dinsdag 5 mei 2026
Home Blog Pagina 1351

Kawasaki Z900 RS en Z900 RS Cafe: eerste testritten

0

Volgende week rijdt testredacteur Ad de Kawasaki Z900 RS en de Z900 RS Café voor het eerst in Barcelona. De Z900 RS werd gelanceerd op de Tokyo Motor Show en de Z900 RS Café op de EICMA.

Kawasaki Z900 RS
De Kawasaki Z900 RS is een ode aan de Kawasaki Z1 uit de jaren zeventig. De tank, de koelribben en de gegoten verlgen als spaakwielen herkennen we uit duizenden. Het nieuwe frame is ontworpen om de ideale rijpositie te creëren voor de rijder, maar wel met behoud van de smalle vorm van de tank. De Z900 RS heeft een 948cc vloeistofgekoelde motor met 111 pk (82 kw) bij 8.500 toeren per minuut. Daarnaast is de Z900 RS voorzien van Traction Control, verschillende rijmodi en assisted slipperclutch. 

Kawasaki Z900 RS Café
De basis is de Z900 RS maar voor de liefhebber is deze motor alvast verbouwd in café-racer stijl. De Z900 RS Café heeft een ander, sportiever zadel, een lager en sportiever stuur en een ander kuipje. Ook is de RS Café voorzien van moderne snufjes, zoals ledverlichting, slipperclutch, radiaal gemonteerde remklauwen en een instelbaren vering. 

Heb jij brandende vragen voor Ad over de Z900 RS of over de Z900 RS Café? Stel ze dan gerust, en wij zullen ons uiterste best gaan doen om Ad jouw vraag te laten beantwoorden nadat hij beide modellen uitvoerig heeft getest! Stuur je vraag naar redactie@moto73.nl.

 

BMW HP4 Race 2017 Test

0

De laconiek uitgesproken, maar waarschuwend bedoelde woorden van de BMW-verantwoordelijke tijdens de aperitief van gisteren galmen nog na. ‘We hebben er vijf. En deze hele week vijftig rijders die ieder een uur hun gang mogen gaan. Dus als je crasht, is er een probleem’. Niet dat bij zo’n calamiteit een goed gericht nekschot me te wachten zou staan, maar de lat ligt wel hoger dan bij het proefrijden op een confectiemachine. BMW HP4 Race: 215 pk, 146 kilo droog, €80.000,-. Nog vragen?

Mochten er nog mensen rondwandelen die BMW een bedeesd, bedaagd imago durven aan te wrijven, dan zijn dat figuren die de stap naar de 21e eeuw nooit hebben gemaakt. De schokkendste afslag die de Beier in de recente geschiedenis namen, betrof die van de introductie van de S1000RR. Een superlatieve superbike, nota bene voorzien van knipperlichten, kentekenplaathouder en soortgelijke legale attributen. En nog altijd geldt dit lichtvoetige kanon met 199 pk bij een gierende 13.500 omwentelingen per minuut als de sportieve topfiets to have, een machine die je op circuit en de openbare weg in duizelingwekkende vervoering weet te brengen. Dat wordt maar weer eens bevestigd na tweemaal twintig minuten op de S1000RR, als generale repetitie op BMW’s nieuwste racer, de HP4 Race.

Zalmneus

Maar wat een droevig lot valt de S ten deel na één ronde (wat heet: na de eerste rechterbocht na de pitstraat!) aan boord van de HP op het Portugese Estoril. Ineens reikt je commentaar op de straatmotor van even daarvoor weinig verder dan ‘fijn ding, hoor’. Hoe bestáát dat nou?! Wat maakt een racer als de HP4 Race nou zoveel beter, anders? Verdient een S1000RR makkelijk een 9 op het rapport voor handelbaarheid, dan doe je de HP4 Race tekort met een 10. Want die verdient in een direct vergelijk een 14 of zo. Zie het als een neus van de zalm uit het diepvriesvak van de supermarkt; die delicatesse zal het onbetaalbaar zwaar moeten afleggen tegen een neus van een wilde zalm op knisperend haardvuur in een Zweedse blokhut.

In het high, higher, highest tech-segment (van culinair tot audiovisueel) maken finesses een wereld van verschil. En finesses ontwikkelen en toepassen kost onderzoek, energie en (dus) vooral geld, veel geld. Zomaar duur doen werkt tegen je. Zo bracht het exotische Bimota op de SB8R massief carbon onderstukken aan op het aluminium frame. Poepchic en goed voor de publiciteit, maar door enorm overbemeten luchtkanalen op de tank kon je geen bochten op de machine nemen zonder het gevoel te hebben je pronte moeke te omhelzen. Een ander risico bij het bouwen van een racer is dat deze dan praktisch altijd naar de smaak van één specifiek persoon is gevormd (vaak van het type ‘ijzervreter’) en louter ten behoeve van rondetijden, dus nukkig en ontoerekeningsvatbaar als een rodeopaard kan opereren. Dankzij de exclusieve aandacht voor viertaktmotoren in de racerij en het verdwijnen van de piekige tweetakt, zijn racers weliswaar gruwelijk strakker en sneller geworden, maar ook – paradoxaal genoeg – makkelijker rijdbaar. Wat voor machine ook, ‘bruikbaarheid’ en ‘gebruiksgemak’ zijn de absolute speerpunten van de motortechniek van het laatste decennium. Neem van mij aan dat ook jij moeiteloos een pitstraat kunt verlaten en je rondes kunt draaien op de machine van Valentino Rossi. Er hárd mee gaan is een ander verhaal.

Carbon frame

Aan een veelzijdig en machtig merk als BMW kun je het maken van een bruikbare racer wel toevertrouwen, waarbij ultra high tech allesbehalve wordt geschuwd. Pronkstuk is wel het volledig carbon fiber frame, waarvan het machinale productieproces geïnspireerd is op de expertise uit de (race)autoafdelingen. Inclusief alle metalen inserts weegt het slechts 7,8 kilo, vier minder dan het aluminium S-frame. Door de blanke laklaag zie je overduidelijk de koolstofvezel matten liggen. Wielen: carbon fiber voor veertig procent minder gyroscopisch effect, dus lichter insturen. Spatborden, plaatwerk: carbon fiber. Achtervork: eh, ‘gewoon’ aluminium. BMW claimt dat er teveel metalen verbindingsstukjes in de swingarm nodig zijn om het gewichtsvoordeel tegen de hoge kosten op te laten wegen. Uitlaatsysteem: volledig titanium, net als de zestien kleppen in het blok, met een carbon eindpijp. Het vederlichte kleppenspel zit overigens ook in de S1000RR en is niet bedoeld om het totaalgewicht te reduceren, als wel het toerental te kunnen verhogen. Bij de HP4 wordt het literblok helemaal gillend gek bij 13.900 tpm (zeshonderd toeren voor het toptoerental), het toerental waar de 215 paardenkrachten collectief uit hun hok komen. De exotische veerelementen stammen rechtstreeks af van het WK Superbike, net als de bloedstollend mooie en eveneens peperdure Brembo GP4 PR remklauwen met titanium binnenwerk.

Asfaltkorrels

Je voelt het, je ziet het dat je op een racer plaats hebt genomen. Hard zadel vooral, bedoeld voor die extra mespunt controle over het frame, de achtervering en bandengrip. Hetzelfde geldt uiteraard voor de vering, zo fijnbesnaard en reactief dat je de asfaltkorrels bij wijze van spreken in je stuurhelften voelt. En mocht een van de Pirelli-slicks onverhoopt en ondanks alle digitale vangnetten op drift raken, dan weet je dat iedere gram gewichtsbesparing helpt om jou en de motor te redden.

Een gewone sterveling (als ik) gaat het domineren en uitdiepen van een dergelijke machine in een uurtje tijd boven de pet. Op het beeldscherm laten ontelbare data zich aflezen, zoals de gereden hellingshoeken, gasstand, veeruitslag, remdruk enzovoort. En blijk je ergens te falen, kun je jezelf volledig verliezen in de multivoudige verstelbaarheid van wielbasis, balhoofdhoek en vorkoffset, nog los van de oneindige variaties in digitale modi. Dat is de charme, maar ook de terreur van hedendaags racen: volledig verdwalen in onbeperkte variaties.

Helemaal kinky én racy zijn de gekleurde knoppen links, te bedienen tijdens het racen, en bestemd voor tractiecontrole en motorrem. Een verdere (maar lang niet volledige) digitale inkijk leert dat functies als tractiecontrole zelfs per versnelling in te stellen zijn. Te complex en uitputtend tijdens deze drie gelegenheidsritten. Bovendien ben ik dermate digitaal onderlegd dat ik al de bibliotheek in moet om bij BMW’s ESA twee helmpjes met koffertjes op het dashboard te toveren…

Overrompelend

Het verzengende krachtsvertoon van de HP4 Race schreeuwt om de bekende clichés, al is de voelbare trekkracht ten opzichte van de 33 (!) kilo zwaardere, 16 pk mindere S1000RR niet eens het meest overrompelend. Al klinkt dat wat bizar aan boord van een machine die een twintigtal kilo’s lichter (!) is dan een brave Kawasaki Ninja 300, maar het vijfvoudige (!) aantal pk’s onder de leden heeft. Het geluid geeft een stuk meer racegevoel. De open Akrapovič garandeert een goddelijk kabaal met een spervuur aan luide explosies, afkomstig van de tractiecontrole. Die wordt op de racer aan de ontsteking geregeld en niet aan de gaskleppen, als op de straatfiets. Van de S1000RR zou je met onstekingsinterventie door de naverbrandingsklappen acuut de katalysator eruit blazen en de race track only HP heeft die natuurlijk niet.

Maar de werkelijke wetenschap op een racer te zitten en niet ‘zomaar’ op (zo ongeveer) de beste straatsuperbike van het moment, komt tot uiting in het rijwielgedeelte. Hoe volmaakt je een onwijs goede straatfiets ook afstelt qua vering en demping, toch komen op circuit twee concessies altijd weer naar voren. Veerelementen van een straatmotor hebben de ondankbare taak een enorm wijd inzetgebied (van toerisme over kasseien tot extreem circuitgebruik) in zich te moeten verenigen tegen een niet al te exorbitant kostenplaatje. Pas als je de HP4 Race hebt gereden, merk je op de S1000RR enige wolligheid in de veerelementen wat iets minder gripgevoel en algehele feedback geeft. Het kan ook niet anders voor allround materiaal dat over de hele linie erg goed moet zien te presteren.

Race only

Op de HP4 Race voel je je gezeten in een achtbaankarretje dat met 78 toeren wordt afgedraaid. Het voelt honderd procent onverzettelijk, snaarstrak en scherp als een chirurgenmes. Het contact met het wegdek kent geen grenzen, ook niet als de race-Brembo’s bij hun lurven worden gevat. Als klap op de vuurpijl blijkt ook de algehele balans van de HP4 Race zo fenomenaal, dat je het gebrek aan verlichting en kenteken nog bijna zou betreuren. Maar wellicht is het beter dat de HP4 Race geen plek verdient op straat; wat voor magnifieke racer zou BMW dan weer moeten bouwen?

Dit vindt Joost

Dus jij vindt €80.000,- een fors bedrag? Weleens gezien hoe liefde- en inspiratieloos droevige rijtjeswoningen in mekaar worden geflanst waar vervolgens schaamteloos een ton of drie-vier voor gevraagd wordt? Zo zullen de zes kersverse Nederlandse eigenaren van een HP4 Race ook geredeneerd hebben. Maar de in een serie van 750 stuks gebouwde HP4 Race is zoveel meer dan een machine voor de heb. In techniek is hij oogverblindend, om te racen een droom met oneindig veel mogelijkheden om de machine en jezelf te verbeteren. Dat laatste snijdt wellicht nog het meest hout: de HP4 Race zorgt ervoor dat je altijd de illusie behoudt een coureur te zijn. En dat is een onbetaalbaar gevoel.

BMW G 310R 2017 Test

0

Ook BMW heeft een ‘min of meer’ 300 cc motor: de G 310R. Hij werd voor oktober vorig jaar beloofd, maar kwam pas dit voorjaar. Was de BMW het lange wachten waard?

Tekst Mink Bijlsma, foto’s Henny B. Stern

De BMW G 310R is niet alleen de eerste eencilinder BMW motorfiets met een cilinderinhoud minder dan 650 cc sinds halverwege de jaren ’60, maar ook één van de weinig motoren waar de cilinderkop is omgedraaid: inlaat aan de voorzijde en uitlaat aan de achterkant. Feitelijk zie je deze constructie alleen maar bij de achterste cilinder(s) van V-blokken (H-D, Ducati, enzovoorts). Het lijkt vreemd dat dit niet vaker gebeurt, want er zitten zeker voordelen aan: het is de ideale manier om de aangezogen lucht koel (dus zuurstofrijke) te houden en de rijwind direct het aanzuigtraject in te blazen voor een zo goed mogelijke cilindervulling. Maar schijn bedriegt, want het nadeel is dat de toch al hete uitlaatbochten niet door rijwind gekoeld worden en veel warmte uitstralen op een plek waar je dat als rijder niet wilt, zéker in de zomer niet. Maar omdat een 34 pk motor minder warmte genereert dan een 160 pk viercilinder in lijn, durfden ze het bij BMW aan. Of dat te veel gewaagd is?

Keurig en net

Het uiterlijk van BMW´s jongste telg is zeker niet gewaagd, meer behouden binnen de grenzen van een moderne, strakke en scherpe snit. Weinig om euforisch van te geraken, weinig om je aan te storen ook. Niets overdreven mooi gemaakt, niets waar ze zich van af hebben gemaakt. De goudgele UPS voorvork houdt aan de voorkant een fraai gespaakt wiel in het gareel, een radiaal geplaatste remklauw van Brembo´s ‘bijmerk’ Bybre met een set dubbele zuigers zorgt voor de vertraging. Het plasticwerk verhult netjes een brei aan onderdelen en een wirwar van draden achter het balhoofd, de schetsplaten voor de voetsteunen zijn echt en geen fake/covers, de spiegels niet van dat goedkope standaard spul. Hetzelfde geldt voor de achtervork die er niet uit ziet alsof dit de manier is hem zo goedkoop mogelijk te maken. Een klein schermpje omhult een simpel en volledig digitaal instrumentenpaneel, maar je mag het geen windscherm noemen, daar is hij echt te klein voor. Hetzelfde geldt voor de kentekenplaat/achterlicht/richtingaanwijzerhouder die je niet als achterspatbord mag betitelen. Sportief staat het wel, schoon en droog houden zal het niet.

Made in India

Als je de voor de Aziatische en Zuid-Amerikaanse markt bedoelde, maar hier voor rijbewijs A2 bezitters geschikte en in India gebouwde eencilinder start, merk je natuurlijk helemaal niets van de omgekeerde techniek. Al hadden ze de krukas tegengesteld laten roteren. De G 310R loopt net als elke eencilinder in deze klasse: onopgemerkt, mechanisch stil, rustig en met weinig vibraties. En… moet toeren draaien om enigszins tempo te maken. Laat hij daar dan ook geen enkele moeite mee hebben! Net zo gretig als hij ergens achter de 10.000 omwentelingen in de begrenzer schiet, is hij gedwee en braaf op 2.000 tpm te houden. Een klein en meesterlijk blokje dat keurig afgesteld staat en vlekkeloos loopt onder alle omstandigheden, met één uitzondering: wanneer je héél rustig van je plek wilt, de ultra licht te bedienen koppeling iets te ongecontroleerd op laat komen, wil de kleine BMW nog wel eens iets te makkelijk af slaan. Als we dan gemakshalve het relatief stevige verbruik even buiten beschouwing laten, kun je verder alleen maar vol lof zijn over deze geheel nieuwe eenpitter.

Relaxte geometrie

Het is net zo verrassend als verheugend vast te stellen dat de geometrie en dan met name de driehoek stuur-zadel-voetsteunen ideaal is voor de langere Aziaat en Zuid-Amerikaan. Voor Europa betekent dit dat de gemiddelde jongeling ook nog uitstekend past op deze blauw-witte. Zelfs met 1.83 m. kun je nog goed uit de voeten, met gemak zijn ze aan de grond te krijgen. De zit is lekker rechtop, de voetsteunen staan vrij ver naar voren zodat de zithouding prima is, zo lang je maar niet op snelwegen maximale snelheden (of meer: we hebben 158 km/u op de teller geklokt) rijdt. Dan wordt de strijd tegen de wind een hopeloze. Maar hé: daar is de G 310R niet voor bedoeld, daarvoor is het wachten op de G 310 GS. De stad en directe omgeving is het domein van de semi-Beier. Afgetankt weegt de G 310R 158,5 kilo. Samen met de smalle 110 voor- en 150 achterband zorgt dat voor de wend- en manoeuvreerbaarheid van een bromfiets. Maar dan een bromfiets met 34 pk en hoogwaardige stabiliteit. Al met al maakt de G 310 R een meer dan volwassen indruk, die in niets doet denken aan een product van Indiase makelij. Het lange wachten meer dan waard.

Kawasaki Versys-X 300 2017 Test

0

Het lijkt erop dat fabrikanten pas dit jaar hebben ontdekt dat ook jongeren en/of minder gefortuneerden in zijn voor een avontuurtje, getuige de V-Strom 250, BMW G 310 GS en Versys-X300. Maar biedt deze beperkte cilinderinhoud de nodige uitdaging en kwaliteit voor een ontdekkingsreis? Of stokt de avonturendrang bij de lokale Zwerfkei? Texel vormt het decor voor een dagje nippen aan de Versys-X300.

Nee, dan Wiljan Hooijer die in Promotor nr. 8/2016 verhaalde over zijn trip van Maleisië naar Ermelo per Kawa KLX 150 cc! Deze jonge bink ontpopte zich pas echt tot ambassadeur voor het grote avontuur per kleine motorfiets. Hij onderschreef bij uitstek de aloude stelling dat ongeacht de motorfiets, je altijd een weg vindt, zolang de wil er maar is.

Uit ervaring

Wat betreft de 296cc staande twin van de benjamin-Versys kan ondergetekende ook een potje meepraten. Een jaar of zeven geleden kreeg ik een Ninja 250cc tot mijn beschikking (voorganger van de huidige Ninja 300) voor een half jaar. Die machine bleek een openbaring, zeker omdat mijn woonplaats toen nog in de Franse Pyreneeën lag. Niet zozeer de handelbaarheid en het flitsende stuurgedrag maakten (vanzelfsprekend) indruk, als wel de kwartiliter twin zelf. Viermaal wisten rijder en machine de enkele reis van 1.340 kilometer naar Amsterdam in een dag af te leggen bij een constante snelheid van 160-170 km/u, dus tegen topsnelheid en het rode gebied van 13.000 tpm aan. Geen centje pijn voor de rijder (goed comfort, aangename windbescherming, genoeg zitruimte), noch voor de dappere machine die niet onder de 1 : 22 te krijgen bleek en geen klapje of pufje verkeerd gaf. Niet alleen een verbluffende ervaring, maar tevens een oogopener dat je met zo’n kleintje even volwassen kunt rijden als met een vet, prijzig machien. Met die wetenschap en de allroad-populariteit in het achterhoofd, kan de Versys-X300 al bijna niet meer mislukken, toch?

Volwassen

Hoewel familie van de Versys 650 en 1000, verdiende de 300-versie een compleet nieuw rijwielgedeelte om aan de compactere blokmaten en het lagere totaalgewicht (van 175 kilo rijklaar) te voldoen. Het resultaat mag er zijn met de meest frisse verschijning van de Versys-collectie, gave spaakwielen en een knappe afwerking. Met zijn 19 inch voorwiel, royale veerwegen en algehele layout, zou het van de zijkant bezien door kunnen gaan als een vernieuwde Versys 650, ware het niet dat de slanke bouw het gebrek aan motorisch vlees verraadt. Volgens de laatste mode wordt beknibbeld op zadelbreedte ter hoogte van de tank om zadelhoogte te maskeren, maar niettemin blijft de Versys-X300 een hoge motor. Mensen met lengte zullen dat vertalen met ‘volwassen’, minder ervaren kortbenigen zullen het kunnen beschouwen als afschrikwekkende handicap. Maar ben je aan boord, smelt het plaatwerk aan je bovenbenen en voelt de zithouding volstrekt natuurlijk achter de complete cockpit, de niet-verstelbare ruit en de – voor deze cilinderinhoudsklasse – reusachtige tank met 17 liter inhoud. Met zoveel ergonomische vanzelfsprekendheid tussen de benen en in je knuisten, valt de hardheid van het zadel extra op. Aan het einde van de dag blijkt je achterwerk nog redelijk gespaard, maar dat is niet wat je bij de eerste opstap zou verwachten. Een merkwaardige zeldzaamheid, zo’n stugge buddyseat. Ruimte voor een passagier levert het meubilair wel weer volop.

Accesoires

Het raamwerk voor je neus kent geen hoogteverstelling, maar biedt een prima compromis tussen bescherming en design. Een eerste indruk over de schaarse snelle Texelse wegen leert dat duizelingwekkende turbulenties gelukkig uitblijven, al zullen weinigen de Versys-X inzetten voor snelwegritten op hoogst illegale snelheden. Het dashboard oogt compleet en luxe (‘volwassen’ is wederom een verleidelijk woord…) met een heerlijk analoge toerenteller en de versnellingsindicator als nuttigste infobronnen. Deze laatste is nu in de cockpit geïntegreerd, dus niet meer de potsierlijke last minute toevoeging als op de dikkere, oudere broeders. Behalve op ruitverstelling, is ook beknibbeld op eventuele verstelling van de stuurhendels en op de standaard montage van een middenbok. Dat klinkt krenterig van Kawasaki, maar zou de Versys-X stiekem weer duurder maken in de showroom. Vanuit de fabrikant bezien mag de kostprijs van – ik noem maar wat – een tientje voor een middenstandaard een peulenschil zijn op de totale begroting, maar als ze wereldwijd beogen een half miljoen van dergelijke fietsen te produceren, dan wordt het al een ander verhaal. Bovendien leert de stamvader aller allroads, de BMW GS, dat accessoires een goudmijn vormen binnen dit segment. Zolang de klant maar gedwee betaalt.

Verrassing!

Heb je eerder een dikke allroad gereden, dan overkomt je op de Versys-X300 bij een druk op de startknop een merkwaardige verrassing. Overdonderd als je bent door de volwassen formaten en tamelijk riante uitrusting, steekt het vederlichte, tevreden spinnende geluid van de 296 cc staande twin schril af bij het aanvankelijke stoere gevoel. Waar je een diepe roffel of stevige dreun zou verwachten, klinkt het trillingsarme motorblok zo poezelig en gedempt, dat je bij een stoplicht in druk stadsverkeer jezelf er soms van moet vergewissen of het motorblok überhaupt aan staat. Vervolgens opereert de geassisteerde koppeling zo perfect en soepel, dat je jezelf kunt afvragen of er wel een binnenkabel is aangesloten op het blok. Zeker het motorgeluid en –gevoel mogen volstrekt uncool zijn, positief gesteld blinkt de hele machine uit in een onovertroffen vriendelijkheid. De ‘dual throttle’ injectie, zesbak en vermogensopbouw opereren allemaal volstrekt naadloos en rimpelloos, alsof ieder onderdeel van de machine omhuld is door een fluwelen coating.

Gehakt

Die algehele vriendelijkheid geldt zeker ook voor het rijwielgedeelte. Voor ieder gebruik staat de stijfheid van het frame buiten kijf, zowel in bochten als rechtdoor, al wil hooguit de dikke 41 millimeter voorvork wat torderen onder het ‘geweld’ van de enkele schijfrem. De aanhalingstekens zijn je opgevallen, want indrukwekkend voelt de remvertraging van de dubbelzuiger klauw op de 290 mm schijf bepaald niet. Tegelijkertijd haal ik hier een mantel der liefde uit de garderobe, want in de praktijk blijk je op de Versys-X geen behoefte te hebben aan agressievere remmen, net zomin als dat ingewikkelde verstelbare vering een meerwaarde zou zijn. De voorrem past naar mijn idee juist goed binnen de frisse en fruitige charme van deze 300. En anders valt er met de kranige achterrem goed bij te remmen.

Komen er bochten in zicht, kun je iedere aanvankelijke argwaan jegens de IRC Trail Winner-banden laten varen. Zeker in de allroad-wereld wordt oneindig gezwetst over bandenkeuzes en speelt merktrouw een grote rol, maar de IRC’s hoef je zeker niet op de showroomvloer al te laten vervangen door een merk van jouw voorkeur. Op koud, vochtig wegdek maken de rubbers al indruk – al heb je natuurlijk geen pk-pakhuis onder je -, maar in het droge opereren ze ronduit gripvol, gecontroleerd en vertrouwd. Dat ik met ‘mijn’ Ninja 250 in Spanje nog een drie uurs endurance heb geracet met dezelfde set banden die daarna nog vele, vele duizenden kilometers vooruit konden, spreekt ook in het voordeel van IRC. Onder alle omstandigheden voelt het stuurgedrag van de Versys-X okselfris, gecontroleerd en vrolijk, zowel in de stad als op snelle stuurwegen. Zou de Versys-X300 theoretisch uitgerust zijn met het blok van de 650, maakte hij op bergwegen regelrecht gehakt van een zware, breed geschoeide Versys 1000.

Hitsige mindset

Het zal een punt van discussie blijven, de montage van een 40 pk lauwe krachtbron in een dergelijke volwassen machine. Of liever: een kwestie van smaak. Kijk, op een compacte, naakte Z300 weet je vooraf hoe de vlag erbij hangt en dat je met een giftig machientje te maken hebt voor jeugdig scheurwerk. Maar de Versys-X (en waarschijnlijk ook de V-Strom 250 en G 310 GS) geeft een heel nieuwe dimensie aan het begrip allroad en toeren, doordat er simpelweg niet veel gang in zit. Daarbij komt dat Kawa’s twin – vergeleken bij de concurrerende eencilinders – flink op zijn staart getrapt moet worden om het maximale eruit te halen. Topkoppel en –vermogen liggen immers respectievelijk bij een torenhoge 10.000 en 11.500 tpm. Bij 120 km/u in zes schreeuwt het blok (op gedempte toon) een liederlijke 9.000 toeren en dat voelt vreemd en niet echt binnen het kader van rustgevend toerisme. Let wel, het blok kan het hebben en draait kraakhelder, alleen moet je erg wennen aan dat naar hoge toeren hunkerende karakter. Je kunt best stevig opschieten met de Versys-X300 en flink veel verkeer mijlenver achter je laten, maar je moet behept zijn met een nogal hitsige mindset. Weet je die blijvend te verankeren in je geest, ben je vrienden voor het leven met de X. Zo niet, zal je op termijn toch gaan uitzien naar een zwaarder geschapen krachtbron.

Dit vindt Joost

Het siert Kawasaki op te komen voor de minderbedeelde motorrijder die voor zijn centen toch een serieuze, nieuwe motorfiets wil rijden. De Versys-X300 is dan ook een verfrissende, jeugdige wind in het bestaande allroad-segment waar de (naderende) vergrijzing de dienst uitmaakt. De 300 oogt erg goed, voelt degelijk en toch vrolijk, wat de kale verkoopprijs van €6.699,- zeker rechtvaardigt. Hang je hem vol met accessoires, dan kruipt de prijs toch al voorzichtig richting de basis-Versys 650 van €8.499,-. Kun je blijvend leven met het hoogtoerige karakter van de Versys-X300, dan biedt deze benjamin zeker zoveel rijplezier als zijn zwaardere broers.

Ducati Supersport 2017 Test

0

Op veel supersports zou de rit over deze bochtige weg ergens in de heuvels rond Sevilla, Zuid-Spanje, alles behalve prettig zijn geweest. De laatste kilometers is het wegdek, dat het grootste deel van de rit nog superstrak was, overgegaan in iets dat eerder geschikt is voor adventure bikes: hobbelig, vol gaten en glad als gevolg van gravel en regen.

Een met steenslag bevuilde gatenkaasweg kun je amper nog de biotoop noemen waarin een Ducati zich thuis voelt. Toch gaat de SuperSport opmerkelijk goed om met deze verraderlijke omstandigheden. In elk geval maken het relatief hoog geplaatste stuur en de vering dit deel van de rit een stuk aangenamer dan op veel andere motoren het geval zou zijn geweest. De plooibare vering en de gedoseerde vermogensafgifte van de 937cc L-twin maken de SuperSport, in combinatie met de tractiecontrole en het ABS-systeem, heel makkelijk om mee te rijden.

Onwaarschijnlijk gemakkelijk zelfs: dat wil zeggen wanneer je de SuperSport beoordeelt op zijn naamgeving en strakke vorm met volle kuip. En wanneer je van deze L-twin verwacht dat het een hardcore, stevig op de weg liggende krachtpatser is, net als de vergelijkbaar vormgegeven Panigale. Maar de SuperSport heeft een subtiel verschil: deze Ducati is ontwikkeld voor zowel woon-werkverkeer als sportief en pittig toeren. De Ducati SuperSport is een veelzijdige en vriendelijke motor voor liefhebbers die het om wat voor reden dan ook niet meer zo hebben met de supersports uit Bologna.

Meer toer, minder sport

In dat opzicht zal de modelnaam SuperSport een beetje verwarrend werken. Maar vergeet niet dat de naam SuperSport wel degelijk een plaats heeft in de traditie van Ducati. Neem de befaamde 750 en 900 Super Sport uit de jaren zeventig van de vorige eeuw, dat waren compromisloze straatracers. Maar toen het model eind jaren tachtig nieuw leven werd ingeblazen, was de 900 Super Sport een relatief eenvoudig en voordelig alternatief met luchtkoeling en L-twin naast de zeer sportieve achtkleps 851 Superbike. De nieuwe SuperSport is daarentegen veel verfijnder, maar heeft een vergelijkbare rol als een meer op de weg afgestemd en betaalbaar alternatief, naast de 959 en 1299 Panigale.

De nieuwe, strakke vorm met volle kuip van de motor heeft zeker de verfijnde uitstraling van een Panigale, ook al door het verlaagde scherm, het slank uitgevoerde zadel en het zwart afgewerkte L-twin blok. Maar bij nadere bestudering kom je er ook achter dat je de kuipruit kunt verstellen, waardoor het ook echt dient als een rijwindbeschermer. En het clip-on stuur, dat boven de kroonplaat met bouten is bevestigd, staat enkele centimeters hoger voor een iets meer rechtere zithouding vergeleken met de pittige zithoek van de Panigale.

Net zoveel pk als de 916

De SuperSport kun je kopen in twee uitvoeringen. Het standaardmodel, afgewerkt in het traditionele rood van Ducati met zwarte wielen, heeft een volledig instelbare Marzocchi-voorvork en een Sachs achterschokbreker met instelbare veervoorspanning en uitgaande demping. De luxe SuperSport S, die geleverd wordt met hetzelfde lakwerk of in het wit met rode wielen, heeft volledig verstelbare Öhlins-vering voor en achter, bevat een tweewegs quick-shifter en een op de kleur afgestemd zadelcover. Daar moet je dan wel weer extra voor betalen.

Ook in andere opzichten zijn de twee modellen identiek; beide worden geleverd met het Testastretta 11°-blok, dat je ook aantreft in de Hypermotard en de Multistrada 950. Inwendig is het vloeistofgekoelde, desmodromische achtkleps blok onveranderd, maar de SuperSport heeft wel een nieuw ‘ride-by-wire’ systeem en een uitlaat met dubbele demper gekregen. Als het maximumvermogen van 113 pk bij een toerental van 9.000 tpm je niet echt spectaculair in de oren klinkt, bedenk dan dat de legendarische Ducati 916 Superbike ongeveer hetzelfde vermogen leverde. En dat was in die tijd meer dan voldoende…

De cilinderkoppen en carters zijn verstevigd, waardoor het blok, dat gemonteerd is in een Trellis vakwerkframe van stalen buizen, een dragend deel is in het rijwielgedeelte. Het frame lijkt sterk op dat van de Monster 821, maar er zijn ook aanpassingen waardoor de onderdelen, waaronder de koplampconstructie, direct op het frame konden worden bevestigd. De eenzijdige aluminium swingarm is eveneens afkomstig van de Monster, waarbij een schokdemper diagonaal aan de rechterkant van de motor is aangebracht.

Instelbaar windscherm

De SuperSport is niet zo agressief vormgegeven als de Panigale, maar oogt nog altijd strak en sportief. Die indruk blijft bestaan als ik op de Ducati klim en het rode lakwerk bekijk, dat overloopt in de kuip. Net zo strak – en verzorgd – is het LED-instrumentenpaneel met digitale snelheidsmeter, een analoge kilometerteller en een rij waarschuwingslampjes. Daarboven bevindt zich een kuipruit dat je net als dat van de BMW R1200RS, 50 mm omhoog of omlaag kan zetten, simpelweg door het uit te trekken of in te drukken.

Gelet op de strakke wegligging van de SuperSport, ben ik maar wat blij dat ik de testrit kan beginnen op een standaard Ducati (de circuittest deed ik op een S-model). Terwijl een groep Italiaanse journalisten in allerijl wegspuit over het vochtige wegdek, start ik de rit maar eens in de Urban rijmodus, wat de meest bescheiden instelling is. Maar dat gaat me wat te traag. Zelfs op een nat wegdek is het behoorlijk saai. Dus schakel ik over naar Touring, waardoor ik de beschikking krijg over het volledige vermogen en een minder direct reagerend gashendel.

In de Touring – en later in de fellere Sport-modus – wordt de Ducati SuperSport pas echt leuk. Vanuit nagenoeg stationair trekt de Ducati soepel op en blijft dat in de lage toerentallen doen. Door het brede koppel rij ik zonder problemen over het vochtige wegdek. Ducati stelt dat de Testastretta 80% van zijn maximale koppel produceert bij slechts 3.000 tpm en 90% bij een toerental tussen 5.000 en 9.000 tpm. Lui rijden behoort dus zeker tot de mogelijkheden.

Dat gevoel blijft bestaan als ik de SuperSport enthousiast vooruit dwing. Zelfs bij minder dan 6.500 tpm, een toerental waarbij het piekvermogen wordt gegenereerd. De motor trekt heel gelijkmatig door, ook bij een toerentalbereik in de buurt van de 10.000 toeren. Bij dat toerental wordt het in de spiegels zo nu en dan wel wat wazig. Als zich lange rechte wegen aandienen, staat er na een korte, krachtige acceleratie al snel 175 km/u op de teller. En de topsnelheid van 230 km/u bereik ik weldra, waarna ik gedwongen gas moet terugnemen.

Op de snellere delen van de route ben ik ook maar wat blij dat je de bescherming tegen de rijwind kunt verbeteren door het scherm omhoog te zetten. Dit kan eenvoudig tijdens het rijden (niet bij hoge snelheden!). Zelfs in de hoogste stand zit dan alleen mijn borstkas uit de wind, de turbulentie rond de helm is daarentegen geen probleem. Het is jammer dat je het scherm slechts over een afstand van 50 mm kunt verhogen en dat het scherm nogal aan de kleine kant is. Maar iets is beter dan niets en dat maakt het scherm dan ook heel praktisch.

Sportiever dan Panigale?

Hoewel de Ducati niet de rijwindbescherming biedt die je van een wat sportieve toermotor zou verwachten, is het goede nieuws wel dat de motor over heel sportieve eigenschappen beschikt. Wat je meteen merkt wanneer de wegen bochtiger worden. De SuperSport stuurt natuurlijk niet zo scherp de bochten in als een 959 Panigale. Met een gewicht van 210 kg weegt hij ook 10 kilo meer en is de wielbasis van 1.478 mm 47 mm langer. En met een veerweg van 130 mm voor en 144 mm achter is de SuperSport ook royaler geveerd dan de Panigale, die goed is voor 120 mm voor en 130 mm achter. Maar dat maakt ‘m ook iets comfortabeler.

Toch liggen de twee Ducati’s qua waarden niet zo gek veel uit elkaar. Daarbij komt dat de stuurgeometrie van de SuperSport zelfs iets sportiever is dan die van de 959. Net als de kleinere Panigale beschikt ook de SuperSport over een relatief slanke, 180 mm brede achterband – een Pirelli Diablo Rosso III – die veel grip biedt op een vochtig wegdek. Zonder enige twijfel draagt de Pirelli bij aan het lichte, nauwkeurige stuurgedrag, waarmee je de SuperSport zo makkelijk de veelal blinde bochten in de heuvels rond Sevilla instuurt.

In een paar – hobbelige – situaties moest ik wel wat meer druk uitoefenen op het stuur om de SuperSport door een scherpe haarspeldbocht te sturen. Dat kwam waarschijnlijk doordat ik niet hard genoeg durfde af te remmen in de glad ogende bochten, waardoor ik te weinig gebruik maakte van de veerweg van de Marzocchi-voorvork. Op een droog wegdek zou ik de voorvork meer hebben aangesproken. Natuurlijk had ik ‘m ook kunnen afstellen, door de veerweg voor wat te verminderen (of de veerweg achter wat verhogen), zodat je bocht nog wat beter kunt ronden.

In feite kon ik dus best hard remmen wanneer het nodig was en niet alleen door de krachtige Brembo’s (320 mm remschijven in combinatie met Monobloc remklauwen). Ook door het efficiënte Bosch ABS-systeem, dat automatisch schakelt tussen de drie beschikbare instellingen afhankelijk van de gekozen rijmodus, kun je enorm vertragen. Al even efficiënt is de achtvoudig instelbare tractiecontrole, dat een heel zeker gevoel geeft. Hoewel het een relatief eenvoudig systeem is op basis van wielsnelheid in plaats van een geavanceerd controlesysteem als IMU werkte het zeer goed. Ik neem aan dat het voordeel van een 1299 Panigale S – of nog beter een Multistrada 1200S, vanwege de semi-actieve vering – duidelijk zou zijn geworden wanneer ik een stuurfout had gemaakt waardoor zelfs de gewillige vering van de SuperSport de hobbels niet had kunnen gladstrijken.

Na een minuut of tien hobbels en bobbels krijg ik ondanks de rechte zithouding toch last van mijn polsen. Op de meeste sportmotoren zou dat vast erger zijn geweest. De SuperSport lijkt wat dat betreft comfortabel en is dat in andere opzichten ook: hij biedt voldoende beenruimte – vergelijkbaar met de Monster 851 en meer dan een Panigale – waardoor ik ondanks mijn lengte niet totaal verkrampt van de motor stap. Dit ondanks dat de zithoogte met zijn 810 mm 20 mm lager is dan de 959. Bovendien is het zadel smal genoeg om de motor ook bij lage snelheden goed te kunnen manoeuvreren.

Wat wel wat meer had gemogen, is de stuuruitslag. Met name in de stad zou dat maar wat praktisch zijn geweest. Maar volgens Ducati voldoet de SuperSport aan hun ‘woon-werk specificaties’. Wel is het jammer dat in de benzinetank maar 16 liter gaat. De actieradius, volgens het door Ducati geschatte verbruik van 6l/100, bedraagt een ruime 260 km. De onderhoudsintervallen zijn dan wel weer lekker lang, met 15.000 km voor een kleine beurt en 30.000 voor de desmodromische klepbediening.

De leverbare accessoires zullen ook aanzienlijk bijdragen aan de uitstraling van de SuperSport. Het Touring Pack, met handvatverwarming, een groter ‘smoke’ scherm en de behoorlijk grote zijkoffers met een inhoud van 22 liter, lijkt zeer praktisch. Daarnaast zijn er opties voor een verhoogd of verlaagd zadel plus handgrepen waardoor de duo prettiger op het zadel zit, met voldoende beenruimte. Je moet wel in ogenschouw nemen dat dit gerekend is volgens de normen zoals die gelden voor sportmotoren. En dan is er nog een groot aantal sportieve extra’s, waaronder carbon en aluminium onderdelen en een Akrapovic-uitlaatsysteem met dubbele, onder het zadel geplaatste dempers.

Dit vindt Roland

De accessoires zullen de prestaties van SuperSport niet tot nog grotere hoogten opstuwen en ze zijn ook niet bepaald goedkoop. Maar door de accessoires dicht Ducati wel het gat dat tussen de middelgrote Panigale en de Multistrada gaapt. En dat is precies wat Ducati voor ogen staat: datgene bieden wat veel Ducati-liefhebbers het beste van twee werelden vinden. Sport(toer)motoren van Ducati worden van oudsher met het hart gekocht en niet met het hoofd. De SuperSport zorgt voor deze motorrijders voor voldoende opwinding om het hart sneller te laten kloppen en is daarbij ook nog eens een praktische keuze.

Getest: Kawasaki Versys-X 300

0

Back to basic
Die kleine X 300 is het laatste familielid van de Versys-familie volgens Kawasaki, na de Versys 1000 en 650 dus. Waar die twee grotere broers duidelijk wat van elkaar weg hebben qua uiterlijk, is dat bij de jongste telg minder het geval. Een iets minder uitgesproken design maar nu ook weer niet basaal als het om onderhuidse handigheidjes gaat. De paralel tweecilinder is namelijk gewoon voorzien van een slipperclutch en –assist. Koppelen doe je dus bijna letterlijk met je pink. Dat doe je dan ook redelijk vaak met zo’n lichte motorfiets. Zijn maximale trekkracht van liefst 25,7 Nm behaal je pas bij 10.000 toeren (maximaal vermogen zelfs bij 11.500). Voor je de straat uit bent zit je dus al haast in zijn vijfde versnelling, al is dat voor op de smalle weggetjes van Texel meer dan voldoende. Daarbij is de Versys door zijn maximale vermogen dat nipt onder de 30 kW blijft steken tevens geschikt voor de A2-rijders onder ons. Toch is hij juist ook voor de iets doorgewinterde rijder interessant. Is het simpelweg niet door zijn aardige prijs van €6.699,-, dan misschien wel door dat speelse karakter wat hij bezit. Misschien dat het de rechte zithouding is, of het gebrek aan een overvloed aan informatie op het dashboard – maar op de Versys-X voel je je weer een paar jaar jonger.

Generatie X
Terugkomende op die crossende brozems. Hoewel de wegen op het waddeneiland er goed bijliggen, wil je met een motor met een X-aanduiding toch wel even weten wat zijn offroadkwaliteiten zijn. Een uitstapje door een veldje geeft vertrouwen. De lange wielbasis van net geen anderhalve meter en grondspeling van 18 cm zijn niet bijzonder ruim voor het extremere offroad-gebruik, maar voor een zandpad hier of daar hoef je niet bang te zijn. Met dieper zand blijkt hij wel moeite te hebben merken we, aangekomen bij de vuurtoren aan de Noordzijde van het eiland. Dat is natuurlijk ook niet gek, want met 175 kilo afgetankt heeft hij nu eenmaal niet al te veel in de schaal te leggen om een beetje grip te krijgen in die mulle ondergrond. Nee, houdt het beter bij vastere ondergrond om jezelf te verplaatsen. Het asfalt in de stad bijvoorbeeld. Want daar is toch waar deze Versys waarschijnlijk helemaal gaat uitblinken. Door zijn lage gewicht en relatief kleine formaat, past hij uiterst goed in het drukke verkeer in de binnenstad. 

Conclusie
De jongste Versys uit de familie kan daarom wel eens een veelgeziene gast worden op de Nederlandse straten. Hoewel A2-motoren nog veelal worden gemeden door meer ervaren rijders, zie ik toch juist bij die rijders een toekomst voor de Versys-X. Zijn lichte sturen en gretige parallel twin zorgen al bij de eerste meters iedere keer voor een glimlach op je gezicht. Hij wil werken, dat merk je aan alles, al is hij daar mischien weer net té licht voor. Maak je een uitstapje over zandwegen dan redt  hij zich met aangereden zand. Zodra het mul wordt krijgt hij het door zijn lage gewicht lastig. Nee, misschien is de X nu eenmaal beter geschikt voor gebruik in drukker verkeer. Daar komt dat lage gewicht namelijk alleen maar beter van pas tusse de auto’s in. Hoog op zijn poten, maar toch nog makkelijk je voet aan de grond kunnen krijgen: wat wil je eigenlijk nog meer van een motor in de stad. De Versys-X 300 valt vooral te roemen om die veelzijdigheid. En met 17 liter benzine in de tank kun je daar en flinke afstand van genieten, al is het zadel aan het eind van die rit wel de reden om even pauze te nemen. Al met al moet de Versys-X vooral bekeken worden vanuit die funfactor die hij bezit. Ieder ritje is leuk. Valt het dan toch een keer tegen, dan sla je gewoon het eerste beste veld in om een beetje te crossen, zoals die brozems in de jaren 50 ook al deden met hun lichte bromfietsen. Of je denkt gewoon even terug aan de aankoopprijs, want daar wordt je natuurlijk helemaal blij van.

Tekst: Tom van Appeldoorn, foto’s: Kawasaki

 

[justified_image_grid ids=25619,25620,25621,25622,25623,25624,25625,25626,25627,25628,25629]

Zweden in het wild: de Wildernisweg

0

In een uithoek van Zweden ligt een wildernis waar de bevolkingsdichtheid minimaal is en de berendichtheid maximaal. Er doorheen loopt een van ‘s lands mooiste wegen. Jan Dirk Onrust gaat op zoek naar beren op de Wildernisweg.

Begin mei trekken zware Volvo-sneeuwschuivers een donkere streep over de witte Stekenjokkfjell. Dan pas is de Wildernisweg echt geopend, al moet het eerste verkeer langs een metershoge sneeuwwal rijden.

De Wildernisweg ligt niet eens zo noordelijk – in Jämtland, halverwege Zweden, bijna 400 km onder de poolcirkel – maar hij heeft wel de hoogste pas (876 m). En daar schieten de temperaturen ’s winters makkelijk onder de -20. Vandaag is het warm. Het is half augustus en ik ben net Strömsund ingereden, waar de Wildernisweg begint. Om er te komen reed ik een paar honderd kilometer over het Zweedse platteland. Eeuwig zingende bossen met weilanden ertussen en daar een groepje roodbruine huizen bij.

Het voorbeeldland

Als ik het zie, moet ik aan Emil denken. De kwajongen uit de kinderserie van Astrid Lindgren woonde ook zo. Op de Joop den Uyl-school te Zaandam moesten we daar elke dinsdagmiddag naar kijken. Vermoedelijk omdat er een sociaaldemocratische boodschap in zat verstopt. Of omdat het uit Zweden kwam. Zweden was toen het voorbeeldland voor onze onderwijzers. Een soort DDR was het bijna, maar dan blij, rijk en vrij. Of wij sociaaldemocraatjes van de serie werden, betwijfel ik. Wel gingen we een beetje van Zweden houden – van het landschap en van de vriendelijke mensen. Ik heb dat nog altijd, maar deze keer hangen er wolken boven het idylle.

De oorzaak is een aanzwellende stroom van verontrustende berichten. Het is nu het land waar popfestivals worden stilgelegd wegens verkrachtingen, waar ouderen niet kunnen rondkomen van hun pensioen, waar vrouwen ‘s avonds de straat niet op durven, waar meer dan zestig no-go zones voor de politie zijn, waar de kranten zwijgen, de politiek blind is en vrijheid van meningsuiting niet meer bestaat. Dat hoor je tenminste van rechts. En die oorlogshitsers moet je natuurlijk niet geloven. Want dat zijn nazi’s en racisten. Dat zegt links tenminste. En die bellenblazers die iedereen willen zwartmaken, moet je natuurlijk nooit geloven. Wat ik wel geloof is dat Zweden zijn beste tijd als voorbeeldstaat heeft gehad.

Nieuw asfalt

Misschien valt het mee in de uithoek van Jämtland/Västerbotten. Er zijn geen steden en alles gebeurt er met een vertraging van een jaar of twintig. Hoop je dan maar.

De Wildernisweg ontsluit in zijn 370 km slechts 22.000 bewoners, minder dan een per vierkante kilometer. Er zitten twee vertakkingen die de Noorse grens oversteken, maar die worden nauwelijks gebruikt. Het is dus stil als ik vanuit Strömsund naar het noordwesten rijd. Toch zijn ze de weg aan het upgraden tot maatje rijksweg. Het asfalt is zo nieuw dat de belijning ontbreekt.

Hard schoppen

Ik moet zeggen: schitterend asfalt, mooi talud ook. De bomen erlangs zijn ook niet onaardig. Soms zie ik er een meer achter liggen. Ik zie ook een huis en later nog een. En hé, kijk nou, een tegenligger, een Toyota. Toch heb ik het gevoel dat er iets ontbreekt.

‘Waar is die wildernis?!?’ kwaak ik in mijn helm. Ik stop, kijk een foldertje na, vergelijk wegennummers. Dit moet goed zijn. In de tekst lees ik nog eens dat dit gebied de grootste berenpopulatie van Zweden heeft. Er staat zelfs bij wat je moet doen als je een beer tegenkomt: “Toon uw vredelievende bedoelingen. Sta stil, praat luid, loop rustig weg, ren niet!” Wolven zitten er ook nog. Die dien je bij een vijandige benadering zo hard mogelijk in elkaar te schoppen, aldus de tekst.

Ik ben blij dat ik buiten het bereik van de Zweedse politieke correctheid ben gekomen, maar serieus: hier een beer of een wolf? De kans dat ik ze in het Haagse Bos tegenkom lijkt me net zo groot. Ik stap weer op en verslindt de kilometers alsof het spruitjes zijn. De mooiste weg van Zweden… ik denk dat ze het puur over de kwaliteit van het asfalt hebben.

Opluchting

Na tachtig kilometer chagrijnigheid kom ik bij het gehucht Bågede. Ineens zijn er rotsen, bochten, een afslag en een meer. In de verte zie ik bergen. Mijn opluchting wordt nog groter als ik een informatiebord bestudeer. Aan de overkant van het meer blijkt een onverharde weg te lopen die kortgeleden is omgedoopt tot Björnvägen. Berenweg! En waarom? Hij loopt door het gebied met de dichtste bruineberenpopulatie ter wereld, wat is bevestigd door een officiële onderzoeksinstantie. Huh? Niet een alleen van Zweden dus, maar van de hele wereld.

Onmiddellijk denk ik aan de weg naar Hardy op Vancouver Island, waar ik moest slalommen om beren te ontwijken. Wat moet er hier dan wel niet gebeuren? Ik rij het weggetje op dat veel smaller en heuvelachtiger is dan het asfalt van de overkant. Hier in het dichte woud met open plekken lijkt een ontmoeting met een beer ineens reëel. Snel omkeren of slalommen gaat hier absoluut niet. En hard gas geven op gravel? Mwoah. Ik voel mijn hartslag omhoog gaan en mijn darmen lijken te zweven. Ik moet oppassen dat ik niet zelf een bruine beer produceer.

Gaandeweg neemt de nuchterheid het over van de angst. Zo’n beer hoort me natuurlijk een kilometer van tevoren aankomen. Misschien wel twee kilometer, want er zit een zware knetter in de uitlaat van de Africa Twin. Dat is ergens wel jammer. Ik rijd hier tenslotte om een beer te zien.

Ik denk mijn kansen te vergroten door heuvel op flink gas te geven en daarna zonder gas af te dalen. Het worden veertig beerloze en toch opwindende kilometers. Dan pak ik een afslag waar ik toch iets bijzonders ga zien. Volledig verstopt in het dichte woud ligt de grootste met water gevulde bergkloof van Europa, Hällingsåfallet. Een waterval van 43 m hoog met een canyon van 800 m lang. Mooie troostprijs.

Wij in Zweden

Aan het eind van de weg ligt Gäddede en dat zo end-of-the-road is als maar het kan. Een paar doodlopende straatjes tussen twee meren, hillbilly’s met baseballcap en starende blik, een hotelletje, een pomp en een buurtsuper. Even iets checken daar.

‘Mevrouw, verkoopt u ook berenspray?’ Dat is pepperspray extra strong, en koop je in Canada en de US in de berengebieden alsof het een pak suiker is.

Ze lacht. ‘Nee, wij in Zweden willen dat niet gebruiken.’

‘Wij in Nederland beginnen nu te denken dat hier helemaal niet zoveel beren zitten,’ zeg ik. ‘Heb je zelf ooit een beer gezien?’

‘Ik zelf niet. Maar… kijk.’ Ze pakt haar mobieltje en laat een schokkerig filmpje zien – in Zweedse platteland-winkels hebben caissières alle tijd van de wereld. Ik zie een man lopen op eenzelfde soort weg als ik heb genomen. Plotseling komt vanuit de struiken een beer op hem af. Man heft armen omhoog, man roept ‘boe’. Beer slaat op de vlucht.

‘Deze man is meer dan honderd keer een beer tegengekomen.’

Oké, wij uit Nederland waren misschien te wantrouwig.

De grote vraag

Mijn hotel ligt aan het Kvarnbergsmeer, vlakbij de Noorse grens. Als ik op een bankje aan de oever zit, en zie hoe de avondzon de nevelflarden boven het water langzaam oplost, krijg ik antwoord op de grote vraag. Waarom zeggen Zweden altijd: ‘Wij in Zweden?’ Naast mij zit Anders, hotelgast én historicus.

‘Wij in Zweden zijn het altijd met elkaar eens. Daarom spreken we namens het hele volk als we een buitenlander tegenkomen.’

‘Wat handig.’

‘Nee, het is griezelige, politieke correctheid. Zweden kunnen geen ruzie maken en sluiten zich daarom aan bij de heersende mening. Er zijn maar heel weinig meningen mogelijk. We lopen er net zolang achteraan tot een opvatting compleet onhoudbaar is geworden. Daarna slaan we massaal om naar de andere kant. Onze geschiedenis zit vol met voorbeelden. We waren één van de laatste Westerse landen die vrijheid van godsdienst kregen. Pas in 1952. Daarna werden we zo ongeveer het meest seculiere land. In de jaren zeventig waren we bijna een socialistische staat. Totdat Astrid Lindgren het waagde een sprookje te schrijven over een schrijfster die 102 procent belasting betaalde. De publieke opinie sloeg volledig om. De sociaaldemocraten vielen voor het eerst in veertig jaar buiten de regering en Zweden kreeg een van de meest liberale belastingwetgevingen.’

‘Wat gebeurt er als je tegen de politieke correctheid ingaat?’

‘Dan sta je al gauw als asociaal te boek. Weet je wat ze vroeger met asocialen en onaangepasten deden?’

‘Goelag Archipel?’

‘Bijna goed! Ze werden naar deze omgeving gestuurd. Naar het bergachtige westen, waar bijna niemand woonde. Ze kregen een stukje grond toegewezen en moesten een bestaan op zien te bouwen. De bewoners van nu zijn daar vaak de nazaten van.’

Het moet niet eenvoudig zijn geweest voor de booswichtenclub om hier een bestaan op te bouwen. Het klimaat is hard en landbouw lijkt nauwelijks mogelijk. Maar ze waren hier wel vrij en kwamen in een prachtig landschap terecht.

Liggende vrouwen

Vlak voor Gäddede waren de bossen al heel aardig, maar als de weg daarna echt omhoog gaat, maken de bomen plaats voor open vlaktes, meren en bergpanorama’s. Ik ben nog ver van de poolcirkel, maar de wilde trekken van Lapland zijn onmiskenbaar, Sterker nog: vijftig kilometer na Gäddede kom ik via een doodlopend zijweggetje bij het eerste, echte Lapse dorpje uit: Ankarede. Het bestaat uit wat eenvoudige huisjes en een kapel, die net zo willekeurig zijn opgesteld als tenten op een camping. Je bent een nomadenvolk of je bent het niet.

De weg stijgt door tot ik bij een hoogvlakte aankom, de Stekenjokk, op bijna 900 meter. Daarmee zit je op deze breedtegraad ruimschoots boven de boomgrens. Er komt een berglandschap tevoorschijn dat de contouren heeft van liggende naakte vrouwen.

Een half jaar lang ligt hier een meter of zes sneeuw, nu is het een mosgroen en granietgrijs eldorado dat ruist van de watervalletjes. Ik spreek een groepje frisse rugzakkers die aan een tocht door de wildernis beginnen. Drie dagen gaan ze lopen. ‘Maar je kunt hiervandaan wekenlang doorlopen zonder ook maar een dorp tegen te komen.’ Wat een aantrekkelijk idee. Dit is Zweden op zijn best en het lijkt precies op Noorwegen, het is alleen nog veel rustiger. Ik kan minutenlang midden op de weg parkeren om een foto te maken.

Na een lange afdaling bezoek ik nog een tweede Lappendorpje, weer aan een doodlopende weg: Fatmomakke, verstopt tussen de bomen aan een meer. In de achttiende eeuw werd het opgezet als plek om de Sami de kerk in te krijgen, want moeilijk doen over culturele identiteit, daar hadden de Zweden vroeger geen last van. De kerk liep zo goed dat er snel een grotere moest komen. Die staat er nu nog. Verder is het vrij lastig om het verschil te zien tussen een oud-Laps en oud-Zweeds dorp. Gelukkig staan er een paar houten tipi’s, dat helpt een beetje.

De wildernis trekt

Fatmomakke is een van de weinige plaatsen die toegang geeft tot de Marsfjället, 860 vierkante kilometer eindeloosheid met nul inwoners en een top van 1.590 meter. En ik zie ze er alweer ingaan: de rugzakkers met hun Fjällraven- en Norrøna-kleding. Ik word een beetje jaloers, de wildernis begint nu echt aan me te trekken. Gelukkig heb ik voor morgen een gids geregeld, zodat ik ook kan.

Borgafjäll ligt in het hart van de hoefijzervormige Wildernisweg en hemelsbreed maar een kilometer of dertig van mijn hotel – een onbegrijpelijk grote kast van vijf verdiepingen in het plaatsje Saxnäs. Maar omdat er zo weinig wegen lopen, kost het me een halve ochtend om er te komen. Als bonus steek ik dan wel de Blaikfjäll over: 30 km onverhard zonder ook maar een auto of een mens te zien. Een beer zie ik overigens ook niet.

Bergziekte

Mijn gids heet Thorbjörn. Met zijn kale kop en lange baard ziet Donderbeer eruit als een blanke jihadist, maar het blijkt een hipster te zijn die de grote stad is ontvlucht: Göteborg. Dat is interessant, want zojuist werd bekend dat een recordaantal Zweedse stedelingen op de loop is. En typisch Zweeds: naar de motieven is geen enkel onderzoek gedaan. Maar dat kan ik nu aan Thorbjörn vragen. ‘Ik heb de bergziekte, ik móet in de bergen zijn,’ zegt hij, ‘Nee, serieus. Alleen dan kom ik tot rust. In Australië is het een erkend verschijnsel. Ik werd soms gek van de drukte van de stad. Vooral als ik de Arla-reclame zag, met die bergen erin.’

Die zag ik niet aankomen: een melkreclame. Anderzijds is de kans dat je een Zweed tegenkomt die politiek incorrecte taal uitslaat waarschijnlijk kleiner dan een ontmoeting met een beer. Bijna twee jaar geleden verhuisde hij naar de bergen met vrouw en baby. Inmiddels zijn ze gescheiden, maar wel gebleven. Thorbjörn verdient de kost met gidsen en klussen. Samen met collega’s is hij bezig oude wandelpaden te herstellen.

Wij doen een trek naar de top van de Lillfjäll. We lopen over een pad dat een leek amper zou herkennen als pad. Onderweg vertelt Thorbjörn over de zaken die hier belangrijk zijn. Over sneeuw, wind, rivieren, beschutte plekken, eetbare bessen, uitrusting en toeristen. Op een luwe plek achter een rots op de top haalt hij zijn Primus uit zijn rugzak om een warme lunch te maken. Een wrap met rendiervlees en spinazieblaadjes. Een biertje erbij en chocoladereep toe.

‘Ben je al een beer tegengekomen?’, vraag ik.

‘Nee, hier niet. Dit is te kaal, denk ik. Tien kilometer verderop moet er wel een zitten. Dat weten we omdat hij elke keer naar het asfalt komt om te kakken. Maar we hebben hem nooit gezien.

We turen naar de valleien en bergen om ons heen, waar voor een geoefend ook altijd iets te ontdekken valt. ‘Kijk, daar onder die top, daar ligt sneeuw. Vorige week nog niet. We noemen dat stuk Klein Alaska.’

Langzaam besef ik dat zijn bergenverhaal geen gezwets is. Ik heb hetzelfde. Vanaf het moment dat ik bij Stekenjokk de magie van dit berglandschap voelde, begon mijn rusteloosheid te verdwijnen. Ik moet hier eens over praten met mijn zorgverzekeraar.

Brussel

Vlak voor het einde van mijn route, dat in Vilhelmina ligt, gebeurt het dan toch nog. Bij het Malgomajmeer steekt een beest over. Een muis. Dat is het enige wilde dier dat ik op de hele Wildernisweg heb gezien. Een mooiere weg in Zweden is misschien niet te vinden, maar voor wilde dieren moet je hier niet zijn.

‘Geen wilde beesten!?’ Sven-Åke en Doris Rissfjell zijn de vriendelijkste mensen, maar van mijn suggestie krijgen ze het een beetje benauwd. Het Sami-echtpaar heeft in Vilhelmina een winkel en webshop (Sameslojd) voor Sami-producten, die ze vaak zelf maken. Ze doen dit zo goed dat ze werden ontvangen door het koningsechtpaar van Zweden, dat overigens graag met minderheden op de foto gaat.

‘We hebben juist een groot probleem met beren, wolven en lynxen,’ vervolgt Sven-Åke.

‘Linksen? Maar die deugen enorm, hoor’, verdedig ik.

‘Het zijn roofdieren, meneer. Ze vallen onze rendieren aan. Omdat de rovers worden beschermd door Brussel zijn er te veel gekomen. Rendierhouders dreigen eraan ten onder te gaan. En als zij stoppen is het afgelopen met onze cultuur. Kijk naar deze winkel, alles is verbonden met rendieren. Ze snappen het niet in Brussel. Het bestaat niet dat je alles kunt beschermen zonder iets anders kapot te maken.’

BMW K1600 B Bagger 2017 Test

0

Na slechts zeven kilometer sturen, we zijn net vertrokken van het hoofdkwartier van BMW, klinkt er luid getoeter op de Utrechtse baan, richting centrum Den Haag. Naast me een dikke Amerikaanse Dodge Ram Van, de bedrijfsauto bij uitstek voor iedere zichzelf serieus nemende glazenwasser. Twee mannen gebaren enthousiast. De duimen gaan omhoog voor de K 1600 B, BMW’s eerste serieuze ‘Bagger’. Rock ’n Roll, maar dan op z’n Duits.

Leuk natuurlijk, maar ook weer niet heel verrassend. Want al parkeer je zo’n diepzwarte K 1600 B onderin een waterput met een deksel erop: overal trekt deze uit de kluiten gewassen Duitser de aandacht naar zich toe. Een tien met een griffel voor het keuzevak Visuele Impact. De broers K 1600 GT en GTL waren al niet bescheiden qua looks, de Bagger overtreft beiden met gemak. En dat is ook een absolute must, gezien het feit dat BMW inmiddels in elk denkbaar segment een behoorlijke vinger in de pap heeft, behalve in de wereld van de dikke customs. En die markt lonkt. Niet zozeer in Europa, waar we tenslotte en-masse opteren voor dikke hoogpoters en retro, maar vooral aan de andere kant van de Atlantische oceaan, waar de cruiser eenzaam bovenaan de voedselketen staat. Pak je daar een paar procent van de markt, dan ben je verzekerd van een fikse boost in de verkoopcijfers.

Yankee-kraftwerk

Gezien worden, dáár draait het om in het cruisersegment. En gezien word je met de K 1600 B. Met de ontwerpstudie ‘Concept 101’ van Roland Sands uit 2015 vers in gedachten, gingen de Duitsers aan de haal met het Amerikaanse gedachtengoed in combinatie met de typisch-Duitse toerwaarden die BMW al sinds jaar en dag tot in de puntjes beheerst. Dus is toptoermodel K 1600 een uitstekend uitgangspunt voor wat Yankee-Kraftwerk. De motor werd een flink stuk verlaagd, waardoor je zo’n 7 centimeter dichterbij het asfalt bivakkeert, de ruit werd ingekort, het blok voorzien van een paar plechtige ‘side boards’ en het complete achterframe werd vervangen door een design op maat. Want een cruiser mag zich tenslotte pas met recht een Bagger noemen als twee vloeiend vormgegeven koffers de achtersteven sieren, het liefst zo dicht mogelijk bij het wegdek. De uitlaten werden daarbij voorzien van een nieuwe chromen omlijsting en speciale eindstukken, die aan de onderzijde perfect de koffers complementeren. De achterlichten tenslotte vormen een extra attractie aan de achterzijde: twee langgerekte ledstrips zijn volledig geïntegreerd in het design van de koffers. Die kunnen er overigens niet af, vandaar dat het achterspatbord uitklapbaar schijnt te zijn om het achterwiel eventueel wat makkelijker te kunnen vervangen. Dat waren we niet van plan, maar wellicht handig voor de onderhoudscrew.

Dus, zo tover je een de über-toerbuffel uit München om tot een geloofwaardige Duitse Amerikaan. Het druppelvormige, langgerekte silhouet en die sterk aflopende achterzijde in combinatie met een overdaad aan glimmend Blackstorm Metallic lakwerk: aandacht gegarandeerd, zéker van de cruiserfans. Er zijn daarbij overigens wel een paar concessies gedaan om een Duitse rijkwaliteit te garanderen. Zo is het Bagger-typische enorme voorwiel weggelaten ten faveure van de gewone 17-inch variant die we kennen van de andere 1600’s, klappen de treeplanken omhoog als de bocht iets te schuin wordt genomen, is er ondanks de verlaging nog een acceptabele grondspeling over en is dat lage ruitje wél gewoon in hoogte verstelbaar als je eens wat rapper wilt cruisen. Overigens heeft de Bagger ook iets níet, wat wat broeders GT en GTL wél bieden: de sportstand is weggelaten in het rijtje instellingen van de ESA electronisch geregelde vering. Om te scheuren koop je maar wat anders uit de BMW-brochure.

America

Het mag duidelijk zijn: de Bagger is er eigenlijk niet voor ons Europeanen. Maar dat laat onverlet dat hij hier wel gewoon op de prijslijst staat (voor een niet misselijke € 25.950) en dat er zelfs in ons drukbevolkte landje een fors aantal Baggerliefhebbers zijn, die tot dusver waren aangewezen op vooral Amerikaans fabrikaat. Maar voor een testrit die deze motor recht doet, dienen we op zoek te gaan naar langgerekte stroken asfalt, eindeloze vergezichten en liefst een aangenaam zonnetje. Dat laatste is diep in de herfst geen garantie, voor de rest gaan we naar America. Vanuit Scheveningen Via Highway A12, A2 en A67 richting het Wilde Zuid-Oosten, Limburg, spits en fileverkeer trotserend, de vrijheid tegemoet van Snackbar Hap en Stap (die helaas gesloten blijkt op maandag) en lokale buurtsuper de dagmarkt. Waar de koffie klaarstaat, zomaar gratis & voor niks, gezet door de dames van de kassa. Vrijheid, da’s heel Amerikaans, in alle comfort, dat dan weer wel. Je achterste verwarmd door een kacheltje, de handen door de handvatwarmers, de BMW-navigatie zo nu en dan subtiel de blazende stereo overstemmend, standje ‘Road’ en ‘Dynamic’ op de ESA en het lage ruitje stiekem op de hoogste stand. Kilometers vreten. En meteen blijkt dat BMW zich alle moeite heeft getroost om geen enkele concessie te doen aan comfort en rijkwaliteit. De GT en GTL mogen dan hoog scoren op de apenrots der toermachines, de Bagger biedt exact hetzelfde kwaliteit. Natuurlijk, het schermpje is lager, dus je helm belandt wat eerder in turbulente lucht. Dat wordt echter pas relevant boven de 140 km/u, een snelheid die doet vermoeden dat je als Bagger-rijder iets te veel haast hebt om recht te doen aan je imago. Des te duidelijker manifesteert het Duitse karakter zich in de bochten, liefst van die lange doordraaiers. Die neem je op snelheden en onder hellingshoeken waarbij het je op een Amerikaanse Bagger wat dun door de broek zou lopen. Snaarstrak, eenvoudig op de lijn te houden en zonder enig drama. Als op een vliegend tapijt. Evenals bij de GT en GTL is dat overigens wel even wennen. De dynamisch-electronische vering is zo geavanceerd, dat je in het begin echt even wat feedback van de wielen mist. Typische eigenschap ook van die Duolever voorvering trouwens, maar wel iets om in de gaten te houden als je er voor het eerst opstapt. Een kwestie van wennen, want als het vertrouwen toeneemt wordt het comfort verslavend. De Bagger doet wat je verlangt en kan nog heel veel meer. Eenmaal over de Americaanse gemeentegrens verlaten we de snelweg en doen ons tegoed aan wat van die heerlijk lege Limburgse provinciewegen. Hier is leeg nog écht leeg en dat betekent hier en daar ouderwets gas erop, slingeren van bocht naar bocht. Amerikaans toeren, maar wel op z’n Duits. Dat betekent Amerikaanse toersnelheid maal twee. De Beamer-Bagger kan dat.

Soevereine Six

En dan die zescilinder. Eindeloos soepel, krachtig, als een turbine, gulzig (ook in dorst als je regelmatig in de hoge toerenregionen losgaat) en vooral enorm verslavend. Kijk, die Amerikanen hebben het heus niet bij het verkeerde eind als het gaat om de montage van zo’n dikke-klappen v-twin. Dat past helemaal bij het Baggergevoel. Maar als Duitsers ermee aan de haal gaan, dan worden ook andere zaken belangrijk. Dat gestamp is emotie, maar volledig trillingsloos en lineair in vermogensopbouw zorgt óók voor een grijns onder je jethelm. En wel dankzij deze cijferlijst.1649 cc, 160 pk bij 7.750 tpm, 175 Nm bij 5.250 tpm. Natuurlijk weegt de Bagger een stevige 336 kilo met volle tank, maar de zespitter hoeft zich werkelijk nooit echt in te spannen, zeker niet als je er als een Amerikaan mee rondtuft en zelfs niet als je hem uitmelkt als een hitsige naked. Daarbij is de zitpositie overigens top, mits je een beetje gemiddeld bent qua lengte. Zelfs de duozit is gewoon een chique zetel, zeker als je deze vergelijkt met concurrerende Baggers. Hij mist alleen een ruggensteuntje, maar dat zou er qua styling niet uitzien. Wel heeft een passagier de luxe van een eigen knopje voor de zetelverwarming, onder handbereik gemonteerd op de rechterkoffer. En nu we daar toch zijn: in die typische koffers kunt je behoorlijk wat kwijt; een integraalhelm van mediumformaat past er zomaar in. Daarbij zijn ze standaard voorzien van binnentassen en een netje, zodat de boel zeker droog blijft en niet gaat zwerven.

Te klein voor de Bagger

Dat is meteen tekenend voor de hele uitrusting én afwerking. Echt helemaal niets op aan te merken. Dat geldt ook voor de ergonomie. Het stuur zit mooi in de buurt en de voeten kun je zowel op de stepjes als op de treeplanken kwijt. Dat laatste ziet er wellicht wat gek uit, maar zit superlekker. Alleen als je wilt schakelen is het even opletten, dan roer je vanaf de treeplanken in het luchtledige. Dit dient dus gewoon bij de stepjes te gebeuren, eventueel zelfs via een optionele quickshifter. En over dat uitmelken, we noemen het nog maar even omdat het zo frappant is. Zelfs met het ontbreken van een standje ‘Sport’, kun je je enorm vermaken in de bochten. Selecteer ‘Road’ en ‘Dynamic’ en de boel wordt lekker stevig. De grens ligt ver weg, zeker in de wetenschap dat ESA, ABS en ESP ten allen tijde een oogje in het zeil houden. Natuurlijk, bij langzaam en kort werk beginnen de kilo’s op te spelen en moet je behoorlijk aan het werk. En in de spits is’ie met een breedte van één meter nogal een uitdaging tussen de files, helemaal als je die glimmende lak op de koffers een beetje respecteert. Maar Nederlands spitsverkeer, stadswerk, daar is deze Bagger dan ook helemaal niet op z’n plaats. Ja, bij de grenzen, waar de wegen leeg zijn en het speelveld groot. Buiten de grenzen, dáár moet je zijn. Aan die Bagger ligt dat niet, maar Nederland is gewoon een maatje te klein. Op naar Amerika. En als je daar maling aan hebt? Dan raden we je zeker America aan.

Prijslijst BMW Motorrad vanaf 1 januari 2018

0

De prijslijst van BMW per 1 januari 2018. Alle genoemde modellen zijn inclusief ABS en de kosten voor het rijklaar maken en de registratie kosten. De kosten voor het rijklaar maken zijn inclusief BTW en omvatten onder andere het schoonmaken, binnenlandse transportkosten, kentekenplaat, nul-beurt en, indien van toepassing, volle tank/accu. De registratiekosten bestaan uit de inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling.

G Serie

 

G 310 R

 €       5.894

G 310 GS

 €       6.894

   

C Serie

 

C 650 Sport

 €     12.494

C 650 GT

 €     12.894

C evolution

 €     14.394

   

F Serie

 

F 800 R

 €     10.644

F 800 GT

 €     12.644

F 750 GS

 €     10.944

F 850 GS

 €     13.894

F 800 GS Adventure

 €     14.544

   

R Serie

 

R 1200 R

 €     15.444

R nineT Pure

 €     14.794

R nineT Scrambler

 €     15.594

R nineT Urban G/S

 €     15.594

R nineT Racer

 €     15.944

R 1200 RS

 €     16.194

R nineT

 €     18.244

R 1200 GS

 €     18.794

R 1200 GS Adventure

 €     20.444

R 1200 RT

 €     20.744

   

S Serie

 

S 1000 R

 €     16.194

S 1000 XR

 €     18.694

S 1000 RR

 €     21.094

HP4 Race

 €     80.395

   

K 1600 B

 €     26.394

K 1600 GT

 €     26.394

K 1600 GTL

 €     28.744

K 1600 Grand America

 €     30.134

Bron: BMW Motorrad

Prijslijst Ducati vanaf 8 november 2017

0

Prijzen zijn inclusief BTW, BPM en afleveringskosten. Onder voorbehoud van wijzigingen. Ten behoeve van uw veiligheid, zijn alle Ducati modellen standaard uitgerust met het ‘Ducati Safety Pack’, bestaande uit ABS en Ducati Traction Control (DTC). Dit met uitzondering van de Scrambler 400 / 800, beide zijn enkel uitgerust met ABS.

Hypermotard

Kleuren

Prijs

Hypermotard 939

Red

 € 14.390

Hypermotard 939

Iceberg White Silk

 € 14.590

Hypermotard 939 SP

SP Livery

 € 18.490

     

Monster

   

Monster 797

Red

 € 10.690

Monster 797

Star White Silk

 € 10.790

Monster 797

Dark Stealth

 € 10.790

Monster 797 Plus

Red

 € 11.190

Monster 797 Plus

Star White Silk

 € 11.290

Monster 797 Plus

Dark Stealth

 € 11.290

Monster 821

Red

 € 13.590

Monster 821

Dark Stealth

 € 13.790

Monster 821

Ducati Yellow

 € 13.790

Monster 1200

Red

 € 16.790

Monster 1200 S

Red

 € 19.690

Monster 1200 S

Liquid Concrete Grey

 € 19.890

Monster 1200 R

Red

 € 21.990

     

Diavel

   

Diavel

Dark Stealth

 € 22.590

Diavel Carbon

Asphalt Grey

 € 26.390

XDiavel

Dark Stealth

 € 24.490

XDiavel S

Thrilling Black

 € 28.090

XDiavel S

White

 € 28.390

     

Multistrada

   

Multistrada 950

Red

 € 16.190

Multistrada 950

Star White Silk

 € 16.390

Multistrada 1260

Red

 € 21.190

Multistrada 1260 S

Red

 € 23.990

Multistrada 1260 S

Iceberg White

 € 24.190

Multistrada 1260 S

Volcano Grey

 € 24.190

Multistrada 1260 S D|air

Red

 € 24.690

Multistrada 1260 Pikes Peak

Pikes Peak Livery

 € 29.490

Multistrada 1200 Enduro

Red

 € 24.890

Multistrada 1200 Enduro

Phantom Grey

 € 25.090

Multistrada 1200 Enduro

Star White Silk

 € 25.090

Multistrada 1200 Enduro Pro

Enduro Pro Livery

 € 26.790

     

SuperSport

   

SuperSport

Red

 € 15.490

SuperSport S

Red

 € 17.190

SuperSport S

Star White Silk

 € 17.390

     

Panigale

   

959 Panigale

Red

 € 19.390

959 Panigale

White

 € 19.590

959 Panigale Corse

Corse Livery

 € 21.990

Panigale V4

Red

 € 26.190

Panigale V4 S

Red

 € 32.390

Panigale V4 Speciale

Speciale Livery

 € 45.190

Panigale R Final Edition

Final Edition Livery

 € 45.190

     

Scrambler

   

Scrambler Sixty2

Black/Orange/Grey

 €   9.190

Scrambler Icon

Red

 € 10.390

Scrambler Icon

Yellow/Silver

 € 10.490

Scrambler Street Classic

Volcano Grey

 € 11.190

Scrambler Full Throttle

Shining Black

 € 11.990

Scrambler Classic

Orange/White

 € 11.990

Scrambler Mach 2.0

RSD Livery

 € 12.090

Scrambler Desert Sled

Red Dusk

 € 12.890

Scrambler Desert Sled

White Mirage/Black

 € 13.090

Scrambler Café Racer

Black Coffee

 € 12.890

Scrambler 1100

Yellow/Black

 € 15.290

Scrambler 1100 Special

Custom Grey

 € 16.790

Scrambler 1100 Sport

Viper Black

 € 17.890

 Bron: Ducati