Motorracen is voor veel rijders een verslaving, maar bij Edwald Oude Huikink gaat het verder dan dat. Voor hem is racen geen vlucht uit de realiteit, maar juist een manier om zich weer midden in het leven te voelen. In 1994 veranderde zijn leven op het TT Circuit Assen volledig toen hij met zijn Yamaha RD350 hard ten val kwam in Meeuwenmeer. De motor kwam achter hem aan en raakte hem in de rug. Het gevolg: een dwarslaesie. Maar inmiddels rijdt Edwald al meerdere seizoenen in competitieverband binnen het Nederlands kampioenschap (IDC).
| Naam | Edwald Oude Huikink |
| Leeftijd | 59 jaar |
| Woonplaats | Hengelo, Overijssel |
| Motorfiets | Yamaha R1 |
| Klasse | IDC |
Jarenlang stond racen niet centraal. Eerst moest het gewone leven opnieuw worden opgebouwd. Aankleden, verplaatsen, persoonlijke verzorging, werken, zelfstandig zijn; alles vroeg opnieuw tijd, energie en acceptatie. Toch verdween de racer in Edwald nooit helemaal. In 2018 zag hij op internet dat er ook voor iemand met een dwarslaesie mogelijkheden waren om weer op een racemotor te stappen. Niet veel later stond er een Yamaha R1, werden de eerste aanpassingen gedaan en reed hij zijn eerste meters in de paddock. Dat moment bleek misschien nog emotioneler dan zijn eerste rondjes op het circuit. Dit waren tenslotte zijn allereerste meters sinds 1994.
Kun je ons meenemen naar het moment waarop je leven compleet veranderde door je dwarslaesie?
“Dat was in 1994 op het TT Circuit Assen. Ik reed toen in competitieverband op een Yamaha RD350. Dat was eigenlijk een straatmotor die was omgebouwd om mee te racen. Een tweetakt, en die dingen hadden niet het meest stijve frame. Ze konden behoorlijk slingeren. Het ging mis bij het uitkomen van Meeuwenmeer. Ik weet nog dat ik daaruit kwam en dat de achterkant begon te slingeren. Mijn eerste reactie was: gas erop, dan trek ik hem wel recht. Maar net op dat moment vloog ik eraf. Ik ben een heel eind doorgeschoven en vrijwel in het begin heeft de motor mij in de rug geraakt. Daar is het misgegaan. Ik heb alles bewust meegemaakt. Ik wilde opstaan, maar dat ging niet. Dat is heel raar. Je ligt daar, je denkt dat je gewoon weer overeind kunt komen, maar je lichaam doet het niet. Verder had ik eigenlijk niets. Alleen die klap op mijn rug.”

Heb je ooit gedacht dat motorracen definitief verleden tijd was?
“In het begin was ik daar helemaal niet mee bezig. Je ligt eerst in het ziekenhuis en daarna in het revalidatiecentrum, waar ik ongeveer een jaar heb gezeten. De eerste drieënhalve maand moest ik platliggen op een grote plank. Vier keer per dag werd ik gedraaid om drukplekken te voorkomen. Dat was mentaal echt ontzettend zwaar. Daarna begint eigenlijk pas het echte werk. Je moet je normale leven opnieuw leren oppakken. Naar het toilet gaan is anders, aankleden is anders, alles is anders. Je moet bijna alles opnieuw leren. In die periode denk je niet: ik ga weer racen. Dan zit je in een soort overlevingsstand.
Ik ben later wel weer naar de races gegaan. In maart 1995, na mijn ongeluk, ben ik samen met mijn vader naar de voorjaarstraining gegaan. Daar zag ik de jongens rijden met wie ik daarvoor nog aan het battelen was. Die wonnen wedstrijden. Dat was niet makkelijk om te zien. Maar op dat moment was ik vooral bezig om mijn leven weer op de rit te krijgen. Racen was toen bijzaak.”
Wanneer kwam voor het eerst het besef: ik wil – en misschien kan – weer rijden?
“Dat kwam pas veel later. In 2018 zag ik via YouTube een filmpje van iemand in Engeland met een dwarslaesie die weer racete. Ik dacht meteen: als hij dat kan, dan moet ik dat ook kunnen. Ik heb hem toen een bericht gestuurd. Hij stuurde mij foto’s van zijn aanpassingen en toen zag ik dat er mogelijkheden waren. Daarna heb ik Hennie Lentink gebeld, die ik nog kende van vroeger uit de racerij. Ik vertelde hem wat ik had gezien en dat ik dit ook wilde proberen. Hij zei eigenlijk meteen: waarom niet? Natuurlijk moest het wel met het circuit worden overlegd, maar niet veel later was het akkoord.
Ik heb toen een oude Yamaha R1 gekocht en deze werd vervolgens aangepast met hulp van Albert Lukens. Hij heeft de motor geschikt gemaakt voor mijn situatie. Het schakelen gaat met knoppen aan het stuur, de achterrem is verplaatst en alles wat ik normaal met mijn voeten zou doen, moest op een andere manier worden opgelost. Maar ik doe dit absoluut niet alleen. De mensen die mij supporten, sponsoren en helpen, op welke manier dan ook, ben ik ontzettend dankbaar. Zonder al die mensen zou ik deze passie niet kunnen uitoefenen. Dat besef ik iedere keer weer als ik op de motor zit.”
Interview Kyle Ryde: van bijna gestopt naar koning in de BSB
Wat betekent racen vandaag de dag voor jou?
“Racen geeft mij weer zin. Dat klinkt misschien zwaar, maar zo voelt het wel. Ik heb voor alles moeten knokken. Het heeft me veel energie gekost en dat doet het nog steeds. Ik baal nog altijd van de situatie en het blijft een strijd. Maar als ik op de motor zit, geeft dat mij weer het gevoel dat ik leef. Het is ook vrijheid. Op de motor ben ik niet alleen bezig met mijn beperking. Dan ben ik gewoon aan het rijden.”
Waarom bleef de drang om te racen zó sterk aanwezig?
“Ik denk omdat het boek voor mij nog niet dicht was. Ik had het gevoel dat ik wilde laten zien dat ik het nog kon. Niet zozeer om anderen iets te bewijzen, maar ook aan mezelf. Ik ben niet klaar, zo voelt het. Die drang is er nog steeds. Soms kom ik van de motor en dan zijn de jongens om mij heen enthousiast. Dan zeggen ze dat het goed ging. Maar ik weet zelf dat er meer in zit. Dan kan ik toch gefrustreerd zijn. Ik wil blijven knokken, ik wil meer. Dat hoort ook bij sport. Je bent nooit helemaal tevreden. Tegelijk heb ik fantastische momenten meegemaakt. Momenten waarop je denkt: dit heb ik toch maar mooi geflikt. Dat gevoel blijft bijzonder.”
Waar ben je vandaag de dag het meest trots op?
“Ik ben trots op wat ik nu neerzet. Niet alleen op het rijden zelf, maar ook op wat het blijkbaar met anderen doet. Ik hoor van mensen dat ik hen stimuleer of motiveer. Daar ben ik mij niet altijd bewust van, maar als je dat terugkrijgt, is dat wel heel mooi. Het hoeft niet per se motorracen te zijn. Als iemand door mijn verhaal denkt: ik ga toch weer iets doen, al is het dansen of iets totaal anders, dan is dat al mooi. Het gaat erom dat je ziet dat er met een beperking nog heel veel mogelijk is.”
Hoe ziet een racedag er voor jou uit, ook praktisch met jouw fysieke situatie?
“Eigenlijk lijkt het aan de buitenkant op een normale racedag, maar bij mij komt er veel meer bij kijken. De voorbereiding is het lastigste. Ik heb geen groot team waarbij alles voor mij wordt geregeld. Ik moet zelf zorgen dat de juiste mensen er zijn om mij te helpen. Meestal heb ik vier à vijf mensen om mij heen. Zonder hen kan ik dit niet doen. Norbert ten Vregelaar helpt mij technisch. Maar daarnaast moet ik vooraf veel regelen: wie gaat er mee, wie helpt met optillen, wie helpt met het pak, wie helpt met de motor. Een racepak aantrekken is voor mij niet even snel aantrekken. Dat kost veel moeite en energie. In- en uitstappen, omkleden, inschrijven, keuren, alles klaarzetten; het kost allemaal meer tijd. Daarnaast moet ik op de motor worden geholpen. De jongens tillen mij erop, zetten mij goed vast en zorgen dat alles klopt. Dat is spannend, omdat je afhankelijk bent van anderen. Zodra ik rijd, is het eigenlijk het makkelijkste deel van de dag. Alles eromheen maakt het zwaar.”
Tegen welke onzichtbare drempels loop je aan waar mensen langs de kant geen idee van hebben?
“Mensen zien mij rijden. Ze zien misschien dat ik op de motor word getild en daarna op het circuit mijn rondjes maak. Dan lijkt het allemaal best goed te gaan. Maar ze zien niet wat er allemaal vóór en na zo’n sessie nodig is. Het organiseren kost veel energie. Ik heb niemand die dat standaard voor mij doet. Ik doe het met plezier, maar soms denk ik wel: het zou fijn zijn als er iets meer vanzelf ging. En mensen kunnen ook niet in je hoofd kijken. Ze zien niet wat het mentaal kost. Het is mooi, maar het vraagt veel. Dat is misschien wel de grootste onzichtbare drempel.”

Is er ooit angst? En zo ja, wanneer voel je die het meest?
“Ik heb geen angst meer. Helemaal niet zelfs. Ik ben ook alweer gevallen. Een paar jaar geleden ging ik onderuit, daarna wilde ik eigenlijk niet direct weer rijden. Dan zeg je tegen jezelf: doe maar niet. Gelukkig zeiden de jongens om mij heen dat ik juist weer moest gaan. Dat was achteraf goed, want als je het niet doet, wordt de angst alleen maar groter. Toen ik weer de baan opging, dacht ik in elke bocht: hier kan ik weer vallen. Dat zat even in mijn hoofd. Maar juist daarom moet je door. Niet dom, niet roekeloos, maar wel weer rijden. Anders wordt die drempel steeds hoger.”
Wat doet het met je als je weer op de motor zit en de helm opgaat?
“Dat geeft een onbeschrijfelijk gevoel. De eerste keer dat ik weer de baan opging, kwam ik binnen en was ik helemaal enthousiast. Dan denk je: dit heb je toch maar mooi gedaan. Als het vizier dichtgaat, is het van: hier mag ik weer. Dan valt alles eromheen even weg. Het geregel, het tillen, het pak aantrekken, de fysieke moeite; dat is dan allemaal klaar. Dan zit ik op de motor en kan ik doen wat ik het liefst doe. Dat geeft een euforisch gevoel. Het motiveert mij om door te gaan. Natuurlijk merk ik dat ik ouder word en dat mijn lichaam meer begint tegen te werken. Het rijden zelf gaat nog, maar alles eromheen wordt zwaarder. Toch geef ik niet op.”
Een valpartij kan natuurlijk gebeuren in deze sport. Is er een speciale procedure voor jou?
“Ja, dat is anders dan bij andere rijders. Racecontrol weet wie ik ben en wat mijn situatie is. Als ik val, gaan ze mij niet zomaar even met een paar man optillen alsof het een normale valpartij is, dat is ook niet verstandig. In principe betekent het dat er een rode vlag komt en dat de ambulance de baan opgaat. Dan kunnen ze mij goed en veilig helpen. Dat is een andere procedure dan normaal, maar wel noodzakelijk. Als iedereen ervan weet, werkt dat prima. Een paar jaar geleden is dat ook zo gegaan en dat ging goed.”
Snap je dat sommige mensen totaal niet snappen wat je doet?
“Dat snap ik zeker. Ik ben niet met een onschuldige hobby bezig. Motorracen is een risicosport. Zeker in mijn situatie zullen mensen denken: waar begin je aan? Maar het is mijn passie. Ik weiger om dat helemaal uit de weg te gaan. Ik leef liever een paar jaar korter en dat ik echt geleefd heb, dan dat ik alles laat liggen uit angst. Dat klinkt misschien stevig, maar zo voelt het voor mij wel. Tegelijk respecteer ik het als mensen het niet begrijpen. Dat mag ook. Zolang zij mijn keuze respecteren, respecteer ik hun mening ook.”
Hoe reageert je omgeving – familie, vrienden – op wat jij doet?
“De meeste mensen om mij heen zijn enthousiast. Mijn vrienden vinden het mooi en helpen mij ook. Zonder die mensen kan ik dit niet. Ze zijn een belangrijk deel van het verhaal. Mijn ouders zien het liever anders. Zij hebben natuurlijk meegemaakt wat er in 1994 is gebeurd. Voor hen is het heel anders. Als ouders wil je niet dat je kind opnieuw risico neemt, dat snap ik heel goed. Ze zeggen soms: dit is de laatste keer hè, Edwald? Maar dan zeg ik: nee, we gaan nog wel even door. Toen ik in 2018 weer begon met racen, waren er ook mensen die dachten: heeft hij dan niets geleerd? Die reacties waren er ook. Eerlijk gezegd gaf mij dat juist extra energie. Dan dacht ik: ik zal wel laten zien dat het kan.”
Hoe reageren mensen als je vertelt dat jij aan motorracen doet?
“Vaak kijken ze eerst alsof het niet klopt. Ze zien mij in een rolstoel en dan zeg ik dat ik aan motorracen doe. Dan zie je ze denken: dat kan toch niet? Daarna leg ik uit hoe het werkt, met de aanpassingen aan de motor en de hulp eromheen. Op circuitdagen zie je dat ook. Dan kom ik aan, word ik op de motor getild en vastgezet. Dan zie je de ogen van mensen groter worden. Ze zijn verbaasd dat het kan. Dat vind ik eigenlijk wel mooi. Die reacties geven mij ook weer energie. Het laat zien dat veel mensen niet weten wat er allemaal mogelijk is. En misschien is dat precies waarom dit verhaal verteld moet worden.”
Antonio Cobas en de geboorte van het aluminium Twin Spar frame
Wat hoop je dat mensen meenemen als ze jouw verhaal horen?
“Ik hoop vooral dat ik mensen kan motiveren en stimuleren. Of je nu een beperking hebt of niet: probeer te kijken naar wat er nog wel kan. Het leven houdt niet op omdat je beperkt raakt. Natuurlijk is dat lastig. Ik weet hoelang dat proces kan duren. Ik ben er nog dagelijks mee bezig. Ik herken het ook als mensen net in zo’n situatie terechtkomen en denken: ik kan dit niet meer, ik kan dat niet meer, ik kan niet meer op vakantie, ik kan niet meer werken. Dat heb ik ook gehad. Maar stiekem kun je nog best veel. Je moet het aangaan en je moet het proberen. Vaak is er meer mogelijk dan je in eerste instantie denkt.”
Naast zijn races in het IDC reed Edwald ook al eens in het bijprogramma van de 24 uur van Le Mans. Een kampioenschap met allemaal mensen met een lichamelijke beperking. Daar merkte hij dat aangepaste motorsport in andere landen veel meer leeft dan in Nederland.
“Daar reden Italianen, Spanjaarden, Fransen, een Duitser en ik was de enige Nederlander. Dat maakt het bijzonder. Maar het mooie is: je leert daar ontzettend veel van elkaar. De een mist een been, de ander een arm, weer een ander heeft ook een dwarslaesie. Dan kijk je naar elkaars motoren en aanpassingen. Het is niet van: daar rijden gehandicapten. Nee, het is gewoon motorsport. Het is dezelfde passie en het gaat hard. Echt hard. Dat vond ik geweldig om mee te maken. Als de kans zich weer voordoet, zou ik dat graag opnieuw doen. Maar het kost veel geld, tijd en organisatie. Je doet dat niet even alleen. Dan moet je ook aan de mensen om je heen denken.”
Foto’s: Damon Teerink









