maandag 6 april 2026
Home Blog Pagina 48

Cees van Dongen wint in 1969 de 125cc GP van Spanje #XXLterugblik

1
Cees van Dongen
Ondanks de kou kon Cees van Dongen toch van zijn overwinning genieten.

Toen Cees van Dongen op 4 mei 1969 op het kletsnatte Spaanse Jarama-circuit als winnaar van de 125cc-klasse werd afgevlagd, had hij er al een imposante motorsportcarrière op zitten.

Cees was al vroeg met motoren bezig en ging als 12-jarige als leerling aan de gang bij een motordealer waar zijn vader ook werkte. Vader Jan was bovendien motorcoureur, dus het kon niet uitblijven dat Cees in navolging van zijn vader ook een poging ondernam. In 1953 eerst nog bij bromfietsraces, maar niet veel later op zwaardere motoren. In 1958 reed Cees voor het eerst naar een nationale titel, in de 250cc-klasse. Vanaf begin jaren ’60 werd Cees de Nederlandse topcoureur in de 50cc, 125cc en 250cc. Hij behaalde een reeks van nationale titels met onder andere zijn 125cc Honda-productieracer. En de KNMV had hem in 1966 al voor zijn bijzondere prestaties beloond met de Hans de Beaufort-beker.

De start met Cees van Dongen (7), Heinz Rosner (2), Dieter Braun (8), Barry Smith (33), Kel Carurthers (4), Ginger Moloy (1).

Ex-fabrieksracers

Voor het seizoen 1969 zou dat gaan veranderen. De Almelose motorenthousiast en eigenaar van een bloeiend autobedrijf, Henk Viscaal, had zijn al imposante renstal van ex-fabrieksracers uitgebreid met een 125cc ex-fabrieks-Suzuki. Deze was van de voormalige Suzuki-fabriekscoureur Hans Georg Anscheidt voor flink wat geld overgenomen. Naast deze exclusieve racemotor had Viscaal zich ook nog van voldoende reservemateriaal verzekerd en het GP-seizoen werd daarom vol vertrouwen tegemoetgezien. Cees ging fulltime bij Viscaal werken en kreeg de beschikking over een ruime Opel Blitz-bestelauto die als caravan en mobiele werkplaats was ingericht.

De verwachtingen waren hooggespannen en aan Cees werden titelkansen toegedicht. Vooral Henk Viscaal was erg optimistisch. Dat Dieter Braun onverwacht ook met een ex-fabrieks-Suzuki verscheen en Dave Simmonds met zijn Kawasaki een enorm snelle en betrouwbare tegenstander zou zijn, werd pas tijdens het seizoen duidelijk.

De eerste GP van 1969 werd op zondag 4 mei op het 3.400 meter korte en bochtige Jarama-circuit bij Madrid verreden. Dit circuit lag bij sommige reporters van de Nederlandse pers niet erg goed. Jan Heese noemde het circuit, met nauwelijks rechte stukken en hoogteverschillen van wel 50 meter, geknipt voor Spaanse heethoofden. Karel Kersten had het zelfs over een kartbaan en verlangde terug naar het Montjuïc-stratencircuit van Barcelona!

Zo’n 90 Nederlandse supporters waren midden in de nacht met een MRTN-chartervlucht afgereisd om de vaderlandse 50cc-toppers Aalt Toersen, Jan de Vries en Paul Lodewijkx en 125cc-titelkandidaat Cees van Dongen mentaal te ondersteunen. Zij waren op tijd en dat moest ook wel, want de 50cc stond al om 09.00 uur aan de start! Aalt Toersen won de natte openingsrace vóór Ángel Nieto en teamgenoot Jan de Vries. Dit met amper toeschouwers op de tribune.

De laatste kans van Ben van den Bogaart #terugblik

De volle buit

In de training was het helaas niet zo goed gegaan met de Suzuki van Cees. De versnellingsbak gaf problemen en er moest tot diep in de nacht gesleuteld worden om dat te herstellen. Gelukkig stond Cees nog wel op de eerste rij. Bij de start brak er een onweersbui met hagel los, maar dat weerhield Cees er niet van om als eerste van start te gaan. Die eerste plaats werd al vlug overgenomen door Salvador Cañellas, dit vóór Dieter Braun en Cees op de tweede en derde plaats. Na het uitvallen van Cañellas en Braun reed Kent Andersson nog even aan de leiding. Cees wist hem echter te passeren en naar een ruime voorsprong te rijden. Viscaal maande Cees aan het maar kalm aan te doen, terwijl hij op een wankel muurtje had plaatsgenomen. Deze overwinning mocht Cees niet meer laten glippen!

Vader Van Dongen begon wel zeven ronden voor het einde de LR van ‘laatste ronde’ op het helpersbord te kalken. En moeder Van Dongen was de wijn voor het komende feest al klaar aan het zetten. Niets, zelfs donder en bliksem, weerhield Cees ervan om als 37-jarige naar een mooie GP-overwinning te rijden. Zijn eerste, en naar later helaas zou blijken, ook zijn laatste. Hij reed Kent Andersson op een achterstand van 1 minuut en 22 seconden en Walter Villa – derde – moest aan de meet 1 minuut en 31 seconden toegeven. Het natte weer had zijn tol geëist met wel twintig uitvallers en maar negen renners aan de finish!

Cees was verkleumd van de kou toen hij door Henk Viscaal en Jan Dekker van zijn Suzuki werd gehesen. En uit zijn kletsnatte laarzen kwam een paar liter water gestroomd, meldde een landelijk dagblad. Dat maakte allemaal niets uit, de eerste volle buit was binnen. Het duurde even voordat Cees zijn eerste commentaar kon geven: ‘Wat een verrassing, daar heb ik 14 jaar op gewacht.’ Cees was echter niet te spreken over de behandeling van de Spaanse organisatie: ‘Je kon aan alles merken, er moest een Spaanse renner winnen. Daar hadden ze alles op ingericht. Wij werden als buitenlanders gewoon te pakken genomen. En nou zitten ze er nog naast.’ En zo was het inderdaad: in de twee kleinste klassen waren het de Nederlanders die er met de volle buit vandoor gingen. En Cees was er één van.

Na het succes in Spanje volgden drie GP’s met weinig succes. Het was uitvallen geblazen in de GP’s van West-Duitsland, Frankrijk en ook tijdens de TT van Assen. Vanaf de GP van België ging het weer beter en Cees eindigde, met een andere afstelling, drie keer als derde en eenmaal als vijfde. Dat was uiteindelijk goed genoeg voor een mooie derde plaats in het eindklassement. Er was hoop op een hogere klassering geweest, want nog vóór het einde van het seizoen kwam de samenwerking tussen Viscaal en Cees helaas ten einde. Cees moest noodgedwongen de laatste twee GP’s missen. Hierdoor eindigde Cees dus uiteindelijk achter Dave Simmonds en Dieter Braun op de derde plaats in de WK-eindstand. En een derde plaats voor een Nederlander in een WK-eindstand was en is nog steeds een bijzondere prestatie!

GP Cees van Dongen onderweg naar de overwinning.

Vier decennia

Omdat Cees zijn eigen betrouwbare en snelle 125cc-Honda had verkocht, ging hij zich hierna toeleggen op het zo snel mogelijk maken van de Yamaha 125cc-twin. Dat lukte en Cees was opnieuw een van de snelste 125cc-privéracers. In 1971, 1972 en 1978 werd hij Nederlands kampioen in de 125cc. Ook sprak hij in de 50cc nog steeds een woordje mee en veroverde hij de nationale titel 50cc in 1976.

Toen Cees in 1980 vanwege zijn leeftijd met wegracen moest stoppen, kon hij terugzien op een unieke racecarrière van wel 26 jaar. Die strekte zich uit over vier decennia (1954-1980). Cees had vanaf 1957 tot en met 1980 aan 23 TT’s van Assen deelgenomen en had er noodgedwongen slechts één gemist. Cees staat in de periode van 1964 tot en met 1979 maar liefst 25 keer vermeld in WK-klassementen van de 50cc, 125cc en 250cc. Hieronder natuurlijk ook zijn derde plaats in de 125cc in het jaar 1969. In totaal behaalde Cees 214 WK-punten. Hij scoorde deze punten natuurlijk in de TT van Assen, maar ook op buitenlandse circuits. Meestal op zijn eigen motoren, maar Cees kreeg als vooraanstaande coureur ook diverse keren snelle motoren aangeboden. Daarnaast veroverde Cees ook nog in totaal veertien Nederlandse titels in dezelfde klassen.

Al met al een imposante, nooit geëvenaarde staat van dienst, waarmee Cees van Dongen zich tot de absolute top van de Nederlandse wegracecoureurs mag rekenen. De grote naam en faam van Cees van Dongen als Nederlandse wegracetopper werd helaas ingehaald door de tijd en verdrongen door de grote successen van andere Nederlandse wegracecoureurs. Maar voor wie hem heeft zien rijden, blijft Cees van Dongen zeker een van de grootste Nederlandse wegracecoureurs aller tijden!

Tekst en foto’s: Mari van Kasteren

Geniaal, gek of geniaal gek?

2

Als trouwe bezoekers van MOTOR.nl kennen jullie Wilco Vonk ongetwijfeld van zijn avontuur tijdens de Monstertoer Cannonball Bike Run 2025. Toen stuurde hij een Kawasaki Ninja 1100SX SE naar ongekende hoogten. Letterlijk en figuurlijk! Maar Wilco’s avonturen beperken zich niet tot epische monstertochten – soms ontmoet hij juist de grootste verhalen op de meest alledaagse momenten. Dit keer leverde een simpele Marktplaats-advertentie een onvergetelijke ontmoeting op. Een verhaal dat simpel begon met een motorband en eindigde met kippenvel. Ga er goed voor zitten, want dit is Wilco’s nieuwste avontuur…

Afgelopen zaterdagmorgen had Wilco een afspraak: iemand zou een motorband bij hem ophalen. Keurig op tijd – stipt negen uur – staat daar ineens een Italiaan op zijn stoep. Niet in een auto maar op een Moto Guzzi V85 TT! En waar hij heen ging? Naar Frankrijk, vertelde hij. Maar zijn hele verhaal… dat sloeg werkelijk alles. Adamo, zoals hij heet, bleek net terug te komen van een kerstreisje naar de Noordkaap. Niet bepaald een uitstapje om licht op te nemen. Vanuit Noord-Italië reed hij in slechts vier dagen maar liefst 3900 kilometer naar het uiterste puntje van Europa, door vrieskou en sneeuwstormen heen, met spijkerbanden als extra grip. Na zijn bezoek aan de Noordkaap reed hij verder via Stockholm zuidwaarts, met daarna Nederland dus als tussenstop.

285.000 kilometer

En daar stonden ze dan: een Nederlander met een motorband in de hand, en een Italiaan die nog altijd straalde van zijn avontuur. Terwijl ze praatten, viel Wilco van de ene verbazing in de andere. Adamo’s Moto Guzzi? Die had al 285.000 kilometer op de teller. Toch tufte hij er rustig mee verder, alsof dit alles de normaalste zaak van de wereld was. Waar hij nu onderweg naartoe was? Portugal. Eigenlijk was Adamo alleen maar ‘even op doorreis’. Op 12 januari moet hij weer aan het werk in Noord-Italië.

Hoe hij dat gaat redden? Geen idee. Maar als er iemand is die dat gaat lukken, dan is het wel deze onvermoeibare Italiaan.

Techniek AMA Land Speed Grand Championship: Indian Challenger on steroids

0

Onlangs vestigde Tyler O’Hara het AMA-snelheidsrecord in de klasse AMA 2000cc APS-AG met een Indian Challenger. Daar wilden we wel eens meer over weten…

Het AMA Land Speed Grand Championship, ook bekend als de Bonneville Motorcycle Speed Trials, is ’s werelds belangrijkste motorrace-evenement op het gebied van snelheidsrecords op land. De Bonneville Speed Trials worden, zoals de naam al aangeeft, gehouden op de iconische Bonneville Salt Flats, een 40 vierkante mijl groot gebied met opgedroogd zoutwater net buiten Wendover, Utah.

Het door de American Motorcycle Association (AMA) en de Fédération Internationale de Motocyclisme (FIM) erkende evenement biedt deelnemers de mogelijkheid om wereldsnelheidsrecords te vestigen op machines, variërend van 50cc minibikes tot speciaal gebouwde streamliners met een cilinderinhoud tot 3000 cc. Die laatste kunnen snelheden van bijna 400 mph (640 km/u) halen! De wedstrijdklassen worden bepaald door de cilinderinhoud, aanpassingen aan de motor en het chassis, en verschillende mate van stroomlijning. De deelnemers variëren van weekendliefhebbers tot professionele raceteams met technische meesterwerken van miljoenen dollars.

Techniek Smart Theft Control: diefstalbeveiliging wordt “smart”

Nieuw record

Ook Indian heeft vaak meegedaan. Indian zelf zegt dat racen sinds de oprichting in 1901 een essentieel onderdeel van het DNA van Indian Motorcycle is. Om die reden trok Indian Motorcycle samen met S&S Cycle en Mission Foods naar Bonneville om te zien hoe snel zijn ‘King of the Baggers’-racefiets kon gaan. Bestuurd door Indian Wrecking Crew-coureur en tweevoudig King of the Baggers-kampioen Tyler O’Hara, raasde de door S&S gebouwde Indian Challenger over de legendarische Salt Flats met een nieuw AMA 2000cc APS-AG-record van 194,384 mph (311,014 km/u). Het vorige record dateerde uit 1972: 169,828 mph (271,725 km/u) op een Triumph met J. Angerer in het zadel.

Zuigersnelheid

De basis van de ‘King of the Baggers’ Challenger is de Indian Challenger, een prachtige bagger die wordt aangedreven door een PowerPlus 112-V-motor met een cilinderinhoud van 1834 cc. Deze vloeistofgekoelde V-twin heeft een blokhoek van 60°, bovenliggende nokkenassen en vier kleppen per cilinder. De boring is 110 mm, de slag bedraagt 96,5 mm, wat een relatief korte boring/slagverhouding geeft. De compressieverhouding is met 11,4 vrij hoog. De motor is standaard voorzien van injectie met 52 mm gasklephuizen en heeft semi-dry-sump-smering. Standaard levert deze motor 126 pk en een koppel van 181,4 Nm. Een maximumtoerental geeft Indian daarbij niet op, maar bij het 2020-model zie ik dat het rode gebied op de analoge toerenteller bij 5.200 tpm begint. Ga ik daarvan uit, dan is de gemiddelde zuigersnelheid 16,73 m/seconde. Bij racemotoren ligt dat tegenwoordig al rond de 23 m/s. Het mag dus duidelijk zijn dat er potentie is voor meer vermogen, door het blok hogere toerentallen te laten draaien.

Flow

Hogere toerentallen draaien is mogelijk door de ademhaling bij hoge toerentallen te verbeteren. Dat kan met andere nokkenassen, die meer lift en een andere timing hebben, zodat de motor meer lucht krijgt en een betere cilindervulling heeft. Het risico op klepzweving bij hoge toerentallen is gering ten opzichte van een motor met laagliggende nokkenas en stoterstangen en kan nog worden verlaagd door toepassing van sterkere of dubbele klepveren.

Als je de timing verandert, moet de injectiemapping natuurlijk ook worden aangepast. Wellicht moeten er injectoren met een grotere flow worden gebruikt, of extra douche-injectoren boven de inlaatkelken. Extra flow krijg je ook van een beter en minder gedempt uitlaatsysteem, iets wat Indian zeker heeft toegepast: er hangt een dikke S&S-uitlaatdemper naast het blok. Ook de inlaat is van S&S, voorzien van een high-performance luchtfilter naast de tank. Dit filter heeft minder weerstand, waardoor er meer lucht de cilinders in stroomt. En meer lucht betekent meer zuurstof om meer benzine te verbranden. Meer power dus!

Krukas

Wat Indian precies aan het motorblok heeft aangepast, willen ze niet zeggen: ‘Er zijn “kleine aanpassingen aan de motor gedaan” die mogelijk waren omdat de racemotor maar korte afstanden hoeft af te leggen.’ Levensduur is dan natuurlijk niet zo’n issue. Indian vermeldt wel dat de krukas ‘een standaard OEM-gewicht’ heeft. Daarmee insinueert Indian dat de krukas standaard is, maar je kunt natuurlijk een krukas maken met een grotere slag en hetzelfde gewicht. Dat geeft een grotere cilinderinhoud, maar het kan niet zomaar. Je moet dan wel weer plattere zuigers gebruiken om te voorkomen dat ze de cilinderkop raken. Logischer zou zijn om naar een grotere boring te gaan, maar die is al vrij fors, dus dat lijkt onwaarschijnlijk. Waarschijnlijk is de cilinderinhoud gelijk gebleven en komt het extra vermogen uit het toerental.

Compressieverhouding

Wat Indian wel heeft gedaan, is het verhogen van de compressieverhouding. Indian zegt zelf dat ze dat hebben gedaan ‘om brandstof met een hoger octaangetal te kunnen gebruiken’. Dat heeft de tekstschrijver van Indian dus niet zo goed begrepen. De efficiëntie van een motor – het thermodynamisch rendement – is grotendeels afhankelijk van de compressieverhouding: hoe hoger de compressieverhouding, hoe meer pk’s je uit dezelfde hoeveelheid benzine haalt. In formule: ɳth = 1 – 1/ (Ɛ(k-1)), waarin ɳth het thermodynamisch rendement en Ɛ de compressieverhouding is. Je kunt de compressieverhouding echter niet zomaar verhogen, want als de druk in de verbrandingskamer te hoog wordt, ontbrandt de benzine spontaan en dus op het verkeerde moment: de motor gaat pingelen en knalt kapot. Een compressieverhouding van 1:11,4 is al stevig, daar is eigenlijk al Super 98 voor nodig. Wil je toch hoger gaan, dan zul je speciale benzine met een nog hoger octaangetal moeten gebruiken. Je verhoogt de compressie dus niet om benzine met een hoger octaangetal te kunnen gebruiken, maar om meer vermogen te krijgen. Het gevolg is dat je een hoger octaangetal nodig hebt.

Lange wielbasis

Hoewel je zo’n baggermotorfiets nou niet direct als racemotor zou zien, heeft hij voor snelheidsrecords een aantal pluspunten: de motor heeft een laag zwaartepunt en heeft een lange wielbasis van 1.668,7 mm. Dat maakt dat de horizontale afstand tot het achterwiel groot is en de verticale afstand klein. Oftewel, de hefboom die het voorwiel naar de grond trekt is groot, de hefboom die hem op het achterwiel wil trekken klein. De bagger zal dus niet gauw een wheelie maken, waardoor je de volle aandrijfkracht kunt benutten. De lange wielbasis geeft ook spoorstabiliteit, iets waar de relatief lange naloop van 150 mm ook aan bijdraagt. Een aantal zaken kan echter beter: de grondspeling moet volgens de reglementen minimaal 1 inch zijn, oftewel 25,4 mm. Standaard is de grondspeling van de Indian Challenger 137,3 mm. Indian heeft de motor dan ook flink verlaagd. Dat gaat ten koste van de mogelijke hellingshoek, maar die hoeft volgens de AMA maar 20 graden te zijn.

Verder zien we op de foto’s een lange stuurdemper en een fraaie, erg brede, aluminium achterbrug, waarvan ik me afvraag of ’ie standaard is. Ook interessant is dat de radiale remklauwen ontbreken, terwijl de bevestiging op de voorvork er nog wel is. De remhendel aan het stuur lijkt ook te ontbreken. Dat scheelt allemaal gewicht, en waar heb je nou remmen voor nodig op een zoutvlakte? Wel vraag je je af waarom de voorremschijven er dan nog op zitten…

Gadgets en andere interessante zaken vanaf de EICMA

Luchtweerstand

Het verlagen van de grondspeling zorgt dat de hele motor lager komt te liggen. Dat heeft een gunstige invloed op het frontale oppervlak en daarmee op de luchtweerstand. In formule: Fw = ½ · Cw · ρ · A · v², waarbij Fw de kracht van de luchtweerstand is (in Newton), Cw de weerstandscoëfficiënt is (een dimensieloze constante), ρ de dichtheid van de lucht is (in kg/m³), A het frontale oppervlak is (in m²) en v de snelheid van het voorwerp is (in m/s). Een kleinere ‘A’ is dus gunstig. Een smallere kuip en koffers helpen daar ook bij, terwijl die waarschijnlijk ook de luchtweerstandscoëfficiënt Cw verkleinen. Win-win dus. Dan is de brandstoftank verkleind, zodat Tyler beter achter het ruitje kan wegduiken: ook weer minder oppervlak en een betere stroomlijn. Standaard is de tank trouwens 22 liter, maar zoveel hoef je toch niet mee te nemen bij een recordpoging. De luchtweerstand is dus aardig verlaagd, zodat je veel harder kunt rijden voordat de luchtweerstandskracht gelijk is aan de aandrijfkracht. Daar zul je de eindoverbrenging dan wel op moeten aanpassen.

Snelheidsindex

Tyler haalde maar liefst 311,014 km/u met de Indian Challenger. Da’s geen kattenpis, zeker niet voor de standaard Metzeler Cruisetec-banden. Die hebben de snelheidsindex H, bedoeld voor snelheden tot 210 km/u. De hoogste snelheidsindex die er te koop is, is Y, tot 300 km/u. Vandaar dat Indian meldt dat er ‘Dunlop-banden zijn gemonteerd die geschikter zijn voor snelheids­pogingen over land’. Geschikter, als in ‘minder ongeschikt’. Want voor deze snelheid is er geen snelheidsindex. Maar de banden hebben het gehouden, dus het record is een feit en de champagne kon los…

Motorrijden in de sneeuw

0
motorrijden in de sneeuw
Foto: Joerg Mitter Red Bull Content Pool

Motorrijden in de sneeuw lijkt in eerste instantie op een huwelijk dat nog voor het altaar sneuvelt. Maar zoek je iets verder, kom je toch op bijzondere verhalen uit en blijken ze soms nog best samen te gaan. Soms luidt vloekend, soms in voorzichtige harmonie tijdens die bijzondere witte bruidsweken.

Olympische Winterspelen voor motoren

Daar hebben de TT Circuit-klagers niet van terug!

Iedereen die een keer op wintersport is geweest, kent de gave sneeuwscooters van de eerste hulp wel. Vaak met zwaailicht en sirene zie je ze snellen naar de volgende brokkenpiloot. Dat wij er in Nederland ook eentje hebben, met als standplaats het immer bekende Tynaarlo, is ongetwijfeld minder bekend. Geleend uit Finland, speciaal voor een mogelijke Elfstedentocht. Die tocht ging uiteindelijk niet door, maar de sneeuwscooter bleef want overnemen was goedkoper dan terugsturen. Omdat het maar weinig sneeuwde de laatste jaren, stond-ie werkeloos in een hoekje maar werd desondanks wel operationeel gehouden. Toen het TT Circuit ambulancechauffeur Ben Hendriks vorig jaar belde of hij zin had om te komen testen, hoefde hij uiteraard niet lang na te denken. En zo zie we hem vol gas de Haarbocht insturen. Ietsje langzamer dan Márquez en Rossi, maar nog altijd indrukwekkend hard.

Foto: Marcel J. de Jong.

Koud, Kouder, Koudst

Wat?! Een baantemperatuur van – 0,7 graden. Iedereen weet waarschijnlijk meteen dat we het over het WorldSBK-weekeinde op Assen van 2019 hebben. Op zaterdag kon er niet eens gereden worden vanwege sneeuw! Eind 2020 sprak een van de hoofdrolspelers, Michael van der Mark, er nog mooie woorden over in MOTO73: ‘Dat we dat weekeinde zo bizar hard en fel konden rijden, verbaast mij eigenlijk nog steeds. Het was zo koud en toch reden we ronderecords. Ik weet nog goed dat ik aan het einde van Race 1 echt moeite had om rond te komen, omdat mijn armen en handen zo’n pijn deden vanwege de kou. Het was haast niet meer te doen, alsof je aan het schaatsen was. Ik denk niet dat ik eerder zo blij was dat een race er op zat!’

In april is sneeuw op Assen overigens niet heel bijzonder, zo blijkt, want in 2008 gingen de Paasraces voor het ONK Wegrace helemaal niet door. De reden? Voorspelde sneeuwbuien waardoor de SMA uit Assen op voorhand het hele spel al afblies.

Zweetdruppels onder nul

Jawel, zweetdruppels, ook als het sneeuwt en ijskoud is, zoals in 2018 op het Eurocircuit. Na een val in de kwalificatie moest Jeffrey Herlings zijn voorwiel laten wisselen en mocht hij slechts als negentiende oprijden. Maar daar werd Herlings niet zenuwachtig van! Hij bouwde zijn wedstrijd rustig op en juist op het moment dat Herlings de aanval op leider Tony Cairoli in wilde gaan zetten, maakte de Italiaan een foutje. De tweede manche was nog veel mooier op het ondanks de vorst perfect geprepareerde Eurocircuit. Op het moment dat Herlings de tweede plaats in handen kreeg, leek Cairoli gevlogen met tien seconden voorsprong. Kansloos!? Niet als je Herlings heet. Het verkleumde publiek kreeg zo waar het voor was gekomen, een duel tussen de twee grootheden. Het bleef spannend tot de laatste meters, maar Herlings liet zich niet verrassen en won. Derde man Gautier Paulin, in 2020 winnaar in Valkenswaard, werd op een minuut achterstand gereden! Zweetdruppels onder nul, ze waren te zien bij JH84.

Foto: Ray Archer/KTM.

Winterwonderland

Niet alleen in Nederland kun je waanzinnige foto’s maken van besneeuwde circuits. Wat te denken van deze van Britse Cadwell Park, met rechts onder de wereldberoemde The Mountain.

Foto: Cadwell Park

Sneeuw als Typp-ex

Tegenwoordig zijn alle teampresentaties online – en dat heeft niet alleen met corona te maken –, maar vroeger werd je nog echt uitgenodigd. Zoals in 1992 toen Henk Keulemans naar het Zwitserse Verbier reisde voor de presentatie van Lucky Strike Suzuki met Kevin Schwantz, Doug Chandler, Herri Torrontegui en Wilco Zeelenberg! De oplettende kijker zal zien dat de sneeuw aan de onderkant van de Suzuki wat ongemakkelijk hoog zit. Met reden, want Suzuki was vergeten de Dunlop-sticker te vervangen door eentje van Michelin. Gelukkig ziet Henk zo’n beetje alles en zo werd voorkomen dat de teamleiding van Lucky Strike Suzuki een enorme blunder maakte. Dat ze Henk er erg dankbaar voor waren, zal duidelijk zijn.

Na de val van de bijl: het bloedbad van Euro 5

Sneeuw en de Grand Prix-wereld was overigens niet altijd een goede combinatie, zoals in 1974 op de Nürburgring, met naast sneeuw ook mist en ijs. Het leverde zelfs een staking op van de topcoureurs. De Salzburgring kreeg zelfs verschillende keren sneeuw. Een keer enkel tijdens de training, maar in 1980 werd de GP afgelast, nadat er in de dagen ervoor een meter viel.

Op het IJsselmeer

Hartstikke leuk hoor, al die schaatsers op het ijs maar wij worden toch warmer van ijsspeedway. Helemaal als het in Nederland is! IJsspeedwayers Bart Schaap, Niek Schaap en Simon Reitsma hoefden zich geen moment te bedenken toen ze de kans kregen om aan de Afsluitdijk bij Kornwerderzand te kunnen rijden op het IJsselmeer (what’s in a name…). Niet zomaar een gekozen locatie, maar eentje die veilig is en waar niet wordt geschaatst. Dankzij 2,8 millimeter lange spikes – voor zo’n 160 stuks, achter 200 – ging het al snel bloedsnel. Wat snel is? 130 kilometer per uur… Op ijs!

Foto: KNMV.

Van MotoGP naar WorldSBK: de succesformule ontrafeld

0
Álvaro Bautista is het perfecte voorbeeld van de succesformule: niet winnen in de MotoGP, maar wél wereldkampioen worden in de Superbike.
Álvaro Bautista is het perfecte voorbeeld van de succesformule: niet winnen in de MotoGP, maar wél wereldkampioen worden in de Superbike.

Veel rijders die net niet slagen in de MotoGP of Moto2 zoeken hun geluk in het World Superbike-kampioenschap. En met succes: voor meerdere coureurs leverde dat niet alleen wereldtitels op, maar ook een flinke bron van inkomsten. Denk aan Álvaro Bautista, Max Biaggi en Carlos Checa. Maar er zijn er meer. Nicolò Bulega is een recent voorbeeld van een rijder die zijn carrière nieuw leven inblies in de WorldSBK. Motor.NL dook in de overstap van Grand Prix naar World Superbike en zette de opvallendste succesverhalen op een rij.

Van WorldSBK naar MotoGP: wat de overstap van Razgatlıoğlu zo moeilijk én bijzonder maakt

In dit artikel bleek al dat maar weinig rijders vanuit het World Superbike-kampioenschap succes weten te boeken in de MotoGP en voorheen 500cc. In 2026 gaat drievoudig Superbike-wereldkampioen Toprak Razgatlıoğlu alsnog een poging wagen in de koningsklasse. Maar andersom — de stap van MotoGP of 500cc naar World Superbike — blijkt voor veel rijders juist wél een succesvolle route. Bij zeven rijders die deze overstap maakten resulteerde dat in een wereldtitel in de Superbike-klasse. Zij worden in dit artikel stuk voor stuk besproken. Daarnaast zijn er voorbeelden als Troy Bayliss en Troy Corser, die zowel vóór als ná hun MotoGP/500cc-avontuur een wereldtitel behaalden in de Superbike.

De huidige trend

Het deelnemersveld van zowel het World Superbike- als het World Supersport-kampioenschap bestaat tegenwoordig grotendeels uit rijders met een Grand Prix-achtergrond. Van de 22 World Superbike-rijders in 2026 hebben er maar liefst zestien een verleden in de MotoGP of Moto2 — dat is 73%. Een fors hoger percentage dan vroeger. Hoe dat komt? Dat is het gevolg van meerdere factoren.

Allereerst is er niveauverschil tussen de Grand Prix- en WorldSBK-competitie. Een middenmoter in de Moto2 kan snel uitgroeien tot een wereldkampioen Supersport. Denk aan Andrea Locatelli, Dominique Aegerter, Nicolò Bulega en Stefano Manzi, die dat de afgelopen jaren hebben bewezen. Veel van deze rijders veroverden daarna een lucratief fabriekscontract in het World Superbike-kampioenschap. Ook financieel is de overstap dus aantrekkelijk — vooral wanneer er geen zicht is op een MotoGP-zitje. Een treffend voorbeeld is Jake Dixon. Ondanks meerdere Grand Prix-zeges in de Moto2 lukte het hem niet om door te stoten naar de MotoGP. In 2026 gaat hij als Honda-fabrieksrijder aanmerkelijk meer verdienen in de World Superbike dan hij ooit deed in de Moto2. Een plek bij een Superbike-fabrieksteam betaalt simpelweg stukken beter dan een Moto2-zitje.

De eerste wereldkampioen die de route Moto2 → Supersport → Superbike succesvol aflegt, moet nog komen — maar Bulega lijkt voor 2026 een serieuze kanshebber. Daarnaast biedt World Superbike ook voor MotoGP-rijders zónder zitje een aantrekkelijke mogelijkheid om op hoog niveau en met een goed salaris hun carrière voort te zetten. Zo raakten Miguel Oliveira en Somkiat Chantra eind 2025 hun plek in de MotoGP kwijt, maar staan zij in 2026 onder contract als goed betaalde fabrieksrijders bij respectievelijk BMW en Honda in het World Superbike.

Techniek en achtergrond

De overstap van het Grand Prix-paddock naar World Superbike is de afgelopen decennia eenvoudiger geworden. Sinds het verdwijnen van de tweetaktklassen (125cc, 250cc, 500cc) wordt in de Grand Prix ook met viertaktmotoren gereden — net als in het World Superbike, waar dat altijd al het geval was. Waar World Superbike vroeger werd gevuld met kampioenen uit nationale kampioenschappen als het British Superbike (BSB) of MotoAmerica, is dat aandeel inmiddels flink afgenomen. De kloof tussen BSB en het WK is namelijk groter geworden, vooral door technische regelgeving. In de BSB wordt gereden zónder elektronische hulpmiddelen, terwijl die in de World Superbike juist steeds verder zijn ontwikkeld. Waar een BSB-kampioen vroeger automatisch gold als WK-kandidaat, is dat nu veel minder het geval. Sterker nog: van alle BSB-kampioenen in de afgelopen 15 jaar hebben alleen Alex Lowes en Scott Redding races weten te winnen in het World Superbike-kampioenschap. Ook MotoAmerica, ooit een vaste kweekvijver voor het WK Superbike (denk aan Colin Edwards, Ben Spies, Ben Bostrom en Doug Polen), levert nog maar weinig rijders af op WK-niveau. Het niveau in de breedte is daar simpelweg gedaald. Garrett Gerloff is momenteel de enige actieve World Superbike-rijder die uit dit kampioenschap afkomstig is.

Is Nicolò Bulega de eerste coureur die via de Moto2- en World Supersport-route wereldkampioen Superbike wordt?

Financiële drempel

Een andere reden voor de toename van rijders met een Grand Prix-achtergrond in het WorldSBK-paddock is de stijging van de kosten. In het World Supersport-kampioenschap rijden vrijwel uitsluitend privéteams, die grotendeels afhankelijk zijn van de financiële inbreng van hun coureurs. Een seizoen World Supersport kost al snel zo’n €200.000. De stap vanuit een nationaal kampioenschap naar het WK is daardoor enorm groot geworden. Dat geldt ook voor de doorgroei vanuit de World Supersport 300, wat vanaf 2026 de World Sportbike-klasse wordt. Rijders uit de Moto2 of MotoGP hebben daarentegen vaak al stevige sponsorcontracten, bijvoorbeeld met pak- en helmleveranciers. Die nemen ze deels mee bij een overstap naar World Supersport of Superbike. Aangevuld met de opgebouwde reputatie van GP-rijders die vaak slagen in de WorldSBK maakt dat de overstap stukken makkelijker — én interessanter voor teams. Die krijgen met de rijders namelijk niet alleen sportieve zekerheid, maar vaak ook financiële rust. Het gevolg? De nieuwe instroom in het World Superbike bestaat de laatste jaren bijna uitsluitend uit rijders met Grand Prix-ervaring. Sommigen stromen rechtstreeks door vanuit de MotoGP, anderen nemen via de Moto2 eerst een tussenstop in de World Supersport. Maar de route is duidelijk: vanuit de Grand Prix naar succes in de Superbike — sportief én financieel.

Exclusief interview Zonta van den Goorbergh: ‘Er zit veel nieuwe motivatie in het team’


Raymond Roche – 1990

Raymond Roche was in de jaren tachtig fabrieksrijder voor Honda, Yamaha en Cagiva in de 500cc-klasse. Zijn beste resultaat behaalde de Fransman in 1984 met een derde plaats in het wereldkampioenschap. Een Grand Prix-overwinning zat er in zijn 83 starts echter niet in. Toen in 1988 het wereldkampioenschap Superbike werd opgericht, stapte Roche een jaar later over naar deze nieuwe raceklasse. Ducati contracteerde hem en daar kwam het succes wél: hij won maar liefst 23 keer in 97 races. In alle vier zijn seizoenen eindigde Roche in de top drie van het klassement, met als hoogtepunt de wereldtitel in 1990.

Raymond Roche (11) op Honda in zijn beste 500cc-seizoen in 1984, vóór de latere wereldkampioen Eddie Lawson (4).

John Kocinski – 1997

Door zijn soms onhandelbare en eigengereide karakter heeft John Kocinski niet alles uit zijn carrière gehaald. Aan zijn talent twijfelde echter niemand. In 1990 werd de Amerikaan, bijgenaamd “Little John”, wereldkampioen in de 250cc, waarna teambaas Kenny Roberts hem doorschoof naar het Marlboro Yamaha-team in de 500cc. Later zou hij ook uitkomen voor Cagiva in de koningsklasse. Kocinski won in totaal vier keer in de 500cc, maar dat aantal deed geen recht aan zijn uitzonderlijke kwaliteiten. Eind 1994 zat hij zonder zitje en besloot hij professioneel waterskiër te worden. Zoals wel vaker in zijn carrière strandde ook dit avontuur al snel. In 1996 maakte hij zijn entree in het World Superbike-kampioenschap, eerst als Ducati-coureur en een jaar later bij het fabrieksteam van Castrol Honda. Daar toonde hij opnieuw zijn klasse en werd wereldkampioen in 1997. Daarmee doorbrak hij bovendien de tot dan toe oppermachtige reeks van Ducati. Zijn successen leverden hem vanaf 1998 opnieuw een zitje in de 500cc op, al eindigde ook dat avontuur na twee seizoenen.

John Kocinski (links) reed in 1991 en 1992 samen met Wayne Rainey (rechts) in de 500cc Grand Prix voor het Marlboro Yamaha-team van Kenny Roberts. Rainey werd beide jaren wereldkampioen, terwijl Kocinski twee races wist te winnen.

Neil Hodgson – 2003

Voor velen is het onbekend dat Neil Hodgson een achtergrond had in de Grand Prix voordat hij langzaamaan doorgroeide tot wereldtopper in het World Superbike-kampioenschap. De Brit reed twee jaar in de 125cc-klasse, voordat hij in 1995 een seizoen uitkwam op een ROC Yamaha in de 500cc. Hodgson viel op met sterke resultaten en werd beste privérijder. Dat leverde hem een fabriekscontract bij Ducati in het World Superbike op. Echt overtuigen kon hij in eerste instantie echter niet. Na drie jaar – waaronder een seizoen bij Kawasaki – keerde hij tijdelijk terug naar eigen land om uit te komen in het Brits Superbike-kampioenschap (BSB). Vanaf 2001 kreeg Hodgson opnieuw kansen bij Ducati. Eind 2002 vertrokken rijders als Colin Edwards en Troy Bayliss naar de MotoGP, waardoor Hodgson werd teruggehaald naar het fabrieksteam. In 2003 greep hij de wereldtitel. Binnen de Ducati-familie kreeg hij daarna de kans om zich te bewijzen in de MotoGP, maar dat avontuur duurde slechts één seizoen door tegenvallende resultaten.

Neil Hodgson werd in 2003 wereldkampioen Superbike. De Brit stelde de titel veilig op het TT Circuit Assen.

Max Biaggi – 2010 & 2012

Jarenlang domineerde Max Biaggi het 250cc-wereldkampioenschap, met vier wereldtitels op rij tussen 1994 en 1997. Ook in de 500cc en later in de MotoGP was de ‘Romeinse keizer’ een absolute topper, maar telkens nét niet goed genoeg om kampioen te worden. Aanvankelijk zat Michael Doohan hem in de weg, later bleek zijn Yamaha niet opgewassen tegen de Honda’s en Suzuki’s, en vervolgens nam zijn grote rivaal Valentino Rossi het stokje over. Maar dat Biaggi een uitzonderlijke coureur was, daar twijfelde niemand aan. Dat liet hij ook zien in het World Superbike-kampioenschap, waar hij tussen 2007 en 2012 uitkwam voor Suzuki, Ducati en Aprilia. Als Aprilia-coureur greep hij in 2010 én 2012 de wereldtitel.

Max Biaggi was in 2010 en 2012 de beste in de World Superbike met een Aprilia.

Carlos Checa – 2011

Carlos Checa is een klassiek voorbeeld van een coureur die het nét niet wist te maken in de 500cc/MotoGP-klasse. De Spanjaard was goed voor twee Grand Prix-overwinningen, maar het lukte hem nooit om zich tot wereldkampioen te kronen. In 2008 zette Checa een stap terug naar het World Superbike-kampioenschap. Daar reed hij eerst twee seizoenen voor Hannspree Ten Kate Honda — met wisselend succes. Maar vanaf 2010, bij Althea Ducati, kon hij structureel meedoen om de topposities. In 2011 was Checa oppermachtig. De Ducati-coureur pakte de wereldtitel met een straatlengte voorsprong op Marco Melandri en Max Biaggi — beide eveneens afkomstig uit de koningsklasse.

Carlos Checa was jarenlang fabrieksrijder in de 500cc en later MotoGP, maar kwam slechts tot twee zeges. In de World Superbike wist hij in 2011 wél wereldkampioen te worden.

Sylvain Guintoli – 2014

Waarschijnlijk hadden velen bij deze lijst niet direct aan Sylvain Guintoli gedacht. Toch reed de Fransman maar liefst 128 Grands Prix voordat hij de overstap maakte naar het World Superbike-kampioenschap. Het grootste deel daarvan (80 races) reed hij in de 250cc-klasse, waar hij slechts één keer het podium haalde tijdens de TT van Assen in 2003. In zijn 48 races in de MotoGP finishte Guintoli slechts vier keer in de top tien. Vanaf 2010 ging hij aan de slag in het World Superbike, en daar wist hij zich wél op te werken tot de wereldtop. Zijn sterkste jaren beleefde hij bij Aprilia, in 2013 en 2014. In zijn tweede seizoen pakte Guintoli de wereldtitel — met een minimale voorsprong op Tom Sykes.

Sylvain Guintoli tijdens zijn enige Grand Prix-podium: een derde plek in de 250cc tijdens de TT Assen in 2003. In de World Superbike zou de Fransman met negen zeges en een wereldtitel meer succes hebben.

Álvaro Bautista – 2022 & 2023

Álvaro Bautista reed van 2010 tot en met 2018 negen seizoenen als subtopper en middenmoter in de MotoGP. Daarvoor werd de Spanjaard in 2006 wereldkampioen in de 125cc-klasse. In 2019 bleek hoe sterk een voormalig MotoGP-subtopper kan presteren in het World Superbike-kampioenschap. Als fabrieksrijder voor Ducati won Bautista zijn eerste elf (!) races op rij. Daarna volgde een terugval, wat hem de wereldtitel kostte. Vervolgens maakte hij de overstap naar Honda, dat hem een lucratief contract bood in het World Superbike. Maar de machine bleek niet competitief genoeg om voor overwinningen te strijden. In 2022 keerde Bautista terug naar Ducati en met succes. Hij veroverde overtuigend de wereldtitel, en herhaalde dat kunststukje een jaar later in 2023.

Álvaro Bautista (rechts) reed 159 MotoGP-races, waarin hij drie podiumplaatsen behaalde. Zo werd hij in 2014 derde, achter Marc Márquez en Valentino Rossi in Frankrijk.

Winnen in beide raceklassen

In totaal zijn er negentien coureurs die overwinningen hebben behaald in zowel de 500cc/MotoGP als in het World Superbike-kampioenschap.

Positie Coureur MotoGP/500cc World Superbike
1Michael Doohan543
2Max Biaggi1321
3Alexander Barros71
4Marco Lucchinelli62
5Marco Melandri522
6John Kocinski414
7Cal Crutchlow33
8Garry McCoy31
9Nicky Hayden31
10Carlos Checa224
11Danilo Petrucci23
12Makoto Tamada23
13Troy Bayliss152
14Pierfrancesco Chili117
15Ben Spies114
16Regis Laconi111
17Chris Vermeulen110
18Kevin Magee12
19Andrea Iannone11
Max Biaggi (3) won 21 races in de World Superbike en 13 in de 500cc/MotoGP. Toch werd hij, mede door zijn grote rivaal Valentino Rossi (46), nooit wereldkampioen in de koningsklasse.

Techniek: alles wat je wilt weten over motor-winterbanden

0
Motor in de sneeuw
Als je met echt winterweer op pad gaat, kan een winterband extra veiligheid brengen.

Bij auto’s is het heel gewoon om in de winter speciale winterbanden te monteren. Bij motorfietsen wordt dit zelden gedaan. Toch zijn er wel winterbanden te koop. Maar wanneer is een band een echte winterband?

Er zijn twee belangrijke componenten die zorgen dat een band een winterband is. Het eerste is de compound, de tweede het profiel. Dat eerste is zwarte magie, daar zie je aan de buitenkant niks van. Het profiel is wat duidelijker, al komt er nogal wat bij kijken. Je zou kunnen denken dat de codering M&S – modder en sneeuw – een duidelijke clou is, maar dat is niet zo. Een M&S-band kan totaal ongeschikt zijn voor winters gebruik. De M&S-codering geeft namelijk alleen aan dat een band een bepaalde, maximale ‘land/zee’-verhouding heeft, dus een bepaald minimum aan ‘groefoppervlak’ ten opzichte van een maximum aan blokoppervlak, dat wegcontact heeft. Vaak zijn dit soort banden ontwikkeld voor offroadgebruik, met lekkere grote groeven en blokken. De blokken kunnen zich gemakkelijk in de bodem drukken en afzetten, terwijl de groeven zo zijn gevormd dat het zand er ook gemakkelijk weer uit wordt geslingerd.

Asfalt uitgelegd: meerdere soorten met verschillende eigenschappen

Voor sneeuw werkt dat niet. Bij sneeuw is het juist belangrijk dat de groeven vollopen met sneeuw en het vasthouden. Rubber glijdt namelijk gemakkelijk over sneeuw, maar sneeuw tegen sneeuw geeft juist een heel hoge wrijving. Probeer maar eens twee sneeuwballen langs elkaar te wrijven. Dat gaat heel moeilijk, het heeft heel veel adhesie. Dus voor rijden in de sneeuw heb je liever veel groeven die sneeuw vasthouden, dan hele brede, die sneeuw loslaten.

Ook hebben M&S-banden, die voor on- en offroad worden gebruikt, vaak een harde rubbersamenstelling en massieve, stabiele rubberblokken. Dat moet omdat de band anders te veel slijt en beweegt. Een M&S-band die voor ‘allroad’-toepassingen is ontworpen, is daardoor zelfs uitermate ongeschikt om als winterband te dienen. Een band is pas een winterband als deze een rubbersamenstelling heeft die onder de 7° Celsius nog soepel is (minder dan 65 Shore(A)) en die grip biedt bij nat weer dankzij daarvoor ontwikkeld profiel en een rubbercompound met silica. Om onderscheid te maken tussen M&S-banden en echte winterbanden, zijn winterbanden voorzien van een symbool van een sneeuwvlok in een tekeningetje van drie bergtoppen: het Three Peak Mountain-logo.

Motor in de sneeuw.
Als je echt sneeuw tegenkomt, kom je met een straatband niet eens van de plek. Met een winterband wel.

John F. Sipe

Auto-winterbanden hebben niet alleen profielgroeven, maar er zitten ook sleufjes in de profielblokken, die de grip verbeteren. Het belang van die sleufjes in het rubber is al in 1923 ontdekt door John F. Sipe, die ze in zijn schoenzolen maakte om meer grip te hebben. De sleufjes zijn om die reden ook naar hem genoemd. Inmiddels is natuurlijk niet alleen bekend dat deze sipes werken, maar ook waarom. De sipes hebben diverse functies. In sneeuw zorgen ze voor meer grip, doordat ze de rubberblokken laten vervormen. Omdat de blokken in smalle, meer flexibele blokjes worden verdeeld, verbuigen die aparte blokjes zodra er kracht op komt. De blokjes gaan daardoor schuin staan, met de punt op de ondergrond. Tussen de blokjes ontstaan driehoekige holtes, zodat het blok in feite verandert in een sneeuwfrees, die sneeuw wegschraapt. Dat geeft tractie. De sneeuw die zich in de holtes ophoopt, geeft ook behoorlijk wat extra tractie door sneeuw-sneeuw-frictie. En dat komt bovenop de tractie die ontstaat door de wrijving tussen rubber en sneeuw zelf. De sipes hebben daarnaast nog een andere functie wanneer op ijs wordt geremd: door de wrijving, die bij slip tussen ijs en rubber optreedt, kan er ijs smelten en een waterlaagje veroorzaken dat het ijs nog gladder maakt. De sipes kunnen dit water in zekere mate afvoeren, waardoor het rubber erachter toch in contact met het ijs blijft.

Uiteraard is ook de diepte van de sipes van invloed op de grip, omdat de flexibiliteit van de blokken toeneemt als de sipes dieper zijn. Dat verklaart ook waarom winterbanden slechter gaan presteren als de profieldiepte afneemt. Bij een profieldiepte van 4 mm is een autoband zoveel van zijn grip verloren dat hij niet meer als winterband wordt gezien.

Recepten.

Profiel en sipes zijn heel belangrijk voor de grip op sneeuw. De vraag is echter wat je daar als Nederlander aan hebt, want heel vaak sneeuwt het hier niet en als het sneeuwt, zijn de wegen daarna vaak snel weer vrijgemaakt. Waar we wel last van hebben, zijn lage temperaturen. Daar komt de rubbersamenstelling of ‘compound’ om de hoek kijken. Het rubber moet bij lage temperaturen genoeg kunnen vervormen om zich om de microruwheid van het asfalt te plooien en zo een grote wrijvingsweerstand op te wekken. De bandenconstructeur moet daarvoor het juiste recept vinden. De basis van dat recept begint met het rubber zelf. De meeste banden bestaan uit een mengsel van synthetisch en natuurlijk rubber. De mengverhouding ervan bepaalt hoe stug of soepel het rubber is. Het rubber wordt aangevuld met een hele range aan ingrediënten, zoals carbon-black, acceleratoren, silica, activatoren, butadieenrubber, raapolie, MES-olie, harsen, wassen, zwavel, zinkoxide, anti-verouderingstoevoegingen en stearinezuur. Deze zijn ook weer uit verschillende componenten opgebouwd, zodat de samenstelling in feite uit 1.500 verschillende materialen bestaat die de eigenschappen van een compound bepalen.

Spaghetti.

Grof gezien zijn er daarbij vier belangrijke hoofdgroepen. De eerste daarvan zijn de rubberpolymeren. Wanneer styreen-butadieenrubber aan natuurrubber wordt toegevoegd, stijgt de temperatuur waarbij rubber soepel wordt. Het moet dus warmer zijn voordat het rubber ‘werkt’. De verhouding tussen styreen en de hoeveelheid vinylgroepen in dit rubber – dus het soort styreen-butadieenrubber – maakt ook nog uit. Maar voor winterbanden kun je beter butadieenrubber gebruiken. Dat verlaagt het omslagtraject van soepel naar stug, zodat het rubber bij kou beter soepel blijft. Waarbij het ook nog belangrijk is hoe de rubbersoorten aan elkaar zijn gehecht, want ook dat verandert de structuur.

De tweede basiscomponent van een bandencompound is het vulmiddel. Dat kan Carbon Black of Silica zijn. Als je de polymeren als een pan spaghetti ziet, zijn de vulmiddelen de gehaktballen: meer vulmiddel verhoogt de stijfheid en de stabiliteit van de compound bij zijn werktemperatuur, minder vulmiddel verhoogt de flexibiliteit. Carbon Black geeft daarbij een meer mechanische binding van de polymeren (aantrekkingskracht), terwijl silica meer een chemische hechting van de polymeren geeft, wat voor een lagere rolweerstand en betere natweergrip zorgt.

Om het rubber soepel te houden, worden weekmakers als derde groep gebruikt. Het is de tomatenpuree in de spaghetti: het zorgt ervoor dat de slierten goed langs elkaar kunnen glijden en dat het materiaal compressiekrachten kan opvangen, doordat de weekmakers kunnen wegglijden. Als weekmakers worden raapolie en harsen gebruikt. Meer olie zorgt dat het rubber bij een lagere temperatuur al flexibel wordt, terwijl het ook de stijfheid bij werktemperatuur verlaagt. Hars heeft een ander effect, dat verlaagt wel de stijfheid bij werktemperatuur, maar verhoogt de ondergrens van de werktemperatuur.

De vierde exponent die de kwaliteit beïnvloedt is de vulkaniseeragent. Dit zijn stoffen die zorgen dat de rubberslierten aan elkaar verankerd worden, waardoor stabieler, steviger rubber ontstaat. Zwavel is van oudsher een bekend vulkaniseermiddel. Tegenwoordig wordt ook zinkoxide gebruikt. Meer vulkaniseermiddel geeft een stijvere rubbercompound, minder een soepelere.

Techniek bandenreparatie: Lekke band – plakken of niet?

Proeven

De bandenconstructeur heeft dus nogal wat knoppen om aan te draaien en een compound te maken die voor een bepaald doel goed werkt. Een echte ‘multigrade’-compound, die van -40° C tot +40° C soepel blijft, goede grip en hechting biedt en de slijtage binnen de perken houdt, is echter nog niet uitgevonden. Elke rubbercompound heeft een temperatuurvenster waarin het goed presteert. Voor een zomercompound ligt de ondergrens op zeven graden. Daaronder wordt het rubber hard en stug. Het vervormt niet meer en gaat als het ware over de toppen van de asfaltruwheid lopen, waardoor het veel minder contact heeft met het asfalt en veel minder grip biedt. Bij -40° C is het rubber van een zomerband zelfs zo hard dat je het met een hamer kunt versplinteren! Wie bij temperaturen onder de 7 graden veilig wil rijden, zal dus op een band moeten overgaan waarvan de compound is berekend op lagere temperaturen. Een wintercompound heeft een samenstelling die bij lage temperaturen wel soepel blijft. Dat heeft echter weer als nadeel dat de compound boven de 7° Celsius te zacht wordt, waardoor de band instabiel wordt en erg snel slijt.

Keuzes

Voor motorfietsen zijn er op dit moment eigenlijk maar twee merken die winterbanden maken: het Duitse Heidenau en het Turkse Anlas. Heidenau maakt de K60 Snowtex, een winteruitvoering van de K60 allroad M&S-band. Ik heb ze ooit getest, toen ze net uitkwamen. Met de gewone K60 kon ik op koud en nat wegdek 4,4 m/s² remmen, met de K60 Snowtex 7,5 m/s². Die extra grip komt puur van de compound, want beide banden hebben hetzelfde profiel, dus ook zonder sipes. Opvallend was dat we puur uit interesse ook nog een test met de standaard Bridgestone Trailwing hebben gedaan en dat die qua remweg aardig in de buurt kwam van de K60 Snowtex. De verklaring daarvoor is simpel: de TrailWing TW47/TW48 was een op weggebruik gerichte band, de K60 een dual purpose. De TrailWing had dus een andere land/zee-verhouding met veel meer rubber aan de straat. Een groter contactvlak zorgt eveneens voor meer grip op asfalt. In de sneeuw kwam je met de TrailWing echter niet eens van de plek, terwijl je met de K60 Snowtex nog redelijk kon rijden. Rijd je dus alleen op asfalt, dan ben je met een TrailWing net zo goed af. Kom je offroad en/of sneeuw tegen, dan is de K60 Snowtex de veiligste keuze. Dat wil zeggen, als we Anlas buiten beschouwing laten. Ik heb er nooit op gereden, maar als ik naar de Anlas Wintergrip en Wintergrip Plus kijk, zie ik een speciaal winterprofiel met sipes en veel rubber aan de straat, gecombineerd met een sneeuwvlokje en een Three Peak Mountain-logo. Dat zou voor motorfietsen wel eens de beste en veiligste keuze voor de winter kunnen zijn. Voor scooters is er meer keuze, zoals de Metzeler Feelfree Wintec, de Michelin City Grip Winter, Pirelli Angel Scooter Winter en de Continental ContiWinterContact.

Foto’s: Peter Aansorgh, Tjitske Aansorgh en Continental

Wat gebeurt er als ik tijdens code rood toch de weg op ga en schade rij?

1
Motor in de sneeuw

In deze rubriek beantwoorden we vragen over motorverzekeringen. Deze keer het antwoord op de vraag:

Wat gebeurt er als ik tijdens code rood toch de weg op ga en schade rij?

Motor.NL-verzekeringsexpert Maurits van Buren: “In de polisvoorwaarden van verzekeraars staat niet dat schade tijdens code rood niet gedekt is. Toch kan het zijn dat je schade niet vergoed krijgt. Bijvoorbeeld als je te hard rijdt op een met sneeuw bedekte weg; de verzekeraar kan dat zien als roekeloos rijgedrag. Ons advies is om bij code rood niet de weg op te gaan, tenzij het echt niet anders kan. We raden aan om extra voorzichtig te zijn en je snelheid aan te passen aan de omstandigheden.”


Hoe goed ben jij verzekerd? Doe hier je polischeck

Voordelig een door jou zelf samengestelde motorverzekering afsluiten. Dat kan! Bij de Motor.NL Verzekering bepaal jij welke risico’s je wel of niet wilt verzekeren. En dit kun je helemaal zelf online regelen via www.motornl-verzekering.nl/premie-berekenen/. Wacht niet langer en bekijk wat Motor.NL Verzekering voor jou kan betekenen!


Voor meer informatie zijn wij van maandag tot en met vrijdag van 09.00 tot 17.00 te bereiken via 0172-427298. Je kunt natuurlijk ook altijd een mailtje sturen naar info@motornl-verzekering.nl.

Het Kawasaki News 2026 e-magazine is uit

0
Kawasaki News 2026

Kawasaki trapt het nieuwe motorseizoen af met de digitale editie van het Kawasaki News 2026 e-magazine. Motorliefhebbers kunnen thuis eenvoudig de volledige line-up voor 2026 ontdekken.

In dit e-magazine vind je een compleet overzicht van de nieuwste modellen, kleuren en aantrekkelijke accessoirepakketten, met klantvoordelen tot wel €1.850. De meeste modellen zijn overigens al te zien bij de officiële Kawasaki-dealers.

Met negen nieuwe motoren is Kawasaki goed voorbereid op het seizoen 2026.

Bekijk het e-magazine hier.

Veel leesplezier en tot ziens bij een Kawasaki-dealer!

Kawasaki pakt opnieuw de koppositie in Nederland

Producttest Arai Tour X5 vs. Tour X4 – is 1.000 euro voor een Arai gerechtvaardigd?

0
Arai Tour X5

Een jaar geleden kreeg ik de Arai Tour X5 in handen – de opvolger van mijn vertrouwde Tour X4, jarenlang mijn vaste helm. Beide dragen het bekende Arai-DNA: topkwaliteit, vakmanschap en een afwerking waar weinig merken aan tippen. Online gonst het van de meningen, maar wat is nu echt het verschil tussen deze twee? Tijd om ze hard tegen elkaar af te zetten.

Laten we met het pijnpunt beginnen: de prijs. De Tour X5 kost een pittige €979. Ja, dat is flink. Maar Arai weet die prijs te verantwoorden met pure kwaliteit en slimme innovaties. Het ontwerp is volledig vernieuwd – en het meest opvallend is het vizier. Waar de Tour X4 nog scherpe lijnen had met minder bolling, heeft de Tour X5 een veel rondere bolling. Het resultaat? Betere zichtlijnen en meer overzicht onderweg.

Test matrix-ledkoplampen BMW R 1300 RT vs Yamaha Tracer 9 GT: licht uit, spots aan

Een groot voordeel zit in het vizierwisselsysteem. Bij de Tour X4 moest er nog flink met gereedschap worden gepeuterd om van vizier te wisselen. De Tour X5 daarentegen laat zich in seconden ombouwen met blote handen – ideaal voor wie vaak wisselt tussen een donker en helder vizier. Zo’n praktische upgrade is goud waard in de praktijk.

Cruciaal

Comfort blijft koning bij helmen, en daar scoort de Tour X5 dikke punten. Waar de Tour X4 wat krapper om het hoofd sloot, glijd je de nieuwe helm soepeler in. Aanvankelijk was er wel meer windgeruis, maar dat bleek eenvoudig op te lossen met het meegeleverde kinstukje – een klein onderdeel dat een groot verschil maakt. Resultaat: stilte vergelijkbaar met de X4.

Ventilatie is een ander hoofdstuk. De Tour X5 tilt dit naar een nieuw niveau. Het luchtmanagement is flexibeler en effectiever, wat vooral op hete dagen voelbaar is. De Tour X4 stond zijn mannetje, maar de X5 maakt langdurig rijden in de hitte gewoon prettiger.

Conclusie

Na een jaar onafgebroken gebruik is het duidelijk: de Arai Tour X5 is een waardige evolutie van de X4. De verbeterde wisselsystemen, het bredere zichtveld en de mogelijkheid om de helm om te bouwen van adventure-stijl naar straatgebruik maken hem veelzijdig en toekomstbestendig. Wie zonder zonneklep wil rijden, doet er goed aan de Shield Holder te gebruiken – scheelt geluid én oogt strak.

Nieuwe functie: Tour X5 Shield Holder
Arai voegde een slimme extra toe: de Tour X5 Shield Holder. Deze vervangt de peak en maakt de helm visueel cleaner, met keuze uit zeven kleuren voor wie graag zijn eigen stijl laat zien. Tijdens langere ritten bleek bovendien dat het geluidsniveau merkbaar lager ligt dan met de standaard PRS-plaatjes. Een subtiele maar effectieve verbetering.
Verschillende motoren
Waar de Tour X4 zich vooral richtte op adventure-rijders, laat de Tour X5 zich breder inzetten. Zonder zonneklep krijgt de helm een totaal andere uitstraling – perfect voor naked bike-rijders of toerrijders. Die flexibiliteit maakt hem ideaal voor wie meerdere motoren bezit of graag afwisselt tussen stijlen.

Tekst: Nick Glättli

Het is officieel: Jeffrey Herlings naar Honda HRC

0

Jeffrey Herlings stapt over naar Honda HRC. In een uiteindelijk weinig verrassende wending – geruchten gingen al maanden rond hierover – zal Herlings voor het eerst een Honda CRF450R besturen. Met slechts een paar maanden voorbereiding tot de eerste ronde van het MXGP Wereldkampioenschap staat ‘The Bullet’ voor een enorme uitdaging. Toch laat Herlings er geen gras over groeien: hij startte vandaag al op zijn nieuwe motor met trainen om alles klaar te maken voor het nieuwe seizoen. Het doel? Klaar zijn voor de eerste start in dit nieuwe hoofdstuk van zijn al legendarische carrière. Herlings sluit zich aan bij een sterk Honda HRC-team, samen met Tom Vialle en Ruben Fernandez.

Slechts twee maanden tijd

Reactie Jeffrey Herlings: “Het is een grote verandering voor mij, maar eerlijk gezegd ben ik ontzettend enthousiast om bij Honda HRC te komen en de CRF450R te rijden. Ik ben al lang in de paddock en heb veel teams zien werken, dus toen ik hoorde dat ze interesse hadden, was de keuze snel gemaakt. Honda HRC is ongelofelijk professioneel en doet er alles aan om een rijder te laten slagen. Hoewel ik slechts iets meer dan twee maanden heb tot de eerste MXGP-race in Argentinië, kan ik niet wachten om te beginnen. Vandaag gaat het trainingsproces van start en het voelt alsof ik een kind ben met een kerstcadeau. Ik ben er klaar voor om mijn carrière als fabrieksrijder bij Honda HRC te starten.”

Herlings neemt bij Honda de plek over van Tim Gajser in, die op zijn beurt naar Yamaha gaat. De ook al veelvoudig wereldkampioen stapt op de fabrieks-YZ450FM en vormt samen met Maxime Renaux een van de sterkste rijdersduo’s voor komend seizoen.