Ik moest naar het ziekenhuis. Immers was na zorgvuldig onderzoek vastgesteld dat ik een gezwel had op een speekselklier, net onder m’n rechteroor. Dat moest verwijderd worden, of het zou wel eens kunnen evolueren van goed- naar kwaadaardig. Ik bood me aan bij Sint Lucas. Daar werden de voorbereidingen getroffen voor de operatie. Bloeddruk meten, hartslag controleren, lengte en gewicht noteren, kleren uittrekken en een schort omgorden etc. Wat later werd ik op een ziekenhuisbed naar het operatiekwartier gerold. Daar kwam de chirurg me geruststellen, en vertelde de anesthesist wat er zou gebeuren. Nou, wat er gebeurde was dat ik alvast in slaaptoestand werd gebracht. Het was een diepe, zéér diepe slaap. Het leek alsof m’n brein, los van lichaam, een eigen leven begon te leiden, zonder mij daarvoor om toestemming te vragen. En toen verschenen, met honderden, de onderbewuste hallucinaties. Ik zag m’n moeder in haar bloemetjesjurk, die de koteletten, de sperziebonen, de aardappelen, en de bruine saus op tafel zette. Het hele gezin zette het op een eten, waarbij opviel dat m’n vader een ossenkop had, m’n broer drie meter lang was, en m’n zus een groene huidskleur had. Het gezin verdween en maakte plaats voor Arnon Grunberg, die gekleed in een shirt en een sportbroek met het Ajax-logo erop aan mij vroeg hoe je een goed boek moet schrijven.
Herman Brusselmans: Ik zag in m’n achteruitkijkspiegel hoe neef Eddie een bocht miste’
Hij vroeg dit in het Bulgaars, en ik antwoordde in het Roemeens, zodat er van een echt gesprek weinig sprake was. Arnon Grunberg koos het hazenpad, en ik bevond me op een ijsvlakte vol parasollen, en mensen klaagden over de hitte, en deze mensen leken op duizend tweelingen, behalve dat de ene helft maar één oog had, en de andere helft drie ogen. Zij zongen een lied van Greenfield & Cook, en ik probeerde mee te zingen maar m’n mond zat vol sneeuw, zodat ik woordeloos moest blijven. Een enorme draak belde aan m’n deur, in m’n vrijgezellenflat in de Leeuwstraat aan het begin van de jaren negentig, en de draak vroeg of ik niet een exemplaar van het maandblad De Draak wilde kopen, en dat deed ik, en de draak loste op in het niets. Op m’n Yamaha Virago 535 cc reed ik naar Amsterdam, dat niet in Nederland maar in Frankrijk lag, en dus dacht ik: dan kan ik in plaats van naar Amsterdam evengoed naar Parijs rijden, en ik ging onderweg daarheen, zij het niet op de Virago, maar op de Honda VF 750 cc, die niet op benzine bleek te rijden, maar op geperst varkensvet, en derhalve moest ik niet aan een benzinestation tanken, maar aan een varkenskwekerij. Parijs verdween, en nu dook Weesp op, dat wel degelijk in Nederland lag, en op m’n Buell X1 Lightning bereikte ik deze enorme stad, die wel vijf miljoen inwoners had, maar de enige inwoner die ik wilde vinden, was een zekere Lena, die gedoemd was om de vrouw van m’n leven te worden. Ik vond haar achter een struik in een bos in het centrum van Weesp, en ik nam haar mee op de duozit van ’n Triumph Speed Twin Breitling, en voor we bij m’n huis zouden arriveren aten we in de hemel rijstpap met gouden lepeltjes, en Lena zei: ‘Kom boven water, ik wil niet dat je verdrinkt’, en ik werd wakker en een verpleegster vroeg hoe ik me voelde, en ik zei: ‘Anders dan tevoren’, en ze zei dat dit normaal was, en voor de duizendste keer vroeg ik me af: wat is normaal in godsnaam?









