dinsdag 7 april 2026
Home Blog Pagina 53

Onbruikbaar maar onbetaalbaar: zeldzame Riley-motorfiets uit 1904 gestolen

0
Riley

Op maandag 15 december 2025 vond in een klein dorpje in Suffolk een diefstal plaats die de Britse motorfietswereld in zijn greep hield. Dieven drongen binnen in een beveiligde schuur en stalen een unieke Riley motorfiets uit 1904. Dit exemplaar, dat behoort tot de laatste van zijn soort wereldwijd, is mogelijk het enige nog bestaande in het Verenigd Koninkrijk.

De eigenaar, Bill Fellowes, is de achterkleinzoon van Percy Riley, de maker van deze motorfiets. Voor Fellowes is de machine meer dan een verzamelobject; het is een tastbare verbinding met zijn familiegeschiedenis. Recent had hij veel tijd en geld gestoken in de restauratie van de motorfiets, waardoor het verlies nog pijnlijker is.

De diefstal is ironisch, want de motorfiets is vrijwel onbruikbaar zonder specialistische kennis. De 1904 Riley heeft een complexe startprocedure en mist momenteel een aandrijfriem. Dit maakt de machine moeilijk te verkopen, wat de waarde op de zwarte markt verder ondermijnt.

Verenigd Koninkrijk kampt sinds Brexit met explosieve toename van motordiefstallen

In het Verenigd Koninkrijk is motorfietsdiefstal een groeiend probleem. Meer dan 1,4 miljoen motorfietsen verdwijnen jaarlijks wereldwijd, met Londen als een van de slechtste plekken voor diefstallen. Gewoonlijk worden gestolen motorfietsen gesloopt voor onderdelen of geëxporteerd, maar deze Riley is een museumstuk die zijn waarde ontleent aan authenticiteit en zeldzaamheid.

De historische betekenis van deze motorfiets moge duidelijk zijn. William Riley Jr. had het bedrijf opgericht, dat uiteindelijk zou uitmonden in een legendarisch merk. De technische specificaties van die tijd zijn indrukwekkend, met motoren variërend van 2,25 pk tot 9 pk.

Afbeelding: BBC

Motorfiets gestolen door paard

Unieke beelden: Stadioncross in het Goffert Stadion in Nijmegen 1986

0

Als je op YouTube filmpjes kijkt, kun je echt eindeloos dwalen en wegdromen in de enorme hoeveelheid content. Voor je het weet, zijn er uren verstreken en heb je zelfs het avondeten gemist omdat je weer eens bent blijven hangen in een video waarvan je niet eens wist dat die bestond. Zo ontdekte ik laatst toevallig een video over Stadioncross in het Goffert Stadion in Nijmegen, en wel uit 1986. Dit is zo’n video waar je compleet in op kunt gaan. Geniet ervan!

Beelden: YouTube – Richard Kortland

Stadioncross Nijmegen

Vier Kerst bij Motorkledingstore: tweede kerstdag open

0
Motorkledingstore

Vermijd de woonboulevards, bezoek Motorkledingstore op tweede kerstdag! Smul van een gratis broodje warme worst en natuurlijk ontbreekt de warme chocolademelk niet. Maar dat is nog niet alles!

Er wacht een cadeaubucket met een waarde van 100 euro op iedereen die 200 euro of meer spendeert. Met de start van de Wintersale zit je daar zo aan: je krijgt eerste keus in de uitverkoop met kortingen oplopend tot 50%!

Vrijdag 26 december zijn alle megastores geopend van 12:00 tot 17:00 uur. Ben jij van de partij? Dan maken we er samen een gezellig kerstfeest van!

Motorkledingstore wenst alle motorrijders van Nederland een geweldige Kerst en een nieuw jaar met veel veilige kilometers.

Speciale openingstijden van Motorkledingstore rondom de feestdagen:

  • Kerstavond (woensdag 24 december) open van 10:00 – 17:00 uur
  • Eerste Kerstdag (donderdag 25 december) gesloten
  • Tweede Kerstdag (vrijdag 26 december) open van 12:00 – 17:00 uur
  • Oudejaarsdag (woensdag 31 december) open van 10:00 – 16:00 uur
  • Nieuwjaarsdag (1 januari) gesloten

Nieuw jaar, nieuwe job?

Bij Motorkledingstore zijn we op zoek naar gedreven motorrijders. Er zijn diverse vacatures beschikbaar. Zowel in de winkels als op kantoor. Bekijk de vacatures, solliciteer en maak werk van je hobby!

Interview Louis Vosters: van blauw via zwart naar rood

0
Louis Vosters

Sommige zestigers kijken reikhalzend uit naar hun pensioen. Louis Vosters hoort daar niet bij. De 68-jarige Bergeijkenaar begint aan een nieuw hoofdstuk als teambaas van het MXGP-fabrieksteam van Ducati, dat hij de komende drie jaar onder zijn hoede neemt.

Louis Vosters is zijn hele leven verbonden met de cross. Hij heeft vijftien jaar lang de sport beoefend en behoorde tot de top tien in Nederland. Een internationale carrière zat er niet in; als echte zandhaas voelde hij zich niet thuis op harde banen. Na zijn actieve carrière richtte hij het Wilvo-team op, dat eerst een privéteam was en later het fabrieksteam van Yamaha werd. Toen Yamaha in 2023 de samenwerking beëindigde, ging Vosters verder met Fantic. Maar een aanbod van Ducati kon hij niet weerstaan, en dus leidt hij vanaf het seizoen 2026 het MXGP-team van Ducati.

De laatste kans van Ben van den Bogaart #terugblik

Wanneer was het eerste contact met Ducati?

‘Dat was in augustus 2023. Een paar maanden eerder hoorde ik dat Yamaha niet verder wilde. Toen kwamen de Italianen bij me. Ze vonden dat ze nog niet ver genoeg waren om samen te werken; de motor was nog te veel in ontwikkeling. Serieus meedoen in de GP’s zat er nog niet in, dus kozen ze voor het team van Corrado en Marco Maddii, een Italiaans team dichtbij de fabriek. Ze wilden eerst in het Italiaans kampioenschap starten.’

Louis Vosters is uiterst geconcentreerd tijdens de wedstrijden.

En toen werd het Fantic?

‘Fantic heeft mij benaderd. Ze hebben mij naar Italië gevlogen. Eigenlijk waren we er binnen een paar uur uit. Ik heb ontzettend fijn gewerkt met de mensen van Fantic. Ik had een optie voor nog een jaar. Eigenlijk zou ik pas in 2027 beginnen met Ducati, maar door interne omstandigheden viel de beslissing om eerder te starten. Het was lastig om dat tegen Fantic te zeggen. Het waren twee goede jaren. Ze waren fijn in de omgang, we hebben goed naar elkaar geluisterd. Daar ben ik ze erg dankbaar voor. Zij waren bereid onderdelen te maken om te testen. We hebben de motor verder ontwikkeld zonder fabrieksmateriaal van Yamaha erin. En dat heeft heel goed uitgepakt. De rijders waren er ook blij mee, Glenn met name. Glenn is heel kieskeurig en hij was erg blij dat we een motor hadden waarmee hij goede resultaten kon behalen.’

Hoe was het verdergegaan als Fantic niet was gekomen? Stoppen?

‘Ik wilde echt niet stoppen. Dan had ik misschien weer een privéteam opgezet, wat natuurlijk heel erg lastig is.’

Dat was gelukkig niet nodig en nu heb je voor drie jaar zekerheid.

‘Ik stop voorlopig nog niet. En Ducati heeft de intentie om langer door te gaan.’

Met twintig GP’s over de hele wereld moet je veel reizen. Vind je dat na al die jaren nog wel leuk?

‘Het is hartstikke mooi als je de dingen kunt doen die je leuk vindt. Ik voel me bevoorrecht. Ik heb het trouwens nooit in mijn leven als echt werk gevoeld, ook niet toen ik een bedrijf had. Ik ben dagelijks in de werkplaats en op kantoor. Ik heb veel moeten reizen, vooral op het eind van het seizoen met Turkije, China en Australië en daarna nog de Nations in Amerika. Het is gewoon wat het is. Ik zie er helemaal niet tegenop. We gingen van China rechtstreeks naar Australië. Daar hadden we een paar dagen vrij. Dan kun je dus zelf iets doen. Maar bij alle andere GP’s is het gewoon op en neer. We vertrekken op donderdag of vrijdag en dan maandag weer naar huis. Als je dat niet doet, ben je eigenlijk nooit meer thuis. Twintig GP’s in zeven maanden, dan heb je gemiddeld drie per maand. Thuis moet er ook het een en ander gebeuren, anders blijft er te veel liggen.’

Wat zijn je eerste ervaringen met Ducati?

‘We hebben wekelijks een Teams-meeting. Dat staat voor elke dinsdag gepland. Dan spreken we alles door, vooral op technisch gebied. Dat is gewoon heel goed. We spelen allebei kort op de bal. Zo ontstaan er geen misverstanden.’

Het MXGP-team van Ducati stond dit jaar onder leiding van Paolo Ciabatti. Jij bent gewend teambaas te zijn. Twee kapiteins op één schip?

‘Nee, Ciabatti is general manager offroad. Hij staat aan het hoofd van alles wat bij Ducati met offroad te maken heeft. Dus niet alleen het MXGP-team en het nieuwe MX2-team, maar ook de ontwikkeling van de productiemotor en de enduromotor. Hij is bij alle Grands Prix aanwezig, maar ik ben nog steeds de baas over mijn eigen team. En dat vind ik natuurlijk goed.’

Met Glenn Coldenhoff en Fantic beleefde Louis Vosters met zijn team twee mooie jaren in de MXGP.

Paolo Ciabatti vertelde mij in Arnhem dat jullie samen de keuze van de rijders zouden maken.

‘Ja, dat klopt. Jeremy Seewer had nog een contract met Ducati dat volgend jaar doorloopt. Ik heb al twee keer eerder met Seewer samengewerkt, in totaal vijf jaar. Hij is dus heel vertrouwd voor mij. De Italianen wilden graag een Italiaan in het team hebben, een jonge rijder. Andrea Bonacorsi heeft dit jaar voor mij gereden. Die jongen heeft potentie, heeft goede uitslagen gereden. Ik wilde hem er graag bij houden, want hij is een superfijne jongen, een harde werker en heel serieus. Hij is pas 22 jaar. Ducati vond dat vanuit hun perspectief een goede keuze. Onze derde rijder is Calvin Vlaanderen. Een goede jongen. Hij is ook een harde werker, heel serieus.’

De keuze voor deze rijders betekende dat jij afscheid moest nemen van Glenn Coldenhoff.

‘Dat was niet gemakkelijk. Glenn heeft vijf jaar bij mij gereden. Het waren vijf mooie jaren. Heel mooi dat hij dit jaar derde in het WK is geworden. Ducati wilde verjongen. Ik ben blij dat ik met Calvin wel weer een Nederlander in het team heb. Ook een jongen die net als Glenn heel professioneel bezig is. Ik had een band met Glenn en met de mensen om hem heen. Glenn was hier dagelijks. Het was supermoeilijk om afscheid van hem te nemen. We hebben ter afscheid vorige week met hem en zijn vrouw gegeten. Glenn heeft gelukkig weer onderdak gevonden voor volgend jaar (Coldenhoff gaat rijden voor Yamaha C6 Bank IMS Racing in het Braziliaans kampioenschap; J.B.). Ik denk dat het voor hem best wel mooi is op die manier zijn carrière af te bouwen.’

Interview zijspancross-legende Cor van der Bijl: al meer dan een halve eeuw plezier!

Ducati gaat komend jaar ook van start in de MX2. Heb jij daar bemoeienis mee?

‘Nee, dat wordt gedaan door een Italiaans team, Beddini, en staat los van ons team. We zullen misschien wel eens een keer met elkaar overleggen.’

Is er al getest door de nieuwe rijders?

‘We hebben de eerste tests gedaan. Het heeft me verbaasd hoe sterk Calvin is, hoe technisch hij rijdt. Ik verwacht wel het nodige van hem. We hebben zes dagen getest. We zijn in Duitsland geweest en hebben in Lommel en Arnhem gereden. En nu is iedereen naar Spanje. Ik ga er ook heen. We gaan daar nieuwe onderdelen testen en hopen dan weer een stapje te maken. Dit is wel een intensieve periode voor ons. De ontwikkeling geschiedt op twee fronten, in Italië en bij ons. Er wordt met man en macht gewerkt om nieuwe onderdelen te maken. We doen alles in overleg. Ik ga natuurlijk niet zomaar zelf iets maken of tunen. Dat gaat in heel goed overleg. Dat bevalt mij enorm goed. Met Fantic was dit ook grotendeels het geval. Yamaha was iets minder flexibel, daar ging het minder in overleg. Daar werd eigenlijk alles bepaald door het management.’

Hoe ziet na de jaarwisseling de weg naar de eerste GP eruit?

‘We gaan in januari de hele maand trainen op Sardinië. Dat doet vrijwel iedereen. Er zijn daar niet alleen zandbanen, maar ook harde circuits. We kunnen dus variëren. Het is daar dan over het algemeen goed weer. Aansluitend twee wedstrijden voor het Italiaanse kampioenschap. En misschien ook nog wel Hawkstone Park en Lierop.’

Heeft de overgang naar Ducati nog gezorgd voor personele wijzigingen?

‘Er zijn twee monteurs gestopt; die zitten niet meer in de GP’s. Ik had dus sowieso aanvulling nodig. Op technisch en logistiek gebied hebben we de staf een beetje uitgebreid. We hebben nu ook een partsmanager. We zijn in totaal met zestien mensen. Daarbij ook Italianen, maar geen Nederlanders. We hebben een internationale crew en dat vind ik prima.’

Het was al lang bekend, maar pas tijdens de EICMA werd officieel bekend gemaakt dat Louis Vosters het MXGP-team van Ducati gaat managen. Hier Vosters met Ducati’s CEO Claudio Domenicali (midden) en offroad-manager Paolo Ciabatti.

Heeft Ducati jou een doelstelling gegeven?

‘Ze hebben me niet echt iets meegegeven. Om wereldkampioen te worden heb je het goede materiaal nodig. En de goede rijders. Ik ben heel blij met de line-up van dit moment. Als we de motor nog beter op punt krijgen, denk ik dat Seewer, Bonacorsi en Vlaanderen best competitief kunnen zijn. Maar wellicht zou er in de toekomst nog een echte topper bij kunnen komen. We gaan ons best doen om er iets moois van te maken.’

De omschakeling naar een nieuw merk heeft nogal wat gevolgen. Eind 2023 verdween het blauw van Yamaha. Dat werd vervangen door het zwart van Fantic en nu is het rood van Ducati de basiskleur.

‘Het is een hele klus om alles aan te passen. Het meeste is klaar. Alle transportmiddelen hebben de nieuwe kleur. De werkplaats is bijna klaar. Je moet alle tenten, de matten, de banners, alles, alles vervangen. Het is een hele waslijst.’


Nick Leerkes bij Star Twin Motors

Op een drukbezochte avond maakten Star Twin Motors uit Loenen en Nick Leerkes hun plannen voor 2026 bekend. De 29-jarige crosser, geboren in Apeldoorn en nu woonachtig in Loenen, gaat in 2026 van start op een Ducati 450MX. Hij zal deelnemen aan de Dutch Masters en het Nederlands kampioenschap. Leerkes: ‘Mijn doel is een plek bij de beste drie in het Nederlands kampioenschap. In de Dutch Masters wil ik bij de eerste tien eindigen. Omdat er in Nederland niet veel wedstrijden zijn, doe ik ook mee aan de ADAC MX Masters. Verder staan er twee MXGP’s op mijn kalender: Lommel en Arnhem. Ter voorbereiding op het nieuwe seizoen rijd ik een wedstrijd voor het Italiaans kampioenschap in Mantova op 8 februari en de Dutch MX Season Opener in Lierop op 1 maart.’

Robert van Zalinge, salesmanager Nederland bij Ducati Benelux, vertelde iets over de plannen van Ducati: ‘Bij Ducati draait alles om de sport. Daarom beginnen we eerst met wedstrijdmotoren voordat de productiemotoren beschikbaar komen. Na de start in de MXGP zijn ze nu te koop. Deze zomer wordt de 250MX uitgebracht, en in het najaar komen er enduromodellen op de markt. Voor het project van Nick en Star Twin Motors krijgen we ondersteuning van de fabriek.’ Louis Vosters van het fabrieksteam heeft geen bemoeienis met Nick Leerkes.

Nick Leerkes.

Foto’s: Jan Boer, Ducati, Fantic

Historie 70 jaar Yamaha: innoveren in creëren

0
In 1954 test Yamaha hun YA1, met rechts Genichi Kawakami.

Japan is een toonaangevende natie als het om de productie van motorfietsen gaat. Dat was ooit anders. Voor de Tweede Wereldoorlog waren er nog maar weinig motorfabrikanten. De belangrijkste waren Meguro, bekend van de 500 cc Meguro, Mizuho die de 250 cc en 350 cc Cabton-modellen fabriceerde, Miyata die de eer had om met de Ashai AA Japan’s eerste motorfiets in massaproductie te nemen en Sankyo, die met de Rikuo een Harley-Davidson 750 in licentie bouwde en dat schaamteloos bleef doen nadat de licentierechten afliepen.

Na de Tweede Oorlog veranderde die situatie drastisch. Net zoals in Europa was er in Japan behoefte aan goedkoop individueel transport. De fabrikanten die voorheen actief waren in de productie van vliegtuig- en vliegtuigonderdelen namen het voortouw. Ze hadden immers voldoende mechanische kennis in huis om de nog onontgonnen motormarkt op te gaan en motoren te ontwikkelen. Daarbij keken ze vaak naar het buitenland, want de Japanse motorindustrie stond nog in de kinderschoenen.

De vroege periode van de Japanse motorhistorie na de Tweede Wereldoorlog is erg onbekend. Nakajima maakte Hayabusa-jachtvliegtuigen en Kate-bommenwerpers tijdens de oorlog. In 1946 vormden ze zich om tot New Fuji en begonnen in Tokyo met de productie van de Rabbit-scooter die voorzien was van een automatische versnellingsbak. Later dat jaar nam Zero-jachtvliegtuigenfabrikant Mitsubishi in Nagoya hun 175 cc Silver Pigeon-scooter in productie. Soichiro Honda had tijdens de oorlog bewerkingsmachines gemaakt voor de fabricage van propellers bij Nippon Gakki Seizo Kabushiki Kaisha, waar later motorfabrikant Yamaha uit voort zou komen, en machines voor de geautomatiseerde fabricage van zuigerveren voor de jachtvliegtuigen en bommenwerpers van Nakajima. Honda bouwde zijn eerste gemotoriseerde tweewieler in 1946, de Pon-Pon, gevolgd door de Honda Type A.

Ook Kawasaki had vliegtuigen gebouwd in de oorlog. Kawasaki maakte in 1949 hun eerste motorblok voor een motorfiets. Dat was een 150 cc 4-takt kopklepper. Suzuki maakte voor de oorlog weefgetouwen en tijdens de oorlog richtvizieren voor vliegtuigen, machinegeweren en brisantgranaten voor het keizerlijke leger van Japan. In 1952 kwam hun eerste gemotoriseerde tweewieler op de markt, een gemotoriseerde fiets met een innovatieve 2-takt hulpmotor die ook als kit verkocht werd.

Late start

Yamaha nam haar eerste motorfiets pas in 1955 in productie. Het prille begin werd gevormd door Torakusu Yamaha toen hij zich in 1887 bezighield met het repareren en het bouwen van orgels en harmoniums. Het werd een succes en leidde tien jaar later tot de oprichting van ‘Nippon Gakki Seizo Kabushiki Kaisha’, vrij vertaald als ‘Japanse Muziekinstrumenten B.V.’. Het logo van Yamaha met de gekruiste stemvorken duidt nog steeds op Yamaha’s vroege begin. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog fabriceerde Nippon Gakki ook propellers naar Amerikaans ontwerp voor Japanse jachtvliegtuigen. Honda ontwierp voor Nippon Gakki een bewerkingsmachine die deze propellerfabricage enorm versnelde. Daarnaast maakte Nippon Gakki ook brandstoftanks en onderdelen voor vliegtuigvleugels. Torakusu Yamaha maakte dat echter niet meer mee, hij was in 1916 al overleden op 64-jarige leeftijd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden meerdere fabrieken van Nippon Gakki getroffen door Amerikaanse bombardementen. Na de oorlog was er nog slechts één productiefaciliteit over. In een poging de Japanse wederopbouw te stimuleren werd met Amerikaans kapitaal de productie van harmonica’s en xylofoons weer opgestart. Vanaf 1947 werden deze instrumenten ook weer geëxporteerd.

De oorlogsproductie had een divers machinepark in de fabrieken tot resultaat gehad en Nippon Gakki’s directeur Tomiko Genichi Kawakami zocht naar wegen om het bedrijf uit te breiden met nieuwe producten. In een later stadium koos deze visionair ook voor Hi-Fi-geluidsapparatuur, maar begin jaren ‘50 koos hij voor de motorfiets omdat er in Japan grote behoefte was aan goedkoop individueel transport. In oktober 1953 begon de ontwikkeling van Nippon Gakki’s eerste motorfiets en in augustus 1954 vonden de eerste testritten plaats. Alles verliep positief, waarna Kawakami opdracht gaf om met de productie te beginnen in januari 1955. Deze motorfiets werd vernoemd naar de oprichter van Nippon Gakki: (Torakusu) Yamaha. Op 1 juli van dat jaar werd de motortak van Nippon Gakki in het leven geroepen. De Yamaha Motor Company Ltd. was daarmee een feit.

Historie: de 2-takt jaren van Suzuki

Vroege racesuccessen

Yamaha’s eerste motorfiets was de YA-1, die de bijnaam ‘Aka-tombo’ kreeg, Rode Libelle. Dat kwam door zijn opvallende rode/crème kleurencombinatie die afweek van het gebruikelijke zwart van verreweg de meeste motoren die in Japan rondreden. De rode kleur was geïnspireerd door een Yamaha-vleugel. De YA-1 had een 125 cc eencilinder 2-taktmotorblok van 5,5 pk dat erg veel leek op dat van de Duitse DKW RT125. Maar er waren wel degelijk verschillen. De primaire overbrenging werd uitgevoerd met tandwielen en niet met een ketting zoals bij de DKW. Ook kon de YA-1 in iedere versnelling aangetrapt worden als de koppeling ingetrokken werd en had hij vier versnellingen; de RT125 had er drie. Nog geen twee weken na de oprichting van de Yamaha Motor Company won rijder Teruo Okada met een YA-1 de Fuji- heuvelklim in Japan. Okada was met negen anderen voor deze race ingeschreven door de Yamaha-fabriek. Het succes leidde een week later tot de oprichting van Yamaha’s raceafdeling.

De vroege racesuccessen met de YA-1 leidden tot veel publiciteit en een grote populariteit ondanks de hoge verkoopprijs. De YA-1 vormde de basis voor de vroege Yamaha eencilindermodellen die vaak uitgerust waren met technische noviteiten, zoals de 175 cc YC-1 uit 1956, Japan’s eerste motorfiets die voorzien was van een monobloc-carburateur met geïntegreerde vlotterkamer. Overigens een opvallende motorfiets dankzij het grijs-bruine rijwielgedeelte. Deze kleur was volgens Yamaha geïnspireerd op de kleur van het plaveisel van de Champs-Élysées na een flinke regenbui.

In 1957 kwam de eerste Yamaha tweecilinder tweetakt op de markt. Opnieuw had een Duitse motorfiets voor inspiratie gezorgd wat betreft het motorblok: de kwalitatief hoogstaande Adler MB250. De 250 cc YD-1 leverde een vermogen van 14,7 pk bij 6.000 tpm en was de eerste uit een lange en uiterst succesvolle reeks Yamaha-twins die vooral bekend werden om hun sportieve en raceversies. Wat dat betreft is de YDS-1 uit 1959 een vroeg voorbeeld. Yamaha’s race-ervaringen op de Asama-heuvelklim waren verwerkt in dit model dat voorzien was van een dubbel wiegframe en een 20 pk sterke versie van Yamaha’s tweetakt paralleltwin. Het was de eerste Japanse motorfiets met een vijfversnellingsbak. Yamaha leverde opvallend veel tuningsdelen voor de YDS-1, waarmee hij omgetoverd kon worden tot een succesvolle racer op straat en terrein. Europa leerde Yamaha in 1959 ook kennen, toen de 250 cc YD-2 twin in Nederland debuteerde.

Tot op dat moment waren Yamaha’s motorfietsen op Duitse motoren geïnspireerd, maar dat veranderde met de 175 cc SC-1 uit 1960. Het was Yamaha’s eerste scooter die bijzonder innovatief was opgebouwd qua techniek en vormgeving. De scooter had zowel voor als achter een enkelvoudige swingarm, een elektrische starter en een tweeversnellingsbak met koppelomvormer en cardanaandrijving naar het achterwiel. In 1960 opende Yamaha ook een vestiging in Californië met als doel om meer voet aan de grond te krijgen in wat destijds met afstand de grootste motormarkt ter wereld was. Resultaat had het zeker, want in 1962 werden er al 10.000 motoren per jaar naar de VS geëxporteerd.

Allereerste wereldtitel

Suzuki vertrouwde begin jaren ‘60 met de Duitser Ernst Degner op de roterende inlaatgeheimen van MZ en Walter Kaaden. Yamaha deed het zelf en kwam in 1961 al uit met een tweetakt die voorzien was van een roterende inlaat: de 123 cc YA-5. Bijzonder was de 246 cc TD-1 uit 1962. Het was Yamaha’s eerste productieracer en een doorontwikkeling van de YDS-1. De 246 cc twin leverde een vermogen van 35 pk bij 9.500 tpm. Yamaha’s raceactiviteiten breidden zich snel uit op het hoogste niveau. In 1964 werd Phil Read wereldkampioen 250 cc, het was Yamaha’s allereerste wereldtitel. Meer titels zouden volgen; in totaal won Yamaha 4 wereldkampioenschappen in de 125 cc-klasse, 14 in de 250 cc, 4 in de 350 cc, 10 in de 500 cc-klasse en 8 in de MotoGP.

Tweetakt-mengsmering tanken hoefde niet meer dankzij Yamaha’s ‘Autolube’-smeersysteem. De 125 cc YA-6 met roterende inlaat uit 1964 was de eerste Yamaha die dit systeem kreeg. Ook het nieuwe vlaggenschip van Yamaha, de 305 cc YM-1 tweecilinder uit 1965, kreeg het nieuwe Autolube-smeersysteem. Er was destijds in Japan geen tweetaktmotorfiets leverbaar met een grotere cilinderinhoud. De YM-1 leverde een vermogen van 27 pk bij 7.000 tpm en de topsnelheid lag net boven de 160 km/u. De YM-1 werd heel bewust door Yamaha op de markt gezet als supersport in een tijd dat de eerste Japanse autosnelwegen geopend werden. Tegelijkertijd speelde Yamaha in op de steeds sterker groeiende vraag uit Amerika naar zwaardere modellen.

Op de IFMA van Keulen in 1964 was de nieuwe 250 cc YDS-3 te zien, overigens ook het eerste Yamaha-motormodel dat officieel in Duitsland geïmporteerd werd door het Mitsui-handelsimperium. Voor die tijd kwamen er druppelsgewijs via omwegen wat Yamaha’s in Duitsland op de weg. In 1968 werd Yamaha Motor Europe N.V. opgericht, dat volledig eigendom is van de Yamaha Motor Co., Ltd. Sindsdien is dit de Europese hoofdvestiging van Yamaha en stuurt het tegenwoordig de Europese Yamaha-fabrieken in Finland en Frankrijk aan en tevens het R&D-centrum in Noord-Italië.

Yamaha-tweetakttopper

Een van de meest populaire modellen uit de sixties was de Honda Super Cub, die wereldwijd enorm goed verkocht werd. Yamaha introduceerde in 1965 haar antwoord en bracht de 50 cc tweetakt U5 Mate op de markt. De Mate volgde de lijnen van de Super Cub. Naast Autolube kreeg de motor ook een automatische koppeling mee. De Mate woog 71,5 kg en leverde een vermogen van 4,5 pk. Het werd al snel een bestseller voor Yamaha. In die periode bouwde Yamaha een verscheidenheid aan lichte tweetakten en dat zou in de decennia die volgden niet meer veranderen.

In 1967 werden de 250 cc YDS-modellen opgevolgd door de DS-serie. Het was Yamaha’s antwoord op de Suzuki T-serie. Het motorblok werd flink onder handen genomen en was nu voorzien van aluminium cilinders, dubbele carburateurs en een versterkte koppeling. Bijzonder was de elektrische starter op de YDS E. De vraag naar zwaardere modellen steeg met name in Amerika, maar ook in Europa leefde die vraag. De 350 cc R1 uit 1967 was Yamaha’s eerste 350 cc-motorfiets en tevens het meest sportieve productiemodel tot op dat moment. Het was de voorvader van de RD350-serie, die in 1973 geïntroduceerd werd en culmineerde in de beroemde RD350LC-serie. Het gigantische succes van de TZ250, TZ350, TZ750 en de latere TZ500 tweetaktproductieracers die de GP-racerij domineerden, in combinatie met Yamaha’s fabrieksracers in de diverse klassen, hadden Yamaha doen besluiten om de markt te bedienen met de RD350LC. Maar de Yamaha-tweetakttopper was de spectaculaire RD500LC uit 1984.

Het V4-motorblok van deze straatreplica leverde een vermogen van 87 pk; de topsnelheid werd geclaimd op 220 km/u. Het blok volgde de lijnen van de YZR500 V4-fabrieksracer uit die tijd. Net zoals de YZR draaiden er maar liefst twee krukassen rond in het carter, de RD had daartussen een balansas. Bij de fabrieksracer waren de carburateurs tussen de cilinders in de ‘V’ gemonteerd. Bij de RD kon dit niet, vanwege de YPVS-constructie die op de cilinders gemonteerd zat. Dankzij dit ‘Yamaha Power Valve System’ kregen de uitlaatpoorten een variabele hoogte waardoor het motorvermogen niet alleen flink steeg op toptoerental, maar ook in lage- en middentoerengebieden sterk toenam. Bij de RD werden de vier 26 mm Mikuni’s daarom aan de zijkant van het motorblok gemonteerd. Het brandstofmengsel moest daardoor onder een hoek van 90 graden naar het motorblok gevoerd worden. Het achterste cilinderpaar kreeg het mengsel toegevoerd door de cilinders, het voorste paar door het motorcarter. Het was een oplossing die behoorlijk wat vermogen kostte en Yamaha ontzettend veel hoofdbrekens opleverde voor wat betreft het hele inlaattraject inclusief airbox. Het is een goed voorbeeld van de concessies die gedaan moeten worden om een heuse GP-replica straatlegaal te krijgen en er was erg veel research nodig om hem goed aan het lopen te krijgen. De RD had een drooggewicht van 173 kg, rijklaar 199 kg. De Japanse RZV500R-versie van de RD had overigens een met de hand gelast aluminium frame dat 7 kg lichter was. Het motorblok van de RD leverde een vermogen van 87 pk bij 9.500 tpm en een koppel van 67 Nm bij 8.500 tpm. Door dit hoge motorvermogen lag de topsnelheid van de RD op 220 km/u. Nog steeds een schitterende waarde voor een 500 cc-machine…

Honda en Suzuki volgden met hun eigen GP-replica’s, maar het was Yamaha die de droom voor het eerst werkelijkheid maakte. Yamaha had in 1975 haar eerste 500 cc-wereldtitel geboekt met Giacomo Agostini. Daarna zouden er tot 1992 nog negen wereldtitels in de 500 cc-klasse volgen dankzij Kenny Roberts, Eddie Lawson en Wayne Rainey. De RD500LC was de laatste grote straat-tweetakt die Yamaha uit zou brengen; vanaf die tijd zou dit motorconcept alleen nog voor lichtere modellen en racers toegepast worden. In 1985 kwam er nog een racereplica op de markt. Dat was de TZR250, met een 50 pk sterke tweetakt V-twin die nog nauwer verwant was aan Yamaha’s fabrieksracers.

Zwaarste productie V-twin

In 1970 nam Yamaha haar eerste viertakt – en zwaarste motor – in productie. Het was de beroemde 653 cc XS1 OHC paralleltwin. De ontwikkeling begon in augustus 1967 en vond hoofdzakelijk ’s nachts plaats, want het team gebruikte de computers van Yamaha’s afdeling muziekinstrumenten en die waren overdag in gebruik. Omdat de motorfietsdivisie nog nooit een viertakt ontworpen had, werd de hulp ingeroepen van Yamaha’s autodivisie, waardoor de XS1 motortechnisch veel kenmerken kreeg van de Toyota 2000G, waarvan het motorblok door deze divisie ontworpen was. Het motorblok werd in flink opgeboorde versies van 750 cc en 1000 cc ook gebruikt in de Amerikaanse dirttrackraces en in Europa werd het blok vaak gebruikt in zijspancrossers. De XS650 Special, een custom uit 1978, was de eerste Japanse fabriekscustom die al snel navolging van andere motorfabrikanten in zowel Japan als Europa zou krijgen. Ongeveer twintig jaar later verbaasde Yamaha de custom- en motorwereld opnieuw toen ze met de 1600 cc Road Star op dat moment ’s werelds zwaarste productie V-twin bouwden.

De opvolger van de XS650 zou berucht worden. Het was de TX750 paralleltwin, Yamaha’s eerste motorfiets met dubbele bovenliggende nokkenassen. De balansassen maakten schuim van de motorolie in het dry-sumpmotorblok. Dit had catastrofale gevolgen voor de motorsmering. Ook zijn kleinere broertje, de TX500, kende technische problemen. Maar het was wel Yamaha’s eerste vierklepper.

Yamaha’s eerste productie-driecilinder was de XS750 uit 1976. Het was de opvolger van de TX750, die al in 1974 uit productie ging. De DOHC XS750 had cardanaandrijving, de cross-over vijfversnellingsbak was ontworpen door ingenieurs van Porsche en het Duitse Getrag. De XS750 leverde een vermogen van 64 pk en had een topsnelheid van 185 km/u. Beide waardes bleven achter bij de Honda CB750 en met name de Kawasaki Z1. De XS750 was ook de eerste motorfiets ter wereld met automatisch uitschakelende knipperlichten. De DOHC XS-modelserie zou met de XS1100 uit 1977 haar hoogtepunt bereiken. Deze imposante fiets was tevens Yamaha’s eerste viercilinder. De XS-serie zou evolueren in de DOHC XJ-sporttoermodelserie, waarvan de meeste motoren door een ketting aangedreven werden. Met de XJ600 sporttoer introduceerde Yamaha in 1984 een nieuwe klasse, de 600 cc, die vandaag de dag niet meer weg te denken is uit de motorwereld. In hetzelfde jaar ging ook de FJ1100 in productie. Deze groottoerist werd razend populair en dat zou voor zijn opvolgers niet anders zijn. De FJ1200A uit 1991 was de eerste Japanse motorfiets met ABS. Zowel de XJ- als de FJ-serie zou steeds verder evolueren, bekend zijn de XJ Diversion-modellen die in de jaren ’90 furore schreven en natuurlijk de FJR1300, die in veel landen graag gebruikt werd door de politie vanwege zijn goede bouwkwaliteit en prima allround-eigenschappen.

Historie Harley-Davidson Electra Glide: 60 jaar stijlicoon

De keus van wereldreizigers

In de jaren ’70 kwam ook Yamaha’s eerste eencilinder-viertakt op de markt. Het was de iconische XT500 offroad uit 1975. Het motorblok was gebaseerd op het blok van de TT500-crossmachine. De XT werd direct een enorm succes en zou de standaardmotorkeus vormen voor menig wereldreiziger. De eerste twee Parijs-Dakars werden gewonnen door Cyril Neveu met fraai verbouwde XT500’s, meer successen in zowel Parijs-Dakar als andere rally’s zouden volgen met de 800 Super Ténéré, waarmee onder meer Stéphane Peterhansel furore zou maken.

Yamaha was al veel langer geen onbekende speler in het terrein. Het merk bouwde op dat moment al langere tijd motorcross- en trialmachines naast een variëteit aan offroad-productiemodellen. Yamaha pionierde ook met mono-achtervering. De introductie van het Cantilever-monoachterveringsysteem op de Yamaha-fabriekscrossers in 1973 had een verdubbelde achterveerweg tot gevolg. Dat gaf een enorm voordeel in de motorcross. Fabrieksrijder Hakan Andersson buitte het nieuwe systeem direct magistraal uit en won prompt het wereldkampioenschap 250 cc motorcross. Het Cantilever-systeem zou in 1975 zijn intrede doen op Yamaha’s productiecrossers. Andere motorfabrikanten hadden geen andere keus dan te volgen, monoachtervering is tegenwoordig niet meer weg te denken uit de motorindustrie. In 1997 deed Yamaha opnieuw groots van zich spreken toen de YZ400F eencilinder-vijfklepper de viertaktrevolutie in de door tweetakten gedomineerde motorcross opstartte. In 1999 pakte Andrea Bartolini de eerste wereldtitel met deze trendzettende viertakt.

De XT zou ook in 250 cc- en 350 cc-uitvoeringen gebouwd worden en naarmate de jaren vorderden, werd het motorblok vergroot naar 550 cc, 600 cc en 660 cc en deed het ook dienst in de op de woestijnracers geïnspireerde Ténéré-modellen en de SRX600-straatmachine die in 1985 debuteerde. Met het eencilinderconcept van de XT500 had Yamaha een succesnummer te pakken. In 1978 kwamen de SR400 en SR500 op de markt. De SR500 werd in Europa een verkoopsucces en de 400 cc-versie wordt in landen waar lage emissie-eisen gelden nog steeds verkocht. Ook het Ténéré-concept zou Yamaha langdurig omarmen. De Super Ténéré uit 1989 met zijn 750 cc paralleltwin verlegde het accent iets meer naar de weg en daarmee was het adventuresegment geboren. De overtreffende trap in Yamaha’s adventureprogramma kwam in 2010 toen de XT1200Z Super Ténéré-twin zijn intrede deed. De Super Ténéré stond ook aan de basis van de TDM-modellenserie, die in 1992 aftrapte met het 850 cc vijfklepsmodel. Tegenwoordig is het Ténéré-model weer terug van weggeweest dankzij de Ténéré 700. Die deelt de 690 cc paralleltwin met de huidige XSR700- en MT-07-serie.

Genesis-technologie

Technische hoogstandjes uit de jaren ’80 waren de opvallende XZ550 vierkleps DOHC V-twin uit 1982 en de XJ650 Turbo-viercilinder uit hetzelfde jaar. Het was een machine die ook furore maakte in *Never Say Never Again*, een James Bond-film uit 1983. Het was de eerste motorfiets waar 007 ook zelf op reed in een Bond-film. Maar bekender waren de XV 75-graden V-twins zoals de cardanaangedreven TR1, die de basis vormde voor de Virago-custommodellen. Deze V-twins werden specifiek voor de Amerikaanse markt ontwikkeld, maar dit concept werd bij Yamaha pas echt populair met de komst van de XV535 Virago in 1986.

Van een hele andere orde was de FZ750, die op de 1984-er IFMA in Keulen debuteerde. Met deze opvallende motor introduceerde Yamaha niet alleen haar vijfkleps Genesis-technologie, die sinds 1977 in ontwikkeling geweest was, maar ook de nieuwe FZ-supersportserie, die eind jaren ’90 uitbreiding zou krijgen met de FZS-modellen, die een mooie stap terug van sport naar toer maakten. Maar de overtreffende FZ-trap was in eerste instantie de 135 pk sterke FZR1000 uit 1987, voorzien van Yamaha’s nieuwe aluminium Deltabox-frame dat zich om het motorblok wikkelde. Het was een bouwwijze die al snel een standaard zou worden in de motorfietsbouw. Een jaar later werd de FZR1000 voorzien van het Exhaust Ultimate Powervalve-uitlaatsysteem (EXUP). Het is de afkorting die Yamaha gaf aan het vlinderklepsysteem dat binnen het uiteinde van de uitlaatbochten gemonteerd was. Met een servomotor werd dit systeem bediend zodat de interne diameter van het uitlaatsysteem aangepast kon worden aan het toerental van het motorblok en daarmee in ieder toerengebied een verbeterde vermogensafgifte tot stand bracht. Tegenwoordig maakt ook Honda gebruik van dit systeem onder de naam HTEV (‘Honda Titanium Exhaust Valve’) en H-VIX (‘Honda Variable Intake/Exhaust’). Suzuki noemt het SET (‘Suzuki Exhaust Tuning’). De FZR1000 stond model voor de supersportieve YZF-serie, die in 1996 nog verder opgewaardeerd werd met de YZF1000 Thunderace.

Dat het nog sportiever kon, liet Yamaha zien met de bijna 150 pk sterke YZF-R1 uit 1998, een machine die de voorvader is van de huidige R-serie-supersporters. Met de YZF-R1-fabrieksversies wonnen Ben Spies in 2009 en Toprak Razgatlıoğlu in 2021 het WorldSBK. In de 500 cc-klasse van het WK had Yamaha na Rainey’s titel van 1992 geen wereldkampioenschap meer behaald. Na de introductie van de MotoGP-klasse mocht Yamaha weer een aantal keer op het hoogste schavot plaatsnemen door wereldtitels met Valentino Rossi (2004, 2005, 2008 en 2009), Jorge Lorenzo (2010, 2012, 2015) en Fabio Quartararo (2021).

Vreemde eenden

Een vreemde eend in de jaren tachtig was de opzienbarende 1200 cc VMAX uit 1985, een 120 pk sterke V4-cruiser met een bijzonder stevig stoplichtsprinpotential. Was dat nog niet genoeg, dan was er nog de V-boostversie die met vlinderkleppen in de inlaatspruitstukken voor een 10% hoger topvermogen zorgde. Het V4-blok was een afgeleide van het blok van de XVZ1200 Venture, Yamaha’s full dresser die in 1982 in productie gegaan was.

Met de GTS1000 zette Yamaha een innovatieve sporttoermotor op de markt die opviel door zijn bijzondere rijwielgedeelte. Maar het Omega-frame met naafbesturing kon niet heel veel motorrijders bekoren, en dat was jammer, want zijn stabiele rijeigenschappen ten opzichte van een motor met een conventionele telescoopvering voor waren duidelijk beter. De GTS1000 werd aangedreven door een ietwat aangepast FZR1000-blok met brandstofinjectie en katalysator. Ook de TMAX brak in 2001 met bestaande tradities. Deze 500 cc maxi-scooter was een combinatie tussen een motorfiets en een scooter. Daarmee werd het een trendsetter.

‘Soul Beat V-twin Sports’ was het concept waaruit in 2005 de opvallende 1670 cc MT-01 V-twin voortkwam. Die was gebaseerd op een conceptmachine uit 1999. De MT-01 was ontworpen door Atsushi Ishiyama, een Japanse topontwerper op motorgebied die vaak wordt vergeleken met Massimo Tamburini – onder meer bekend van de vroege Bimota-modellen, de Ducati 916 en de heropleving van MV Agusta eind jaren ’90. De imposante MT-01 vormde het begin van de MT-modellenserie die we nu nog steeds kennen. In de huidige MT-09 Tracers doet een 120-graden driecilinder zijn werk. Dit motorblok is ook terug te vinden in de retro XSR900-modellen. Het huidige vlaggenschip van de MT-range is de MT-10, aangedreven door een teruggetunede versie van het YZF-R1-viercilinder-crossplane-motorblok.

Foto’s: Yamaha Motor Company Ltd., Archives A. Herl, Shinuo Kurosawa

Roekeloos rijgedrag op sociale media kost Eindhovense motorrijder zijn motor

0

Afgelopen week heeft de politie Eindhoven het onderzoek afgerond naar een 29-jarige man uit Eindhoven die extreem gevaarlijk reed, zijn ritten filmde en deze op sociale media plaatste. Zo valt te lezen op de Facebook-pagina van politie Eindhoven.

De video’s werden duizenden keren bekeken en wekten de indruk dat gevaarlijk rijgedrag in Eindhoven ongestraft kan blijven.

Het digitale onderzoek liet zien dat de beelden slechts een fractie van het totale gedrag toonden: de man reed vaker roekeloos dan uit zijn eigen filmpjes bleek.

Instructeur spoorloos: politie haalt drie lesmotoren van de A5

Hij beging onder meer de volgende overtredingen:

  • Wheelies maken
  • Gevaarlijk inhalen, ook rechts
  • Straatracen met anderen
  • Snelheden boven 200 km/u binnen de bebouwde kom
  • Met hoge snelheid langs oversteekplaatsen met voetgangers rijden
  • Met hoge snelheid langs wegwerkers rijden

Omdat dit gedrag herhaaldelijk en op verschillende dagen voorkwam, is een dossier opgemaakt op grond van artikel 5a van de Wegenverkeerswet: het bewust ernstig schenden van verkeersregels waardoor anderen in levensgevaar kunnen komen of zwaar letsel kunnen oplopen.

De politie heeft zijn opnameapparatuur en motor in beslag genomen. De officier van justitie zal aan de rechter vragen deze te verbeurdverklaren. Zijn rijbewijs is ingenomen; hij mag de komende zes maanden niet rijden in afwachting van zijn rechtszaak. Het CBR onderzoekt bovendien of hij nog rijgeschikt is.

Bron: Facebook Politie Eindhoven

BBM Hiro: Spaanse nieuwkomer belooft einde aan laadtijdenkritiek elektrische motoren

1

Vijftien minuten. Langer duurt het niet om de batterij van de BBM Hiro tot tachtig procent te laden – tenminste, dat beweert de Spaanse start-up BBM Motorcycles. In een markt waar elektrische motorfietsen jarenlang worstelen met lange laadtijden en beperkt bereik, klinkt deze belofte als een verademing. Of is het weer een van die PR-claims die in de praktijk verzanden in voetnoten over ‘optimale omstandigheden’ en ‘ideale temperaturen’? De BBM Hiro moet het antwoord worden op het grootste bezwaar tegen elektrisch rijden op twee wielen: het eindeloze wachten bij een laadpaal terwijl je eigenlijk gewoon verder wilt rijden.

De motorfiets werd in oktober 2025 officieel aangekondigd en moet in juli 2026 beschikbaar komen voor pre-productie prototypes, met de eerste leveringen aan klanten begin 2027. De vanafprijs bedraagt 16.900 euro – een bedrag dat concurrerend lijkt, totdat je de Nederlandse fiscale werkelijkheid in de vergelijking betrekt. Vanaf 1 juli 2025 geldt voor elektrische motoren een vast BPM-tarief van 200 euro, wat de Nederlandse prijs brengt op 17.100 euro. Deze regeling vervalt echter per 1 januari 2026, en het is nog onduidelijk wat daarna de belastingsituatie wordt. Voor kopers die tussen januari en juni 2025 een elektrische motor registreerden, geldt inmiddels een teruggaafregeling – een detail dat illustreert hoe snel de regelgeving verandert in dit nog prille segment.

Maar laten we even terugkeren naar die kernbelofte: vijftien minuten voor tachtig procent. In een wereld waar een benzinemotor in drie minuten getankt is en je weer door kunt rijden, blijft laden natuurlijk een compromis. Toch is het verschil met huidige elektrische motoren substantieel. Waar concurrenten spreken over een uur of meer, claimt BBM een kwartier. De vraag is niet zozeer óf dit verschil belangrijk is – dat is het ongetwijfeld – maar of die claim in de dagelijkse praktijk stand houdt. Want wie elektrisch rijdt, kent het verschil tussen papieren specificaties en de werkelijkheid van een halfvolle laadpaal op een regenachtige dinsdag.

BBM Motorcycles is geen gevestigde naam zoals Energica, Zero of LiveWire. Het is een jonge Spaanse onderneming, gevestigd nabij Bilbao, die met de Hiro haar debuut maakt op de Europese markt. Opgericht door de Franse broers Benoit en Guillaume Barras – bekend van hun Angry Lane custom workshop in Hong Kong sinds 2012 – werkt BBM samen met het Belgische Saroléa, een merk met 170 jaar heritage en ervaring in de Isle of Man TT Zero. Dat brengt inherente risico’s met zich mee: geen beproefde dealernetwerken, geen jarenlange ervaring met aftersales, geen reputatie om op terug te vallen. Voor vroege kopers betekent dit een sprong in het diepe. Tegelijkertijd biedt het ook kansen: nieuwe spelers zijn vaak onbevangen, niet belast door legacy-systemen en bereid om radicalere technologische keuzes te maken. De vraag is of BBM die kansen kan verzilveren met een product dat niet alleen op papier indruk maakt, maar ook in de praktijk betrouwbaar blijkt.

Snelladen als dealbreaker: BBM kiest voor revolutie in plaats van evolutie

De realiteit is meedogenloos simpel: niemand wil een uur wachten bij een laadpaal. Het is de reden waarom elektrische motorfietsen, ondanks hun torque, stilte en futuristische uitstraling, een niche blijven in de motorwereld. Waar een conventionele motor in enkele minuten volgetankt is en je vierhonderd kilometer verder brengt, moet een elektrische rijder plannen, zoeken naar laadpunten en vooral: wachten. BBM Motorcycles claimt dit fundamentele probleem aan te pakken met een 360 volt hoogspanningsarchitectuur en een geavanceerd batterijmanagementsysteem dat elke cel individueel monitort en de laadstroom regelt om temperatuur binnen veilige grenzen te houden.

De cijfers zijn op papier indrukwekkend. Bij een snellader – een HD-kolom met voldoende capaciteit – zou de 12,96 kWh batterij in vijftien minuten tot tachtig procent gevuld zijn. In een optimaal scenario, met de juiste temperatuur en laadcapaciteit, zou negen minuten al voldoende zijn om honderd kilometer bereik toe te voegen. Dat is het soort snelheid waarmee elektrisch rijden werkelijk concurrerend wordt met brandstof: een korte koffiestop, en je kunt weer door. Voor wie onderweg is, maakt dat alles uit tussen ‘bruikbaar voor lange afstanden’ en ‘alleen voor pendelen geschikt’.

De praktijk heeft echter altijd meer nuances dan de specificatiesheet suggereert. Bij een standaard Type 2 publiek laadpunt, waar de stroomcapaciteit beperkter is, neemt het laden ongeveer 78 minuten in beslag om tachtig procent te bereiken. Thuis, aan een gewoon stopcontact van 220 volt, duurt een volledige laadcyclus twee uur en veertig minuten. Dat zijn nog steeds acceptabele tijden voor overnacht opladen of een werkdag, maar het toont wel aan dat die vijftien minuten alleen haalbaar zijn bij specifieke, krachtige laadpunten. En daar ligt meteen een infrastructureel probleem: HD-kolommen zijn lang niet overal beschikbaar, zeker niet buiten de grote steden. Je kunt de snelste motor ter wereld hebben, maar als de infrastructuur niet meevolgt, blijft het een papieren belofte.

Het concurrentielandschap maakt de claim nog interessanter. Waar anderen spreken over laadtijden ‘vanaf een uur’, claimt BBM een kwartier. Dat is een enorme sprong voorwaarts, maar hoe betrouwbaar is die claim op lange termijn? Batterijfabrikanten beloven al jaren snellere laadtijden, maar deze gaan vaak gepaard met beperkingen: mogelijk versnelde degradatie, wellicht beperkte cycli bij maximaal vermogen, of simpelweg: alleen haalbaar in een laboratoriumsetting. BBM zegt die valkuilen te omzeilen met celmonitoring en temperatuurmanagement, maar tot de eerste onafhankelijke tests beschikbaar zijn, blijft het gissen of die vijftien minuten standhoudt na honderd, tweehonderd laadcycli. Of in de winter, wanneer batterijen naar alle waarschijnlijkheid trager laden en mogelijk sneller degraderen.

De 360 volt architectuur is op zich geen unicum in de elektrische voertuigwereld – auto’s gebruiken vaak vergelijkbare of hogere spanningen – maar in het motorfietsdomein is het relatief ongebruikelijk. Hogere spanning betekent dat je bij hetzelfde vermogen minder stroom hoeft te transporteren, wat warmteontwikkeling reduceert en efficiëntie verhoogt. Het stelt BBM in staat om sneller te laden zonder de batterijcellen te overbelasten. Maar het vereist ook geavanceerde elektronica, zorgvuldige isolatie en betrouwbare veiligheidssystemen. Een fout in het batterijmanagementsysteem bij dergelijke spanningen kan desastreuze gevolgen hebben, van beschadigde cellen tot thermische runaway – het gevreesde scenario waarbij een batterij oncontroleerbaar oververhit raakt.

Toch is de ambitie prijzenswaardig. Als de Hiro daadwerkelijk consistent in een kwartier oplaadt bij de juiste infrastructuur, verschuift de discussie fundamenteel. Dan gaat het niet meer over ‘of’ elektrisch rijden praktisch is, maar over ‘waar’ je kunt laden en hoe betrouwbaar dat netwerk uitgebouwd is. De technologie lijkt er te zijn – nu moet de wereld eromheen nog volgen.

Honda werkt aan nieuw V4-platform: comeback van legendarische motor in het verschiet?

1

Eind 2024 werden octrooiaanvragen openbaar die Honda in mei 2024 had ingediend – en daarmee werd wat al maanden als gerucht circuleerde plotseling tastbaar. De Japanse motorfietsreus werkt aan een compleet nieuw V4-motorplatform, en dat is geen simpele evolutie van bestaande technologie. De patenten zijn te gedetailleerd, te doordacht en te ambitieus om als louter experimenteel terzijde te schuiven. Ze wijzen op een serieuze herpositionering in het premium V4-segment, een markt waarin Honda ooit dominant was met de VFR-lijn, maar waar het merk zich sinds 2021 – toen de laatste VFR-modellen uit de catalogus verdwenen vanwege Euro5-normen – opvallend stil heeft gehouden.

Die afwezigheid valt extra op omdat Honda’s V4-erfgoed tot 1982 teruggaat, een architectuur die niet alleen technische verfijning symboliseert maar ook een bepaalde filosofie vertegenwoordigt: mechanische complexiteit als wapen tegen de homogenisering van het aanbod. Terwijl Ducati’s V4’s zoals de Panigale V4R met 221 pk ruim boven de 200 pk uitkomen, lijkt Honda een andere weg in te slaan. De patenten suggereren een motor met een gelijkmatige ontstekingsvolgorde, een 90-graden cilinderhoek en kettingaandrijving – keuzes die haaks staan op de huidige ‘big bang’-trend en die vragen oproepen: wil Honda terug naar de mechanische roots die fans zo missen, of vergist het merk zich in een markt die inmiddels heel andere prioriteiten heeft?

De timing is opmerkelijk. De Europese motormarkt krimpt licht, elektrische motoren blijven een niche, en Honda heeft de afgelopen jaren duidelijk geworsteld met de positionering van zijn sporttourers. De VFR1200F, waarvan productie in 2009 startte en in 2017 werd stopgezet, verdween vanwege tegenvallende verkopen en verouderde emissienormen – geen technische mislukking, maar een commerciële. Als Honda nu terugkeert met een V4-platform, dan moet het antwoord geven op fundamentele vragen: voor wie is deze motor bedoeld, hoe concurreert hij met supersportieve V4’s die hem mogelijk in vermogen overtroeven, en waarom zou een rijder kiezen voor Honda’s interpretatie van een architectuur die in motorsportland inmiddels grotendeels is overgenomen door Italiaanse merken?

Dit artikel analyseert de technische innovaties in de patenten, plaatst ze in de context van Honda’s VFR-verleden, en onderzoekt kritisch of deze V4-comeback een strategische meesterzet is of een nostalgische vergissing.

Engineeringambitie of overkill? Honda’s technische vernieuwingen onder de loep

De octrooiaanvragen die Honda eind 2024 – november-december om precies te zijn – openbaar maakte, zijn geen oppervlakkige schetsen maar gedetailleerde blauwdrukken van een motor die op meerdere vlakken breekt met eerdere V4-ontwerpen. Elk patent richt zich op een specifiek subsysteem – smering, koeling, bevestiging, aandrijving – en samen vormen ze een beeld van een platform dat efficiëntie, compactheid en modulariteit nastreeft. Maar de vraag blijft: levert deze technische complexiteit werkelijk meetbare voordelen op, of is het vooral papieren prestige?

Begin bij het smeersysteem. Honda heeft een ontwerp uitgewerkt waarbij kortere interne passages en kleine hulpreservoirs de wrijving tussen oliepompen reduceren. Dat klinkt marginaal, maar in een V4-configuratie, waar de motorgeometrie al op zichzelf ruimte-uitdagingen oplevert, kan elke millimeter compactheid meetellen. Belangrijker nog: het nieuwe systeem optimaliseert de smering van componenten die vaak buiten het directe oliecircuit liggen – de stator, startmotor, waterpomp en koppeling. Dit zijn geen glamoureuze onderdelen, maar hun betrouwbaarheid bepaalt mede de levensduur en onderhoudsintervallen. In de praktijk zou dit moeten vertalen naar een motor die langer meegaat tussen servicebeurt, al hangt dat natuurlijk ook af van hoe Honda dit systeem uiteindelijk afstemt op verschillende belastingsscenario’s.

De technische uitdaging van een V4-smeersysteem wordt vaak onderschat. Bij een paralleltwin of een viercilinder in lijn stroomt olie relatief voorspelbaar door het systeem, maar bij een V-configuratie ontstaan er dode hoeken, luchtinsluiting en ongelijke drukopbouw. Honda’s oplossing met hulpreservoirs zorgt ervoor dat elke cilinder consistent gesmeerd blijft, ongeacht of je in een krappe bocht ligt of vol gas geeft op een snelweg. Het is het soort detail dat je als rijder nooit ziet maar wel voelt – in de vorm van een motor die na 80.000 kilometer nog steeds soepel loopt zonder abnormale slijtage.

Het koelsysteem vormt misschien wel de meest cruciale innovatie. V4-motoren hebben een inherent probleem: de achterste cilinderrij krijgt minder verse luchtstroom en vangt de hitte op van de voorste cilinders. Dit leidt tot temperatuurverschillen die de prestaties en duurzaamheid beïnvloeden. Eerdere V4-ontwerpen, waaronder die van Honda zelf, kampten met overheating bij intensief gebruik – vraag maar aan VFR800-rijders die in de zomer door stadsverkeer kropen. Honda’s oplossing is om koelvloeistof via leidingen door de V tussen de cilinderbanken te leiden, waardoor de achterste cilinders directer worden gekoeld. Het is engineering-logica in optima forma, en het moet resulteren in een stabieler temperatuurprofiel en daarmee consistentere prestaties over langere ritten.

Wat dit koelsysteem bijzonder maakt, is de precisie waarmee Honda de koelvloeistofstroom heeft gemodelleerd. In plaats van simpelweg meer koelvloeistof rond te pompen – wat gewicht en complexiteit toevoegt – heeft Honda de leidingen zo gepositioneerd dat ze de warmste zones direct aanpakken. De patenten tonen een systeem waarin de koelvloeistof eerst langs de achterste cilinders stroomt voordat het de voorste bereikt, waarmee het temperatuurverschil tussen voor en achter drastisch wordt verkleind. Dit heeft directe gevolgen voor de motorprestaties: gelijkmatiger verbranding, minder klopneging, stabielere vermogensafgifte en lagere emissies. Het is een oplossing die past bij Honda’s reputatie van methodische precisie, maar het roept ook de vraag op of dit systeem voldoende robuust is voor extreme omstandigheden – denk aan alpentoeren met lange, steile klimmen bij 35 graden.

Interessanter wordt het bij de cilinderkopbevestiging. Honda heeft recent patenten ingediend voor parallel-twins waarin de cilinderkop op een nieuwe manier aan het carter wordt bevestigd – en diezelfde methode lijkt ook toepasbaar op de V4. Dit wijst op een mogelijke platformstrategie waarbij Honda componenten en productietechnieken zou kunnen delen over meerdere motorlijnen. Dat is slim vanuit kostenoogpunt, maar het roept ook vragen op: hoeveel flexibiliteit verlies je als je een bevestigingsmethode uniformeert? En levert dit werkelijk gewichtsbesparing op, of verschuift het gewicht simpelweg naar andere onderdelen?

We zijn benieuwd of deze patenten inderdaad een nieuwe V4 generatie verraden, en wat de motorfietsen waar hij uiteindelijk in terecht zal komen in het motorlandschap zullen gaan betekenen.

Vertraging bij bezorging MOTO73 #22

2

Helaas is er vertraging ontstaan bij de bezorging van de nieuwste editie van MOTO73 (#22). Ondanks onze uiterste inspanningen om tijdig te leveren – waarbij wij zelfs eerder dan normaal de bestanden bij de drukker hebben aangeleverd, die vervolgens direct vol gas te werk ging – heeft de vertraging alsnog plaatsgevonden door piekproblemen bij PostNL.

De nieuwe editie zou oorspronkelijk aanstaande donderdag 18 december bezorgd worden, maar wordt nu op dinsdag 23 december geleverd. Wij begrijpen dat dit zeer vervelend is en bieden hiervoor onze oprechte excuses aan.

MOTO73 blijft zich inzetten om toekomstige edities op tijd te leveren, en we bedanken iedereen voor het geduld en begrip in deze situatie.

Marien Cahuzak

Hoofdredacteur 


Dat vertraging door PostNL geen nieuwigheid is, bewijst dit voorwoord van Marien eerder dit jaar in MOTO73 #6:

Bezorgperikelen, deel te veel

Helaas zijn de bezorgproblemen nog steeds niet helemaal opgelost. Of helemaal niet voor sommigen… Soms lijkt het een paar nummers goed te gaan en dan ineens komt er van bezorging op tijd weer helemaal niets terecht. Zoals met #5. Velen sprak ik jullie daarom in het weekeinde nadat eigenlijk het vijfde nummer van 2025 had moeten verschijnen. Hartstikke leuk en vaak ook leerzaam, maar niet wat je wilt.

In een poging te begrijpen wat er nu allemaal precies gebeurt met de bezorging, heb ik de PostNL-app op mijn telefoon gezet en krijg ik een melding als er post onderweg is naar mij. Pakketpost, maar ook brievenbuspost en het verschil in bezorging van die twee is echt bizar. Pakketjes van bijvoorbeeld Bol.com hebben zelden vertraging, maar pas bleek een nieuw bestelde iPad-hoes door de brievenbus te passen. Bol.com deed alsof dat een groot voordeel was, want ik hoefde er niet thuis voor te blijven. En dat is maar goed ook, want anders had ik nu nog binnen gezeten.

Keer op keer werd het bezorgmoment niet gehaald en – ik vermoed – automatisch een dag opgeschoven. Dat ging zo dagen achter elkaar door, waardoor ik op een gegeven moment zelfs bang was dat het woord ‘sorry’ van PostNL in mijn beeldscherm zou branden. Ruim een week later kwam het pakket ineens binnen. Met de pakketpost! Uiteraard heb ik telkens aan PostNL gevraagd waar de hoes bleef, maar zelfs chatbot Daan snapte er helemaal niets meer van. En ook zijn belofte om mij dan door te verbinden naar een echte collega kwam hij niet na. Kortom, Daan en ik zijn geen vrienden meer… Met MOTO73 #5 ging het op precies dezelfde manier als onze iPad-hoes. Alleen die kwam niet met de pakketpost, maar een week te laat door de brievenbus. Natuurlijk zouden we MOTO73 als pakketje kunnen bezorgen, maar de offerte daarvan deed ons in overtreffende trap steil achteroverslaan van verbazing. Voor dat geld kunnen jullie ‘m beter bij ons komen ophalen. Heb je meteen een mooie rit… Wij regelen de koffie.

Kortom, weet dat we blijven knokken voor een goede bezorging en dat het doorzetten van bezorgklachten via mij echt lijkt te werken. Mail mij dus vooral als het ook bij jou een puinhoop is, maar laten we vooral hopen dat dit soort mails heel snel niet meer nodig zijn!

Verbrandingsmotor voorlopig gered: EU zet streep door totaalverbod

0

Voor motorrijders is het wegvallen van het totaalverbod niet echt een opluchting, want motorfietsen werden niet in het originele besluit genoemd. Maar het zou wensdenken zijn dat we nooit op de korrel van deze Europese wettenmakers terecht zouden zijn gekomen. Daarom is het ook voor ons goed dat de dreiging van het einde van de verbrandingsmotor voorlopig van de baan lijkt. De Europese Commissie wil het eerdere besluit om vanaf 2035 volledig af te stappen van de traditionele brandstofmotor terugdraaien. In plaats van een verplichte reductie van 100 procent in uitstoot, wordt nu een doel van 90 procent voorgesteld.

Dat betekent dat fabrikanten na 2035 nog steeds voertuigen met een verbrandingsmotor mogen produceren. Ook hybride modellen blijven toegestaan. Toch komt er een duidelijke beperking: de totale CO₂-uitstoot van alle nieuwe voertuigen in 2035 moet nog steeds fors lager liggen dan nu.

Tweede Kamer verzet zich tegen Europees verbod op verbrandingsmotoren

Om resterende uitstoot te compenseren, wil de Commissie fabrikanten twee opties bieden: gebruik van in Europa geproduceerd ‘groen staal’ of de overstap naar schonere brandstoffen. Dat laatste kan interessant zijn voor de motorindustrie, waar alternatieve brandstoffen zoals e-fuels volop in ontwikkeling zijn.

De koerswijziging is ingegeven door politieke én economische druk. Vooral Duitsland en Italië, met een sterke auto- en motorsector, wezen erop dat een totaalverbod banen zou kosten en Europese fabrikanten verder op achterstand zou zetten tegenover de snelgroeiende Chinese markt voor elektrische voertuigen.

Het oorspronkelijke verbod op de verbrandingsmotor was bedoeld als speerpunt van het Europese klimaatbeleid en als stimulans om sneller de overstap naar elektrische mobiliteit te maken. Critici waarschuwen echter dat afzwakking van het beleid juist minder investeringen in laadnetwerken en batterijontwikkeling zal opleveren.

Het Europees Parlement en de lidstaten moeten het voorstel van de Commissie nog goedkeuren. Verwacht wordt dat een meerderheid instemt met deze soepelere aanpak – waarmee de verbrandingsmotor voorlopig nog niet van de Europese wegen verdwijnt.