zondag 31 mei 2026
Home Blog Pagina 1185

Duitsland: Emsland – Witte Vlek

0

Vlak over de grens met Groningen, Drenthe en Overijssel ligt het Emsland. Eeuwenlang was het een duister moerasgebied, waar de beschaving ophield. In de nazitijd werd het zelfs een regelrechte hel. Tegenwoordig is het eerder lieflijk en soms merkwaardig groots, maar vooral nauwelijks bekend.

Jan Dirk Onrust

Duitsland heeft sensationele slingerwegen, mooi middelgebergte en bruisende steden. Maar ver voordat je daar bent, kom je langs het Emsland. Toeristisch stelt het gebied niet veel voor, zelfs op de website van het Duits Verkeersbureau wordt het nauwelijks genoemd. En dat geeft weer wat Emsland altijd is geweest: een witte vlek op de kaart, een enigszins naargeestig, achtergebleven veengebied dat moeilijk toegankelijk was en daardoor relatief onbekend.

Achterlijk Emsland

Het was zo erg dat het hoogontwikkelde Duitsland zich vorige eeuw schaamde voor het achterlijke Emsland. In 1933 noemde de nazi-minister Günther het Emsland een streek waar de beschaving ophield. Maar daar hadden de nazi’s een oplossing voor die Emsland in een hel veranderde. Verspreid over de streek kwamen vijftien ‘strafgevangenissen’, van waaruit dwangarbeiders – vooral politieke tegenstanders, joden, homo’s, Jehova’s getuigen, en later verzetstrijders en Russische krijgsgevangenen – de moerassen moesten droogleggen. Maar de gevangenissen waren in feite vernietigingskampen, waar vele tienduizenden stierven van uitputting en honger. De verandering van Emsland, die begon met bloedige dwangarbeid, werd na de oorlog doorgezet met veel overheidsgeld.

ANWB-routes

Het gevolg? Als ik op een lichtbewolkte najaarsdag met de Guzzi Stelvio bij Coevorden de grens oversteek, kom ik niet in een zompige duisternis met onverstaanbare moerasduitsers terecht, die voor hun hutje op een mondharmonica blazen met een fles huisgestookte jenever binnen handbereik, maar eerder in een soort Oost-Nederland. Met minder mensen en grotere huizen, maar minstens zo ordentelijk. Er lopen zelfs ANWB-routes doorheen. Nou ja, zeg.
Ik begin in Emlichheim. Hier zie ik een Aldi, een Lidl en Nederlanders die hebben ontdekt dat de aardappelen nog een stuk goedkoper zijn dan thuis. Het is ook het begin en eindpunt van mijn route, want hier pak ik de bewegwijzerde ANWB Pioniersroute Energie op. Verderop volg ik losjes een deel van de Westerwold-Emsroute.

Concentratiekamp

Via wat weggetjes die meteen al meevallen kom ik in het typisch Emslandse dorpje Neugnadenfeld: een kerk, een buurtsuper en een concentratiekamp. Maar dat laatste is vrijwel verdwenen. En eigenlijk ook weer niet. Het hele dorp ontstond namelijk uit de hospitaalbarakken van Emslandlager XV, oftewel het beruchte Alexisdorf, waar vooral veel Russische krijgsgevangen stierven. Na de oorlog vonden Hernhutters uit de oostelijke Duitse gebieden hier onderdak. Hieruit groeide uiteindelijk een dorpje met 700 inwoners. Bijna alle straatnamen van het dorp hebben iets met krijgsgevangenschap te maken. De slachtoffers van Alexisdorf vind ik een beetje weggestopt in een bos achter de sportvelden. Mossige stenen symboliseren minstens 600 anonieme Russische doden. Maar het zouden er ook 6000 kunnen zijn, volgens sommigen. Als je een beetje oplet, kom je verstopt langs de route nog veel meer begraafplaatsen voor krijgsgevangen en dwangarbeiders tegen. Het ironische is dat mede door hun bloedige arbeid het van oorsprong rauwe landschap een lieflijk karakter heeft gekregen. Zachtaardige weidelandschappen, mooie bossen en aangename wegen. Maar wel met een rouwrand.

Grootschalig en gek

Van het vroegere moerasgebied is vrijwel niets meer over. Maar hoe het was kun je nog wel zien in het Emsland Moormuseum in Geeste. Hier vind je ook nog allerlei oude graafmachines en ander materieel waarmee het veen is verwijderd.

Even noordelijker valt mijn blik op twee gigantische roestige schoorstenen van een energiecentrale. Dichterbij zie ik dat het geen roestvlekken zijn, maar een beschildering die de wereldkaart voorstelt. Als ik ernaast sta, zie ik dat het geen energiecentrale is, maar Fun Park Meppen. En dat is natuurlijk weer een project van de bekende Toyota-rijder Hennie van der Most. Deze Drentse ondernemer bouwt naargeestige industrie om tot pretpark. Of in elk geval tot iets dat naar patat ruikt. In Fun Park Meppen bestaat de pret eruit dat je met van alles en nog wat kunt rijden en racen. Het is grootschalig en nogal gek, maar dat zie je vaker in geïsoleerde gebieden die tot ontwikkeling gebracht moeten worden. In Emsland zal ik er nog zeker drie keer tegenaan lopen.

Egbert geeft tips

Maar eerst ga ik even koffieleuten, want hier vlakbij, in Flechum, woont de trouwste Promotor-lezer van heel Emsland: de Nederlandse leraar Engels Egbert van Katwijk. Kortgeleden is hij geëmigreerd en daar is hij nog altijd niet helemaal overheen. Vanwege de emigratie verkocht hij zijn Triumph Bonneville namelijk aan onze redacteur Nico Vis. En nu ziet hij in Promotor bijna maandelijks hoe een ander op zijn geliefde rijdt. Maar wraakzuchtig is hij niet. Hij is zelfs zo vriendelijk enkele expert insider tips over Emsland te geven. Met een lijstje van Egbert op zak, stap ik weer op de Stelvio.

Eerst ga ik naar het stadje Haselhünne, vlakbij Egbert. Hij vindt dit het leukste stoppunt van Emsland. Het blijkt klein, gezellig en zelfs redelijk historisch te zijn. En het telt maar liefst drie drankstokerijen, waaronder Berentzen, waar je kunt kijken en proeven. Meer steden staan er niet op mijn lijstje, want de meeste zijn volgens Egbert niet boeiender dan Stadskanaal of Almelo.

500 km/u

Nummer twee op de lijst van Egbert zul je in geen enkele toeristische gids vinden: de strafgevangenis van Meppen. ‘Een groot, luguber gebouw met wachttorens en prikkeldraad,’ volgens Egbert. ‘Toen ik daar voor het eerst langsreed, schrok ik ervan. Het schemerde en het was alsof ik een concentratiekamp uit de oorlog zag.’

Derde op Egbert’s lijst is de testbaan van de Transrapid, een voor Emsland typerend megaproject bij het plaatsje Lathen. De futuristische zweeftrein haalde op het 32 km lange circuit topsnelheden tot 500 km/u, maar aan het testen kwam op 22 september 2006 een einde toen de trein met een vaart van 200 km/u op een vergeten onderhoudskarretje klapte. 23 passagiers kwamen hierbij om het leven. Sindsdien ligt het project bijna op zijn kont. Toch werd er deze zomer een nieuw model getest, maar dat je als gewone belangstellende nog een keertje mee kunt, lijkt onwaarschijnlijk. Je kunt wel makkelijk bij het stationnetje met expositieruimte komen, waarachter het monument voor de slachtoffers staat.

Glamoureuze passagiersschepen

Na Lathen kom ik in over steeds leukere weggetjes in een steeds mooiere omgeving met zelfs wat heuvels, maar mijn aandacht wordt vooral getrokken door het volgende megaobject dat ik in de verte zie. Een reusachtig dok. Het kan ook zijn dat ik het gebouw ter hoogte van Coevorden al had kunnen zien. Het gaat om de Meyer scheepswerf in Papenburg. Zomaar, midden in het vlakke platteland, waar bestek bij wijze van spreken nog met een handleiding moet worden verkocht, worden hier de grootste en meest glamoureuze passagiersschepen ter wereld gebouwd. Op dit moment zijn ze onder meer bezig met twee schepen van 128.000 ton voor de Disney Cruise Line. Speciaal voor Meyer is de Ems verdiept, zijn hoogspanningsmasten verhoogd en laat men tijdelijk het waterpeil stijgen om voltooide cruiseschepen naar open water te krijgen. Nog voordat de schepen in gebruik worden genomen, zijn ze al een grote toeristische attractie. Op deze doordeweekse najaarsdag staan er tussen de patatkramen op het grote parkeerterrein tegenover de werf honderden auto’s, campers en wat motoren van dagjesmensen.

Verboden te kijken

Met de Meyer Werft heb ik het noordelijkste punt van mijn rondje Emsland bereikt en ga ik via de oostelijke Eemsoever terug. Al na enkele kilometers ligt hier het volgende megaproject, maar hier zul je geen massa’s toeristen tegenkomen. Sterker nog, je mag er niet eens naar kijken. Daarom ligt het ook zo verstopt achter hoge hekken in de bossen. En elk punt waar je iets zou kunnen zien, hebben ze volledig afgedekt met schermen. Maar je hoort wel iets. En dat klinkt als auto’s die met een vaart van 250 km/u voorbij scheuren. Ik heb het over de ATP, een baan waar vooral nieuwe Mercedessen worden getest, onder meer op een hogesnelheidsovaal van 12 km, die onder mijn weg kruist. Niet lang geleden kon je hier op zaterdagen ook nog met de motor jakkeren, totdat ook hier een noodlottig ongeval daar een einde aan maakte.

Schreeuwen van de honger

De directe omgeving van Papenburg is vlak en weinig boeiend. Maar even voorbij de testbaan begint het landschap weer op te klaren. Een slingerweg, een paar aardige dorpjes en weer wat heuvels. Tegen een van de heuvels aan ligt het plaatsje Esterwegen. Absoluut mooi, maar was Esterwegen ook niet zo’n beruchte naam? Inderdaad. Aan de andere kant van de heuvel, op ongeveer een kilometer van de dorpskern ligt het voormalige concentratiekamp, dat nu een monument is. Bij de ingang vertelt een bejaarde inwoonster van Esterwegen me hoe de omstandigheden waren. ‘In het dorp hoorden we de mensen letterlijk schreeuwen van de honger.’ Ze knijpt haar ogen dicht en draait haar gezicht weg, alsof ze het opnieuw hoort. ‘Twintigduizend zijn hier gecrepeerd. ’
‘Ja, natuurlijk wisten dat het hier vreselijk was. Dat wisten we al voor de oorlog begon,’ zegt ze fel als ik naar de bekende weg vraag. ‘Maar jullie wisten het ook. Er zijn mensen ontsnapt naar Nederland, die alles hebben verteld. Maar die werden daarna gewoon teruggestuurd.’

Op een steenworp afstand van het kamp vind ik eindelijk een moerasgebiedje, waar je over vlonders doorheen kunt lopen. Hier krijg je een goed idee van hoe grote delen van Emsland eruit hebben gezien en hoe zwaar het werkomstandigheden voor de gevangenen moeten zijn geweest.

De meeste hunebedden

Terug naar het lijstje van Egbert, want een kilometer of 20 onder Esterwegen komen we in de Hümmling, een heuvelrug uit de ijstijd met bossen en aardige wegen. Egbert vindt dit landschappelijk de aardigste streek van het Emsland. Behalve heuvels heeft het landijs net als in Drenthe keien neergelegd. Maar dan waarschijnlijk veel meer, want nergens vind je zoveel hunebedden als hier. Hoogtepuntje is het straatje met hunebedden bij Hüven.

Om het rondje compleet te maken, pak ik bij Wietmarschen, het zuidelijkste punt, de Energieroute van de ANWB weer op. In Drenthe is de oliewinning vrijwel gestopt, maar hier draait hij op volle toeren. Ik kom langs de ene actieve jaknikker na de andere, met daartussen zelfs een enkele raffinaderij. En de weggetjes die erlangs lopen zijn onverwacht leuk, tot aan het eindpunt toe. Daar, in Emlichheim, is Emsland na een rit van 270 km geen witte vlek meer. Hier en daar eerder een zwarte, maar ook die duistere kant maakt de streek veel interessanter dan je op het eerste gezicht zou vermoeden.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Emsland.GPX”]

Alaska: Warning Bears!

0
Alaska

Vanuit het vliegtuig zie ik besneeuwde bergen tot zover het oog reikt. De zee is troebel, bruin en modderig. Echt gastvrij ziet Alaska er niet uit, wel spannend. Zal ik een beer voor mijn wielen krijgen?

De Kawasaki KLR 650 ziet er stoer uit en ik kan niet wachten om de langgerekte, rechttoe rechtaan straten van Anchorage achter me te laten. Een gezellig, historisch centrum ontbreekt, maar voor stedelijk vertier ben je natuurlijk niet in Alaska. Ik stuur richting Eklutna, voor de afslag naar de Old Glenn Highway, met aan de linkerhand de Knik River. Net voor de brug over de Knik River sla ik af op de Knik Road, een afwisselend weggetje. Wat ontbreekt zijn wilde dieren. Een eland of een beer zou geweldig zijn, maar ik moet het voorlopig doen met een eekhoorn en een stekelvarken. Het uitzicht op de besneeuwde bergtoppen van de Chugach Mountains is groots. De Knik Road gaat over in een goed begaanbare gravelweg, die uiteindelijk doodloopt bij een lodge. De Nederlander Peter is er de uitbater. Hij en zijn vrouw Eveline zijn hier drie jaar geleden neergestreken. Na de thee rij ik richting Palmer. Onderweg zie ik de eerste eland gezien, helaas een dode. Vanaf Palmer volg ik weer de Glenn Highway richting Matanuska Glacier, een gletsjer die door het opwarmende klimaat steeds minder gletsjer wordt.

Tuimelaars voor de boeg

In Valdez heb ik een boot besproken voor een boottocht over de Prince William Sound. Toppunt is vlak langs de in zee stromende Columbia gletsjer. Jaren geleden was de baai hot news. De olietanker Exxon Valdez liep op de rotsen en miljoenen liters olie kwamen in het zeewater terecht en bedreigde de delicate flora en fauna. Nogal wat zeeotters en zeevogels legden het loodje. Ondertussen rijd ik langs de Trans-Alaska Pipeline, de pijpleiding waarin de dikke aardolie vanuit Prudhoe Bay naar overslaghaven Valdez stroomt. Onderweg ook veel postbussen op een hoop. Je vraagt je af hoe het is om hier postbode te zijn, mijlen en mijlen heb je niets en ineens til je je weer een breuk. Ik stop bij een benzinestation en bij het afrekenen vraag ik of ik al in Glennallen ben. ‘Your in the middle of it,’ zegt de pompbediende…

In Valdez ga ik direct naar de bootverhuur voor de rondvaart. Net buiten de haven scheren een stel tuimelaars – of bruinvissen – voor de boot langs en verderop liggen zeeotters heerlijk op hun rug rond te dobberen. Op de bergwanden speur ik naar berggeiten en beren, maar die laten zich niet zien. De Columbia gletsjer levert het betere Noordpoolgevoel als de boot tussen grote ijsschotsen manoeuvreert. Volgens de kapitein hebben we enorm veel geluk met het heldere weer. Normaal hult Valdez zich het grootste deel van het jaar in dikke mist.

Olielekkage

Op weg naar het noorden wissel ik de Richardson Highway in voor de McCarthy Road. In Chitina houdt het asfalt op en gaat de weg door als gravelweg. In het dorp graast een eland. Het dier oogt wat onnozel, toch maken ze in Alaska meer slachtoffers dan beren. Ik schiet wat foto’s en zorg ervoor dat de eland op veilige afstand blijft. Voorbij de gigantische Copper River krijgen de loofbomen al wat blad, wat het panorama over het mooie rivierdal minder kaal maakt. Bij de brug over de Kuskulana River moet ik stoppen, want van de brug hebben ze een gigantisch en imposant bouwwerk gemaakt.

Even verder haal ik een auto in die olie lekt. Op het moment dat ik de inzittenden waarschuw, fietst (!) een bebaarde man voorbij. Je vraagt je echt af waar die vandaan komt. De laatste 35 mijl heb ik geen huis meer gezien. Hij blijkt in een hutje in het woud te leven. Zijn fietszadel is vannacht aangevreten door een beer, maar die heeft hij weggejaagd. Baardmans biedt de automobilisten hulp en ik vervolg de weg naar McCarthy. McCarthy en ook Kennicott zijn gesloten voor verkeer. Alleen de inwoners mogen er met de auto in. Reden is dat de dorpjes de uitvalsbasis zijn voor alle toeristen die het Nationaal Park Wrangel-St. Elias willen verkennen. In Kennicot bevond zich ooit de meest lucratieve kopermijn ter wereld. Dat zal allemaal wel, maar intussen valt er geen koffie of thee te scoren. Wel in de historische Roadhouse in Copper Center. Ik ben er niet alleen, aan de bar zit een dronken indiaan en aan een tafel een indiaan achter een laptop.

Dikke barkeeper

Op de Tok Cutoff heb ik een mooi uitzicht op de brede Copper River. Ineens steekt een kudde kariboes over. In Slana rijd ik over de 42 mijl lange Nebasna Road door een gedeelte van het Wrangell-St. Elias Preserve, een prima gravelweg met een paar ondiepe rivierdoorwadingen. De 42 mijl lange weg is een mooie afwisseling op de goed geasfalteerde Tok Cutoff. De route is prachtig, alleen wordt het uitzicht teniet gedaan door de laag hangende bewolking. Onderweg zie ik een aantal elanden grazen en bij een half bevroren meertje bewonder ik de watervogels die er dobberen. Het is een heerlijk gevoel zo in je eentje rond te toeren.

Bij mijl 28 kom ik voorbij de Sportsmen Bar, waar ik warme chocolademelk bestel. Ik ben de enige klant en raak aan de praat met de dikke barkeerper. Even later komt zijn moeder er ook bij zitten. Er wordt driftig gerookt. Zoonlief laat trots een foto van moeder zien, bij een neergeschoten beer. Mum vertelt dat dit haar eerste en laatste beer was die ze heeft geschoten. Ze was zo bang dat ze in de broek heeft geplast. Iedereen kan hartelijk lachen om het verhaal.

Ik overnacht in Copper Center, waar ik ’s morgens mijn ogen uitkijk. In de zaal alleen maar mannen. Dikke mannen, bebaarde mannen, mannen met petjes. Ik zie complete taarten als ontbijt voorbij komen. Nee dan toch liever een broodje met een rendierworstje!

Les per internet

De langste dag wordt de route over de Dalton Highway naar Wiseman. In Livengood doe ik een poging om koffie te krijgen, maar er staat maar één huisje waar ze geen koffie schenken. Wel staat er met grote letters op de deur dat ze bewapend zijn en dat ze die ook zullen gebruiken tegen inbrekers.

De Dalton Highway besproeien ze geregeld met calciumchloride, wat een harde toplaag oplevert. De weg wordt voornamelijk gebruikt door truckers, die het noorden – en vooral Prudhoe Bay – voorzien van proviand. De Dalton Highway loopt pal langs de Oliepijplijn. De omgeving is heuvelachtig en het landschap ziet er soms troosteloos uit, met zielige restanten van boompjes die verwoest werden door een bosbrand zes jaar terug.

De War against Terror laat ook hier z’n sporen na. Wegens het gevaar van sabotage is het verboden op de brug over de Yukon te stoppen. Om de tien meter staat een grote paal met luidsprekers, waaruit bewakers je toespreken als je toch stopt. In het Yukon River Camp krijg ik weer een mooi berenverhaal opgedist. In de winter had een beer ingebroken in het restaurant. De beer haalde alles, maar dan ook alles overhoop, wentelde zich vervolgens in de dekens die er lagen en sukkelde langzaam in een diepe winterslaap. Of de beer z’n logeerpartij heeft overleefd, vertelt het verhaal niet.

Ik vervolg de weg naar het noorden. Het landschap is veranderd in een veelkleurige toendra. Bomen zijn verdwenen, struiken en rotspartijen verschenen waaronder de bekende Finger Rock. Op de Poolcirkel waarschuwen borden me het afval vooral goed op te ruimen. Beren zijn er namelijk gek op. Ik heb er nog steeds geen gezien en ben bijna geneigd een zalm achterop de motor te knopen. Ik Coldfoot sla ik wat eten in, het is de enige plaats in een omtrek van meer dan 100 mijl waar dat.

In Wiseman wonen permanent 12 bewoners. Ik overnacht er in The Artic Getaway, een heerlijk plekje met twee leuke huisjes. Ze worden verhuurd door Bernie en Uta, van oorsprong Duitsers. Het stel woont hier met hun twee kinderen Julie (13) en Leo (8). Omdat er geen school is, onderwijst Uta de kinderen zelf. Dat is redelijk goed te doen omdat er een internetlijntje ligt met de bewoonde wereld. Zo kunnen de kinderen op afstand toch hun highschooldiploma behalen. Bernie zorgt voor het vlees op tafel. Hij jaagt en zet vallen. De pelzen gebruikt hij voor kleding en schoenen.

Pleerace

Na een ontbijt met verse eierpannenkoeken – heb geen kip gezien onderweg en we zitten toch zo’n 277 mijl van de supermarkt af – pak ik mijn boeltje weer op en neem keer over de Dalton Highway terug naar Chatanika. Onderweg hoor ik dat daar een giga BBQ wordt georganiseerd en dat er veel ‘bikers’ zullen zijn. Na al die eenzame kilometers heb ik wel zin om een avond gezellig bierdrinkend door te brengen in de bewoonde wereld. Ik verblijf in de Lodge, aan de Steese Highway. De Lodge is in Alaska bekend om z’n jaarlijkse Outhouserace, een wedstrijd met een buiten-wc. Dat gaat zo: een persoon neemt plaats op het toilet en vier man duwen de op ski’s gebouwde wc over een parcours. De snelste wint. Simpel, maar het spektakel trekt zo’n vijf- tot zesduizend bezoekers! En da’s veel voor Alaska.

In de omgeving werd vroeger veel goud gewonnen. Aan de overkant van de lodge staat nog een oude baggermachine in het water te roesten.

Blowende hippies

Vroeg in de morgen vertrek ik voor de tocht over de Denali Highway. In Delta Junction koop ik nog snel het certificaat ‘I did the Alaskan Highway’. De route wordt steeds mooier, met uitzicht op de besneeuwde bergen van de Alaska Range. Voor Summit Lake ligt bijna overal nog sneeuw, de vele meertjes zijn vaak nog bevroren en in de kleine kronkelende riviertjes stroomt het ijskoude water. Ik stop in Paxson Lodge voor wat warms en geniet vanaf de veranda van de omgeving. Naast me zitten vier oude hippies te blowen, te drinken en muziek te maken.

Het laatste stuk van de route is het mooiste van de dag. Het is 19.00 uur en de zon schijnt laag over een prachtig heuvelachtig en besneeuwd landschap. Een stekelvarken steekt nog snel de weg over. Mijn dag eindigt bij de Tangle River Inn, waar de sneeuw tot aan de dakrand ligt. In de verte brult een sneeuwscooter over het bevroren meer.

Caribou Dundee

Vandaag stuur ik verder over de Denali Highway. Ongeveer 190 kilometer daarvan is niet geasfalteerd. Het is een fantastisch rit door een bijzonder en besneeuwde landschap. Met als hoogtepunt Maclaren Summit, een berg van 1245 meter. Het lijkt weer alsof ik de enige ben op deze route door een verlaten landschap zonder bomen en bebouwing. Na Maclaren Summit verandert het landschap opnieuw. Er ligt minder sneeuw en gaandeweg verandert de begroeiing van struikgewas in bossen. Onderweg zie ik vogels, elanden en kuddes rendieren. Net voor Cantwell bereik ik de verharde weg.

De Parks Highway naar het noorden wordt veel gebruikt door toeristen die het bekende Denali Park bezoeken. Ook is dit de snelste route van Anchorage naar Fairbanks. Ik overnacht in een huisje in het bos dat de vorm heeft van een piramide. Het aanpalende restaurant gaat eigenlijk morgen pas open, maar met de juiste argumenten krijg ik de eigenaar zo ver een pizza in de oven te mikken. Kennelijk is de vervroegde opening als een lopend vuurtje rondgegaan. Groot is mijn verbazing als het restaurant ’s avonds volloopt met drinkers en eters. De locals zijn natuurlijk blij dat er weer wat te doen is in de ‘buurt’. Ze rijden gerust 20 mijl een pilsje te doen… en ze rijden ook gerust 20 mijl terug met veel pilsjes op. We maken muziek, we drinken en we hebben lol. Iedereen is in een goede stemming. Ook Caribou Dundee, die behoorlijk beschonken vertelt over zijn leven als jager. Hij gaat geregeld voor langere tijd de natuur in, bouwt dan z’n eigen hutje en kacheltje en gaat jagen, schieten en vallen zetten.

Vliegen tussen bergtoppen

Het Denali Park mag je natuurlijk niet overslaan. Vanaf het Visitors Centre kun je nog 24 kilometer met je motor het park in. Dan moet je in een touringcar verder, maar dat zie ik niet zo zitten. Ik rij zover ik kan en hoop stiekem eindelijk eens een beer te zien. Tevergeefs, maar het uitzicht op Mount McKinley, met z’n 6194 meter de hoogste van Noord-Amerika, maakt het gemis goed.

Na het park rij ik over de Parks Highway naar Talkeetna, waar ik een rondvlucht heb geboekt met een landing op een gletsjer. Met geheid een nog mooier uitzicht op Mount McKinley! Ik geniet enorm van de spectaculaire vlucht tussen de bergtoppen en natuurlijk van de landing op de gletsjer. Talkeetna is een voormalig handelspost die nu populair is bij bergbeklimmers die de toppen in het Denali Park willen beklimmen. En er staat een pinautomaat…

WK Snorren en baarden

Naar Anchorage rij ik via een omweg, voor het laatste stukje offroad. Helaas is de Hatcher Pass nog gesloten vanwege te veel sneeuw. Daarom kies ik voor de over McKenzie en Knik. Dat levert een mooie dirt road op door de bossen, met fijne mooie heuvels en bochten. En opnieuw verbazing als ik middenin het Wereldkampioenschap Snorren en Baarden 2009 verzeild raak. Naderhand hoor ik dat een Nederlander de gouden medaille heeft gewonnen. Glimlachend denk ik er aan terug als ik mijn snor druk. Klokslag 23.00 uur lever ik mijn spullen in bij de vertrekbalie. Een goed uur daarna zit ik in de wolken, op weg naar Nederland en heb ik nog steeds geen beer gezien.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Alaska.GPX”]

Oostenrijk: Karinthië

0

Toeren van gletsjers naar meren. Over trotse drieduizend meter hoge bergen en langs lekker warme bergmeren. Echt, in Karinthië kan je nog als een kind zo blij zijn.

Klaus Daams

Kärnten zou 1270 meren bezitten. Is er iemand die ze heeft geteld? En waar is dan in hemelsnaam nog plaats voor al die bergen? Zulke en andere vragen laten zich misschien het snelst met een krachtige KTM Super Duke ter plekke beantwoorden. Zo snel mogelijk, nu de eeuwige sneeuw nog bestaat. Want het glinsterende wit hoort er toch eigenlijk bij, maar verdwijnt helaas, zoals je met tranen in de ogen kunt vaststellen, steeds meer. Of het krokodillentranen zijn, gaan we verder op in. Voor verdere uitweidingen over het thema klimaatverandering bij een koel glas bier is het gezellig toeven in bijvoorbeeld het motorrijdersvriendelijke hotel Kraner’s Alpenhof aan de Weißensee. Heinz Mösslacher, de baas van het lokaal, is met het weer van de streek vertrouwd en zit snel op zijn praatstoel, waar hij dan over Nederlanders vertelt die `s winters op het dichtgevroren meer hun schaatsen onderbinden, een pret die thuis vaak in het water valt, dat maar niet meer tot ijs wil stollen.

Nadat `s avonds de idyllische Weißensee, die 930 meter hoog ligt, nog tot een zwempartijtje uitnodigde of liever had willen uitnodigen, om de temperatuur van 24 graden die de folder belooft, te testen, zo verleent de volgende morgen de Großglockner, de hoogste berg van Oostenrijk, ons genadig audiëntie. Vanuit welk hotel je ook vertrekt, als je een blik uit het slaapkamerraam werpt, zal je eerste gedachte altijd zijn: ‘Wat een prachtig mooi groen!’ Of, nog precieser: ‘Aha, ze hooien voor de tweede keer.’ Dat noemen ze hier de Öhmd. Uit alle poriën van het landschap ademt de zomer. Aan de bomen hangen appels met roodglanzende wangen en borden wijzen de weg naar een ‘Jausenstation’, waar je echte Oostenrijkse kost krijgt voorgeschoteld. Maar soms ook naar een Döner-lokaal (het equivalent van de patatzaak). Zelfs in Kärnten, eens berucht als vakantieland van de bekrompen kleine burger, blijft de tijd niet stilstaan. De motor natuurlijk ook niet. Opgewekt en krachtig hoor ik het lied dat de Duke met zijn organen van edelstaal ten gehore brengt. Eerst op de bochtige 87 naar Greifenburg, waarbij hij virtuoos van toonhoogte wisselt, daarna meer eentonig op de brede 110 tot Lienz, waar de 107 zich afsplitst naar de Großglockner.

Bergtoppen

Het is als bij de nadering van de Nürburgring: zelfs wanneer je er al eens was, voel je bij het vooruitzicht altijd weer vlinders in je buik. Maar in plaats van je hersens verder te pijnigen met gedachten over de macht van marketing, kun je je beter genietend overgeven aan al die andere indrukken hier in het Nationale Park Hohe Tauern. Bij het tolgeldhuisje Heiligenblut voel je je dan als aan de betaalpost van de Nordschleife van de Nürburgring. 18 euro kost het ticket, een dagkaart, voor de 48 kilometer lange Großglockner-Hochalpenstraße. Duur? De bouw van dit gedurfde project heeft zo’n slordige 34 miljoen euro gekost. Mogen de Oostenrijkers er dan wat voor vragen? In bezit van het entreebiljet wil je nog maar een ding weten: hoe ga je die 36 haarspeldbochten nemen. De kunst is, vooral wanneer je in colonne in de serpentine-inhaal-modus rijdt, om de blik voor de bloedmooie natuur niet volledig onder de wielen te laten komen. Het is altijd weer een dilemma: rij je eerst de weg naar de Kaiser-Franz-Josefs-Höhe en dan die naar de Edelweißspitze. Of omgekeerd? Lange leve de dagkaart!

Mogelijk zijn de jaren van de Pasterze, de grootste gletsjer van Oostenrijk, geteld. Nog negen kilometer rest van de grauwe ijstong, die van de 3798 meter hoge Großglockner neerhangt in de richting van de Kaiser-Franz-Josefs-Höhe en die de laatste 150 jaar de helft van zijn volume heeft verloren. Op vakantiefoto’s mag dat tot leuke vroeger-en-nu-vergelijkingen leiden, maar het verschijnsel is allesbehalve leuk. Drinkwaterreservoirs dreigen uit te drogen, de stabiliteit van complete bergmassieven, die tot nu door de permafrost werden gestut, wordt onberekenbaar. En bleef de regen ooit als sneeuw liggen, nu stort het als een zondvloed linea recta naar beneden het dal in. Zeker, op een prachtige zomerse dag, onder een staalblauwe hemel, het oog verblind door de witglanzende sneeuwvelden en het hart verrukt door grappige marmotten (Murmeltiere), is zo iets moeilijk voor te stellen. De parkeerplaats en parkeergarage op het 2369 meter hoge panoramaplateau is propvol. Hunne Keizerlijke Majesteiten, Franz Josef en Elisabeth staan als leeghoofdige kartonnen figuren klaar voor leuke kiekjes. Ervoor staat een heel regiment motorrijders opgesteld. Een meeting van superlatieven, een Alpenbelevenis in het kwadraat. In een vier verdiepingen hoog bezoekerscentrum kun je je infohonger stillen. Gratis kluisjes (Bikers Safes) garanderen een onbezorgde rondgang.

Verder naar de Edelweißspitze, het tweede markante uitzichts- en rustpunt. Dan in de Edelweißhütte Apfelstrudel en cacao. Bij helder weer kun je hier 33 bergtoppen van drieduizend meter en 19 gletsjers zien liggen. Niet alleen bij slecht weer is een blik in het Bikers Nest een must. Een tentoonstelling roept de tijd op van de roemruchte bergraces. Je ziet er onder andere Anita Wachter op een Puch Sport 250 cc anno 1935. Pet af! Zeven nauwe haarspeldbochten, met kinderhoofdjes ingelegd en sinds de aanleg onveranderd, brengen ons holderdebolder weer op de hoofdweg bij de Fuscher Törl. Noordwaarts leidt de Großglockner-Hochalpenstraße verder naar Zell am See en naar het dal van de rivier de Salzach en daarmee steeds verder van ons onderkomen aan de Weißensee. Helaas te ver voor de omweg door de Lienzer Dolomieten over de Pustertaler Hohenstraße en door het Lesachtal. Dus als de weerga terug, over Heiligenblut, Mölltal en Steinfeld.

Haarspeldbochten

‘Kärnten: Motorrijdersland’. De reclame-slogan is niet alleen in alle mogelijke brochures te vinden, ze leven er hier ook naar. Nadat we een nieuwe kamer betrokken hebben in het panoramahotel Hauserhof boven Hermagor aan de Pressegger See, biedt Charly, de chef van het gastvrije hotel, die een Cali III rijdt, zich aan als gids voor een 300 kilometer lange dagtocht. Dat betekent een dag achter een grommende Guzzi! ‘Als je hier een juichkreet slaakt, krijg je een schitterende echo’, verklaart Charly, maar hij laat het voorzichtigheidshalve achterwege. Wij maken een stop aan de oever van de Farchtnersee, dat nog geheel aan de natuur toebehoort en omgeven is door een diepgroen naaldbomenbos. Hoogstens een paar eenden en zwanen trekken er hun baantjes. Als je zin hebt ze te volgen, kun je in Oostenrijk in meer dan 200 meren je gang gaan. Behoeften van geheel andere aard bevredigt ‘Club Royal’ in Spittal, waarvoor op een groot bord ongegeneerd reclame wordt gemaakt. Snel weg uit de stad en terug naar de boezem van de natuur.

Door het smalle Liesertal, dat door een snelweg wordt overspannen, naar Gmünd en dan over de Malta-Hochalm-Straße naar de Kölnbreinsperre, een 1900 meter hoog gelegen stuwmeer, iets unieks. Al op de weg erheen is er de sensatie: van de hellingen van drieduizend meter hoge bergen valt het water schuimend in de diepte. Iedere keer weer gaat het door vochtig-donkere tunnels, en met vele haarspeldbochten stijgt de weg 1000 meter. Stoplichten, die lang op rood blijven staan, verlengen de beleving van de natuur nog meer! Zo snel als de koersen gevallen zijn, valt hier de thermometer: 12 graden geeft de meter in de cockpit aan, als wij ons boven op de parkeerplaats bij de Kölnbreinstuwdam bevinden. Het imposante waterbekken met zijn machtige, 200 meter hoge damwand is evenwel nauwelijks zichtbaar omdat wolken hem als in tule omhullen.

Een welkome gelegenheid voor een pauze in het bergrestaurant. In plaats van benzine is water het onderwerp van gesprek. De technische gegevens van de Malta-waterkrachtcentrale zijn werkelijk sensationeel: het turbine- en pompvermogen bedraagt ongeveer 1,4 miljoen kilowatt. Dat komt overeen met het potentieel van zo’n 16000 Super Dukes. Samen met de stroom uit andere centrales dekt Oostenrijk met zijn waterkracht de helft van zijn energiebehoefte. Wie geen last heeft van claustrofobie, kan als bezoeker van de Kölnbreinstuwdam zelfs het binnenleven van een stuwwal bestuderen. En hoe dan ook zullen op zulke plaatsen als vanzelf gedachten over het fascinerende thema water opborrelen.

Het is al bijna zes uur, als wij Gmünd weer binnenrijden. Eventjes snel door het middeleeuwse centrum van het aardige cultuur- en kunstenaarsstadje cruisen, waar wij in plaats van het Porsche-Museum een goudgele Puch Maxi fotograferen. En dan gaat het jodelend naar de Nockalmstraße. De timing is perfect, want mild glimlacht nu de avondzon. ‘Aub langzaam en rustig rijden’ maant een bord aan het begin van de route. Een hemel voor motorrijders! 34 kilometer lang, 52 haarspeldbochten. Het landschap heel anders dan tot nog toe. Dan eens kale hoogten als Hayabusa’s in walvisformaat, die met mossen zijn bedekt, dan weer naaldbomen in een hoeveelheid als nergens anders in de Alpen. ‘Hier kunnen wij nog twee dagen blijven’, grijnst de Duke-piloot. De nokken roteren dat het een lust is. Aan het eind van een werkelijk geslaagde dag laven wij ons aan Oostenrijkse specialiteiten als ‘Germknödel’, met pruimenmoes gevulde meelballen. En natuurlijk kan Charly een hoop verhalen vertellen uit de bewogen geschiedenis van dit drielandenpunt.

Karawanken

Wie zijn bordje braaf leeg eet, wordt met goed weer beloond. Kinderspreuken kunnen soms zo echt uitkomen. Pastelkleurig verft de zon de morgennevels boven de Pressegger See en zachtjes pellen de contouren van de bergen zich uit hun slaap. Kitsch? Koffie! En: ‘Pak je zwembroek in!’ Door de intensieve zon, weinig wind en doordat het diepere koude water zich bijna niet met de warme oppervlakte vermengt, hebben de meren in Kärnten in de zomer een gemiddelde temperatuur van 25 graden. Bovendien zorgen het dichte oeverriet en de vele planten voor een uitstekende waterkwaliteit.

Onderweg naar de zuidelijke oever van de Pressegger See snort een prima onderhouden R 25/3-motor-met zijspan door de velden en aan het intieme strandbad Oswald smeert vader moeder als in oude tijden in met zonnecrème in. Over Feistritz aan de Gail gaat het verder naar de Faaker See, begin september het toneel van de Harley Hully Gully-festiviteiten. Zelfs de rest van de zomer hoef je je hier niet te beperken met het turkooiskleurige wateroppervlak, maar kan je je bijvoorbeeld in het House of Rock op de beste karaoke-party van Oostenrijk uitleven.

Uit heel ander hout gesneden is het strandrestaurant Weißes Rössl aan de zuidelijke oever van de Wörthersee. Wie nu denkt, dat ligt toch aan de Wolfgangsee, mag een kenner van operette zijn en misschien van Peter Alexander houden Hij heeft evenwel toch maar half gelijk, omdat sommige namen vaker voorkomen. Wel enig in zijn soort is het ensemble van rieten stoelen, tafelkleedjes met zonnenbloemmotieven, een krakend plankier, een kraaiende Piefke, zoals de Oostenrijker de Duitse toerist noemt, peddelende eenden en wiegende boten voor anker. Een perfect vakantieverblijf, dat ik maar liever niet te geestdriftig moet beschrijven.

De Wörthersee, het grootste en meest befaamde meer van Kärnten, heeft ook andere kanten: het trekt snobs en superrijken aan. Maar die interesseren ons vandaag minder, en zo verlaten wij reeds in Maria Wörth de Oostenrijkse Riviera, buigen af in de richting van de Pyramidenkogel en rijden vervolgens door de heuvelachtige wereld van de Karawanken.

Wellness

De thermometer geeft een aangename 31,9 graden aan, en daarmee bedoel ik niet het koelwater van de KTM. Duidelijk koeler zal het waarschijnlijk alleen in de kerk van Ludmannsdorf zijn; achter de witte façade heerst hopelijk het optimale klimaat voor het nieuwe mechanische orgel. Dit muzikale wonder is overigens door een Sloveense firma gebouwd; geen wonder, want hier aan de rivier de Drau wonen de meeste Kärnter Slovenen. Dat zullen ook motorrijders die geen kerk in te krijgen zijn, opmerken, wanneer ze en passant op tweetalige bordjes lezen: Kindergarten/Otroški vrtec.

Dat wat eigenlijk niet bij elkaar hoort, smelt samen. Bij iedere nog zo korte stop plakken de laarzen aan het asfalt vast. Maar we willen niet jammeren en transpireren liever midden door Klagenfurt heen, om daarna zo snel mogelijk een idyllische zwemgelegenheid te vinden. Zelfs op een kaart van 1:150.000 zoekt je die met een loep: de Tigringer See. Meer een grote plas, maar toch precies het juiste voor door en door bezwete asfaltcowboys. Voor €1,50 per persoon krijgt je een Geländeausweis, en dan spartelen wij ook al in het heerlijk verkoelende, heldere water. Dat wij vanmorgen onze zwembroeken helemaal niet hadden hoeven in te pakken, begrijpen wij pas als een Adam-en-Eva-paartje ons toeroept: ‘Geen foto’s, hier is naaktstrand.’

Het volgende meer, de volgende verrassing. Op de landkaart verleidelijk duidelijk zichtbaar, slingert zich van de noordelijke oever van de Ossiacher See de Gerlitzen-Alpenstraße naar boven. Twaalf kilometer eenzaam door een steeds donkerder wordend bos. Plotseling een automatische slagboom, zoals in een parkeergarage: 7 euro. Het personeel dat je daarmee uitspaart, werkt ondertussen op 1800 meter hoogte op de Feuerberg, waar zich een wellness-hotel bevindt met alles d’r op en d’r aan. De adellijke afzondering en het magnifieke uitzicht op het meer en het inmiddels aardedonkere Kärnten zouden gemakkelijk de besognes van alledag kunnen doen vergeten, maar we moeten aan de terugkeer denken, anders gaat de hotelbaas aan de Pressegger See zich zorgen maken. Tijdens het diner vragen we ons af wat de mens naar het water trekt, maar ook wat het water naar de mens trekt.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Karinthie.GPX”]

IJssellinie: De Russen komen!

0
IJssellinie

Een parcours uit het geschiedenisboek en een wapenschouwing die ons vijftig jaar terug leidt. Yop Segers en sparringpartner maken een battlefield tour langs de belangrijkste bezienswaardigheden van de IJssellinie. Gebouwd om de Russen tegen te houden, maar gelukkig nooit bevochten. Een vreedzame motorrit van 160 kilometer: van de IJssel over de Veluwe, via de Over-Betuwe naar de Waal. Spassieba!

Yop Segers, Chris Pennarts

Het is zaterdagmorgen. De Honda draaft sereen over de IJsseldijk richting Olst. Een anoniem dorpje in Overijssel dat lang een groot geheim heeft weten te bewaren. Achterop de buddyseat zit Iwan, mijn alter ego, die me vergezelt tijdens een inspectiereis langs de IJssellinie en andere restanten uit de Koude Oorlog. We zappen terug naar de tijd van Nikita Chroesjtsjov, Ike Eisenhouwer en John F. Kennedy, toen de wereld nog in twee machtsblokken was verdeeld: het communistische Oosten en het kapitalistische Westen. Warschaupact en NAVO hielden elkaar in de wurggreep met een gewapende vrede, die werd gevoed met beklemmende angstvisioenen en opgeklopt vijanddenken. Maar vandaag zijn Iwan en ik kompanen die dat nare verleden onder het genot van roffelende pk’s willen vergeten. Ons motto is: love and peace!

Boekweitpap

Het hartje van Olst bestaat uit een onknap winkelcentrum, maar Iwan – antagonist van de westerse consumptiemaatschappij – vindt het juist amusant om daar onze ‘vredesmars’ langs bejaard wapentuig te beginnen. De motor mag chillen op het pleintje dat met het standbeeld ‘het winkelende vrouwke’ is opgesmukt, terwijl wij op een terras een bakkie leut nuttigen. Iwan grijnst bij het aanblik van het brok brons en merkt op dat deze moeke met winkeltas wel in de smaak van kameraad Nikita zou zijn gevallen, want de communistische partijleider had een voorkeur voor ferme boezems en flinke kuiten. Hoe dan ook, het schijnt in elk geval de speekselklieren te stimuleren want behalve een tweede ’tsjasjkie kofji’ schranst Iwan op dit vroege uur ook drie porties appelgebak met slagroom naar binnen. Thuis in Rusland had hij zich tevreden moeten stellen met boekweitpap en broodkruimels.

Na een ‘da swiedanja’ hijs ik de gulzige bolsjewiek weer in het zadel. Drie kilometer verder staat de eerste bezichtiging op het programma. Aan weerskanten van de Puinweg liggen restanten van tankkazematten. Een exemplaar heeft zelfs nog een koepel waaruit een vervaarlijke mitrailleurloop priemt. ‘Stoj!’ gilt Iwan opeens en reikt zijn beide armen omhoog alsof hij onder schot wordt gehouden. Enkele fietsverslaafde vutters – van die mensen die de Koude Oorlog aan den lijve hebben meegemaakt – krijgen zowat een beroerte en je hoort ze verschrikt denken: ‘wat doet die kerel met die malle pet toch vreemd; zeker iemand van het krankzinnigengesticht, we kunnen maar beter snel doortrappen.’ Wat verderop zie je op terpen in weilanden en in het talud van de IJsseldijk meer bunkers zich breed maken. Telkens wanneer we zo’n kazemat in het vizier krijgen, playbackt Iwan mitrailleursalvo’s, alsof hij zijn Kalasjnikov AK47 nog steeds wil leegschieten op die arme zandhazen.

Etalagepoppen

Op het erf van het landgoed De Haere liggen verscholen in geboomte een bataljonscommandopost en een noodhospitaal. De eerste bunker met twee meter dikke muren was een versterkte telefooncentrale vanwaar infanteriesoldaten hun orders kregen. Iets minder fors zijn de betonnen gewelven van de voormalige geneeskundige hulppost. Daarin bevonden zich behandel- en operatiekamers met röntgenapparatuur en in de ziekenzaal konden 36 soldaten worden verpleegd. Lange tijd wisten inwoners van Olst niet waarvoor deze bunkers hadden gediend, want Defensie stootte ze pas in 1993 af. Tegenwoordig runnen vrijwilligers er een museum over de IJssellinie en beide kazematten zijn opengesteld voor bezoekers.

Tijdens onze rondleiding begint Iwan weer te ginnegappen: ‘Priekrasna, als we in Rusland hadden geweten dat jullie soldaten van die puntige borstjes hadden, was het hele Sovjetleger beslist deze kant opgekomen.’ De bolsjewiek wijst op de in uniformen gestoken etalagepoppen die op brancards in de ziekenboeg gewonde soldaten mimen. Rap geeft een onthutste gids uitleg en vertelt dat het museum tot op heden alleen vrouwelijke etalagepoppen (met priemende bustes en sexy lipstick) op de kop heeft weten te tikken. Het gnuiven houdt aan totdat we buiten het zojuist opgeknapte inlaatwerk in de IJsseldijk aanschouwen, dat er voor moest zorgen dat het omliggende boerenland blank kwam te staan. De sluis met vijf openingen lag eerst verborgen onder het dijklichaam, maar nu zijn delen weer blootgelegd en in oorspronkelijke staat hersteld.

Badpak en bikini

Je kunt op en rond het landgoed een drie kwartier durende wandelroute langs overgebleven bunkers ondernemen, maar Iwan is niet zo’n marcheerder. Dus zet de veerpont ons kwiek over naar de westelijke IJsseloever. Daar aan gene zijde vind je onder Welsum opnieuw resten van militaire installaties: een als landbouwschuur gecamoufleerde commandobunker voor de luchtdoelartillerie, verscheidene tankkazematten, een geasfalteerde overlaat, het betonnen landhoofd van de mobiele stuw en de haven waarin ooit een caisson en een zandzuiger afgemeerd lagen. Jammer voor Iwan zijn de restanten in de uiterwaarden niet per motor bereikbaar zodat de benenwagen toch uitkomst moet bieden. De voormalige haven is nu een plas waarin duikers oefenen. Leuk, maar onze kozak had hier toch liever vrouwelijk schoon in badpak en bikini zien zwemmen.

Even later spreken we de pk’s weer aan en brengen zwierige dijken ons naar het dorp Wilp. Vervolgens doorkruisen we het Appense Bos en de Veluwe om de Nederrijn bij Arnhem te bereiken. Onderwijl is Iwan verbluft over het grote aantal oorlogsmonumenten in Nederland. Bijvoorbeeld op onze route het Ereveld Loenen, waar verspreid over zeventien hectare bos slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog – militairen, verzetstrijders, Engelandvaarders en mannen die de Arbeitseinsatz niet overleefden – zijn begraven. Of tegenover uitspanning De Woeste Hoeve, het gedenkteken ter nagedachtenis van de 117 gevangenen die de Duitsers hier fusilleerden na de aanslag op Rauter.

Walhalla

Ook de vele legerkampen zijn voor de Rus een verrassing. Op de Kop van Deelen staan tientallen betonnen bunkers en hangars die in 1940 door de Duitsers zijn gebouwd voor het Fliegerhorst Deelen. De gebouwen van de Luftwaffe zijn onherkenbaar vermomd als boerderijen en hebben nepventers en plaatstalen luiken. Het militaire complex is gerenoveerd en tegenwoordig wonen achter de dikke muren probleemjongeren in leefgroepen. Wat verderop tref je in een S-bocht het museum van de vliegbasis Deelen aan. Bezoekers kunnen daar ook het verhaal horen toen Deelen na de oorlog een legerdump was waar meer dan 35.000 voertuigen stonden gestald. Het stond bekend als de ‘grootste parkeerplaats van Europa’. De luchtmacht heeft Deelen inmiddels verlaten, maar geregeld oefent de Luchtmobiele Brigade er nog.

Aan de Koningsweg stoppen we bij een immense kluit beton dat ooit de codenaam ‘Diogenes’ droeg. In deze gigabunker – die 60 bij 40 meter meet, met een hoogte van 16 meter en 3 meter dikke muren en plafonds – herbergden de Duitsers vanaf 1943 hun vluchtleidingscentrum. Nu is het een depot van het rijksarchief waarin, naar verluidt, geheimen van alle naoorlogse kabinetten worden bewaard. De Veluwe is nog steeds bezaaid met legerkazernes. Zij hadden vroeger de taak om de Russen die de IJssellinie desondanks toch hadden doorbroken, de pas af te snijden. Maar de Koude Oorlog is voorbij, zodat vele kazernes hun bestaansrecht hebben verloren en te koop staan. Nu zijn deze verlaten kampementen een walhalla voor projectontwikkelaars.

Radio Moskou

In Oosterbeek dalen we over beboste heuvels, onderdeel van een stuwwal uit de ijstijd, naar de Rijnoever af. Daarna toeren we langs de Westerbouwing en door het Benedendorp, plekken waar tijdens de Slag om Arnhem heftig werd gevochten. Maar onze queeste blijft natuurlijk de IJssellinie. Restanten van de mobiele stuw in de Nederrijn vinden we aan stuurboordzijde, op het voormalige KEMA-terrein dat nu tot businesspark is gepromoveerd. Je vindt er tankkazematten, een haven met dukdalven en twee commandobunkers. Een beter beeld krijg je aan overzijde van de Rijn, in de uiterwaardpolder Meinerswijk. Daar drentelen Iwan en ik over een tweehonderd meter lange pijlerdam die het water in de uiterwaard moest opstuwen. Verder herinneren in beton gestorte Shermantanks, geasfalteerde spoeldijken en enkele inlaatsluizen aan de IJssellinie.

Maar ook de gerestaureerde steenfabriek in Meinerswijk had een militaire functie. Tijdens crisistijd bivakkeerden infanteristen op het bedrijfsterrein, terwijl in de ringoven munitie lag opgeslagen. De fabriek verhulde dus militaire activiteiten en dat was precies de bedoeling. Over geheimhouding gesproken, fotograferen was bij de stuwen strikt verboden. Zelfs als soldaten van elkaar kiekjes maakten ter herinnering aan de dienstplicht, werden hun films in beslag genomen. Ook patrouilleerden militairen met motorboten op het water om te verhinderen dat (water)toeristen foto’s schoten. Verder gold overal een stopverbod en mocht je in de buurt nergens je boot afmeren. Dit wekt bij Iwan weer de lachlust op. Hij vertelt dat Moskou volledig op de hoogte was van de IJssellinie.  Uit de Nederlandstalige uitzendingen van Radio Moskou bleek dat zelfs bekend was wie bij de bouw ervan betrokken was. Zo werden arbeiders met naam en toenaam genoemd en enigszins demotiverend toegesproken.

Cohiba sigaar

De geneugten van Nijmegen zijn voor straks. Dus maken we een omtrekkende beweging door de bekoorlijke Over-Betuwe: via Driel, langs de gekanaliseerde Linge naar Doornenburg. Daar beheerst een robuuste burcht de omgeving en op de splitsing van Waal en Pannerdens Kanaal prijkt het 19de eeuwse Fort Pannerden. De kazematten rondom dit sperfort hebben nog enkele jaren een rol gespeeld bij de IJssellinie. Daarna is de Waaldijk richting Lent een zinderende sliert bochten; Iwan vindt de reeks riviergezichten in elk geval prachtig. In de buitenpolder Bemmelse Waard rijden we over twee langgerekte overlaten, waarover het overtollige water vroeger langs de stuw kon wegstromen. Vijf kilometer verder komen we uit bij het zogeheten Fort boven Lent. Ook een oude versterking die in kader van de IJssellinie een nieuw leven kreeg als opslag van materieel en brandstof en als hulpcommandopost voor de zoeklichten.

De Waalbrug, die trouwens ook door rivierkazematten werd bewaakt, brengt ons tot slot naar de zuidoever van de Waal. Voor de IJssellinie duiken we nog eventjes de Ooijpolder in, want het mooie weer nodigt uit te blijven motorrijden. Alleen het noordelijkste stukje polder, daar waar het landhoofd van de stuw zich bevond, zou na inundatie droog blijven. Dit gebied kwam ongeveer overeen met het terrein van een steenfabriek die nu verdwenen is en dat door zoeklichtterpen, bunkers en geschutstellingen werd omzoomd. Sommige zijn nu nog te bewonderen. Zo ook aan de rivieroever het betonnen geraamte van het landhoofd, waarop Iwan zich parmantig installeert om de dag uit te wuiven met het opsteken van een heerlijke Cohiba. De grootste beproeving doorstond de IJssellinie trouwens tijdens de Cubaanse raketcrisis in 1962, toen alle installaties in opperste staat van paraatheid werden gebracht.

Waterlinie

In 1949 maakte het Nederlands opperbevel plannen om het Rode Leger voor de ‘achterdeur’ van het Westland tegen te houden. Men kwam tot de conclusie dat een waterlinie – een beproefd recept uit het verleden – hiervoor het beste antwoord bood. Door omvangrijke inundaties kon het verdedigingspotentieel van de IJssel worden benut. Daartoe moesten bij Nijmegen, Arnhem en Deventer stuwen in respectievelijk Waal, Nederrijn en IJssel worden geplaatst. De rivieren zouden met varende en afzinkbare caissons worden afgesloten zodat al het water richting de IJsselvallei stroomde. Door het afsluiten zou een gebied – van de Ooijpolder ten oosten van Nijmegen tot aan de monding van de IJssel in het IJsselmeer – met een lengte van 120 km en een gemiddelde breedte van 5 km – onder water komen te staan. Een adequate barrière om de Russische opmars een halt toe te roepen. In geval van inundatie moesten trouwens wel bijna een half miljoen mensen elders hun heil zoeken.

Caissons

De stuwen bestonden uit twee doorlaatsluizen in de uiterwaarden. Bij oorlogsdreiging zouden daartussen een stalen caisson worden gevaren en daarna worden afgezonken. Zo’n caisson was samengesteld uit aan elkaar gekoppelde pontons die gereed lagen in belendende havens. Vervolgens gingen de kleppen van de caisson dicht en werden ook de schuiven van de doorlaatsluizen omlaag gelaten. Om de druk van het aanzwellende water te weerstaan, moest bovenstrooms grote hoeveelheden zand worden opgespoten; daarvoor waren in de havens zandzuigers gemeerd. Aan de andere zijde, stroomaf, kon de stabiliteit van de caisson verbeterd worden met behulp van tot zinken gebrachte binnenvaartschepen. In 1953 was de IJssellinie gereed.

Bunkers

De stuwen waren kwetsbaar en werden daarom omringd door omvangrijke verdedigingswerken: bij Olst alleen al meer dan zestig bunkers en kazematten. Luchtdoelgeschut en vierlingmitrailleurs moesten – geholpen door zoeklichten en, later ook radar – bombardementen en luchtlandingen verhinderen. En tegen een infanterieaanval werden op strategische punten, langs de wegen die naar de stuwen leidden, kazematten met antitankgeschut en mitrailleurs gebouwd. Om budgettaire redenen – Nederland was na de oorlog erg armlastig – maakte men gebruik van Amerikaanse Sherman en Canadese Ram tanks waarmee nog tegen de Duitsers was gevochten. Die werden, ontdaan van motor en rupsbanden, simpelweg in beton gegoten. Dichterbij de stuwen werden verder nog commandobunkers voor luchtafweer en grondverdediging en in Nijmegen en Olst ook hospitaalbunkers opgetrokken.

Ontmanteling

Nadat Duitsland in 1955 een NAVO-land werd, schoof de verdediging van West-Europa geleidelijk naar het oosten op. Het rode gevaar zou al bij de Weser en Fulda, en later zelfs bij de Elbe gestopt of vertraagd worden. Het aanhouden van de IJssellinie als reservelinie werd daarna als te kostbaar gezien en in 1964 besloot Den Haag de IJssellinie te ontmantelen.

Oost-Duitsland: De herboren kust

0

Dertig jaar geleden viel de Berlijnse muur. Maar hebben de Bloeiende Landschappen die Helmut Kohl beloofde de communistisch troosteloosheid al verdreven? Jan Dirk gaat kijken of de kust van de voormalige DDR nu veilig is.

Jan Dirk Onrust

‘Halt! Hier Zonengrenze. Achtung! Lebensgefahr!‘

Nog maar twintig jaar geleden stonden deze woorden op de DDR-grens bij Lübeck. Daarachter een hoog hek met prikkeldraad, een mijnenveld en wachttorens met Vopo’s. Als je erover wilde, mocht je niet van de voorgeschreven route af en als je er langer over deed dat noodzakelijk, kon je in grote moeilijkheden komen.

Nu kan ik op een lauwe woensdagmiddag in september uiteraard gewoon doorrijden. En toch ga ik bij de voormalige ‘dodenstreep’ onmiskenbaar een ander land binnen. De weg is wat smaller en wordt nostalgisch geflankeerd door rijen lindebomen. En de eerste dorpjes lijken met hun wegdek van kinderkopjes nog maar nauwelijks ontwaakt uit een winterslaap van een jaar of zeventig. Zelfs het landschap lijkt anders. Vooral als ik achter de heuvelende weilanden de blauwe Oostzee met witte strandjes zie. En wat ligt daar nou in de verte? Een kalkrotskust? Of zijn het afgeslagen duinen? Met de zon erop oogt het bijna mediterraan. Dat die stalinistische bunkerbouwers van de DDR zoiets prachtigs onaangetast hebben achtergelaten, moet haast een vergissing zijn geweest.

Op de vlucht

Nog een verschil met de andere kant van de voormalige grens: het vinden van een bed & breakfast gaat me bij de Ossi’s veel moeilijker af. Aanbod genoeg, maar waar ik ook aanbel, ik kom er niet in. Alsof er een Stasi aanbelt, lijken de bewoners onder tafel te schieten of zeggen ze dat ze niet meer aan verhuur doen.
‘Waarom staat er dan een bord ‘Zimmer frei’ in de tuin?’
‘Vergeten weg te halen, goedenavond.’

Na een poging of tien komt er een VW Polootje aangescheurd dat voor mijn Stelvio parkeert. De bestuurster, een vrouw van rond de 35 met zwartgeverfd spriethaar, vraagt of ik een overnachtingadres zoek. Nou, zij weet wel wat. Ik kan bij haar moeder terecht. Een kwartier later zit ik in de achtertuin van een boerderij achter het bier met een vriendelijk omaatje. Haar kettingrokende dochter met getatoeëerde armen neemt naast me plaats op de bank. Ze blijkt bijstandsmoeder te zijn en wil het liefst zo snel mogelijk weg uit het oosten, want ze ziet hier geen enkele toekomst. Maar misschien wel in een ander land. ‘Wat een geile motor heb je trouwens,’ zegt ze, ‘heb je al gegeten?’ Neen. Maar geen nood. Zij weet vlakbij wel een aardig restaurantje. ‘Zullen we daar straks naartoe gaan?’ vraagt ze. ‘Mooi. Maar dan ga ik eerst naar huis om mijn dochtertje naar bed te brengen en een helm te lenen.’

Ze vliegt er vandoor, mij achterlatend met een glazige blik. En dan schiet me ineens te binnen dat ik nog moet tanken, een landkaart moet kopen of wat dan ook. Als een dief in de nacht ga ik er vandoor, op zoek naar een ander adres.

Niets te kiezen

Het is inmiddels pikdonker, dus nu doet helemaal niemand meer open. Tegen elven heb ik toch beet. Bij een huisje vlak aan zee kan ik terecht bij de volgende bijstandsmoeder met zwartgeverfd haar. Ze vraagt voor een bed zonder breakfast 65 euro. Veel te veel voor het smoezelige kamertje, maar ik heb niets te kiezen. Deze moeder blijkt een West-Duitse te zijn. Ze vindt het hier geweldig. ‘De mensen zijn zo aardig en geduldig,’ zegt ze. ‘En dan die rust. Doodstil is het hier aan de zee. En kijk, zie je hoe eindeloos veel sterren hier aan de hemel staan. In het Ruhrgebiet zie je bijna niets. Geile motor heb je trouwens.’

Drie schitterende Hanzesteden

Op een bombardement na, was een communistisch regime zo ongeveer het ergste dat een stad kon overkomen. Geld voor normaal onderhoud van oude stadcentra ontbrak meestal, aan de randen verscheen naargeestig low budget beton – Plattenbau, zeggen de Duitsers. Om het nog troostelozer te maken ging er kolendamp overeen van zware industrie. Zelfs met een kleurenfilmpje maakte je hier nog zwart-wit foto’s.

Als je met dat idee de Oost-Duitse steden Wismar, Rostock of Stralsund inrijdt, wacht je een grote verrassing. Hanzesteden zijn met hun rijke historische centra sowieso al prachtig, maar wat hier tevoorschijn kwam toen de steden met heel veel West-Duits geld grondig en kundig waren gerenoveerd, is nauwelijks te geloven: drie schitterende binnensteden waar de historische rijdom van afspat. Vooral in Wismar en Stralsund hangt dat bijzondere Oostzee Hanzesfeertje, een mengeling van Duitse, Scandinavische en Nederlandse vrijheid en welvaart. Havengebouwen van rode baksteen, een centrum met pastelkleurige gevels, grachten. De twee steden staan dan ook sinds 2002 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.

Socialistische bunkerbouw

Maar valt er voor de ramptoerist ook nog wat te genieten? Voorlopig heel weinig. In de buitenwijken van Rostock is weliswaar nog heel wat socialistische bunkerbouw overeind gebleven, maar zelfs dat is onder handen genomen, heeft wat kleurtjes gekregen en ziet er eigenlijk beter uit dan de buitenwijken van Den Haag of Amsterdam.

Wie de smaak van de DDR wil proeven, kan vlakbij Rostock terecht in een speciale supermarkt met ost-producten: Hero’s Ost-discount in Broderstorf. De producten hebben vaak nog de originele verpakking, soms een wat gewijzigde receptuur en vooral een gewijzigde prijs: goedkoop zijn ze niet meer. De winkel schijnt goed te lopen. Maar verder merk ik weinig van enige ‘Ostalgie’. Ik zal zelfs geen enkele Trabant tegenkomen.

De witte stad aan de zee

Tussen de steden door verschijnen de grotere badplaatsen – soms aan bochtige, soms aan militair rechte wegen. Hier is de verandering die het oosten heeft ondergaan misschien nog het sterkst te zien. Alles is even nieuw of opgepoetst, alsof het de bedoeling is om elke herinnering aan de DDR uit te gummen. De haven van het rustige Rerik, de villaboulevard en winkelstraten van het drukke Kühlungborn getuigen ervan. Het meest extreme voorbeeld is het statige Heilgendamm, het witte stadje aan de zee. Dit was in de 18de eeuw de eerste Duitse badplaats en trok met zijn paleisachtige gebouwen allerlei vorsten, tsaren en hoge adel. De communisten doopten het om tot een hersteloord voor astmatische mijnwerkers en degradeerden de paleizen tot slaapzalen en kantines. Later kocht de prestigieuze hotelgroep Kempinski de boel op en nu ziet het eruit als een groep Griekse tempels aan zee, waar je als gewone sterveling nauwelijks naar de prijs durft te vragen. In 2007 werden hier de wereldleiders van de G8 ontvangen. Uiteraard wel pas nadat – oeps! – Adolf Hitler uit het gemeenteregister was geschrapt als ereburger.

Ex-leider met een loden kogel

Maar waar zaten de kopstukken van de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands zelf eigenlijk als ze wilden pootje baden? Een ervan, Egon Krenz – de opvolger van Erich Honecker – kun je tegen het lijf lopen in het kustplaatsje Dierhagen. Hij woont hier na zijn veroordeling vredig en eenvoudig met een figuurlijke loden kogel aan zijn been – onder toezicht dus. Ook Ulbricht en Honecker hadden hier een vakantiehuis. Maar de rest van het hogere partijkader vierde vooral feest op de eilanden Rügen en Usedom.

Om mezelf een hoop gedoe te besparen, loop ik op Rügen een Zimmervermittlung-bureautje binnen. Een kwartiertje later kom ik aan bij een prettig plattelandspensionnetje – Hof Kranichstein – in Silenz, dat eigendom is van een bijzonder vriendelijke oud-medewerker van het NAVO-hoofdkwartier, die hier is geboren en na de val van de muur met gedeeltelijk succes het familiebezit terug claimde. Hij vertelt me dat de val van de muur voor NAVO-ingewijden allerminst een verrassing was. Ze hadden namelijk allang signalen opgevangen dat het leger van de DDR de kant van het volk zou kiezen bij een opstand, waardoor de partijtop met lege handen stond.

Dromerige, ouderwetse rust

Rügen (Texel past er vijf keer in) is niet alleen het grootste eiland van Duitsland, maar sinds kort ook het meest toeristische. Meer nog dan op het vasteland hangt er een soort dromerige, ouderwetse rust, waarschijnlijk te danken aan het feit dat het eiland in de DDR-tijd extra geïsoleerd was. Zelfs Ossi’s konden hier niet zomaar even naartoe – hooguit in groepsverband en onder toezicht mochten ze hier met de vakbond een paar dagen vakantie vieren.

Toeristisch het meest interessant is vooral de oostkust, om te beginnen bij het noordelijkste puntje Kap Arkona. Een voor de Oostzee verrassend hoge krijtrots (46 m) met twee vuurtorens en restanten van een militaire basis. Erg mooi, maar jammer dat je er met de motor niet bij mag komen en een toeristentreintje moet nemen. Maar als ik de naam Heinemann laat vallen – de burgemeester die tijdens de Wende op tijd zijn jasje omkeerde – gaat de slagboom toch zomaar open en kom ik er toch.

Restantje Oostblok-horror

Op de volgende topattractie is Rügen minder trots, want die moet zo monsterlijk zijn dat ik er gespannen van de voorpret naartoe rijd. Kilometers van tevoren zoekt mijn blik de kustlijn al af, maar ik zie dan nog niets… Onderweg zie ik in het plaatsje Sassnitz wel iets anders: het Rügen -hotel, eindelijk een restantje Oostblok-horror. In 1969 werd het hier gebouwd door een Zweeds bedrijf en na een recente modernisering is het nog altijd niks. Als ik er een fotootje van maak, raak ik in gesprek met de Gert en Hermien van Sassnitz, twee lieve jehova’s die hier proberen de Bijbel aan de man te brengen. Soms met succes. ‘Je kunt zeggen van de DDR wat je wilt, maar de gewone mensen hadden toen nog wel iets voor elkaar over’, vertelt Gert. ‘Maar nu alles maar kan en mag, zijn veel mensen de weg kwijt geraakt en heel egoïstisch geworden. Daarom zeggen wij: hier heb je Het Boek waarin alle antwoorden staan. Is het misschien ook iets voor u?’

Hi di hi volgens Hitler

De monsterlijke attractie die ik zoek, moet je bijna vanaf een ruimtestation kunnen zien, maar door de dichte bossen ontdek hem pas als ik ernaast rijd. Ik heb het over Seebad Prora – een hotel van 4,5 km lang dat hier in de jaren dertig werd neergezet. Het Hi di hi Holiday camp van Hitler. Het had 10.000 kamers, maar hotelgasten zijn er nooit gekomen. De oorlog was al uitgebroken voordat het was voltooid en de arbeiders werden overgeplaatst naar de raketbasis van Peenemünde.

Na de oorlog hebben de Russen nog geprobeerd Prora deels op te blazen, wat geheel mislukte. Maar dat zegt misschien meer over de kwaliteit van Russisch dynamiet dan over de kwaliteit van Duits beton. Bij de Oost-Duitse communisten viel het gebouw meer in de smaak. Zij voltooiden het grotendeels en gebruikten delen ervan onder meer voor de Volkspolizei , het Volksleger en voor linkse terroristen/vrijheidsstrijders uit Derde Wereldlanden. Het werd genoemd naar de toenmalige DDR-leider Walter Ulbricht en uiteraard tot Sperrgebiet verklaard.

Belangrijkste badplaats boven de Alpen

Toen Ulbricht begin jaren vijftig eens kwam kijken, ergerde hij zich aan de vele particuliere hotels die toen nog op Rügen stonden. Vooral Binz, naast Seebad Prora, barstte ervan. En zo werd Aktion Rose geboren: een grootschalige nationalisering van de toeristische sector. De eigenaars werden gevangen gezet en hun bezit kwam in handen van de staat. Zo maakte de ene elite op Rügen snel plaats voor de andere: die van de partijbonzen en hun aanhang. Het ooit zo chique Binz verloor uiteraard snel zijn glans en al helemaal toen de communisten hier hun Plattenbau neerzetten.

Als ik Binz inrijd, zie ik daar niets meer van. Alle bunkerbouw is geruimd of omgebouwd. Binz is in onwaarschijnlijk korte tijd weer tot leven gekomen en mag zich weer hooghartig de belangrijkste badplaats van boven de Alpen noemen.

Felrealistisch rouwrandjes

Is het hele communistische tijdperk weggepoetst aan de Duitse Oostzeekust? Nee. Tussen Rügen en de Poolse grens is de grote schoonmaak achterwege gebleven. Als ik op weg naar het eiland Usedom even van het toeristische pad afwijk, kom ik bijvoorbeeld langs Ludmin, waar ze nog volop bezig zijn met de ontmanteling van een bijzonder naargeestige kerncentrale. Usedom zelf heeft vergeleken met de rest van de kust ook duidelijk meer felrealistische rouwrandjes. En dat is niet alleen omdat je bij de zojuist geopende Poolse grensovergang de eerste dronken straathandelaren, liftsters in minirok en heel veel politie tegenkomt. Het zit ook in de badplaatsen. In Zinnowitz bijvoorbeeld staat een hele reeks hotelbunkers voor de staalverwerkende klasse nog fier overeind. Het typisch communistisch cultuurpaleis daarentegen verkeerd in staat van ontbinding, maar is nog niet van de kaart geveegd.

Het begin van de wereld

Voor de pure oostblok grimmigheid, voor het echte Syldavië van Kuifje, voor het decor van James Bond’s Moonraker, moet je naar de noordpunt van het eiland, naar Peenemünde. Hier ontwikkelde Werner von Braun de beruchte V1 en V2 raketten. En in de DDR-tijd werd het een luchtmacht -en marinebasis waar ze MIG’s testten. Tegenwoordig is het een haveloze klerezooi van dichtgetimmerde woningen, halfingestorte gebouwen en een kapotte fabriek. Heel interessant dus en er staat nog een mooi technologiemuseum ook.
In een vervallen loods bij het museum tref ik een souvenirverkoper.
‘Je zit hier wel aan het eind van de wereld,’ zeg ik tegen hem.
‘Dat zou toch niet best zijn als dit het einde is,’ zegt hij. ‘Dit is het begin van de wereld. Hierna wordt het alleen maar beter!’

Maar het zal wel niet lang meer duren voordat ook deze uithoek wordt opgeknapt. En daarmee zullen de laatste sporen van het DDR-tijdperk zijn gewist.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Oostzeekust_Duitsland.GPX”]

Denemarken: Big Sky Denmark

0

Denemarken is het Big Sky Country van Europa. Niet alleen trokken talloze kunstschilders naar de Deense westkust voor de bijzondere lichtval en de wolkenpartijen. Ook het gevoel van ruimte en vrijheid lijkt hier veel groter te zijn.

Jan Dirk Onrust

Als je op een Nederlands Waddeneiland zegt dat een dijk naar de vaste wal handig zou zijn, word je ter plekke gevierendeeld. Maar hier, bij Rømø, onderaan de Deense westkust, ligt er gewoon een. Tien kilometer lang, kaarsrecht en twee stroken breed. Is alles nu verpest op het kleine eiland? Is dit het Sodom en Gomorra van de Wadden geworden? Het lijkt er niet op. Er wonen maar 1000 mensen en ik zie dezelfde kneuterige huisjes, dezelfde brave gezinnen, heidevelden en duinen als op onze Wadden. Zelfs het kustplaatsje Lakolk ruikt naar dezelfde patat als in De Koog op Texel. Maar daarna komt het grote verschil. Achter de duinen van Lakolk ligt een strand van anderhalve kilometer breed. En daar mag je zomaar oprijden als je wilt. En mijn geleende BMW 800 GS wil wel. De zeewind heeft zojuist grote gaten getrokken in het wolkendek en in de eerste zonnestralen van de dag rijd ik naar de branding. Wat een eindeloze ruimte, wat een vrijheid. Thuis mag je amper met je hond op het strand, maar hier met je motor, auto of camper. Ik geloof dat ik nu al begin te houden van de Deense westkust.

Denen doen niet moeilijk

Vlak boven Rømø ligt het nog veel kleinere eilandje Mandø. Meer dan een handjevol bewoners heeft het niet, maar ook hier loopt een dijk naartoe. Maar wel een heel erg waardeloze. Hij ligt namelijk onder de zeespiegel. Takken geven aan hoe de onderwaterweg loopt. De 800 GS kan veel, maar een waterfiets is het niet, dus begin ik er niet aan. Maar een bordje meldt dat er iets verderop nog een dijk naar Mandø ligt en die heeft minder eb nodig om boven het water uit te komen. Het blijkt een lange grindweg te zijn, waar paardenhuifkarren met toeristen en auto’s bijna even traag overheen kruipen. Een bordje geeft aan dat de weg alleen toegankelijk is voor bestuurders met kennis van getijden, want ook deze dijk komt bij vloed onder water. In Nederland is het ondenkbaar dat de ambtenarij zoveel verantwoording bij de burger zou neerleggen, maar de Denen doen niet zo moeilijk. Dus draai ik de dijk op, ook al heb ik geen idee wanneer de vloed komt opzetten. Het wegdek bestaat uit grind met soms diepe sporen die met water zijn gevuld. Dat zorgt voor veel geploeter, bijna valpartijen en natte voeten. Na twee kilometer hou ik het voor gezien. Het water stijgt en om aan BMW te moeten uitleggen dat ze de GS middenin de Waddenzee kunnen terugvinden, is ook weer zo lastig. Maar van het idee dat Denemarken een beetje tam is, ben ik inmiddels geheel genezen.

Kans soeper, ja

Ook niet saai is het plaatsje Ribe, dat vlakbij ligt. Het staat bekend als het mooiste stadje van Denemarken en doet denken aan Enkhuizen. Kleine straatjes, oude huizen, levendig. Maar de omgeving stelt weinig voor, polderachtig met rechte wegen. Dat wordt anders als ik voorbij Esbjerg de Waddenkust verlaat en aan de Noordzeekust uitkom. Wilde duinen hier, met veel bos en heidevelden. Hier wordt het tijd om naar een bed uit te kijken. Eerder heb ik in Denemarken vooraf van alles besproken en kwam toen bij troosteloze kro’s – niet eens echt goedkope hotels – terecht in dorpen waar het altijd zondag lijkt. Nu doet ik het op de bonnefooi. Na wat omzwervingen vind ik een huisje op een camping in het toeristische kustplaatsje Vejers Strand. Goedkoop is het huisje niet (70 euro) en het ruikt raar omdat de buren – Duitse motorrijders – er de halve dag tegenaan hebben gepist. Om het goed te maken, kan ik bij ze aanschuiven voor een bbq met veel drank. Denemarken is kans soeper ja, leer ik. Hier kan mann rasen op die Hayabusa, herrie machen, en pinkeln en kotsn zonder toilet. Verder zijn de Duitsers aardige jongens.

Altijd de geur van de Noordzee

Een zeurende hoofdpijn en priemende blikken van andere campinggasten vertellen me dat het gisteravond iets te gezellig is geweest. Maar de zon belooft dat het een mooie dag gaat worden. Een kilometer of dertig rijd ik door bosachtig gebied, daarna wordt het waar ik voor kom: een echte kustroute, met links van me bijna altijd de duinen. Een enkele keer zie ik vanuit het zadel de Noordzee en altijd kan ik hem ruiken. Lekker.

Op de hoofdweg is het redelijk druk. Twee keer, bij het mooie kustdorpje Ferring en iets later bij Vrist, kan ik er af om via kleinere weggetjes nog iets dichter bij de kust te komen. Terug op de hoofdweg ben ik grotendeels van de drukte af. Logisch, want ik ben nu bij Thyborøn en dat schrikt af. Het plaatsje is niet alleen industrieel, maar ook houdt de weg hier op. Ik neem een pontje om de kustrit voort te zetten. Automobilisten moeten daar flink voor betalen. En ik bijna nog veel meer. De gammele schuit kwakt namelijk al bij windkracht 4 mijn motor tegen een scheepswand. ‘Jammer, maar niets aan te doen…’ zegt de veerman met een gezicht dat elke aansprakelijkheid afwijst. ‘Geen probleem, hoor,’ zeg ik royaal nadat ik een flinke lakschade heb ontdekt. Opgelucht loopt de veerman heen. Net zo opgelucht trek ik de BMW overeind. Die lelijke kras zit namelijk niet op mijn motor, maar op zijn schuit. Maar niets aan te doen, hè?

Eindeloos ver kijken

Aan land krijg ik het gevoel dat ik de grens van het Hoge Noorden ben overgestoken. Het gedoe van West-Europa ligt achter me. Voor me liggen rust en weidsheid, met alleen nog maar niet ter zake doende plaatsjes, waar weinig haast heerst en de mensen nog van je spullen afblijven. Nou ja, het zal wel anders zijn, maar het voelt in elk geval zorgeloos aan.

De lege en vaak rechte weg loopt, eerst door moerasgebied, later langs weilanden om na een kilometer of dertig toch weer bij duinen en de zee uit te komen. Grootse stapelwolken die met veel vaart langs drijven, benadrukken de ruimtelijkheid van dit gebied. Omdat het zo helder is en het land lichtjes glooit, lijkt het alsof je eindeloos ver kunt kijken. Big Sky Country noemen ze dat in de Amerikaanse staat Montana, maar hier hebben ze het ook.

Tja, wat doe je hier, behalve een beetje tuffen? Stoppen bij een picknickplek in de duinen, een hotdog eten, steentjes in de zee keilen, luisteren naar de woeste branding, in slaap vallen en met een zonverbrande kop wakker worden. Het vermaak mag dan wat simpel lijken, maar ik vind het een heerlijke route. Lekkerder, vrijer en mooier dan de wegen door het binnenland of langs de Oostzeekust, die vaak iets benauwends hebben.

Een lege, ruime stad

Precies op de hoek waar de Noordzee en het Skagerrak elkaar tegenkomen, gaat de weg een meter of veertig omhoog. Bovenop de heuvel ligt Hanstholm. In de vorige eeuw wilden ze er een stad van 20.000 inwoners van maken. Verder dan 6000 zijn ze nooit gekomen. Misschien daarom dat dit havenplaatsje zo merkwaardig leeg en ruim van opzet is. De grootste attractie van het stadje zijn de uitzichtpunten aan het eind de Helshagevej. Vooral vandaag. Vanaf een klif kijk ik neer op de haven waarachter het Skagerrak enorm tekeer gaat. Om de paar minuten spat er een golf metershoog uiteen op het havenhoofd. Een schoonmaakploeg staat met lood in de schoenen te wachten op een ferry uit Noorwegen vol brakende passagiers.

Gepensioneerde rockgod

Na Hanstholm ga ik via binnenweggetjes over een langgerekt en doodstil stuk Texel met duinen en dennen, zogenaamde klitplantages. Na 35 kilometer rijd ik Lild Strand binnen. Mijn reisgids noemt het een populair badplaatsje, maar volgens mij is het niet meer dan een handvol huisjes en een paar vissersbootjes die bij gebrek aan haven op het strand zijn getrokken. Het zeesfeertje bevalt me zo goed dat ik bij een duinhuisje met een B & B-bord aanbel. De gepensioneerde Tex doet open. Vroeger was Tex rockgod met een grote hit in Denemarken (ken je dit: ‘Suzanna, nanana, nana, nanana?’ ‘Nee.’). Tegenwoordig schnabbelt hij wat in de sixtiesmuziekscene, heeft hij een kunstgalerij in een benedenkamer, verkoopt hij ijsjes en verhuurt hij twee kamertjes aan toeristen en bevriende Engelse rockhelden met een kleine beurs. Ik voel direct dat het nog een gezellige avond kan worden. Maar helaas moet Tex vanavond ergens anders zuipen: de componist van zijn megahit viert zijn 80ste verjaardag. Hij geeft me de sleutel van zijn huis en vertelt me waar ik het bier en zijn ijsjes kan vinden. En als ik nog een moppie op zijn gitaar wil spelen, dan ga ik mijn gang maar. Ik ken de man ongeveer vier minuten en hij vertrouwt me zijn hele hebben en houden toe. Ik word nog eens gek op dit land.

Duinen zonder prikkeldraad

Op maar een paar kilometer van Tex’ huisje wacht me een volgende verrassing. De Bulbjerg. Een heuse krijtrots, een verdwaalde White Cliff of Dover, die in de avondzon oplicht als een goudklomp. Bijna vijftig meter hoog is ie, met een mooi slingerweggetje naar boven. Daar bevindt zich een vrij toegankelijke bunker met tentoonstelling. Het uitzicht naar alle kanten is letterlijk bijna eindeloos. Ook dat nog. Ik vraag me wel eens af: waar heb ik het aan verdiend?

De terugslag komt in de loop van de volgende morgen. De helder blauwe hemel met grootse wolkenpartijen heeft plaatsgemaakt voor een zwaarmoedig wolkendek. En dat bij een badplaatsje waar schilders juist neerstreken om het bijzondere licht: Slettestrand. Op het strand is met dit weer natuurlijk geen enkele slet te vinden. Wandelaars in regenpakken des te meer. Ze lopen kriskras door de duinen, want die zijn hier bijna overal nog vrij toegankelijk. Prikkeldraad vinden de Denen bij een gevangenis horen en niet bij een toeristisch gebied.

De enige echte attractie

Van een doorlopende kustweg is even na Slettestrand geen sprake meer. Het is nu meer een aaneenschakeling van leuke en saaie brokjes en stukjes. Uiteindelijk kom ik zo terecht in Hirtshals. Het stadje heeft amper twee keer zoveel inwoners als Lutjebroek, maar het is groot genoeg om een regenachtige dag door te komen. Het heeft bijvoorbeeld een leuk centrum en een Noordzeemuseum met het grootste aquarium/zeehondarium van Noord-Europa. Maar laten we eerlijk zijn: er is maar een echte reden waarom buitenlandse toeristen massaal naar Hirtshals trekken. En dat is de boot naar Noorwegen.

De beroemde lucht van Skagen

Voor velen is dat sowieso de enige reden om door Denemarken te rijden. Maar dat neemt niet weg dat je hier op de motor een paar erg leuke dagen kunt hebben. En knoop er dan ook nog maar een half dagje extra aan vast, want de rit van Hirtshals naar Skagen is ook de moeite waard. Met name het allerlaatste stukje, naar de zandwoestenij van Skagens Odde, waar het Skagerrak en het Kattegat elkaar ontmoeten en waar de hoogste duinen van het land te vinden zijn.

Vele kunstschilders trokken hier eind negentiende eeuw naartoe omdat de beroemde Deense luchten en lichtinval hier op zijn allermooist schijnt te zijn. Maar misschien ook omdat ze geen geld hadden voor de boot naar Noorwegen.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Deense-Westkust.GPX”]

Noorwegen: 10 Motorschatten

0

Motorland Noorwegen staat bekend om zijn prachtige wegen. Maar een aantal van de allermooiste zijn vrijwel onbekend, vergeten en verborgen.

Jan Dirk Onrust

Trollstigen, de Sognefjellweg, de Avonturenweg, de E6, elke Noorwegenganger zal ze kennen. Daarvoor ga je naar het Hoge Noorden. Maar een fl ink aantal van de meest bijzondere Noorse wegen zijn bij de meeste toeristen vrijwel onbekend.

Soms zijn dit stokoude wegen die door een omleiding overbodig zijn geworden. Vaker nog jonge wegen die zijn aangelegd door een waterkrachtcentrale om hoog in de bergen stuwdammen aan te leggen en te onderhouden. Die laatste zijn niet altijd verhard, maar meestal toch heel goed te rijden. Maar meestal niet lang, want bijna allemaal gaan ze pas in de zomer open. Ga vooraf altijd even Googlen om te zien of ze werkelijk open zijn, want dat hangt sterk van de weersomstandigheden af.

We geven onze tien favorieten!

10

De ‘dodelijkgevaarlijke’ Tronåsen

We beginnen met een klein voorgerechtje. Tronåsen, de Koningsweg, op twee uur rijden van de boot de Kristiansand, ook wel bekend als de ‘dodelijk gevaarlijke weg’. Tronåsen is een eenrichtingsweggetje van maar 5 km lang, dat slechts half is te vinden op Google Maps. Toch heeft het een zekere reputatie omdat het in 1931 werd opgenomen in de toen fameuze Rally van Monte Carlo. Vijftig jaar later gebeurde dat nog eens. Het weggetje stamt uit 1844, in 1946 verloor het zijn functie, maar bleef bestaan. Tegenwoordig is het een toeristische curiositeit. Dat heeft te maken met de zeer steile en scherpe haarspeldbochtjes. Acht (tot 25 %) in de klim aan de westkant, drie (tot 33 %) in de afdaling aan de oostkant. Spektakel dus, maar het is voorbij voor je het weet. De weg ligt grotendeels in de struiken, dus grootse uitzichten kan je vergeten. Het stuk op de top is onverhard, maar goed te doen op een gewone motor.

DE SPECS

  • Lengte 5 km
  • Omgeving **
  • Moeilijkheidsgraad **

9

Dalsnibba: superuitzicht

De onverharde weg naar de Dalsnibba is maar 5 km lang en je moet hier een beetje tol betalen, maar het uitzicht maakt alles goed. De top ligt 1500 m boven de beroemde Geirangerfjord, die je hier 7 km van je vandaan ziet liggen. En de hele zomer door zie je aan alle kanten besneeuwde bergtoppen, als de Dalsnibba tenminste niet in de wolken hangt. De weg is onverhard, maar breed en van goede kwaliteit. Via elf haarspeldbochten kom je helemaal aan de top – een grote geasfalteerde parkeerplaats. Je hebt dan een klim gemaakt van een kleine 500 meter. Door zijn grote hoogte gaat de Dalsnibba meestal pas laat in het seizoen open. Mis je hem, dan is er geen man overboord, want alle wegen in deze omgeving zijn schitterend.

DE SPECS

  • Lengte 5 km (2 x)
  • Omgeving *****
  • Moeilijkheidsgraad **

8

Aursjøvegen: zout

De Aursjøvegen is een van die speciale wegen waarbij je aan het begin het zweet uitbreekt. Niet omdat het toltarief zo hoog is maar eerder omdat de onverharde weg nogal steil en heel smal naar boven lijkt te lopen. Maar het is vooral de mededeling dat de weg een lengte van 70 km heeft, die het hem doet. En dan kom je ook nog vrij snel in een tunnel die zo donker is, dat je er bijna op de tast doorheen moet. Maar uiteindelijk valt het allemaal mee. De onverharde weg is, zoals bijna overal in Noorwegen, goed. Speciale banden of een offroad motor zijn niet nodig. Grote zakken calciumchloride die in de berm staan, laten zien waarom: het wegdek is van zout gemaakt. En dat rijdt stukken beter dan zand of gravel. Hele stukken kan ik tegen de 100 km/u knarren. Alleen moet ik voortdurend stoppen omdat zich voor me de jaarlijkse mountainbikewedstrijd afspeelt, waar ik niet langs mag. Geeft niets, zo kan ik op het gemakje rondkijken over de fabelachtig woestweidse omgeving. Aan het begin ligt een van de grootste watervallen naar Noorwegen. Verderop scheer je langs enkele stuwmeren, deze vormen de bestaansreden van deze weg.

DE SPECS

  • Lengte 73 km
  • Omgeving ****
  • Moeilijkheidsgraad ***

7

Glibberen op de Slådalsvegen

De Slådalsvegen is een onverhard tolweggetje van 32 km dat loopt van Lesja naar Vågåmo, iets ten noordoosten van de bergen van de Jotunheimen. Het hoogste punt ligt op 1200 m, wat in Noorwegen betekent dat je ver boven de boomgrens komt in de bekende woestenij van keien en mossen. Het uitzicht op de Jotunheimen zou vanaf deze makkelijk te rijden weg prachtig zijn, maar vandaag even niet. Ik zit vooral naar donkergrijze regenwolken te kijken die op me af rollen. Niet veel later komt er meer water naar beneden dan het wegdek (zout) aankan. En dan wordt het toch wat glibberig. Meer dan drie auto’s en een fietser kom ik hier niet tegen, dus dit is niet een goede plek om onderuit te gaan. Ik rijd maar voorzichtig, maar uiteindelijk is het een grote hoeveelheid schapenstront die me toch bijna ondersteboven krijgt. Ik blijf nog net overeind, maar ontdek later dat ik tot boven m’n rechterknie onder de stront zit. Gelukkig kan ik in Vågåmo een tankstation met een hogedrukspuit vinden. En dan keer ik weer om. Want de hoofdreden om de Sladalsvegen te nemen is voor mij de aansluiting op iets heel bijzonders: de weg naar Blåhø.

DE SPECS

  • Lengte 32 km
  • Omgeving ****
  • Moeilijkheidsgraad **

6

De planeet Blåhø

Blåhø, de blauwe hoogte, is de hoogste top (1671 m) van het Trollheimgebergte. En een soort bedevaartsoord voor Noorse offroad rijders. Je kunt hem bereiken via een onverhard, doodlopend tolweggetje van bijna 14 km lang. Als ik er na de Slådalsvegen aan begin, is het weer droog. In de verte liggen wel zware wolken waardoor ik het herkenningpunt op de top, een hoge telecomtoren niet kan zien. De onverharde weg blijkt wat minder van kwaliteit te zijn dan de voorgaande. Spoorvorming en af en toe los gesteente. En het blijft maar omhoog gaan. Als mijn GPS aangeeft dat ik nog 22 km te gaan heb, begin ik te twijfelen. De

lucht wordt dreigender en de weg wordt per kilometer slechter en natter. Als dit zo 20 km doorgaat, kom ik in een hel terecht. Maar wel bijzonder ruig en mooi, dus ik ga nog even door. Een paar kilometer verder ga ik door dichte mist over een soort maanlandschap, dat alleen nog maar uit een keienmassa bestaat met geelgroen mos erop. En dan doemt vlak voor me de enorme telecomtoren op. Ik ben er, al heb ik volgens mijn GPS nog 13 km te gaan. Op de top kom ik de eerste mensen tegen. Twee geologen die onderzoek doen naar de aanwezigheid van permafrost op de bergtop. Dat bevestigt mijn gevoel dat Blåhø van een andere planeet is.

DE SPECS

  • Lengte 14 km (2 x)
  • Omgeving *****
  • Moeilijkheidsgraad ***

5

Tindevegen: Jotunheimen via de achterdeur

De kenners zijn het er over eens dat de Sognefjellweg (RV 55) de mooiste doorgaande asfaltweg van Noorwegen is. Minder bekend is dat deze topper een paar fantastische zijwegen heeft. De weg naar de Juvashytta bijvoorbeeld of naar Leirvassbu. Maar door hopeloos noodweer sla ik die maar over en neem de Tindevegen, een bijzonder mooie afslag (tol) van Turtagrø naar Årdal. Ook hier hoost het vandaag, maar de bewolking hangt tenminste niet op het wegdek. Op de kaart lijkt de Tindevegen bijna een wandelpad, maar in werkelijkheid is het een vrij brede, mooi geasfalteerde weg van 30 km lang. Hoofdattracties: uitzicht op de reuzen van de Jotunheimen, wilde rivieren en een messcherpe serpentine vlak voor Årdal. Om na een dag regen eens even lekker en relatief voordelig te schransen, rijd je door naar het restaurant van hotel Klingenberg in Årdalstangen. Een dolenthousiaste Canadese heeft hier alle boiled potatoe shit van de kaart geveegd om plaats te maken voor taco’s en ander feestvoer.

DE SPECS

  • Lengte 30 km
  • Omgeving ****
  • Moeilijkheidsgraad *

4

Zweten op de Stalheimskleiva

De Stalheimskleiva is een heel klein, maar smakelijk tussendoortje in de buurt van Gudvangen. Nog geen 2 km lang, maar dertien haarspeldbochten rijk. Bijna onmogelijk om er met een touringcar te rijden en dat is precies wat hier wordt gedaan. De bochten zijn dan ook doorlopend verstopt
DE SPECS

  • Lengte 1,75 km
  • Omgeving ****
  • Moeilijkheidsgraad ***

3

Osafjellvegen: prachtig vals kreng

Twee keer eerder reed ik – in juni – naar de Osafjell, twee keer kwam ik door sneeuw niet veel verder dan halverwege. Maar het is zo’n knettergekke rit dat ik in augustus een derde poging waag. De Osafjell is een hoekje aan de westkant van de Hardangervidda hoogvlakte. In een nauwe kloof heeft de plaatselijke waterkrachtcentrale Sima hier een weg aangelegd naar enkele stuwmeren, die in nog geen 15 km ruim een kilometer omhoog gaat. Dat lijkt hier een bijna onmogelijke opgave, maar steeds als je denkt dat de weg niet meer verder kan lopen, weet hij via een wonderbaarlijke escape verder omhoog te kronkelen. Vlak bij de top splitst de asfaltweg zich in tweeën. Het doorgaande deel gaat hierna onverhard verder omhoog. En hier begin je echt te begrijpen waarom de toegang op eigen risico is. Wat een gemeen kreng wordt het ineens. Grote losse keien, diepe sporen en dat langs het randje van de afgrond. Als de weg volgens de kaart ophoudt, loopt hij in werkelijkheid nog een stuk door. Een weg kun je het nauwelijks nog noemen. Chaos is het, een bulldozerspoor, meer niet. Als het ‘wegdek’ een halve meter omhoog springt, hou ik het voor gezien. De BMW 800 GS waarop ik rij, is geen trialbike. En ik ben al helemaal geen trialbikerijder. Gelukkig maakt een sneeuwveld vlak daarna een definitief einde aan de weg, zodat ik niet veel gemist kan hebben. Zwetend ga ik terug naar de splitsing en kom in de volgende kloof terecht. Hier ligt redelijk mooi asfalt, ook al zijn er wat delen in het ravijn gevallen. Het eerste stuk is soms zo nauw en besloten dat het is alsof je door een zolderkamer rijdt. Het laatste korte, onverharde stuk klimt langs een damwand met een procent of 15 omhoog. Pittig. Maar bovenop wacht een uitzicht op een stuwmeer met ijsschotsen en de Handangerjokulen (gletsjer) op de achtergrond. Eindeloos mooi.

DE SPECS

  • Lengte 32 km (twee afslagen heen en terug)
  • Omgeving *****
  • Mo eilijkheidsgraad ** (asfalt) *** tot ***** (onverhard)

2

Blåsjø: van dam naar dam

De weg naar de Osafjell valt nauwelijks te overtreffen, maar die naar Blåsjø (200 km zuidelijker) komt in de buurt. Blåsjø is het grootste stuwmeer van Noorwegen en de weg is dus ook weer aangelegd voor een waterkrachtcentrale. Hij heeft een lengte van bijna 30 km en gaat langs drie van de grootste dammen van het land. En ook door een paar tunnels waar je bijna met een blindengeleidehond doorheen moet. Dat maakt op dit soort wegen niet uit, want de toegang is toch op eigen risico. De geasfalteerde weg biedt enorm veel afwisseling. Bos, schilderachtige meertjes, smalle dalen, fantastische vergezichten en uiteindelijk eindeloos veel kale, soms licht besneeuwde rotsen. Toch ogen die zachter en vriendelijker dan het meedogenloze graniet van de Hardangervidda en de Jotunheimen. Het is bovendien veel rustiger hier, zeg maar gewoon onontdekt. Tel daar de vele prachtige bochten bij op en je hebt een toprit. Het enige minpuntje is dat hij pas begin juli en soms zelfs later open gaat.

DE SPECS

  • Lengte 28 km (2 x)
  • Omgeving *****
  • Moeilijkheidsgraad **

1

Lysebotn: 27 haarspeldbochten

Het grootste haarspeldbochtenspektakel van Noorwegen vind je bij Lysebotn. 27 bochten in 8 km om 900 meter hoger te komen. Om dat allemaal te halen, duikt de weg ook nog eens een tunnel van een kilometer in met haarspeldbocht. 27 bochten leg je niet aan voor een doodlopend gehucht dat nog geen 27 inwoners telt. Dus is het uiteraard weer een waterkrachtcentrale die de weg heeft gebouwd. Het hele dorp Lysebotn is trouwens eigendom van dezelfde centrale. Net als de bergen eromheen. De weg uit 1984 is schitterend, maar hij moet natuurlijk niet in de wolken liggen. Helaas doet hij dat meestal wel. De Franse schrijver Victor Hugo omschreef de smalle Lysefjord ooit al als de meest verschrikkelijk inham ter wereld. De reden was dat de Lysefjord zo beschut ligt dat er bijna niet te zeilen viel. Met de laaghangende bewolking heb je hetzelfde probleem. Als die er eenmaal hangt, trekt het bijna niet weg. Wie de prachtweg zonder mist aantreft, heeft dan ook geluk. Na de top is de bewolking meestal snel weg en heb je altijd nog de mooie weg naar Sirdal die je wel kunt zien. Als je vanuit het noorden komt, kun je vanuit Sognesand de pont naar Lysebotn nemen. Niet vergeten te zwaaien naar de boot, want anders zou hij zomaar door kunnen varen.

DE SPECS

  • Lengte 8 km
  • Omgeving ****
  • Moeilijkheidsgraad **

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Noorse_schatten.GPX”]

Joey Litjens terug naar waar het zo verschrikkelijk mis ging

0

Het is één van de meest besproken ongelukken in de Nederlandse wegracegeschiedenis, dat van Joey Litjens op de Varsselring in 2009. Niet alleen vanwege de crash zelf, maar zeker ook omdat Joey er altijd opvallend open over is geweest en er met MOTO73-freelancer Jarno van Osch zelfs een boek over maakte. Nadat hij tien jaar geleden Hengelo met gillende sirenes verliet, durfde hij er echter nooit terug te keren. Tot MOTO73 hem vroeg voor deze bijzondere reportage en Joey voor het eerst oog in oog stond met de plek waar het tien jaar geleden zo verschrikkelijk mis ging.

‘Of ik terug naar Hengelo wil? Mag ik je daar straks over terugbellen?’ Normaal gesproken heeft Joey Litjens geen bedenktijd nodig, want hij is een man die weet wat hij wil, maar nu is alles anders. Terug naar de Varsselring… Na de crash was hij twee keer in de buurt. Eén keer voor een lezing die hij tegenwoordig geeft over onder andere de crash en zijn revalidatie en één keer op de mountainbike met de KNMV-selectie. Twee keer durfde hij het echter uiteindelijk niet, bang voor de confrontatie met de aanremzone voor de Van Manenbocht, de tweede negentig-gradenknik naar rechts, achter op de Varsselring. De plek waar zijn motorracecarrière tegen een boom zomaar ineens tot een einde kwam. Tijdens een trainingsdag nota bene.

‘We gaan het doen’

Het duurt vijf minuten, het duurt tien minuten, het duurt vijftien minuten. Geen Joey. En dan na zeventien minuten belt hij en klinkt het heel direct. ‘We gaan het doen, Marien, het is na tien jaar tijd om het voor mij echt af te ronden.’

Grote stap

Ook in de weken daarna is aan veel te merken dat het voor Joey niet zomaar een reportage is. Zo zou het voor een ‘normaal’ verhaal waarschijnlijk niet nodig zijn om zijn vriendin Inge mee te nemen. Nu wel en je begrijpt waarom. Om precies diezelfde reden spreken we af in een café in het dorpshart van Hengelo, strak onder de kerk en schuin tegenover het kunstwerk van de zilveren BSA-crossmotor. Hoewel je in het café – net als in de rest van Hengelo – niet om de racerij heen kunt, is het niet de Varsselring. Toch blijkt het voor Joey al een grote stap te zijn om tot Hengelo te komen. ‘Ik kon aan de druk op mijn borst voelen dat we in de buurt kwamen. Het licht glooiende landschap en de haast kombocht-achtige wegen, het doet mij meteen denken aan Hengelo, aan het circuit. Dat doet echt iets met mij.’

MOTO73 10/2019

Wil je weten hoe Joey de rest van dag ervaart? Hoe vindt hij het om voor de eerste keer na tien jaar weer terug te komen op de rampplek? Je leest het in MOTO73 10/2019! De editie ligt tot woensdag in de winkel en hier hier online te bestellen: https://www.tijdschriftnu.nl/product/moto73-editie-10-2019/

Foto: Guus van Goethem
Tekst: Marien Cahuzak

Schotland: De Wilde Hebriden

0

In Schotland trekt iedereen altijd gelijk naar de Highlands. Maar het onbekende zuidwesten, waar de Hebriden bijna de kust raken, is minstens zo mooi. Elk eiland is hier een Schotland in het klein. En het schiereiland Kintyre wijst er als een lange vinger tussendoor, naar de Ieren aan de overkant.

René van Tienhoven, Chris Pennarts

Engeland heeft de mooiste countryside ter wereld. En gelukkig houdt die niet op bij de Schotse grens. Het zacht golvende lappendeken landschap met zijn korte steile hellingen, kalenderfoto dorpjes, eindeloze muurtjes en honderden tinten groen, zet zich gewoon voort als je de Scottish Border passeert. Het is er alleen minder bevolkt, minder goed onderhouden, en vooral minder druk. De reis van de ferryterminal van DFDS Seaways in Newcastle naar ons eerste overnachtingadres in Irvine aan de westkust is dan ook zeker geen saaie.

Blind summits

Er lopen maar weinig toeristische wegen van oost naar west in dit deel van Engeland. En dus nemen we de meest voor de hand liggende, en ook gelijk de mooiste, de B6318 langs de Hadrian Wall. En hoe vaak je die ook rijdt, hij blijft fascineren door die alsmaar met de weg meelopende Romeinse barrière, die de Schotten buiten de toenmalige Europese Unie moest houden. Een leuke koffiestop is het door vrijwilligers gerunde en prima aangegeven Visitor Centre van de National Trust, waar je uitgebreide informatie over de Hadrian Wall kunt vinden.

Bij Greenhead verlaten we de muur, en vervolgen we de B6318 naar de Schotse grens, die door het Border Forest Park loopt. Een paar mijl verderop ligt Newcastleton, waar in The Olive Tree Café & Bakery sinds de jaren 50 niets meer is veranderd. Kennelijk is dat ook het geval met de stoppenkast, want vlak na onze binnenkomst valt de stroom uit. De vriendelijke dames van de bakkerij weten ons echter met enige improvisatie toch een prima lunch voor te schotelen, en wijzen ook nog de weg naar de ‘single track road’, die midden in het dorp naar het westen gaat. Het blijkt een prachtige en stille route, met schitterende uitzichten op de Tinnis Hill en Wauchope Water. Beslist een aanrader deze weg, die in Langholm aansluit op de B7068 naar Lockerbie. Alleen een desolaat, verwoest bos herinnert hier nog aan de 747 van PanAm, die in 1988 recht tegenover de begraafplaats neerstortte, en 270 passagiers en 11 inwoners van het plaatsje het leven kostte. Na Lockerbie moeten we even een kort stukje over de drukke A709, maar even voorbij Lochmaben vinden we gelukkig weer een mooie ‘single track road’ naar het westen. Korte steile hellinkjes wisselen hier af met ‘blind summits’, die soms zo kort op elkaar liggen, dat het lijkt of de weg gewoon doorloopt. Maar ineens verdwijn je dan in een diepe put, waarbij je het gevoel hebt over de summit heen te vliegen. Echt een motorfietsparadijs hier.

In de smalle dorpsstraatjes van het schilderachtige Moniaive vinden we na wat zoeken een morsig tankstation, waar na enig wachten de vriendelijke eigenaar uit een vettige smeerput klimt, en ons met een rollende ‘R’ adviseert de B729 naar Carsphairn te nemen. Met een volle tank, en twee flessen water uit het winkeltje om de hoek rijden we deze, alweer prachtige weg tot de aansluiting op de drukke A773 naar de kust. In het vissersplaatsje Troon proberen we een tafeltje te vinden in de ‘Wee Hurry Fish and Chips Shop’ aan de haven, in de wijde omgeving bekend om zijn verse kreeft en ‘catch of the day’. Maar een lange rij wachtenden buiten doet ons, ondanks de lekkere geuren, besluiten door te rijden naar Irvine, waar de kok van het Thistle Hotel nog net niet naar huis is.

Verhaal gaat verder onder het kaartje..

Arran

De volgende morgen steken we in Ardrossan over naar het eiland Arran. De uitzichten vanaf het bovendek van de stampvolle ferry zijn, ondanks een ‘occasional drop’ uit de grijze hemel, aan alle kanten schitterend. Niet voor niets noemt men het voor ons uit de regensluiers opdoemende Arran, Schotland in het klein. Op aanraden van een fietser, die we op het bovendek spreken, nemen we niet de kustweg die om het eiland loopt, maar pakken gelijk in Brodick de B880, die dwars door de bergen naar de westkust voert. Het is een desolate weg met hoge bergen aan de noordkant, lange dalen tot de horizon, en overal bordjes die het begin van een wandelpad markeren. Dat Arran een populair wandeleiland is, merken we tijdens de koffiestop in het Kinloch Hotel in Blackwaterfoot. Alle 60 kamers zijn er bezet, maar op de twee vriendelijke obers na, is er geen kip te bekennen. Iedereen blijkt er ondanks de regen toch op uitgetrokken, dus die verlaten groene bergen hebben kennelijk meer te bieden dan we vanaf de weg kunnen zien.

Ergens bij Kilpatrick tanken we bij een roestige pomp, met grote regenplassen er om heen in het kapot gereden asfalt. Blijkens een stickertje op de bedampte ramen van het vuilwitte kantoortje accepteert men hier Mastercards. Maar pas na lang zoeken en hulp van de echtgenote weet de pomphouder de kennelijk al jaren niet meer gebruikte kaartlezer onder stapels papier vandaan te toveren. Gelukkig hebben ze hier alle tijd van de wereld. En wij inmiddels ook, want de typische eilandsfeer van Arran werkt heilzaam op je zenuwen.

Laat in de middag nemen we op de noordpunt van het eiland de kleine ferry van Lochranza naar Claonaig op het schiereiland Kintyre. Er kunnen maar net 10 auto’s en een handvol motoren op dit op een landingsvaartuig lijkende veerbootje, dat door de zware zeegang vervaarlijk om zijn lengteas rolt. We moeten dan ook de hele overtocht op onze motoren blijven zitten om te voorkomen dat ze omvallen. De landing op de kust van Kintyre is een compleet spektakel. Met brullende dieselmotor wordt de sterk schommelende veerboot tegen de met algen begroeide oprit gedrukt, en terwijl de golven aan alle kanten over de landingsklep slaan, rijden we met een boeggolfje om de voorband de boot af.

Kintyre

Het smalle single track kustweggetje naar Carradale blijkt ondanks de invallende duisternis en gestaag vallende regen één van de hoogtepunten van onze reis. Prachtige vergezichten over het onstuimige water van de Kilbrannan Sound, in de verte de donkere schaduw van het eiland Arran, en rechts steeds de slingerende kustlijn met alle tinten groen en grijs die je bedenken kan. Voor dit soort overweldigende panorama’s schiet de Nederlandse vocabulaire gewoon tekort, maar de fraaie folder van de plaatselijke Tourist Board weet het treffend samen te vatten: ‘striking seascapes with fascinating coastlines’. Daar is geen woord van gelogen.

Laat in de avond komen we aan in het kleine Ashbank hotel in Carradale, waar de eigenaar het druipende groepje motorrijders eerst een mooie whisky inschenkt alvorens de kamers te wijzen. Later blijkt dat de flessen leeg moeten, omdat het hotel verkocht is. Je kunt het slechter treffen. Ook leeg zijn onze tanks, en het plaatselijke tankstationnetje is dicht. Maar na een telefoontje van de hoteleigenaar met de pomphouder wil hij speciaal voor ons de volgende (zondag)ochtend wel even zijn tankstation openen.

’s Avond raken we in de pub van het belendende Carradale Hotel in gesprek met de boswachter, die met een stevige bierwalm vertelt dat er zes paar zeldzame Golden Eagles in ‘zijn’ bos zitten. Vervolgens komt het gesprek op de plaatselijke doedelzak band waarvan een foto boven de bar hangt. Het blijkt de band te zijn die heeft meegespeeld in Paul McCartney’s beroemde videoclip ‘Mull of Kintyre’, die op een strandje even ten zuiden van Carradale is opgenomen. Die plek willen we zien natuurlijk, en dus vervolgen we de volgende morgen na een voortreffelijk ontbijt de kustweg naar het gehucht Saddell, waar het druilerige zandstrandje als toneel voor McCartney’s wereldhit diende. Veel valt er niet te zien en snel rijden we in de regen door naar Campbeltown, het streekcentrum van zuidelijk Kintyre. Op zondagochtend blijkt er maar één pub open, waar we al druipend een spoor van water op de net geboende tegelvloer achterlaten. Niet erg, zegt de eigenaar, dat hebben we hier iedere dag!

Lekker opgewarmd vertrekken we onder loodgrijze wolken naar het verste punt van onze reis, de hooggelegen vuurtoren van de Mull of Kintyre. Het begint weer te regenen als we de nevelige Glen Breakevie inrijden. Steeds mysterieuzer wordt het landschap, steeds slechter de weg en steeds natter het landschap. Halverwege onze klim zitten we ineens in de wolken en krijgen we het gevoel zo de hemel in te rijden. Meerdere malen moeten we afstappen om een hek open te doen. De weg naar de hemel is niet gemakkelijk. En dan houdt plotseling het asfalt op, en moet je te voet verder naar de vuurtoren. Maar aan de lange en moeilijke afdaling in dichte mist beginnen we met onze zware natte motorpakken niet. Teleurgesteld rijden we weer omlaag, want bij goed weer hadden we hier Ierland kunnen zien. Halverwege de afdaling vallen we uit de wolk en zijn we weer terug op aarde. In de verte schemert de kust door de mistflarden, en dan, heel even, verdrijft een waterig zonnetje de nevel en trekt het landschap open. We kijken neer op een schitterend panorama van de witschuimende Carskey Bay en de zacht golvende groene kust. Snel halen we de camera te voorschijn, want de hemel gaat hier nooit lang open.

Bij het gigantische militaire vliegveld ten westen van Campbeltown is het landschap vlakker en saai. Hier ligt de langste startbaan van Europa, speciaal aangelegd voor de zware langeafstands bommenwerpers van de Amerikanen. We rijden om het vliegveld heen, maar de hekken houden je zover op afstand, dat je er niets van ziet. Iets verder woont Paul McCartney, maar ook hier houden hekken ons op afstand, en zien we nog net de rode dakpannen van zijn boerderij. Gauw door maar weer, langs de mooie westelijke kustweg naar Tarbert, waar bij het schilderachtige haventje gelukkig een tankstation op zondag open is. De hoofdweg verlaat hier de westkust en zet zich aan oostkant langs Loch Fyne voort. Gelijk wordt het droger en begint de zon door te komen. Laat in de middag arriveren we in het mooie Loch Fyne Hotel in Inveraray, dat in een oud landhuis is gevestigd. Verderop ligt het dorpje, waar de witte huizen staan te schitteren in het halfronde panorama, dat het einde van de fjord omlijst. Net als overal in dit gedeelte van Schotland grossieren ze hier in kalenderplaatjes.

Atoomonderzeeërs

Als je in Engeland goed wilt eten, moet je gewoon drie keer per dag ontbijten, zeggen we wel eens spottend. In het Loch Fyne hotel is het breakfast een feest. Eieren ‘any style’, ham, toast, warme vis, witte bonen, bloedworst, brandstof genoeg om de rest van de dag op te teren. En dat is ook nodig, want ’s avonds moeten we weer op de ferryterminal in Newcastle zijn. Dat is van hieruit gemakkelijk te doen, want vanaf Glasgow kan je desgewenst de snelweg nemen en zit je in een paar uur aan de Noordzeekust. We mijden de drukke weg langs Loch Lomond, en rijden langs Loch Long naar Helensburg, waar de Engelsen hun atoomonderzeeërs hebben gestationeerd. Maar net als het militaire vliegveld op Kintyre verhinderen kilometers lange hekken dat je er ook maar een glimp van te zien krijgt. Om kilometers te maken, pakken we na Glasgow de snelweg naar Carlisle. Maar als bij Lockerbie blijkt dat we tijd genoeg hebben, verlaten we de snelweg, en rijden we door het stille binnenland noordelijk van de A74, om bij Brampton weer op de mooie weg langs de Hadrian Wall aan te sluiten. Er is zelfs nog tijd om bij Steel Rigg even een stukje over het populaire wandelpad op de muur te lopen.

Altijd weer gezellig

Op de altijd weer gezellige boot doet DFDS Seaways zijn best het motorrijders naar de zin te maken. Vlotte incheck, apart motorendek en uitstekend en ruim voorhanden bevestigingsmateriaal. Verder volop entertainment, een prima band en niet te vergeten: een uitgebreid heerlijk buffet. Maar het grootste voordeel is dat je reist terwijl je slaapt, en daardoor de volgende morgen uitgeslapen en met het ontbijt achter de kiezen Engeland in rijdt. En vanuit Newcastle zit je zo in Schotland.

Frankrijk: Normandië – Cider Route

0
Normandie

Rijden door appelbloesem, langs een groenblauwe zee, kustkruiden en levendige terrassen. Ach, wat is de lente toch lekker in Normandië.

Neem nou het startpunt, de kustplaats Dieppe. Als je wilt opschieten, ben je er vanaf Breda in vier uur. Het laatste half uurtje ga je breeduit slingerend over forse heuvels en op de top van de laatste doemt een tropische blauwgroene zee voor je op. Ingeklemd tussen hoge krijtrotsen ligt Dieppe in de diepte.

Met z’n duizend jaar is het een van die aardige stadjes aan de kust van Normandië – niet de allerleukste van heel Frankrijk, want die komt later. Bij binnenkomst in het centrum, rijd je meteen tegen het meest toeristische deel aan: de jachthaven met daarachter een promenade met historische gebouwen en grachtenpanden, restaurantjes en terrassen, waar de eerste van vele motorrijders al hebben plaatsgenomen. Achter een bord moules frites uiteraard.

Het zijn allemaal historische panden, maar zo grondig gerenoveerd en gezandstraald dat het bijna nieuwbouw lijkt. Beetje jammer, maar een stuk netter dan de smeulende puinhoop die het in de tweede wereldoorlog was. Dieppe was in 1942 namelijk de generale oefening voor de invasie van twee jaar later. Zesduizend geallieerden kwamen hier toen een paar uur aan wal. De helft verloor het leven. Nooit meer via zee een stad aanvallen, zonder alle verbindingswegen eerst te slopen, was de pijnlijke les. Twee jaar later werd de stad over land bijna zonder slag of stoot alsnog bevrijd met twee motorrijders voorop.

Dronken GPS

Om nog even een prachtig uitzicht over het stadje te krijgen, rijd ik de noordelijke krijtrots op. Daarna beklim ik de zuidelijke, want daar begint mijn route langs de Côte d’Albâstre, de Albastenkust. Boven Dieppe zit je nog vrij ver van de zee af, onder Dieppe kom je veel dichterbij. Dat beweert althans de route die ik op mijn GPS heb gemaakt. Maar al vrij snel nadat ik bovenop de krijtrotsen ben gereden, lijkt het alsof de GPS flink aan de cider heeft gezeten. Hij trekt zich niets aan van verkeersregels en wil me doorlopend langs borden ‘verboden in te rijden’, ‘eenrichtingsverkeer’ en ‘doodlopende weg’ loodsen. Maar dat geeft niet echt. Het is een prachtige dag en ik kom op weggetjes waar ik anders nooit terecht zou zijn gekomen. Door bebosde villawijkjes, onverharde wandelpaden en weer terug en bij Pourville-sur-Mer zelfs op een steil weggetje dat naar de zee afdaalt. Een smal, maar woest keienstrand met waarschuwingsborden voor vallend gesteente ligt hier tegen de rotsen gedrukt. Dit is de plek waar een deel van de ‘oefeninfantaristen’ in 1942 aan land gingen. Geen wonder dat ze in dit sterk heuvelachtige terrein kansloos waren. Je kunt hier bijna geen kant op. Ik ook niet en moet weer terug, ook al denkt mijn dronken GPS daar weer anders over.

Hangende dalen

Er volgt een lange trits van kustdorpjes, met prachtige uitzichten op de zee en de witte rotsen. En wat is het lekker rijden hier. Lekker warm, stil en slingerend asfalt. De grotere plaatsjes – met haventje, casino en veel toeristen – krijgen meestal een schouderklopje van de reisgids, maar de stille kleintjes (Quiberville, Veulettes-sur-mer, Sotteville-sur-mer) zijn eigenlijk veel leuker om doorheen te rijden. Bij Sotteville-sur-Mer stop ik even voor iets bijzonders en kenmerkends: een hangend dal, een smalle opening in het kalksteenplateau die er ooit is ingesleten door een riviertje. Vissers hebben er een lange trap ingelegd die afdaalt naar zee. Iets verder, in St-Valéry-en-Caux kun je weer even naar de overdonderde kust afdalen. Daarna volgt een lege, maar lekkere weg naar Fécamp, een van de grotere plaatsen. Op een rustige lentedag als vandaag snuif je tussen de zeelucht door overal langs de kust de geuren van allerlei kruidachtige plantjes en bloemen op. Van een aantal van deze kustkruiden maken ze in een klooster in Fecamp een wereldberoemde likeur: Bénédictine. Hoe dat allemaal gaat kun je zien in Palais Bénédictine.

Rotspoorten

Nog meer lente valt er te voelen in Etretat. Hier is volgens kenners de krijtrotskust op zijn mooist, omdat de branding een aantal poorten en inhammen heeft geschapen. Aan deze rotspoorten worden van oudsher allerlei romantische betekenissen gegeven, dus streek de voorspelbare horde schrijvers en kunstenaars hier ook neer, om temidden van veel dames de romanticus uit te hangen.

Onder Etretat ligt de grote havenstad Le Havre, een beetje het Rotterdam van Normandië, dus dat kunnen we overslaan. Maar Honfleur, aan de overkant, mag je niet missen. Want dat is het aardigste, gekste en leukste havenstadje van misschien wel heel Frankrijk. Je komt er via de Pont de Normandie, de gigantische tolbrug over de Seinemonding, waarvoor je als motorrijder niets hoeft te betalen.

Hard werken

Het voormalige piratennest dat deels tegen een heuvel ligt, trekt jaarlijks miljoenen bezoekers. Maar ondanks die drukte is het nog steeds karakteristiek, sfeervol en heel Normandisch. En tegelijkertijd hangt er op deze zonnige dag een soort loomheid overnheen die Zuid-Frans aandoet. Hoogtepunt is het Vieux Bassin, de oude haven middenin het centrum, die omringd wordt door hoge smalle panden die schouder aan schouder toekijken naar de drinkende, fotograferende en slenterende menigte onder zich. Een tv-ploeg is hier aan het opnemen, want achter de hooggehakte presentatrice is dit toch zo’n leuk decor. Motoren rijden af en aan, want het wemelt hier van de leuke weggetjes en niet alleen aan de kust. Bij een tankstation merk je wel dat we hier een reputatie hebben. Als enigen moeten motorrijders hier betalen voor ze gaan tanken.

In een van de kronkelige straatjes erachter vind ik bij het vallen van de avond een bed & breakfast La Cours de Sainte Catherine, waar de gasten pimpelend in de weelderige tuin rondhangen. Een van hen is een gedetacheerde Amerikaanse manager met een laptop naast zich, waarop hij om de paar minuten een willekeurige toets indrukt. ‘Op het Amerikaanse hoofdkantoor is de dag net begonnen. Ze kunnen zien of mijn laptop actief is. Ik ben hier dus hard aan het werk. Al maandenlang. Wijntje? De fles is nog half vol.’ Ha, wat smaakt de lente hier toch lekker.

Ciderroute

Het platteland achter Honfleur is precies zo als je dat zou willen tijdens een lenterit. Weelderig groen met volle koeien, heuvelachtig, bochtig en toch lekker rustig. In het beste deel ligt de Route du Cidre, een redelijk goed gemarkeerd rondje van een kleine 50 km, dat 40 km onder Honfleur begint. Wat de druif voor de rest van Frankrijk is, is de appel voor Normandië. Cider heeft weliswaar minder aanzien dan wijn, maar bloeiende appelbomen zien er toch een stuk leuker uit dan een gekortwiekte druivenstruik. En op de Ciderroute zal ik daar heel wat van gaan zien, is me beloofd, want hieraan zit een flink aantal ciderboeren.

Appelbomen bloeien maar kort, dus de timing is belangrijk. De eerste weken van mei zouden het best zijn. Ik zit in de derde en zie hoe nauw het kan steken. Een stevige windvlaag eerder deze week heeft negentig procent van de bloesem laten verdwijnen. De laatste tien procent valt er af als je iets te hard langsrijdt. Maar gelukkig zijn de dorpjes en ciderboeren blijven staan.

Veruit het mooiste dorp is Beuvron-en-Auge, een soort filmdecor van vakwerkhuisjes met midden op het dorpsplein een Asterix-huis met een toprestaurant: la Pave d’Auge. Een Michelin-tent, maar niet van het soort waar je met regenton met bretels weer naar buiten loopt. En als je budget wilt, dan stop je gewoon bij een van de vele ciderboeren, waar je voor een liter cider 3 euro betaalt en voor een stuk kaas, ham of een broodje nauwelijks meer.

Maar is het ook een beetje lekker rijden hier? Het is dan wel een rondje, maar een circuit is het allesbehalve. Het schiet niet op en bomen belemmeren het zicht op de bochten behoorlijk. Het is tuffen, maar wel weldadig tuffen. Maar de route langs de kust is spannender.

Moules frites

Normandië is de streek van de appels, appelgerechten en appeldrankjes, zoals cider en calvados. Maar het belangrijkste gerecht in de kustplaatsjes is toch meestal gewoon moules frites. Mosselen met patat. Geen motorrijder kan zonder. Maar hoe eet je die dingen nou, vragen noorderlingen zich vaak af. Simpel. Met je handen. Met de eerste lege schelp vis je de andere mosselschelpen leeg en maak je er een zo groot mogelijke smeerboel van. Op je wijn of ciderglas hoort na afloop geen enkele reflectie meer te zitten. Mosselen die open zijn, niet openbreken en opeten, waar daar kun je een heel akelig gevoel aan overhouden. De groenten en het water waarin de mosselen zijn gekookt, zijn bedoeld om mosselen op smaak te brengen. Het is geen soep. En dat schijfje citroen moet je ook niet opeten. Dat is bedoeld om je vette vingers te reinigen. Eet ze.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Normandie.GPX”]