bierbrouwer Gregory Verhelst. De brouwer verbouwde in 2000 een oude boerderij en bracht er een brouwershuis in onder. We treffen de man aan zijn twee open gisting ketels, eentje voor blond bier en de andere voor de bruine biervariant.

‘We brouwen een Rulles Blonde, een Rulles Brune en een Triple’ steekt de man van wal, verder voegen we nog aan onze productie drie seizoen gebonden bieren toe’ voegt hij er aan toe. Terwijl hij zwoegt met plastic tonnen gevuld met mout die uit Henegouwen komt, vertelt hij er in een adem bij dat de hop uit de VS komt, om precies te zijn uit de regio van Washington. ‘Het is die Amerikaanse hopsoort die onze bieren speciaal maken’ besluit hij met enige fierheid in zijn stem, waarna hij prompt een Rulles Blonde ontkurkt. Proost op de Gaume.

We starten de motoren en zwenken naar het uiterste zuidelijke teentje van ons land. Het wegdek wiegt op en neer, bochten met een oneindige reeks varianten dienen zich aan. We rijden door een landschap dat het midden houdt tussen weideland en dicht loofbos. Via Tintigny en Ethe, rollen we Virton binnen. Virton is de hoofdplaats van de Gaume en voelt zuidelijk aan. Neem bijvoorbeeld het voorportaal van de imposante kerk Saint-Laurent die op het centrale plein van de stad op vier gigantische okerkleurige zandstenen pijlers rust. Het lijkt alsof de pilaren ontvreemd werden uit één of andere Romeinse site. Maar niets is minder waar, ze werden gehouwen uit lokale brokken zandsteen.

Op de Place Nestor Outer, lopen we binnen in een winkel van streekproducten uit de Gaume. Pascal Cherain de eigenaar, is een Gaumais ‘pur sang’. Hij gaat er prat op om de enige saffraanteler van Wallonië te zijn. ‘Op een zonnige helling plant ik elk jaar in juli 60.000 plantjes die ik oogst in augustus’ vertelt Pascal. ‘Voor één gram pure saffraan heb ik ongeveer 180 plantjes nodig’ voegt hij eraan toe. Terwijl we wat in zijn winkeltje rond neuzen stelt hij enkele producten voor. ‘De saffraan verwerk ik in verschillende vruchtenconfituren, in pralines en zelfs in bier’ licht hij toe. Ondertussen hebben we al een praline te pakken en enkele ogenblikken later zitten we al achter een glas bier met saffraansmaak. Heerlijk, maar we moeten verder.

Vanuit Virton rijden we in één ruk naar Torgny. Nu ja, een monsterrit kun je het bezwaarlijk noemen, want het aantal kilometers dat we dienen te overbruggen haalt met moeite de dubbele cijfers. Maar het is een heerlijk golvend traject dat slechts onderbroken wordt door enkele dorpskernen, waar het lijkt alsof de tijd er stil is blijven staan. Tussen de straat en de gevels van de veelal oude boerenwoningen ligt wat men een ‘usoir’ noemt, een soort voortuin die diende om mest op te slaan. Een paar hectometers verder wacht Torgny, het meest zuidelijk gelegen dorp van België. Als we het dorpje binnen tuffen overvalt ons het Provence-gevoel. Huizen van okerkleurige zandsteen leunen schouder aan schouder in een boog rond de kerk.

Boven de deuren: een inscriptie met het bouwjaar dat veelal uit de 19de eeuw stamt. De gevels zijn netjes gerestaureerd, deuren en vensters staan in een fris streepje verf. Verder, een oude overdekte wasplaats op een halfopen pleintje en overal bloemenkorven op straat en op de balkons. Torgny behoort tot het selecte kransje ’mooiste dorpen van Wallonië’ en naar onze mening mag het gerust tot het allermooiste gekroond worden. Om het plaatsje compleet te maken, kruipt er nog een wijngaard langs een zuidhelling tot aan de rand van het bos. Het is een heerlijke plek om even te vertoeven. We besluiten om er te blijven overnachten.

Brouwende broeders en forellen

De volgende morgen zijn we vroeg uit de veren. De lage zon zet de daken en bovenste muren in vuur en vlam. We verlaten het dorp en rijden in westelijke richting naar het hart van de Gaume. Met een gezapig tempo doorkruisen we de plooien van het op en neer deinende achterland. Als je wilt, kun je in een paar uur de gehele Gaume doorknallen, maar die waanzin om alles in een strak tempo af te haspelen is aan ons niet besteed. Via Meix en Gérouville zetten we koers naar Orval. Bij de paters langs lopen en hun brouwerij verkennen, dat lijkt ons wel wat. Aan de infobalie van de abdij wordt meteen duidelijk dat een bezoekje brengen aan de brouwende broeders niet zo van zelfsprekend is. Slechts één dag per jaar zetten de paters de deuren van de brouwerij open voor het publiek en laat dat nu net vandaag niet zijn.

Slechte timing en dus moeten we genoegen nemen met een bezoekje aan de abdij. Aan de abdij is een legende verbonden van gravin Mathilde van Toscane. Zij had haar trouwring verloren in een rivier en bad tot God om hem terug te bezorgen. Als bij wonder kwam een forel boven water met in zijn bek het kostbare kleinood. Mathilde riep toen ’dit is een gouden dal’ waaruit later de naam Orval werd afgeleid. De forel met de ring vind je als embleem op de flessen trappistenbier. De abdij bestaat uit vier gebouwen, het eigenlijke klooster en de brouwerij die alleen toegankelijk zijn voor de monniken, de ruïnes van de oude kerk en de kruidentuin. We nemen een kijkje tussen de verweerde stenen, schieten een fotootje en vertrekken langs de grote poort. We trekken verder. Een prima baan die grotendeels verscholen ligt onder een dik bladerdek, loopt in een schuine streep naar het noorden. Het weggetje spartelt heen en weer op de grens tussen België en Frankrijk. In Le Chameleux, het dorp staat zelfs niet op de kaart, houden we halt. Het gehucht telt één huis, een oude afspanning waar de chef forel van eigen kweek serveert. Het eethuisje ligt pal op de grens, de overzijde van het smalle straatje is Frans grondgebied. En omdat het toch middag is, laten we een visje op ons bord glijden, doorspoelen doen we met een maitrank. Voldaan, wekken we de motoren terug tot leven.

Worsten en kruisvaardersbier

We rijden richting Florenville. Op de centrale plaats van het stadje zetten we de motor even in de schaduw van een dikke eik. We willen een bezoekje brengen aan ‘Salaisons Blaise’, zeg maar een saucissen groothandel die de typische gedroogde en gekruide worsten en gerookte hammen uit de Gaume produceert. In het bedrijf krijgen we onmiddellijk een plastiek schort en idem dito hoofddeksel aangemeten. Hygiëne boven alles. We volgen onze gastvrouw door een wirwar van gangen die uitgeven in droogkamers. Een heerlijke geur komt ons vanuit een open ruimte tegemoet. Overal hangen gerookte worsten aan de rekken, sommige zo groot als een baseball-knuppel, andere van meer bescheiden formaat. In een aanpalend vertrek staan enkele mannen worsten te draaien. Ze zijn zo bedreven in hun handeling dat het bandwerk lijkt. Een tafel verder rijgen enkele dames de worsten aan elkaar en hangen ze op in een rek. Kortom, het bedrijf is een goed geoliede vleesmachine. En dan fabriceren ze nog de paté Gaumais, een vleestaart met een deksel van krokant bladerdeeg, meteen één van de culinaire hoogtepunten van de streek. Met een gerookte worst in onze topkoffer is het uitstekend verder rijden.

Enkele kilometers verderop, komen we naast de Semois terecht. Het wegdek volgt als een schaduw het uitbundige water van de rivier. Ter hoogte van Chassepierre ontwart de rivier even uit haar eigen kronkels en legt zich breed door groen weideland. We houden even halt en lopen door het gras naar de waterrand. Langs de oever staan enkele picknick tafels, de salami gaat eraan. Voor het beeld: de versterkte kerk van Chassepierre prijkt op een rots boven de Semois, terwijl het langsstromende water wordt opgesmukt door een bruidsluier van witte bloemen die over de rivier drijven. Het is een heerlijke plek voor een praatje, of gewoon om te luisteren naar het monotone gemurmel van de Semois. Nu ja, tegen de rotsen welteverstaan.

We starten de motoren en rijden verder langs smalle, kronkelende wegen die leiden naar piepkleine gehuchten die veelal langgerekt naast de Semois liggen. Een dozijn kilometer stroomafwaarts komen we in Herbeumont terecht. We lopen even langs de ruïne van het kasteel, maar verder blijven we er niet te lang hangen. Net buiten de dorpskom, nestelt het asfalt zich opnieuw naast de rivieroever. We spartelen heen en weer langs een haast eindeloos bochtenpatroon. De Semois meandert er op los. De bochten doen er niet voor onder. Ze volgen elkaar in sneltempo op en het leuke is dat ze allemaal verschillend zijn. En zo komen we behoorlijk dol gedraaid in Bouillon terecht. Ook al zijn we er al een half dozijn keer geweest, Bouillon blijft bekoren. Het kasteel van Godfried blijft tot de verbeelding spreken. Een lokale brouwer heeft zelfs een bier gebrouwen dat de naam van de kruisvaarder draagt. Doe voor ons maar een amberkleurige ‘Godefroy’, op een terrasje met zicht op de slenterende toeristen die uiteindelijk allemaal voor de kasteelpoort verzamelen.

We schuiven op naar het westen voor de laatste kilometers van onze smaakroute. Over piekfijn asfalt dat zijn weg zoekt door een dicht loofbos rijden we zo de stilte in. Alleen het gebrom van onze motoren zorgt voor wat decibels. Ter hoogte van Poupehan, houdt de Semois ons opnieuw gezelschap. Langs de oevers van de rivier staan her en der oude, houten tabaksschuren als stille getuigen van wat honderd jaar geleden een bloeiende tabakshandel was. Maar de teelt is al lang niet meer rendabel mee. De drogende tabaksplanten zijn vervangen door drogende was. Uiteindelijk komen we in Rochehaut terecht. Eigenlijk zijn we ons boekje te buiten gegaan, want Rochehaut behoort strikt genomen niet meer tot de Gaume. Maar we hebben hiervoor een grondige reden. Het panorama op het dorpje Frahan, dat bijna gewurgd word door de kronkelende Semois, behoort tot de mooiste uitzichten die ons land te bieden heeft. En zo eindigt een motorritje voor één keer niet op een terrasje.

Praktische informatie

Waar slapen?

Bijvoorbeeld in Hotel L’Empreinte du Temps in Torgny, Rue de l’Escofiette 12 – 6767 Torgny, www.lempreintedutemps.be, Tel: 063/608180

In Rochehaut: Auberge de la Ferme, Rue de la Cense, 6830 Rochehaut, www.aubergedelaferme.be, Tel: 061/461000

Specialiteiten

Saffraan: Safran Gaumais, Place Nestor Outer 2, 6760 Virton

Maitrank: Arel Maitrank, Rue Menil 88, 6800 Freux

Forel: Le Chameleux, Chameleux 5, 6820 Florenville

Saucisson: Salaisons Blaise, Place Albert, 6820 Florenville

Bier: Brouwerij Rulles, Rue Maurice Grévisse 36, 6724 Rulles

Duitsland: Terug naar de DDR

0

Een van de vreemdste landen ter wereld lag amper vijfentwintig jaar geleden op een halve dag rijden van de Nederlandse grens. Jan Dirk Onrust rijdt van het zuiden naar het noorden van Oost-Duitsland om te zien en te horen wat de DDR ook alweer was.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/ddr.gpx”]

Tekst en foto’s Jan Dirk Onrust

Het gezicht van de DDR was voor mij een zwemster uit het begin van de jaren tachtig. Eigenlijk had ze nauwelijks een gezicht. Het was een badmuts met een donkere zwembril en brede kaken bovenop een stierennek. Een zwemmachine die de ene gouden medaille na het andere wereldrecord haalde. Haar naam was Ute Geweniger, maar dat klonk meer als een typeaanduiding . Blij leek ze nauwelijks als ze won en praten deed ze niet. Dat deden DDR-sporters toch al niet. En als er per ongeluk wel iets uitkwam, dan viel het op dat de dames een octaaf lager spraken dan Lee Towers.
Verder kwam er weinig over de DDR naar buiten. De burgers mochten er niet uit. En het kostte veel moeite om erin te komen. Daar had je sowieso weinig zin in, want de socialistische heilstaat leek toch eerder een dwangarbeidersparadijs – iets met eindeloze flats, stomme producten en fabrieken, waarin ongetwijfeld Ute Gewenigers aan de lopende band stonden.

Gele Ellende

Met dat idee rijd ik naar het zuidelijke Bautzen, het beginpunt van mijn rit door ex-DDR. Het oude vestingstadje ligt bovenop een heuvel aan de Spree. Door zijn vele kerken en gerestaureerde monumentale centrum, begint het een toeristische trekpleister te worden. Maar vroeger was dit zo’n plaats waar je niet terecht wilde komen. Aan de rand van het centrum staat de beruchte Gele Ellende (Gelbes Elend), een gevangenis van gele baksteen. In de Sovjettijd (1945-50) kwamen hier duizenden politieke gevangen om. In de DDR-era plaatste de Stasi hier politieke dwarsliggers.

‘Je hoefde niet eens een politieke tegenstander te zijn om hier te komen,’ zegt Wolfgang, een bejaarde dichter die me rondleidt door Bautzen. ‘Als ze dachten dat je het land wilde ontvluchten, vonden ze je al staatsgevaarlijk. Maar als je braaf was, had je een voorspelbaar en goed leven. Voor de meesten was het een gelukkig en gezellig land.’

Diplomatie in trainingspak

Maar waarom moest er dan een muur omheen?
‘Dat was een enorme fout. Mensen wisten wel dat het Westen sneller vooruit ging. Niet dat de industrie draaide hier slecht draaide, maar het was moeilijk om de producten te verkopen. Aan de Sovjet-Unie had je niets, dat was een kille relatie. En in het Westen waren er veel handelsbeperkingen voor ons. Eigenlijk was de DDR een heel eenzaam land. Vandaar de nadruk op de sportprestaties. Dat was een manier om ons aan de buitenwereld te laten zien. Diplomatie in trainingspak.’
De vrouwen met de zware stemmen…
‘Een trainer zei eens tegen een journalist: ‘We komen hier om te winnen, niet om te zingen.’
We lopen de smalle straatjes met kleurige huizen en beklimmen een torentje. ‘Was Bautzen in de DDR-tijd ook zo mooi?’ vraag ik.
‘Het was sterk verwaarloosd en had nauwelijks kleur,’ zegt Wolfgang. ‘Nieuwbouw was goedkoper dan restauratie. Kijk, daar waar je nu dat winkelcentrum ziet, daar stond twintig jaar geleden een hoge nieuwe flat. Geen gezicht. Ze hebben het na de Wende zo snel mogelijk neergehaald. Dat is vaak gebeurd, de afgelopen 25 jaar. De DDR is enorm veranderd.’

Stalinstadt

Er is een gemeente waar de beruchte Plattenbau nog bijna helemaal overeind is gebleven: Eissenhüttenstadt (Hoogovenstad) heet de stad nu. Maar de oorspronkelijke naam van de stad verklaart meer: Stalinstadt.

Onderweg naar Stalinstadt passeer ik twee andere DDR-landmarks: de energiecentrales van Boxberg en Schwarze Pumpe. Toen de Muur viel, keerden de socialisten hun rode jasje om en kwam er ineens iets groens tevoorschijn. Maar in de DDR-tijd wisten ze dat uitstekend te verbergen. Schwarze Pumpe en vooral Boxborg – toen de grootste bruinkoolcentrale van Europa – legden jarenlang dikke groezelige deken over een flink deel van de DDR. Inmiddels zijn de centrales door het Zweedse Vattenfall overgenomen en komt er deodorant uit de schoorstenen. Maar gebleven zijn de angstaanjagende afmetingen van de centrales.

Flatgebouwen

De verwoestende invloed die ze op de omgeving hadden, is inmiddels grotendeels teniet gedaan door de aanleg van bos, heuvels en recreatiemeertjes. Net als overal in de ex-DDR maakt het platteland hier nu een frisse, aangename indruk. Helemaal prachtig wordt het als het gaat heuvelen en de bochtige weggetjes komen. Maar dan komt toch het moment dat Eissenhüttenstadt opduikt, vlakbij de Poolse grens. Zeker tien kilometer van tevoren zie ik al de hoogovencontouren boven het bos uitsteken. De ramptoerist in me gaat alvast rechtop de motor zitten. Ga ik de DDR in volle naargeestigheid toch nog zien? Een beetje wel. Maar het overgrote deel van de voormalige modelstad valt me mee. Het bestaat inderdaad uit flatgebouwen, maar veel daarvan zijn eigenlijk best mooi. De ergste zijn – en worden nog steeds – met bulldozers omver gehaald. De rest lijkt gerenoveerd. Iets minder florissant staan de fabrieken er bij: een aantal lijkt in staat van ontbinding te verkeren.

Slijmen bij de Sovjets

‘De eerste socialistische stad op Duitse bodem’ waar die nieuwe mens gestalte moest krijgen, stamt uit 1953. Om de toen net gestorven socialistische voorganger Stalin te eren, werd de stad naar hem genoemd. Typisch gevalletje van slijmen bij de Sovjets, maar net op het moment dat die begonnen met het ontmantelen van Stalin. Wolfgang noemde dit als voorbeeld van de moeizame verhouding tussen de Russen en de Oost-Duitsers. ‘De DDR wilde het braafste socialistische jongetje van de klas zijn, maar de Russen ging het vooral om de macht. Bij ons had de partij veel langer een ideologisch karakter. Maar ja, toch hadden ze al vrij snel een muur en een geheime dienst nodig.’

Diversanten

Bij de ingang van het Stasimuseum in de Normannenstraße in Berlijn staat een schattig bestelwagentje met grote ronde ogen. Een hipster zou er direct een heel cool campertje in zien. In werkelijkheid was het een soort martelwerktuig. Verdachten – ‘Diversanten, Saboteuren und anderen Feinden’ – werden met dit geblindeerde busje opgehaald en urenlang rondgereden om daarna in een cellenblok te worden verhoord. Het lange rondrijden was bedoeld om de verdachte het gevoel te geven dat hij/zij heel erg ver weg werd gestopt. De Stasi was niet direct een club die mensen fysiek martelde of liet verdwijnen, het ging vooral om psychologische intimidatie. En om een zeer diepe infiltratie in de levens van de 17 miljoen inwoners. Het ging zover dat de Stasi zelf punkbands oprichtte om maar in de buurt van mogelijke ‘diversanten’ te komen.

Dagelijks leven

Iets van het dagelijkse leven in de DDR vind ik terug in Ostel, een hotel in een Oost-Berlijnse portiekflat, geheel ingericht in DDR-stijl met alleen maar meubels uit die tijd. Bruin behang met bloemmotief, oranje gordijnen, een bank met skai, spaanplaten kastjes en een stomme schemerlamp. Eigenlijk gewoon het interieur dat wij in de jaren zeventig thuis hadden. Op het portret van partijvoorzitter Honecker na dan. We hadden op het nachtkastje ook geen Zivilgesetzbuch, de socialistische plaatsvervanger van de Bijbel, die uitlegt hoe de nieuwe mens zijn hinderlijke ego dient te offeren ten bate van de maatschappij. Ik begin het boek te lezen en vind het vreselijk saai. Ik kan wel wat leuker bedenken om te doen, maar aangezien mijn flat vast is volgestopt met afluisterapparatuur, houd ik me gedeisd.

DDR-motoren

Een paar kilometer verder, in de Spandauer Straße, vind ik de smaak van de DDR in Ostpakket, een soort supermarkt met DDR-producten. Exota-achtige frisdrankjes, toastjes, schoonmaakmiddelen, superlekkere kokospudding. Voor het echte DDR-gevoel zou je er eigenlijk drie uur voor in de rij moeten staan, vervolgens lege schappen moeten aantreffen en daarna afgeblaft worden door de verkoopster. Maart ach, ik ben allang blij dat hun Exota de DDR heeft overleefd, terwijl dat bij ons werd omgelegd door socialist Marcel van Dam. Ik koop een T-shirt waarop Held der Arbeit staat en ga naar het 1. Berlner DDR Motorradmuseum.

Maar liefst 140 verschillende motoren van onder meer MZ, EMW, IFA en Simson staan hier te glimmen. Nou ja, motoren, het grootste deel is brommerachtig, maar wat moest je ook met een echte motor als je toch niet mocht de grens over mocht? En toeren over de hobbelwegen moet ook niet echt een lolletje zijn geweest.

Het platteland

Over mooi asfalt rijd ik door naar de Oder en daarlangs omhoog naar het Oostzee-eiland Usedom. Op wat lichte uitzonderingen na is het landschap hier veel vlakker dan in het zuidelijke Sachsen. Maar het platteland voelt, net als elders in Oost-Duitsland, vriendelijk en prettig ouderwets aan. Koeien liggen in de schaduw van een boom te luieren, ooievaars landen op een wagenwiel, ik maak een praatje met een paar fietsers en niemand lijkt haast te hebben.

Noord-Korea

De dag kabbelt aangenaam voorbij en rond een uur of twee zie ik de zee bij Zinnowitz. Dit was een van die populairste badplaatsen waar je in de DDR-tijd naartoe kon met collega’s van de Staalarbeidersbond. Feriendienst SDAG stopte je dan groepsgewijs in het monsterlijk grote Rode Oktoberhotel, een vreemd stukje Noord-Korea dat er nog steeds staat en nu het Baltic Hotel heet.

Maar geen DDR-vakantie of je stuitte wel op een streng verboden Sperrgebiet. In het geval van Usedom was dat Peenemünde, tien kilometer ten westen van Zinnowitz. In de Tweede Wereldoorlog testte Werner von Braun hier in het diepste geheim zijn raketten, daarna deden de Sovjets in Peenemünde tot aan de val van de muur geheimzinnig. Tegenwoordig kun je er gewoon komen en is de energiecentrale van Von Braun omgebouwd tot een museum. Echt heel boeiend, maar laten we vriendelijker eindigen.

Het goede doel

Ik rijd door naar Stralsund, een Hanzestadje dat de toegangspoort tot Rügen vormt. Net als Bautzen is Stralsund nauwelijks bekend bij ons en als je het ziet, vraag je je meteen af hoe dat toch mogelijk is. Oh ja, DDR natuurlijk: het heeft veertig jaar onopgemerkt in het vriesvak gelegen. Maar wat een prachtig, sfeervol stadje weer. Een en al monument. Van baksteengotische kerken tot Amsterdamse grachtengevels, maar dan een stuk kleuriger en met zeemeeuwen. En dan ligt er ook nog eens een mooie oude driemaster in de haven…
Op een haventerras raak ik in gesprek met twee collectantes voor het goede doel. Het zijn misschien niet de slimste dames die ik ooit tegenkwam, maar ze zijn open en vriendelijk. En ze hebben leuke tatoeages en vrij veel dorst. Het gaat vast wel lukken om het hoofd van Ute Geweniger uit mijn gedachten te krijgen.

Italië: Ligurië op z’n mooist

0

Rond het duizend jaar oude vorstendom Seborga vind je nog stiekeme witte plekken op de kaart. Die vragen erom om ontdekt te worden. Geen straf, via de adembenemende bergwegen en passen in het achterland van de Italiaanse bloemenkust.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/italie-ligurie.gpx”]

Tekst en foto’s Klaus H. Daams

‘Nee maar, er zit nog echt iemand in,’ denk ik bij het tolhokje, wanneer we bij Arma di Taggia de autostrada eindelijk verlaten en de forse tolheffing van 23,90 euro voor de laatste etappe voldoen. Nee, niet gewoon door een creditcard in een van de alom aanwezige automaten te schuiven, maar heel ouderwets: we overhándigen de pecunia. Een volgende gelegenheid om de bevolking van nabij te leren kennen zou het nabijgelegen zandstrand kunnen bieden, maar dat komt later nog wel. In plaats daarvan dompelen we ons onder in wat motorrijders aan Bella Italia altijd zo leuk vinden: het gekrioel en gewriemel van Vespa’s en Piaggio’s, die vanwege de smalle wegen al bij voorbaat met ingeklapte spiegels rijden, de vanaf zee hoog de bergen in slingerende weg (hier is het de 548 waar we al enorm veel zin van krijgen) en tenslotte aan het eind van een lange reis een uitstekende pizzeria aan een dorpsplein. Lekker zeg.

Zo’n plaats is bijvoorbeeld La Stua aan de Piazza Marconi in Badalucco. Met als omlijsting twee heroïsche gedenktekens vieren 37 kinderen samen met hun ouders en leraren de eerste dag van hun drie maanden durende zomervakantie – zie ze met z’n allen zitten aan de lange tafels. Ook al is het vak Engels even met verlof, Julio en Franco hebben inmiddels genoeg kennis opgedaan voor een beetje smalltalk met die rare snoeshaan van een biker. Die hoort eerst een brutaal ‘Fuck Bayern’ en krijgt ten afscheid nog een grappig ‘Ciao Santa Klaus’ mee. Ach, mijn favoriete voetbalclub kan wel een Italiaans plaagstootje hebben…

Warmlopen

Wij rijden vanuit ons ‘trainingskamp’ Badalucco voor ons eerste oefenritje door het achterland van de bloemenkust. De smalle en bochtige wegen zijn, anders dan de Via del Sale, niet bedekt met steenslag, maar geasfalteerd, hoewel er af en toe kuilen in zitten waaruit het groen omhoog schiet. Al even volhardend als deze sprieten is de firma Honda, want vanaf 2013 importeert ze de CB 1100 officieel in Europa. En de handzame neoklassieker doet zijn ding even mooi als goed. Hij dribbelt lichtvoetig over het smalle speelveld zoals Kagawa en Okudera in hun beste tijden; écht offroad-rijden zou vooral de verchroomde bochtstukken van de vier-in-lijn natuurlijk niet goed bekomen.

Warmlopen bij een aangename 22 graden op de 548 naar Molini di Triora en jezelf daar de vraag stellen naar wie de bal gaat: rechts naar Passo Teglia of steil omhoog, linea recta af op het hoog boven de Argentina-vallei gelegen, schilderachtige maar tegelijk morbide heksendorp Triora? Wat het eerst komt, het eerst maalt: onze wedstrijd duurt langer dan negentig minuten! Waar ooit talloze vrouwen en meisjes door de inquisitie het leven lieten, verkopen ze tegenwoordig – in eendrachtige samenwerking met lieftallige elfen – heksen met wrattige neuzen, net als in de Harz, of kun je heksencongressen bezoeken. En over tien dagen begint, als een soort ode aan de levensvreugde, het Triora Fantasy Mistery Fest. Maar zo lang willen we niet wachten en dus slingeren we terug naar Molini di Triora, bij culinaire durfals bekend om zijn slakkenfeest, en bestormen de Passo Teglia.

Het onopvallende bergweggetje, dat pas voor de Giro d’Italia 2001 werd geasfalteerd, oogt dan wel niet zo imposant als de aanbeden sterren van de Dolomieten-divisie, maar wat doet het ertoe als je – zonder gekheid – een panorama tot aan de Franse Zee-Alpen, het uitzicht op tapijten van gele brem, de diepe ravijnen en steile, gekartelde rotsen pal onder je slechts hoeft te delen met de alweer wijsneuzige grassprieten. Eén minpuntje misschien: het slechte bereik. Want stel nou dat je schatje thuis je om de een of andere futiliteit opeens hoognodig moet spreken? Niks aan de hand, het is bepaald geen straf dat ritje weer naar beneden te maken.

Strijdplan

Na de pashoogte een T-splitsing zonder borden: links bosrijk bergafwaarts tot Rezzo, vitaminebommetjes van een overvloedige kersenboom langs de weg en ten slotte in Pieve di Teco eerst een snufje sacrale cultuur in de vorm van de classicistische koepel van de San Giovanni Battista, en dan een profane koffiepauze op de Piazza Cavour. Wanneer een net als wij niet meer zo piepjonge meneer zijn 350 cc Beta Sport Enduro aantrapt, is dat voor ons het teken om weer op te stappen. Zelfs de onroad-junkies die wij zijn krijgen op weg naar de Colle San Bartolomeo, inclusief een uitstapje naar Cartari en het rustieke Siglioli, af en toe takken tegen de helm gezwiept – wat vermoedelijk niets is vergeleken met de florale contacten van de Beta-coureur die we ergens ver beneden ons in de plantenwereld horen ploegen.

Al weer een tijdje uitgejakkerd is het vehikel dat vlak voor Montalto Ligure zijn laatste rustplaats heeft gevonden: een ondefinieerbaar karkas dat van al zijn organen is beroofd en de voor de rest vermoedelijk eveneens nutteloos geworden ruïne van een garage nog de air geeft van een pittoresk autoparadijs. Dan heeft Ristorante Il Ponte in Badalucco wel wat meer uitstraling. Hier krijg je als afsluiting van je dag prima tagliatelle met flinke garnalen voor een schappelijke acht euro vijftig. Ach, dan vergeet je even de benzine en tol voor de lange rit er naartoe.

Om te voorkomen dat je tochtjes door het Ligurische bergland er later uitzien als het computermodel van de afgelegde meters op het voetbalveld, een onontwarbaar woud van patronen dus, kan een zorgvuldig uitgedokterd strijdplan alleen maar nuttig zijn. Nog helemaal niet zo simpel met alle opties die je hebt. De tweede dag begint echter optimaal. We verlaten Badalucco in zuidelijke richting en klimmen rechts naar Vignai. Weldra glijdt de rode CB als een bloedlichaampje door de groen vertakte longen van het dichte bos. Korte stop bij de aftakking naar de Monte Ceppo – we kunnen de verleiding weerstaan! – en niet veel later een langere, gedwongen pauze. Een bosbrand misschien? De brandblusser staat in elk geval paraat naast de dikke Audi van Mister Belangrijk, die de doortocht naar Bajardo blokkeert. ‘Due motos’ horen we hem zeggen in zijn mobilofoon, waarna er vijftien minuten lang niets gebeurt. Tot een aanzwellend en onheilspellend gebrul de stilte verbreekt en plotseling een hete Skoda Fabia Super 2000 in een powerslide de bocht om giert. Een slinger aan het stuur en weg is ie. Training voor de rally van San Remo van volgend jaar? Het verklaart in elk geval de waanzinnige rem- en driftsporen op de wegen rondom de Passo Ghimbegna.

Palmen

Even afkoelen in Bajardo, onder de luifels van de Osteria Ra Culeta. Zo kleurloos sommige gevels hier zijn, zo kakelbont zijn de blouses van de gezellig keuvelende en koffie drinkende dames en de shirts van de wielrenners die voor een siësta aan komen peddelen. Maar eens kijken of onze bleke huid niet ook een kleurtje kan krijgen met een zachte zweem van zonnebrand. Omhoog en omlaag dan maar naar San Remo aan Zee, via Ceriana of langs de Monte Bignone. Op de kaart zien de beide trajecten er appetijtelijk krullerig uit. We kiezen ‘de witte route’ via Ceriana.

San Remo, gevierde ster van de Riviera dei Fiori, de bloemenkust. Kassen zo groot als voetbalvelden en palmen zo hoog dat ze de wolken uit de lucht zouden kunnen vegen, wat bij drieduizend zonne-uren per jaar maar zelden nodig is. Hier de fraai gestuukte gebouwen uit de belle époque, daar de scooterjeugd in korte broeken en wapperende rokjes. En wat doe je als noch een zwembroek voor het strand, noch een stropdas en colbertje voor het casino van San Remo bij je hebt en met je tankrugzak omgegord uit wandelen gaat? Een bezoekje aan de Gelateria Smeraldo! Heerlijk huisgemaakt ijs, vanaf het balkon van het onder Mussolini gebouwde koele betonblok een blik op zandstrand en zwembaai. En van Roberto Salese, 32 jaar lang verzekeringsagent in Duitsland, die de overstap heeft gemaakt naar pachter van een ijssalon, de vraag of we misschien iemand kennen die zijn zo goed als nieuwe Ducati ST4 voor 3500 euro (vraagprijs) wil kopen.

Seborga

Een enkele niet-Italiaan zegt het misschien iets: het vorstendom Seborga. Het na de afrit Bordighera via een doodlopende weg te bereiken nest in de bergen heeft maar drie keer zoveel inwoners als een ST4 paardenkrachten, werd in 954 voor het eerst als ‘Castrum Sepulcri’ geboekstaafd en kreeg in 1079 de status vorstendom van het Heilige Roomse Rijk; in 1729 werd het dorp aan de Savooiaarden verkocht, in 1861 werd het deel van het nieuw gestichte koninkrijk Italië en in 1946 van de huidige Italiaanse republiek. In de officiële documenten zou Seborga echter altijd over het hoofd gezien en nooit expliciet genoemd zijn – en het zou dus ook geen deel gaan uitmaken van het moderne Italië, maar een zelfstandig vorstendom zijn gebleven. Dat althans was met een knipoog de lezing van bloemenkweker Giorgio Carbone, die in de jaren zestig de geschiedenis van zijn dorp als een pietje-precies had uitgezocht en later tot vorst Giorgio de Eerste werd gekozen. Sinds het overlijden van de nijvere regent, die voor een eigen munt en volkslied, eigen paspoorten en postzegels zorgde – wat de rest van Italië met een milde glimlach bezag –, zwaait diens opvolger Marcello Menegatto de scepter. Hij heeft plannen voor een golfbaan en een luxe hotel. Tja, niet elke dwerg heet nou eenmaal Monaco, is een belastingparadijs en heeft de ruimte voor een GP-circuit. Dan moet je de reclametrom op een andere manier roeren.

Wie zijn steven naar het in 1993 (weer) tot vorstendom uitgeroepen Seborga wendt, heeft geen last van files. Aan de ‘staatsgrens’ een verweesd douanehokje – of het voor de gedeserteerde wachtpost te heet was of dat hij te weinig salaris kreeg, kan niemand ons vertellen. Meer informatie biedt al meteen de eerste souvenirwinkel in het dorp, annex kantoor van de bevlogen minister van Cultuur Serra Maria Carmela, die geduldig probeert ons de betekenis van de blauw-witte strepen op de vlag van Seborga uit te leggen. Zouden de steegjes rond de parochiekerk en het palazzo hun verhalen óók nog eens vertellen, dan zouden we er nu nog ronddwalen. En konden we onze rit terug naar Badalucco wel vergeten, waar dankzij een energieke eindspurt via Dolceaqua en Colle di Langan – het groen-geel-witte gekronkel op de kaart mag voor zichzelf spreken – ruimschoots tijd overschiet voor een ritje tussen het verlichte godshuis Santa Maria Assunta e San Giorgio en de sfeervolle bar La Banca del Vino. Afstijgen, en pas morgen weer opstappen.

Nattigheid

‘Motorrijders komen echter nu pas op toeren, want het volgende traject voert al snel als ongeplaveide strada bianca naar de top van de Monte Saccarello, de hoogste berg van Ligurië.’ Wie laat op de avond vlijtig de reisgids bestudeert, weet waar het de volgende dag naartoe gaat: richting Monesi di Mendatica. Een extra blik op de weer-app was echter geen overbodige luxe geweest. Na een eet- en drinkpauze bij Ponti di Pornassio in de genoeglijke La Locanda dello Scoiattolo (ernaast staat ook nog de biker-uitspanning La Genzianella) zijn niet alleen de geparkeerde Enduro’s verdwenen, maar ook het blauw aan de hemel. In plaats daarvan hardnekkig grijs in combinatie met veel nattigheid, zodat onze viercilinders al snel onder de modder zitten. Bovendien siert een rood-wit verbodsbord, zo groot als een gezinspizza, de toegangsweg tot de 2200 meter hoge Saccarello, waarvandaan je trouwens ook de Via del Sale kunt bereiken. Dat biedt een kans om eindelijk eens het edele, enigszins kleverige goedje te proeven waar Ligurië zo vaak om geprezen wordt.

Rossella en Franco, onze verhuurders, exploiteren aan de rand van Badalucco de florerende firma Roi en maken uit de kleine, maar goed renderende Taggiasca-olijven niet alleen de overal in Europa onderscheiden spijsolie, maar ook diverse cosmetische producten. Na een rondleiding door de fabriek volgt een geurige degustatie en pijnigen we onze hersens welke flessen en potjes we voor het thuisfront moeten meenemen.

Dan is de keuze in de aangekondigde Osteria Cian de Bià makkelijker: die is er niet, je eet wat de pot schaft. En dat is niet weinig, mamma mia! We noteren tien gangen: 1. ham, besprenkeld met olijfolie, bestrooid met fijn geraspte harde kaas; 2. gefrituurde aubergines; 3. tartaar; 4. crème van groente met mais, ei en schijfjes wortel (onwillekeurig komt Monty Python voorbij: ‘Maar we zijn nog niet eens begonnen!’); 5. kalfsham met mosterdcrème en kappertjes plus look met tonijn (dat stond al op ons te wachten); 6. stokvis (is dat wel wat voor mij?); 7. ravioli van spinazie met parmezaan (in de ruimte naast ons klinken meer dan zeven stemmen door elkaar); 8. gnocchi (moet je ’s zien hoeveel broden er nog op het buffet staan); 9. konijn, aardappeltjes en een plak gebraden kalfsvlees in bouillon (hoofdgerecht); 10. vanillepudding, geflambeerd met een flinke scheut sterkedrank, gekarameliseerd met siroop. Als de ober vraagt of hij nog iets voor ons kan betekenen, moeten we vlak voor we uit elkaar barsten aan Goethe denken, die op zijn sterfbed zou hebben verzucht: ‘O, die heerlijke Italiaanse wijn die ik nu niet meer kan drinken…’. Een waardige afsluiter.

INFO

Een met bochtige bergweggetjes doorsneden gebied tussen de Italiaanse Rivièra en de Ligurische Alpen, tussen Remmidemmi bij San Remo en pittoreske dorpen als het vorstendom Seborga: belíssima!

HEENREIS

Wie haast heeft, moet door de tolplichtige snelwegappel heen bijten en kan vanaf München via de Brennerpas – of vanaf Freiburg bijvoorbeeld door Zwitserland en door de Gotthardtunnel – naar Milaan rijden; daarvandaan verder via Genua en Imperia richting Ventimiglia tot aan de verlossende afrit, in dit geval Arma di Taggia. Op de snelheidsmeter staat daarna ongeveer 800 c.q. 660 kilometer méér. Natuurlijk vind je juist op de route door de Alpen veel alternatieven, zodat je op de heenreis het profiel aan de zijkanten van je banden eens heerlijk over het asfalt kunt rossen.

OVERNACHTEN

In tegenstelling tot de badplaatsen aan de kust is de keuze aan accommodaties in de dorpen van het achterland tamelijk beperkt. Wij verbleven – comfortabel en op loopafstand van cafés en restaurants – in een smaakvol ingericht appartement van Agriturismo L’Adagio, Regione Ortai (te bereiken via de kleine stenen boogbrug bij de kapel), I-18010 Badalucco (IM), tel. 0039-3357226309, www.ladagio.it, mini-suite 90 euro.

Ducati XDiavel S 2016

0

De kruisraketten in Woensdrecht? Ze zouden uiteindelijk nooit gestationeerd worden vanwege een nationaal volksoproer in de jaren tachtig. Maar recentelijk staken ‘cruise missiles’ weer de kop op. Hun naam: Ducati XDiavel en XDiavel S. Genadeloos effectief, misdadig krachtig, crimineel opzichtig. Plek van lancering: het cruiserland bij uitstek, de VS.

Joost Overzee

De bekende Diavel, gepresenteerd in 2011, mochten we van Ducati nooit een cruiser noemen, getuige het credo ‘Don’t call me a cruiser’. Met de introductie van de XDiavel-modellen weten we waarom. Bij de eerste oogopslag toont de XDiavel, en zéker de S-versie, een stuk lager, langer en meer bling-bling dan zijn duivelse evenknie, hoewel de wielbasis van de X slechts 3,5 centimeter omvangrijker is. Aan de achterzijde rolt de XDiavel op dezelfde massieve 240 mm brede Pirelli Rosso Diablo II als de ‘gewone’ Diavel, aan de voorzijde worden dezelfde monobloc ankers van Brembo gehanteerd. Maar verder, prent Ducati in, bestaan er geen overeenkomsten tussen de XDiavels en Diavels. Alsof men extra wil onderstrepen dat er geen concurrentie binnen eigen huis zal ontstaan.

Low Speed?!

Zoals primaire marketingwetten voorschrijven, krijgt ook de ultracool ogende XDiavel een credo op de mouw gespeld, in dit geval ‘Low Speed Excitement’. Pardon?! Met 156 paardenkrachten aan boord die pas bij een genadeloze 9.500 toeren collectief de vrije loop krijgen? Je begrijpt dat het armada aan genodigde rijders zich handenwrijvend, grijnzend en ginnegappend staat op te warmen op de ijskoude februariochtend in San Diego’s fameuze Gaslamp District…

Toch lijkt Ducati’s ‘Opwinding op Lage Snelheid’ op voorhand ook hout te snijden. De van de Multistrada geleende Testastretta L-twin – dus voorzien van variabele kleptiming – heeft extra slag(kracht) gekregen, resulterend in 1262 cc. Daarnaast is de compressie verhoogd en zijn ook de computersettings grondig gewijzigd ter verkrijging van extra laagtoerige power. Resulaat: de bijna 130 Nm wordt afgeleverd bij een voor Ducati historisch lage 5.000 toeren. Voorts claimen de Bolognezen dat vanaf 2.100 toeren reeds +100 Nm voorhanden is, om maar te onderstrepen dat de XDiavel bij lage toeren toch krachtig te rijden valt, iets waar het de gewone Diavel wat aan ontbreekt. En het moet gezegd, een gebied van 4.500 toeren tussen het punt van het maximaal afgegeven koppel en topvermogen, verraadt direct al een immens krachtsbereik van deze desmo.

‘Notte possibul’

Het vileine verwachtingspatroon onder het journaille omtrent de Italiaanse interpretatie van ‘Low Speed Cruisen’ met 156 pk, krijgt nog een extra ‘boost’ in de wetenschap dat de XDiavel voorzien is van DPL, ofwel Ducati Power Launch. Deze speciaal aangepaste (stoplicht)sprintmodus zet je in werking met een speciale lanceerknop rechts waarmee je in drie vooraf te kiezen standen en met het gashendel tot de stuit afgeschoten wordt richting Pluto, Uranus of het Zwarte Gat, geheel naar eigen keuze. Alleen: ‘Itze notte possibul todaye wizze olle ze polize evedywherre’, gooit Ducati’s chef d’équipe roet in het veelbelovende exquise eten.

Maar ook zonder gebruikmaking van de raketlancering, wil de XDiavel van zijn plek. En hoe! Met gebruikmaking van een uiterst secure en opvallend lichte koppeling lanceer je het voorwiel van de machine moeiteloos hemelwaarts. Althans met de computersetting in de Sport- of Touring-stand waar het volle vermogen wordt losgelaten. Deze voorgeprogrammeerde settings laten zich overigens intuïtief bedienen en ook bij nacht goed vinden doordat het linker knoppenspel in een bedje van verlichting ligt. Je zou nog het drietal settings (‘Urban’ is de derde) kunnen finetunen door de tractiecontrole over 8 standen en ABS over drie standen aan te passen, maar daar zullen weinigen zich aan wagen. Het drietal standaard fabriekssettings met aangepaste TC- en ABS-interventies volstaan perfect voor de stads-, toer- en sportieve rijder.

Graag ook in Multistrada

Ook de Italiaanse voorrijder lijkt besmet door de Italiaanse interpretatie van het fenomeen ‘cruisen’ die in ieder geval haaks staat op ‘Low Speed Excitement’. In superieure rechtuitstabiliteit op de freeways en in snelle, flauwe bochten op verlaten bergwegen tikt het Thin Film-scherm geregeld 90 aan, soms 95, een enkele keer 119. Mijlen, hebben we het over. Opgezweept door een bombastisch prachtgeluid dat je doet afvragen hoe ze dit door de Euro 4-normen hebben gekregen, maakt de krachtsontwikkeling werkelijk het beest en de duivel in je los. De acceleratie is nog nooit zo laagtoerig voor het grijpen geweest op een Ducati. Zeker rond de vijfduizend toeren barst de L-twin figuurlijk uit zijn voegen om onberispelijk hard door te trekken tot iets voorbij de tienduizend. Hoe bloedsnel de machine ook blijft accelereren – geholpen door een versnellingsbak die optimaal (lees: beter dan een Panigale) presteert -, de explosieve focus ligt in het middengebied en zelfs daaronder. Zou ondergetekende de lakens uitdelen op de Via Cavalieri Ducati nummer 3 in Bologna, zou ik een extra Multistrada op de markt brengen voorzien van deze krachtbron. In bergachtig gebied moet lage-toeren-power een verademing zijn in haarspeldbochten en anderszins met tonnen bagage en moeders achterop. Zelfs in de Sport-stand met zijn scherpere gasreactie en latere elektronische interventies kun je op de XDiavel een priegelweg of stadscentrum afleggen, zij het dat de iets softere Touring-stand zich uiteraard beter leent voor allround-gebruik.

Afgrond in aantocht

De Brembo M50 monoblocs in het voorwiel doen verbluffend werk met een rigoureuze vertraging in combinatie met perfecte dosering. ABS grijpt ongemerkt goed in, ook in bochten door toepassing van de high tech Bosch bochten-ABS. Tractiecontrole, bandengrip, veergedrag, LED-verlichting met ‘Running Lights’ op de S-versie, een ongelooflijk goede grondspeling: allemaal topelementen die de veiligheid bevorderen. Eigenlijk geldt er maar één beperking bij hard rijden op de XDiavel: de rijder zelf. En preciezer gezegd: zelfoverschatting waar het rijwielgedeelte niet tegen opgewassen is. De Ducati XDiavel maakt namelijk ook nog gehakt van het cliché dat een cruiser zich uitsluitend leent voor snelweggebruik tot 110 km/u. En omdat je ongemerkt (of juist doelbewust) zo knoeperhard rijdt, kun je nogal verrast worden door het weinig neutrale en precieze stuurgedrag en een stevige deining die zich in bochten openbaart. Wat stuurgedrag betreft ligt de XDiavel S – ondanks een superieure DLC gecoate voorvork – veel meer op het niveau van de klassieke cruiser dan de gewone Diavel met zijn veel meer neutrale en homogenere stuurkarakter. Met een interessante afgrond van honderden meters in aantocht bij zwaar optimistisch tempo, ben je aan het werk om de zware achterkant mee te krijgen met het veel sneller sturende voorwiel.

Urban maakt relaxed

Maar is goedmoedig cruisen dan werkelijk een brug te ver voor de temperamentvolle XDiavel S en diens door kracht en geluid bewierookte rijder? Nee zeg. Rustig rijden behoort ruimschoots tot de mogelijkheden, mits je de Urban-modus inschakelt. Het beestje moet natuurlijk een naampje hebben, maar deze ‘stadsstand’ met een afgeroomd vermogen naar 100 pk en snellere interventie van ABS en tractiecontrole, is tevens puik bruikbaar in de vrije ruimte bij regen en, inderdaad, bij onthaasten op de buitenweg. Voor de hitsig ingestelde rijder (ik noem geen naam) geldt ‘Urban’ feitelijk als dwangmiddel om jezelf in toom te houden. Bovendien, honderd pk in combinatie met een volgetankt gewicht van 247 kilo; ach, je kunt ermee thuis komen…

Rijdend in deze setting blijkt de zwaar opgepepte krachtbron pardoes gladder, gesmeerder te draaien bij de laagste toerentallen. De dosering van vermogen en koppel voelt op woonerftempo en oog in oog met modderstromen op het wegdek bijzonder fijnzinnig en vriendelijk. Natuurlijk staat het karakter bij lage toeren mijlenver verwijderd van de bekende (Amerikaanse) Big Twins met hun zompige loop en luie, donkerbruine klappen vanaf stationair. Uiteindelijk is de XDiavel-Testastretta een korteslagblok met indrukwekkende compressieverhouding van 13:1. Daarbij raken de klassieke vette cruisers volledig uitgeblust op het toerental waarop de XDiavel zijn topkoppel van 128,9 Nm aflevert en nog vijfduizend toeren aan genot en acceleratie in petto heeft.

Comfortabel, jawel

Ook rijwieltechnisch past de Urban-stand beter bij de XDiavel. Niet alleen omdat het tempo minder schofterig hoog kan liggen, maar ook omdat je als rijder (stukken) meer ontspannen aan de rol bent. Het voorwiel met vallende ziekte blijft zich manifesteren, maar deining blijft logischerwijs beperkt. Sterker nog, de XDiavel S ontpopt zich als een erg aangename, zelfs comfortabele machine waar je betrekkelijk makkelijk mee een tank (van liefst 18 liter, hulde!) benzine kunt leegrijden. Het zadel smelt heerlijk aan de derrière en de Marzocchi 50 mm veert en dempt glorieus. Aan de zo laag geplaatste achterzijde voelt de XDiavel uiteraard een stuk straffer, al biedt de ‘droog’ aanvoelende Sachs monodemper een in het genre zeer respectabele elf centimeter veerweg. Vermoedelijk is er aan de afstelling van die fraai zijdelings geplaatste demper nog wat winst te behalen in souplesse, wat de bochtenstabiliteit bij (meer dan) vlot poken naar alle waarschijnlijkheid zal bevorderen.

In de schuur

Maar met de XDiavel bestaat er ook een leven naast het rijden zelf. Ben je enigszins gevoelig voor het genre machines, brengen de styling, topmaterialen en afwerking je hart op hol. Zeker de XDiavel S weet de bewonderaar ’s avonds laat nog uit de huiskamer te lokken om een uur lang wat te spelen met de settings en knappe technische details in zich op te nemen. Hij grenst aan ‘fout’, bling-bling of ordi, de S-versie, maar maakt wel de coole gozer of dame in je los, zomaar bij het stoplicht of in een achterbuurt. Louter de matige afwerking van stuurkabels en de verrassend cheapy stuurknoppen aan de rechterzijde werpen een smet op deze sublieme cruise missile. Aan die knoppen ben je veelvuldig in strijd met de boven elkaar geplaatste start- en contactknop en met je linker wijsvinger stoot je geregeld onbewust de flitslichtknop op de grootlichtstand.

Conclusie

Gangbare cruisers zijn ontworpen om de rijder op ellenlange highways in extatische slaap te sussen, power cruisers (of geef het een woord) als de Harley V-Rod moeten degenen in vervoering zien te brengen die een verkeerslicht graag aanzien voor een kerstboom aan de start van een drag strip. Maar de XDiavel S biedt zo’n onnoemelijk arsenaal aan kracht, high tech elektronica, topmateriaal, design en grondspeling extra dat alle toegevoegde gebruiksmogelijkheden de prijs van € 26.690,- zomaar zouden kunnen rechtvaardigen. De term ‘Low Speed Excitement’ mag dan voornamelijk bedoeld zijn om Yankees van hun Harley’s, Victory’s en Yamaha Star-motoren te trekken, de hartveroverende kick zit hem toch in de ‘High Speed Excitement’. Cruisen in Italiaanse stijl. En niemand die zal protesteren tegen de komst van deze kruisraketten in Nederland anno 2016.

Joost over de XDiavel S

Met een Ducati 998 Superbike door de steppe van Kazachstan of met 240 km/u bijkans van de – als ‘Technocruiser’ geafficheerde – XDiavel S geblazen worden; persoonlijk raakt niets me in motorrijden méér als oneigenlijk gebruik. Maar ook op bescheiden tempo weet deze Italiaanse je hart te veroveren, zozeer zelfs dat Panigale-rijders met haar zullen weglopen. De XDiavel S alles vergeven, weiger ik. Het goede nieuws is daarentegen dat ze de ‘gewone’ Diavel met diens veel betere stuureigenschappen en totaal afwijkend blokkarakter eindelijk een gezicht, een plek en hernieuwd elan geeft. De verrukkelijke XDiavel S maakt de Diavel beter. Blij dat ik niet hoeft te kiezen…

Triumph 1200 Tiger Explorer 2016

0

Twee uur lang duurde de presentatie over de Triumph Tiger Explorer. Normaal gesproken duurt een presentatie van een nieuwe motorfiets ongeveer een half uurtje. Nu heeft het Triumph-team blijkbaar meer tijd nodig. En da’s eigenlijk nog te kort. De nieuwe Triumph Explorer 1200 is een motorfiets voor de wereldreiziger: Bomvol techniek, elektronica en al evenveel zelfdenkend vernuft. En daar blijft het niet bij, zo zal blijken.

Annemiek van der Kolk

Na een onstuimige vlucht met een extra doorstart tijdens de landing heb ik weer vaste grond onder de voeten in het zuiden van Portugal. Het weer en de omgeving werken mee om een tweewielig ontdekkingsvoertuig aan de tand te voelen. Het zuiden van Portugal is de wereld in het klein. De wegen variëren van prachtig glad asfalt tot kronkelige, zanderige offroad-paden. Het weer is al even veelzijdig van aard. Een prachtige strakblauwe hemel, maar ook eentje van grauw grijs. De vlagerige wind en striemende valregens krijg je er dan gratis bij.

Zes Explorers

Om te beginnen zijn er twee soorten Triumph Tiger Explorer. Een asfalt-georiënteerde variant, aangeduid met XR en één met meer offroad-zin: de XC. We kennen deze aanduidingen al van de Triumph Tiger 800. Als je dan ook nog de keuze hebt tussen verschillende optiepakketten, is het tijd om bij de les te blijven. Als basisvariant biedt Triumph dus de XR en de XC, dan volgen de XRx en XRx low en de XRt. De XCx en de low worden gevolgd door de XCa. Deze laatst genoemde is standaard ‘full options’ uitgerust. Geluksvogel als ik ben, krijg ik daar een sleutel van in handen.

Mijn Engelse reisgezel is uitgevoerd in ‘lucerne blue’, cross-geörienteerd en herkenbaar aan de spaakwielen. Een overzicht van het optiebehangetje: een instelbaar ABS- en tractiecontrolesysteem, Cruise control, automatische knipperlichten, handkappen, USB- en 12V-aansluiting, handvatverwarming, aluminium carterbescherming, RVS radiatorbescherming, valbeugels en een boardcomputer met offroad-rijmodus, ‘sport’ en ‘rider’ instellingen. Daarbij geldt voor de XCa óók nog een hele lijst extra extra’s: Hill Hold control; elektrisch in hoogte verstelbare extra hoge toerruit, bandenspanningsmeter, een aluminium kofferrek, verwarmd zadel (ook voor de duo), CNC gefreesde voetsteunen, LED-mistlampen, en dan zal er vast nog wel iets zijn dat ik vergeten ben. Ben je er nog?

Zware jongen

De nieuwe Explorer is mede dankzij al die opties geen lichtgewicht. Dat de XCa vervolgens het zwaarst is mag geen toeval zijn. Hij weegt 258 kilo schoon aan de haak. Afgetankt en klaar om te gaan komt dit neer op zo’n 285 kilo. Standaard zadelhoogte is 837 – 857mm. Op speciaal verzoek is er een verlaagd zadel gemonteerd. Ik meet tenslotte slechts 1,67 meter en zo kan ik nét even makkelijker met één grote teen aan de grond. De Triumph Explorer is een grote, zware, hoge motor en heeft daarbij dat gewicht ook nog eens vrij hoog bovenin zitten. Om de motor rechtop te zetten gooi ik al mijn 53 kilo’s in de strijd. Ik zit, en heb uitzicht over een overzichtelijk instrumentenpaneel.

Boardcomputer en rijmodi

Voor het instellen van de boardcomputer geeft Triumph’s head engineer Stuart Wood zijn visie en aanwijzingen. Alles kun je instellen. Je kunt kiezen uit voorgeprogrammeerde rijmodi, maar ook eigen voorkeuren aangeven. De knoppen, hendels, scroll-bediening, alternatieve bediening, en dan ook nog eens het verschil in het rijdend en in stilstand bedienen. Stuart laat alle scenario’s in razend tempo de revue passeren.

In de ‘rain’ modus wordt het vermogen afgetopt tot maximaal 90 PK. In de ‘sport’ stand, je begrijpt het, is de afstelling standaard iets scherper. In deze rij-modi worden buiten de gasresponse ook de veerafstellingen, de ABS en de TC aangepast. Bijvoorbeeld: in standje ’offroad’ staat je ABS dus meer slip toe dan op asfalt. En je eigen persoonlijke instellingen kun je kwijt onder de ‘Rider’ modus. Professioneel wereldreiziger Charley Boorman is er ook en ziet me bedenkelijk kijken na de uitleg van Stuart. ‘Can I help you?’ vraagt hij in keurig Engels. Zijn uitleg is gelukkig wonderlijk eenvoudig. ‘Zie het als een computermuis. Met je linker duim scrol je door het menu en met je linker wijsvinger selecteer je. That’s all!’ Kijk, dat is te doen. Het regent niet, maar de weg is nog nat. Ik scrol door het menuutje en klik ik de voorgeprogrammeerde ‘road’ stand aan. That’s all!

Koppelmonster

Contact aan, de boardcomputer start op, instellingen gemaakt, koppeling in en startknop ingedrukt. Met een Brits beschaafde grom geeft de Explorer te kennen te willen vertrekken: ‘Let’s go!’ De gasrespons van het ride-by-wire systeem is mooi direct bij het wegrijden. Door de hydraulisch bekrachtigde koppelingsassistent gedraagt de koppeling zich voorbeeldig. De hendels waarmee de Explorer standaard is uitgevoerd, zijn op maat in te stellen. Niet alleen prettig voor grote en kleine handen, ook bij het wisselen van dikke naar dunne handschoenen is dat fijn. De handkappen houden mijn handen goed uit de wind, dus de handvatverwarming hoeft vooralsnog niet aan.

Het blok heeft drie cilinders in lijn, een inhoud van 1.215 cc en geeft maximaal 139 pk af bij 9.300 tpm. Meer dan voldoende power, waarbij het eigenlijk niet uitmaakt in welke van de zes versnellingen je de Explorer zet. Vanaf 2.000 toeren t/m 10.000 gaat hij als de brandweer. Zijn maximum koppel van 121 Nm levert de Explorer bij 6.400 toeren. Al dat vermogen wordt via een onderhoudsarme cardanaandrijving overgebracht naar het achterwiel. Plenty vermogen en giga-koppel, comfortabel achter de hoge, elektrisch verstelbare kuipruit. Hoog boven het asfalt bewegen we ons voort, uitstekend beschermd tegen de elementen. Wat wenst een wereldreiziger nog meer?!

Prima vering

Een open deur misschien, maar goed afgestelde vering kan een motor totaal transformeren. Een motor kan rijden als een plank, of het je gevoel geven alsof je over eieren rijdt als de vering niet goed staat afgesteld. Bij de Explorer is dat prima voor elkaar, mede dankzij het systeem dat ze TSAS hebben genoemd. TSAS staat voor Triumph Semi-Active Suspension. Actieve vering dus, die zich zelf aanpast aan de omstandigheden. De basismodellen van de Explorer zijn er overigens niet mee uitgerust, maar het zit wel op deze XCa. Op basis van de belading past dit systeem bijvoorbeeld de vering aan. Duo mee? Dan gaat –ie een tandje straffer. Aan de voorkant is de motor voorzien van een USD-voorvork. Rebound en demping worden aangepast door het instellen van de rijmodi, of je kunt zelf persoonlijke settings maken. Dat klinkt ingewikkelder dan het is, in de praktijk is het een gebruiksvriendelijk systeem.

Hill Hold

De twee basismodellen zijn voorzien van standaard ABS en tractiecontrole. Voor de overige modellen is er bochten-ABS en –tractiecontrole, systemen die we inmiddels ook al kennen van bijvoorbeeld KTM, Ducati en BMW. En dan is er nog een leuk foefje, getiteld de Hill Hold. Sta je stil op een hellinkje, dan kun je hard in de voorrem knijpen om de achterrem vast te zetten. Noem het een handrem. Hartstikke makkelijk, want nu hoef je de motor niet meer in zijn één te zetten om te voorkomen dat’ie van de helling afrolt. Wil je wegrijden, zet je de motor gewoon in z’n 1 en laat je de koppeling opkomen. De Hill Hold wordt automatisch opgeheven en je kunt vloeiend uit stilstand wegrijden.

Conclusie

De motor heeft een super vriendelijk karakter en is gracieus door elk landschap te sturen. Er is geen moment dat hij onverwacht uit de hoek komt. Spring maar op mijn rug en ik breng je daar, waar je naar toe wilt. De Triumph Explorer is geen extreme offroad fiets. Daarvoor is’ie simpelweg te groot en te zwaar. Maar hij laat zich niet tegenhouden door een gravelpad of een beetje modder en stenen. En daarbij is’ie extreem comfortabel, vriendelijk en stevig. Echt een reisfiets voor globetrotters, die door kunnen als het asfalt slecht wordt of zelfs ophoudt. Ongeacht het weer.

Dit vindt Annemiek

‘Dromen over verre landen’. Wie doet dat niet? Maar welke motorrijder zet zijn fantasie om in werkelijke daden?! Triumph heeft er een paar uitgenodigd tijdens de presentatie van de Explorer 1200. Het zijn Charley Boorman en Rych Lawrey. Dat werkt aanstekelijk, maar zouden we voor avontuur ook de Explorer meenemen? Een fijne motor, vriendelijk van karakter met een comfortabele zit en goede handling. Dat is wat een goede reisfiets nodig heeft. De 1200 komt een heel eind, maar is te zwaar voor echt avontuur. Ik zie mezelf er nog niet de hoge Atlas mee doorkruisen. Kies dan ‘gewoon’ de kleinere uitvoering: De Tiger 800. Zit je ook goed.

KTM 1290 Super Duke GT 2016

0

Nog niet zo lang geleden was de naam Super Duke onder motorrijders synoniem met ‘waanzinnig’. Het originele model uit 2005 was een rauwe, kuiploze V-twin met een gashendel als een lichtschakelaar, een klein benzinetankje, een dun zadel en de reputatie dat hij weliswaar onpraktisch maar wel heel leuk was. Eens kijken hoe de vlag er 11 jaar later bij hangt.

Tekst Roland Brown

En ja, wat maakt wat tijd en de toevoeging van de letters GT dan een verschil! Twee jaar geleden tilde de 1290 Super Duke R de kuiploze V-twin al naar een hoger plan voor wat betreft prestaties en raffinement. Nu hebben we de 1290 Super Duke GT, die de familielijn voortzet met een vleugje Gran Turismo comfort en verfijning. En het goede nieuws is dat hij onder die grote benzinetank, dat comfortabele zadel en die slimme elektronica nog net zo razend waanzinnig is als het origineel.

Dat alles blijkt wel wanneer ik tijdens de lancering op Mallorca met de GT over een bochtig weggetje scheur, achter drie anderen aan. Een van hen is Jeremy McWilliams, voormalig MotoGP coureur en tegenwoordig o.a. testrijder bij KTM. Het tempo ligt zo hoog als je zou verwachten, het wegdek is koud, vochtig en glad, maar met de Super Duke GT is het allemaal idioot leuk, ook onder die omstandigheden.

Knallen

De KTM dendert in een fenomenaal tempo de krappe bochten uit. De zwaar grommende motor met een inhoud van 1301 cc jaagt hem vooruit met slechts 5000 toeren op de teller. De hellingshoekafhankelijke tractieregeling weet de achterste Pirelli perfect op koers te houden.

En dan, wanneer de bike korte metten heeft gemaakt met het volgende korte rechte stuk en er weer een haarspeldbocht opdoemt, remmen de Brembo Monoblocs de Super Duke sterk af, met het bochten-ABS paraat voor het geval dat de vochtige stukken problemen geven. Moeiteloos neemt de comfortabele doch goed gedempte semi-actieve WP-ophanging de hobbels, wanneer ik de lichte, wendbare KTM de bocht in stuur.

Het is een gedenkwaardige rit, ook al zijn de weersomstandigheden niet ideaal. Volgens mij zijn er in de verste verte maar weinig motoren die zo leuk zijn om te rijden, laat staan dat ze het tempo kunnen bijhouden. Bovendien blijven mijn handen lekker warm dankzij de verwarmde handvatten en geeft het instrumentenpaneel aan dat er nog volop benzine in de grote tank zit, hoewel we toch al ruim 160 km hebben gereden met een verre van zuinige rijstijl.

Mixje KTM

In bepaalde opzichten is de Super Duke GT een combinatie van twee bestaande KTM´s, die super-naked Super Duke R en de 1290 Super Adventure die vorig jaar opschudding veroorzaakte in de dual-purpose klasse met zijn prestaties en allround capaciteiten. De motorspecificaties zijn hetzelfde: cilinderinhoud 1301 cc, dubbele bovenliggende nokkenas, achtkleps V-twin met cilinders onder een hoek van 75 graden.

De vorm van de verbrandingskamers is veranderd ten opzichte van die van de Super Duke R, en ook is de GT uitgerust met vernieuwde brandstofinjectie-mapping en een nieuw uitlaatsysteem, zodat hij voldoet aan de Euro 4-normen. Volgens KTM is hij nog soepeler en iets sterker bij lage toerentallen; hij produceert een koppel van 114 Nm bij slechts 3250 tpm. De top is 173 pk bij 9500 tpm, wat het ongeveer midden houdt tussen de 180 pk van de R en de 160 pk van de Super Adventure. Meer dan genoeg. Ook is hij de eerste KTM die voorzien is van een quick-shifter.

Het chassis lijkt eveneens meer op dat van de Super Duke R, want het stalen trellis buizenframe en de eenzijdige aluminium swing-arm zijn identiek, net als de basisgeometrie. Ook de wielen en de remmen zijn ontleend aan de super-naked V-twin. De gegoten 17-inch rotors zijn voorzien van Pirelli Angel GT rubber, de voorrem heeft Brembo radiale Monobloc vierzuiger-remklauwen.

Een verschil is dat de GT net als de Super Adventure semi-actieve ophanging heeft, met hardware van WP en de benodigde functionele elektronica van Bosch. Verder heeft hij een langer, sterker sub-frame achter, met ruimte voor de speciaal ontworpen tassen en een grotere buddyseat. Voor de passagier zijn er voetsteunen gemonteerd.

Lekker lang rijden

De andere wijziging in het chassis betreft het vergroten van de benzinetank, van een inhoud van 18 liter naar een inhoud van 23 liter. Kiska, de vaste stylist van KTM, heeft dat slim gedaan door de tank naar voren en omlaag door te laten lopen. Zo ontstaat een scherpe vorm waarin de knipperlichten en de nieuwe adaptieve koplampen geïntegreerd zijn. Het plaatwerk omvat ook het nieuwe windscherm, dat onder het rijden verticaal versteld kan worden door het naar voren te duwen, op te trekken of te laten zakken, en het vervolgens naar achteren te trekken tot het vastklikt.

Het eendelige stuur is iets hoger en breder dan dat van de Super Duke R (en eveneens verstelbaar d.m.v. draaien), maar de GT start met een vergelijkbaar schor gegrom van de V-twin, zeker wanneer hij zoals de meeste bikes bij de lancering voorzien is van een (niet standaard gemonteerde) Akrapovic geluiddemper. En ook qua prestaties doet hij sterk denken aan het R-model. Hij trekt op met een fantastisch breed gespreid koppel, wat garant staat voor soepel en onmiddellijk accelereren zodra je gas geeft.

Net als bij de R zijn er drie rijstanden om uit te kiezen (Sport, Street en Rain; in de laatste stand wordt het maximumvermogen beperkt tot 100 pk). En net als voorheen rijdt de Super Duke in alle standen verfijnd en lekker. Ook bij slechts 3000 tpm trekt hij strak op en hij blijft heel soepel dankzij de dubbele balansassen. Zelfs de Sport-stand is niet bijterig of ruw, maar op heel gladde wegen kwam de iets milder reagerende Street-stand toch wel van pas. Toen ik overvallen werd door een flinke hagelbui was ik heel blij met de Rain-stand, die de tractieregeling automatisch afstemt op de gladde ondergrond.

In beide hoofdstanden zijn de prestaties uiteraard fantastisch. Nog beter zelfs met de quick-shifter, die heel efficiënt is bij doorschakelen maar bij terugschakelen niet werkt. (Volgens KTM zijn auto-blippers niet goed voor de versnellingsbak.) Na een bocht accelereert de GT in een fenomenaal tempo, waarbij het voorwiel vaak iets omhoog komt. Dankzij de WP stuurdemper gaat hij echter niet trillen. (Voor een echte wheelie moet je de tractieregeling uitzetten.)

Beter op de lange afstand

Op korte stukken snelweg rijdt de GT moeiteloos soepel en beheerst. Het scherm houdt flink wat wind tegen, wat een ontspannen rit bevordert. Voor lange afstanden is hij beslist veel beter dan een super-naked, hoewel het me een beetje teleurstelt dat het scherm vrij kort is en een instelbereik heeft van maar zo’n 5 cm. Zelfs in de hoogste stand heb je dus redelijk wat turbulentie. En je handen zijn nauwelijks beschermd, dus die van mij werden nat en enigszins koud, ondanks de zeer welkome handvatverwarming waarmee hij standaard uitgerust is.

Op de snelweg is het fijn om op een paar knopjes te drukken en de ophanging in Comfort te zetten, de zachtste van de drie standen. De GT heeft dezelfde tamelijk royale veerweg als de Super Duke R (125 mm voor, 156 mm achter). Zelfs in de Sport-stand is hij behoorlijk meegaand en comfortabel. Het grootste deel van de tijd heb ik hem dan ook in Sport laten staan, hoewel de andere twee standen nuttig zeker nuttig zijn als je gaat toeren. De dempingsregeling is uitstekend, zeker in de Sport-stand. Mede dankzij de input van de voornoemde Mr McWilliams komt die heel dicht in de buurt van de instellingen van het R-model.

Net als bij de Super Adventure verbaast het me een beetje dat KTM je niet de mogelijkheid geeft om de ophanging binnen elke stand nog verder bij te stellen, bij de meeste andere merken kan dat namelijk wel. In tegenstelling tot vele andere semi-actieve systemen wordt de wielophanging niet automatisch aangepast bij de rijstand, wat ook wel nuttig zou zijn.

Het is echter een slim systeem, de veervoorspanning automatisch afstellen al naar gelang de belasting, en anti-duik toevoegen in de Street- en Comfort-stand maar niet in de stuggere Sport, zodat de voorkant iets kan duiken om sneller te sturen. Ook in de andere stand stuurt de KTM geweldig. Mede dankzij het lage gewicht – 205 kg droog, ongeveer 15 kg meer dan de Super Duke R – en onveranderde geometrie hoef je het brede stuur maar heel licht aan te tikken om van richting te veranderen.

Puike remmerij

De wielophanging is zeer indrukwekkend op de vaak spekgladde heuvelweggetjes van Mallorca, in combinatie met het ultra-verfijnde Motorcycle Stability Control systeem dat net als bij de grote Adventures uitgerust is met de zesassige IMU-regelunit van Bosch. Dit levert een geavanceerde tractieregeling en bochten-ABS op. Het is ontzagwekkend hoe de grote V-twin de bochten uit raast, waarbij de tractieregeling ervoor zorgt dat de GT aan de achterkant ook op de meest onwaarschijnlijke plekken goed grip houdt.

Datzelfde geldt voor de manier waarop de Brembo Monobloc remklauwen de GT afremmen voor een haarspeldbocht. Op de gladste stukken treedt het ABS af en toe in werking en het bochten-ABS houdt zich gereed op de achtergrond voor het geval dat je toch moet remmen in de bocht. Sommige moderne superbikes kun je ook onder moeilijke omstandigheden veilig met een fenomenale snelheid rijden. Ook de Super Duke GT is een van de absolute toppers in dat opzicht.

Ook voor lange afstanden zou hij zeer capabel moeten zijn, hoewel dat machtige motorblok wel veel benzine slurpt. Bij de lancering werd een gemiddelde opgegeven van minder dan 1op 12, wat betekent dat hij een realistisch bereik heeft van niet veel meer dan 240 km, ondanks de grotere tank. Met een rustigere rijstijl zou dat in de buurt komen van 1 op 15 en een actieradius van een kleine 300 kilometer. Maar een zuinige machine wordt het nooit. Het brede zadel lijkt comfortabel genoeg om flinke afstanden mee af te leggen, zeker met het verwarmde comfortzadel waarmee de GT´s bij de lancering waren uitgerust.

Dat zadel is een optie, maar ook standaard is de GT goed uitgerust: dagrijverlichting, automatisch uitschakelende knipperlichten en waarschuwingslampje voor de bandenspanning. Het drietal bochtenlampen in de stijl van de Super Adventure gaat branden wanneer de bike schuin hangt onder een hoek van 10, 20 en 30 graden. Er is een hele lijst van Power Parts accessoires, waaronder strak vormgegeven zijtassen die elk groot genoeg zijn voor een integraalhelm.

Doordat de standaardspecificaties van de GT op zo’n hoog niveau liggen, is hij natuurlijk niet goedkoop. Met een prijs van £ 15.999 kost hij echter £ 200 minder dan de Super Adventure, die in veel opzichten zijn meest vergelijkbare concurrent is. Qua comfort op lange afstanden of veelzijdigheid kan zelfs deze Super Duke die dual-purpose bike niet evenaren, maar hij komt in de buurt. Bovendien heeft hij een vleugje super-naked agressie; veel motorrijders die voornamelijk op de weg rijden, zullen dat prefereren. De GT is net zo waanzinnig als een Super Duke hoort te zijn, maar tegelijkertijd opmerkelijk verstandig. Dat is een unieke en verslavende combinatie.

Roland over de KTM 1290 Super Duke GT

De ruigste naked die KTM in zijn assortiment heeft, ombouwen naar een tamme kilometervreter? Dat is niet te doen zou je denken. Maar de 1290 GT bewijst dat het kan. Hoewel, zonder dat ‘tam’ dan, want de GT heeft nog steeds voldoende ruige genen over om een stevig potje sturen mogelijk te maken. De groot- ste Super Duke was een fenomenale machine en wat mij betreft is de GT minstens zo goed, en daarbij een stuk bruikbaarder. De fikse aanschafprijs en het stevi- ge verbruik moet je dan maar voor lief nemen.