maandag 6 april 2026
Home Blog Pagina 41

Test BMW R 1300 GS Adventure vs. Ducati Multistrada V4 Rally: all inclusive

0

Reizen zonder compromissen beloven de BMW R 1300 GS Adventure en de Ducati Multistrada V4 Rally. Meer reisenduro’s zijn er niet, zowel qua techniek als qua prijs. Tegelijkertijd dringen de afmetingen en het gewicht van de voertuigen in absurde gebieden. Wie pakt het aantrekkelijkere pakket van volledige uitrusting en rijdynamiek?

Minder is meer? Een afgezaagd gezegde waar de BMW R 1300 GS Adventure en de Ducati Multistrada V4 Rally zich niets van aantrekken. Zonder een 30-liter tank gaan ze niet eens op pad. In het geval van de Ducati is dat geen slecht idee: op weg naar de confrontatie in de Vogezen nipte de V4 niet beschaafd van een champagneglas, maar leegden de gulzige cilinderkoppen de aluminium doos in grote teugen.

De fotograaf van dienst, die met zijn opgestapelde kampeerspullen rechtstreeks van de BMW Days arriveert, tref ik tijdens het diner in Chateau du Pont Jean. ‘In Garmisch hoorde ik van verschillende BMW-klanten dat de normale GS niet meer statig genoeg overkomt.’ Dat de nieuwe 1300 compacter lijkt dan de 1250, valt blijkbaar niet bij iedereen in goede aarde. ‘Ze willen iets groters dan ze tot nu toe hadden en prezen de Adventure bijna omwille van zijn afmetingen.’

Aan de prijs

Het enige wat ik de volgende ochtend prijs is het uitgebreide ontbijt. Om de XXL-GS van de middenbok te trekken, is een goed gedoseerde zwiep nodig, gedecideerd en niet besluiteloos. ‘Ik kan me geen andere motor herinneren die zo moeilijk van de bok te krijgen is,’ zucht Guido ook, terwijl we de Adventure op onze weegschaal proberen te krijgen. 301 kilo verschijnt er op het display – met koffers, maar nog zonder tanktas, zonder binnentassen en zonder topkoffer. Daarmee overtreft de grootste reisenduro van BMW zelfs de luxueuze R 1300 RT met 20 kilo. Bovendien blijven er van de 485 kilogram maximaal toegestane totaalgewicht nog maar magere een 184 kilo over rijder en duo, inclusief beschermende kleding en bagage.

Test 2026 Honda CB1000GT: meer sport dan GT?

De Ducati daarentegen voelt als een lichtgewicht en kan hij 25 kilo meer lading verstouwen. Hoewel de Multistrada met 281 kilo ook in de hoogste klasse van avonturiers terecht komt, is het makkelijker manoeuvreren dankzij de lagere zithoogte en het bredere stuur. De mogelijkheid om de rijhoogte van de Adventure via het menu te verlagen helpt zeker, maar het extra gewicht blijft. Naast de grote aluminium tanks komen de kilo’s aan beide zijden van de Alpen voort uit de uitgebreide uitrusting: radargestuurde assistentiesystemen, enorme blokken, elektronisch verstelbare ophangingen en royale afmetingen voor rijders en bagage. Die slepen de motoren niet alleen met zicht mee, er moet ook voor betaald worden. Het goedkopere basismodel biedt in deze vergelijking BMW aan. De configurator van de Adventure begint met een basisprijs van 26.951 euro (inclusief kosten rijklaar maken) en dan wacht nog eens dik 15.000 euro als alle opties zijn aangevinkt.

Nog meer kleingeld en discipline vraagt de bestelling van een Multistrada V4 Rally. Het basismodel ‘Radar’ begint bij 33.790 euro. De mogelijkheden voor personalisatie zijn schier onuitputtelijk: titanium, kleurrijk aluminium en lichtgewicht carbon worden aangeboden, zelfs de conversie naar droge koppeling met een open deksel is een optie. De duurste combinatie in de configurator schraapt net tegen de 50.000 euro aan.

Zo duur gaan we niet onderweg. BMW R 1300 GS Adventure tikken wij af voor 36.173 euro en met Option 719 plus enkele extra’s missen we dan eigenlijk niets. Hetzelfde geldt voor de Multistrada V4 Rally Full Adventure met verwarmingsdraden in de handvatten en het zadel, aluminium koffers, Akrapovič-uitlaat en een voorste spatbord van koolstofvezel. Kosten: 40.115 euro.

Als een containerschip

De beide motoren melden zich keyless. De Italiaanse V4 sputtert sportief hees, de boxer met een krachtig gebrom – symbolisch voor het karakter van de tegenstanders. De BMW belichaamt wat de Adventure in de afgelopen jaren zo bijzonder maakte: veel ruimte voor rijder, duo en bagage, een ergonomie die geschikt is voor lange ritten, comfortabele vering en veel koppel bij lage toerentallen. Het onderstel lijkt nog soepeler dan voorheen. Zodra de massa eindelijk rolt, egaliseren de 210 millimeter veerweg aan de voorkant en 220 millimeter aan de achterkant alles wat onder de wielen komt. Korte hobbels of golvend asfalt dringen niet tot de rijder door. Als een containerschip op ruwe zee stampt de reusachtige GS van bocht naar bocht, bestuurd via het brede comfortstuur. Niet lichtvoetig, maar als je de ruimte van de rijbaan gebruikt toch behoorlijk nauwkeurig. Wat de onderdelen van de vering en de banden daarvoor moeten doen, blijft voor de rijder grotendeels verborgen. Vooral onervaren rijders voelen zich hierdoor veilig.

Wie waarde hecht aan gedetailleerde informatie over de staat van de weg, zal gelukkiger zijn in het zadel van de Multistrada. De duidelijk fijner reagerende, ook elektronisch instelbare vering snijdt de weg letterlijk in stukken. Elke – kleinste – oneffenheid wordt verwerkt, comfortabel gladgestreken met elk 200 millimeter veerweg en toch niet verzwegen. Bovendien reageert de Ducati levendiger op stuurimpulsen en koerscorrecties, waardoor Col de la Schlucht, Grand Ballon en Ballon d’Alsace als het ware tot een gladgestreken circuit worden gepolijst. Zonder dat er comfort verloren gaat, is het duidelijk de sportievere motor, maar dat vraagt ook iets van de rijder. Wie gelooft dat hij of zij met een slappe pols de krachtiger BMW kan volgen, verliest meters bij elke bochtuit-acceleratie. En dat ligt beslist niet aan gebrek aan vermogen. De V4 overtreft de boxer met 25 pk, maar serveert zijn 170 pk 3.000 toeren later, waardoor je de Ducati vergeleken met de BMW één tot twee versnellingen lager moet rijden.

Dankzij de quickshifter en korte schakelmomenten is schakelen meer plezier dan straf. Ook qua geluid komen gepassioneerde Multistrada-rijders aan hun trekken. De GS hoor je niet alleen zelf, maar ook door rijders die erachter rijden. Het geluidsbeeld, vooral de mechanische geluiden van de 1300, accentueert behoorlijk.

Bij het verbruik neemt de toerengretige Italiaan toerenliefde wraak. Het uitschakelen van de cilinders bij lage toerentallen verandert daar weinig aan. 6,7 liter per honderd kilometer op door ons levendig bereden landwegen is niet meer van deze tijd, vooral omdat de BMW-boxer op dezelfde wegen een halve liter minder verbruikt. De GS neemt ook het schakelen op verzoek van de rijder over als je je Adventure bestelt met ‘Automated Shift Assistant’. Voor de Multistrada is een dergelijke optie momenteel niet leverbaar.

Vergelijkingstest BMW R 12 G/S vs. Triumph Scrambler 1200 XE: zwervers

Fijne Brembo’s

Wat de overige assistentiesystemen betreft genieten beide motoren van overvloed. Rijmodi, semi-actieve ophangingen, tractiecontrole – tot in het kleinste detail is elke parameter van de Ducati configureerbaar. Wie minder ervaring heeft, zal met het menu van de BMW gemakkelijker uit de voeten kunnen, waarvan de vooraf ingestelde modi zich grotendeels beperken tot de keuze tussen ontspannen en dynamisch. Radarsensoren voeden bij beiden de adaptieve cruisecontrol met afstandsdata naar het voertuig voor hen en waarschuwen voor verkeer in de dode hoek. Zelfs voor het gewicht heeft de GS een oplossing: als je de middenbok uitklapt, tilt ze de achterkant elektrisch op, wat ook wel nodig is om de 300 kilo op te tillen. Als de ophanging niet op een lage snelheid is ingesteld, draaien elektrische motortjes na het starten van de Adventure eerst de achterkant omhoog en dan de voorkant – een ongewoon, een verwarrend gevoel. Overstappen naar de Multistrada, die je zonder ondersteuning gewoon omhoogtilt en die na het starten gewoon weg rijdt, voelt haast verfrissend degelijk.

De remmen van beide reuzen grijpen ook degelijk aan. Terwijl de enorme 330mm-schijven van de Ducati bijna tussen de fijne Brembo-remklauwen verdwijnen, stopt de test-BMW met 310-schijven en ‘sportrem’ aan het einde van een volle remming bij 100 km/u zelfs anderhalve meter eerder. Als onderdeel van het dynamische pakket zijn de remklauwen met rode inscriptie verbonden met de rijmodi Pro en schakelassistent Pro. Kosten: 849 euro.

Toergeschikt?

Het hoofdstuk ‘Toergeschikt’ valt uitgebalanceerd uit. Beide grote enduro’s bieden rijders comfortabele, verwarmde zadels. Handbeschermers en handvatverwarming zijn vanzelfsprekend, evenals een ontspannen zithouding. Staat het Ducati-zadel in de lage positie dan stoort de krappe kniehoek op lange etappes. Het biedt daarentegen wel betere bescherming tegen de rijwind, zelfs bij hoge snelheid. Grotere GS-rijders hebben ondanks de hoge BMW-ruit last van turbulentie. Daar verandert ook de positie van de ruit niets aan. Die moet je eerst kiezen met een knop naast het alarmlicht op de linkerkant van het stuur waarna je ‘m vervolgens elektrisch kunt verstellen. Ingewikkeld omdat met dezelfde knoppen ook de handvat- en zadelverwarming, demping, tractiecontrole en de afstandsregeling van de cruisecontrol worden aangepast. Bij de Multistrada is het voldoende om de ruit simpelweg handmatig omhoog of omlaag te schuiven, maar die heeft dan weer als nadeel dat je de volledig waterdichte koffers iedere keer opnieuw met een sleutel moet openen. De Adventure-koffers kunnen ontgrendeld blijven, de linker daarvan voedt bovendien verbruikers via een USB-C-oplaadpoort. Helaas zijn de koffers allesbehalve waterdicht en daarom zonder extra binnenzakken slechts beperkt bruikbaar, vooral als het gaat om gevoelige elektronica. Smartphones laad je beter op in het vak op de tank, dat een extra USB-C-poort heeft, of in de BMW-tanktas, die perfect op de standaard docking past en die je tijdens het tanken met één handbeweging inklapt. Het laadvak van de Multistrada is lang niet zo geavanceerd. Gekoeld door de rijwind, verzamelt het graag fijn stof. Bovendien is het te smal om met een hand kleinere voorwerpen uit de diepte te vissen, en bovendien te klein voor sommige actuele smartphones. Staat het deksel open, dan bots het tegen het stuur aan.

Smartphones hoeven de navigatietaken hoe dan ook niet over te nemen. BMW biedt nog steeds apparaten aan die via de Multicontroller bediend kunnen worden. Ducati vertrouwt op een Garmin zūmo XT2 voor de navigatie, maar de bijbehorende kunststof houder kost een onbeschaamde 400 euro. Een feest voor de accessoiremarkt.

De beide XXL-reisenduro’s brengen je wel in partystemming. Ondanks hun gewicht, bevinden ze zich qua rij-dynamiek in de eredivisie, snuiven ze lange afstanden net zo speels op als kronkelige bergwegen en begeven ze zich voor een kopje koffie met bosbessentaart in een Alpen-berghut ook nog eens op ongebaande wegen. Op het asfalt duwen hun machtige motorblokken en stabiele remmen de aluminium koffers met een snelheid van bocht naar bocht die dagtoeristen in volledig toertenue alle illusies ontneemt. En dat met alle comfort, met een verwarmd achterste, warme handen, duo en alle toebehoren. Dankzij de elektronisch gestuurde vering verschieten de ophangingen zelfs met duo en bagage niet van kleur. En na al die berglucht in de verbrandingskamers zetten beide slagschepen het kompas weer richting huis, koppelen zich via de adaptieve cruisecontrol aan het voertuig voor hen en cruisen ze ontspannen over de snelweg. In geval van nood zelfs zonder tankstop. Er is immers 30 liter aan boord.

BMW R 1300 GS Adventure

De zware Adventure kan bijna alles, zodra ze rijdt. De kalmte waarmee ze met aanzienlijke snelheid over ’s heren wegen ploegt, terwijl het onderstel alles onder de banden egaliseert, blijft je fascineren. Motorrijders die je willen inhalen worden voor uitdagingen gezet. Beter is het om een verstandig reistempo te kiezen, want bij de volgende stop ben je misschien afhankelijk van de goedwillendheid van je vrienden. Manoeuvreren met de GS is een krachttoer. Zou je de motor rechtop moeten zetten omdat ‘ie is omgevallen dan kan dat niet zonder hulp. Jammer dat er bij zoveel eigen gewicht niet eens genoeg laadcapaciteit overblijft om de langafstand- en duo-geschikte Über-GS legaal haar bestemming te laten bereiken.

BMW R 1300 GS Adventure

ProductielandDuitsland
Motor / aandrijvingtweecilinder boxer, viertakt, E-starter
Cilinderinhoud / compressie1300 cc, 13,3:1
Vermogen145 pk (107 kW) @ 7.750 tpm
Max. koppel149 Nm @ 6.500 tpm
Boring x slag106,5 x 73 mm
Ventielen / cilinderelk 4
KleppensysteemDOHC met variabele inlaat
Geluid (stand / rij)90 dB(A)
Smeringwetsump
Koppelingmultiplaat in oliebad, hydraulisch
Framestalen plaatframe, aluminium subframe geschroefd
Voorveringø 43 mm Evo-Telelever, veerweg 210 mm
Instelmogelijkhedenveerpreload elektrisch, in- en uitgaande demping
AchterveringEvo-Paralever, direct aangestuurde WAD-schokbreker, veerweg 220 mm
Instelmogelijkhedenelektrische veervoorspanning, semi-actieve in- en uitgaande demping
Banden (v/a)120/70 ZR19 / 170/60 ZR17
Velgen (v/a)Spaakwielen, 3.00 x 19 / 4.50 x 17
Banden in testMetzeler Tourance Next 2
Rem voortwee 310mm-schijven, radiale vierzuiger-remklauwen
Rem achtereen 285mm-schijf, tweezuigerremklauw
Elektronicavolledige integrale ABS Pro, uitschakelbare hellingsgevoelige tractiecontrole, vier rijmodi, motorremregeling, adaptieve cruisecontrol, dodehoekwaarschuwing
Dynamovermogen650 W
Accu12 V / 10 Ah
OnderhoudsintervalIedere 10.000 km / jaarlijks
KlepcontroleIedere 20.000 km / jaarlijks
Prijs (vanaf)€ 26.951
Max. laadvermogen184 kg
Verbruik (test)6,2 l
Actieradius314 km
Snelheidsmeter bij 100 km/u103 km/u
Max. snelheid220 km/h
Acceleratie 0-100 km/h3,8 s
Trekvermogen 60-100 km/h (6e)3,7 s
Trekvermogen 100-140 km/h (6e)4,0 s
Naloop118,8 mm
Balhoofdhoek63,8°
Wielbasis1534 mm
Tankinhoud30 l
Gewicht rijklaar301 kg
Zithoogte880 mm

Ducati Multistrada V4 Rally

Fascinerend dat de met elektronica volgestopte Multistrada in deze vergelijking de nuchtere motor is. Gewoon gaan zitten en wegrijden zonder poespas kan ze net zo goed als je eerst uitputtend in de optimalisatie tot in detail te verdiepen. Dit geldt niet alleen voor de instelbaarheid van de assistentiesystemen en het onderstel. Waar je ook kijkt, lijkt de Ducati stijlvoller en emotioneler. Op de snelweg biedt ze zelfs comfortabelere windbescherming. Het potentieel om een GS Adventure op een bergweg te volgen, heeft ze ongetwijfeld in zich. Maar dat vereist wel een rijder die plezier heeft in een actieve rijstijl met veel schakelen. Dan is ze in dit gevecht met de gigantische BMW niet alleen de mooiere, maar ook de betere.

Ducati Multistrada V4 Rally

ProductielandItalië
Motor / aandrijving90°-V viercilinder, viertakt, 70° krukasoffset, E-starter
Cilinderinhoud / compressie1158 cc, 14:1
Vermogen170 pk (125 kW) @ 10.750 tpm
Max. koppel121 Nm @ 8.750 tpm
Boring x slag83 x 53,5 mm
Ventielen / cilinderelk 4
KleppensysteemDOHC
Geluid (stand / rij)92 dB(A)
Smeringwetsump
Koppelingmultiplaat in oliebad, hydraulisch
Framelichtmetalen monocoque, subframe stalen buizen geschroefd
Voorveringø 50 mm USD-vork, veerweg 200 mm
Instelmogelijkhedensemi-actieve veervoorspanning, in- en uitgaande demping
Achterveringtweearmige swingarm, direct aangestuurde schokbreker, veerweg 200 mm
Instelmogelijkhedenelektrische veervoorspanning, semi-actieve in- en uitgaande demping
Banden (v/a)120/70 ZR19 / 170/60 ZR17
Velgen (v/a)Spaakwielen, 3.00 x 19 / 4.50 x 17
Banden in testPirelli Scorpion Trail II
Rem voortwee 330mm-schijven, radiale vierzuiger-remklauwen
Rem achtereen 265mm-schijf, tweezuigerremklauw
ElektronicaBochten-ABS, uitschakelbare hellingsgevoelige tractiecontrole, vier rijmodi, drie motorkenmerken, wheeliecontrol, quickshifter, adaptive cruisecontrol, dodehoekwaarschuwing, bergstart-assistentie, adaptive bochtenverlichting
Dynamovermogen560 W
Accu12 V / 10 Ah
OnderhoudsintervalIedere 15.000 km / jaarlijks
KlepcontroleIedere 60.000 km
Prijs (vanaf)€ 33.790
Max. laadvermogen209 kg
Verbruik (test)6,7 l
Actieradius290 km
Snelheidsmeter bij 100 km/u105 km/u
Max. snelheid250 km/h
Acceleratie 0-100 km/h3,7 s
Trekvermogen 60-100 km/h (6e)3,9 s
Trekvermogen 100-140 km/h (6e)3,8 s
Naloop105,5 mm
Balhoofdhoek65,3°
Wielbasis1572 mm
Tankinhoud30 l
Gewicht rijklaar281 kg
Zithoogte860 mm

Tekst en foto’s: MotorradNews

40 jaar MOTORbeurs: All Brands United pakt groot uit tijdens MOTORbeurs Utrecht 2026  

0
Fotograaf: MichielTon.com

 Koninklijke Jaarbeurs en RAI Vereniging brengen dit jaar vrijwel alle gerenommeerde motormerken samen tijdens MOTORbeurs Utrecht. Dit jaar is het de 40ste editie van MOTORbeurs Utrecht en de derde keer dat motormerken gezamenlijk naar voren komen onder het motto ‘All Brands United’. Tom Crooijmans, voorzitter RAI Vereniging sectie Motoren: ‘Wij zijn zeer verheugd dat de bij RAI Vereniging aangesloten motormerken hebben aangeven opnieuw gezamenlijk te willen deelnemen aan MOTORbeurs in Utrecht, die van 19 tot en met 22 februari 2026 wordt georganiseerd in Jaarbeurs in Utrecht. Wij verwachten meer bezoekers dan ooit tevoren en door onderling samen te werken wordt de positieve trend van de afgelopen jaren voortgezet.’

MOTORbeurs 2026: een speciale jubileumeditie

Koninklijke Jaarbeurs reageert eveneens enthousiast: ‘Dit jaar is het al de 40ste editie van MOTORbeurs Utrecht en deze beurs is elk jaar één van de hoogtepunten voor onze organisatie. Tijdens voorgaande edities hebben we gemerkt dat onderlinge samenwerking zorgt voor een volledig aanbod waarmee onze bezoekers een goed overzicht krijgen van beschikbare modellen. Dat is precies waar bezoekers behoefte aan hebben, daarmee sluit deze samenwerking mooi aan op de wens van onze bezoekers’, aldus Rachel Jankowsky, beursmanager van MOTORbeurs Utrecht.

Voor deze collectieve samenwerking bundelden de importeurs hun krachten via RAI Vereniging. Martijn van Eikenhorst, sectiemanager Motoren bij RAI Vereniging: “We kijken uit naar een vruchtbare samenwerking tussen MOTORbeurs Utrecht en de leden van RAI Vereniging. De motorfiets groeit in populariteit, steeds meer Nederlanders halen hun motorrijbewijs en ontdekken dat motorrijden meer is dan alleen beleving. De motorfiets levert een onmisbare rol voor goede en betaalbare mobiliteit – een aspect waar ook steeds meer werkgevers oog voor hebben. Tegen die achtergrond is het van belang dat wij tegemoetkomen aan de groeiende interesse voor motoren en mobiliteit op twee wielen onder de aandacht brengen van een breed publiek.”

Extra impuls voor Nederlandse motorbranche

De aanwezige motormerken geven gezamenlijk gehoor aan de behoefte van bezoekers om al het modelnieuws van 2026 bij elkaar te kunnen bekijken. Dat betekent dat onder andere Aprilia, Benelli, Bimota, BMW Motorrad, CFMoto, Ducati, Harley-Davidson, Honda, Indian Motorcycle, Kawasaki, KTM, Kymco, Mash, Morbidelli, Moto Guzzi, Niu, Piaggio, QJMotor, Royal Enfield, Suzuki, Triumph, Ultraviolette, Vespa, Voge, Yamaha, Zeeho, en Zero aanwezig zullen zijn met hun nieuwste modellen.

Gratis naar binnen?

Dat kan! Word lid van RIDERS en ga gratis naar MOTORbeurs Utrecht. Motorrijden draait om vrijheid, beleving en verbinding. Daarom brengt RIDERS motorrijders samen, ongeacht merk, stijl of ervaring. Je vindt bij RIDERS een plek waar passie gedeeld wordt, verhalen tot leven komen en nieuwe vriendschappen ontstaan. Met toertochten, toegang tot 3 grote evenementen, ontmoetingen en aantrekkelijke diensten maken we de motorbeleving intenser en onvergetelijk. Dé community voor motorrijders die meer willen beleven dan alleen de rit.

Word nu lid!

Meer artikelen lezen over 40 jaar Motorbeurs?

Toertocht Frankrijk: XXL-rotonde om de Mont Blanc

2

Zelfs de meest versleten stadsrotonde kan niet tippen aan de pracht van de Ronde om de Mont Blanc.

Frankrijk telt ongeveer 20.000 rotondes, maar de bekendste is ongetwijfeld die bij de Parijse Arc de Triomphe op het Place Charles de Gaulle. Twaalf inritten zorgen ervoor dat het verkeer als uit brandweerslangen de rotonde instroomt en daar onstuitbaar in het rond cirkelt. Een plattelander uit Ruinen zou er dizzy van worden, terwijl je tegelijkertijd de juiste afrit moet nemen voordat de tank leeg is. En hoe spannend het ook mag zijn: altijd maar linksaf rijden wordt zelfs voor de grootste verkeersliefhebber op een gegeven moment saai. Een welkome afwisseling is de geniale ronde om de Mont Blanc. Het feit dat deze niet alleen door Frankrijk, maar ook door Italië en Zwitserland gaat, is een mooie bonus, want zo krijgen we er ook nog een paar aantrekkelijke Alpenpassen bij.

Broederlijke genen

Bij de Arc de Triomphe in Parijs heb je de keuze uit de Champs-Élysées, Avenue de la Grande Armée en nog tien andere straten. Maar naar de Tour du Mont Blanc ga je met een routeschema dat slechts half zo complex is. Het avontuur begint in Bourg-Saint-Maurice, waar de D 1090 afbuigt naar de Col du Petit Saint-Bernard. Van 744 naar 2.188 meter, en in plaats van auto’s met spiegels zijn de bochten die je rijdt helemaal in de gloria. Haarspeldbochten te over, met asfalt van topkwaliteit. Af en toe zijn er wat opbrekingen door vorstschade, maar die strijkt de in het Zwarte Woud geoptimaliseerde GS met gemak glad. Even gas terug in het skigebied La Rosière: Wintersport? Nee, wij gaan liever verder en laten nog eens 300 hoogtemeters onder de banden rollen tot de pashoogte bij de Kleine Sint Bernard. Daarboven, als een politieagent op een verkeersplein, waakt de Heilige Bernard van Menthon, beschermheilige van de Alpenbewoners en bergbeklimmers op een monoliet. Zo hoog, zo goed, maar naast christelijke bescherming kan soms ook chemische bescherming welkom zijn. Zonnebrandcrème factor 20 kan in ieder geval geen kwaad als we het ons gezellig maken op het terras van de ‘topbar’. Terwijl we melk roeren in de koffie, knijpen we ook een tube zonnebrand uit.

Van café au lait naar cappuccino, van belles virages naar bella tornantis, van Frankrijk naar Italië. De grens loopt over de Col du Petit Saint-Bernard, aan de noordzijde bekend als Colle del Piccolo San Bernardo. En die heeft een grote broer: de 2.469 meter hoge Colle del Gran San Bernardo. Of het aan de broederlijke genen ligt? Ook deze pas markeert een grens, die tussen Italië en Zwitserland. Tot we daar zijn, delen de twee cilinders van de BMW broederlijk het werk, of beter gezegd het plezier: krachtig brommend in de lagere versnelling naar beneden tot in Aosta, daar elegant links op de SS 27 en dan – flaps dicht, uitlaat open – over de klassieke topweg naar Gran San Bernardo. Ach, die Italianen. Ze bouwen niet alleen bella macchinas en romige serpentines, maar hebben ook oog voor vangrails, die ze bekleden met hout, alsof het het stuur van een Alfa Romeo Spider is. Welke gedachten spoken er door je hoofd als je naar de bergkam kijkt die sterk op een dromedaris lijkt. En welke viervoeter springt je te binnen in de souvenirswinkel bij Gran San Bernardo? Juist, de goedmoedige reddingshond met het vat schnaps om de hals voor het opwarmen van lawineslachtoffers. De Berner Sennenhond is genoemd naar de al eerdergenoemde Bernard van Menthon – overigens een Augustijn, geen Benedictijn – die hier in de elfde eeuw een herberg oprichtte die later de wieg werd van het ras Bernhardiner en die zich vandaag ook om tweevoetige schepsels bekommert die aan een tafel met een smetteloos witte tafelkleed hoogstens eens een glas rode wijn morsen.

Toertocht glaswegen in het Beierse Woud, Duitsland: GS. Voorzichtig! Breekbaar!

Joe-Bar-Café

Maar voor een uitgebreide maaltijd is het nog te vroeg, dus rijden we verder, samen met die in de Alpen alom aanwezige soort die van het ras boxer afkomstig is. Het is gewoon bizar: je wacht in een fotobocht op ‘jouw’ GS – en pas nadat de foto is genomen, merk je dat je een andere hebt gefotografeerd. Zelfs stijlvolle alubakken zijn geen uniek kenmerk meer. Dat geldt ook voor de bijna prehistorische wegafbakening die menig tijdgenoot verder naar het oosten zou verwachten. Deze ‘grenssteentjes’ hebben de schattige uitstraling van muizentandjes; behoorlijk pittoresk, maar eerder ongebruikelijk voor het veiligheidsbewuste Zwitserland, dat op de noordelijke helling van Gran San Bernardo begint. Maar wat maakt het uit? Bij Tom en Jerry loopt het ook altijd goed af.

Van de ene naar de volgende strip, naar het Joe-Bar-Café in Bourg-Saint-Pierre. Wat zou de groep rond Ed Vollegaas en Guido Brasletti tegen elkaar zeggen als hoorden hoe fluisterstil wij van Lac Champex naar Martigny rijden? Ee mooie weg die zich tegen de helling schraagt en in alle stilte met het bos knuffelt – wie zou dat idyllische plaatje willen verstoren? Motoren uit en als een rollend commando naar beneden, natuurlijk niet zonder weer de ideale lijnen te zoeken om de vaart door de bochten mee te nemen. Alleen in geval van nood is met de voeten peddelen en ritmisch headbangen toegestaan. Op de een of andere manier is het toch stripwaardig.

Martigny tippen we vandaag alleen aan; in plaats daarvan gaan we direct de eerste rotonde links omhoog naar de Forclaz. Met 1.526 meter is de pas niet bepaald indrukwekkend, maar voor de boxer goed genoeg om nog snel een avondlijke trompetsolo op de gebogen dansvloer te geven. Vooral omdat ze vanuit poleposition kan starten, omdat de weg tijdelijk is afgesloten voor de inzet van een helikopter die de wijngaarden in het dal besproeit. En dan is het tijd voor onze injectie en gaskleppen. Het is altijd weer mooi als er op een landschappelijk mooie plek en net op het juiste moment een gastvrij huis zoals het Hôtel du Col de la Forclaz opduikt. En even later wordt een dampende Pot au Feu geserveerd, mogelijk de verre verwant van Irish Stew.

Val Veny met het Mont-Blanc-massief.

Met rozen geplaveid

De 4.810 meter hoge Mont Blanc komt nu, na de Zwitsers-Franse grens bij Trient, steeds dichterbij. De top zelf doet dat natuurlijk niet, maar wij naderen dichterbij over zijn rotsachtige huid. Eerst hoppen we als konijntjes over de smalle en gehavende D 1506 naar Argentière, daarna strekken we onze nekken als zwanen: Welke van de majestueuze vierduizenders rond Chamonix mag zich de grootste eer toe-eigenen? De pieken dragen namelijk allemaal een witte kroon. Dat is nu eenmaal de prijs die vlakkelandbewoners betalen, die wel een flat twin van een parallel twin kunnen onderscheiden maar de toppen in de eeuwige sneeuw niet. Ter verdediging van onze eer moeten we wel opmerken dat al het prachtige ook omringd wordt door nevelflarden, waardoor zelfs het geoefende oog moeilijk de Mont Blanc kan identificeren. Gelukkig verhult de mist ook dat het landschap, ooit de bodem voor de winstgevende productie van Alpenmelk en kaas, is gezandstraald voor skipistes…

Een stevige picknick op de top ziet er vast anders uit dan wat wij na het intermezzo door de periferie van Chamonix en Saint-Gervais-les-Bains als proviand in een Intermarché bij Megève ophalen. Maar waar kunnen twee personen nu voor een slordige 10,04 euro overvloedig lunchen? Dagen geleden moesten we op de Izoard voor een stuk taart maar liefst vijfenzestig betalen. Genoeg met het letten op de kleintjes; de weg die we nog te gaan hebben is met rozen geplaveid. Op de Michelin-kaart springt meteen het groengele, kronkelige pad over de Cormet de Roselend in het oog. Maar rozen hebben af en toe ook water nodig en dat gebeurt precies vandaag. Vanwege het regenachtige zien we nauwelijks iets van de pas en van het maken van foto’s komt niets terecht. En zo sluit de cirkel zich na 501 kilometer weer in Bourg-Saint-Maurice, waar we gelijk starten voor een tweede ronde. Vanavond verstoppen we ons in Albergo Purtud aan de voet van de Mont Blanc, in het Italiaanse Val Veny. De hoogste berg van West -Europa wordt afhankelijk van het nationale perspectief aan Frankrijk en aan Italië toegewezen, waar ze de berg Monte Bianco noemen.

Visionaire blik

Een mooie bergtop kan zeker bekoren, maar waar doe je dat het best? Nou, vooral in de twee zijdalen Val Veny en Val Ferret. Ongestoord door doorgaand verkeer kun je je hier aan de zuidoostflank van het Mont-Blanc-massief vergapen. De bergen staan als soldaten rechtop, terwijl een grijs tapijt van smalle dalwegen zich onder hen uitrolt, perfect om in alle rust de toppenparade te bekijken. En dat lukt deze ochtend uitstekend. Ergens boven, ver weg, zal er een donderbui zijn geweest, want de lucht is kraakhelder en blauw, met ruisende beken die met elkaar wedijveren. Azzurro, zo zou het leven vaker mogen zijn. Zeker bij het uitzicht op de mond van de Mont-Blanc-tunnel, die Courmayeux met Chamonix verbindt en waar nog steeds de herinnering aan de hel van 1999 op rust. Liever een uurtje ‘ligstoelen’ in het Val Ferret op het gras voor chalet Mont Dolent? Met in de ene hand het in de zon smeltende ijsje en in de andere de cappuccino, die tijdens het dutten snel afkoelt. Scusa, scusa, doen we niet. In mijn hoofd draait een lijstje met plaatsen en bestemmingen die straks op ons wachten tijdens de tweede ronde, zoals pasheiligen of de smakelijke serpentinesnacks naar de Col du Joly en Col de Pierre Carrée. Daarmee willen de banden ook zeker kennis maken. Alles in detail beschrijven zou niet in dit artikel passen, maar zou een boek opleveren. Daarom rijden we rechtstreeks naar het hotel van waaruit we morgenvroeg een prachtig uitzicht hebben op de Mont Blanc.

Alsof ze rouge heeft aangebracht op haar flanken. De Grande Dame van Europa toont zich om 5:58 uur aan ons. We kijken onze ogen uit vanuit onze hotelkamer in hotel Les Lanchers in Les Praz de Chamonix. De top presenteert zich met een stralende, zij het ijzige glimlach. De eersten die dit grandioze schouwspel niet alleen vanuit een knusse hotelkamer, maar zich heldhaftig naar de top worstelden – niet zoals tegenwoordig makkelijk met de kabelbaan – waren Jacques Balmat en Michel-Gabriel Paccard op 7 augustus 1786. Het monument voor de eerste beklimmers van de Mont Blanc staat in de oude stad van Chamonix op het Place Balmat. Hoe visionair de blik van de in brons gegoten helden van de 18de eeuw ook is, het is onwaarschijnlijk dat ze zich konden voorstellen wat verkeersstrategen vandaag de dag allemaal bedenken aan rondes: voorrangs-, meerstrooks-, turbo-, ovale-, en zelfs hondenbotrotondes. Wie dat allemaal te veel wordt, verlangt ooit naar een trip naar de Europees-Aziatische grens in de Kaukasus voor een grote ronde om de 5.642 meter hoge Elbroes.

Tekst en foto’s: Klaus H. Daams


Reisinformatie

Voor de een is de Mont Blanc de hoogste berg van Europa, voor de ander, vanwege de in de Kaukasus ‘nipt voor Azië’ gelegen Elbrus, slechts de hoogste van de EU. Hoe dan ook, een ronde om de Witte Reus belooft eindeloos Alpenplezier.

Heenreis

Wie vanuit het noorden aanrijdt, kan het beste bij Martigny de ronde om de Mont Blanc beginnen. Dit gaat het snelst via de tolwegen van Zwitserland, bijvoorbeeld van Basel via Bern en Montreux. Bourg-Saint-Maurice, startpunt van de in de tekst beschreven route, is bereikbaar door Frankrijk via Annecy en Albertville.

Overnachting

Op weg naar de pas van de Gran San Bernardo ligt aan Italiaanse zijde het Hotel Italia, www.gransanbernardo.it; enkele honderden meters verder in Zwitserland bevindt zich, tegenover de Sichting Bernhardiner ‘Auberge de l’Hospice’, www.aubergehospice.ch. Ook op een pas, namelijk de Col de la Forclaz in het Zwitserse kanton Wallis, vind je het ‘Hôtel du Col de la Forclaz’, www.coldelaforclaz.ch. Je hebt de Mont Blanc bijna letterlijk voor je neus in en rond Chamonix, wintersportmekka en basisstation voor bergbeklimmers met de juiste uitrusting; centraal bij het Toeristenbureau ligt het ‘Hôtel Le Chamonix’, www.hotel-le-chamonix.com. Aan de Italiaanse zuidoostflank van het Mont-Blanc-massief biedt het rustige zijdal Val Ferret de ‘Albergo Lavachey’ aan, www.lavachey.com.

Algemene informatie


Download de route Mont Blanc

Historie: Paul Anderson, overgrootvader, fabriekscoureur en snelheidsrecordhouder

0
Paul Anderson

‘Een geharde rijder met een stalen blik in zijn ogen’, zo werd Paul Anderson in 1925 door de Franse motorpers omschreven. Hij was een Amerikaanse motorcoureur die zijn grootste successen honderd jaar geleden behaalde. Paul is een van de weinige rijders die fabrieksrijder is geweest voor zowel Harley-Davidson als Indian. Zijn vertrek naar Indian werd noch door de Harley-fabriek noch door hun fans gewaardeerd. Maar wat volgde was een buitengewone periode waarin Paul vaak werd geclassificeerd als een van de snelste motorrijders ter wereld, dankzij de uitstekende prestaties van de V-twins en singles van Indians Wigwam uit die tijd.

Paul is de overgrootvader van mijn vrouw Amy Herl. Paul stopte met racen toen zijn echtgenote zwanger werd van Amy’s oma. Vanaf dat moment begon zijn tweede leven als motor(sport)fotograaf. Daarmee legde hij de grondslag voor ‘Archives A. Herl’. Een groot archief met oud foto- en filmmateriaal van motoren en auto’s en daarnaast ook de nodige oude folders, tijdschriften en boeken. Het archief wordt beheerd door Amy en dat gebruiken we voor onze artikelen in MOTO73. Maar nu terug naar Paul Anderson!

Paul Anderson was tijdens zijn carrière voor verschillende Amerikaanse merken actief als fabriekscoureur. Het meest succesvol was hij bij Excelsior en Indian. Zijn carrière begon in 1920 als fabrieksrijder bij Excelsior nadat hij benaderd was door de fabriek uit zijn geboorteplaats Chicago. Naast Anderson bestond het Excelsior-fabrieksteam destijds uit Warren Cropp, Hugh Murray, J.A. McNeil en Joe Wolters. Vooral McNeil en Wolters waren destijds grote namen in de motorsport. Een van de eerste races waaraan Paul voor Excelsior deelnam was de beroemde 200-mijls wegrace in Marion, Indiana. Ray Weishaar op Harley-Davidson won de race in een tijd van 2 uur, 48 minuten en 37,12 seconden. Paul eindigde deze race als tweede Excelsior-rijder achter Warren Cropp op de vijfde plaats. Het was een mooi resultaat en voor Paul begon hiermee een periode van intensief reizen door Amerika om deel te nemen aan de races waar Excelsior met een eigen fabrieksraceteam in actie kwam.

In 1922, na het opdoeken van Harley’s ‘Wrecking Crew’-fabrieksraceteam, werd de bekende coureur Maldwyn Jones ook door Excelsior gecontracteerd. Het was het begin van een levenslange vriendschap. Maldwyn werd gekoppeld aan Paul en samen toerden ze van circuit naar circuit. Paul was erg succesvol. Zijn rijstijl werd vaak omschreven als ‘raw and natural with no fuss’. Regelmatig versloeg hij de onaards snelle Indian- en Harley-OHV 4-kleps race-singles met zijn langzamere Excelsior 2-kleps eenpitter. Hij werd al snel een ster en bouwde een bijna onverslaanbare reputatie op als specialist op de halve mijl dirttrack-races. Hij was de eerste rijder in de geschiedenis die de ‘1 mijl binnen 60 seconden’-grens op de halve mijl lange dirttrackcircuits doorbrak, iets waar al jaren over werd gespeculeerd wanneer en of die mijlpaal bereikt zou worden. Paul flikte het op 12 november 1922 op de ovale halve mijl dirttrackbaan in Winchester, Indiana. Tijdens hetzelfde evenement won hij ook de 5-mijls openklasserace in een nieuw Amerikaans record van 5 minuten en 2,6 seconden. Dat was vijf seconden sneller dan het vorige record. Hij won ook het 25-mijl dirttrack-kampioenschap voor de staat Indiana bij hetzelfde evenement. Het bracht een storm aan publiciteit met zich mee waarmee hij nationale bekendheid kreeg.

Record met politie-Henderson

Ignaz Schwinn, de toen nog rijke eigenaar van Excelsior, kon zijn geluk niet op. Hij had nooit zo’n succes verwacht. Schwinn was enthousiast over de gratis PR in de kranten en sporttijdschriften en zag plotseling de motorverkopen van zijn merk omhoogschieten. Gezien zijn bekendheid besloot Schwinn om Anderson in te zetten voor de introductie en promotie van nieuwe Excelsior- en Henderson-motormodellen. Dit gebeurde voor het eerst in 1922 toen de nieuwe Henderson De Luxe 1300cc viercilinder wegmotor werd geïntroduceerd. Deze geweldenaar leverde het voor die tijd flinke vermogen van 28 pk bij 3.400 tpm. Schwinn wilde deze indrukwekkende en snelle machine gebruiken om de politiemarkt in Amerika te veroveren. In februari 1922 werd het hoofd van politie in Chicago uitgenodigd om deel te nemen aan een snelheidstest met een volledig uitgeruste Henderson De Luxe-politiemotor. Anderson bereikte tijdens deze test een snelheid van 158 km/u op de Roosevelt Highway in Chicago, wat grote indruk maakte. Later bereikte Anderson de magische snelheid van 100 mijl per uur — 160 km/u — tijdens een soortgelijke Henderson-demonstratie in San Diego.

Toen Harley-Davidson hiervan hoorde, daagden ze Henderson uit voor een snelheidsduel ‘namens de politie’, dat in april van datzelfde jaar op Dundee Road in Chicago zou worden uitgevochten. Er zouden twaalf snelheidssessies gehouden worden, steeds met een Henderson De Luxe-politie­model tegenover Harley’s 1200cc Model 22-J Solo V-twin zijklepper. Leslie ‘Red’ Parkhurst, Andersons tegenhanger bij H-D, won de eerste heat, waarbij Anderson de resterende elf heats won met snelheden net boven de 160 km/u. Dit resultaat werd breed in de pers uitgemeten, waarna de Henderson De Luxe een zeer gewild politiemodel werd. De hoge topsnelheid werd een belangrijk verkoopargument.

Pauls race- en recordsuccessen hadden samen met zijn promotie van Hendersons politiemotoren de aandacht getrokken van Harley-Davidson. Ze benaderden Paul en beloofden hem hun snelste fabrieksracers met volledige fabrieksondersteuning en een aanzienlijke salarisverhoging. In principe had Harley snellere machines dan Excelsior en konden ze meer ondersteuning leveren. Dit was voor Paul de reden om voor het seizoen 1923 een contract met Harley te tekenen. Dankzij Harley’s snelle 500cc 2- en 4-kleps verticale eencilinders, speciaal ontwikkeld voor dirttrackracerij, groeide Pauls succesreeks aanzienlijk.

Maar vanaf 24 juli 1924 zou hij voor altijd worden verguisd en gehaat door veel Harley-rijders en liefhebbers. Die dag begon een driedaags race-evenement in Toledo, Ohio. Daar kondigde Paul aan dat hij ontslag had genomen bij Harley en als fabrieksrijder voor Indian ging rijden. Het nieuws kwam binnen als een enorme schok; in die tijd was er een intense en bittere rivaliteit tussen de twee grootste Amerikaanse motorfietsfabrikanten. Destijds was het simpelweg een doodzonde om van Harley naar Indian en omgekeerd over te stappen. Maar voor Paul was het een droom die uitkwam. Van kinds af aan had hij een enorme passie voor het supersportieve Indian en haar innovatieve racers. In Toledo nam hij voor het eerst met een Indian aan een serie races deel. Hoewel hij in een aantal van deze races uitviel vanwege mechanische problemen, vestigde hij ook een nieuw Amerikaans 5-mijl dirttrackrecord in een tijd van 4 minuten en 11 seconden. Het leverde Indian een golf aan publiciteit op.

Ivar Paolo Trespidi: het enige Argentijnse wereldsnelheidsrecord uit de motorhistorie

Australië verslagen

Paul zou Indian niet teleurstellen. Zijn reeks overwinningen op de dirttracks en boardtracks, waar nog altijd races op werden georganiseerd, ging onverminderd door. In die periode groeide Paul snel uit tot een van de absolute toprijders bij Indian. Om deze reden werd hij in 1924 voor drie maanden naar Australië uitgezonden. Indian was uitgenodigd om deel te nemen aan de openingsraces van de gloednieuwe Melbourne Motordrome op 29 november 1924. Dit ronde en korte, volledig betonnen circuit had een capaciteit van 32.000 toeschouwers en was op de openingsdag volledig uitverkocht. Paul had twee 500cc verticale eencilinder 4-kleps fabrieksracers van Indian meegekregen. Deze motorfietsen werden beschreven als zijnde ‘afgeleid’ van het nieuwe Indian Prince-eencilinderproductiemodel, dat al als nieuw model voor het modeljaar 1925 geïntroduceerd was. Indian hoopte zowel de Europese, Australische als de Aziatische markt te veroveren met de 350cc- en 500cc-Prince-zij- en kopkleppers. Het was de bedoeling dat Paul naar Australië en Europa zou gaan om deel te nemen aan een reeks nationale en internationale races, om zo publiciteit te genereren voor zowel Indian als het nieuwe Prince-model.

Pauls racers vertoonden weliswaar enkele visuele overeenkomsten met de Prince, maar waren oneindig veel geavanceerder. Het 500cc-motorblok had twee onderliggende nokkenassen. Iedere nokkenas dreef twee kleppen aan met behulp van stoterstangen. De motorconfiguratie was erg eenvoudig, maar destijds was het de snelste 500cc-racer die op de circuits te vinden was. In Amerika had deze machine zich al bewezen als uiterst succesvol, vooral op de kortere en langere dirttrackcircuits. Het frame was een afgeleide van het frame dat werd gebruikt op de Indian V-twin boardtrackracers. Een voorrem ontbrak in Amerika — maar was wel aanwezig bij de racers die Paul meekreeg naar Australië en later ook naar Europa. Destijds was deze Indian vrijwel onverslaanbaar op de Amerikaanse dirttracks, hoewel Harley’s ‘Peashooter’-race-single zijn best deed om de Indian het leven moeilijk te maken. De Indian was ook bloedsnel. In min of meer standaard trim bereikte deze 500cc eencilinder op het zand (!) van Daytona Beach in 1926 een indrukwekkend hoge topsnelheid van ruim 181 km/u! Ter vergelijking: in Europa reed Claude Temple op 5 september 1926 met een OEC-Temple, die vergeleken met Pauls Indian een bijna dubbele cilinderinhoud van 996 cc had, een nieuw wereldrecord van 195,4 km/u.

Paul won bijna alle races waaraan hij deelnam tijdens het openingsevenement van de nieuwe Melbourne Motordrome, waarna hij door Australië toerde en een reeks racesuccessen behaalde in zowel wegraces als dirttrack. De Australische Indian-importeur was erg onder de indruk van zowel Anderson als de Indian 4-kleppers die hij meegenomen had. De importeur kreeg het lumineuze idee om de zuigers, cilinders en cilinderkoppen van Pauls 500cc 4-klepper te monteren op een 1000cc Indian ‘Altoona’ V-twincarter. Hoewel het standaard Altoona-zijklep-motorblok visueel leek op het blok van het Powerplus-wegmodel, was het een volledig nieuw ontwerp. Het was erg fraai opgebouwd. De krukas en beide nokkenassen liepen in zelfuitlijnende kogellagers. Beide cilinderkoppen werden gevoed door een eigen inlaatspruitstuk met een Zenith updraft-carburateur. Met deze nieuw gecreëerde 1000cc 8-klepper vestigde Anderson een nieuw Australisch snelheidsrecord van ruim 201 km/u op het zand van Sellick Beach in Zuid-Australië. Een recordpoging werd destijds over dezelfde afstand in twee richtingen verreden. Tijdens een van deze runs bereikte Paul zelfs een snelheid van 206 km/u. Zijn geregistreerde snelheid van 201 km/u met deze Indian Altoona 8-kleps special was hoger dan het destijds bestaande wereldrecord. Maar het werd niet officieel goedgekeurd als wereldrecord omdat er geen internationaal erkende tijdwaarnemers aanwezig waren op Sellick Beach, er waren alleen Australische tijdwaarnemers.

Na het breken van dit record werd aan deze motorfiets een zijspan gemonteerd waarna Paul een nieuw Australisch zijspansnelheidsrecord neerzette van 190 km/u. Na deze recordsessies werden de onderdelen ter plekke weer op de eencilinder gemonteerd, want Paul wilde ook Australische snelheidsrecords in de 500cc-klasse breken. Het resultaat was een nieuw Australisch 500cc-snelheidsrecord van 169 km/u. Volgens Paul was het zand al aardig rul gereden, anders was het waarschijnlijk hoger uitgevallen. Tot slot brak Paul met een speciaal geprepareerde 1310cc-Indian Altoona-zijklepper een Australisch zijklep-snelheidsrecord voor zijspannen met een snelheid van net boven de 200 km/u.


Tijdens de Labor Day van 1916 reed Paul Anderson – tweede van rechts – zijn eerste race in Benning op een 1000cc V-twin Excelsior.

Arpajon race-dagen

In 1925 maakte Paul op verzoek van Indian de oversteek naar Europa. Hij nam deel aan wegraces, grasbaanraces en kombaanraces in Frankrijk, Denemarken, Zwitserland, Italië en Nederland. Hij had een Indian 1000cc 8-kleps V-twinracer meegenomen en opnieuw een paar 500cc eencilinder 4-kleppers. Dat jaar nam Paul deel aan de Grand Prix van Frankrijk met de 500cc 4-klepper. Deze race vond plaats op 17 juli 1925 op het circuit van Montlhéry. Nadat Paul verreweg als snelste in de 500cc-klasse had getraind, werd hem in tegenstelling tot eerdere berichten verteld dat hij niet mocht deelnemen. Na grondige bestudering van de reglementen was de organisatie van mening dat hij als Amerikaan geen recht had om deel te nemen aan deze Franse GP, omdat hij geen Franse racelicentie had. Na koortsachtig overleg met de Franse Indian-importeur en de Indian-fabriek in de VS werd besloten om Pauls racer uit te lenen aan een Franse coureur. Het was een razendsnelle machine die niet gemakkelijk te berijden was. Het ging dan ook mis: de Fransman crashte kort na de start van de race, waardoor deze zeer bijzondere Indiaan volledig werd vernietigd. Na Montlhéry trok Paul noordwaarts en racete op het Belgische Spa-Francorchamps voordat hij een aantal grasbaanraces op 800-meter- en 1000-meterbanen in Nederland reed. Daarna vertrok hij naar Zwitserland, waar hij een Zwitsers nationaal snelheidsrecord vestigde van net iets meer dan 200 km/u met zijn Indian 8-kleps 1000cc V-twin.

Tegen het einde van zijn Europese tour keerde Paul weer terug naar Frankrijk om deel te nemen aan de beroemde Arpajon-wereldsnelheidsrecorddagen. Deze recorddagen werden in de jaren ’20 bijna ieder jaar gehouden nabij de stad Arpajon, ten zuiden van Parijs. Bijna alle grote motorfietsfabrikanten uit die tijd namen deel aan dit evenement. De autoriteiten legden het verkeer in de regio volledig stil, waardoor er genoeg ruimte was om te testen voordat de snelheidskanonnen werden losgelaten op een lange, rechte maar zeer smalle weg die ooit door de Romeinen was aangelegd. Bomen aan weerszijden maakten het een riskante gebeurtenis; elk jaar verloren rijders het leven en werden de meest exclusieve en dure machines volledig vernietigd. In 1925 zou Paul deelnemen met zijn 1000cc Indian 8-kleps V-twin, motornummer #A-613.

Toen Paul met zijn Indian op 11 oktober 1925 in Arpajon klaarstond om van start te gaan, stond het bestaande wereldsnelheidsrecord op 191,59 km/u. Dit record was een jaar eerder in Arpajon gevestigd door de Engelsman Herbert ‘Bert’ Le Vack. Hij was een bekende tuner en wereldsnelheidsrecordhouder uit de jaren ’20. Na een korte carrière bij Indian, waar hij werkte aan de ontwikkeling van Indians 8-kleps V-twin en een aantal Powerplus-racers, ging hij aan de slag bij J.A. Prestwich (JAP) in Tottenham, Noord-Londen. Daar was Le Vack verantwoordelijk voor de ontwikkeling en tuning van de beroemde JAP V-twin-motorblokken. Na zijn record uit 1925 brak Le Vack in 1929 opnieuw een wereldsnelheidsrecord met een snelheid van 206,7 km/u, met een door een JAP aangedreven Brough Superior. Toen de raceafdeling van J.A. Prestwich werd gesloten, ging hij werken bij New Hudson en later bij Motosacoche. Bert was niet onbekend met dit Zwitserse merk; hij had in 1914 ook aan de TT op het eiland Man met een Motosacoche deelgenomen. Bert kwam op 16 september 1931 om het leven tijdens een testsessie nabij de Zwitserse stad Bern met een Motosacoche-zijspan.

Historie: hoe Albert ‘Shrimp’ Burns board track op zijn kop zette

In die periode werd het wereldsnelheidsrecord in behoorlijk snel tempo met steeds enkele kilometers per uur verbeterd. Brough Superior, OEC, Zenith en BMW waren meer dan actief in het najagen van nieuwe records; tot die dag in oktober 1925 toen Indian met Paul Anderson in Arpajon ook een serieuze poging ondernam om het wereldsnelheidsrecord te veroveren.

Pauls 1000cc 8-klepper-Indian was perfect geprepareerd. De recordmachines op Arpajon reden meestal op een alcohol-benzeenmengsel. De verhouding tussen die twee was behoorlijk kritiek en had invloed op de prestaties. Specialisten langs het parcours konden door te ruiken een goede inschatting maken van de mengverhouding; zij verkochten hun informatie aan fabrieksteams die daar voordeel uit konden halen. Om die reden mengde Paul een kleine hoeveelheid gemalen botmeel in het brandstofmengsel van zijn Indian. Dit veroorzaakte een ondraaglijke geur, waardoor de specialisten niet langer meer een inschatting konden maken van de mengverhouding. Paul maakte de vereiste runs in beide richtingen en noteerde daarbij snelheden van 190 km/u en 256 km/u. Dit aanzienlijke snelheidsverschil was reden voor een onderzoek. Er werd vastgesteld dat iemand op de tijdsbedrading was gestapt, waardoor een valse tijd werd geregistreerd. Daarom werden de records afgewezen door het bestuursorgaan, de Union Motocycliste de France. Er was geen mogelijkheid voor een nieuwe poging. Dit was erg teleurstellend voor Indian, omdat ze wisten dat ze Le Vacks record uit 1924 hadden kunnen verbeteren. Veel later bekende een medewerker van de Franse Harley-Davidson-importeur dat hij opdracht had gekregen deze sessie te saboteren.

Hoge importtarieven

Kort na Arpajon keerde Paul terug naar huis en niet lang daarna raakte zijn vrouw zwanger van hun enige kind. Veel coureurs uit die periode kwamen om het leven of kwamen hun verwondingen niet meer te boven. Racen was in die periode ontzettend gevaarlijk. Pauls vrouw vond dat het genoeg geweest was. Racen paste niet langer bij zijn nieuwe verantwoordelijkheid als vader. Paul besloot daarom te stoppen met de racerij in 1926. Motorrijden zat nog in zijn bloed. Indian contracteerde hem als tuner en rijderscoach en daarnaast werd hij hun staffotograaf. Jarenlang fotografeerde Paul nieuwe Indian-modellen en bezocht als fotograaf talloze motorsportevenementen. Jaren later bleef hij dit als freelancefotograaf ook nog doen.

En Indian? Hun buitenlandse exportoffensief, de reden dat Paul regelmatig uitgezonden werd naar Europa en Australië, kreeg een verwoestende klap toen er hoge, nieuwe invoertarieven werden opgelegd op Amerikaanse motorfietsen in zowel Europa als het Britse Gemenebest. Er was een sterke lobby in veel Europese landen om dit te doen. De Europese motorfietsfabrikanten wilden dat hun overheden de eigen motorindustrie beter zouden beschermen. Dit speelde vooral in Groot-Brittannië. Er waren veel zorgen over de gevolgen van het nieuwe 350cc- en 500cc-modellenoffensief van Indian en Harley-Davidson. De export van Indian naar het Verenigd Koninkrijk werd daarmee in het voorjaar van 1925 een fatale klap toegebracht. De Engelse minister van Financiën voerde een torenhoge importbelasting van 33% in op alle buitenlandse motorfietsen die Engeland binnenkwamen. Door de hoge invoertarieven werden de Amerikaanse Indian- en Harley-Davidson-modellen van de ene op de andere dag vrijwel onbetaalbaar. De verkopen daalden drastisch. Billy Wells, tot op dat moment ruim zestien jaar lang de succesvolle Britse Indian-importeur, zag zich gedwongen om al enkele maanden na de invoering zijn bedrijf te sluiten. Het duurde niet lang voordat andere Europese Indian- en Harley-Davidson-importeurs ook in de problemen raakten. Hierdoor verdween Indian, net als andere Amerikaanse motormerken, langzaam maar zeker voor een groot deel uit het Europese motorlandschap.

Foto’s: Archives A. Herl

Van Prince-inspiratie tot showstopper: het verhaal achter de bekroonde Purple Run

0

‘Purple Run’ werd opgebouwd voor de 60e verjaardag van Fabrice Luccioni, lid van de South Riders in Frankrijk. Zij creëerden een waar meesterwerk!

Het ontwerp van Fabrice, die groot fan van Prince is, begon met een idee rond de titel van de song ‘Purple Rain’ van de in 2016 overleden Amerikaanse artiest. De kleur van de bike stond dus al bij voorbaat vast.

MIX VAN STIJLEN

Pascal, een van de bouwers, legt uit: “Het basisidee was tevens dat de motorfiets zo smal mogelijk moet worden. Namelijk maximaal 21 cm breed voor het frame en maximaal 16 cm breed voor de tank en vork. ‘Purple Run’ moest ook een mix moest worden van drie stijlen; Digger, Drag Style en Chopper met als extraatje een beetje Japanse racestijl erin verwerkt.” South Riders gebruikte, maakte en modificeerde daarvoor een imposante lijst met onderdelen, zoals de aangepaste DNA-voorvork met zelfgemaakt stuur. Daarop staat een klein windscreen, waar een Rolls Royce lamp in verwerkt is en een koppelingshendel in Solex-stijl, waarmee de voorkant al een heel eigen look kreeg. “De 12 liter Sportstertank werd versmald en verlengd en heeft nu een inhoud van acht liter”, vertelt Pascal. “Het zadel en de bijzondere constructie van de achterkant van het frame inclusief vering, is ook naar eigen idee door de South Riders gemaakt.” De wielen zijn gemaakt met Harley-velgen uit de jaren 90. “Die hebben we eerst helemaal gerestaureerd en daarna gemodificeerd met zelfgemaakte spaken”, aldus Pascal. Alleen  achter is remmerij te vinden, in de vorm van een remschijf met Arlen Ness-remklauw.

GEAVANCEERDE MECHANICA

Pascal vervolgt: “De keuze voor de Evo 1340-motor is essentieel voor deze motorfiets. Het heeft de oude look, met zichtbare tuimelaars. Dat was voor ons een enorme technische uitdaging met het uitzagen van de kleppendeksels, het vervaardigen van de stoterstangen, de uitlaatcovers en de op maat gefreesde messing klepstoters. De gaten voor de smeernippels in de tuimelaars hebben we met een high pressure waterjet gemaakt en de smering moet nu dus wel handmatig gebeuren. Daarnaast werden de oliekanalen van de cilinders aangepast.” Bijna alle koelvinnen van de cilinders zijn afgeslepen om de letters S en R (initialen van de South Riders) te integreren. De letters zijn met uiterste precisie machinaal bewerkt met de waterjet, zodat ze in de cilinders passen en zonder lijm of lassen konden worden vastgeklemd. Verder zijn er decompressie ventielen in de cilinderkoppen gezet voor gemakkelijker starten en zorgt een Andrews nokkenas voor extra power. Pascal laat zien; “De nose cone is dusdanig bewerkt dat deze smaller is en de puntenontsteking is bewaard gebleven voor een visueel effect, maar het is, ondanks dat het er allemaal zo eenvoudig uitziet, weldegelijk geavanceerde mechanica.” De uitlaten, ja inderdaad, waar zitten de uitlaten?! De voorste kronkelt sexy naar beneden langs het frame en de achterste baant zich een weg tussen blok en bak. Dat alles om het visueel interessant te houden en vooral om de motor weer zo smal mogelijk te houden!

Bucketlist Knuckle: de langgekoesterde wens van Dirk

AWARDS EN TROFEEËN

De vriendelijke Fransen nemen alle tijd om tijdens de fotoreportage van alles uit te leggen. Ondanks mijn gebrekkige Frans en het beperkte Engels van Pascal, begrijpen we elkaar wonderwel goed! Het wederzijdse enthousiasme en de passie voor customizen en techniek ‘spreekt’ letterlijk boekdelen. Met goede wil en wat improvisatie-gebarentaal op z’n tijd, komen we een heel eind! ‘Papy’, de sympathieke oudere-jongere van de South Riders, laat met gepaste trots zien hoe de Dell’Orto een excentrieke plek kreeg. “De dubbele carburateur werd met behulp van een zelfgemaakt inlaatspruitstuk boven de cilinders geplaatst, niet alleen om zo een unieke look te creëren, maar ook weer om de motor zo smal mogelijk te houden. Een later model Shovelhead Rotary versnellingsbak werd na een grondige revisie en voorzien van een korte as, in het frame gelepeld. De bak werd via de gemodificeerde, gedeeltelijk zelfgemaakte, smalle, single row primaire ketting en droge koppeling aan het Evo 1340 blok gekoppeld. De primaire ketting wordt met een machinaal bewerkte kettingbeschermer afgedekt. Op de krukas zit een handgemaakte moer en ook voor het koppelingshuis werden diverse delen zelfgemaakt. “We hebben de koperen kickstarter op maat gefreesd voor esthetiek en beperkte breedte”, zegt Pacal. “De voetsteunen zijn centraal  gepositioneerd, in Japanse stijl. Uiteraard hebben we die zelf ontworpen en zelf gemaakt van aluminium en messing”, vult Papy aan. De hoeveelheid zelfgemaakte details is overweldigend; Van de ronde aluminium olietank met graveerwerk, tot het one-off frame, het dieppaarse spuitwerk door Franck Frisco Shop en het graveerwerk van Nico NF Engraving. “Alle zelfgemaakte onderdelen zijn machinaal bewerkt door Papy, de opa van South Riders!”, meldt Pascal nog even. “Laurent Deep South Motors zijn we ook eeuwig dankbaar voor zijn waardevolle kennis in mechanica en alle benodigdheden waarmee hij ons geholpen heeft!” Na elke show keert de Purple Run overladen met Awards en trofeeën huiswaarts naar Zuid-Frankrijk. Het zal niemand verbazen. ‘C’est une moto fantastique!’

Fotografie: Onno “Berserk” Wieringa – madnessphotography.nl

TECHNISCHE GEGEVENS PURPLE RUN

Categorie Details
EigenaarFabrice Luccioni, lid van de South Riders
BouwerSouth Riders Garage, Cogolin, Frankrijk
ModelChopper

Motorblok

BouwerH-D / South Riders
TypeEvolution, gemodificeerd
Cilinderinhoud1340 cc
CilinderkoppenEvolution, gemodificeerd
KleppenEvolution, gemodificeerd
NokkenasAndrews
OliepompH-D Evolution, gemodificeerd
BenzinesysteemDell’Orto, dubbele carburateur
LuchtfilterhuisSouth Riders
OntstekingPunten, gemodificeerd en ‘open’
UitlaatsysteemSouth Riders
VersnellingsbakH-D 4-Speed

Rijwielgedeelte

FrameSouth Riders
VoorvorkDNA / South Riders
Voor- en achterwielH-D / South Riders
AchterremArlen Ness

Diversen

Achterspatbord / Zadel / SpatbordsteunenSouth Riders
BenzinetankSportster, gemodificeerd (verlengd en versmald), South Riders
OlietankSouth Riders, aluminium
StuurSouth Riders
HandvattenOld Style
KoppelingshendelOld Style Solex
KoplampRolls Royce
AchterlichtMini custom
Voetsteunen, rem- schakelpedaalAluminium en messing, South Riders

Spuitwerk

KleurPurple
SpuiterFranck Frisco Shop
GraveerwerkNico NF Engraving
Machinale bewerkingPapy

40 jaar MOTORbeurs: de evolutie van 40 jaar motoren #2: 1995 – 2005

0

In 1995 stond de motorwereld aan de vooravond van ingrijpende veranderingen: er kwamen emissie-eisen, de geluidsnormen werden scherper. Verder ging de pk-race onverminderd door.

De emissienormen waren een belangrijke stimulans voor ontwikkelingen aan het eind van de jaren ‘90. In de jaren ‘80 dreigden hele bossen ten onder te gaan aan zure regen. Die ontstond doordat zwaveldioxiden en stikstofdioxiden uit uitlaatgassen met water in de atmosfeer reageerden. Door ontzwaveling van brandstof en rookgassen werd dat probleem deels opgelost, het andere deel werd tegengegaan door auto’s te voorzien van katalysatoren. Dat gebeurde bij de eerste emissie-eisen voor auto’s (Euro 1), die in 1992 werden ingevoerd. In 1999 werd Euro 1 ook voor motoren ingevoerd. En dat had nogal wat gevolgen.

Eerder in deze serie
De evolutie van 40 jaar motoren #1: 1985 – 1995

Loodvrij

De Euro 1-normen konden nog wel gehaald worden zonder katalysator, Euro 2 werd al lastiger en Euro 3, dat in 2006 werd ingevoerd, was niet te halen zonder katalysator. In het begin van deze eeuw zag je dus steeds meer motoren met katalysator. Zo’n katalysator bestaat uit een opgerolde, gegolfde metaalfilm (bij motorfietsen) of een poreuze steen, de monoliet (bij auto’s). Op de wanden van deze ‘drager’ is een coating aangebracht – een zogenaamde washcoat – waarin stoffen zitten die schadelijke componenten kunnen omzetten in onschadelijke. Platina en palladium oxideren CO (koolmonoxide) en HC (onverbrande koolwaterstoffen), rhodium zorgt voor reductie van NOx (stikstofoxiden).

Katalysatoren kunnen alleen uitlaatgas omzetten als ze ermee in contact komen. Als er loodverbindingen uit gelode benzine op de katalysator neerslaan, worden de actieve materialen afgedekt en werkt de katalysator niet meer. Het lood moest dus uit de benzine verdwijnen. Op zich al een goed idee, want loodverbindingen zijn ook niet gezond om in te ademen. Maar voor motorbouwers was het een probleem, want er sloeg ook altijd lood neer op de klepzittingen, waardoor deze min of meer gesmeerd werden: de klap van de klepschotel op de zitting werd gedempt door een laagje lood. Zonder lood sleten klepzittingen te snel, dus moesten er in gietijzeren koppen ineens speciale klepzittingsringen gemonteerd worden. In aluminium koppen zaten die al, maar nu moesten die van een hardere metaallegering worden gemaakt.

Historie: de 2-takt jaren van Suzuki

Rijk of arm

Door de toepassing van katalysatoren werd ook injectie langzaamaan gemeengoed. Bij Euro 1 konden fabrikanten zich soms nog redden met een tweewegkatalysator, die zo heet omdat hij maar twee stoffen omzet: CO en HC. De motor werd dan zo afgesteld dat deze constant met een te rijk mengsel draaide. Dat zorgt voor veel CO en veel HC, maar er was dan geen zuurstof over om ook stikstof te verbranden tot NOx. Via een membraanklepje werd er dan ‘secundaire lucht’ naar de uitlaat gestuurd, die de katalysator nodig had om CO en HC na te verbranden tot onschadelijk CO2. Het werkte, maar het nadeel was dat het brandstofverbruik hoog was omdat je altijd met een rijk mengsel reed. De driewegkatalysator was subtieler: die pakte de zuurstof, die nodig was om CO en HC te verbranden, van de NOx af. Daarvoor moest de motor beurtelings te rijk en te arm draaien, om beurtelings NOx en CO/HC te maken. Dat kon een carburateur niet aan, dat moest met een computergestuurde injectie en een lambdasonde, die de computer vertelde of het mengsel rijk of arm was.

Konstantfahrtruckeln

BMW was een van de eerste merken die met een modern, computergestuurd injectiesysteem kwam. De R1100 RT had al in 1995 een elektronisch Bosch Motronic MA2.2-injectiesysteem. Hierbij bleek dat het lastig was om een injectiesysteem te bouwen dat net zo goed functioneerde als een carburateur. De gasreactie was soms abrupt. Vooral bij een constante snelheid voelde je de motor iets trekken, inhouden, weer trekken, enzovoorts. Dit verschijnsel merk je nu nog af en toe bij injectiefietsen. Vanwege de Duitse oorsprong hanteren we daar doorgaans nog de fraaie term Konstantfahrtruckeln voor.

Dat het beter kon, bewees Honda in 1998 met de VFR800Fi. Dit was het vlaggenschip van Honda. Deze motor had een geprogrammeerde brandstofinjectie (PGM-Fi) en een dual-combined braking system, later zelfs variabele kleptiming. Suzuki kwam datzelfde jaar met de GSX-R750, met injectie en 135 pk mede dankzij luchtinlaten in de voorzijde (Suzuki Ram Air Direct of SRAD). Yamaha had eveneens injectie op de YZF-750 R7 (OW02), toen nog niet met radiale remmen, maar wel met eendelige vierzuigerremklauwen. Yamaha had op de R1 oorspronkelijk nog carburateurs, maar ging in 2002 ook over op injectie.

Geluidsnormen

Een andere stimulans voor motorontwikkeling waren de steeds strengere geluidsnormen. Begin jaren ‘90 mocht een motor in de voorbijrijtest nog 86 dB(A) maken, maar eind jaren ‘90 waren de geluidsnormen gekoppeld aan de emissienormen en mocht een motor nog maar 82 dB(A) maken. In 2002 moesten alle Europese motoren dankzij de EU-typegoedkeuring in de hele EU aan dezelfde geluidsnormen voldoen, die wel afhingen van cilinderinhoud en motorvermogen. Het noopte de fabrikanten tot grotere uitlaatdempers met meer dempingsvolume, maar ook tot stillere motorblokken, want wat geen geluid maakt, hoef je niet te dempen. Koelribben van luchtgekoelde motoren versterken geluid, watermantels van vloeistofgekoelde blokken dempen geluid. Een tweede voordeel van vloeistofkoeling is dat de motortemperatuur constanter is. Je kunt dus kleinere zuigerspeling hanteren, waardoor zuigers minder kantelen en minder lawaai maken. Om dezelfde reden werden krukassen een beetje ‘offset’ geplaatst, iets uit het hart, omdat zuigers dan later en minder hard kantelen. Een gelijkmatige temperatuur heeft daarnaast voordelen voor de emissies, die beter te regelen zijn. Vandaar dat luchtkoeling in het begin van deze eeuw langzaam uitgefaseerd werd.

De pk-race

Wie heeft de grootste? Een vraag die mannen al millennia bezighoudt en ook in de motorwereld ontaardde de marketingmacho in een wedstrijd verpissen. Honda kwam indrukwekkend ver met de in 1996 geïntroduceerde CBR1100XX Super Blackbird, die 165 pk had en de 300 km/u-barrière slechtte. De supermerel werd drie jaar later in de flank aangevallen door een agressievere vogel: de Suzuki GSX-1300R Hayabusa. Deze motor is vernoemd naar een slechtvalk, die in staat is om 349 km/u te vliegen. Dat haalde de Soes niet, maar de 300 km/u-barrière zeker wel. Ook werd de Hayabusa een aerodynamisch stijlicoon. Natuurlijk mengde Kawasaki zich ook in de strijd. In 2000 werd de ZX-12R geïntroduceerd, een unieke motor met een monocoque frame en een motorblok dat 178 pk uitbraakte. Maar deze pk-race viel niet alleen motorrijders op, ook de politiek begon zich te roeren. Om restricties te voorkomen, besloten de motorfabrikanten tot zelfregulatie; ze kwamen een snelheidslimiet van 299 km/u overeen. Uit eigen ervaring kan ik melden dat de tellers inderdaad bij 299 stopten, maar dat je de toerenteller dan nog wel even zag klimmen…

Suzuki GSX-1300R Hayabusa.

Superbikes

De racerij bleef een belangrijke aanjager van ontwikkelingen, of, zoals ze het zelf vaak noemen: het laboratorium waarin nieuwe technologieën worden getest voor ze naar het grote publiek doorstromen. Dan moet er wel iets ontwikkeld worden waar het publiek wat aan heeft, vandaar dat de MotoGP in 2002 overging op viertakten, want tweetakten waren door de milieueisen uitgeroeid. Het had dan weinig zin die door te ontwikkelen. De Superbikes gingen de strijd aan met de MotoGP-machines door de cilinderinhoud voor viercilinders in 2003 te verhogen: ze mochten voortaan 1000 cc hebben. Dat gaf een boost aan de sportieve 1000cc-klasse. De CBR900RR werd een CBR1000RR, met invloeden van de RC211V MotoGP-motor. De CBR had nu een 17 inch voorwiel (de eerste 900 had een 16 inch voorwiel) en een viercilindermotor die 172 pk leverde bij een eigen gewicht van slechts 179 kg. Kawasaki boostte de ZX-9R naar een ZX-10R, goed voor 175 pk bij een eigen gewicht van 170 kg. Yamaha had sinds 1998 al een YZF-R1, maar met 139 pk bij 177 kg was dat natuurlijk geen troef. In 2004 kwam Yamaha met een nieuwe R1, nu goed voor 171 pk bij 172 kg. Suzuki had met de GSX-R1000 sinds 2001 al een 160 pk sterk scheurijzer in het vuur, dat in 2004 nog licht werd opgewaardeerd naar 162 pk bij een gewicht van 168 kg. Opvallend is dat bij deze ontwikkelingen ook langzaam gebruik werd gemaakt van CAN-busnetwerken in motoren. Dat betekent dat componenten in de motor via een computernetwerkje met elkaar communiceren. Aprilia had het in de RSV1000, Ducati in de 999, om er een paar te noemen. Aprilia had op de R-versie zelfs al radiaal bevestigde remklauwen.

Suzuki Hayabusa: De motor die de Tweede Kamer deed sidderen

Supersport

Door de ontwikkelingen in de Superbikes verdween de sportieve 750cc-klasse langzaam uit de showrooms. Alleen Suzuki bleef de klasse trouw met de GSX-R750. Wel kwam de Supersport 600-klasse in een stroomversnelling: vanaf 1999 werd dit een apart wereldkampioenschap, dat bij de evenementen van het WK Superbikes werd verreden. Dat betekende een snelle ontwikkeling van de Honda CBR600F, de Suzuki GSX-R600F, de Yamaha YZF-R6 en de Kawasaki ZX-6R. Natuurlijk mag dan niet onvermeld blijven dat ons eigen Ten Kate-raceteam maar liefst twaalf keer wereldkampioen werd in deze klasse! Opvallend is dat ook Triumph in 1999 met een Supersport 600 kwam, de TT600. Triumph was in 1983 failliet gegaan, maar nadat John Bloor de merknaam had gekocht, fabriceerde het merk vanaf 1991 motorfietsen volgens een modulair concept om de kosten laag te houden. Eind jaren ‘90 was Triumph zover boven Jan dat ze het modulaire concept konden loslaten; de TT600 was een van de eerste modellen met een speciaal voor dit model ontwikkeld frame en motorblok. Er werd niet mee in het WK geracet, dat gebeurde pas in 2006 met de Daytona 765.

Naked Bikes

Naked bikes zijn eigenlijk nooit ‘uit’ geweest. De basic looks, een vrije blik op de techniek en de extra beleving die de rijwind aan het motorrijden toevoegt, hadden altijd hun liefhebbers. Toch zag je eind jaren ‘90 ook ontwikkelingen in dit segment, met een wat modernere, rondere vormgeving. Zo kwam Yamaha met de FZS600 Fazer, Suzuki met de Bandit en de SV650, Honda met de CB600F Hornet, Kawasaki met de ZR7, BMW met de R1100R. Moto Guzzi bracht de Breva 750 en 1100. Ducati had de Monster 600 – al sinds 1994 – een motor die ook weer uitgroeide tot een stijlicoon. Daarnaast werd ook de Streetfighter-klasse populair. Vaak waren dat van supersportieve motoren afgeleide nakeds, zoals de Aprilia Tuono 1000, in 2002. Dat was in feite een RSV1000, maar dan met een recht stuur en een fly-screen in plaats van een volle kuip. Dit model markeerde het begin van de latere ‘supernaked’-categorie. Dan waren er nog specifieke, als streetfighter ontworpen modellen, zoals de KTM 620 Duke, ook weer een iconisch model. De Duke behoort nog altijd tot het leveringsprogramma van KTM.

Cruisers

Eind jaren ‘90 vond er ook een opvallende verandering plaats in het custom-segment. Tot dan toe waren customs veelal geïnspireerd op de choppers uit de cultfilm *Easy Rider*, met hoge sturen, lange voorvorken en grote voorwielen met smalle bandjes. Denk aan de Honda VT750, Yamaha Virago, de Kawasaki VN800 en de Suzuki Intruders. Gaandeweg kwam er een nieuwe stroming, met bredere tanks, dikke, minder steile voorvorken, dikke voorbanden en grote spatborden, dat alles geïnspireerd op de grote cruisers van de jaren ‘50. En iedereen deed mee. Kawasaki met de VN800 Drifter en de VN1500, Honda met de VT750 Ace en de VT1100 C3 Aero, Yamaha met de XV 1600 Wild Star, de XVS650 Drag Star Classic en de XVZ 1300 Royal Star en, niet te vergeten, Indian met de Chief. Harley-Davidson bouwde al jaren customs en cruisers en ging daar onverstoord mee door, maar kwam wel met een andere, heel opvallende motor: de VRSCA V-Rod, voorzien van een vloeistofgekoelde V-twin die 115 pk leverde. Een zeer opvallende verschijning in dit kader is ook de Moto Guzzi V10 Centauro, misschien wel de grondlegger van de powercruisers, al had hij met 90 pk niet overdreven veel power. En als we het dan toch over buitenbeentjes hebben, dan mag de BMW R1200C niet ontbreken. Deze boxer-cruiser had een geheel eigen stijl. En dan was er nog de Bimota Mantra, een extravagant ogende motor met Ducati-blok.

Toer

Toermachines bleven in deze periode ook in ontwikkeling, waarbij de modellen steeds luxueuzer werden. In 2002 kwam Honda met de ST1300 Pan European, met een soepel V4-blok, een verstelbare ruit en een verstelbaar zadel. Yamaha bracht de FJR1300, een sportievere toermotor. Triumph had een luxueuze Trophy 1200, bij BMW evolueerde de RT en werd er stevig ontwikkeld aan ABS-systemen, zoals half-integraal en integraal en zelfs met rembekrachtiging. En er kwam een nieuw topmodel, de K1200LT met een viercilinder-lijnmotor als concurrent van de Honda Gold Wing. Maar het waren niet alleen zwaargewichten waarmee getoerd kon worden: Honda bracht de NT650V Deauville, een betaalbare toermotor met geïntegreerde koffers, een cardan en een volle kuip. Yamaha had de Diversion 900, een basic toermotor met cardan en tophalf. MuZ – het oude MZ – bracht de Scorpion Traveller, Suzuki de vernieuwde GSX600F, nog met SACS-lucht-oliekoeling maar wel met volle kuip. En daar hield het niet op, want ook het sportievere toersegment kreeg vlak na de eeuwwisseling uitbreiding. Zo bracht Triumph de Sprint ST, Ducati de ST2 en ST4, Aprilia de SL1000 Falco, Kawasaki de rappe ZZR1200 en BMW de K1200RS. Die had een bijzondere klepbediening: hij maakte gebruik van sleeptuimelaars, net als de F1-motoren van BMW.

Allroads

Ook in het nieuwe millennium bleef de adventure-klasse populair. BMW groeide door naar een R1150GS en vervolgens naar een R1200GS. Zeer interessant was ook dat KTM zich met alle cross- en Dakar-ervaring met de reis-allroads ging bemoeien. In 2003 bracht het Oostenrijkse merk de 950 Adventure, die met lange veerwegen, hoogwaardige vering en een op offroad gebouwd bodywork met kop en schouders boven alle andere allroads uitkwam als het gaat om offroad-competentie. Andere merken richtten zich liever op meer asfaltgerichte allroads. Zo kwam Aprilia met de ETV 1000 CapoNord en Honda met de Varadero. Ducati lanceerde de eerste Multistrada. Yamaha maakte het nog bonter met de TDM850, een crossover tussen een allroad en een supersportmachine, met korte veerwegen en een rechte zitpositie. Uniek was de achterschokdemper met dubbele veer: bij belading kon je een veer blokkeren, waardoor de vering stugger werd.

Opvallend was verder dat er in deze periode een stroom van lichte allroads op de markt kwam: de Aprilia Pegaso 650, met een vijfkleps Rotax-eencilinderblok, de BMW F650, met hetzelfde blok maar met een eigen vierklepskop, Cagiva bracht de Gran Canyon 500 en KTM lanceerde de compromisloze, offroad-gerichte 640 LC4 Adventure R. Ook hier was er weer een merk dat een andere richting koos: Suzuki lanceerde de V-Strom 650, een comfortabele allroad met een fantastische 650cc V-twin. Dat werd zo’n succesnummer dat deze V-Strom nog altijd in het programma zit.

Het elektronische tijdperk

Motorfietsen waren tot nu toe nog behoorlijk ‘analoog’, maar na 2005 nam de elektronica een vlucht, met elektronisch geregelde vering, ride-by-wire-systemen en geavanceerde assistentiesystemen. Kortom, deel 3 wordt ook weer interessant!

Foto’s: archief

Honda patenteert automatische stuurhulp tegen dodehoekongevallen

1

Honda heeft een nieuw patent ingediend voor een systeem dat motorongevallen door de dode hoek moet helpen voorkomen – dat melden diverse media. In essentie gaat het niet om ‘zelfsturend rijden’, maar om een geavanceerde stuurassistentie (ADAS, Advanced Driver Assistance System) die met camera’s, radar en dodehoek-sensoren continu het verkeer rond de motor monitort. Het doel: gevaarlijke situaties sneller herkennen en de rijder ondersteunen om een aanrijding te vermijden.

De dode hoek blijft een van de grootste risico’s voor motorrijders. Auto’s, bestelwagens en vrachtwagens missen geregeld een motor in hun spiegels, met het bekende excuus “ik had je niet gezien”. In zulke scenario’s is de motor bijna altijd in het nadeel: kleiner, minder zichtbaar en minder stabiel dan grotere voertuigen, waardoor de impact bij een conflict vaak groter is.

Honda’s V4-motor keert terug: nieuwe patenten wijzen op VFR-opvolger

Camera’s, radar en servo-actuatoren

Volgens de patentbeschrijving gebruikt Honda een combinatie van sensoren, radars en camera’s om voertuigen in de omgeving te detecteren en te monitoren, zelfs wanneer de rijder ze zelf niet (tijdig) opmerkt. Op basis van die data kan het systeem een mogelijke botsing voorspellen en berekenen welke uitwijk- of remopties nog realistisch zijn. Een centrale regeleenheid verwerkt alles in realtime en stuurt vervolgens servo-actuatoren aan om de ondersteuning precies te doseren.

Geen zelfsturend systeem

Belangrijk: de motor neemt niet zelfstandig de controle over de stuurinrichting. Het systeem treedt pas in werking wanneer de rijder zelf al begint te sturen of te remmen, en helpt dan geleidelijk mee – snel genoeg om risico’s te beperken, maar zonder de bestuurder te verrassen. Over timing, introductie en concrete modellen is nog niets bekend; daarvoor is het wachten op verdere communicatie van Honda of een volgende ontwikkelfase…

Overnachten aan Eau Rouge: Spa-Francorchamps bouwt hotel pal naast circuit

0

Op 16 januari 2026 heeft Circuit de Spa-Francorchamps een significante stap gezet in de ontwikkeling van premium trackside logies. Het circuit kondigde een samenwerking aan met Escapade, een Engels bedrijf dat gespecialiseerd is in hotelprojecten. Dit ambitieuze project, met een investering van meer dan 30 miljoen euro, is de grootste in de geschiedenis van het Circuit.

Het nieuwe hotel, “Escapade Spa-Francorchamps”, zal 68 kamers bevatten en is strategisch geplaatst in het Eau Rouge-gebouw, nabij de iconische Raidillon bocht. Naast het hotel worden ook zes onafhankelijke residenties ontwikkeld, wat het totaal aantal kamers op 91 brengt. Dit logiesaanbod is ontworpen om wereldklasse gastvrijheid te bieden en het circuit het hele jaar door te ondersteunen.

Een stukje Suzuka Circuit kopen? Dat kan!

Het project omvat niet alleen luxe kamers, maar ook een gastronomisch restaurant met uitzicht op de Raidillon, wellness- en fitnessruimtes, en modulaire eventruimtes. Dit maakt het mogelijk om teams, partners en bezoekers het hele jaar door een unieke ervaring te bieden. De architectuur van het project, ontworpen door Gensler, weerspiegelt de natuurlijke omgeving en de dynamiek van het circuit.

Met de ontwikkeling van “Escapade Spa-Francorchamps” wordt de rol van het circuit als economische motor voor Wallonië verder versterkt. Het creëert niet alleen banen, maar stimuleert ook de regionale economie. Melchior Wathelet, voorzitter van de Raad van Bestuur, benadrukt de strategische waarde van dit project voor de toekomst van het circuit.

Het project zal naar verwachting in 2028 zijn deuren openen, wat een nieuwe mijlpaal markeert voor Circuit de Spa-Francorchamps. Deze ontwikkeling belooft een significante bijdrage te leveren aan het toerisme en de hospitality sector in de regio, en zal het circuit positioneren als een internationale bestemming die het hele jaar door actief is.

Boudewijn Geels: ‘Het diner is bij de prijs inbegrepen. Als prijsbewuste motorrijder ga je dan niet ergens anders bikken’

0
Boudewijn Geels 2025

Terwijl de regen de ruiten van zijn Utrechtse woning geselt – onze motoren staan deze maanden veilig en droog in de garage – vraag ik mijn ouwe maat E. wat hij de meest memorabele trip van 2025 vond. Zijn antwoord: ‘Ik denk toch…’ Hij maakt zijn zin niet af, en dat hoeft ook niet. Ik: ‘Lindental!’ E. grinnikt: ‘Precies!’

Flashback naar juni 2025. Na een rit van dik 400 kilometer arriveren we in Bad Bertrich. Het is prachtig weer, maar de terrassen in dit fraaie dorpje in de Eifel zijn zo goed als leeg. Als gekooide tijgers lopen serveersters heen en weer, glazen afstoffend die smetteloos zijn. Ze vervelen zich kapot. Waar blijven de klanten?!

Welnu, die zitten op het terras van motorhotel Lindental. Want uitbater Adrie verkoopt alleen arrangementen: minimaal twee nachten, en het diner is bij de prijs inbegrepen. Dus ga je als prijsbewuste motorrijder niet ergens anders bikken, want dan betaal je dubbel. En waar gegeten wordt, wordt ook gedronken. Ziehier het verdienmodel. 

Het is kwart voor vijf, nog lang geen etenstijd, maar de meeste gasten – allemaal Nederlanders – zijn al terug van hun toerritten in de omgeving. E. en ik hebben onze levensverhalen al 2068 keer aan elkaar verteld, dus on the road willen we verhalen van anderen horen.

Maar wie heeft er een goed verhaal en wie niet? Dat proberen we altijd van de gezichten af te lezen als we een plekje zoeken. Nu zijn we bij een sympathiek ogende BMW-rijder uit Gelderland neergeploft. Hoe hemeltergend saai je baan ook is, het lukt me altijd om minimaal een uur lang volledige interesse te tonen. Bij deze dertiger weet ik meteen dat me dat geen enkele moeite gaat kosten.

Zijn werk: de resten van mensen die voor de trein zijn gesprongen bij elkaar vegen. Hij vertelt het volkomen neutraal, alsof het net zoiets is als de post sorteren op het hoofdkantoor van de HEMA. E. en ik laten ons uitleggen dat je gaandeweg leert om na zo’n werkdag gewoon naar huis te gaan, je boerenkool op te eten en een normale nachtrust te genieten. ‘Hoe was het op je werk?’ ‘Oh, gewoon.’

Boudewijn Geels: ‘Deze motor heeft 2500 cc, dat slaat echt he-le-maal nergens op’

E. en ik mogen deze jongen meteen. Hij is slim zat, en kan ongetwijfeld ook een veel minder bloederige baan vinden. Maar hij vindt dit belangrijk werk. ‘Iemand moet het doen, toch?’ E. en ik knikken vol respect. In koor: ‘Ik zou het niet kunnen!’

‘Soms doen ze proeven om het iets minder belastend te maken,’ vertelt onze nieuwe vriend. ‘Een tijdje geleden kregen we een VR-bril op. Een drone signaleerde waar er menselijke resten lagen. Die zagen wij op ons scherm als stukken appeltaart.’ E., beduusd: ‘Op verjaardagen hoef jij nu vast geen appeltaart meer.’ Een grinnik volgt. ‘Ik hield toch al meer van slagroomtaart.’

Aan de andere kant zit een jongen zónder verhaal. Hij vindt het vooral heel bijzonder dat ik vegetariër ben. ‘Hee vega!’ zegt hij zo hard mogelijk. ‘Veeg je ook de stront uit je eigen reet om die op te eten? Net als apen doen?’ Hij kijkt of de anderen op het terras hem grappig vinden. Iemand glimlacht flauwtjes, anderen schudden hun hoofd.

Ik zie een gevaarlijk lichtje in de ogen van E. ‘Laat gaan,’ zeg ik sussend. Ik steek mijn hand op naar Adrie. ‘Drie bier graag! En een glas Roosvicee voor deze grapjas links.’ Nu hoor ik wél gegrinnik.

Terug op onze kamer zeg ik tegen E.: ‘Ik vraag me altijd suf, maar mensen vragen eigenlijk zelden iets terug hè?’ E. knikt. ‘Dat blijf ik ook bijzonder vinden. Ik denk dat ze zich er niet eens bewust van zijn. Misschien moet je dat maar es opschrijven in je column, als tip.’

‘Man in de shit. Zes maanden in een Boliviaanse cel’ van Paul van Hooff verschijnt op 29 januari

0
Man in de shit. Zes maanden in een Boliviaanse cel

Paul van Hooff, schrijver, motorrijder en avonturier die zijn leven wijdde aan vrijheid, vond zichzelf plotseling gevangen in een Boliviaanse cel. De reden? Een discutabele uitspraak van de rechter die hem schuldig bevond aan het niet betalen van alimentatie aan zijn ex-partner. Dit oordeel leidde tot een onverwachte wending in zijn leven, waarbij de man die de wereld rondreisde, nu geconfronteerd werd met een half jaar achter de tralies.

In die benarde situatie bleek een ander talent van Paul van pas te komen: zijn vermogen om het beste te maken van de omstandigheden. Ondanks de zwaarte van de situatie, vond hij manieren om zijn ervaringen op te tekenen. “Ik geloofde vaak zelf niet wat ik echt had meegemaakt,” schreef hij later. Zijn tijd in de gevangenis werd een bron van inspiratie, die hij wilde delen met de wereld.

Helge Pedersen: bedwinger van de Darien Gap

Op 22 augustus 2025 overleed Paul op 61-jarige leeftijd aan een hartstilstand. Zijn boek, ‘Man in de shit. Zes maanden in een Boliviaanse cel’, dat zijn ervaringen in de Boliviaanse gevangenis vastlegde, was nog niet af, maar zelfs voor de helft is zijn verhaal indrukwekkend intens. Dit werk is een eerbetoon aan de unieke geest die hij was.

Paul van Hooff maakte als schrijver en avonturier naam met de reisboeken ‘Man in het zadel’ en ‘Van hier tot Tokio’. ‘Man in de shit. Zes maanden in een Boliviaanse cel’ verschijnt op 29 januari bij Uitgeverij Brandt. Het 160 pagina’s tellende boek heeft een verkoopprijs van € 22,50.

In deze video uit 2018 praten we met Paul over zijn reis van Amsterdam naar Tokio: