Jeffrey Herlings, Glenn Coldenhoff en Calvin Vlaanderen schreven geschiedenis tijdens de Motocross of Nations van 2019 op Assen. Code Oranje is een verhaal van meer dan een uur aan unieke beelden van de voorbereiding, teambesprekingen, trainingen, interviews en meer. Het succesvolle wedstrijdweekend komt zelf ook ruim aan bod. Beleef de Nations zoals je die nog nooit zag!
2020 ARAI RX-7V Isle of Man TT Limited Edition
Vandaag heeft Arai de laatste editie van de befaamde RX-7V Isle of Man limited edition onthult.
Ondanks dat de races op het eiland Man dit jaar door het Corona virus niet door gaan brengt de Japanse helmenfabrikant Arai toch het collectors item gewoon op de markt.
Deze beslissing is gemaakt mede als eerbetoon aan de jaarlijkse TT races en tevens om de liefhebbers en verzamelaars van deze helm tegemoet te komen.
Ingmar Stroeven, Algemeen directeur van Arai Helmet (Europe) B.V. : “Het zijn uitdagende tijden en soms moet sport een pas op de plaats maken. We keken erg uit naar de onthulling van de Isle of Man helm. De helm zou op vrijdag 27 maart worden onthuld op het eiland Man samen met Michael Dunlop en Steve Plater. Maar dit gaat vanzelfsprekend en helaas niet door. Voor ons bij Arai is de TT een zeer speciaal evenement waar we zeer veel tijd en energie in steken, zowel voor de rijders als voor de fans.

De Arai RX-7V Isle of Man TT Limited Edition wordt al sinds 2007 uitgebracht en onthult op Man en is een jaarlijks terugkerend hoogtepunt op het eiland.
Het is elk jaar weer een uitdaging om een geweldig design te maken uiteraard voorzien van de kenmerken Isle of Man logo’s. Ook dit jaar is het ontwerp wederom gemaakt door de Italiaanse topdesigner Aldo Drudi. Met klassieke lijnen en een gedurfde combinatie van zwart/rood/goud en natuurlijk de specifieke TT details als Ellan Vannin (de Manx-naam voor het eiland Man), de three legs of Man en natuurlijk de triskelion afgebeeld in goud.
Column Boudewijn Geels: Lulkoek Geels!
Met een daverende klap viel deze columnist door de mand bij lezer Erik Melis. ‘Wat een lulkoek!’, mailde hij. Fijn begin van een stukje interactie met de doelgroep…
In nummer 2 van dit prachtblad had ik geschreven over een elpeehoes van Saxon, mijn favoriete band in de jaren tachtig. Achterop stond een foto van mijn vijf helden op dikke motoren. ‘Harleys’, schreef ik. Maar laat Saxon nou ook de favoriete band van Erik Melis zijn geweest. ‘Ik heb de elpee er even bij gezocht’, schreef hij. ‘Vijf Honda’s! Drie Bol d’Or CB’s, een CBX en een Goldwing.’
Oei!
Eriks laatste zin was niets minder dan een mokerslag: ‘Als je een CBX van voren aanziet voor een Harley, dan klopt er toch iets niet?’
Al 38 jaar lezer van motorbladen en al 25 jaar zelf journalist, en dan toch zo de berm in rijden; knoeiwerk Geels! Uiteraard ging ik onmiddellijk in zelfanalyse. Ik had de aard van het probleem snel gevonden: wat je zeker weet, check je vaak niet meer.
En ik wíst het zeker toen ik die column schreef. Want ach, wat een indruk hadden de mannen op hun ‘Harleys’ als kind op me gemaakt. Ik luisterde destijds vooral naar The Police en ABBA (al zal ik dat van ABBA nooit hardop toegeven!) toen mijn vriendje Raphael mij een plaat liet horen die hij met gevaar voor eigen leven uit de kamer van zijn oudere broer Ronnie had gejat. Raph begon met een nummer dat me voor altijd hardrockfan zou maken.
De luisteraar zit langs een circuit. Een racemotor suist voorbij. Het geluid zwelt aan een sterft weer weg. Daarna komt weer een motor, de achtervolger. En dan meteen weer een. En dan hoor je een gitaar, donker, dreigend, stuwend. Drums erbij en lós gaat het nummer. Zanger Biff komt erin met zijn scheermesstem: ‘If you see me riding by, Do not stop me do not try, Cause I’m a motorcycle man, I get my kicks just when I can’.
Als twaalfjarige had ik geen idee dat mensen zo retecool konden zijn als deze Britse hardrockers met hun song ‘Motorcycle Man’. En ik wist: dit wil ik later ook!
Ik ben best een eindje gekomen. Sinds mijn achttiende speel ik basgitaar in bands, en die motoren kwamen er ook. Het meest Saxon-achtig was de VMAX die ik tot 2014 bezat. Nu heb ik een naked, een Honda X11. Die dure Harley komt later wel, heb ik altijd gedacht.
Maar wat Erik Melis betreft moet ik zo’n Amerikaanse bul vooral niet kopen. Nadat ik mijn fout deemoedig had toegegeven, schreef hij: ‘Ik herinnerde mij de hoes met die Honda’s nog goed. Die mannen van Saxon lieten zich niet als poseurs op een Harley zetten, maar op hun eigen motoren (althans, daar ging ik dan weer vanuit).’
Zijn advies aan mij: ‘Laat ook jij je voor bandfoto’s niet op een Harley zetten!’
Oké Erik, oké. De anderen rijden geen motor, dus misschien gaan we wel met de fotograaf het bos in – bandfotografen zijn namelijk geobsedeerd door bossen. Ik beloofde Erik dat ik mijn blunder zou rechtzetten. Dat leek hem een uitstekend idee, want, zo liet hij weten, ‘op het niet herkennen van een CBX-motorblok staan normaal zware straffen…’
Behulpzaam stuurde hij me nog een laatste mailtje. ‘Nog even om te oefenen.’ Het was een tekening van een motorblok. Piefjes en palletjes in klare zwarte lijnen, de ‘spark unit’ en de ‘pulser generator’ handig geaccentueerd in blauw.
Dank je motorcycle man Erik! Vanaf nu herken ik het blok van een CBX zelfs met het licht uit en mijn helm achterstevoren op het allerpiepkleinste plaatje.
Motorrijden tijdens de coronacrisis?
Het is als je naar buiten kijkt amper te geloven dat de ‘wereld’ op dit moment zo ziek is. De zon schijnt alsof er niets aan de hand is en met een beetje pak heb je echt geen last van die vrij koude wind. Normaal gesproken dus hét moment om je motor te pakken voor een mooie rit. Maar het is helaas niet normaal…
Alle artikelen rondom Motorrijden en het Coronavirus vind je hier
Gisteren liet het RIVM weten dat je ondanks het coronavirus wel recreatief mag motorrijden. Als je je tenminste houdt aan de speciale ‘corona-regels’, zoals op minimaal 1,5 meter afstand van andere mensen blijven en het vermijden van sociale activiteiten. Kort samengevat: rij alleen.
Daarnaast is de vraag om zo voorzichtig mogelijk te rijden, zodat er geen ‘medische hulpverlening’ nodig is. Maar dat lijkt ons een corona-onafhankelijke boodschap en is volgens ons altijd de insteek van elke motorrijder, onder welke omstandigheden dan ook.
Toch staat deze uitspraak een beetje haaks op wat we lezen op rijksoverheid.nl. Daar staat namelijk in zeer heldere bewoording: blijf zoveel mogelijk thuis. En als je kucht, hoest en/of verkouden bent: blijf dan helemaal thuis.
Normaal gesproken hadden we voor dit weekeinde een aantal prachtige motorroutes klaar staan, maar wij vinden het, gelet op wat er om ons heen gebeurt, een verkeerd signaal om die nu online te zetten. Dan is het namelijk net of je je onttrekt aan de dagelijkse realiteit.
Wat dat betreft kunnen wij ons goed vinden in het advies van de KNMV. Zij raden aan om de richtlijnen en maatregelen van het RIVM en de overheid goed in acht te nemen en het KNMV-advies is dan ook om niet de weg op te gaan, tenzij dit echt noodzakelijk is.
Het is even niet anders…
Het vergeten verhaal van Antonio Cairoli
Natuurlijk kijken wij allemaal uit naar de volgende MXGP, wanneer die ook verreden mag worden. Laat de duels tussen Jeffrey Herlings en Antonio Cairoli liefst zo snel mogelijk beginnen, waarbij het duidelijk zal zijn wie ‘ons favoriet’ is. Maar toch… Na het lezen van dit interview zul je heel anders kijken naar één van de grootste concurrenten van Herlings, want als iemand niets cadeau gekregen heeft in zijn crossleven, dan is het wel Cairoli.
Zeg je Antonio Cairoli, dan zeg je tegenwoordig succes, zeges en wereldtitels. Maar jouw crossverhaal begon heel anders waardoor het contrast eigenlijk niet groter kan zijn.
Antonio Cairoli: ‘Ja, dat kun je wel zeggen. Ik ben geboren in Patti op het Italiaanse Sicilië. Of beter gezegd het Zuid-Italiaanse Sicilië en dat maakt het allemaal best ingewikkelder. Daarnaast ben ik opgegroeid in een gezin dat niet veel geld had en bovendien de motorsport niet kende. Er werd op Sicilië wel wat gecrosst, maar dat was vrij kleinschalig en zeker niet op professioneel niveau. De meeste crossers rijden alleen op zondag, ook al omdat de meeste banen amper open zijn. Voor mij was het daarom erg moeilijk om door te groeien en om sponsors te vinden. Om echt door te kunnen groeien moest ik naar het noorden van Italië. Daar werd namelijk wel op niveau gereden op veel meer verschillende circuits.’
Hoe heb je dat probleem opgelost?
‘Door telkens naar het noorden van Italië te rijden met de bus, 1300 kilometer enkele reis. Dat kostte niet alleen heel veel tijd, maar ook heel veel geld. Daarnaast miste ik best veel schooldagen, terwijl er voor mijn ouders veel werkdagen verloren gingen. Tot mijn veertiende, vijftiende hebben we op deze manier gereisd. Daarna kreeg ik steun van de nationale bond en kwam ik terecht in betere teams die veel meer ervaring hadden in de motorcross.’

Hoe zag zo’n reis eruit?
‘We vertrokken meestal op vrijdag en reden dan zo’n twintig uur om op de eindbestemming te komen. Ik lag altijd achterin te slapen, tussen de motoren, zodat ik direct bij thuiskomst weer naar school kon in de hoop dat ik niet al te veel zou missen.’
Kon je zomaar schooldagen missen?
‘Ja hoor, dat is niet zo’n probleem in Italië. Natuurlijk werkte het altijd tegen mij omdat ik het jaar soms niet haalde, maar als je redelijk getalenteerd bent en op redelijk professioneel niveau serieus aan sport doet, krijg je niet zo snel problemen. Uiteindelijk heb ik zelfs het voortgezet onderwijs afgerond, daarna had ik echt geen tijd meer voor school.’
Kun je je de eerste keer op de motor nog herinneren?
‘Ja, zeker weten, ik was vier jaar oud. Toen ik op een dag van de kleuterschool terugkwam, vertelde mijn vader dat er een verrassing stond in de garage. Ik rende er direct naartoe en daar stond een kleine crossmotor. Vanaf die dag reed ik tot mijn zesde elke dag bij ons in de tuin, een belangrijke leeftijd voor crosser want in die jaren moet je echt beginnen met rijden.’

Was het meteen duidelijk dat je goed was?
‘Nee, helemaal niet zelfs. Dat kwam echt pas toen ik vijftien, zestien was. Oké, ik won wel meteen, maar door het lage niveau was het onmogelijk in te schatten hoe goed ik echt was. Dat zou pas duidelijk worden als ik in Noord-Italië aan de start zou staan.’
Het verschil met supertalenten als Jeffrey Herlings, Jorge Prado en Ken Roczen kan niet groter zijn.
‘Bij hen was het inderdaad toen ze tien waren, of zelfs nog jonger, al duidelijk dat ze iets extra’s hadden. Bij mij echt niet, ook omdat ik pas later uitgedaagd werd om mijn limieten te verleggen.’
Hoe moeilijk was het om als Zuid-Italiaan je staande te houden in Noord-Italië, waar ze nog altijd zeer weinig op hebben met het zuiden?
‘Dat was echt heel zwaar. Ik vertrok in mijn eentje naar het noorden en had veel last van discriminatie richting mij, net zoals andere mensen dat hebben als ze vanuit het zuiden naar het noorden komen. Daarnaast moest ik zien rond te komen van 50 euro per maand en dat was misschien nog wel lastiger.
Hoe deed je dat in vredesnaam?
‘Dat was verschrikkelijk lastig. Gelukkig kreeg ik wel een beetje hulp van mijn team. Ik hoefde niet te betalen voor de motoren, de onderdelen en de kleding. Een grote vooruitgang, want daarvoor reed ik met motoren die soms wel zes jaar oud waren, terwijl ik drie seizoenen deed met mijn kleding. Die hulp hield mij op de been, hoewel ik niet echt goed in mijn vel zat, omdat ik mij niet thuis voelde in de omgeving. Ik was vaak eenzaam, vooral in de avond. In de ochtend sportte ik en na de lunch crosste ik tot vier uur. Als ik thuis kwam ruimde ik het huis op, waste mijn kleren en probeerde een beetje te koken. Ik kon dat allemaal niet, dus moest dat maar zien te leren. Als ik klaar was, wachtte ik tot het weer ochtend was en ik weer kon gaan sporten. In die tijd bestonden mobieltjes amper en had ik niet zoveel contact met thuis. Als we contact hadden, klaagde ik ook nog eens de heel tijd. Mijn vader zei altijd dat ik altijd terug kon komen en dat we dan wel ander werk voor mij zouden vinden, maar mijn moeder liet mij altijd weten dat als ik echt wilde gaan crossen, ik daar moest blijven en alles moest blijven doen om te slagen. Hoe moeilijk ze het ook vond dat ik als 15-jarige zover weg was van haar en haar vaak huilend belde. Zij is dan ook de sleutel van mijn succes.’
Had je zonder de steun van je moeder doorgegaan?
‘Nee, dan was ik waarschijnlijk gestopt.’

Is het moeilijk om over je inmiddels overleden ouders te praten?
‘Nee, het is bijzonder. Ik heb namelijk alles te danken aan ze en dat geldt ook voor mijn drie zussen. Er kwam amper geld binnen en niemand binnen het gezin had er moeite mee dat het meeste van dat geld naar mij en het crossen ging. Ik was voor hun de held van de familie en dat is zo belangrijk voor mij. Dat soort dingen hielden mij op de been en brachten mij in 2003 bij het team waar ik nu nog steeds voor rij, dat van Claudio de Carli.’
Klopt het dat je je zusters nu financieel ondersteunt als dank voor die periode?
‘Ze hoeven maar te bellen en ik ben er als ze in de problemen zitten. En dat geldt ook als ze financieel in nood zitten. Geld is voor mij niet zo belangrijk en ik zou echt niet willen dat ze jaloers worden op mijn inkomen. Geld telt alleen als je gezond bent, en ach, er zullen altijd mensen zijn die meer geld hebben, dus waarom zou ik mij daar druk om maken.’
Waarom ging het vanaf 2003 ineens veel beter met je?
‘Het team van Claudio zit in Rome en dat is een stuk dichter bij het zuiden, dan waar ik eerst zat. Ook de mentaliteit van het team past meer bij Zuid-Italië. Ik voelde mij daar dus veel beter op mijn gemak. In het eerste jaar ging het nog niet super in het Italiaans kampioenschap, maar het jaar erop werd ik direct derde in het WK MX2 en won ook mijn eerste GP, in Namen.’
Toch belandde je al snel in het Belgische Lommel, nog veel verder van Sicilië.
‘Omdat het zo goed ging, besloot mijn teammanager dat ik naar België moest verhuizen om nog beter te worden. Ik moest namelijk leren rijden in het zand, terwijl ik tot mijn achttiende dat nooit gedaan had. Ik kwam in november, december aan en het was stervenskoud en het regende “like hell”. In die periode was Marc de Reuver de koning van het zand. Ik vond hem al meteen aardig, ook omdat zijn mentaliteit best veel op die van de Italianen lijkt. Hij was open en had humor en we trokken soms met elkaar op en reden ook tegelijkertijd in het zand. Dat laatste was in het begin heel confronterend, want ik verloor op hem zomaar vijftien tot twintig seconden. Per ronde! Gelukkig kreeg ik van Marc veel advies en keek ik veel van hem af. In februari had ik daardoor het gat al gedicht naar vijf seconden per ronde en dat was echt heel goed voor een Italiaan.’

Ik neem aan dat je amper Engels praatte toen je naar Lommel kwam. Hoe bestelde je een brood bij de bakker?
‘Dat was best een ding. Gelukkig kon mijn monteur een beetje Engels en had ik een vriend die kon tolken.’
En hoe ging dat toen je de Nederlandse Jill Cox, nu je vrouw, ontmoette?
‘Ik leerde haar kennen in 2006 omdat ze altijd met haar familie op de cross was. Toen ik haar voor het eerst zag, verkeerde ik echt in een schok haha. Zo mooi. Alleen, ze was bezet… Ik bleef haar echter in de gaten houden en was er meteen bij toen ze problemen kreeg in die andere relatie. Ik kon alleen geen Engels op dat moment… We spraken elkaar via MSN Messenger, want dan kon ik Google Translate gebruiken. Het enige probleem was dat dit toen nog lang niet zo goed was als nu, dus ik schreef haar altijd “bullshit”. Uiteindelijk heb ik daarna in één jaar Engels geleerd.’

Wat heb je vooral geleerd van Jill?
‘Ze is heel erg georganiseerd, terwijl ik in Zuid-Italië vooral geleerd heb te genieten van het moment. Nog altijd heb ik niets met dingen plannen, maar ja, zonder plannen gaat het ook niet helemaal goed. Daarom zitten we nu samen ergens halverwege en dat bevalt heel goed. We genieten en als ik iets geleerd heb in mijn leven, is dat het draait om dat soort dingen in het leven.’
Foto’s: Privéarchief Antonio Cairoli en KTM
Honda CB-F Concept: glanzende modern-classic
Vanwege COVID-19 zijn de motorshows van Tokyo en Osaka geannuleerd. In plaats van een ruime stand op een beursvloer zoeken veel merken nu hun heil op het internet, met of onder een speciale webpagina.
Honda debuteert online met de Honda CB-F Concept, een retro-ogende motor met een modern rijwielgedeelte en blok. Als de motor je ietwat bekend voorkomt, is dat niet zo vreemd. Aan de basis van de Concept ligt natuurlijk de CB1000R, die zelf ok weer een derivaat is van een CBR1000RR van jaren geleden.
Voor de CB-F Concept heeft Honda met een schuin oog gekeken naar de CB900F. Die reed eind jaren ’70 en begin jaren ’80 van de vorige eeuw over de vaderlandse wegen. En het was een vrij populaire motor ook.
De meeste motorrijders vinden retro mooi, maar je kunt je wel afvragen hoeveel motorrijders er geld aan willen spenderen. Qua verkopen in Nederland zijn ‘retro’s’ goed voor een procentje of vijf… Het is daarom niet minder interessant om te zien hoe Honda verder bouwt op de CB1000R. Dat is per slot van rekening een solide pakket dat zich goed leent voor nieuwe designexperimenten. Zoals de CB-F Concept.

Motoragent, wel of niet groeten?
Smeris, wout, dienstklopper, bromsnor, juut, kit of zwaantje. Bijnamen voor motoragenten weet ik volop te verzinnen, maar niet hoe ik ze onderweg groet. Wel of geen motorgroet? Het blijft lastig, al kreeg ik deze week een wijze les.
Het is altijd confronterend maar fijn als iemand ongewild jouw ongelijk bewijst. Een tegemoetkomende motoragent deed het van de week. Ter hoogte van Volendam naderde zo’n overbekende witte motor met fluo vlakken en zwaailichten. In het zadel een in fluo-kleding gestoken motoragent die mij achteloos en enthousiast tegelijk begroette. Gewoon als motorrijders onder elkaar. Met stomheid geslagen liet hij me achter.
Zou de agent in zijn achteruitkijkspiegels hebben gezien dat ik zijn groet alsnog beantwoordde? Uit een Pavlovreactie ging mijn linkerhand omhoog. Maar pas nadat de politie-BMW me was gepasseerd. Had de agent me ook nog even recht in de ogen gekeken, dan had hij een mengelmoes van verbazing en zelfverwijt gezien. Sinds wanneer groeten motoragenten zo amicaal en waarom moest ik weer zo nodig mijn klauwen aan het stuur houden? Het was een wijze les die ik zojuist kreeg.
Een Belgische collega-journalist bekende me laatst extreem slecht te kunnen vergeven. Deze aimabele Zuiderbuur heeft blijkbaar ook nog een heel andere kant. Iemand die hem iets flikt, krijgt daar hoe dan ook ooit de rekening voor gepresenteerd. Misschien komt mijn weigering om motoragenten te begroeten als mede-motorrijders ook voort uit mijn onvermogen tot vergeven. Zeer waarschijnlijk zelfs.
Zo’n dertig jaar geleden stond ik met de motor voor een rood verkeerslicht. De dikke politiemotor achter me had ik natuurlijk al lang gezien en dit tijdelijk braafste jongentje van de klas wachtte keurig op het groen. Direct na het wegrijden zette meneer agent – pardon: die vuile tering takke smeris! – me aan de kant. Een boete voor een achterband met te weinig profiel volgde. Het voelde als verraad van een mede-motorrijder. Een trap in je rug van een kameraad. Mijn besluit stond vast: naar die tyfus-bromsnorren stak ik geen hand meer op. Nog geen vinger zelfs, al was die neiging direct na de bekeuring lastig te bedwingen.
Het kostte niet veel moeite om niet langer te groeten. Het voelde sowieso altijd al wat ongemakkelijk om een hand op te steken. Zouden andere motorrijders dat ook doen? Oog ik nu verdacht, of op z’n minst schijnheilig? Waarom groet je mannen en vrouwen die je net zo makkelijk bekeuren? Vragen had ik wel, antwoorden niet, maar de motorgroet voelde simpelweg niet zo goed en schijnheilig.
Hoe raar het is om uitgesloten te worden van een motorgroet, ervoer ik twee jaar geleden. Op kleine 125cc-scootertjes reden mijn maatje Peter en ik naar de Alpen. Een prestatie van wereldformaat, maar iedere motorrijder deed op het moment van passeren alsof hij een vuiltje in zijn oog had. Het gaf de bevestiging dat genegeerd worden een onprettig gevoel is. Wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Het gezegde ken ik, maar voor motoragenten ging dat niet op.
Tot de wijze les van de blijde motoragent deze week. Zijn joviale hand omhoog zette mij op mijn plek. Natuurlijk begroet je een andere motorrijder. Zoals hij jou begroet. Zelfs als de persoon in kwestie in dienst is en je in het ergste geval nog op de bon slingert ook. Betrapt worden voelt altijd beschamend, maar extreem leerzaam. Je laat het wel uit je hoofd om voor de tweede keer zo’n fout te maken. De politieagent die me van de week groette wil ik daarom bedanken. Natuurlijk steek je een klauw op naar een andere motor. Zelfs als er stickers met ‘Politie’ op zitten. Al zorg ik er in deze rare corona-tijden wel voor dat mijn opgestoken hand anderhalve meter ver weg blijft van de ander. Anders bekeurt zo’n pleuris smeris je daar weer voor….
Ad van de Wiel
Halmac Halle brengt ons een lichtpuntje, nee lichtpunt!
Wij kunnen natuurlijk niet voor iedereen spreken, maar wij zijn op de redactie op dit moment erg blij met elk lichtpuntje dat we kunnen vinden. Als het dan ook nog eens positief nieuws is over een crossbaan, maakt ons dat helemaal blij en spreken we direct van een lichtpunt.
In dit geval gaat het over Halmac Halle. De nieuwe vergunning voor het crossterrein van de Halmac is namelijk verstrekt en bovendien onherroepelijk! Dat houdt in dat, zodra de omstandigheden het toelaten, er getraind kan worden volgens de nieuwe vergunning. Hetzelfde geldt uiteraard voor het organiseren van wedstrijden.
Binnenkort zal op www.halmac.nl precies duidelijk worden hoe en wat, maar nu zijn we vooral blij en dat is best prettig.
Honda en Suzuki Virtual Motorcycle Show
Ook in Japan is het alle hens aan dek. Vanwege COVID-19 zijn de 36e Osaka Motorcycle Show en de 47e Tokyo Motorcycle Show geannuleerd. Zowel Suzuki als Honda hadden een grote stand in gedachten op beide beurzen.
Gelukkig weigeren Honda en Suzuki bij de pakken neer te zitten. Nieuws is nieuws en als je het dan toch niet live kunt laten zien, dan maar virtueel.
Suzuki laat z’n Japanse nieuws zien via hun twitter-account.
Honda Japan heeft op hun website een photobooth ingericht.












