donderdag 14 mei 2026
Home Blog Pagina 1342

Honda CB500F en CBR500R 2016

1

Honda heeft de CB500F en de CBR500R onder handen genomen. Het uiterlijk werd gemoderniseerd, de praktische bruikbaarheid verbeterd. En hier en daar werd ook nog wat aan het rijgedrag geschaafd. Redenen genoeg om dus eens met deze A2-toppers te rijden.

Door Peter Aansorgh

In 2013 lanceerde Honda de CB500F en de CBR500R, een naked bike en een supersport die geschikt zijn voor het A2-rijbewijs, dankzij een 48 pk sterke staande twin. Beide motorfietsen hadden technisch dezelfde basis en waren door relatief simpele ingrepen behoorlijk ‘anders’. De CB500F had een rechte zitpositie door een stuur dat hoog op risers was geplaatst, terwijl een scherp gevormd koplampmasker de motor een streetfighterachtige uitstraling verschafte. De CBR500R had een volle stroomlijn en geen stuur, maar clip-ons, die op de vorkpoten waren geplaatst. Hierdoor had de R niet alleen een sportiever uiterlijk, maar ook een sportievere zit en betere bescherming bij snelweggebruik. Beide motoren genoten ondanks hun lage prijs een fraaie, hoogwaardige afwerking, zodat je toch het idee had een volwassen motorfiets te krijgen. Een concept dat gewaardeerd werd, want alleen in Europa werden er al 30.000 van verkocht!

Time warp

Voor Honda is de CB-serie een belangrijk succesnummer en dat succes wil men maar wat graag handhaven. Daarvoor moet het concept echter bij de tijd blijven en dus kregen beide motoren een time-warp-treatment. Daarbij kregen ze een ranker uiterlijk. Er is veel meer van het motorblok te zien. De grote kunststof afdekplaten onder het zadel zijn afgeslankt, de radiatorschilden zijn bij de CB500F kleiner en ook de schetsplaten van de voetsteunen zijn eleganter geworden, terwijl het koplampmasker – nu net als de achterlichtunit voorzien van LED koplamp – agressiever oogt. Ook het kontje is scherper en breder geworden, met luchtkanalen die het uiterlijk weer wat sportiever maken. Datzelfde doet de kentekenplaatpartij, die nu aan een smallere, aluminium beugel hangt. De verchroomde, ronde uitlaat heeft plaats gemaakt door een hoekige, matzwarte demper met aluminium deksels, wat de motor jaren jonger doet lijken. Verder zijn veel wijzigingen gericht op vergroting van het gebruiksgemak. Zo is de benzinedop nu voorzien van een scharnier, is het remhendel nu instelbaar, het achtersubframe iets flexibeler. De HISS-sleutel heeft een wave-vorm gekregen.

Andere vering

Op technisch rijtechnisch gebied is er niet zo heel veel veranderd. Alleen de vering is aangepast. De voorvork heeft – naast een mooie, blauw geanodiseerde dop – nu een verstelmogelijkheid voor de veervoorspanning. Verder zijn de dempingskarakteristieken van de voor- en achtervering aangepast. Het eerste deel van de slag is soepeler met een meer progressieve opbouw van de demping, voor een betere feedback. Die soepele vering maakt samen met de lage zit dat de CB500F veel vertrouwen schept. Het zadel staat met 785 mm vrij laag, waardoor je goed met de voeten bij de grond kunt. De voetsteunen staan prettig gepositioneerd, zodat je veel beenruimte houdt en niet krampachtig zit, en het stuur is lekker hoog. Door die houding heb je veel controle over de machine en stuurt het enorm licht, ook op lage snelheid. De vering absorbeert oneffenheden goed, waardoor de CB zelfs op de klinkerwegen van het eerste stadje, Carmona, comfortabel aanvoelt. De motor maakt sowieso een stabiele indruk, al lijkt met name de uitgaande demping op de achtervering soms te kort te schieten. De motor wipt dan op drempels en hobbels vaak wat op. Toch lijkt het wegcontact van de Dunlop D222-banden helemaal niet verkeerd.

Licht sturen

Hoe meer ik met de CB500F rijd, hoe meer ik hem waardeer. Lichte motoren sturen nu een keer veel lekkerder. Zeker deze Honda. Je smijt hem zonder noemenswaardige krachtsinspanning de krapste haarspeldbocht in. En ook lange doorlopers zijn gewoon leuk. Zelfs als we een ietwat opportunistisch tempo hanteren voelt de CB wendbaar, gemakkelijk en vrij neutraal. Hij is gemakkelijk te mikken en je kunt zelfs in de bocht nog van koers veranderen als dat nodig mocht zijn. Jij bent zo’n CB duidelijk de baas. Alleen als je remmend een bocht ingaat, is er bij de CB500F een kleine oprichtneiging te bespeuren. Maar zodra je de rem loslaat vleit de motor zich in de bocht en is hij perfect op het aansnijdpunt te mikken. Ook tijdens het remmen blijft de motor stabiel en duikt hij slechts licht. De voorrem voelt daarbij potent aan: bij een lichte knijpkracht pakt de nieuwe remklauw meteen vrij fel aan en bouwt daarna goed controleerbaar op, met genoeg remkracht om het tweekanaals ABS-systeem aan het werk te krijgen. En ook de achterrem doet goed mee, zonder al te fel te zijn. Het is allemaal lekker controleerbaar.

Scherper

Datzelfde gevoel krijg ik op de CBR500F, later die dag. De sportieve CBR500R geniet van dezelfde aanpassingen als de CB500F, met dit verschil dat de CBR500R natuurlijk een volle stroomlijn heeft. Die is nu scherper gevormd, meer in lijn met de grote supersports, zoals de Fireblade. In de neus is nu een platte, V-vormige LED koplamp geplaatst. Opvallend zijn de inlaatkanalen in de kuip, die een betere luchtstroom naar de motor verzorgen. Ventilatieopeningen voorkomen ook dat er turbulentie achter de ruit ontstaat. Maar technisch gezien zijn de motoren gelijk. En toch voelt het anders. Door de clip-ons zit je wat meer voorover, zodat je de motor vanzelf iets meer met je lichaam stuurt. Ook zet je daardoor iets meer gewicht op het voorwiel, waardoor de motor nog iets neutraler stuurt dan de CB500F. De oprichtneiging in de bocht heb ik hier niet bespeurd en ook de vering lijkt iets beter in balans door deze gewichtsverdeling, hij lijkt achter wat minder op te wippen. Verder moet ik beide motoren prijzen voor de stabiliteit die ze aan de dag leggen. Ook als je met hoogst illegale snelheden over de Spaanse wegen brult. Af en toe geeft de digitale klok snelheden van meer dan 170 km/uur aan als we door de lange bochten langs een stuwmeer blazen en dat voelt geweldig!

Scherpere gasreactie

Veel motorrijders halen hun neus op voor een 500cc-machine. Slome rijlesmotoren, denken ze. Dat ze zich daarin vergissen bewijzen deze CB’s. Want als je een beetje kunt rijden en je houdt deze twin hoog in de toeren, dan kun je er behoorlijk mee blazen. En dat maakt het juist leuk. Je kunt zo’n twin keer op keer naar de toerenbegrenzer jagen en dat geeft het gevoel dat je een coureur bent, die alles uit het blok weet te halen. En daarbij maken de CB’s ook nog een prettig ronkend geluid. Dat komt deels door de nieuwe uitlaat, die nu geen drie, maar twee kamers telt. Maar het is ook het karakter van het beestje zelf. De 471cc- metende tweecilinder heeft een 180° krukas, die zorgt dat de zuigers omstebeurt omhoog en omlaag aan. Een balansas elimineert daarbij optredende trillingen. Zo ontstaat een mooie, gelijkmatige motorloop. Maar dat is niet het enige waar de Honda-constructeurs zich op hebben gefocust, want er is aan alle kanten geprobeerd het brandstofverbruik te beperken. Daarom worden de acht kleppen van de twin bediend door vier zeer lichte, gevorkte tuimelaars, die de twee bovenliggende nokkenassen wrijvingsarm volgen door middel van een gelagerde rol. Omdat de tuimelaars en de kleppen erg licht zijn, konden er soepele klepveren worden toegepast, waardoor de bediening van het kleppenmechanisme nog minder energie kost. Om dezelfde reden zijn de zuigers voorzien van groeven die het contactoppervlak verkleinen Verder is het koelsysteem verbeterd waardoor er slechts een kleine waterpomp nodig is, wat ook weer minder energie kost. Het resultaat is dat de CB’s meer dan 29 km op een liter benzine halen. Samen met de 1 liter grotere 16,7 liter tank maakt dit een actieradius van 490 km mogelijk.

Ook sportief

De CB’s zijn getuned voor een breed trekkrachtgebied. Daartoe heeft de motor onder meer hele rechte inlaatkanalen en schotten in het luchtfilterhuis, die zorgen dat beide cilinders evenveel lucht krijgen. Dit geeft een brede powerband, waarbij het maximum koppel van 43 Nm al bij 7.000 wordt bereikt, terwijl het maximum vermogen van 48 pk wordt bij 8.500 tpm vrijkomt. Voor 2016 is vooral de luchtstroom naar het luchtfilterhuis verbeterd, waardoor de gasreactie in het lage- en middentoerengebied is verbeterd. Nu is het natuurlijk geen motor die sleuven in het asfalt trekt, maar je merkt toch wel dat hij vooral in de lagere versnellingen best direct op het gas reageert. Het is gewoon een lekkere motor, waarmee je zonder enige inspanning door een dorp kunt toeren. Hij trekt al lekker op vanaf 2.500 tpm en wordt dan gestaag sterker. Eenmaal buiten het dorp zit je in no-time op 80 km/h en ook daarboven wil die nog wel lekker doortrekken. Al zul je voor inhaalmanoeuvres gauw terug moeten naar de derde of vierde versnelling. Op de snelweg is een kruissnelheid van 140 goed te doen, de top ligt zelfs boven de 180. Sportief rijden is dan ook geen enkel probleem. Dan laat je hem gewoon lekker klimmen in de toeren, waarbij de motor steeds sterker wordt tot aan het toerental van het maximaal koppel, bij 7.000 tpm. En ook daarna gaat hij nog lekker door, waarbij je de toerenbegrenzer geregeld tegenkomt, terwijl de goed afleesbare, digitale toerenteller voorbij de 9.500 tpm schiet. Je moet dan wel veel schakelen, daarom heeft Honda ook het schakelmechanisme verbeterd. De CB’s schakelen daardoor heel soepel en met korte schakelwegen.

Finetuning

Een gelikt uiterlijk, een nette afwerking en prestaties waar je zeker in woon-werkverkeer en op zondagse ritten binnen Nederland meer dan genoeg aan hebt, gecombineerd met een gebruiksgemak en een wendbaarheid die zorgen dat je gewoon graag op pad gaat. En dat alles gecombineerd met een superlaag brandstofverbruik en een aanschafprijs die ook alleszins schappelijk is. Al heeft Honda de prijs ook een beetje moeten finetunen: De CB500F kost nu € 6.699, de CBR500R gaat voor € 7.199 ‘over de toonbank’. Daarmee bieden de CB’s een behoorlijk hoog waar-voor-je-geld-gehalte.

Peter Aansorgh over de CB500F en R

Hoe meer ik met ‘lichte’ motorfietsen rijdt, hoe leuker ik het vind. Het is super beheersbaar en stuurt enorm gemakkelijk. Bovendien kun je er best vlot mee rijden, maar dan moet je wel enige skills hebben. Dat geldt zeker voor de CB500F en R. Het zijn leuke, goed sturende en aantrekkelijk vormgegeven machines, die ondanks hun lage prijs toch niet de indruk van een budget-bike maken. De zit is goed, het remt best goed en ze zijn superzuinig. Het motorvermogen komt er lekker spontaan uit en eigenlijk is het genoeg voor Europese maximum snelheden. Goed, persoonlijk zou ik dan een pk of 15 tot 20 meer willen hebben, maar toch… De CB500F is iets meer een stadsfiets en zou wat meer demping in de achterdemper mogen hebben. Ik zou voor de CBR500R gaan. Door de kuip en de iets sportievere zitpositie leent hij zich wat meer voor de grote afstanden.

Harley-Davidson Road Glide Ultra 2016

0

Een aantal jaren geleden werd bij Harley-Davidson het project Rushmore opgestart: een methode om ‘de Harley-Davidson Touring machines van voor tot achter opnieuw te overdenken.’ Daarbij werd naar eigen zeggen de hulp ingeroepen van doorgewinterde H-D rijders, geluisterd naar wat zij dachten dat er beter moest. De voor 2016 nieuwe Road Glide Ultra is daar een voorbeeld van.

De Ultra is de overtreffende trap van de vorig jaar gelanceerde Road Glide Special, vooral bekent van zijn ‘Bat Wing kuip met Shark-Nose’. Naast de talloze verbeteringen aan bijvoorbeeld de remmen (Brembo en nu gecombineerd!), voorvork en het gebruik van Dual Compound banden, is de Ultra voorzien van een topkoffer met bagagerek, ruggen- en lendesteun voor de passagier, die ook de beschikking heeft over haar eigen 75 Watt luidsprekers en treeplanken ´zo groot als een dansvloer´. De vast op het frame gemonteerde kuip kreeg een hogere ruit voor meer bescherming en in de voorste valbeugels hangen nu de beenschilden zoals we die van de Electra Glide kennen. Niet ter bescherming van de benen of als extra bagagemogelijkheid maar… om plaats te bieden aan de radiateurs en ventilatoren.

Verdwijntruc

Jawel, want de Ultra heeft in tegenstelling tot de Special het door vloeistofkoeling ondersteunde, nieuwe Big Twin motorblok. Of zoals H-D het zo mooi zegt: Twin Cooled V-Twin motorblok. H-D mag geprezen worden voor hun pogingen (en resultaten) om zowel PR-technisch als optisch te verdoezelen dat hun blok niet meer louter door lucht gekoeld wordt. Je moet écht door je knieën om te zien dat er vloeibare koelhulp aanwezig is. De manier waarop de radiatoren, ventilatoren en koelslangen weggewerkt zijn is fantastisch; je ziet er niets van. Ook mooi is dat alle draden die uit de stuurarmaturen komen minstens zo onzichtbaar zijn: ze lopen dóór het dikke stuur. Je ziet alleen maar de hydraulische leidingen voor koppeling en remmen. Clean! Veel, heel veel is vormgegeven vanuit het perspectief dat het mooi moet zijn, het best wat mag kosten en… ook wat mag wegen. Kunststof is nep en alleen als het (eigenlijk) niet anders kan ging ook H-D door de knieën.

Verder, zoals het een echte Touring betaamt, veel luxe. Van 6.5-inch Full Color Touch Screen Display, Navigatie, ‘Boom! Box 6.5GT Radio met vier keer 75 watt luidsprekers, tot Jukebox met USB Port voor iPod/iPhone, Bluetooth en ‘overal’ 12 Volt pluggen. Zeg maar een soort Ride-On onderweg bioscoop op twee wielen, allemaal te aanschouwen vanaf een vorstelijke rijdersofa en duofauteuil.

Probleempje

Het lastige van het rijden en vooral testen van een Harley-Davidson en dus ook de Road Glide Ultra, is onderscheid te maken tussen de emotionele gevoelens en rationele ervaringen. Dat bleek een paar maanden geleden tijdens de Promotor lezerstest (zie PM 6/2016) en ook nu weer. Veel Amerikaanse ‘patriottisme’ versus Europese nuchterheid. 50% van de motoren die in Amerika verkocht worden zijn van dit merk, in Europa is dat 6%. Je kunt ze het misschien niet eens kwalijk nemen dat H-D’s vooral ontwikkeld zijn voor de Highways.

Maar goed, wij leven hier niet in het land van Milk and Honey en onbegrensde mogelijkheden, maar van Klei en Aardappelen met veel beperkingen. Dus zetten we geen jethelm op maar een integraal, maar wel voorzien van Stars en Stripes, met licht gekleurd vizier en trekken een functioneel All-Weatherpak aan met waterdichte laarzen. Ladies en gentleman start your Twin Cooled Big Twin!

Alleen de manier waarop de ‘vuistdikke’ zuigers omhoog gebracht worden wekt indruk: hier wordt Motorcycle Heavy Industries in gang gezet, hoewel het door de jaren heen wel wat minder imponerend geworden is. De milieu wetgeving eist zijn tol, het begint een beetje, ´excusé le mot’, op een Japanner te lijken. Oeps. De vette klappen van weleer worden alleen nog maar uitgedeeld door Vance and Hines, Dr Jekill and Mr. Hyde en andere sluwerikken die goede zaken doen op uitlaatgebied, hoewel bezijden de legaliteit. Naar het schijnt koopt 90% van de Harley rijders meteen andere uitlaten en naar het lijkt wordt dat door 90% van de bevolking geaccepteerd: een HD mag best iets meer geluid maken.

Zwaar

Heavy Industry ook wat betreft het oprichten van de jiffy, het intrekken van de koppeling en het wisselen van versnellingen: alles is en gaat zwaar. De tik waarmee de één op bijna ambachtelijke wijze paraat gezet wordt lijkt weliswaar minder hard dan in de periode voordat Rushmore zich er mee ging bemoeien, maar is nog steeds luid en duidelijk. Je hoeft echt niet te kijken of het groene lampje gedoofd is en het verdere schakelproces verloopt net zo luid en duidelijk. Maar dan de grote verassing. Ondanks het totaalgewicht dat inclusief berijder met gemak de halve ton overschrijdt, is het stapvoets verlaten van het lanceerplatform eigenlijk helemaal niet zo moeilijk als gevreesd. Dat hebben ze verdraaid goed gedaan. Alsof er van de 501 kg (zonder rijder 424 kg) er een stuk of 100 bij de weightwatchers achter blijft. Met de ‘choke’ er nog op rolt de Big Twin met twee vinger in de neus zo het erf af. En die positieve indruk over wegligging, hanteerbaarheid, stuurgemak, wendbaarheid en ook stabiliteit blijft zodra en zolang je boven de 10 km/u rijdt. Hier heeft mister Rush more werk van gemaakt dan je had kunnen vermoeden.

Goede tijden, slechte tijden

De dikkere en stijvere voorvork werpt zijn vruchten af, de herziene geometrie lijkt geslaagd. Even voor de duidelijkheid: alles in het licht gezien van de nieuwe felle ´Daymaker™ LED koplampen´ en de maten en gewichten, maar al heel snel blijkt dat er met de Road Glide Ultra verdraaid goed te sturen en manoeuvreren is. Het insturen gaat betrekkelijk licht, makkelijk en ‘op zeker’. De Ultra heeft niet de neiging naar binnen te willen vallen zoals de oude Tourings in het verleden deden. Met een streepje gas er bij (of heet dat bij Ride-by-Wire een paar Ohm gas er bij?) richt hij zich weer eenvoudig op en laat zich dan gewillig op de andere treeplank leggen als Rijkswaterstaat je die kans biedt. Er is slechts één tegenpartij en dat is de korte achterveer die op minder goed wegdek voor onrust in het rijwielgedeelte zorgt. Hij werkt totaal niet samen met de zachte voorkant en is veel te snel aan zijn eind, waar ook de rustige rijder onder te lijden heeft. Een langere veerweg zou de achterkant echter omhoog doen komen en de lijn van ´hoog voor en dan laag naar achteren´ horizontaliseren. En dat hoort niet. Mooi voor de designlijn, minder mooi voor de bochtenlijn. Ook de manoeuvrabiliteit is dus goed. Mits de weg breed genoeg is kan er met gemak en vol zelfvertrouwen gekeerd worden i.p.v. drie keer rechtsaf en één keer linksaf te hoeven slaan, met dank ook aan de versoepelde gasdosering. De koers rechtuit is zelfs bij irrelevant hoge snelheden van 180 km/u nog steeds meer dan goed is en mede door de Dual-Compound banden(en de gevoelsmatig grotere grondspeling dan voorheen) is het geen kunst om de treeplanken links en rechts, hier en daar opnieuw te modelleren.

Reláx…

Helder: een BMW K 1600 GTL, om maar eens een dwarse dwarsstraat te noemen, ga je niet bijhouden. Maar dat wil je ook niet. Je wilt wel het comfort, om dat afgeslagen pad maar te volgen. En krijgt dat. Voor de Ultra wordt dat met12 hoofdletters geschreven: ULTRA COMFORT! De ergonomie is net als de balans meer dan uitgekiend. De storm van kritiek die de Special kreeg vanwege de matige bescherming en overvloedige turbulenties wordt geluwd door de hogere ruit. De ‘Rushmore’ sleuf daaronder verricht wonderen door in geopende stand de tot dan geringe turbulenties tot een absoluut minimum te reduceren. Windsleuven links en rechts van de dubbel koplamp en ook in die in de ‘beenschilden’ beïnvloeden zowel de wervelingen achter het plaatwerk als de temperatuur van de lucht waar de rijder in zit. Het zadel, de treeplanken, het perfect functionerende Cruise Control, de luxe voor vriendin-lief: allemaal op een niveau wat je van de Amerikanen met hun eindeloze Highways mag verwachten en waar je hier géén problemen mee zal hebben. Alleen handvat- en zadelverwarming ontbreken, de testrijders waren kennelijk hele echte doorgewinterde rijders…

Enig minpunt qua comfort is hetzelfde als bij de wegligging: de achtervering. Domweg te kort om comfi te kunnen zijn, daar kan de luchtondersteuning (nu via een wel goed bereikbaar ventiel, maar nog steeds niet met een standaard meegeleverd handpompje) weinig soulaas bieden. Zeker voor Europeanen die met zijn tweeën rijden wordt er wel een behoorlijk beroep gedaan om andermaal stijl voor functie te accepteren.

Voortgang

Het geheel wordt natuurlijk nog steeds voortbewogen door het meest bekende en geliefde motorblok ter wereld. Nog steeds een evolutie van wat meer dan 110 jaar geleden begon, maar alleen cilinderopstelling en stoterstangen gemeen heeft. Geëvolueerd ook in cilinderinhoud, want een Big Twin meet tegenwoordig 103 Cubic Inch. Het blok wurmt zich door de steeds enger wordende richtlijnen van Euro-normen, maar wordt in hoofdlijnen beter en beter. En eerlijk gezegd (daardoor?) ook steeds minder onderscheidend, mechanisch steeds stiller en minder uitgesproken. Waar héél vroeger het stationair nog op 600 tpm tegen afslaan stationair stond te stampen, draait het nu ‘smooth’ rond op 1.000 tpm. Danste eerder het stuur nog 2 cm op en neer, moet je nu goed kijken of hij dat nog wel doet. Een stukje emotie waar de verstokte Harley freak het toch wat moeilijk mee zal hebben. Wat wel heel mooi is, is dat je vanaf die 1.000 omwentelingen in de eerste drie versnellingen, en bij elke volgende versnelling vanaf een iets hoger toerental, vol op het gas kunt. Dat is nog steeds toegestaan en ongeëvenaard. Paf-paf-paf-paf-paf-paf. Daarbij stijgt de hartslag evenredig snel met het toerental van die machtige krukas. Het geluid komt nu echter uit het luchtfilterkast.

Ook hier is er is echter een maar: vanaf de andere kant gaat het niet helemaal lekker. Wanneer bij aflopende snelheid het toerental onder de 2.000 komt, gaat de zaak in de aandrijving slaan. Waarschijnlijk door een combinatie van injectie/rolinschakeling, de ‘omgekeerde’ aandrijving (het achterwiel drijft het blok aan) en de ruime speling in de aandrijflijn gaat de H-D hokken en bokken. Dat is niet fijn en daardoor ben je geneigd het toerental boven de 2.000 te houden. Hadden de ruiters te paard die de Gouden Koets op Prinsjesdag begeleiden qua balans bij lage snelheden vervangen kunnen worden door motorordonnansen te H-D, door deze eigenschap gaat dat zéker niet gebeuren. En dat is best jammer…

Dit vindt Promotor

Harley zei het zelf al: ´Project Rushmore begon als een methode om de Touring machines van voor tot achter opnieuw te overdenken. Het liep uit op een nooit eindigende zoektocht´. Op de ’to-do-list;’ staat meer veerweg achter en betere draai-eigenschappen op deellast onder de 2.000 tpm. Maar er is al veel afgevinkt. De Ultra is als onderdeel van de Touring-range weer beter geworden tegen de ‘negatieve spiraal’ van de steeds strenger wordende typegoedkeuringen in. Alle koffers laten zich nu met één hand openen en sluiten en zijn waarschijnlijk tot op een diepte van 100 meter waterdicht. De stabiliteit is verbetert, de stuureigenschappen, de weersbescherming, de stop- en bedieningskracht van de remmen, de werking van het ABS en de afvoer van warme lucht. Hinderlijke turbulenties zijn geminimaliseerd, de versnellingsbak lijkt beter, ga zo maar door.

Eh… ga zo maar door!

Victory Octane 2016

0

Bij het uitbrengen van hun nieuwste, sportiefste V-twin heeft Victory zich niet ingehouden voor wat betreft de reclame. De verkoopbrochure staat bol van kreten als ‘moderne Amerikaanse muscle bike’, ‘racevermogen’ en ‘rauwe adrenaline’, over een machine die garant staat voor ‘prestaties en opwinding zoals Amerikaanse V-twin-rijders nog nooit hebben meegemaakt’.

Tekst Roland Brown

Vandaar een onvermijdelijk gevoel van teleurstelling – en een spervuur aan kritiek van internetridders – toen de Octane bij zijn onthulling een uitgesproken verwantschap bleek te vertonen met de Scout van zustermerk Indian, die min of meer dezelfde prestaties levert en bij zijn lancering in 2014 beschreven werd als instapmodel. Wat misschien relevanter is: met zijn maximumvermogen van 103 pk is de Victory zo’n 10 pk minder krachtig dan een V-Rod van een bepaalde Amerikaanse rivaal van 15 jaar geleden…

Toch adrenaline

Toch doet de Octane behoorlijk agressief aan wanneer ik het rubber laat schroeien in een burn-out op het circuit van Daytona Beach en dan met fikse dotten tussengas richting de streep kruip. De kerstboom knippert groen, ik laat de koppeling opkomen terwijl de toerenteller het maximum van 8000 tpm nadert, en de Octane schiet naar voren. Het achterwiel laat een zwarte streep na over het asfalt. Na 400 meter en slechts 12 seconden zit ik op 173 km/u.

Oké, op dat punt is er nog slechts zo’n 30 km/u te gaan voordat hij op zijn topsnelheid zit, maar die ritjes op het circuit bewijzen dat je je met de Octane bepaald niet hoeft te schamen. En niet alleen op het rechte stuk, want daarvoor waren we een half uur bezig geweest om hem rond de pylonen van een parcours te sturen met twee doelen in het hoofd: zoveel mogelijk schuurtijd voor de voetsteunen en een rappe tijd neerzetten. Dit alles in het kader van het streven van moedermaatschappij Polaris om de Victory neer te zetten als het sportieve Amerikaanse merk; de historie en nostalgie laten ze over aan Indian.

De reden dat de Octane op de Scout lijkt, is uiteraard dat ze hetzelfde basisontwerp hebben, inclusief de uitvoering van de vloeistofgekoelde, 60 graden achtkleps motor met dubbele bovenliggende nokkenas. Volgens Victory is 65 procent van de onderdelen nieuw, ook al dienen vele wijzigingen alleen ter verfraaiing. Het ene model is niet gebaseerd op het andere: volgens Steve Menneto, Vice President of Motorcycles van Polaris, zijn ze samen ontwikkeld en voornamelijk om marketingredenen anderhalf jaar na elkaar uitgebracht.

De zuigers zijn 2 mm breder, wat de afmetingen op 101 x 73,6 mm brengt, met een cilinderinhoud van 1179 cc. De Scout heeft een inhoud van 1133 cc. De verbrandingskamers hebben een andere vorm gekregen, de compressie is met 10.8:1 een fractie hoger en de nokken zijn iets pittiger. Het resultaat is een piekvermogen van 103 pk bij 8000 tpm, 3 pk meer dan zusje Indian Scout. De onderkant is ongewijzigd gebleven, maar het grotere tandwiel achter van de tandriemaandrijving geeft een 7 procent kortere overbrengingsverhouding voor een rappere acceleratie.

Snel en flexibel

De uitvoering van het frame is hetzelfde als bij de Scout: een combinatie van stalen buizen met gegoten aluminium stukken voor en achter. Achteraan staan de dubbele schokdemperunits onder een iets verticalere hoek. Net als de 41 mm vorken hebben ze iets stuggere dual-rate veren, met een daarop afgestemde demping. De gegoten wielen hebben voor een doorsnede van 18 inch en achter van 17 inch, in plaats van 16 inch zowel voor als achter zoals bij de Indian.

Ook de styling lijkt sterk op die van de Scout, zij het dat de Victory een bikinikuip heeft. Het motorblok is overwegend grijs of zwart afgewerkt, wat mooi past bij de grijze lak, de enige kleur waarin hij geleverd wordt. De spatborden zijn iets kleiner dan die van de Indian. De shotgun-uitlaatpijpen zijn schuin gesneden en zwart afgewerkt, niet verchroomd. Onder de kuip heb je zicht op een ronde console met snelheidsmeter, waar een kleine digitale toerenteller in verwerkt is.

Qua ergonomie is er niets wezenlijks veranderd. Het stuur loopt naar achteren, wat samen met de naar voren geplaatste voetsteunen voor een kenmerkende cruiserhouding zorgt. Het eenpersoonszadel is uitgevoerd in zwart kunststof in plaats van bruin leer en met de zithoogte van 673 mm slepen je knokkels nog steeds over de grond (ook al geeft Victory een andere ‘belaste’ hoogte op, waarbij het zadel gecomprimeerd wordt door een berijder van wie het gewicht niet nader gespecificeerd is).

Op rechte stukken presteert hij vrijwel net zo als de Scout, indrukwekkend snel en flexibel, met misschien iets meer pit in de bovenste regionen vanwege de grotere boring en een subtiel levendiger gevoel bij lagere snelheden vanwege de kortere overbrengingsverhouding. De motor is snel genoeg om leuk te rijden over de merendeels rechte wegen rond Daytona; hij blijft soepel tot hij ver boven de 6000 tpm een klein beetje begint te trillen.

Geen Kenda banden graag

Op de snelweg rijdt de Victory bij 110 km/u nog steeds soepel, ondanks de kortere overbrengingsverhouding. De kleine kuip houdt op borsthoogte wel wat wind tegen, maar door de typische opgevouwen cruiserhouding krijg ik op den duur wel wat last van mijn rug. Voor heeft hij een veerweg van 120 mm, achter slechts 76 mm: niet veel maar dat zie je bij veel cruisers. Flinke hobbels gaan recht naar je wervelkolom, dus die kun je indien mogelijk het beste vermijden.

Op het circuit komt de Octane veel meer tot zijn recht. Naast het tempo op de kwartmijl en het ontwijken van de pylonen laat hij zien wat hij kan als stuntmotor. De meesten van ons weten een paar rollende burn-outs te maken (we hebben ons echter maar niet gewaagd aan de zijwaartse sliding van het stuntduo van Victory, Tony Carbajal en Joe Dryden). Deze motor is bij lange na geen echte ‘muscle cruise’r zoals de Ducati XDiavel met zijn 156 pk, maar hij is snel genoeg om plezier mee te hebben.

Ook op bochtiger wegen is het best leuk rijden, want de wegligging van de Octane is behoorlijk goed. Florida heeft niet veel bochten, maar uiteindelijk vinden we er een paar in het Ocala National Forest ten westen van Daytona. Met een drooggewicht van 243 kg is de Victory bepaald geen lichtgewicht, zelfs niet voor een cruiser, en met een balhoofdhoek van 29 graden is zijn stuurgeometrie niet steiler dan die van de Scout, hoewel zijn voorwiel een doorsnede heeft van 18 inch in plaats van 16 inch.

Het brede stuur geeft echter voldoende controle om zonder al te veel moeite van richting te veranderen. En het nieuwe aluminium voorstuk van het frame zorgt aan weerszijden voor een extra graadje leunhoek, wat genoeg grondspeling oplevert voor een redelijk enthousiast bochtenwerk, althans voor een cruiser, voordat de steunen de grond raken.

De remprestaties zijn helaas veel minder bevredigend, met name bij de modellen die bestemd zijn voor de Amerikaanse markt, omdat die niet uitgerust zijn met ABS. Het probleem zit hem niet in de remmen, maar in de Kenda-banden. Hun gebrek aan grip is handig bij een burn-out met het achterwiel, maar minder geslaagd wanneer je het voorwiel nodig hebt bij het afremmen. Ook al is de voorrem niet meer dan een simpele schijf van 298 mm met een remklauw met dubbele zuiger, hij heeft veel teveel power voor de band, zelfs op een droge weg.

In de twee dagen dat we gereden hebben, kwam het dan ook drie keer voor dat er iemand crashte bij lage snelheid omdat het voorwiel blokkeerde. De schade aan de berijders en de motoren was minimaal, maar het nadeel van goedkoop rubber – en het voordeel van ABS, waarmee de Octanes in Europa en vele andere landen uitgerust zijn – is duidelijk. Anti-blokkeringsremmen of niet, iemand die deze motor aanschaft, kan maar beter in de showroom blijven tot er betere banden op gemonteerd zijn.

Geweld geen probleem

Gelukkig lijkt de zuinigheid van Victory geen invloed te hebben gehad op andere gebieden, waaronder de kwaliteit van de constructie. Het meest indrukwekkend is de transmissie van de Octane, die bestand blijkt tegen heel wat grof geweld. Dat zien we met name op het circuit, waar alle motoren ongeschonden overeind blijven na een ochtend waarop vele andere fietsen met een doorgebrande koppeling de geest zouden hebben gegeven.

Dat alles duidt erop dat de vloeistofgekoelde Polaris V-twin sterk genoeg is om aanzienlijk meer paardenkrachten aan te kunnen. Dat blijkt ook al uit het feit dat hij als basis diende (zij het in aangepaste vorm) voor de Project 156 racer, die vorig jaar meedeed aan de Pikes Peak heuvelklim. Dat draagt dan weer bij aan het gevoel van teleurstelling dat de ingenieurs van Victory de Octane niet wat meer paarden hebben gegeven als onderbouwing van die schreeuwerige brochures over muscle, power en adrenaline.

Hoe dan ook, hopelijk is de Octane gewoon de eerste van een nieuw slag Victory cruisers, met prestaties die de hype uiteindelijk zullen waarmaken. En tot die tijd is deze gematigd krachtige machine perfect in staat (uitgezonderd de banden) om allerlei motorliefhebbers blij te maken, mits ze niet te veel snelheid verwachten. Daar komt bij dat hij redelijk geprijsd is: in de meeste landen kost hij iets minder dan de Scout. Als je iemand mee wilt nemen, zul je een buddyseat moeten bijbestellen uit de catalogus met accessoires. Daarin vind je ook een vlakker en hoger stuur, een toerenteller, schokdempers met extern reservoir en slip-on uitlaatdempers.

Interview

Steve Menneto, Vice President Motorcycles van Polaris

‘Op het moment groeien we heel snel – afgelopen jaar met 67 procent, een groeitempo waar je van staat te kijken. In de komende drie tot vijf jaar streven we in Noord-Amerika naar een aandeel van 20 procent in de sector zware cruisers (meer dan 800 cc), en een aandeel van 15 à 20 procent elders.

‘Waarom zouden we over 10 of 20 jaar geen marktaandeel van 50 procent kunnen hebben? Als je dat in een ondernemingsplan zet, weet je dat je een paar gekke dingen zult moeten doen. Ja toch? Maar toen ik in de jaren negentig begon bij Polaris, verkochten we terreinmotoren en zaten we op 17 procent. Honda stak toen boven iedereen uit met iets van 30 procent.

‘Maar stukje bij beetje knabbel je steeds iets van ze af. Nu staan we wereldwijd aan de top voor wat betreft terreinmotoren, en we zijn een van de grootsten op het gebied van side-by-sides. We begrijpen wat ervoor nodig is om een onderneming op te bouwen, dat marktaandeel van 20 procent te halen, want dan is het financieel verantwoord om te herinvesteren en stug door te gaan. Toen ik de afdeling overnam, vertegenwoordigden motoren 3 procent van Polaris. Dat is nu 13 procent. Maar kansen, dat is waar we ons op richten. We hebben de kans om veel groter te worden.

‘Met name de veelzijdigheid van onze aandrijflijn geeft ons de mogelijkheid om veel meer te doen. Als je naar Europa kijkt, zijn er bepaalde marktsectoren waarin we nog niet actief zijn. Ik ben van mening dat we nu voldoende in huis hebben om daarin te stappen. We praten niet over toekomstplannen, maar we weten dat er daar kansen liggen.

‘De Scout en de Octane zijn projecten die tegelijk van start zijn gegaan. Vanaf het begin was het altijd de bedoeling om het platform te delen. In de ontwerpfase wilden we meteen de juiste platformstrategie hanteren. Dat maakt ons geloofwaardig, het geeft ons koopkracht en werkt winstgevend. Als je naar Volkswagen, Audi en Porsche kijkt, zie je precies hetzelfde.

‘Het verschil tussen auto’s en motoren is dat autofabrikanten het platform kunnen verbergen onder metaalplaten. Bij motoren is de aandrijflijn het belangrijkst. Sommige delen daarvan zijn zichtbaar, dus dat is een uitdaging. De kunst is om de aandacht te vestigen op de dingen die de consument eigenlijk niets uitmaken.

‘Op dit moment is er sprake van een overlap (tussen Victory en Indian), maar onze branding is niet hetzelfde. We zijn dan ook actief in soortgelijke sectoren. Wanneer we ons begeven in andere sectoren, zullen ze meer uiteen gaan lopen. Neem bijvoorbeeld Project 156 (de super-naked Pikes Peak racer). Hier doen we echt ons best om kansen te grijpen en zo snel mogelijk vooruit te komen.

‘Gaan we in de toekomst concurreren met Ducati? Op den duur krijgen we concurrentie van zulke merken, wanneer we de markt op een andere manier en met een ander product betreden. Het zijn heel goede concurrenten en we nemen ze zeker serieus. We hebben heel goed inzicht in de consumenten, en ze accepteren alleen producten van de hoogste kwaliteit. Dus als we stappen ondernemen, doen we dat met het beste dat we kunnen brengen – en dat zal sterk concurrerend zijn.’

Denemarken: De Friese viking

0

Het wroeten in de familiehistorie is bij uitstek een klus die zich afspeelt in stoffige archieven. Maar Jelle Cnossen is behalve lettervreter ook motorrijder en ging daadwerkelijk op pad om zijn afkomst te traceren. Met een BMW R Nine T ‘zo uit de verpakking’ reed hij een prachtige en soms zelfs emotionele tour door Denemarken, op zoek naar zijn Scandinavische wortels.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/Denemarken-Friese-Viking.gpx”]

Tekst: Flex-Media, foto’s Jacco van de Kuilen, met dank aan: BMW Nederland, VisitDenmark, Camping Farup Sø (Jelling) en Bogense Strand Camping (Bogense)

Denemarken is een verborgen pareltje voor motorrijders. De rust op de wegen, fraaie uitzichten en een kant en klare toeristische route van zo’n 3.700 km, de Margueriten Route, maken het land zeer aantrekkelijk voor een weliswaar niet al te uitdagende, maar wel zeer relaxte trip. Wat dat aangaat is Jelle hier echt op zijn plek. Zijn wilde haren is hij met zijn 72 jaar allang kwijt, zijn eigenhandig gerestaureerde semiklassieke Honda CX500 is er vooral voor het spreekwoordelijke rondje rond de kerk. Voor de lange rit naar Denemarken koos hij een iets comfortabeler en modernere motor: een R Nine T van BMW. De hergeboorte van de boxer doet Jelle goed. Als oud-politieman heeft hij heel wat kilometers gemaakt op de illustere voorgangers van deze jubileum-BMW, de R60 en de R90. ‘Het waren heerlijke politiemotoren. Ik was chef-verkeer bij de politie in Den Helder, waar we zelfs nog met R60 zijspannen reden. Het waren voor die tijd echt snelle machines, 160-170 km/u was geen enkel probleem. In de veertig jaar dat ik bij de politie heb gewerkt waren BMW-motoren een belangrijke rode draad. Zelfs toen ik in de jaren ’80 korpschef was, kon ik het niet laten om af en toe een dienst-K75 te pakken en met de ‘maten’ de weg op te gaan. Op deze Nine T heb ik dat oude boxergevoel uit de beginjaren weer terug, heerlijk.’

Speurtocht naar afkomst

Maar we gaan niet naar Denemarken om een lofzang voor BMW te zingen. Het zijn Jelle’s familieroots die trekken. ‘In de jaren ’50 van de vorige eeuw is er een begin gemaakt met het in kaart brengen van onze familiegeschiedenis. Het is een opvallende naam die bovendien al lang gebruikt wordt. De eerste keer dat we de familienaam, toen nog geschreven als Knossens, in Nederlandse geschriften tegenkomen is in 1456. Dat ging om een terp in de buurt van Bolsward met daarop een boerderij die Groot Knossens heette. Let wel, dat is 25 jaar voor dat Columbus in Amerika kwam.’

Nader, meer recent speurwerk bracht de familievorsers naar het buitenland, waar in oude Duitse en Poolse geschriften van circa 1200 de namen Knossen en Cnossen terug te vinden zijn. Vandaaruit lopen de lijntjes noordwaarts. Jelle: ‘In Denemarken kom je veelvuldig de naam Knudsen tegen, wat daar wordt uitgesproken als Knoesen. Aangezien de zoon van Vikingkoning Harald Blauwtand al Knud heette, dachten we dat we de oorsprong van de naam gevonden hadden.’ Echter, de voorbereidingen voor deze trip leverden nieuwe aanknopingspunten op. ‘Toen ik de naam Knossen in combinatie met Denemarken googlede, kwam ik diverse plaatsen tegen die Knøsen heten. Dat bleek een oud-Deense benaming voor heuvels te zijn.’

Jelle gaat niet zonder reden op pad. Samen met andere Cnossens is hij bezig met een stamboom in boekvorm. De eerste versie, uit 1985, telt al 700 pagina’s, de nieuwe zal, mede door de komst van internet en de inzet van professionele onderzoekers, nog veel uitgebreider worden.

Vanaf de Nederlands-Duitse grens is het maar 600 kilometer naar de eerste stop, Jelling in het hart van Jutland. Vanwege het drukke programma kunnen we helaas niet langs de bijzondere Waddenzee-route naar boven rijden, maar kiezen we voor de snelweg. Nog geen uur na aankomst op de eerste pleisterplaats zijn we de monotone tocht alweer vergeten door een bijzondere ontmoeting. Midden in het stadje liggen bij de kerk de beroemde Jellingstenen, overblijfselen van de vroegste historie van Denemarken. De grootste steen is opgericht rond het jaar 950 en herinnert aan koningin Thyre, de vrouw van koning Gorm. Samen met de kerk en de omliggende grafheuvels staan de stenen op de werelderfgoedlijst van UNESCO. Gorms illustere zoon, koning Harald 1, kreeg de bijnaam Blauwtand. Aan hem is niet alleen een groot deel van het waanzinnig interessante museum in Jelling gewijd, ook inspireerde hij de Nederlandse ingenieur Jaap Haartsen toen deze een naam zocht voor de digitale communicatievorm die hij uitvond, Bluetooth. Maar dat terzijde.

Het schitterende, nabij gelegen museum over de Viking-historie is een bezoek meer dan waard. Het is echter een toevallige ontmoeting met twee medewerksters van het Viking-museum die het hoogtepunt van het bezoek aan Jelling vormt. Wanneer Jelle hen uitlegt waarom hij de stenen bezoekt en zich daarbij aan de dames voorstelt, reageren ze verrast: ‘Maar hoe komt u aan een oud-Deense achternaam?’ Ze leggen uit dat de naam vroeger inderdaad verwees naar mensen die op heuvels woonden. Bingo! Eigenlijk is de trip al geslaagd, terwijl we nog een flink aantal kilometers voor de boeg hebben.

Tuborg in de tas

De rondreis door Denemarken brengt ons kris kras over de eilanden, al met al zullen we zo’n 1.200 km maken. Omdat we maar drie dagen in dit machtig mooie land zijn en de meeste locaties die we willen bezoeken niet direct langs geplaveide wegen liggen, is het flink aanpoten. Vroeg op, laat erin is het devies. Het blikje Tuborg dat de Nederlandse eigenaar van de lokale camping ons ’s avonds aanbiedt gaat in de tas voor thuis, want de volgende ochtend vertrekken we in alle vroegte naar het buurtschap Ry bij Silkeborg. Daar zoeken we de Knøsenvej op, de Knossenweg. Het route blijkt niet meer dan een gravelpad langs eenzame boerderijen, maar uiteindelijk bereiken we ons doel. Jelle is onder de indruk van de BMW R Nine T. ‘Hij ziet eruit als een moderne caféracer, maar hij is ook op dit soort wegen best comfortabel.’ Jelle hebben we de eerste dag leren kennen als een enthousiaste verteller als het om de familiehistorie gaat, eenmaal op de top van de heuvel Knøsen valt hij toch even stil. Het uitzicht over de groene wouden van Noord-Jutland is niet alleen prachtig, het idee dat zijn voorvaderen eeuwen geleden ditzelfde zagen, doet ‘m wat.

We hebben niet al te veel tijd voor emotionele mijmeringen, de boot wacht! De volgende stop is op Samsø, een prachtig eilandje dat ligt ingeklemd tussen zijn grote broers Jutland en Funen. Het staat bekend om de ecologisch verantwoorde economie. Door windenergie en koolzaadolie wil het eiland voorzien in zijn eigen energiebehoefte. Op de fraaie kronkelweggetjes tussen de heggen door is het heerlijk motorrijden. We treffen het met de gekozen reisperiode. In mei geven de paarse seringen, het knalgele koolzaad en de bloedrode huizen een bijzondere couleur locale. Wat een perfecte manier om op zoek te gaan naar de volgende stop. Jelle: ‘Langs de kust in het Zuid-Oosten van Samsø ligt een hunebed dat wordt aangeduid met de naam Knøsen. Hij stamt uit het Neolithicum, een periode die zo’n 5.000 jaar geleden plaatsvond. Het probleem is alleen dat ik niet precies weet waar hij staat, dus hopelijk kan een dorpeling ons op weg helpen.’ Aan de hand van GPS-coördinaten en een iPhone proberen we het eerst op eigen houtje, maar vinden doen we het stenen graf niet. Een boertje dat volgens eigen zeggen al zestig jaar aan de overkant van de weg woont weet het ook niet. De Deense grijsaard fronst onwetend als Jelle de foto die hij op internet tegenkwam laat zien. ‘Nee, dat is hier niet.’ Teleurgesteld vertrekken we, om twee uur later weer langs zijn erf te ronken. De plaatselijke VVV heeft de directeur van het historisch museum erbij gehaald. Hoofdschuddend vanwege de onwetendheid van de locals wijst ze ons de weg. Wéér wordt de Nine T gegeseld door opspattende stenen op de vele onverharde wegen die Denemarken nog heeft. Voor het laatste deel van de minipelgrimage gaat de R op de jiffy. Het pad dat we moeten aflopen is meer het terrein voor een GS. We volgen Jelle in zijn kielzog op een tocht door hoog gras en een zanderige akker direct aan de zee. Eindelijk, we hebben ’m gevonden. Het hoge maïs onttrekt het bouwwerk vanaf de weg aan het oog. De enorme zwerfkeien liggen hier al vijftig eeuwen, je kunt je haast niet voorstellen wat er zich hier allemaal heeft afgespeeld. Triomfantelijk haalt Jelle een enorme vlag uit zijn tas. ‘De familievlag’, zegt hij trots. De kleuren van het vaandel sluiten naadloos aan bij het knalgele koolzaad, de groene akkers en het donkere water van de zee. Alsof we een knipoog uit het walhalla krijgen, komt er net op het moment dat we gaan fotograferen een briesje op zetten zodat de vlag fier wappert. Jelles grijns zegt genoeg.

Noordse ijdelheid

We vertrekken van Samsø niet op de manier zoals we gekomen zijn, maar pakken de boot naar Kalundburg op het eiland Seeland. Gedurende de twee uur durende reis is er tijd zat om te bomen. Hoe kan het toch dat zoveel familiegeschiedenis te traceren is? Jelle lacht: ‘What’s in a name, zei Shakespeare al. Cnossens hebben de neiging om zelf een Knøsen te zijn. We zijn graag in the picture. Zo zie door de eeuwen heen relatief veel herenboeren, dominees, officieren en onderwijzers in de familie. Ook hebben ze vaak zitting in kerkbesturen of zijn ze op andere vlakken maatschappelijk betrokken. We kunnen dus gebruik maken van heel veel verschillende administraties, waar we niet alleen individuen, maar ook familieverbanden vinden. Over een burgemeester wordt nu eenmaal meer geschreven dan over een putjesschepper.’ Maar hoe zit het dan met die Vikingen in de familie? ‘Het Deense rijk was vroeger enorm, ook Zweden hoorde erbij. De connecties tussen Noord-Nederland en Denemarken waren erg goed. De taal is verwant. Ik ben van geboorte Fries en kan het moderne Deens tot op zekere hoogte prima lezen. De Friezen stonden bekend om hun zeemanskunsten en handelsgeest. De Vikingen maakten graag gebruik van Friese schippers voor handelsmissies. We zien Vikingen vooral als brute plunderaars met horentjes op hun kop, maar in werkelijkheid stonden ze in West-Europa bekend om hun ijdelheid en mooie kleren. Ze gingen twee keer per week in bad, dat was uniek. Ik kan me best voorstellen dat er een Friese meid een leuke Viking aan de haak heeft geslagen. Wie weet komen we dat nog eens te weten, maar ik denk dat die kans erg klein is.’

Imposante weidsheid

Eenmaal aan de overkant is het maar een klein stukje naar onze derde stop. De historie van deze plek is vele malen recenter, maar daardoor niet minder interessant. Het is de uitkijktoren op de Knøsen in Skamstrup. Het gebouwtje lijkt in veel opzichten op een groot uitgevallen speelkasteel in de gemiddelde Vinexwijk. Maar dan doen we ‘m veel te weinig eer aan. Het maakt onderdeel uit van een netwerk van observatiepunten waar militairen het luchtruim boven Denemarken in de gaten hielden. Vooral tijdens de Koude Oorlog speelde toren van Skamstrup een belangrijke rol. Hoewel de toren in 2004 zijn officiële functie verloor, dient hij een prachtig doel. Door de hoge ligging en de vlakke omgeving heb je vanaf deze Knøsen een waanzinnig mooi panorama over het onaangetaste landschap. Hier is het goed te zien dat de gemiddelde bevolkingsdichtheid in Denemarken bijna vier keer kleiner is dan in Nederland (135 vs. 500 inwoners per km2). Een opvallend relikwie van de militaire functie van de heuvel is een hardstenen sokkel die we midden op de groene heuvel treffen. Een plaquette uit de 19e eeuw vermeldt dat één meter rondom de steen altijd beschikbaar moet blijven voor militaire doeleinden. Waarvan akte.

Stalen ballen

We laten de Knøsens voor wat ze zijn. Jelle wil als afsluiting van de toer graag een blik werpen op een belangrijke replica van een Vikingschip dat voorjaar 2016 te water is gelaten bij het Vikingmuseum in Kerteminde. Het museum ligt in the middle of nowhere, maar dat heeft een reden. Het is gebouwd op de plek waar archeologen een historisch Vikingschip hebben opgegraven en streng geconserveerd. In een bijna donkere, geklimatiseerde zaal zien we de spanten, schilden en uiteraard de kenmerkende boegspant van de bodemvondst. Een bijzondere situatie, want sinds het verdrag van Malta dat in 1992 van kracht werd, staat beschreven dat archeologische vondsten in situ, dat wil zeggen op hun vindplaats rust moeten krijgen. Een stel slimme Denen heeft bedacht om het wrak te laten liggen en dan maar met het museum ondergronds te gaan. Zo kunnen we er toch nog van genieten.

De replica die aan de steiger ligt is in vijf jaar gebouwd, met behulp van oude technieken. Het is niet zozeer de uitstraling of het technisch vernuft dat ontzag inboezemt. We zijn het erover eens dat de Vikingen ballen van staal moeten hebben gehad dat ze met zo’n frêle scheepje de zee op durfden, op zoek naar nieuwe landen.

Het zit erop. De tocht door Denemarken is meer dan geslaagd. Jelle straalt van oor tot oor door de ontdekkingen die hij heeft gedaan tijdens de trip. ‘We hadden altijd al het vermoeden dat de oorsprong van de familie hier moest liggen, maar ik heb nu met eigen ogen bewijzen gevonden. Dat is een geweldige bijdrage aan het familieonderzoek dat we aan het doen zijn. Het is natuurlijk prachtig om dat op deze manier te doen. Ik heb niet alleen in de verre historie kunnen spitten, door de rit op de BMW is als het ware ook mijn eigen historie weer aan de oppervlakte gekomen. Ik weet niet of BMW de Nine T voor een ouwe kerel als ik gebouwd heeft, maar ze maken me er wel heel erg blij mee!’

Frankrijk: Doubs

0

Je ziet hem snel over het hoofd, de Doubs, als je onderweg bent naar de populaire motorgebieden in het zuiden. Ten onrechte, want ook hier struikel je al over de fraaiste kloven en bergwegen die de kronkelende rivier omzomen. En dan hebben we het nog niet over de andere lekkernijen die deze authentieke regio te bieden heeft.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/Frankrijk-Doubs.gpx”]

Tekst en foto’s Klaus H. Daams

Ach, was je toch maar gewoon de Vogezen door gesjeesd, had je maar niet, alleen om een paar uurtjes uit te sparen, de Franse snelweg genomen. En dus staan we nu tussen Mulhouse en Belfort voor een tolstation en vormen, ongewoon voor motorrijders, een kleine file. Ergens zit er iets fout: de automaat accepteert creditcard noch cash. De slagboom blijft omlaag, hoe we ook schelden en claxonneren. Met de alarmknop lukt het dan uiteindelijk toch – en dat allemaal om een luttele één euro zestig. Dat stelt natuurlijk niks voor als je bedenkt waarom je altijd zo graag naar het beloofde buurland rijdt. Liberté, égalité, fraternité? Cuisineté! ’s Avonds je buikje rond eten als God in Frankrijk, als het Département je voorlopig wel even genoeg bochtige wegen heeft voorgeschoteld. Het lot heeft je gelukkig een passend onderkomen voor de volgende dagen aan de Doubs beschoren: Hôtel de France in Villers-le-Lac, waar chef-kok Huguez Droz, in bezit van een Michelinster, de fraaist opgetuigde en heerlijkste gerechten opdient.

Hup, je spullen naar je kamer en dan de uitgespaarde snelwegtijd benutten voor een eerste verkenningsrondje in de middag. Hemelsbreed bedraagt de afstand tussen bron en monding van de Doubs negentig kilometer – en dat terwijl de rivier 430 kilometer lang is. Het fijnmazige wegennet hier in de regio Franche-Comté kronkelt al net zo als de rivier. Je kunt eindeloos broeden op het optimale traject. Secure types voeden hun navigatie thuis al met alle mogelijke infrastructurele informatie, wie een beetje relaxed is gelooft dat allemaal wel en beslist onderweg spontaan waar je mooie bochtjes kunt draaien en hoe je verder moet. Hoe het ook zij: bij Mouthe komen we uiteindelijk uit bij de bron van de Doubs, via Pontarlier en de Route de l’Absinthe – genoemd naar het groene geestverruimende vocht, voor het eerst gestookt in Val-de-Travers en ook en vooral geliefd bij creatieve figuren als Vincent van Gogh en Oscar Wilde, lange tijd verboden en bijvoorbeeld pas in 2005 in Zwitserland weer gelegaliseerd.

De oorsprong van de rivier is bijna een mystieke plek, die je na een korte – echt waar! – boswandeling bereikt. Uit een donkere rotskloof klatert het water, stort zich in een glibberig labyrint van groenbemoste rotsblokken, tot het even later een paar meter de diepte in valt en op een lange reis gaat. Wie wil overnachten kan terecht in het rustieke Chalet de la Source du Doubs of op een klein kampeerterrein. Wat ons minder kan bekoren: geniepig steenslag, gravillons in het Frans, dat op diverse bergweggetjes van de Jura ongegeneerd tegen de bochtstukken van onze viercilinders hagelt en vlot rijden lastig maakt. Maar dat zijn we tijdens het diner allang weer vergeten als Maître Droz onze smaakpapillen kietelt.

Woensdagochtend. De zon lacht aan de blauwe hemel met toefjes wit. Zullen we gaan bootje varen van Villers-le-Lac naar de imposante waterval Saut du Doubs, op een veertien kilometer lange tocht door woest-romantische rotskloven? Eh, nee… In plaats van in de waterbus te stappen, starten we liever onze racemonsters – ook al kunnen we het rivierlandschap zo soms alleen vanaf een vue panoramique vanaf grote hoogte proeven. Wie nog intenser wil genieten, make een adembenemende klimtocht via de échelles de la mort, de trappen des doods, die vanaf Charquemont bewegwijzerd zijn.

Vooral in het Frans-Zwitserse grensgebied tussen La-Chaux-de-Fonds en St. Hippolyte hebben wegenbouwers laten zien waartoe ze allemaal in staat zijn. Fraai slingert de weg naar boven en beneden, het dal in, en weer uit, dikwijls door dichte bossen, dan weer langs alpenweiden. Als de blauw glanzende XJR 1300 niet zoveel vet op de luchtgekoelde ribben zou hebben gehad, had je hem zelfs voor een dansende libelle kunnen aanzien. Wat wel vaststaat: de dikke Yamaha houdt zich hier goed. À propos: de Doubs komt haar op dit stuk meestal alleen dicht voor de wielen als de weg afloopt naar de rivier en op plaatsen waar op de grens bij La Goule, Goumois of Soubey een brug de rivier overspant.

Wat intrigeert is waarom de Doubs, nadat ze amper een paar kilometer door Zwitserland heeft gestroomd, in het mooie St. Ursanne plotsklaps 180 graden omdraait en terug naar Frankrijk gaat. Nou ja, wat kan het ons schelen, zolang rivier en weg in nagenoeg synchroon verlopende meanders verlopen en de D 437c in dit ritme tot aan St. Hippolyte niet van haar zijde wijkt. Al even symbiotisch is de verhouding tussen D 39 en de uitbundig slingerende Dessoubre, die we tot Gigot volgen – kun je eigenlijk ook met rivieren “vreemdgaan”? – voordat we ons in Villers-le-Lac verlekkerd op ons menu van de buitencategorie storten.

Je zou de ogen van een arend, de vleugels van een gierzwaluw en de oren van een lynx moeten hebben, hoog op het uitkijkpunt Roche du Prêtre, van waaruit zich een grandioos uitzicht op de vallei Cirque de Consolation ontvouwt. En ergens daarbeneden, goed verstopt in het dichte bos, de bronnen van Dessoubre, Lançot en Tabourot, en de bedevaartskerk Notre Dame de Consolation. Troostrijk voor de homo motoricus, wiens voelsprieten misschien niet altijd even goed zijn afgesteld om alle prikkels die een dergelijk buitenaards oord uitstraalt optimaal te verwerken, want hij draait de gashendel graag een stukje open. En dat mág ook na dit verpozen op deze preekstoel-van-een-rots.

Om onze raspaardjes te verzorgen, galopperen we nogmaals naar St. Hippolyte, versterken op de marktplaats aldaar de inwendige mens en spreken een BMW-rijder wiens trouwe K 100 lijdt aan “cardanasgrom” moed in, en dan is het de hoogste tijd om weer eens naar de Doubs om te zien. Wat is ze groot geworden! Kleine motorweggetjes, die zich verleidelijk tegen haar aan vlijen, zijn een zeldzaamheid tussen Montbéliard, Baume-les-Dames en Besançon. En ook verder tot aan de monding in de Saône bij Verdun-sur-le-Doubs ziet het er op de kaart nauwelijks beter uit. Zo valt het ons niet zwaar om voorlopig afscheid te nemen van de “blauwe draad” van onze tour en op zoek te gaan naar alternatieven.

De (kaarten)tafel is rijk gedekt. Ons eerste doel is Ornans, een met recht schilderachtig stadje, want hier stond ooit de wieg van Gustave Courbet. De grondlegger van het Franse realisme vond als schilder zijn motieven pal voor de deur, waar, om het nog pittoresker te maken, ook nog de bekoorlijke Loue langs kabbelt. Een ensemble dat je wel móét vastleggen met penseel of pixels. En hoe zit het met de pk’s? Een knalrode Guzzi Centauro en een kanariegele R8, die je nog even flink op z’n donder moet geven, produceren de lieflijkste klanken – en opeens hoor je jezelf in je helm brullen, hard of nog harder, al naar gelang je temperament, terwijl je op de D 67 door het dal van de Loue en de Nouailles-kloof tot Mouthier-Haute-Pierre zoeft. Nog zo’n slikmoment overkomt je ten zuiden van Morteau aan de D 437 bij de vernauwing Défilé d’Entreroche, waar de Doubs accelereert naar een hogere versnelling en je onder een overhangende rots, die als een gigantische vangrail de hemel in steekt, aan de solide picknicktafel moet plaatsnemen. Haast met beleid. Rust zonder gejakker.

Pauzeer je te lang, dan amuseer je je nog meer. Stel gerust uit tot morgen wat je vandaag nog kan verzorgen. Geen jachtigheid, maar bedachtzaamheid. Met andere woorden: slinger de motoren maar weer aan, dan sturen we ze naar de plek waar we gisteren bijna ons hart verloren. Kitsch? Courbet zou het wel begrijpen. Van hetzelfde laken een pak: als je na een ochtendlijk opkikkertje door de Nouailles-kloof opnieuw een rendez-vous met de montere Loue hebt, het liefst nog in Lods, waar je het er onder het rijk beschaduwde terras van Hôtel de France (niet te verwarren met onze gelijknamige accommodatie) even van kunt nemen terwijl recht tegenover je twee eenden op het punt staan een duik te nemen. Met doodsverachting stort het vrouwtje zich ten slotte over een stuw in de Loue – het mannetje kijkt vooralsnog angsthazig toe.

Genoeg gechild, tijd om weer in de benen te komen. Als rijpe kersen plukken we de lekkerste hapjes van de routekaart. Het begint al meteen op vierhonderd meter hoogte met de niet te versmaden kronkelstraatjes van Lods naar Hautepierre-le-Châtelet, waarna we prinsheerlijk verder rijden langs het Château de Cléron, terwijl we ondertussen blikken werpen op de diepe dalen en weidse vergezichten tussen Amondans en Courcelles. In Pontarlier tuffen we van stoplicht naar rotonde, kunnen los op de rustige D 47 naar Morteau, waar onze 1300 cc’s even lekker mogen ronken, en leggen weer aan in Villers-le-Lac. Een plaats trouwens waarvan het “uitgedoofde karakter een eigenaardig contrast vormt met het vitale landschap,” aldus mijn reisgids. Maar wat doet dat ertoe wanneer Huguez Droz met zijn charmante vrouw Natalie en de keukenbrigade hun gasten opwachten om ze te verwennen, in de hoop en verwachting dat zij zich de filosofie van dit op het oog onopvallende restaurant eigen maken: l’éveil des sens – het ontwaken der zinnen.

INFO

Als haarvaten lopen de Doubs en andere schitterende rivieren door de Franse Jura. Maar nog fijner gesponnen is het web van meanderende, voor motoren geschikte weggetjes.

HEENREIS

Villers-le-Lac, uitvalsbasis aan de Doubs, bereik je het snelst via snelwegen, eerst via de Duitse richting Bazel, dan via tolwegen naar Mulhouse en Belfort; vervolgens vanaf Montbéliard over de D 437 naar St. Hippolyte en Morteau, het laatste stuk ten slotte over de D 398 en D 216 naar Villers-le-Lac. Vanuit Rotterdam via Keulen is deze route ongeveer 830 kilometer tot aan de bestemming. Het alternatief is korter – maar door de snelheidsbeperkingen en tolstations niet zonder meer sneller – door België, Luxemburg en vanaf Thionville al door Frankrijk; deze route is ongeveer 720 kilometer. En voor wie het nog niet weet: in Frankrijk flitsen ze van achteren en is de eigenaar van het voertuig aansprakelijk; en reken er vooral niet op dat je nog veilig bent bij een marge van tien kilometer boven de toegestane snelheid.

ACCOMMODATIE

Om onbekommerd en zonder bagage door de Jura te toeren kun je het best een vaste uitvalsbasis kiezen. Wij waren tevreden over Hôtel de France in Villers-le-Lac, kamers van 55 tot 120 euro, ontbijt 10 euro, keuken met ster, eenvoudige garage, tel.: 0033-381680006, www.hotel-restaurant-lefrance.com.

UITJES

Boottocht vanaf Villers-le-Lac naar de Doubs-waterval, www.vedettes-panoramiques.com; klokkenmuseum in Villers-le-Lac en in Morteau, ete.pays-horloger.com/musee-de-la-montre.html en http://de.franche-comte.org/offre/fiche/museum-des-uhrenfabrik/338000123; “Tuyé Papy Gaby” in Gilley, rokerij van de bekende Morteau-worst, www.tuye-papygaby.com; Château de Joux in La-Cluse-et-Mijoux, www.chateaudejoux.com; absintstokerij “Emile Pernot” in Pontarlier, www.emilepernot.fr; kaarttraject “Circuit de L’Enclos” bij Septfontaine, www.circuitdelenclos.com; Peugeot-museum in Sochaux bij Montbeliard, www.museepeugeot.com.

ADRESSEN

www.france.fr

www.franche-comte.org

www.doubs.travel

BMW R NineT Scrambler 2016

1

Als er een hemel voor snelle jongens bestaat, dan ben ik daar nu. Met een jethelm en een motorbril op rijd ik prinsheerlijk op een luchtgekoelde BMW boxer met hoog stuur, royale veerweg, hooggeplaatste uitlaat en een bruine buddyseat.

De nieuwe BMW R NineT Scrambler is zo cool dat je spontaan gaat huiveren. Dat is wel toepasselijk, want ik ben niet op weg naar een trendy bar in de stad, maar rijd over een rimpelloze slingerweg door een brede, U-vormige vallei in de Oostenrijkse Alpen.

Toch is het idyllische scenario niet helemaal volmaakt, want de bergen die aan weerszijden hoog oprijzen, worden gedeeltelijk aan het zicht onttrokken door de regen die tegen mijn baardloze kin klettert en mijn spijkerbroek doorweekt. Maar het goede nieuws is dat de Scrambler het absoluut fantastisch doet op het overwegend natte ritje van twee uur hier naartoe. (En een totaal geobsedeerde fashion victim ben ik niet: mijn vizier en regenpak liggen in de auto van de fotograaf.)

Veel merken die iets van ‘vintage’ claimen, lijken tegenwoordig met een scramblermodel te komen. BMW beschikt over de ideale basis om zich aan te sluiten bij de offroad retro-revolutie. Al sinds zijn lancering in 2014 is de R NineT een enorm succes. Ondanks het forse prijskaartje en onwrikbare sportieve karakter zijn er meer dan 23.000 van verkocht. Een op de offroad-geïnspireerde opvolger die het custom-publiek zou aanspreken lag dan ook voor de hand, zeker als dat voor een lagere prijs kon.

Het resultaat is de R NineT Scrambler, en ook al is die naam niet bijster origineel, hij doet wel recht aan de oorsprong van de motor. De boxer met een inhoud van 1170 cc en dubbele bovenliggende nokkenas komt zo van de NineT (die omgedoopt is tot R NineT Roadster). Hij heeft hetzelfde maximumvermogen van 110 pk en maximumkoppel van 119 Nm, ondanks het nieuwe, door Akrapovic ontwikkelde uitlaatsysteem met dubbele demper. Hiermee voldoet de Scrambler in elk geval wel aan de Euro-4 emissienormen.

De verschillen met de R nineT

Het verschil zit hem voornamelijk in het chassis, dat gebaseerd is op een aangepast stalen buizenframe met een afneembaar subframe achter. De voorvork staat onder een hoek van 29 graden, betrekkelijk lui vergeleken bij de 25,5 graden van het sportievere model. In plaats van upside-downers van 46 mm heeft hij een gewone telescoopvork van 43 mm, voorzien van rubberen manchetten voor een klassiek effect. Ook de veerweg is groter: 125 mm voor en 140 mm achter, tegenover 120 mm voor en achter bij de standaard Roadster.

Het voorwiel heeft een doorsnede van 19 inch in plaats van 17 inch, wat de Scrambler tot op zekere hoogte beter geschikt maakt voor terreinrijden. Het is dan wel weer jammer dat hij uit oogpunt van kostenbesparing geen spaakwielen heeft maar gegoten wielen. Het achterwiel meet wel 17 inch, maar is een smallere 170/60 in plaats van 180/55. Ook op de voorrem is bespaard: die grijpt zijn schijven van eveneens 320 mm met gewone vierzuiger remklauwen van Brembo, niet met radiale.

Nog meer besparingen zijn te vinden in de benzinetank, die ongeveer dezelfde vorm heeft maar van staal is, niet van aluminium, en een liter minder kan bevatten (17 liter). Veervoorspanning en uitveerdemping van de schokdemper zijn instelbaar, net als bij de Roadster, maar voor het afstellen van de veervoorspanning heb je een haaksleutel nodig; je kunt de ‘steller’ niet even snel met de hand draaien.

Voorts moet de Scrambler zich behelpen met een enkele analoge snelheidsmeter in plaats van een dubbel klokje. Hij heeft een enkel zadel, geen duozadel, en geen voetsteunen voor de passagier. Je moet zelfs bijbetalen voor een modelplaatje in oude stijl dat met klinknagels op de stuurstang bevestigd is, een leuk detail dat bij de Roadster standaard is.

Alerte gasreactie

Ondanks het feit dat het al regent bij mijn vertrek van de basis ten zuiden van München voelt de Scrambler goed aan, als ik mijn been over dat mooie geribbelde zadel – met 820 mm toch 35 mm hoger dan de oorspronkelijke nineT – gooi en naar voren reik naar het stuur dat dezelfde brede, oplopende vorm heeft maar bevestigd is op risers waardoor het een paar centimeter hoger is. Daardoor zit je iets meer rechtop en heb je meer ruimte.

Als ik optrek, voelt de BMW nog beter aan. Ik geniet van de alerte gasreactie, brede koppelspreiding, en het duidelijke karakter van de tweecilinder boxermotor. Het radiale achtkleps boxerblok heeft dan misschien 15 pk of zo minder dan de moderne vloeistofgekoelde unit, maar het heeft meer dan genoeg pit voor een levendige prestatie van een machine die volledig volgetankt 220 kg weegt, een paar kilo minder dan de Roadster.

De Scrambler is in elk geval snel genoeg voor een spannende introductierit van twee dagen en meer dan 400 km over wegen die zelden recht lopen. Eén groot feest van vloeiende bochten tot steile haarspelden. Het overwegend natte weer is teleurstellend, maar zorgt er wel voor dat het geen moment saai wordt. De BMW houdt moeiteloos 125 km/u of meer aan wanneer het zicht dat toelaat, en schiet op verzoek naar voren richting een topsnelheid van zo’n 200 km/u.

Makkelijk te berijden

Wat net zo belangrijk is, hij heeft volop vermogen in het middentoerengebied wanneer dat nodig is, met name als een auto of bus vol toeristen de boel ophoudt en er nét dat mooie gaatje is om in te halen. Met een draai aan het gas schiet de Scrambler door het opspattende water, waarbij ik maar zelden eerst hoef terug te schakelen vanuit zijn zes. Er zijn allerlei motoren die veel meer bescherming bieden tegen de elementen, maar slechts weinige zijn sneller of makkelijker te rijden.

En dat inhalen kan heus ook veilig, dankzij de simpele ASC tractieregeling van BMW (die alleen de snelheid van voor- en achterwiel meet). Hij is dus niet voorzien van een geavanceerder systeem met hellingshoeksensor en dat is ongetwijfeld een centenkwestie. De tractieregeling is trouwens niet standaard. Bij lage snelheden op de natte weg treedt de tractiecontrole al snel in werking als ik het gas in een rechte lijn opengooi, maar ik vertrouw er niet op dat hij de wielen in bedwang houdt als ik gierend een natte bocht uit accelereer.

De Metzeler Tourance Next banden bieden overigens goed grip, zelfs op een kletsnatte weg. Toch zijn er een paar collega’s geslipt; eentje kwam dat zelfs op een kort terreinritje te staan, gelukkig zonder valpartijen. Ik ben ook onder de indruk van de remmen, zowel op nat als droog wegdek. Iemand die gewend is de voorrem met slechts twee vingers te bedienen mist misschien de extra grip van de radiale remklauwen van de Roadster. Op gladde stukken was ik blij met het ABS, dat heel goed werkt wanneer ik het bewust uitlok, en voor de rest houdt het systeem zich keurig op de achtergrond.

Verwarmde handvatten als optie

Toen we het rijtje Scramblers in de regen zagen staan, waren we allemaal blij dat ze uitgerust waren met de Tourances, in plaats van het optionele grovere offroad-rubber. De vele honderden bochten die we de daaropvolgende twee dagen tegenkwamen, waren echt leuk, vooral dankzij de handling. Die is weliswaar minder scherp dan bij de oorspronkelijke NineT, maar toch kunnen we de motor met weinig inspanning door de haarspelden jagen, waarbij hij bewonderenswaardig neutraal aanvoelt.

Die niet-verstelbare vork met stofhoezen is voldoende stevig en goed geveerd om nauwkeurig te kunnen sturen. Hetzelfde geldt voor de schokdempers, die af en toe bij een grotere hobbel een beetje stug zijn, maar behoorlijk goede dempingscontrole bieden. Mede hierdoor is de Scrambler geschikt voor lange afstanden. Het dun gevulde zadel is comfortabeler dan het lijkt, hoewel een paar van ons na een paar uur wat onrustig heen en weer begonnen te schuiven.

Ook in andere opzichten is de BMW redelijk praktisch, ondanks het vrijwel geheel ontbreken van bescherming tegen wind en regen. Ik zou echter minder enthousiast zijn geweest als de introductiemodellen niet voorzien waren van verwarmde handgrepen; die behoren niet tot het standaardpakket, maar zijn van onschatbare waarde. De ronde spiegels zijn redelijk handig, maar staan te dichtbij om echt onbelemmerd zicht te bieden. De tank zou goed moeten zijn voor ruim 250 kilometer; jammer dat er geen brandstofmeter op zit (laat staan dat hij informatie geeft over het verbruik). Ook een toerenteller ontbreekt. Da’s wel erg karig.

Toch een dual-purpose boxer

Ondanks die warme handgrepen zijn we de tweede dag na een paar uur rijden toch een beetje klam en koud, maar unaniem vol lof over deze machine die zich in deze omstandigheden snel, betrouwbaar, en plezierig heeft betoond. De Scrambler beschikt over een aantrekkelijke combinatie van retrostijl, karakter en allround prestaties. In zekere zin grijpt deze dual-purpose boxer weer terug op de R1200GS, zij het met minder vermogen, minder weersbescherming, een kleinere actieradius, minder elektronica, en een kortere veerweg.

Daar staat tegenover dat hij eenvoudiger is, lager, ruim 20 kilo lichter en bovendien goedkoper: hij kost ongeveer tien procent minder dan de standaard R nineT en 15 procent minder dan de R1200GS. Maar je bent meer kwijt als je een passagier wilt meenemen, je handen warm wilt houden, of de motor wilt opleuken met onderdelen die variëren van een windscherm en koplamprooster tot koffers en tassen, kniekussentjes voor de tank, kleppendeksels en een titanium Akrapovic knalpot.

Roland over de BMW Scrambler R nineT

Heb je je zinnen gezet op een nostalgische boxer en het offroad imago van de Scrambler spreekt je aan, dan is er wellicht maar één reden om er niet eentje aan te schaffen: het gerucht dat BMW bezig is met het ontwikkelen van een op Parijs-Dakar geïnspireerde versie – samen met nog een naked roadster en een café racer met halve kuip – die volgend jaar in productie worden genomen. Het luchtgekoelde boxer-thema lijkt te worden voortgezet. En waarom niet, als het resultaat zo stijlvol, veelzijdig en leuk om te rijden is als deze?

Harley-Davidson Milwaukee-Eight 2016

0

Wat gaat er schuil achter de mooie woorden en nog mooiere beloftes? Komt de uitverkorene van het Amerikaanse volk zijn beloftes na als de macht hem toekomt? Of blijkt de joviale stijl van voor de verkiezing slechts een façade voor een teleurstellende ommezwaai in beleid achteraf? Weet de Milwaukee-Eight Amerika weer ‘great again’ te maken? Of krijgt het naar verandering snakkende volk dezelfde opgewarmde gebakken lucht voorgeschoteld?

Tekst Joost Overzee

Een kleine duizend Harley-Davidson rijders uit zeven uiteenlopende wereldsteden mochten in een door de fabriek georganiseerd, top secret referendum hun stem uitbrengen over wat ze veranderd zouden willen zien aan de nieuwe generatie Big Twins die de huidige Twin Cam-serie zou moeten gaan vervangen. In meerderheid werd de wens uitgesproken voor meer motorische kracht, zeker in situaties dat er met passagier ‘even snel’ een inhaalactie uitgevoerd moet worden. Voorts smeekten de respondenten om een niet zozeer coolere, als wel koelere rijbeleving. Big Twin-rijders die wel eens in druk zomers stadsverkeer hebben gebivakkeerd en als gebraden pluimvee van het strijdtoneel afdropen, weten waarom. Ook in de hoogste regionen stonden vitale wensen als een beter stuurgedrag op binnendoor wegen en een meer aangepaste zithouding voor uiteenlopende rijdersmaten. Dit alles mét behoud, uiteraard, van de juiste ‘look’, ‘sound’ en ‘feel’. Harley-Davidson zelf kende maar één hoogste prioriteit: de Big Twins met hun luchtkoeling, stoterstangen en overige emissiegevoelige techniek door die hatelijke Euro4-normen te slepen. Waarvan akte.

Beter ademen

Moet je als Harley-hobbyist de vorm van het luchtfilterhuis aanwenden om de nieuwe 107 en 114 cubic inch te onderscheiden van de vorige Twin Cam, intern heeft een revolutie huis gehouden. Vierklepskoppen, twin spark, een enkele nokkenas, een heuse balansas en nieuwe koelroutes rond de uitlaatpoort zijn de meest in het oog springende veranderingen. Deze laatste verkoelende maatregel (in combinatie met een verder van het rijdersbeen verwijderde katalysator uit uitlaat) werpt wel degelijk vruchten af. Dat bemerkten we niet alleen in het fileverkeer rond basiskamp Tacoma (Washington State), maar zeker ook op de flanken van een koud Olympic National Park tot 1600 meter hoogte. Hoor je een koukleum klagen dat hij er op een Twin Cam warmpjes had bij gezeten door diens grotere motorische hitteafgifte…

Nog een aspect levert een bijdrage aan de thermisch frissere huishouding. Deze is van een verbijsterend simpele logica, te weten een verlaagd stationair toerental van 1000 tpm op de Twin Cam naar 850 toeren op de nieuwe 8. Minder verbrandingsklappen per minuut zorgt voor minder gegrilde benen en een fractie lager verbruik. Ziehier zomaar een belangrijke bijkomstigheid van de toepassing van vierklepskoppen, twee bougies per cilinder en veel betere gasstromen en efficiëntie. Met de ‘oude’ tweeklepskoppen was een lager toerental nooit bewerkstelligd, ook niet omdat de Twin Cam nog klopsensoren moest ontberen. Daarom stond de voorganger altijd op benzine met laag octaangehalte afgesteld; met de twee klopsensoren op de nieuwe verbetert de verbranding. En last but not least: het lagere toerental garandeert de terugkeer in gedempte vorm van de klassieke aardappelsound. Tuurlijk, een Shovelsound zal een nieuwe, stationair draaiende Harley nooit meer krijgen, maar een licht ‘potato-potato-potato’-geluid maakt niettemin zijn comeback. Dit is ook te danken aan de mechanische geluidbeperkende maatregelen; dankzij onder andere de enkele nokkenasaandrijving, geluiddempende carters en een stiller luchtfilter om aan Euro4 te voldoen, komt en passant het uitlaatgeluid beter tot zijn recht. Voor het geval je dacht dat de nieuwe Milwaukee-Eight na zestien jaar Twin Cam zomaar een update betrof; men heeft in Milwaukee met een samenhangende logica de hersens over het nieuwe blok gebroken.

Vloeken en kerken

Nu we toch nog in de file staan: de klappen die een stationair krachtbron door het zadel drilt, lijken heftiger, feller dan het lome gebonk van voorheen. Die meer puntige dreunen duiden op een gezondere verbranding, ook als je de gaskabels spant en trillingen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Het ultra laagtoerige karakter gaat niet ten koste van het elektrische laadvermogen, integendeel. Volgens de fabriek biedt het blok vijftig procent meer laadcapaciteit om het slurpvermogen van extra verlichting of verwarmde kleding het hoofd te bieden.

Een balansas aan een Harley 45° V-twin toevoegen, klinkt als luidkeels vloeken in de kerk. Zijn de good vibrations niet een onmisbaar ingrediënt van het Harley-rijden, naast geluid, uitstraling en community-gevoel? Reken erop dat Milwaukee Headquarters spitsroeden heeft moeten lopen om de machinekamer niet te gladjes te laten draaien, op het gevaar af – zeker in combinatie met de vierklepskoppen – als een Japanner te worden afgerekend. Dat de balansas bedoeld is als killer van primaire vibraties, blijkt gauw. Tijdens langdurige snelwegritten – waar trillingen het snelst kunnen zeuren – voelt de machinekamer ‘smooth’ als schenkstroop. Zeker genesteld in de fauteuil van een Limited voelt cruisen als een vlucht op een vliegend tapijt.

Twee-drie lengtes sneller

De grootste meerwaarde van de Milwaukee-Eight ten opzichte van de Twin Cam is – zoals de gepeilde consumenten al verlangden – de krachtstoename. Tijdens een eerste expeditie vanaf de hoteloprit, tweemaal rechtsaf en vijfhonderd meter rechtdoor tot het volgende verkeerslicht, voel je het al. Vanuit de kelder van zijn kunnen levert de machinerie frissere, sterkere klappen dan voorheen. Voelde het acceleratievermogen op vooral de zwaarste modellen met Twin Cam nogal anoniem en kortademig, op de Milwaukee ervaar je meer krachtsgevoel. De acceleratiebeleving voelt gespierder, transparanter, waar je voorheen te maken leek te hebben met een diep onder je verscholen, afstandelijke, haast ingezwachtelde krachtbron. Harley-Davidson claimt dat de Milwaukee-Eight zich in een sprint van nul tot honderd kilometer per uur de Twin Cam met twee à drie motorfietslengtes achter zich laat. In statistieken: presteerde de Twin Cam 138 Newton meter bij 3.500 tpm, de achtklepper braakt 150 Nm bij 3.250 toeren uit zijn machinekamer. De verdenking dat de achtklepper minder laagtoerige kracht zou etaleren dan de versie met tweekleps koppen, is dan ook een flagrante misrekening.

Daarnaast belooft Milwaukee gunstigere verbruikswaardes, niet verwonderlijk gezien de veel efficiëntere verbranding. Met de bekende 22,7 liter inhoud kun je naar grove schatting zo’n vierhonderd kilometer ver moeten komen. De dashboards van de Touring-modellen bieden een blik op het resterend aantal te rijden kilometers tot de terminale drooglegging, maar in combinatie met twee tripmeters en de totale kilometerstand is het informatieve gedeelte nogal karig voor dergelijke toermachines. Überhaupt blijft Milwaukee nogal wars van digitale inmenging. Vooralsnog lijkt het opgeven van stoere gaskabels, een tractie-controlerende rechterhand en niet of nauwelijks verstelbare vering een brug te ver voor de firma en beperkt men zich nog altijd tot injectie en ABS als enige elektronische snuisterijen. Terwijl een BMW ESA-achtig veersysteem juist deze toerkanonnen goed zouden kunnen doen. Net als verstelbare windschermen en een moeiteloos vindbare vrijstand overigens.

Klassieke limo

Voelt de motorische (r)evolutie direct als een verbetering, voor de rijwieltechnische aanpassingen steek ik mijn handen niet in het vuur bij gebrek aan direct vergelijk met de Twin Cam. Toch heeft Harley-Davidson het rijwielgedeelte niet ongemoeid gelaten. Inwendig is de Showa-vork aangepast voor secuurder sturen, achter heeft men de variatie in veervoorspanning vergroot. Moest de vering voorheen met een luchtpomp op spanning worden gebracht, op de Milwaukee-Eight hanteert men voor het eerst een hydraulische draaiknop, na verwijdering van zijkoffer of –tas. Inderdaad, nu pas, anno 2016. Cynische geesten die Harley’s technische ontwikkelingen met Argusogen bezien, worden op hun wenken bediend… Hoe dan ook, de vering spreekt onder alle omstandigheden soepel aan, zoals het een klassiek Amerikaanse limo betaamt, zonder overtollige deining. Zeker het wegcontact en comfort aan de voorzijde voelt op de diverse gereden Touring-modellen prima en biedt genoeg vertrouwen om de voetsteunen of treeplanken sneller het asfalt te laten raken dan de Harley-Davidson/Dunlop banden aankunnen.

Aan de achterzijde blijft de veerweg aan de karige kant; bij een fikse verzonken putdeksel slaat ook een kasteel als de Limited Ultra tamelijk snel tot de stuit. Nu dempt de sofa fijn mee, maar met passagier en bagage zal de magere veeruitslag een pijnpunt kunnen worden op Waalse kasseienstroken. Opgewaardeerde vering ten spijt, wordt vooral bij een Ultra Limited het rijgedrag vanuit het klassieke, stalen buizenframe nog altijd wat ‘wollig’ bij hogere snelheid. Die lichte zijdelingse deining aan de achterzijde poets je met een draaiknop niet weg. Onder de categorie ‘kleine moeite, immens plezier’ vallen de afslankpraktijken uitgevoerd op de primaire kast (links) en de luchtfilterbox rechts. Hierdoor bereiken voeten makkelijker de grond. En met succes: moest ondergetekende (1.76 meter kort) op de Limited Twin Cam bij een naderende kruising zich met de blik strak vooruit vol concentreren op overeind blijven, op de Milwaukee-Eight kan redelijk ontspannen gestopt worden met gelijktijdig overzicht over de kruising.

Qua remmend vermogen heeft de rijder baat bij de nieuwe slipkoppeling, praktisch bij een te optimistisch genomen afdaling met een haarspeld in aantocht. Aan de ankers (vervaardigd door Brembo!) hebben de machines genoeg. Geheel in stijl met Amerikaanse werklust, dient de dubbele schijfrem flink geknepen te worden, maar levert de optimale achterrem altijd de juiste dosis ondersteuning.

Evolutie

De uitverkiezing van de Harley-Davidson Milwaukee-Eight waar je voorkeur naar uitgaat, is degene waar je je hart aan verpand. En dan nog blijft het uitbrengen van je stem een klus. De Road Kings manoeuvreren het vriendelijkst, maar tonen wat achterhaald, de coole Street Glide Special is niet voor niets het populairst, maar best Spartaans en turbulent, de Road Glide Special wil je al door die waanzinnige Daymaker-koplampen en de Ultra Limited, tja, die verlang je voor een retourtje Rome met je nieuwe vlam achterop. Wat ze gemeen hebben is een technische verbetering ten opzichte van de Twin Cam-modellen. Voor Harley-adepten mag de Milwaukee-Eight een revolutie zijn, voor ons meer nuchtere Noord-Europeanen is het predicaat ‘evolutie’ eerder van toepassing. En dat is, zoals Harley altijd over het topvermogen van hun machines zegt: enough.

Joost over de Milwaukee-Eight

Een van de nieuwe lichting Touring-modellen zou zomaar bij mij thuis in de garage kunnen staan, op voorwaarde dat ik er een niet-officieel accessoire bij zou kunnen kopen: de Verenigde Staten van Amerika. Ik moet er niet aan denken me louter in Nederland of de buurlanden te moeten voortbewegen op zo’n prachtstuk ‘American Iron’. Harley mag daarmee wegkomen. Dat men na zestien (!) jaar op de proppen komen met een nieuwe, daadwerkelijk betere Big Twin vergeef ik ze. De ziel is gehandhaafd, met alle verbeteringen als niet onbelangrijke bijkomstigheden.

Luchtkoeling en Twin Cooling

De Milwaukee-Eight krachtbron worden uitgebracht in drie versies: de lucht/oliegekoelde 107 cubic inch (1745 cc), de Twin Cooled variant en de Twin Cooled 114 cu (1870 cc), bestemd voor de potente CVO-Limited en CVO-Street Glide modellen. Waarom twee varianten voor de ‘gewone’ 107 cu? En waarom geen twin koeling (lucht/olie-verfrissing én vloeistofkoeling rond het uitlaatgedeelte) voor alle 107 krachtbronnen? Simpel: Twin Cooling blijft voorbehouden aan de modellen met beenkappen waar vroeger kleine bagage in opgeborgen kon worden. Nu herbergen ze radiateurtjes en aanverwante zaken voor vloeistofkoeling. Op de minder aangeklede machines zouden deze lelijke attributen uit de toon vallen voor het oog.

Vroegere vierklepper

Harley-Davidson maakte al eens een V-twin met vierklepskoppen. Model JDH van 1928-1929 was Twin Cam bovendien. Voor die tijd was het een beduchte superbike die in een perfecte afstelling 100 mijl per uur kon halen, voortgestuwd door de 1207 cc twin met 29 paardenkrachten bij 4.000 tpm. Hij woog in natte toestand 185 kilo, de helft van een droge Road Glide Special van 2017. Andere tijden, inderdaad.

Lapland: Noordse combinatie

0

Van de middernachtzon op de Noordkaap via de uitgestrekte landschappen van Finland naar de glanzende gouden koepels van St. Petersburg: proef de eenzaamheid en de machtige natuur van het Noordelijkste Noorden.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/lapland-noordse-combinatie.gpx”]

Tekst en foto‘s: Klaus H. Daams

Nadat het de laatste dagen door Noorwegen een en al genieten was van de meest prachtige uitgestrekte landschappen en op de Noordkaap de zon speciaal voor ons een late dienst had ingelast, lijkt het er nu op dat de natuur al haar kruit heeft verschoten en er voor Finland eigenlijk alleen nog maar een soort Assepoesterrol is weggelegd.

Frank en ik rijden al kilometerslang stug rechtdoor. Het grijze asfaltlint van de 92 doorsnijdt het monotone groen van de dichte sparrenbossen. De lucht daarboven is wit en blauw en heeft tenminste nog twee kleuren. Hadden we in plaats van ABS maar een automatische piloot of de mogelijkheid om onderweg een filmpje te kijken, of op z’n minst een CamelBak met koude koffie om ons wakker te houden. Zelfs de overheid heeft dit blijkbaar ook ingezien en geïnvesteerd in borden die fel geel en rood gekleurd zijn en waar met dikke letters 100 op staat. Nadat we in Noorwegen 3.000 km lang niet harder dan 80 mochten, lijkt het wel of we ineens weer lekker mogen racen.

Lapse eenzaamheid

Geen wonder dat Finland het er bij de internationale PISA-peiling naar de kwaliteit van het onderwijs zo goed vanaf heeft gebracht, zou je kunnen denken. Te midden van zo veel eenzaamheid kunnen kinderen toch eigenlijk niet veel anders dan met hun neus in de boeken zitten? Een greep naar de fles wil overigens ook nog wel eens helpen: 80% van de alcoholconsumptie in het hele land wordt geconsumeerd door 20% van de bevolking. Maar voor ons eerst eens een picknick langs de kant van de weg ergens ter hoogte van Kaamanen. De koffer met proviand van de KLV 1000 is nog niet open, of alle muggen in een straal van tien kilometer weten al dat hier twee lekkere jongens zitten die er op wachten om opgegeten te worden. Zoemen ze nog of hebben ze ons al te pakken? Finland heeft echter ook nog heel wat anders te bieden. Het museum Siida in Inari waar je alles leert over het leven van de Samen, de oorspronkelijke bewoners van Lapland, het uitgestrekte Inarimeer waarboven je een rondvlucht kunt maken of de weg naar Kittilä, die bijna 200 kilometer door de Lapse eenzaamheid voert en er op de kaart al aanlokkelijk uitziet. Soms lokt niets nu eenmaal meer dan het niets. We zetten dus koers naar Kittilä.

Halverwege daarnaartoe – na een nacht waarin het wel leek alsof een heel leger van mieren van pantserstaal onder onze geïsoleerde slaapmatjes doorkroop – hielden we halverwege Kittilä in Pokka een pitsstop bij ‘Tieva Baari’, een wegrestaurant, waar je ook kunt tanken. De baas daar is Kari Kokkomäki, die je zo nodig ook midden in de nacht nog van benzine voorziet en makkelijk een rol zou kunnen spelen in een film van de Finse cultregisseur Aki Kaurismäki, bekend vanwege zijn droog-humoristische films. ‘Stuur toch vooral alle lezers van jullie motorblad bij me langs, maar beter niet in de winter, want dan kan het hier wel minus 51,5 graden worden’, zegt Kari met een grijns op zijn gezicht en hij vertelt over de koudste plek van Finland, waar je in het donkere jaargetijde eigenlijk alleen maar rendierboeren tegenkomt.

Het is nog een lange reis, dus we moeten verder, hoe moeilijk ons dit soms ook valt. Helemaal als weer eens een wit rendiervrouwtje als een betoverde elf met gracieuze onhandigheid ons pad kruist. Elanden krijgen we overigens niet tot nauwelijks te zien. Alles wat er in het schemerige licht van het bos uitziet als een schoffelgewei en ons bijna een noodstop doet maken, blijkt in het echt een reusachtige wortel of een grillig gevormde boomstronk te zijn.

Rovaniemi. Het zou net zo goed Rostock of Rotterdam kunnen zijn. Blokken met huurwoningen in plaats van muggen. We zijn blij weer terug te zijn in de bewoonde wereld en ook met de douches op de camping aan de noordoostelijke rand van de stad. Roger, onze buurman op de camping, is goed geïnformeerd. Tegen insectenbeten adviseert hij een soort imkerhoed en een of ander vreselijk stinkend tovermiddeltje. En hij heeft ook een paar tips die ervoor moeten zorgen dat we ons vooral niet gaan vervelen. Een meeting van motorrijders in het Noorse Alta waar de alcohol blijkbaar rijkelijk zal vloeien en niet ver daarvandaan voor cultuurliefhebbers het Riddu Riddu-festival bij Kåfjord (www.riddu.com) en het Kihaus Folk Festival in Rääkkylä (www.kihaus.fi).

Via Karelia

Maar we moeten weer verder. Ten zuiden van Posio komen we de eerste serieuze bochten na Noorwegen tegen, én een snelle rode VFR. In de late namiddag stoppen we in Taivalkoski. Gebakken rendierribbetjes uit de supermarkt en een bijzondere voorstelling van twee opgeschoten jongens die met hun brommers eindeloos rondjes rijden tussen de bar en de plaatselijke supermarkt. Zouden ze al klaar zijn met hun huiswerk? We horen het geluid van autobanden die van spikes zijn voorzien en voelen langzaam een beetje heimwee opkomen.

Het oosten van Finland met zijn eindeloze naaldwouden stemt ook een beetje melancholisch. Love it or leave it. Geen pittoreske fjorden en ruige bergkammen, maar wel de nabijheid van Rusland en de prachtige toeristische route langs de Via Karelia door de ruige Fins-Russische grensstreek. Karelië is dan misschien wel lange tijd een achtergebleven gebied geweest, maar helemaal van God verlaten lijkt de streek toch niet. In Ilomantsi valt bijvoorbeeld de orthodoxe houten kerk van St. Elias te bewonderen, die met haar zes torens een van de grootste en mooiste godshuizen van Finland is. Maar ook hier vallen er geen touringcars of campers te bespeuren en bij de dienst en de viering van het avondmaal is er ook maar een klein groepje gelovigen. Als we onze reisenduro’s weer hebben gestart, rijden we verder, soms rustig en als het ware meditatief, maar op andere stukken kunnen we ook weer eens lekker gas geven, terwijl we de sporen van de vele Finse rallyrijders annex wereldkampioenen volgen. En als we te midden van al dat stof de smaak weer echt te pakken krijgen, wat valt er dan nog te klagen over die eenzaamheid en is het alleen nog maar genieten.

Tijd voor een kleine terugblik met wat impressies van de afgelegde route tot in Ilomantsi. Bij het monument ter nagedachtenis van de slachtoffers van de Winteroorlog bij Suomussalmi horen we het bedrieglijke geluid van een idyllisch klinkend klokje te midden van een zee van symbolische grafstenen en we ontdekken een vogelnest in de roestige loop van een pantserkanon. Het Winteroorlog Museum herinnert aan de hardnekkige strijd in de jaren 1939 en 1940 tegen het Rode Leger dat na het door Hitler en Stalin gesloten pact Finland was binnengetrokken, terwijl tegelijkertijd de Duitse strijdkrachten in Polen de vrije hand kregen. Bij Lieksa een stukje met steenslag en bochten op een gedeelte van de Varna-route, die aan de Russisch-Zweedse Oorlog in de jaren 1941-1943 herinnert.

Eindelijk, bochten

Vervolgens houden we een korte stop in Eno. Op een voetbalveldje zijn een paar kinderen een balletje aan het trappen, en wel de dikke tegen de dunne ofwel vier tegen zeven. Het totale gewicht van beide ploegen is eerlijk verdeeld; de teams houden zich goed in evenwicht. Ten zuiden van Ilomantsi begint alles er anders uit te zien. We hebben duidelijk veel minder last van overstekend wild en de weg is ook niet meer zo rechttoe rechtaan. De in totaal 187.888 meren moeten van de Finse planologen het uiterste hebben gevraagd. In een bijzonder vloeiende bochtencombinatie op de 435 naar Puumala kan een zeearend maar net voorkomen dat hij door ons wordt ingehaald, doordat hij – eigenlijk heel oneerlijk – op het laatste moment het vrije luchtruim kiest. Ook zien we ineens als uit het niets een geel koolzaadveld dat iemand hier zo maar lijkt te hebben neergelegd en er echt prachtig uitziet. En niet te vergeten Savonlinna, waar in het kasteel Olavinlinna, de best bewaarde vesting van Scandinavië en internationaal beroemd vanwege het operafestival dat hier jaarlijks in de maand juli wordt gehouden. Eerlijk gezegd geven wij vandaag de voorkeur aan het duet van twee dikke tweecilinders.

Het misschien wel mooiste traject van de hele motorreis door Finland is de route van Jaala over de 363 richting Vierumäki. Fantastische bochten tussen elkaar harmonisch afwisselende akkers en velden en langs meren met slechts een kleine rimpeling van het wateroppervlak. Dit alles begeleid door een concert van geluiden afkomstig van tractoren op het land en pleziervaartuigen op het water. Afgelopen met al dat moois is het voorlopig als we bij de houtzagerij van Vierumäki aankomen. Hier gaan we linksaf naar Lahti en vervolgens via de snelweg richting Helsinki. Onderweg was er nog een kort schrikmoment, toen we ineens een beangstigend groot iets boven ons vizier ontwaarden, maar dit bleek gelukkig slechts een Boeing 735 op weg naar de luchthaven te zijn.

Helsinki. We rijden zonder dralen meteen naar het centrum richting Domkerk. Stralend wit verheft zich het door de Duitse architect Carl Ludwig Engel, leerling van Karl Friedrich Schinkel, ontworpen bouwwerk met zijn koepels en pilaren boven de stad. Aan de voorzijde voeren brede trappen naar het bordes van de kerk. Onder aan de trappen op het neoclassicistische Senaatsplein, in 1993 nog het decor van een door 60.000 liefhebbers bezocht uniek concert van de Finse rockband Leningrad Cowboys, staat het standbeeld van tsaar Alexander II van Rusland, die in Finland na eeuwenlange onderdrukking aan het eind van de 19e eeuw voor het eerst voor liberale en economische hervormingen zorgde. In 1906 was Finland het eerste land in Europa dat vrouwen kiesrecht verleende. En als we het toch over keuzes hebben: Overnachten kun je in Helsinki heel goed bij het ‘Eurohostel’ en om lekker te chillen ga je naar ‘Kappeli’, een prachtig paviljoen aan de rand van het Esplanade park en misschien wel het meest prominente café van de hele stad. Na dagenlang in de natuur van Lapland en Karelië ondergedompeld te zijn geweest, lijkt het wel alsof alle kleuren en vormen zich hebben verenigd in één vrolijke happening in Helsinki. Helemaal geen Assepoester, maar prinses van het noorden!

Rusland

En hoe ziet het er achter de zeven bergen uit, in het door iedereen als prachtig geprezen St. Petersburg? Bij de twee uur in beslag nemende papieren rompslomp aan de grens tussen Finland en Rusland komen we Adelbert uit München tegen. Hij wil met zijn GS via Rusland en Mongolië naar Japan en sluit zich voor een kort uitstapje naar St. Petersburg spontaan bij ons aan. Tja, wat moet je zeggen, waar zullen we eens beginnen? Na de laatste dagen in Finland bijna alleen maar te midden van de meest prachtige landschappen te hebben gereden, lijkt het wel alsof de natuur nu al haar kruit verschoten heeft. Het vol gaten zittende asfalt doorsnijdt het monotone groen van de bossen en de grauwheid van de steden, met daarboven de bijna zwarte, natte hemel. Nu zou het fijn zijn als we naast ABS en een automatische piloot ook andere kleren zouden hebben. Echt leuk is dit gedeelte van de route dus nog niet.

Terwijl we het cyrillische schrift niet bepaald machtig zijn, rijden we vol optimisme St. Petersburg binnen. Met rond de vijf miljoen inwoners is het de op één na grootste stad van Rusland. Hoge flatgebouwen voorzien van megagrote reclameborden voor mobiele telefoons, op de trottoirs mensen die drie komkommers te koop aanbieden. Het verschil tussen arm en rijk is blijkbaar nog net als vroeger. Na slechts 20 minuten komen Frank en ik bij het tevoren geboekte hotel aan, en wel het »Sovetskaya« aan de Lermontovsky prospekt 43. Om te beginnen zetten we onze motorfietsen op de bewaakte parkeerplaats en lopen dan kleddernat naar de receptie van de postcommunistische beddenkolos om onze kamersleutels op te halen. Vervolgens haasten we ons om eindelijk andere kleren aan te doen.

St. Petersburg wordt ook vaak het Venetië van het Noorden genoemd. 44 eilanden, 68 kanalen en 600 bruggen en we hebben maar een dag de tijd. We kunnen maar het best te voet op ontdekkingstocht gaan. Na het ontbijt lopen we van het hotel richting centrum. De eerste indruk die we hebben is dat het niet allemaal goud is wat er in de verte blinkt. De stad aan de Neva werd in het jaar 1703 door tsaar Peter I van Rusland als ‘venster op het westen’ gesticht en door dwangarbeiders als het ware uit het niets uit de moerassige grond gestampt. St. Petersburg ontwikkelde zich met name door Catharina de Grote tot een elegante metropool en Alexander Poesjkin heeft met name ervoor gezorgd dat de stad de thuisbasis werd voor veel Russische schrijvers. Na de Oktoberrevolutie in 1917 werd de stad trots omgedoopt tot Leningrad, tijdens de 900 dagen durende belegering door de Duitse strijdkrachten in de Tweede Wereldoorlog sneuvelden in de stad maar liefst 1 miljoen mensen en op 6 september 1991, drie maanden voor het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, werd de naam van de stad opnieuw gewijzigd in St. Petersburg. Sindsdien werd meer dan 500 miljoen dollar besteed aan de restauratie van de stad die opnieuw een venster van Rusland op het westen moet worden. St. Petersburg telt overigens 8000 bouwwerken, waarvan 400 paleizen, die onder monumentenzorg vallen. Logisch dat zo’n ambitieus plan niet een-twee-drie kan worden verwezenlijkt; bloeiende steden schieten nu eenmaal niet plotseling uit de grond, ook niet in St. Petersburg, terwijl daar nog wel sprake is van de beroemde Witte Nachten. Dankzij de nabijheid van de poolcirkel geeft het sprookjesachtige licht de stad ’s zomers overigens een surreële aanblik.

Tijdens de wandeling van de Lermontovsky prospekt naar het hart van de stad, lijkt het wel alsof we sectie verrichten: allereerst komen we langs triest uitziende en vervallen binnenplaatsen, maar vervolgens langs de meest prachtige, pas gerenoveerde gevels, gouden koepels en mondaine winkels. Niet te overzien zijn ook de vele mooie vrouwen, iedere vijf minuten zijn het er wel negen. Tussen de toeristische highlights de Trinity Kathedraal, het Russisch Museum, de Wederopstandingskerk, de Hermitage (het Winterpaleis) en de St. Izaäk Kathedraal zie je ook steeds weer gewoon alledaagse dingen. De reisleidster vertelt: ‘I live here since 30 years and it’s a mystery even for me today’. De maffia-achtige kerel die niet wil dat we van ‘zijn’ handel in een zijstraat foto’s maken en mij even een blik laat werpen op het pistool in zijn herentasje, tal van stretchlimousines met feestelijk geklede bruiloftsgangers die voor een fotosessie alle bezienswaardigheden van de stad aandoen, de bediening in een klein restaurant die speciaal voor ons op zoek gaat naar een tolk, een groep kemphanen die met bierflesjes en hakmessen dreigend tegenover elkaar staan, drie automobilisten die bij een curieuze kop-staartbotsing betrokken zijn geraakt en die na gezamenlijk de blikschade te hebben bekeken, besluiten zich er maar bij neer te leggen en gewoon verder te rijden, en zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan. Oh ja, motorfietsen hebben we ook gezien, om precies te zijn vijf in een tijdsbestek van negen uur.

De route St. Petersburg uit voert ons de daaropvolgende dag langs een architectonische mix van Arc de Triomphe en Brandenburger Tor, zodat het ‘gouden westen’ dat we een paar weken geleden achter ons hebben gelaten, weer heel dicht bij komt. Adelbert trekt in ieder geval eerst verder richting het oosten en misschien – als het lukt – wel helemaal tot in Alaska.

Info

De republiek Finland grenst in het noordwesten aan Noorwegen en Zweden en in het oosten aan Rusland. Ten westen en zuiden van het land ligt de Oostzee met voor de kust talloze eilanden en scheren. Finland is 1160 km lang en 540 km breed. Het land heeft een oppervlakte van 338.145 km², waarvan 25% boven de poolcirkel gelegen is, en telt 5,4 miljoen inwoners. Hiermee is Finland bijna net zo groot en net zo dicht- of dunbevolkt als Noorwegen. In de Finse hoofdstad Helsinki wonen 620.000 mensen. De hoogste berg van het met gemiddeld 150 m tamelijk lage land is de Haltia met een hoogte van 1328 m in het noordwesten. Terwijl het landschap in het noorden (Lapland) door uitgestrekte bossen wordt gedomineerd, zijn het in het zuiden met name de vele meren die het landschap bepalen. In totaal telt men (wie eigenlijk?) 50.000 tot 187.888 Finse meren, afhankelijk van de vraag vanaf wanneer een plas als meer wordt gezien. Historisch gezien was Finland vaak speelbal van de oppermachtige buurlanden. Van de 12e eeuw tot in 1809 hoorde het land bij Zweden en van 1809 tot 1917 werd het als autonoom groothertogdom onderdeel van het Russische rijk. Sinds het Hanzeverbond en de Reformatie was er sprake van nauwe betrekkingen met Duitsland. Mede dankzij de steun van het Duitse Rijk lukte het Finland uiteindelijk zich los te maken van Rusland. Op 6 december 1917 verklaarde Finland zich onafhankelijk. Van 1939 tot 1940 was het land verwikkeld in de zogenaamde Winteroorlog met de Sovjet-Unie en van 1941 tot 1944 vocht het kleine land vervolgens aan de zijde van de Duitsers tegen de USSR. In 1947 ondertekende Finland samen met de USSR het Vredesverdrag van Parijs en in 1995 werd het land lid van de EU.

Erheen

De mooiste route ernaartoe is toch wel via de Noordkaap en dan verder richting de Noors-Finse grens bij Karasjok. Vanuit het noorden kun je ook via een aantal andere grensovergangen met Noorwegen of Zweden rijden. Als je vanuit het zuiden met de tocht begint, kom je met de veerboot meestal in Helsinki aan, bijv. vanuit Rostock of Travemünde. Een stuk korter is de overtocht vanuit Stockholm of vanuit Tallinn, maar dan is de route over land wel een stuk langer.

St. Petersburg

Vanuit Zuid-Finland is een bezoek aan St. Petersburg zeker de moeite waard. In dat geval heb je wel een visum nodig; dit kost ongeveer 100 euro en is het makkelijkst verkrijgbaar via een visumagentschap. Bij de grens van Finland met Rusland zijn de formaliteiten nogal tijdrovend; bij het verlaten van het land (richting Narva in Estland) gaat alles een stuk vlotter. De Russische verkeersomstandigheden zijn lang niet zo chaotisch als vaak wordt gezegd en langs de hoofdwegen zijn voldoende tankstations met loodvrije benzine te vinden. In St. Petersburg kan het zijn dat je je motorfiets verplicht (tegen betaling) op de bewaakte parkeerplaats van het hotel moet parkeren.

Accommodatie

Dankzij het zogenaamde allemansrecht is het in Finland (maar ook in Noorwegen en Zweden) toegestaan op elk terrein dat niet omheind is wild te kamperen, wat toch altijd weer een belevenis is. Bij wat minder weer en meer behoefte aan sanitaire voorzieningen kun je ook een camping opzoeken en daar eventueel een hut huren. Jeugdherbergen hanteren geen leeftijdsgrenzen meer en zijn een goedkoop alternatief voor een hotel.

Spanje: Madrid en haar Sierras

0

Hoewel ze voor ons niet echt om de hoek liggen, zijn ze de lange rit ernaartoe meer dan waard: de bochtige en stille wegen door het berglandschap bij Madrid. Een ideaal contrast hiermee vormt de hoofdstad zelf, het kloppende hart van Spanje, waar het leven tot diep in de nacht gevierd wordt.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/spanje-madrid-sierras.gpx”]

Al eens gehoord van de Sierra de Guadarrama of de Sierra de Gredos? Nee? Maar toch zeker wel van Carlos Sainz, tweevoudig wereldkampioen in de rallysport? Wat dat met elkaar te maken heeft? Nou, dat zit zo. Het berglandschap ten noordwesten van Madrid, waar Sainz in 1962 werd geboren, is vermoedelijk de plek waar hij het gasgeven spelenderwijs heeft geleerd en waarnaartoe wij nu op weg zijn. We willen wel weer eens iets anders dan de Alpen, omdat iedereen die tegenwoordig eigenlijk al kent. Om te acclimatiseren slalommen we een beetje tussen het spitsverkeer op de M-505, totdat we in San Lorenzo de El Escorial aankomen. Daar blijkt dat we ons helemaal niet zo hadden hoeven te haasten, want we kunnen niet tot, maar pas vanaf 21.00 uur terecht in het restaurant van Hotel Botánico. Dat begint al goed. Viva España!

Hopelijk neemt de heilige Laurentius het ons niet kwalijk, maar we hebben eigenlijk helemaal geen zin om El Escorial, een indrukwekkend klooster uit de 16e eeuw met 1860 kamers en 16 kilometer aan gangen, te gaan bezichtigen. De hemel is strakblauw, de zon staat hoog te stralen en roept ons als het ware. En die kant willen we ook op. Richting 1200, 1300, … 1800 meter. Tijdens de bochtige klim naar de pas bij de Puerto de Navacerrada wordt het de Buell Ulysses al vlug lekker warm om de stampende V-twin, terwijl we net nog last van koude rillingen hadden in de Valle de los Caídos. In de ‘Vallei der Gevallenen’ heeft de voormalige dictator Franco door dwangarbeiders een bombastisch monument laten bouwen ter nagedachtenis aan de gevallenen tijdens de Spaanse burgeroorlog. Van 1936 tot 1939 kwamen meer dan een half miljoen mensen om het leven. Na de dood van de hier eveneens bijgezette fascistenleider groeide de plek uit tot een gedenkplaats voor Spaanse rechts-nationalistische groeperingen.

Als een ‘capote’, de kleine rode doek waarmee de torero de stier probeert uit te dagen, zwenkt de Buell als het ware door de arena, pardon, ik bedoel natuurlijk de Sierra de Guadarrama, en probeert steeds weer de voetsteunen als banderilla’s in het stroeve wegdek te prikken. Af en toe zien we langs de weg een zwarte koe, die alleen van veraf op een uitgebroken vechtstier lijkt. Tussenstop in Rascafría, waar men volop met de voorbereidingen voor het dorpsfeest bezig is en ze zich in de bar Casa Briscas al een beetje aan het indrinken zijn. Een lepeltje pap voor Paolo, een slokje bier voor papa. Om ons niet helemaal te laten meeslepen, betalen we snel en we vervolgen onze weg. En we worden al gauw beloond: de bochtencarrousel naar Miraflores die zijn werk beter doet dan een eventueel gemiste driedubbele espresso. We schakelen maar wat graag in één keer twee versnellingen terug om vervolgens de 1200 cc motor flink te laten loeien. Gewoon omdat het kan.

Motormeeting

Langs de Via Pecuaria, een als veepad gebruikte steenslagweg ten zuiden van het stuwmeer van Santillana, wiegen lichtpaars bloeiende distels zachtjes in de wind, totdat de luchtdruk van de voorbijrazende reisenduro’s de gekleurde bloemhoofdjes wat harder laat knikken. Maar al na een paar kilometer is het weer uit met de pret en rijden we weer gewoon op asfalt. Overal ruikt het nu naar het weekend… We kunnen door geen plaats rijden of er komen ons wolken parfum of aftershave tegemoet. Heerlijk gewoon, maar onderweg in de straatjes naar Canencia en over de bergpas met de naam Puerto de Navafría bestaat ons enige gezelschap uit hier en daar een paar koeien of schapen. In de provinciehoofdstad Segovia volgt een flinke portie beschaving, zowel oude als jonge. Zo zien we een uniek, ruim 700 m lang en bijna 30 m hoog Romeins aquaduct uit de tijd van keizer Trajanus en aan de voet daarvan nog veel meer moois…

De volgende dag is het één en al leder bij een meeting van motorrijders bovenop de Puerto Cruz Verde, zeven kilometer ten westen van San Lorenzo de El Escorial. Hier is alles Ninja en Blade wat de klok slaat. De kleinkinderen van Ángel Nieto en de Jorge Lorenzo’s van morgen zijn zeer te benijden, want voor trainingsrondjes hebben ze hier echt keuze te over! Wij laten onze keus vallen op de AV-502 naar El Hoyo de Pinares en Cebreros. Vanaf daar rijden we dan via de AV-503 richting San Bartolomé en La Canada. En we hadden echt niet beter kunnen kiezen: op broccoli lijkende bomen en hele weiden met veldbloemen, voldoende voor de meest prachtige boeketten voor alle Dulcineas op de hele wereld.

Niet zoals de geliefde van Don Quichot slechts fictie, maar helemaal echt is het prachtige, uit graniet opgetrokken Ávila, gelegen op een hoogte van 1128 m. Pas na twee rondjes rijden door de op een doolhof lijkende oude binnenstad vinden we Casa Felipe aan de Plaza del Mercado Chico, waar we de motoren even kunnen laten afkoelen. Opnieuw een ideale plek met een heerlijk terras. Totdat er een ooievaar over de stadsmuur gevlogen komt. Snel, erachteraan, want tegen zalig nietsdoen is vroeg of laat toch geen kruid meer gewassen.

Eindeloos bochtenwerk

En de ooievaar weet precies waar de lekkerste hapjes te vinden zijn. De route voert via de AV-900 richting Navalmorál door de prachtige Sierra de Gredos. Soms zou je wel even een rijke Rus willen zijn, zodat je al dat moois zou kunnen kopen. Gewoon alles voorzichtig oppakken, verschepen en misschien op een stil eiland vlak bij huis weer opbouwen. Schrale troost: benzine is in Spanje betrekkelijk goedkoop, zodat we nog net voldoende geld overhouden om thuis een nieuwe set voetsteunen aan te schaffen, want van de oude is ergens tussen Navarredondilla, Burgohondo en Collado de Serranillos niet veel meer overgebleven. En wat ook heel fijn is, is het feit dat in deze contreien eigenlijk nauwelijks wordt gecontroleerd op snelheid. We noemen het maar even…

Prachtig is ook het milde licht van de avondzon dat ons van San Esteban del Valle tot Arenas de San Pedro begeleidt, net als een zwerm insecten die je helm komen binnenvliegen, zodra je je vizier omhoog doet. Gelukkig loodst iemand met een scooter ons naar de Posada Rural El Canchal, een onderkomen met een middeleeuws karakter. Via de Calle de la Media Luna (Halvemaansteeg, wat een poëtische naam…) slenteren we vervolgens richting Saturday Night Fever en we gaan al snel op in de bijna eindeloze stroom flanerende en flirtende mensen.

Verleidelijk slingert het grijze asfaltlint van de N-502 zich omhoog en omlaag door de Sierra Gredos en lokt ons net als de Sirenen in de Odyssee van Homerus en later ook in Ulysses van James Joyce. Die lokroep kon destijds al niemand weerstaan, want wat is er heerlijker dan je gewoon een beetje te laten drijven? Voor wie ter oriëntatie toch nog wat aanknopingspunten onderweg nodig heeft: de route voert langs Navacepeda, San Martin de la Vega del Alberche en Navadijos. De prachtige weg is echt piekfijn geasfalteerd en nodigt bij Burgohondo nog een laatste keer uit tot adembenemend bochtenwerk. Gelukkig is ook hier nog geen solvabele koper langsgekomen die zich het prachtige stuk weg heeft toegeëigend of zelfs verscheept…

Temperamentvol Madrid

Madrid. Vergeleken bij de bergen is het de stilte na de storm, nou ja, omgekeerd dan… Maar vooral geen paniek, want de Spaanse metropool is met 3,3 miljoen inwoners na Londen en Berlijn weliswaar de op twee na grootste hoofdstad van de EU, maar wat betekenen zulke cijfers eigenlijk. Nada, helemaal niets. In het dagelijkse leven zijn de Madrilenen dan wel heel temperamentvol, maar in het verkeer gedragen ze zich eigenlijk heel keurig. Eerst een pitsstop in het hotel en vervolgens te voet richting het voormalige hoofdpostkantoor, gelegen aan de Plaza de Cibeles.

Het Palacio de Comunicaciones, een prachtig bouwwerk dat ook wel wordt vergeleken met een enorme suikertaart, is het symbool van Madrid en mag je tijdens een bezichtiging van de stad niet missen. Vooral ’s avonds niet, als voor het Paleis van de Communicatie de halve stad op de been is, omdat er weer eens wat te vieren valt. Tegenover al dat moois zien we de Fuente de la Cibeles, een naar de Romeinse vruchtbaarheidsgodin Cybele vernoemde fontein; dit is ook de plek waar de fans van Real Madrid belangrijke overwinningen altijd komen vieren.

En wat valt er verder noch te zien? Heel veel architectonisch moois, ook heel veel moois op straat en zelfs een opgevoerde Harley met het bijbehorende lawaai. Bovendien het gevoel midden in het oude Europa te zijn en je verbonden te voelen met steden als Wenen, Praag en Rome, waar in een dergelijk zoele zomernacht de straten en pleinen vast ook vol zijn met mensen die overstromen van levenslust. Naast de alom aanwezige politie valt nog een tweede groep geüniformeerde lieden op: in klassieke business look gestoken bankiers die met wapperende jaspanden hun scooters de sporen geven, zodra het verkeerslicht op groen springt.

Stierenslachthuis

En dan komen we bij de bezienswaardigheden waar we vóór de terugreis nog snel even kunnen langsgaan. Allereerst rijden we naar het Parque del Oeste, waar je vanaf de zuidelijke punt een prima uitzicht hebt op het koninklijk paleis en de kathedraal. Bovendien blijkt het park niet alleen een plek te zijn die bij uitstek geschikt is voor verliefde en joggende mensen, maar het is ook rijk aan historie. Midden in de groene oase ligt de 2200 jaar oude Templo de Debod, een gift van de Egyptenaren als dank voor de Spaanse hulp bij het aanleggen van de Aswandam en van de Nijl gewoon naar de Rio Manzanares overgebracht. Je gaat je afvragen of de verscheping van een stukje Sierra wel zo’n utopie is… Bloedige realiteit waren de gebeurtenissen op 2 mei 1808, toen Napoleon de opstand van de Madrilenen tegen de Franse troepen op de heuvels van het park neersloeg. En hoe vreedzaam de vrouwen – onmiskenbaar van Latijns-Amerikaanse afkomst – hun kinderwagens tegenwoordig ook door het lommerrijke groen duwen, ze doen toch denken aan het plunderen en moorden van de Spaanse conquistadores in de 16e eeuw. Maar of een dergelijk handelen als gruwelijk of als heel normaal wordt gezien, hangt nu eenmaal vaak alleen maar af van de tijdgeest.

Onze keuze valt nu – en zoveel respect zijn we wel verschuldigd – op het statige Palacio Real, waar we nog snel even de tijd nemen voor het schrijven van een ansichtkaart aan de koningin van ons hart die aan het thuisfront op ons wacht. Vervolgens maken we heel snel een ererondje om het Estadio Santiago Bernabéu, ooit het thuisstadion van de legendarische doelpuntenkoning Alfredo Di Stéfano, die met Real Madrid vijf maal op rij de Europacup won. En dan natuurlijk nog even naar het slachthuis voor stieren… De Spanjaarden zullen overigens niet echt blij zijn met dit woordgebruik, maar ook in het vaderland van de corrida is er sprake van een steeds groeiende weerstand tegen dit spel met dodelijke afloop. Hoe dan ook, de stierenvechtersarena Las Ventas aan de Plaza de Toros Monumental is de grootste van Spanje.

Daar werd overigens afgelopen zondag José Tomás, de als halfgod aanbeden matador, maar liefst drie keer door een stier op de hoorns genomen. Het lukte hem uiteindelijk toch nog het 500 kilo wegende gevaarte te doden, maar hij moest vervolgens zelf wel met spoed onder het mes. Foto’s van de door de lucht geslingerde Tomás sieren de voorpagina’s van bijna alle kranten bij de kiosk van het benzinestation, waar we voor vertrek nog even gaan tanken. Ons rest nu niets anders dan onze eigen stalen stier bij de geconificeerde hoorns te pakken en hem weemoedig gestemd weer terug over alle bergen te jagen.

Info

De Sierra de Guadarrama en de Sierra de Gredos maken deel uit van het Castiliaans Scheidingsgebergte en vormen samen een circa 250 bij 50 kilometer grote, bijna 2600 m hoge bergketen ten noordwesten van Madrid. Liefhebbers van geschiedenis komen in steden als Segovia en Ávila volop aan hun trekken en motorrijders raken helemaal enthousiast van de vele goed geasfalteerde wegen, waar je ondanks de nabijheid van de hoofdstad vaak nauwelijks een mens tegenkomt. En eenmaal in Madrid aanbeland, merk je al snel dat je je in deze fantastische stad tot in de late of eigenlijk de vroege uurtjes heel goed kunt vermaken.

Erheen

Van bijvoorbeeld Rotterdam naar Madrid is het over de snelweg via Parijs, Bordeaux en Biarritz ruim 1700 kilometer rijden. Volgens de routeplanner bedraagt de verwachte reistijd 18 uur en kost de reis ernaartoe in totaal 220 euro aan benzine en tol. Ofschoon deze informatie ervan uitgaat dat je de reis met de auto maakt, beschik je zo in ieder geval wel over een grove indicatie van de kosten.

Reistijd

De reis naar het centrale deel van Spanje kun je het best – zoals zo vaak het geval is – in het voor- of najaar maken. ’s Zomers kan het al gauw zo’n 40ºC worden, wat nu eenmaal niet iedereen prettig vindt. In de hoger gelegen delen van de Sierras is het natuurlijk wel een stuk kouder. Hier kun je overigens ook skiën.

Accommodatie

Wij hebben op de volgende adressen prima overnacht: Hotel Botánico, Calle Timoteo Padros 16, 28200 San Lorenzo de el Escorial, www.botanicohotel.com; Posada Rural El Canchal, Calle de la Fuente 1, 05400 Arenas de San Pedro, www.elcanchal.com; Hotel Paseo del Arte, Calle de Atocha 123, 28012 Madrid, www.hotelpaseodelartemadrid.com.

Benelli aan de powercruiser

0

Vroeger waren cruisers negen uit tien keer van Amerikaanse makelij, maar sinds een aantal jaar werpen ook andere naties zich op de wat langgerekter machine met lage zit. Natuurlijk Yamaha met de VMAX, maar zeker ook Ducati met de Diavel en XDiavel, en nu dus Benelli.

Dit is de Benelli 402S, een powercruiser in een compact jasje. Benelli is inmiddels in Chinese handen en dat wordt nu kracht bijgezet door de gekozen lijnen, want zeg nou zelf; dit is toch gewoon een minuscule XDiavel. Chinezen zijn immers erg goed in twee dingen; muren bouwen en dingen kopiëren.

Dat we niet hoeven te rekenen op een introductie-uitnodiging van de 402S is ook duidelijk, want binnen de EU is men niet zo gecharmeerd van de Chinese kopieerdrang en de juridische afdeling van Ducati weet waarschijnlijk wel raad met hun semi-landgenoot, mochten ze het alsnog ooit in hun hoofd halen de 402S hier uit te brengen.

In plaats daarvan lijkt Benelli de compacte cruiser te behouden voor de lokale markt in China, en daar is het nog best een flinke jongen ook. Aandrijving wordt verzorgd door een 399cc paralleltwin met net geen 40 pk en ook de afmontage is niet eens zo heel onaardig, met een upsidedown-voorvork, verstelbare monoshock en zelfs standaard ABS.
Benelli 402S vs Ducati XDiavel
Ergens toch wel jammer, want met andere modellen zoals de kekke Leoncino en nu deze 402S bewijst Benelli wel enthousiast genoeg te zijn van alles te willen proberen, enkel jammer dat ze in creativiteit dat laatste beetje missen. Enthousiasme dient toegejuicht te worden, zeker vanuit een historisch merk als Benelli.

Foto’s: Benelli en Ducati

 

[justified_image_grid ids=27139,27140,27141,27142]