Historie Matchless G45: veelbelovend (maar net niet)

Tijdens de Manx Grand Prix van 1951, 75 jaren geleden, bereed Robin Sherry een nogal opvallende Matchless-twin naar een vierde plaats. Een heel mooi resultaat, maar ook een gelukkig resultaat want een onderdeel van de kleppenbediening brak af vlak voor de finish.

Sherry’s vierde plaats trok nogal wat belangstelling. Dit was vooral aan zijn Matchless te wijten, want hij was gebouwd en getuned door de raceafdeling van Associated Motor Cycles (AMC). Dat was wel gedurfd, want fabrieksmachines waren niet toegestaan in de amateur-Manx Grand Prix-races op het eiland Man!

In feite was Sherry’s Matchless een mix van een erg goed geprepareerd 500 cc G9 Super Clubman-motorblok in een 350 cc AJS 7R Boy Racer-rijwielgedeelte. Een mooie, veelbelovende combinatie, want de 7R stond erg goed bekend om zijn wegligging en het Super Clubman-blok leverde standaard een mooi motorvermogen en was daarbij ook erg betrouwbaar. Een ideale mix voor het eiland Man.

Historie Dresda: nuchter maar doeltreffend

Roep om staande twin

De staande twins van Matchless werden voor het eerst publiekelijk gepresenteerd tijdens de Engelse motorshow van 1948. Ze waren het gevolg van het enorme succes van de Triumph Speed Twin uit de jaren ‘30. Dat succes maakte duidelijk dat het motorrijdende publiek een staande twin wilde, en de meeste Engelse fabrikanten van zware motorfietsen gingen in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog aan de slag met als doel zo snel mogelijk hun eigen ontwerp van een staande twin op de markt te brengen. De Tweede Wereldoorlog gooide roet in het eten, maar het duurde niet lang of de eerste nieuwe twins verschenen op de markt in de eerste naoorlogse jaren.

AMC had haar zinnen volledig gezet op de nieuwe Matchless G9 en de AJS Model 20. Het was een conventioneel ontwerp, hoewel ze een aantal ongewone kenmerken in zich hadden. Het AMC-motorblok was een staande twin van 500 cc. Ze hadden twee kleppen per cilinder die aangedreven werden door tuimelaars, stoterstangen en twee nokkenassen. De inlaatnokkenas was in het carter, achter de cilinders geplaatst, de uitlaatnokkenas ervoor. Zowel de cilinders als de cilinderkoppen waren van gietijzer gemaakt. Ongewoon was het horizontaal deelbare binnenste, centrale deel van het carter. Dat vormde tevens het draagpunt van het middelste krukaslager. Dit deel zat opgesloten in de twee helften van het verder verticaal gedeelde carter. Het maakte het motorblok erg stijf. Niet lang na de introductie van de nieuwe Matchless-twin rolde een sportieve versie van de band: de Super Clubman. Hij was onder meer voorzien van een aluminium cilinder en cilinderkop.

Ronderecord

Het lag dus voor de hand dat het Super Clubman-motorblok gebruikt werd voor Sherry’s avontuur in de Manx Grand Prix van 1951. En het was mooi dat de veelbelovende combinatie van de Super Clubman en de 7R een kans kreeg. Gelukkig bleef het er niet bij. In 1952 startte de Australiër Ernie Ring op een soortgelijke machine in de 500cc Senior TT van het eiland Man. Helaas ging hij na vier ronden onderuit, waardoor hij op moest geven. Het echte potentieel van de 7R-Super Clubman-combinatie werd aangetoond door Derek Farrant tijdens de Manx Grand Prix van datzelfde jaar. Hij won met zijn Matchless de 500cc Senior-race met een gemiddelde snelheid van 141,84 km/u en brak het ronderecord viermaal!

Hierop nam AMC het besluit om een productie-raceversie te gaan bouwen van deze ‘hybrid’.

In 1953 was hij voor het eerst verkrijgbaar: de Matchless G45 was geboren! Het uit gelaste buizen opgetrokken dubbele wiegframe was identiek aan dat van de 350cc AJS 7R. De wielbasis was 1.410 mm en de bandenmaten waren 3,00 x 19″ aan de voorkant en 3,50 x 19″ aan de achterkant. Als voorvork deed een met olie gedempte telescoopvork dienst, de achterswingarm werd afgeveerd door twee hydraulisch gedempte schokbrekers. Het motorblok was nog steeds voorzien van twee kleppen per cilinder, maar de hele kleppenbediening was wel lichter en sterker uitgevoerd. Iedere klep werd gesloten door maar liefst drie klepveren. Nokkenassen met een ‘racey’ profiel waren standaard. Het blok was voorzien van twee Amal Grand Prix-racecarburateurs en een Lucas-racemagneet. De hoofdkrukaslagers waren als rollagers uitgevoerd. Het middelste lager was een glijlager, het was hetzelfde lager als dat van de G9 Super Clubman. De cilinders en de cilinderkoppen waren van een lichte aluminiumlegering gemaakt. De gietijzeren klepzittingen en cilinderbussen werden daarin gekrompen. De boring/slagsverhouding was 66 x 72 mm. De nieuwe G45 leverde een motorvermogen van 48 pk bij 7.200 tpm.

Faam niet waargemaakt

De nieuwe Matchless werd direct gezien als dé grote belofte in de racerij. Maar liefst veertien rijders schreven zich in met een G45 voor de 500cc Senior TT van het eiland Man in 1953. Tussen hen grote namen zoals Phil Heath, Arthur Wheeler en Bob McIntyre. Uiteindelijk zouden de eerste drie G45’s als negende, veertiende en 24e finishen, nadat alle grote namen op de G45 uitgevallen waren door motorische problemen of ongevallen.

Tijdens de Manx Grand Prix ging het beter. Derek Ennet finishte als derde achter de Nortons van Parkinson en Keller. De beste klassering van de G45 in de Senior TT van 1954 werd behaald door Nieuw-Zeelander L.T. Simpson. Hij eindigde op de twaalfde plaats in de race, die door de barre weersomstandigheden na slechts vier ronden afgevlagd werd. Een jaar later finishte Derek Ennet zesde met een gemiddelde snelheid van ruim 148 km/u, net achter Bob McIntyre op zijn Norton. Het was een erg goed resultaat. Toch werd het duidelijk dat de G45 moeite had om zijn op papier ijzersterke concept waar te maken. Hij leverde een mooi vermogen, maar was in tegenstelling tot de Super Clubman niet betrouwbaar genoeg om op het hoogste niveau mee te draaien. Met wat ontwikkelingswerk was dit wellicht te verhelpen, maar AMC zou dit niet nastreven.

In 1957 had de G45 opnieuw een moment van glorie. George Murphy finishte dat jaar op een prachtige achtste plaats in de 500cc Senior TT, achter een veld aan exotische fabrieksracers zoals de Gilera-viercilinders, de ééncilinder-Grand Prix-racers van Moto Guzzi en natuurlijk de altijd succesvolle Norton (semi-)fabrieksracers. Daarnaast waren zijspancoureurs Pip Harris en Colin Seeley zeer gecharmeerd van de G45-krachtbron als aandrijving van hun zijspanracers.

In 1958 kwam het einde van de G45 langzaam in zicht toen met de G50 de nieuwste 500cc-productieracer van Matchless geïntroduceerd werd. Deze magistrale racer was in feite een zwaar herziene en vergrote versie van de beroemde 7R. Toen hij in 1959 in productie ging, betekende dit het einde van de G45.

De G45 heeft helaas nooit zijn zo veelbelovende faam waargemaakt en dat is jammer, want het was zeker een heel mooi concept!

Foto’s: Archives A. Herl, Thomas Ackerson

Stay tuned

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en mis nooit het laatste nieuws! Onze nieuwsbrief wordt iedere week op dinsdag (bij veel nieuws) en donderdag verstuurd.


Gerelateerde artikelen