zaterdag 25 april 2026
Home Blog Pagina 1164

Engeland: Northumbria – Verstild strijdperk

0

Op de duinen die bijna aan de voortijlende wolken raken golft zilvergroen helmgras als de vacht van een groot dier. De zon verscheurt de dreigende luchten en laat de zandvlakte, die zich als een natte woestijn uitstrekt tot aan de Noordzee vlammen.

Een straffe aflandige wind beteugelt de branding die gestuwd door het opkomend tij toch steeds weer een streepje verder landwaarts rolt. Aan de einder, op golven met schuimende stormkoppen zijn vaag de silhouetten van enkele boten te zien. ‘Zwaar zeetje, lastig om te landen’, denk ik onwillekeurig en fantaseer over al die schepen die gedurende vele eeuwen op deze kust aangekoerst hebben. En nee, ook al doet het landschap er sterk aan denken, ik bevind me niet op één van onze waddeneilanden. Als ik me omdraai sta ik oog in oog met het enorme Lindisfarne Castle, dat bijna op een natuurlijke manier de top vormt van een eenzame rots op een stukje land in zee dat soms wel, en soms geen eiland is. Het decor heet Northumbria, en ik rij hier een weekend rond op de motor.

Hoonlachende kokmeeuwen

Frankrijk heeft Mont St.Michel, Engeland heeft Lindisfarne oftewel Holy Island. Een bezoek aan het halfeiland moet je goed plannen, want alleen bij laagwater kun je de oversteek over land maken. Deze geïsoleerde ligging maakte het mogelijk om van hier uit het christendom over het vaste land van Groot Brittanië te verspreiden.

Tijdens een rondje om het kasteel heb ik de tijd goed in de gaten gehouden: mis je het juiste moment, dan zit je zeker zes uur vast op het kasteeleiland. Maar ik ben te vroeg. Voor me gaat de weg nog schuil onder een kabbelende golfslag. Kilometers water scheiden me van de kust. Het is fascinerend om te zien hoe de zee zich terugtrekt en hoe over de zanderige zeebodem een gave asfaltloper wordt uitgerold. Al gauw rij ik langs borden die waarschuwen voor het wassende water. Wie die raad in de wind slaat, zal in een noodgeval het vege lijf moeten redden in één van de schuilhutjes op palen. Tsja, en dan maar wachten, boven de klotsende golven, onder het hoongelach van door de lucht schietende kokmeeuwen.

Waarschuwende vinger

Voortgestuwd door megapaardenkrachten, in balans gehouden door moderne systemen heeft de ferry van DFDS Seaways geen enkele moeite met tegenwind, getijden of zware zeegang: tegenwoordig is landen op deze kust een fluitje van een cent. Zacht wiegend op de lome trillingen van het grote schip vaar je op één oor door de nacht van IJmuiden naar Newcastle, en terug. De ideale manier om uitgerust aan ‘Het Mooie Rijden’ te beginnen.

Northumberland, het noordoosten van Engeland, staat bekend om de fraaie natuur, de zandstranden en de pittoreske dorpen aan zee. Maar ook omdat het graafschap de meeste kastelen van Engeland telt. Het is ‘borderland’, en in meer dan één opzicht een grensgebied. In het noorden, aan de andere kant van een grens waar meer dan 200 jaar om gestreden is, ligt Schotland. In het zuiden vormde Hadrians Wall de noordgrens van het Romeinse Rijk en in het westen liggen de Cheviot Hills, een natuurlijke barrière. Nieuwe dreiging kwam vanaf de Noordzee, nadat de Romeinen, geplaagd door tegenstand en innerlijke verdeeldheid zich terugtrokken uit Noord-Europa en Engeland. Dat was rond 400 nC.

De Grote Volksverhuizing kwam op gang en Vikingen, Friezen en Angel-Saksen trokken de zee over. De Engelsen verschansten zich en bouwden kastelen, havens werden versterkt met muren. Ik probeer me die aanblik vanaf zee voor te stellen: hoe er na dagen zeilen of roeien land in zicht komt en hoe met iedere zeemijl dichter onder de kust het massieve silhouet van een burcht hoger uit het landschap oprijst. Torens die dreigend als een waarschuwende vinger in de hemel priemen, met een air die zowel ‘kom maar op’ als ‘waag het niet’ lijkt te dreigen.

Gapende vuurmonden

Een echo van dat historisch machtsvertoon trof me toen ik die ochtend, net wakker, door de patrijspoort keek. De kanonnen van Tynemouth Castle, het fort dat sinds eeuwen de Tyne-monding controleert, spuwen allang geen ontploffend buskruit en ijzeren kogels meer. Maar toch, oog in oog met de gapende vuurmonden was een zweem van die dreiging nog voelbaar. Met een massief ‘full-english-breakfast-maar-zonder-bloedworst-thank-you’ achter de knopen, stort ik me in de ochtendspits, richting Cramlington. Daar, noordelijk van Newcastle, gaat de snelweg over in de A189, het glooiende land evolueert naar heuvels, doorsneden door heggen en stenen muurtjes. Tot ik door de duinen rij, die kustweg B1068 flankeren naar Amble-by-the-Sea.

Zweinstein

Voorbij de stranden van Druridge Bay buig ik linksaf, via de B1330 het Coquetdale in, steek de rivier over en zigzag noordwaarts naar Alnwick. In het gelijknamige kasteel, een fantastisch bouwwerk uit 1096, woont sinds de Middeleeuwen de familie Perci, Hertogen van Northumberland, nazaten van Willem de Veroveraar. Het is na Windsor het grootste nog bewoonde kasteel van Engeland, en in het omringende park zijn 65.000 verschillende planten samengebracht. Tijdens de 14de eeuw was het een strategische plek bij talrijke veldslagen, waarin Harry Hotspur de Engelsen aanvoerde tegen de Schotten. Gezeten te paard leeft hij voort in een imposant beeld, dat een binnenplaats domineert. Qua faam heeft hij concurrentie gekregen van een andere Harry: het kasteel is wereldberoemd geworden als Zweinstein, de filmlocatie van de school waar Harry Potter zijn successen kende. Eerder was het al een populaire plaats voor tv-producties als‘Blackadder’, en films als ‘Elisabeth’ en ‘Robin Hood’. De sfeer is heel authentiek en de rijk ingerichte vertrekken staan vol schatten: meubels, keramiek en de grootste privécollectie renaissancekunst van Europa, met schilderijen van Titiaan en Van Dyck.

Teveel voor één bezoek en zeker nu, want ik wil vooral ook rijden. Zon en wolken strijden met elkaar als ik door de stadspoort Alnwick verlaat. Ik pak de B1340 naar het noorden, langs de kust die recent het predicaat Nationaal Erfgoed kreeg. Het is laagtij, op de hartslag van het heelal heeft de zee zich teruggetrokken. Brede stranden met wit zand liggen droog rondom Dunstanburgh Castle dat uitkijkt over Embleton Bay. De vette klei van de zeebodem glinstert, steltlopers zijn druk met het bij elkaar pikken van pieren en andere dingetjes.

Witweg getrokken koppen

Ook al liggen ze slechts een paar kilometer oostelijk van de A1, die Newcastle met Edinburgh verbindt, de dorpjes aan de kust hebben de authentieke sfeer goed geconserveerd. Seahouses beschikt over een sfeervol haventje, waarvan het historische deel nog ommuurd is. Ooit bedoeld om bescherming te bieden tegen indringers vanuit zee, werd het in vredestijd een ‘veilige haven’ voor het smokkelverkeer met Schotland. Vissersboten dobberen op de deining, terwijl de visserlui netten boeten en dekken schrobben. Op de kades liggen kreeftenfuiken, bundels veelkleurig touw en kratjes van de visafslag. In het noorden staat het silhouet van Bamburgh Castle op de duinen, terwijl je in het zuiden nog net de ruines van Dunstanburgh Castle kunt zien. Voor de kust liggen de Farne eilanden met de door Henry VIII gebouwde Longstone vuurtoren. Hoewel zo’n beetje overbodig geworden door satellietnavigatie, brandt die toch nog iedere nacht: het voortbestaan is gegarandeerd door de beschermvrouwe van het lichtbaken, de Queen zelf. Kan het Britser! Vanuit de haven vetrekken bootexcursies naar de eilandjes, naar de zeehondenkolonies en de broedplaatsen van de grappige papegaaiduikers, de puffins. Het Engelse dametje in de kaartjeskiosk probeert me ‘oh yes dear, it’s lovely!’over te halen, maar ik pas als ik zie hoe een schoolklasje stil en met witweggetrokken koppen aan wal klimt, na twee uur speelbal te zijn geweest van de golven. Ik zwier liever zelf! En bij voorkeur door mooie bochten, en die zijn er gelukkig volop.

Maar voordat ik landinwaarts verder trek, boek ik vast een hotelletje. Westelijk van de A1 naar Edinburgh, ligt een mooi glooiend land met veel kleine weggetjes door een agrarisch gebied met kleine dorpen. De rhododendrons kleuren uitbundig. Bossen en open land wisselen af, doorsneden door beekjes en kleine rivieren. Een land waar de wegen lijken te zijn aangelegd door en voor motorrijders.

Een sprookjeskasteel

Op een steenworp van Holy Island ligt Bamburgh Castle, dat massief oprijst uit groenglooïende velden waarin brem en pinksterbloemen bloeien. Hoog op de basaltrots die vanuit de duinen in zee prikt, lijkt het een typisch middeleeuws sprookjeskasteel, en van welke kant je het nadert, de aanblik is majestueus. Het is bewoond en te bezichtigen, vooral de wapenkamers en kerkers zijn geliefd. In Bamburgh houdt de kustweg op en om de A1 te vermijden maak ik via de B6349 naar het historische Wooler, een stukje A697 en de B6354 een omweg naar Berwick aan de Tweed, de grensrivier met Schotland. Hoe meer cijfers, hoe schilderachtiger de weg en vooral de B-wegen met 4 cijfers zijn lekker om te rijden. Er is nauwelijks verkeer en soepel scheer ik tussen de heggen door. Over de Royal Border Bridge rij ik de ommuurde stad binnen en weer uit. Niet omdat Berwick geen sfeer heeft – voor de liefhebbers van historische oorlogvoering is het Barracks & Borough museum een interessant doel – maar de avond valt. Over de A1 vlieg ik terug naar Seahouses en strijk neer in het Towers Hotel in Beadnell. Ook al ontbreekt ‘Fawlty’ in de naam op de gevel, de sfeer is typisch Engels: van boven tot onder met wilde decoraties gestoffeerd, met een gezellige privat- en public bar en een prima keuken. Pinten bier gaan rond voordat de kok aan het werk wordt gezet. Wat te denken van gerookte zalm en met stiltonkaas gevulde paprika’s? En ja natuurlijk: chips en hele grote fluoriserendgroene doperwten.

Een grazend monument

In het ochtendlicht stuur ik m’n Triumph Sprint ST naar het zuidwesten. We rijden landinwaarts via Breamish Valley naar het Northumbria National Park. In de berm van weg B6348 nabij Chatton trekt een simpel bordje de aandacht: ‘Wild Cattle’. Huh, wild vee? Na een fikse wandeling door wat een oerbos lijkt en het passeren van een aantal hekken ontmoet ik uiteindelijk de beheerder van een kudde unieke runderen. Hun geschiedenis gaat terug tot halverwege de 13de eeuw, toen op het ommuurde 134 hectare grote landgoed van Chillingham Castle vee werd uitgezet voor de jacht en voedselvoorziening. Sinds die tijd leeft de kudde geïsoleerd, in zijn oorspronkelijke biotoop, en is 700 jaar vrij gebleven van directe menselijke inmenging en fokprogramma’s. De witte dieren met hun roodharige oren staan genetisch dichter bij hun prehistorische voorouders dan welk ander rund ter wereld. Ondanks onvermijdelijke incest is de kudde sterk, gezond en zuiver. Wonderlijk is dat de dieren genetisch identiek en dus natuurlijke klonen zijn. Desondanks zien er geen twee er hetzelfde uit en dat lijkt in tegenstelling met de genetische wetenschap. Charles Darwin himself begon in 1862 een studie naar de Chillingham Wild White Cattle, een onderzoek dat tot op heden wordt voortgezet door de universiteit van Edinburgh. De diversiteit wordt deels verklaard door de ontwikkeling in de baarmoeder van een dier, dat leeft in een natuurlijke omgeving. Het bekijken van de kudde is alleen gedoseerd en vanuit de Landrover van de parkwachter mogelijk. Niet alleen om de dieren te beschermen, ook voor de veiligheid van de bezoekers, want het zijn wilde dieren, vooral als ze kalveren hebben. Het geïsoleerde park heeft een positieve invloed op de wildstand van het natuurgebied: onder gigantische uit de Middeleeuwen stammende elzebomen leven damherten, zwijnen en roofvogels. De wilde kudde vormt een indrukwekkend levend monument, waarvan het bestaansrecht is vastgelegd: de komende 999 jaar mogen zij in het park blijven grazen.

Waar het spookt…..

De Triumph vreet een helling, maakt scherp een bocht rechtsom naar beneden, duikt even in de vering, sprint een stukkie rechtuit en klimt meteen weer in een lange linkerbocht over een bult die ik in m’n buik voel. Mooie bochten en asfalt met goed grip, de wegen lijken aangelegd, louter en alleen om ervan te genieten: motorrijden in Engeland doe je met een grote smile. Weer of geen weer, het overtreft de beste kermisattractie. En zie je op de kaart een verboden-voor-caravans-symbool, dan is dat de weg die je moet hebben! Ik slinger mee met de Breamish rivier het Northumbria National Park in, totdat na een twintigtal geweldige kilometers de weg in de heuvels stopt. Niet erg, rij ik dat mooie stuk nog een keer! Er zijn weinig wegen die de Cheviot Hills kruisen, dus trek ik langs de voet van de heuvels zuidwaarts via de B6341 en de B6320, die helemaal tot het schilderachtige marktstadje Hexham loopt. Ik stop alleen om af en toe een hek open en dicht te doen en geniet van het landschap waarin uitgestrekte heidevelden, groene dalen, rivieren en bossen elkaar afwisselen. Voor Hexham buig ik af om nog een stukje B6318 te rijden, de weg die Hadrian’s Wall volgt: de met steenblokken gestapelde barrière, in 122 AD door de Romeinen gebouwd als buitengrens van het rijk om die lastige barbaarse Schotten buiten houden. De 117 kilometer lange muur loopt van de Ierse Zee tot de Noordzeekust door een glooiend coulisselandschap, dat in 2000 jaar maar weinig veranderde. Een rommelende maag stuurt me op een rondje zuidwaarts. In The Lord Crewe Arms (Blanchland) schuif ik achter een pot ‘afternoon tea’ en een ‘ploughman’s sandwich’. Het eeuwenoude uit natuursteen opgetrokken plaatsje is één van de meest authentieke dorpjes van Engeland. Hier heeft de tijd echt stilgestaan. Sommige oudere bewoners zijn nog altijd huiverig om het pleintje over te steken na zonsondergang: het schijnt er te spoken. Helaas, ik kan het niet checken, de zondagmiddag loopt op z’n eind. Binnendoor rij ik tot vlakbij Newcastle, laveer rond tientallen rotondes naar de haven waar de veerboot ligt te wachten, om me door de nacht terug naar IJmuiden te varen.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-northumbria.GPX”]

Slovenië: Kajakken, net motorrijden…

0
Slovenië

De Soča, da’s een knap wilde rivier, zeker in het voorjaar. Er langs rijden is feest, maar in een plastic bakkie op het water tussen die rotsen door, dat vereist ballen. En toch ben ik zo gek. Mijn instructeur en motormaat Eelco grijnst vriendelijk: ‘Ach joh, het is net motorrijden…’

Niek van der Heijden

Maar goed, hij kajakt dan ook al zijn hele leven. Langer nog, geloof ik. Hij speelt met die golven, met de keerwaters, met zijn bootje en de rotsen, en als hij omslaat, blijft hij eerst even ondersteboven hangen, gewoon voor de fun. Om dan met een brede grijns weer naar boven te komen, alsof iedereen kan eskimoteren. Enge man, eigenlijk. Maar ook een motorrijder, en een Sloveniëkenner en -liefhebber. Waarmee ik hier de prachtigste rondritten maak, dus enige geloofwaardigheid moet hij toch hebben.

Goed idee

Het begint allemaal met een goed idee, van Eelco. ‘Het valt me hier elk jaar weer op hoeveel motorrijders er komen kajakken, misschien is dat wel te combineren’, zei hij tegen Erik Wegman van Europagaai, waarbij Eelco als instructeur werkt. ‘Hier’ is in dit verband Camp Soča, aan de rivier nabij het gelijknamige gehucht aan de weg van Bovec naar Kransjka Gora. En als ik daar nu bij vertel dat die weg over de Vršič-pas loopt, met 50 genummerde haarspeldbochten, dan gaan bij de gemiddelde motortoerist allerlei zwaailichten branden. Slovenië is bike heaven. Echt waar, ongerept in vergelijking met buurland Oostenrijk, vol eindeloze stuurweggetjes, doorkijkjes en prachtige landschappen.

Erik komt met dat goede idee naar de redactie. Niet veel later zit ik in een kajak, in het Rotterdamse Sportfondsenbad, om te leren eskimoteren. Dat lukt uiteindelijk niet helemaal, maar je doet er wel wat handigheid mee op. Uiteindelijk reis ik echter wel naar Slovenië als Beginner. En die Soča, dat is een Gevorderde rivier in het voorjaar. In de zomer ligt dat anders, dan loopt er minder water doorheen. ‘Minder druk’, zeggen ervaren peddelaars dan, en ze knikken begrijpend. Ik ben er dus in het voorjaar. Meer druk…

De reis

Mijn ouwe gouwe Pan brengt me naar Slovenië, met een stop na München, vanwege een wolkbreuk. Het hotel blijkt wat aan de dure kant, maar daar geef je niet meer om, na een hele middag plensregen. De volgende ochtend maakt Oostenrijk me blij: regen tot aan de Tauerntunnel, daarna een stralend zonnetje. Zo’n tunnel kan het weer aardig omdraaien. De volgende wat langere tunnel in Oostenrijk herhaalde dat kunstje echter, zodat ik in Italië bij Tarvisio begin aan de beklimming van een zeiknatte Predilpas. En dat is jammer, want deze rijk met historie beladen bergweg hangt van mooie stukken aan elkaar.

De douanebeambte – de grens loopt precies over de pas – wil het er nog eens van nemen, zo vlak voor de toetreding tot de EG, die hem werkloos zal maken. Ik moet in de stromende regen mijn pas uit mijn bagage peuteren, en dat deed me terugdenken aan mijn vorige bezoek aan dit land, in 1972. Ik had net eindexamen gedaan, en we waren met de band op vakantie in Oostenrijk. Tijdens een uitstapje naar Bled wilde de toenmalige douanier ons allemaal naar de kapper sturen, en dat maakte ons knap zenuwachtig… Maar ik drijf af. De afdaling van de grens naar Bovec is van de buitencategorie, hoewel je steeds bedacht moet zijn op stenen op de weg. Kennelijk schuift er wel eens wat meer van de bergwand af, want op een gegeven moment kom je over een baileybrug die ‘tijdelijk’ een enorme landslide overspant.

De camping blijkt een prachtig natuurlijk terrein, ingesloten door grijze bergwanden. De andere kajakkers slapen in koepeltentjes of kleine campertjes, maar ik heb besloten een blokhut te huren. Een warm dubbel bed, met een eigen plee achter een deur met een hartje, buiten dus. Heerlijk.

Sneeuwgrens

De volgende ochtend blijkt de sneeuwgrens een paar honderd meter te zijn gezakt. Hoezo, kajakken? Toch gaan we, en eerlijk is eerlijk, ik heb het niet koud gehad. Het weer klaart ook op, gedurende de dag. Maar echt mooi wordt het niet.

Zo’n tocht begint met een briefing, met zijn allen onder het afdak midden op het campingveld. Dan ga je met auto’s en een vrachtwagen vol kajaks naar het afgesproken startpunt, en je draagt alles van de weg naar de rivier. Dat is soms best wel een klauterpartij, maar goed, we zijn aan het sporten…

Iedereen gaat te water bij een rustig plekje, en dan legt Christ, de instructeur, opnieuw de route uit. Je vaart van keerwater naar keerwater. Keerwaters zijn rustige stukjes achter een rotsblok of een ander obstakel. Als eerste gaat de ‘visser’ naar het eind van de etappe. In ons geval is dat Stijn, een jonge hond die ook al zo makkelijk kan eskimoteren. Zijn taak is het opvangen van doorgeschoten kajakkers, of van mensen die omslaan en niet meer overeind komen. In dat geval laat je je uit de kajak vallen en ga je zwemmen. Als je je peddel maar bij je hebt, de visser grijpt de kajak wel. Jij kunt dan met één arm aan zijn achterschip gaan hangen, en dan peddelt hij je naar veilig water, of naar de kant. Bert, een andere jonge hond van 56, maakt dat even later mee, terwijl ik net door mijn telelens naar hem zit te kijken…

Christ geeft de groep, ook vanaf het einde, met armgebaren aan of ze een voor een of allemaal tegelijk kunnen komen. Met zijn tweeën hebben Christ en Stijn het behoorlijk in de klauw.

Terugkijkend – ik zit met nog iemand in de kleuterklas, onder de hoede van Eelco – heb ik helemaal niet het risico gelopen om te slaan. Maar goed, ik heb niet zo veel gevaren, er moest ook motor gereden worden… De andere Beginner heeft nog wel gezwommen.

Strijd

We zitten hier eigenlijk in de Sloveense oksel van het drielandenpunt, dat verder Italië en Oostenrijk behelst. En die laatste twee hebben de afgelopen eeuwen nogal met elkaar geknokt in dit gebied. Dat kun je bijvoorbeeld zien aan de vele forten, maar ook aan de herdenkingsbijeenkomst van WO I op de camping, waar ik na aankomst midden in val. Er lopen onder meer twee mannen rond die zijn verkleed als soldaat uit die tijd: een Italiaan en een Oostenrijker. Dat is dus niet voor de toeristen, maar voor de eigen herdenking. Als ik mijn camera pak, gaan ze helemaal uit zichzelf keurig poserend naast elkaar staan, heel broederlijk. Zo broederlijk ging de strijd vaak niet. De Oostenrijkers hebben het ooit gepresteerd een bergtop met een hoop Italianen er op te ondermijnen en compleet op te blazen…

De Slovenen maakten zich als eersten los van Joegoslavië, na het overlijden van Tito. Mogelijk daardoor bleven ze gelukkig buiten de verschrikkelijke oorlog die tijdens de jaren negentig de rest van dit land zo beschadigde. Slovenië is gaaf, en je kunt goed merken dat de bewoners daar trots op zijn. En het is welvarend; het enige nieuwe EU-land dat meteen begon met contributie te betalen, in plaats van subsidie te vragen. Toch gaat deze welvaart niet gepaard met een knieval voor het massatoerisme, en de Slovenen zijn in een diepgaande discussie gewikkeld of dat zo moet blijven. In ieder geval heb je als motorrijder nu nog de kans om in een onbedorven omgeving rond te rijden.

Triglavski Narodni Park

Zodra je de Predilpas voorbij bent, rijd je het Triglavski Narodni Park binnen, een prachtig natuurpark, dat zich uitstrekt over de Julische alpen. In feite beslaat het de hele noordwest-hoek van Slovenië. De motortochten die je hier maakt, vallen allemaal wel zo’n beetje onder de kop ‘Rondje Triglavski Narodni’. Er dwars doorheen steken gaat namelijk niet… Als je bijvoorbeeld vanaf Kransjka Gora de Vršič op rijdt, dan heb je bovenin het gevoel dat de kale grauwe bergwanden aan de zuidkant bijna tegen je stuur aan komen, dat je ze aan kunt raken. Dat is niet zo, maar het voelt wel zo. En zelfs met een trialfiets kom je daar nog niet tegenop, dus je moet er omheen.

Wij rijden het rondje tegen de klok in: van de camping naar Bovec, en dan door het prachtige Soča-dal naar Tolmin. Daar verlaat je de rivier, althans, bij het iets verder gelegen Most na Soči. Als je dat dorp binnenrijdt, zit onmiddellijk na de benzinepomp rechts een ijstent, waar je vanaf het terras een prachtig uitzicht hebt over een breed, meerachtig stuk van deze rivier. Een waardig afscheid: het ijs mag er wezen. Het kost wat moeite om Eelco weer mee te krijgen. Wat kan die man ijs eten, zeg… en dan toch probleemloos in zo’n kajak klimmen, het is niet eerlijk.

IJs en vloeibaar staal

Je raadt nooit wat we in het mooie oude centrum van Škofja Loka hebben gedaan… De serveerster op het terras van het Homan Huis levert het ijs, maar ik krijg haar niet zo ver dat ze even door zo’n schilderachtig straatje loopt, voor op de foto. Jammer, dan was hij nog mooier geworden.

Die Eelco is een man van tegenstellingen. Hij verdient zijn munten bij de hoogovens, en dan heb je het meteen over zijn andere passie: vloeibaar staal. Hoe dat combineert met ijs, daar ben ik maar niet eens over begonnen, maar hij troont ons in Zelezniki mee naar een museale schoorsteen, waar ze hier vroeger staal in maakten. ‘Mijn hoogoventje’, zegt hij, en hij lijkt er oprecht blij mee. Er naast staat een Sloveens vrachtwagentje, dat ongeveer dezelfde lijnen vertoont als de hoogoven. Gewoon, een eerlijk vrachtwagentje zonder toeters of bellen, nou ja, een toeter zal het ding wel gehad hebben. In onze ogen sterk gedateerd, maar wel mooi, op een functionele, heel Sloveense manier. Net of het gemaakt is van het staal uit dat oventje door een plaatselijke smid, met liefde voor zijn werk…

Svetnik Primož

We rijden door, een fraai open berggebied in, met uitzicht over de hele Gorensjka regio. Langs Dražgoše, een prachtig oud bergdorpje, waar de Slovenen in 1942 voor het eerst vochten tegen de Duitsers. Ondanks hun zeer gebrekkige bewapening konden ze de bezetter drie dagen het hoofd bieden. En daarna knokten ze verder als partizanen. De Duitsers reageerden zich af op de burgerbevolking: ze maakten 41 mensen af, toen ze het dorp eenmaal in handen hadden.

Niet ver na deze historische plek – met monument – bij het gehucht Jamnik zien we aan onze rechterhand een wit kerkje op een uitstulping van de berg. Het doet me denken aan het kerkje van Den Hoorn op Texel, maar dan in een iets andere setting… Svetnik Primož, zoals dit kleine godshuis heet, is van een adembenemende schoonheid. Het weer, het licht, alles werkt mee om er ook nog eens een prachtige foto van te krijgen.

Door al dat gefotografeer en het maken van aantekeningen begint de dag wat kort te worden. We besluiten gedeeltelijk langs de snelweg door te gaan, om nog bij daglicht over de Vršič te kunnen rijden; daar schijnt (eind mei) nog wat sneeuw op te liggen. De route die op [w] prowww.motor.nl komt te staan, blijft echter langs fraaie wegen voeren.

Vršič

Direct na Kransjka Gora, dat er uit ziet als een plastic wintersportplaats, wordt het beter: de ruigte neemt het over. De weg over de Mojstrovka, zoals de berg heet, is aangelegd door tienduizend Russische dwangarbeiders, omdat de Oostenrijkers in WO I de aanvoerroute nodig hadden. Bij een lawine kwam een driehondertal van hen om, en hun kameraden bouwden daarom net boven haarspeldbocht 8 een prachtig kapelletje, waaromheen de slachtoffers begraven werden. Op de motor zou je er zo voorbijrijden, want je moet precies ter hoogte van de ingang even naar opzij kijken, terwijl je daar ook net die bocht in of uit gaat… Kijk je niet, dan zie je de kapel niet.

De weg die deze Russen aanlegden, is in de bochten voorzien van kinderkopjes. Heel duurzaam, maar ook glad als ze nat zijn, en er wil er nog wel eens eentje losraken. Dat legt een fikse rem op het plezier, maar het is hier ook veel te mooi om hard te rijden. In de winter strooien ze ook nog eens zout met grint, en als de sneeuw weg is, blijft die steenslag dus liggen. De weg ten zuidwesten van de pas is van asfalt, maar ook niet optimaal. Kortom, oppassen is geboden. Maar nogmaals, de omgeving maakt alles goed.

Op weg naar beneden kom je nog langs de bron van de rivier de Soča. Dat wil zeggen, je moet dan nog een wandelingetje maken, maar het staat duidelijk aangegeven, ergens bij de laatste vijf haarspeldbochten. Het moet daar mooi zijn.

Rondje Oostenrijk

Eén dag is Eelco zelfs niet met ijs uit zijn kajak te lokken, dus verken ik het rondje Oostenrijk solo. Ik mag weer over de inmiddels sneeuwvrije Vršič, maar bij Kransjka Gora gaat het de andere kant op, naar een merkwaardig klein pasje: de Würzenpas. Die neem je als je naar Villach wilt, en daar was het ook dat die douanier mijn haar wilde, lang geleden. Je rijdt vanaf Kransjka naar boven, en net als je begint te swingen, ben je al bij de grens, en dat is de pas. Daarna krijg je twee min of meer rechte afdalingen van 18 procent, en dan ben je in het dal bij Villach. Ongetwijfeld een hel voor caravanners, zo’n afdaling, maar op de motor… Je moet alleen oppassen dat je niet te hard beneden aankomt, want remmen op 18% gaat niet van harte.

Het is zo’n grijze dag, waar je zelf ook een beetje grijs van wordt. Ik heb zonder echt na te denken de provinciale weg naar het westen genomen, maar in de route die op internet komt, heeft OnRoute een beter alternatief uitgewerkt, waarbij je de flank van het grensgebergte met Slovenië verkent. Het wordt pas weer leuk, als ik linksaf ga, op weg naar de Nassfeldpas, maar niet dan nadat ik in de Tröpolacher Hof in Tröpolach een geweldige lunch van vleeswaren en lekkere broodjes heb weggesmikkeld. Ik zit als enige gast in zo’n grote eikenhouten eetzaal, de serveersters zijn duchtig aan het bijroddelen, en ik vorm maar bijzaak.

Daarna naar boven, en de fun begint de overhand te krijgen. De haarspeldbochten zijn zo gelegd dat we daar met de hele redactie naast elkaar op snelheid doorheen zouden kunnen, en dan blijft er voldoende plaats voor tegenliggers. Bovenop de pas ligt nog wat vieze sneeuw en er staan wat van die massatoeristisch rustieke hotels. De grauwheid lijkt het toch te gaan winnen, maar daar is de Italiaanse grens, en die maakt me altijd blij. Achter de slagboom liggen de kleine weggetjes, veel te klein voor de rest van de redactie met tegenliggers, maar ik heb tenminste weer het gevoel dat ik aan het bergrijden ben. Prachtig!

Politiebaas

Tussen de Passa Pramollo, zoals de pas Italiaans zangerig heet, en de volgende pas (de inmiddels vertrouwde Predil) ligt een provinciale SS-weg (what’s in a name… maar het betekent slechts Strada Statale) en daar vliegt iets tegen mijn laars aan. Ik stop even om mijn motor te checken op afgevallen onderdelen, en naast me stopt Rober Sušanj, op zijn RT. Hij is het afgelopen uur de vaste bewoner van mijn spiegel geweest, en begrijpt waarom ik stop. Robert verzekert me dat het een steentje was dat tegen mijn laars vloog, en we rijden een stukje samen op: hij doet min of meer hetzelfde rondje. In Tarvisio stoppen we voor een espresso. Hij blijkt het hoofd van de verkeerspolitie in Slovenië te zijn, én een enthousiast motorrijder. Uit hoofde van zijn functie zit hij regelmatig in Driebergen, en hij kent zelfs de ANWB. Hij lijkt me wat jong voor zo’n hoge functie. ‘Toen we onafhankelijk werden, verdwenen er veel oude ‘politieke’ ambtenaren uit het openbare leven’, legt hij uit, ‘en daardoor konden veel jongere mensen snel op belangrijke posten terecht komen’. Robert toont zich erg tevreden met de ontwikkeling van zijn land: ‘Het gaat goed met ons, en we kunnen de ontwikkeling tot nog toe goed sturen. Het massatoerisme is tot nog toe aan ons voorbijgegaan, en er zijn nogal wat Slovenen die dat zo willen houden. We hebben vrijwel geen last van immigratie: maar 8 procent van de bevolking komt uit andere landen, en dat zijn voornamelijk Kroaten, Bosniërs en Serven. Andere mensen kennen ons land gewoon niet.’

Na wat nuttige routetips, en wat goede raad over snelheidsfuiken (die zijn er wel degelijk) nemen we afscheid: hij volgt de provinciale weg naar Kransjka Gora, ik pak de Predil. Je ontmoet de interessantste mensen als je alleen reist, dat is maar weer eens gebleken.

Sella Nevea

Eelco is er weer bij: we maken een rondje Italië. Dat betekent van de camping naar het zuidwesten, geen Vršič vandaag, en in Kobarid rechtsaf, de bergen in naar de Passo Tanamea, en vandaar door naar Tarcento. In Italië komen we eerst door een wat vlak wijngebied, niet echt motorland, maar het ijsje (…)en het broodje van Bar Gelo in het centrum van deze plaats, maken veel goed. Na deze stop komen we zelfs weer op een SS terecht, maar in dit deel van het land – Friulli – betekent dat veel fraaie uitzichten op brede rivierbeddingen vol grintbanken. Da’s even wat anders dan de Oude Rijn. En in Chiusaforte kunnen we de bergen weer in, om te zien waar al die rivieren hun water vandaan krijgen. De weg, toepasselijk Via Friulli geheten, voert van de ene ansichtkaart naar de andere, en komt door het dorpje Sella Nevea, dat er uit ziet als een verzameling sanatoria. Zal wel iets met het toerisme te maken hebben. Want als we bijna boven zijn, komen we langs een meer, met een… windsurfschool. En dat is toch wat onverwacht, zo in de bergen. De school blijkt bovendien nog een eigen kanon te hebben, maar of dat nou een leermiddel was, betwijfel ik.

Dat meer ligt vlak bij de Predil, dus de rest kun je raden. Het blijft feest.

Net motorrijden

Ik zit weer in de kajak. We hebben die dingen een kilometer stroomopwaarts gedragen en ik voel me miserabel. Buiten adem laat ik me op het krukje zakken, en met het nodige gepiel krijg ik het schortje op zijn plek. Naast ons raast de Soča. Nou ja, razen… We volgen Eelco, die achterstevoren vaart. En ons vriendelijk toelacht. En wat blijkt? Het is leuk aan het worden! Dit is werk voor luiaards! De rivier verzorgt de voorstuwing! Aan het eind van die kilometer lukt het me om een brugpijler te missen, en met een fraaie bocht bij een strandje te landen. Eelco heeft niets te veel gezegd. Het lijkt wel motorrijden!

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Slovenië_kajak.GPX”]

Frankrijk: Stampen door zuurkoolland

0
Winter in de Elzas

Als het koud is in de Ardennen, als het hoost in Luxemburg, als je pak drie kilo zwaarder is in het noordoosten van Frankrijk en als je in de Vogezen sneeuw ziet liggen, dan wil je nog maar één ding. Een grote bak zuurkool. En daarvoor moet je natuurlijk in het zuurkoolcentrum van Frankrijk zijn. De Elzas.

Jan Dirk Onrust

Noem ons gerust culinaire Neanderthalers, maar we zijn nou eenmaal gek op simpele winterkost. Hutspot, boerenkool en zuurkool met vette jus zijn allemaal gerechten waar je ons voor wakker mag maken. Als er tenminste een dik pak sneeuw ligt. Zonder dat is winterkost als een kerstboom in de zomer. Het past niet, het hoort niet, het slaat nergens op. De afgelopen winters waren voor ons als jongens van de gestampte pot dus schraal en ellendig.

‘Maar als de winter niet naar ons komt, dan gaan wij toch naar de winter?’ stelde mijn maat Jan voor. Gouden idee. Maar waar is het echt winter en kun je toch een beetje rijden? En waar hebben ze echte winterkost? In de Elzas natuurlijk, het zuurkoolcentrum van Frankrijk.

Op een maartse vrijdag vertrekken we bij een temperatuurtje van 13 graden. Maar al in de Belgische Ardennen gaat het de goede kant op. Het is nog maar acht graden en het regent zo hard dat het verkeer stilvalt en onze pakken kilo’s aankomen. Voorbij het Franse Metz valt de duisternis in en langzaam krijgt de kou ons in zijn greep. Als we in de plooien van de Vogezen komen, zien we boven ons al een enkele plak sneeuw liggen. De ouderwetse zuurkooltrek begint nu echt te knagen.

Schuiver

Onze eerste bestemming is Niedermorschwihr. Het klinkt als een onderafdeling van Duitse geheime dienst, maar het moet een lieflijk dorpje van 500 inwoners zijn, aan de beroemde Route de Vin. De routeplanner denkt daar anders over en stuurt ons in volledige duisternis over minuscule slingerweggetjes en paadjes tussen de wijngaarden door. Gaat dat nou wel goed, vragen we ons af. We stoppen om de kaart uit te vergroten. Als ik mijn voet aan de grond zet, glijd ik meteen weg. Zzjwooeef. Het is hier verdorie spekglad. Jan schrikt van mijn schuiver en houdt met moeite zijn eigen fiets overeind. Met slapstickachtige capriolen krijgen we gezamenlijk mijn fiets weer overeind. Drie keer zo langzaam vervolgen we onze weg. Om mezelf gerust te stellen, probeer ik te beredeneren waarom mijn bergschoenen wel wegglijden en mijn banden niet. Zachter rubber en meer koolstof, bedenk ik. Maar als ik mijn voorrem voorzichtig aanraak en mijn voorwiel voel wegglijden, vervliegt mijn zelfbedachte geruststelling. Mij rest nu slechts een laatste middel. Met toegeknepen billen en zwetende oksels verder rijden. En zo bereiken we toch nog heelhuids Niedermorschwihr. We zien vakwerkhuizen met pastel- en terracottakleurtjes en houten balkons. Langs de stoepen liggen bijeengeveegde sneeuwhopen. Erachter vinden we Hotel de l’Ange, ons verblijf voor vannacht. De gastheer en –vrouw komen direct naar buiten. ‘We waren een beetje bezorgd vanwege de gladheid,’ zegt monsieur Boxler opgelucht.

Sneeuwvlokken

Het hotel heeft alles waar je op hoopt, na een winterse rit van 700 kilometer. Mooie, oude inrichting, gedempt licht, warmte en gezelligheid. Maar bovenal een pot zuurkool, geserveerd op een tafeltje met roodwit geblokt kleed, net als in de reclames voor Gelderse rookworst.

Verse zuurkool uit het vat krijgen we, gekookt met veel witte wijn. Met eroverheen een laagje stofvlees en gegratineerde aardappelen. De zuurkool – choucroute, zoals de Fransen in verbasterd Duits zeggen – wordt opgediend in een diep aardewerken potje, want anders gaan die Hollanders prakken, zullen ze in de keuken hebben gedacht.

‘Oeeh, wat lekker,’ zegt Jan. ‘Zo houden we het wel vol de komende dagen.’

Buiten dwarrelen sneeuwvlokjes langs het raam. Naast ons snort de potkachel. Het enige wat ontbreekt is een tv met beelden van een schaatswedstrijd. Maar met een fles Riesling – ook Elzas – en een paar bellen cognac heb je ook een leuke avond.

Tankversperringen

De morgenzon schijnt fel en we moeten snel zijn om nog een sneeuwbal te kunnen draaien, want het dooit flink. Dat betekent dat we van gladheid weinig last zullen hebben. Op deze hoogte althans.

Niedermoschwihr ligt middenin de Route de Vin, een route van 180 kilometer langs de oostkant van de Vogezen. ’s Zomers ogen de wijnhellingen allerlieflijkst en bieden ze talloze bejaarde buspassagiers een leuk dagje uit. Niet echt rock ’n roll dus, maar in de late winter ligt dat anders. Dat merken we meteen als we ons dorpje verlaten. Zo weelderig en mierzoet als de wijnhellingen over twee maanden eruit zullen zien, zo grimmig ogen ze nu. De kleur is bijna uit het landschap verdwenen en de lege wijnranken lijken op tankversperringen. Onderaan de hellingen zien we de wazige contouren van de wijnhoofdstad Colmar. Aan de andere kant liggen de machtige toppen van de Vogezen. De meeste komen weliswaar amper boven de 1200 meter uit, maar de winter heeft de sneeuwgrens een kilometertje of twee verlaagd, waardoor het middelgebergte de allure krijgt van een hooggebergte. Tijd om onszelf weer eens even in de handen te wrijven. Verdorie, wat is dit mooi. En dat op een dagje rijden van huis. Maar kun je er met de motor ook nog een beetje bijkomen met al die sneeuw? We gaan het proberen.

Sneeuwkettingen

We verlaten de wijnroute en rijden bij Wintzenheim de Vogezen op. Op slingerasfalt met hier en daar zelfs een haarspeldbocht klimmen we in enkele kilometers naar een hoogte van 1000 meter. En dan zitten we zomaar middenin winterwonderland met dorpjes als op een kerstkaart, omgeven door donkere dennenbossen. In de berm ligt een paar decimeter sneeuw, maar het asfalt is schoon. Als we via een zijweggetje nog hoger willen komen, stuiten we op borden die sneeuwkettingen adviseren en daarna op een slagboom. ‘Route non déneigée’, staat er.

‘Wat betekent dat?’ vraagt Jan.
‘Dat verstandige mensen hier omkeren,’ vertaal ik vrij.
‘Oh,’ zegt Jan. ‘Dat slaat dus niet op ons.’ Maar na een kort stukje slibberen moeten we erkennen dat doorrijden geen optie is, ook niet voor malloten. Dan maar weer naar de hoofdweg. Die houden ze weliswaar sneeuwvrij, maar kleddernat is het wegdek wel. De vele bochten nemen we daarom voorzichtig. Maar dat is slechts een klein offer. Er staat tegenover dat we door een landschap rijden dat je eigenlijk nooit ziet vanaf de motor. En dat we alweer trek in zuurkool beginnen te krijgen.

Knarsend dialect

Door de dooi hangt er een grauwe nevel over de dalen. De schoorstenen roken flink, hier en daar heeft een boer een houtvuur aangestoken. Het damperige sfeertje geeft de toch al geïsoleerde dorpjes een extra besloten en geheimzinnig karakter. Dit afgeslotene typeert ook de bewoners. Ze staan bekend als kat-uit-de-boom-kijkers, ze spreken een knarsend dialect en vinden dat ze nergens bij horen. Een gezegde luidt: ‘Ik kan niet Frans zijn, ik wil niet Duits zijn. Ik ben een Elzasser.’ Ja, dit zijn de Friezen van Frankrijk.

De Elzas is een typisch grensgebied, dat eeuwenlang de speelbal was in de oorlogen tussen Duitsland en Frankrijk. Het behoorde oorspronkelijk tot het Heilige Roomse Rijk, maar kwam na de Dertigjarige Oorlog (1648) grotendeels in Franse handen. Na de Frans-Duitse Oorlog van 1870 werd er weer Sauerkraut gegeten. Toen de Vrede van Versailles in 1919 was getekend, kwam er weer choucroute op tafel. Hitler liet de Elzassers nog eens vier jaar Sauerkraut essen en stuurde de Elzassische jongemannen het leger in. De Fransen maakten er daarna weer choucroute van, met campagnes als ‘Wees netjes, spreek Frans’. Maar hoe je het ook noemt, hét gerecht van de Elzas wordt nergens anders in Frankrijk gegeten en in Duitsland overal. Dat zegt toch wel wat over de aard van het gebied.

Stinkende motor

De Elzas heeft meer beroemde spijzen. De belangrijkste ruiken we van verre, als we bij het plaatsje La Poutroie aankomen. Munsterkaas. En die is wel typisch Frans. Bij fromagerie La Graine au Lait maken ze het. Omdat het ook een proeverij en museumpje is, gaan we naar binnen – al geeft onze neus een vluchtadvies. In de zevende eeuw maakten monniken de kaas voor het eerst en nog altijd wordt hierbij rauwe melk gebruikt. Je moet er iets voor overwinnen, maar dat wordt wel beloond. We vinden het zo lekker, dat we er meteen vijf in de topkoffer stoppen. Bijkomend voordeel: geen dief die het nu nog in zijn hoofd zal halen mijn stinkende motor te jatten.
We zijn naar een meter of 700 afgezakt. Hier ligt weinig sneeuw meer in de berm en de weg is droog. Om te voorkomen dat je te snel door de haarspeldbochten gaat, hebben ze het asfalt vervangen door klinkers, maar daarbuiten kunnen we nu echt pure pretkilometers maken over bijna verlaten slingerweggetjes.

Aardbevingshuizen

In Riquewihr (hoogte 300 m) hebben we het gehad. Als we stoppen in dit mini-wijnstadje met zijn vele vakwerkhuisjes, valt op hoe sterk de temperatuur in een paar kilometer is opgelopen. Het is zo lauw dat we in onze T-shirts op het gras naast de stadspoort neerploffen. Een enkel fruitboompje heeft zelfs al bloesem. Toeristen komen ’s zomers massaal op dit middeleeuwse stadje af, maar verder zien we alleen wat timmerlieden die een huis opknappen. Zij geven ons eindelijk de verklaring voor de vele Duitse vakwerkhuisjes, die je hier overal aantreft. ‘Het zijn helemaal geen Duitse huizen, maar aardbevingshuizen. Door de diagonale balken blijven ze veel langer overeind staan.’ Het blijkt nogal eens te schudden hier. Het epicentrum van de laatste middelzware beving, precies vijf jaar geleden, lag hier maar dertig kilometer vandaan.

Zuurkoolmoe

Een paar kilometer noordelijker ligt Ribeauvillé. Ook een pareltje, maar dan wat groter en veel levendiger. Om niet te zeggen; erg gezellig. Maar wij moeten in Bergheim zijn, daar weer iets boven. In dit vestingstadje, dat ooit als Romeins legerkamp begon, staat ons hotel, waar ze zuurkool serveren. La Cour du Bailli. Buiten is het een graad of 15. Binnen krijgen we een bord zuurkool en zeven soorten vlees en worst. Bij het stijgen van de temperatuur, is de belangstelling voor andere gerechten toegenomen. Met enige jaloezie kijken we naar de biefstuk en zalm van de andere gasten. Met enige verbazing kijken zij naar onze zuurkool.

De schotel lijkt eigenlijk verdacht veel op de Hollandse stamppot, maar dan zonder stamp. Een zekere zuurkoolmoeheid begint zich bij ons af te tekenen. ‘Heb je morgen nou weer zuurkool op het programma staan?’ vraagt Jan bedrukt. ‘Jazeker,’ zeg ik. ‘We doen de zuurkoolroute, we gaan naar Koning Zuurkool en je mag driemaal raden wat we ’s avonds eten.’ Jan kijkt me lang en glazig aan.

Duitse herrijzenis

De derde zuurkooldag verrijken we eerst met een cultuurhistorisch element. De Haute Koenigsbourg, het enige Monument National van de Elzas en de bekendste toeristische attractie van de regio. De enorme burcht die op een rotskam 755 meter boven het Rijndal uitpriemt, werd voor het eerst genoemd in de twaalfde eeuw. In de loop der tijd werd het uitgebreid en vervolgens belegerd, afgebrand en geruïneerd. Maar nadat de Elzas eind negentiende eeuw in Duitse handen kwam, besloot de Duitse keizer Wilhelm II het als symbool voor de Duitse herrijzenis op zeer grondige wijze te restaureren en uit te breiden met een adelaarsnest. Amper tien jaar later, na de Eerste Wereldoorlog, was hij het kasteel en de hele Elzas kwijt.
Voor een kleine zes euro kun je het even merkwaardige als grootse kasteel bezichtigen. Het meest indrukwekkend is het weidse uitzicht over het hele Rijnland. En dat heb je ook al voor de kassa.

Route de la Choucroute

Behalve de Route de Vin – waaraan het kasteel ligt – heeft de Elzas ook een Route de la Choucroute. Deze loopt door de vlakke Ehnvallei onder Straatsburg. ‘Langs de zuurkoolplantages,’ zoals Jan zegt.

Door omgeploegde, zwarte akkers rijden we van dorp naar dorp, maar hoe we ook zoeken, van de Route de la Choucroute geen spoor. Daarom gaan we naar Blaesheim om Philippe Schadt, de bedenker van de route, om uitleg te vragen. In zijn bomvolle restaurant Chez Philippe geeft hij een plausibele verklaring. ‘De route bestaat niet meer.’

Topkok Schadt vertelt dat de route bedoeld was om twaalf restaurants die zuurkool serveren op de kaart te zetten. ‘Zuurkool maak je niet elke dag. Met een route en een schema wilden we bereiken dat gasten toch altijd ergens terecht konden als ze zuurkool wilde eten. Maar niet iedereen had de discipline zich aan de afspraken te houden. Dat was het einde van de Route de Choucroute.’

‘Is het bij u vandaag zuurkooldag, toevallig?’ vraagt Jan achterdochtig.

‘Nee, maar ik zal wat andere specialiteiten laten brengen,’ zegt Schadt, die met een enkel handgebaar zijn personeel in beweging zet.

Slechte smaak

Schadt praat over zuurkool alsof het kaviaar betreft, in plaats van een volksgerecht van 49 cent per zakje. Hij gruwt van zuurkool uit een zakje. En eigenlijk van alles wat Nederlanders met zuurkool doen. ‘Nederlanders staan natuurlijk bekend om hun slechte smaak. Ze hebben geen gevoel voor kwaliteit. Daarom is de prijs zo belangrijk voor ze. Voor zuurkool in een restaurant willen ze daarom niet betalen…’

‘Kuch,’ zeggen wij.

‘…terwijl het een prachtig basisingrediënt is. Het grootste geheim zit in de bereidingswijze zelf. In het op de juiste dikte snijden, het koken in de juiste wijn en de toevoeging van een scheutje olie. Daarna kun je er van alles mee doen.’

Dat Schadt er iets van kan, blijkt wel uit zijn klantenkring. Foto’s van Schadt naast talloze beroemdheden sieren de muren. Zelfs Chirac en Schröder hadden hier een onderonsje onder het genot van Schadt’s choucroute. Als zijn zuurkool in de buurt komt van de hors d’oeuvres die we krijgen, moet het een goddelijk gerecht zijn.

Een wandelend zuurkoolvat

Wanneer we ’s avonds naar het dorpje met de toepasselijke naam Krautergersheim rijden voor ons derde zuurkooldiner, hebben we weer hoop. Nog steeds vinden we het veel te warm voor zware kost, maar het restaurant heet Le Chou Heim en is dus een echte zuurkoolspecialist. Het maakte bovendien deel uit van Schadt’s zuurkoolverbond.

Een oma en haar schoondochter ontvangen ons alsof we familie zijn. Het betekent dat vooral oma niet weg te slaan is bij onze tafel en ons bestookt met verhalen, fotoalbums en gastenboeken. In de keuken wordt ondertussen hard aan ons gerecht gewerkt. De keuze hebben we helemaal aan de schoondochter overgelaten. Als het maar niet te zwaar is, hebben we gezegd.

We hebben 348 foto’s bekeken als oma trots met een grote schaal uit de keuken komt. Zuurkool met grote piepers en varkenspoten. Ai. De zuurkool is zonder meer voortreffelijk bereid, maar na drie dagen voelen wij ons inmiddels een wandelend zuurkoolvat dat uit alle kieren zuurkooldampen oprispt en elk moment kan ontploffen. Na een halve schaal hebben we er helemaal genoeg van. Uit beleefdheid halen we zelfs driekwart, maar verder komen we echt niet.

Op de terugweg keert de winter nog even venijnig terug. Over de Vogezen gaan we door de natte sneeuw, in Luxemburg door zware regen en in de Ardennen is het pak drie kilo zwaarder en krijgen we het koud. We hebben weer honger als een leeuw. En dan wil je na drie dagen zuurkool nog maar een ding. Een Big Mac menu met grote frites en een grote coke. Of doe maar twee.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-winter_elzas_zuurkool.GPX”]

Kazachstan en Kirgizië: Corruptie voor beginners

0
KAZAKSTAN

‘STOP! DOCUMENTAS!’ Nog geen vijf minuten onderweg en ik word al aangehouden door de Kazakse politie. Zoals in alle landen houd ik me van de domme, in de hoop dat ze me laten gaan. Het tegendeel blijkt waar, mijn motor wordt in beslag genomen en versterking per portofoon opgeroepen. Het begin van een lang spelletje bureaucratie…

Joost Kohlmann

Na een half uur ‘Mijn naam is Haas’ kan ik er niet meer onderuit: ik moet mijn rijbewijs en paspoort laten zien. Samen met mijn motor worden die in beslag genomen en onder bombastisch politievertoon gaan we in escorte naar een verzamelpunt. Praten als brugman werkt averechts dus regel ik een tolk die mijn Engels kan vertalen naar Russisch. Ik ben nog maar drie uur in het land en gelijk loop ik vast in een web van bureaucratie en corruptie. Op de achterbank van de politieauto liggen twee belachelijk grote politiepetten, hét ultieme souvenir. Hoe groter de pet, hoe groter de corruptie leert de ervaring. Mijn leergeld zou 150 dollar bedragen, maar ik heb geen haast en ben niet van plan te betalen…

Mijn gedachten gaan een jaar terug, naar Cambodja. Ook daar werd ik van de weg geplukt door een corrupte agent. Rijden met licht aan bleek hier mijn doodzonde en het afkoopbedrag na een lange onderhandeling bedroeg 15 dollar. Een poging om het betaalde smeergeld terug te grissen uit de goed gevulde tas van de agent bleef niet onopgemerkt….

In tegenstelling tot in menige films startte mijn motor daar wel in één keer, waarna ik met een bonzend hart verdween in de drukke avondspits. Laat ik dit hier maar niet weer proberen, ik wend een nieuwe tactiek aan: eerlijk zijn. Ik laat mijn tolk de agenten duidelijk maken hoe ontzet ik ben om na één uur aanwezigheid in dit ‘gastvrije’ land hier in verstrengeld te raken. ‘Gastvrijheid’ lijkt het toverwoord te zijn en raakt de gevoelige snaar bij oom agent, want vijf minuten en 100 Tenge later (50 eurocent) zit ik weer zo vrij als een vogel op mijn motor. Ditzelfde verbazingwekkende tafereel herhaald zich nog vaker tijdens de reis door Kazakhstan. Maar ik kom elke keer beter beslagen ten ijs: voordat mijn motor is uitgerold, heb ik de contactsleutel al in mijn broekzak gestoken en overhandig ik alleen maar kopieën van officiële documenten. Ik krijg er steeds meer lol in.

Eindeloze Steppe

De motorreis duurt 16 dagen, waarvan vijf dagen in Kazakstan en tien in Kirgizië. Motorverhuurbedrijven zijn er niet in Kazakhstan, maar een lokale motorclub in Almaty voorziet ons van hun Yamaha TT’s. De huurvoorwaarden betrof enkel de plechtige belofte heel netjes met de motoren om te gaan. Kazakhstan lijkt over alle ingrediënten te beschikken voor een prachtig en uniek motoravontuur, waar gek genoeg maar weinig toeristen zich tot nu toe aan hebben gewaagd.

De reis begint met het inslaan van proviand voor mens en machine. Alvorens we koers zetten richting de eindeloze steppe laden we de volgwagen vol met ingeblikt vlees en groenten, veel water, jerrycans benzine en natuurlijk Wodka. De eerste kilometers worden we nog met de regelmaat van de klok ingehaald door Bentley’s, verlengde Hummers en dure Mercedessen. De olie heeft een aan tal inwoners behoorlijk rijk gemaakt. Maar het dure blik maakt al snel plaats voor oude Lada’s, Volga’s, Kamaz trucks en oerdegelijke kleine 4×4 UAZ busjes. De geciviliseerde omgeving verandert snel in uitgestrekte dorre vlakten die duizenden kilometers verderop overlopen in Russisch grondgebied, Chinese woestijnen en de Kaspische zee. Als het asfalt slechter wordt, begrijpen we meteen waar onze motoren toe in staat zijn. De vering vangt de grootste klappen op, maar er rest nog genoeg om het nog fitte lichaam duidelijk te maken dat het een barre tocht gaat worden.

Al stuiterend naderen we Qopa, een plaats waar je prehistorische rotstekeningen kunt zien. Wie, wanneer en waarom zijn tot op de dag van vandaag nog onbekend. Na Qopa gaan we op het kompas verder. Daar waar de vlakke steppe onderbroken wordt door een aantal verdwaalde heuvels en een smal verkoelend riviertje slaan we ons kamp op voor de eerste nacht. De Kazakse begeleiding, chauffeur, monteur en tolk, nemen het voortouw. Meteen worden we ingewijd in de wereld van de Russische overlevingstechnieken en ontdekken we waar hun alom bewonderde doorzettingsvermogen zijn oorsprong vindt: wodka! Er wordt geen vinger uitgestoken zonder. Met de warme maaltijd achter de kiezen en de tenten opgebouwd, zijn er al aardig wat glazen doorheen gegaan en vervolgen we de avond met sterke verhalen. Na een paar uur spreekt iedereen dezelfde dronkemanstaal en de bodem van de fles kondigt bedtijd aan.

Wheelie of bekeuring?

Zo heet als het hier overdag kan worden, zo koud zijn de nachten. Dat merk je als de zon opkomt en de werking van de alcohol begint af te nemen. Het opstarten en klaar maken voor vertrek gaat moeizamer dan gehoopt maar iets na negen uur komen de motoren met één druk op de knop weer tot leven. We vervolgen de route dwars door de dorre steppe richting Kirgizië. We laten het stof even voor wat het is en zien de droge steppe in onze spiegels verdwijnen om plaats te maken voor een strakke asfaltweg. Na een eindeloze slingerweg vol haarspeldbochten (snake-road zoals ze hier zeggen) bereiken we de bergpas waar zich tevens de grensovergang bevindt. Daar wordt het toch even spannend. De petten van Kyrgische politie zijn dan wel wat kleiner dan de Kazakse, maar je weet nooit hoe het loopt op een grensovergang. Even lijkt er een klein probleem als een alerte agent een grote schroef in een van de motorbanden ontdekt. Daarmee kan je niet in Kirgizië rijden! Op hoop van zegen verwijderen we de schroef. Het blijkt een schampschot, want de band blijft gewoon zijn druk behouden.

Na de douaneformaliteiten vervolgen we de weg. Daar waar de Kazakse politie ons streng en indoctrinerend bekeek, moedigt de Kyrgische politie ons juist aan om met een wheelie weg te rijden. Wat moet je met zo’n aanmoediging tot ‘overtreding’? We kiezen voor een risicoloze aftocht en rijden rustig de slingerende weg af, Kirgizië in. In de hoofdstad Bishkek wordt al snel duidelijk dat ze de voormalige Russische bezetting hier vanuit een ander perspectief bekijken. In de stad kijkt het metershoge beeld van Lenin fier over de groene straten van de stad, omringd door de soldaten die de gedachtenis permanent bewaken. Elke avond halen ze de Kyrgische vlag neer met veel militair vertoon. Opmerkelijk is hoe deze twee landen de eerdere bezetting verschillend herdenken, want in Kazakhstan zijn juist alle beelden verwijderd die verwijzen naar de periode van overheersing.

We dompelen onder in het bruisende straatleven van Kirgizië en we vinden snel aansluiting met de lokale bevolking die ons kennis laat maken met het gezellig avondleven, shaslicks en bier. Na een verkenning van de directe omgeving vervolgen we onze reis richting het Tian Shan hooggebergte. Dezelfde bergen waar ontdekkingsreiziger Marco Polo ons 700 jaar eerder voorging. Na de eerste bergpas bevinden we ons gelijk in een compleet andere wereld. We rijden dwars door grote kuddes schapen die door de nomaden opgedreven worden richting de uitgestrekte hoogvlaktes. Gedurende de zomermaanden bivakkeren de nomaden in vilten tenten de zogenaamde Yurts die op de ruggen van de dieren meegedragen worden. De wegen worden elke kilometer drastisch slechter en al snel begeven we ons weer op uitdagende onverharde paden.

Tegen zonsondergang maken we bij aankomst kennis met de grenzeloze gastvrijheid in Kyzyl Oy. De bewoners bieden ons hartelijke hun eigen slaapplaatsen aan. Lichtelijk gegeneerd proberen we onze dank te uiten door hen een fles zuivere wodka te geven. Dankbaar neemt de huisoudste de fles in ontvangst en probeert de rest van de avond ons te overtuigen dat de eer juist hem ten deel valt.

Mechanische uitputtingsslag

De volgende dag belooft één van de meest uitdagende van de reis te worden. De geplande route is nog nooit eerder gereden met motoren. Het is slechts een track die door de nomaden gebruikt wordt om hun dieren op het hoger gelegen Song Kul plateau te krijgen. De weg omhoog is niet veel meer dan een karrenspoor dat om de haverklap wordt onderbroken door water, variërend van kabbelende beekjes tot snel stromende rivieren. Bruggen zijn meer uitzondering dan regel, regelmatig laten we de motoren staan om de waterstand te peilen.

Naarmate de tijd verstrijkt worden de paden steiler. De TT’s krijgen het zwaar te verduren, door de grote hoogte. Door de geringe hoeveelheid beschikbare zuurstof wordt de verbranding in de cilinder slechter waardoor het vermogen ook drastisch afneemt. Een soort mechanische hyperventilatie. De overgebleven 28 pk’s zijn net genoeg om de ruim 3250 meter tellende bergpas te overwinnen. Eenmaal boven is het alleen nog maar genieten! Aan de ene zijde zien we de prachtige groen beklede bergruggen die als zacht fluweel afsteken tegen de heldere blauwe hemel. Aan de andere kant hebben we uitzicht op het kristalzuivere Song Kul-meer, omgeven door tientallen Yurts en grote kuddes grazende dieren.

Een van deze vele Yurts zal ons onderdak verlenen, de vraag is alleen welke? Adressen en huisnummers bestaan hier natuurlijk niet, maar een behulpzame herder wijst meteen naar een van de witte stipjes in de verte, precies aan de andere kant van het meer. Hier laten we de dampende motoren voor wat ze zijn en nemen een duik in dit hoog gelegen ijskoude bergmeer. De warme maaltijd bereiden we op een fornuis dat brandt op gedroogde koeienvlaaien en de Wodka die tot nu toe als een rode draad door de reis lijkt te lopen maakt plaats voor het lokale ‘Koemis’, een drankje van gefermenteerde paardenmelk. Het witte goedje schenken ze met een pollepel uit een grote plastic emmer in onze glazen. De eerste slok doet het gezicht vertrekken in zure grimassen. Zou het onbeleefd zijn om het glas niet helemaal leeg te  drinken? Onze Kazakse begeleiding was hier al op voorbereid en haalt al snel de vertrouwde wodka weer tevoorschijn.

De nachten hier zijn hier zo koud, dat onze ultramoderne slaapzakken marginaal werken. Dankbaar maken we gebruik van de stinkende schapenvachten die her en der verspreid liggen om ons warm te houden gedurende deze kraakheldere nacht.

Sharyn Canyon

In Kirgizië komen weinig toeristen, laat staan een groep motorrijders. De mannen van de nomadische stammen staan dan ook zeer geïnteresseerd te kijken naar onze motoren, maar geven al snel te kennen dat ze niet zouden willen ruilen met hun paarden. Voor de gein organiseren we een sprintwedstrijdje tussen een Yamaha TT 250 en een paard. Het paard wint, de eerste 100 meter…

We verlaten het bergmeer Song Kul en begeven ons de komende dagen op de voormalige zuidelijke zijderoute. Hetgeen af en toe nog te zien is in de vorm van kleine nederzettingen die dienst hebben gedaan als overnachting- en handelsplaatsen. Her en der menen we nog een voetafdruk van Marco Polo te zien, maar na het voorbij razen van onze acht offroad motoren gaan deze voorgoed verloren in de grote oprijzende wolk van fijnstof en opspattende stenen.

We rijden langs de oever van het grootste meer van Azië richting het hooggebergte met toppen tot 7400 meter! We overwinnen nog een laatste hoge pas voordat we uiteindelijk de Kazakse grenspost voor ons zien. Deze grensovergang is niet veel meer dan een paar containers met kleine kantoortjes en één ‘Slagbaum’, de sfeer is zeer gemoedelijk. We kunnen de grens nog niet passeren omdat er onderhoud wordt gepleegd aan de slagboom. Behulpzaam als we zijn helpen we de douaniers even met het laswerk zodat we onze weg voorspoedig kunnen vervolgen.

Terug in Kazakhstan rest nog een laatste avontuur: de Sharyn Canyon. Dit is een kleine uitvoering van de Grand Canyon, maar daardoor niet minder spectaculair. Het gegeven dat de parkrangers niet op hun post te zitten, interpreteren we als een vrijbrief om de canyon in te rijden. We dalen af in een steile kloof waar het landschap verandert in een oogverblindende schoonheid van vuurrode rotsformaties en een wild stromende rivier die kennelijk de oorzaak is van de diep uitgesleten canyon. Het kamp slaan we onder in de canyon op om onder een heldere sterrenhemel te genieten van onze laatste avond in Centraal Azië.

Een bekeuring

De volgende ochtend is de controlepost wel bemand. De gedachte aan corruptie doet me besluiten een alternatieve route te nemen. Dwars over de rotsachtige bergen proberen we het park te verlaten, maar dat blijft niet onopgemerkt. Al snel zetten de rangers de achtervolging in in hun oude Lada 4×4. De tactiek om de groep in tweeën op te splitsen werkt, voor de helft. De rangers kennen het gebied op hun duimpje en een deel van de groep wordt de pas afgesneden. Heftige discussies volgen, maar in de ogen van de rangers lezen we af dat ze maar wat plezier hebben beleefd aan de achtervolging. Een aantrekkelijke doorbreking van hun saaie dagelijkse sleur. Als we entreegeld op het tafeltje hadden achter gelaten, was er niets aan de hand geweest, vertellen ze ons. Ons betoog dat het geld mogelijk van het tafeltje is gewaaid, gaat er niet in. Het bonnenboekje wordt getrokken en een boete van twee euro per persoon is ons deel. Almaty halen we uiteindelijk zonder noemenswaardige vertraging.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-kazachstan.GPX”]

Duitsland: Emsland – Witte Vlek

0

Vlak over de grens met Groningen, Drenthe en Overijssel ligt het Emsland. Eeuwenlang was het een duister moerasgebied, waar de beschaving ophield. In de nazitijd werd het zelfs een regelrechte hel. Tegenwoordig is het eerder lieflijk en soms merkwaardig groots, maar vooral nauwelijks bekend.

Jan Dirk Onrust

Duitsland heeft sensationele slingerwegen, mooi middelgebergte en bruisende steden. Maar ver voordat je daar bent, kom je langs het Emsland. Toeristisch stelt het gebied niet veel voor, zelfs op de website van het Duits Verkeersbureau wordt het nauwelijks genoemd. En dat geeft weer wat Emsland altijd is geweest: een witte vlek op de kaart, een enigszins naargeestig, achtergebleven veengebied dat moeilijk toegankelijk was en daardoor relatief onbekend.

Achterlijk Emsland

Het was zo erg dat het hoogontwikkelde Duitsland zich vorige eeuw schaamde voor het achterlijke Emsland. In 1933 noemde de nazi-minister Günther het Emsland een streek waar de beschaving ophield. Maar daar hadden de nazi’s een oplossing voor die Emsland in een hel veranderde. Verspreid over de streek kwamen vijftien ‘strafgevangenissen’, van waaruit dwangarbeiders – vooral politieke tegenstanders, joden, homo’s, Jehova’s getuigen, en later verzetstrijders en Russische krijgsgevangenen – de moerassen moesten droogleggen. Maar de gevangenissen waren in feite vernietigingskampen, waar vele tienduizenden stierven van uitputting en honger. De verandering van Emsland, die begon met bloedige dwangarbeid, werd na de oorlog doorgezet met veel overheidsgeld.

ANWB-routes

Het gevolg? Als ik op een lichtbewolkte najaarsdag met de Guzzi Stelvio bij Coevorden de grens oversteek, kom ik niet in een zompige duisternis met onverstaanbare moerasduitsers terecht, die voor hun hutje op een mondharmonica blazen met een fles huisgestookte jenever binnen handbereik, maar eerder in een soort Oost-Nederland. Met minder mensen en grotere huizen, maar minstens zo ordentelijk. Er lopen zelfs ANWB-routes doorheen. Nou ja, zeg.
Ik begin in Emlichheim. Hier zie ik een Aldi, een Lidl en Nederlanders die hebben ontdekt dat de aardappelen nog een stuk goedkoper zijn dan thuis. Het is ook het begin en eindpunt van mijn route, want hier pak ik de bewegwijzerde ANWB Pioniersroute Energie op. Verderop volg ik losjes een deel van de Westerwold-Emsroute.

Concentratiekamp

Via wat weggetjes die meteen al meevallen kom ik in het typisch Emslandse dorpje Neugnadenfeld: een kerk, een buurtsuper en een concentratiekamp. Maar dat laatste is vrijwel verdwenen. En eigenlijk ook weer niet. Het hele dorp ontstond namelijk uit de hospitaalbarakken van Emslandlager XV, oftewel het beruchte Alexisdorf, waar vooral veel Russische krijgsgevangen stierven. Na de oorlog vonden Hernhutters uit de oostelijke Duitse gebieden hier onderdak. Hieruit groeide uiteindelijk een dorpje met 700 inwoners. Bijna alle straatnamen van het dorp hebben iets met krijgsgevangenschap te maken. De slachtoffers van Alexisdorf vind ik een beetje weggestopt in een bos achter de sportvelden. Mossige stenen symboliseren minstens 600 anonieme Russische doden. Maar het zouden er ook 6000 kunnen zijn, volgens sommigen. Als je een beetje oplet, kom je verstopt langs de route nog veel meer begraafplaatsen voor krijgsgevangen en dwangarbeiders tegen. Het ironische is dat mede door hun bloedige arbeid het van oorsprong rauwe landschap een lieflijk karakter heeft gekregen. Zachtaardige weidelandschappen, mooie bossen en aangename wegen. Maar wel met een rouwrand.

Grootschalig en gek

Van het vroegere moerasgebied is vrijwel niets meer over. Maar hoe het was kun je nog wel zien in het Emsland Moormuseum in Geeste. Hier vind je ook nog allerlei oude graafmachines en ander materieel waarmee het veen is verwijderd.

Even noordelijker valt mijn blik op twee gigantische roestige schoorstenen van een energiecentrale. Dichterbij zie ik dat het geen roestvlekken zijn, maar een beschildering die de wereldkaart voorstelt. Als ik ernaast sta, zie ik dat het geen energiecentrale is, maar Fun Park Meppen. En dat is natuurlijk weer een project van de bekende Toyota-rijder Hennie van der Most. Deze Drentse ondernemer bouwt naargeestige industrie om tot pretpark. Of in elk geval tot iets dat naar patat ruikt. In Fun Park Meppen bestaat de pret eruit dat je met van alles en nog wat kunt rijden en racen. Het is grootschalig en nogal gek, maar dat zie je vaker in geïsoleerde gebieden die tot ontwikkeling gebracht moeten worden. In Emsland zal ik er nog zeker drie keer tegenaan lopen.

Egbert geeft tips

Maar eerst ga ik even koffieleuten, want hier vlakbij, in Flechum, woont de trouwste Promotor-lezer van heel Emsland: de Nederlandse leraar Engels Egbert van Katwijk. Kortgeleden is hij geëmigreerd en daar is hij nog altijd niet helemaal overheen. Vanwege de emigratie verkocht hij zijn Triumph Bonneville namelijk aan onze redacteur Nico Vis. En nu ziet hij in Promotor bijna maandelijks hoe een ander op zijn geliefde rijdt. Maar wraakzuchtig is hij niet. Hij is zelfs zo vriendelijk enkele expert insider tips over Emsland te geven. Met een lijstje van Egbert op zak, stap ik weer op de Stelvio.

Eerst ga ik naar het stadje Haselhünne, vlakbij Egbert. Hij vindt dit het leukste stoppunt van Emsland. Het blijkt klein, gezellig en zelfs redelijk historisch te zijn. En het telt maar liefst drie drankstokerijen, waaronder Berentzen, waar je kunt kijken en proeven. Meer steden staan er niet op mijn lijstje, want de meeste zijn volgens Egbert niet boeiender dan Stadskanaal of Almelo.

500 km/u

Nummer twee op de lijst van Egbert zul je in geen enkele toeristische gids vinden: de strafgevangenis van Meppen. ‘Een groot, luguber gebouw met wachttorens en prikkeldraad,’ volgens Egbert. ‘Toen ik daar voor het eerst langsreed, schrok ik ervan. Het schemerde en het was alsof ik een concentratiekamp uit de oorlog zag.’

Derde op Egbert’s lijst is de testbaan van de Transrapid, een voor Emsland typerend megaproject bij het plaatsje Lathen. De futuristische zweeftrein haalde op het 32 km lange circuit topsnelheden tot 500 km/u, maar aan het testen kwam op 22 september 2006 een einde toen de trein met een vaart van 200 km/u op een vergeten onderhoudskarretje klapte. 23 passagiers kwamen hierbij om het leven. Sindsdien ligt het project bijna op zijn kont. Toch werd er deze zomer een nieuw model getest, maar dat je als gewone belangstellende nog een keertje mee kunt, lijkt onwaarschijnlijk. Je kunt wel makkelijk bij het stationnetje met expositieruimte komen, waarachter het monument voor de slachtoffers staat.

Glamoureuze passagiersschepen

Na Lathen kom ik in over steeds leukere weggetjes in een steeds mooiere omgeving met zelfs wat heuvels, maar mijn aandacht wordt vooral getrokken door het volgende megaobject dat ik in de verte zie. Een reusachtig dok. Het kan ook zijn dat ik het gebouw ter hoogte van Coevorden al had kunnen zien. Het gaat om de Meyer scheepswerf in Papenburg. Zomaar, midden in het vlakke platteland, waar bestek bij wijze van spreken nog met een handleiding moet worden verkocht, worden hier de grootste en meest glamoureuze passagiersschepen ter wereld gebouwd. Op dit moment zijn ze onder meer bezig met twee schepen van 128.000 ton voor de Disney Cruise Line. Speciaal voor Meyer is de Ems verdiept, zijn hoogspanningsmasten verhoogd en laat men tijdelijk het waterpeil stijgen om voltooide cruiseschepen naar open water te krijgen. Nog voordat de schepen in gebruik worden genomen, zijn ze al een grote toeristische attractie. Op deze doordeweekse najaarsdag staan er tussen de patatkramen op het grote parkeerterrein tegenover de werf honderden auto’s, campers en wat motoren van dagjesmensen.

Verboden te kijken

Met de Meyer Werft heb ik het noordelijkste punt van mijn rondje Emsland bereikt en ga ik via de oostelijke Eemsoever terug. Al na enkele kilometers ligt hier het volgende megaproject, maar hier zul je geen massa’s toeristen tegenkomen. Sterker nog, je mag er niet eens naar kijken. Daarom ligt het ook zo verstopt achter hoge hekken in de bossen. En elk punt waar je iets zou kunnen zien, hebben ze volledig afgedekt met schermen. Maar je hoort wel iets. En dat klinkt als auto’s die met een vaart van 250 km/u voorbij scheuren. Ik heb het over de ATP, een baan waar vooral nieuwe Mercedessen worden getest, onder meer op een hogesnelheidsovaal van 12 km, die onder mijn weg kruist. Niet lang geleden kon je hier op zaterdagen ook nog met de motor jakkeren, totdat ook hier een noodlottig ongeval daar een einde aan maakte.

Schreeuwen van de honger

De directe omgeving van Papenburg is vlak en weinig boeiend. Maar even voorbij de testbaan begint het landschap weer op te klaren. Een slingerweg, een paar aardige dorpjes en weer wat heuvels. Tegen een van de heuvels aan ligt het plaatsje Esterwegen. Absoluut mooi, maar was Esterwegen ook niet zo’n beruchte naam? Inderdaad. Aan de andere kant van de heuvel, op ongeveer een kilometer van de dorpskern ligt het voormalige concentratiekamp, dat nu een monument is. Bij de ingang vertelt een bejaarde inwoonster van Esterwegen me hoe de omstandigheden waren. ‘In het dorp hoorden we de mensen letterlijk schreeuwen van de honger.’ Ze knijpt haar ogen dicht en draait haar gezicht weg, alsof ze het opnieuw hoort. ‘Twintigduizend zijn hier gecrepeerd. ’
‘Ja, natuurlijk wisten dat het hier vreselijk was. Dat wisten we al voor de oorlog begon,’ zegt ze fel als ik naar de bekende weg vraag. ‘Maar jullie wisten het ook. Er zijn mensen ontsnapt naar Nederland, die alles hebben verteld. Maar die werden daarna gewoon teruggestuurd.’

Op een steenworp afstand van het kamp vind ik eindelijk een moerasgebiedje, waar je over vlonders doorheen kunt lopen. Hier krijg je een goed idee van hoe grote delen van Emsland eruit hebben gezien en hoe zwaar het werkomstandigheden voor de gevangenen moeten zijn geweest.

De meeste hunebedden

Terug naar het lijstje van Egbert, want een kilometer of 20 onder Esterwegen komen we in de Hümmling, een heuvelrug uit de ijstijd met bossen en aardige wegen. Egbert vindt dit landschappelijk de aardigste streek van het Emsland. Behalve heuvels heeft het landijs net als in Drenthe keien neergelegd. Maar dan waarschijnlijk veel meer, want nergens vind je zoveel hunebedden als hier. Hoogtepuntje is het straatje met hunebedden bij Hüven.

Om het rondje compleet te maken, pak ik bij Wietmarschen, het zuidelijkste punt, de Energieroute van de ANWB weer op. In Drenthe is de oliewinning vrijwel gestopt, maar hier draait hij op volle toeren. Ik kom langs de ene actieve jaknikker na de andere, met daartussen zelfs een enkele raffinaderij. En de weggetjes die erlangs lopen zijn onverwacht leuk, tot aan het eindpunt toe. Daar, in Emlichheim, is Emsland na een rit van 270 km geen witte vlek meer. Hier en daar eerder een zwarte, maar ook die duistere kant maakt de streek veel interessanter dan je op het eerste gezicht zou vermoeden.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Emsland.GPX”]

Alaska: Warning Bears!

0
Alaska

Vanuit het vliegtuig zie ik besneeuwde bergen tot zover het oog reikt. De zee is troebel, bruin en modderig. Echt gastvrij ziet Alaska er niet uit, wel spannend. Zal ik een beer voor mijn wielen krijgen?

De Kawasaki KLR 650 ziet er stoer uit en ik kan niet wachten om de langgerekte, rechttoe rechtaan straten van Anchorage achter me te laten. Een gezellig, historisch centrum ontbreekt, maar voor stedelijk vertier ben je natuurlijk niet in Alaska. Ik stuur richting Eklutna, voor de afslag naar de Old Glenn Highway, met aan de linkerhand de Knik River. Net voor de brug over de Knik River sla ik af op de Knik Road, een afwisselend weggetje. Wat ontbreekt zijn wilde dieren. Een eland of een beer zou geweldig zijn, maar ik moet het voorlopig doen met een eekhoorn en een stekelvarken. Het uitzicht op de besneeuwde bergtoppen van de Chugach Mountains is groots. De Knik Road gaat over in een goed begaanbare gravelweg, die uiteindelijk doodloopt bij een lodge. De Nederlander Peter is er de uitbater. Hij en zijn vrouw Eveline zijn hier drie jaar geleden neergestreken. Na de thee rij ik richting Palmer. Onderweg zie ik de eerste eland gezien, helaas een dode. Vanaf Palmer volg ik weer de Glenn Highway richting Matanuska Glacier, een gletsjer die door het opwarmende klimaat steeds minder gletsjer wordt.

Tuimelaars voor de boeg

In Valdez heb ik een boot besproken voor een boottocht over de Prince William Sound. Toppunt is vlak langs de in zee stromende Columbia gletsjer. Jaren geleden was de baai hot news. De olietanker Exxon Valdez liep op de rotsen en miljoenen liters olie kwamen in het zeewater terecht en bedreigde de delicate flora en fauna. Nogal wat zeeotters en zeevogels legden het loodje. Ondertussen rijd ik langs de Trans-Alaska Pipeline, de pijpleiding waarin de dikke aardolie vanuit Prudhoe Bay naar overslaghaven Valdez stroomt. Onderweg ook veel postbussen op een hoop. Je vraagt je af hoe het is om hier postbode te zijn, mijlen en mijlen heb je niets en ineens til je je weer een breuk. Ik stop bij een benzinestation en bij het afrekenen vraag ik of ik al in Glennallen ben. ‘Your in the middle of it,’ zegt de pompbediende…

In Valdez ga ik direct naar de bootverhuur voor de rondvaart. Net buiten de haven scheren een stel tuimelaars – of bruinvissen – voor de boot langs en verderop liggen zeeotters heerlijk op hun rug rond te dobberen. Op de bergwanden speur ik naar berggeiten en beren, maar die laten zich niet zien. De Columbia gletsjer levert het betere Noordpoolgevoel als de boot tussen grote ijsschotsen manoeuvreert. Volgens de kapitein hebben we enorm veel geluk met het heldere weer. Normaal hult Valdez zich het grootste deel van het jaar in dikke mist.

Olielekkage

Op weg naar het noorden wissel ik de Richardson Highway in voor de McCarthy Road. In Chitina houdt het asfalt op en gaat de weg door als gravelweg. In het dorp graast een eland. Het dier oogt wat onnozel, toch maken ze in Alaska meer slachtoffers dan beren. Ik schiet wat foto’s en zorg ervoor dat de eland op veilige afstand blijft. Voorbij de gigantische Copper River krijgen de loofbomen al wat blad, wat het panorama over het mooie rivierdal minder kaal maakt. Bij de brug over de Kuskulana River moet ik stoppen, want van de brug hebben ze een gigantisch en imposant bouwwerk gemaakt.

Even verder haal ik een auto in die olie lekt. Op het moment dat ik de inzittenden waarschuw, fietst (!) een bebaarde man voorbij. Je vraagt je echt af waar die vandaan komt. De laatste 35 mijl heb ik geen huis meer gezien. Hij blijkt in een hutje in het woud te leven. Zijn fietszadel is vannacht aangevreten door een beer, maar die heeft hij weggejaagd. Baardmans biedt de automobilisten hulp en ik vervolg de weg naar McCarthy. McCarthy en ook Kennicott zijn gesloten voor verkeer. Alleen de inwoners mogen er met de auto in. Reden is dat de dorpjes de uitvalsbasis zijn voor alle toeristen die het Nationaal Park Wrangel-St. Elias willen verkennen. In Kennicot bevond zich ooit de meest lucratieve kopermijn ter wereld. Dat zal allemaal wel, maar intussen valt er geen koffie of thee te scoren. Wel in de historische Roadhouse in Copper Center. Ik ben er niet alleen, aan de bar zit een dronken indiaan en aan een tafel een indiaan achter een laptop.

Dikke barkeeper

Op de Tok Cutoff heb ik een mooi uitzicht op de brede Copper River. Ineens steekt een kudde kariboes over. In Slana rijd ik over de 42 mijl lange Nebasna Road door een gedeelte van het Wrangell-St. Elias Preserve, een prima gravelweg met een paar ondiepe rivierdoorwadingen. De 42 mijl lange weg is een mooie afwisseling op de goed geasfalteerde Tok Cutoff. De route is prachtig, alleen wordt het uitzicht teniet gedaan door de laag hangende bewolking. Onderweg zie ik een aantal elanden grazen en bij een half bevroren meertje bewonder ik de watervogels die er dobberen. Het is een heerlijk gevoel zo in je eentje rond te toeren.

Bij mijl 28 kom ik voorbij de Sportsmen Bar, waar ik warme chocolademelk bestel. Ik ben de enige klant en raak aan de praat met de dikke barkeerper. Even later komt zijn moeder er ook bij zitten. Er wordt driftig gerookt. Zoonlief laat trots een foto van moeder zien, bij een neergeschoten beer. Mum vertelt dat dit haar eerste en laatste beer was die ze heeft geschoten. Ze was zo bang dat ze in de broek heeft geplast. Iedereen kan hartelijk lachen om het verhaal.

Ik overnacht in Copper Center, waar ik ’s morgens mijn ogen uitkijk. In de zaal alleen maar mannen. Dikke mannen, bebaarde mannen, mannen met petjes. Ik zie complete taarten als ontbijt voorbij komen. Nee dan toch liever een broodje met een rendierworstje!

Les per internet

De langste dag wordt de route over de Dalton Highway naar Wiseman. In Livengood doe ik een poging om koffie te krijgen, maar er staat maar één huisje waar ze geen koffie schenken. Wel staat er met grote letters op de deur dat ze bewapend zijn en dat ze die ook zullen gebruiken tegen inbrekers.

De Dalton Highway besproeien ze geregeld met calciumchloride, wat een harde toplaag oplevert. De weg wordt voornamelijk gebruikt door truckers, die het noorden – en vooral Prudhoe Bay – voorzien van proviand. De Dalton Highway loopt pal langs de Oliepijplijn. De omgeving is heuvelachtig en het landschap ziet er soms troosteloos uit, met zielige restanten van boompjes die verwoest werden door een bosbrand zes jaar terug.

De War against Terror laat ook hier z’n sporen na. Wegens het gevaar van sabotage is het verboden op de brug over de Yukon te stoppen. Om de tien meter staat een grote paal met luidsprekers, waaruit bewakers je toespreken als je toch stopt. In het Yukon River Camp krijg ik weer een mooi berenverhaal opgedist. In de winter had een beer ingebroken in het restaurant. De beer haalde alles, maar dan ook alles overhoop, wentelde zich vervolgens in de dekens die er lagen en sukkelde langzaam in een diepe winterslaap. Of de beer z’n logeerpartij heeft overleefd, vertelt het verhaal niet.

Ik vervolg de weg naar het noorden. Het landschap is veranderd in een veelkleurige toendra. Bomen zijn verdwenen, struiken en rotspartijen verschenen waaronder de bekende Finger Rock. Op de Poolcirkel waarschuwen borden me het afval vooral goed op te ruimen. Beren zijn er namelijk gek op. Ik heb er nog steeds geen gezien en ben bijna geneigd een zalm achterop de motor te knopen. Ik Coldfoot sla ik wat eten in, het is de enige plaats in een omtrek van meer dan 100 mijl waar dat.

In Wiseman wonen permanent 12 bewoners. Ik overnacht er in The Artic Getaway, een heerlijk plekje met twee leuke huisjes. Ze worden verhuurd door Bernie en Uta, van oorsprong Duitsers. Het stel woont hier met hun twee kinderen Julie (13) en Leo (8). Omdat er geen school is, onderwijst Uta de kinderen zelf. Dat is redelijk goed te doen omdat er een internetlijntje ligt met de bewoonde wereld. Zo kunnen de kinderen op afstand toch hun highschooldiploma behalen. Bernie zorgt voor het vlees op tafel. Hij jaagt en zet vallen. De pelzen gebruikt hij voor kleding en schoenen.

Pleerace

Na een ontbijt met verse eierpannenkoeken – heb geen kip gezien onderweg en we zitten toch zo’n 277 mijl van de supermarkt af – pak ik mijn boeltje weer op en neem keer over de Dalton Highway terug naar Chatanika. Onderweg hoor ik dat daar een giga BBQ wordt georganiseerd en dat er veel ‘bikers’ zullen zijn. Na al die eenzame kilometers heb ik wel zin om een avond gezellig bierdrinkend door te brengen in de bewoonde wereld. Ik verblijf in de Lodge, aan de Steese Highway. De Lodge is in Alaska bekend om z’n jaarlijkse Outhouserace, een wedstrijd met een buiten-wc. Dat gaat zo: een persoon neemt plaats op het toilet en vier man duwen de op ski’s gebouwde wc over een parcours. De snelste wint. Simpel, maar het spektakel trekt zo’n vijf- tot zesduizend bezoekers! En da’s veel voor Alaska.

In de omgeving werd vroeger veel goud gewonnen. Aan de overkant van de lodge staat nog een oude baggermachine in het water te roesten.

Blowende hippies

Vroeg in de morgen vertrek ik voor de tocht over de Denali Highway. In Delta Junction koop ik nog snel het certificaat ‘I did the Alaskan Highway’. De route wordt steeds mooier, met uitzicht op de besneeuwde bergen van de Alaska Range. Voor Summit Lake ligt bijna overal nog sneeuw, de vele meertjes zijn vaak nog bevroren en in de kleine kronkelende riviertjes stroomt het ijskoude water. Ik stop in Paxson Lodge voor wat warms en geniet vanaf de veranda van de omgeving. Naast me zitten vier oude hippies te blowen, te drinken en muziek te maken.

Het laatste stuk van de route is het mooiste van de dag. Het is 19.00 uur en de zon schijnt laag over een prachtig heuvelachtig en besneeuwd landschap. Een stekelvarken steekt nog snel de weg over. Mijn dag eindigt bij de Tangle River Inn, waar de sneeuw tot aan de dakrand ligt. In de verte brult een sneeuwscooter over het bevroren meer.

Caribou Dundee

Vandaag stuur ik verder over de Denali Highway. Ongeveer 190 kilometer daarvan is niet geasfalteerd. Het is een fantastisch rit door een bijzonder en besneeuwde landschap. Met als hoogtepunt Maclaren Summit, een berg van 1245 meter. Het lijkt weer alsof ik de enige ben op deze route door een verlaten landschap zonder bomen en bebouwing. Na Maclaren Summit verandert het landschap opnieuw. Er ligt minder sneeuw en gaandeweg verandert de begroeiing van struikgewas in bossen. Onderweg zie ik vogels, elanden en kuddes rendieren. Net voor Cantwell bereik ik de verharde weg.

De Parks Highway naar het noorden wordt veel gebruikt door toeristen die het bekende Denali Park bezoeken. Ook is dit de snelste route van Anchorage naar Fairbanks. Ik overnacht in een huisje in het bos dat de vorm heeft van een piramide. Het aanpalende restaurant gaat eigenlijk morgen pas open, maar met de juiste argumenten krijg ik de eigenaar zo ver een pizza in de oven te mikken. Kennelijk is de vervroegde opening als een lopend vuurtje rondgegaan. Groot is mijn verbazing als het restaurant ’s avonds volloopt met drinkers en eters. De locals zijn natuurlijk blij dat er weer wat te doen is in de ‘buurt’. Ze rijden gerust 20 mijl een pilsje te doen… en ze rijden ook gerust 20 mijl terug met veel pilsjes op. We maken muziek, we drinken en we hebben lol. Iedereen is in een goede stemming. Ook Caribou Dundee, die behoorlijk beschonken vertelt over zijn leven als jager. Hij gaat geregeld voor langere tijd de natuur in, bouwt dan z’n eigen hutje en kacheltje en gaat jagen, schieten en vallen zetten.

Vliegen tussen bergtoppen

Het Denali Park mag je natuurlijk niet overslaan. Vanaf het Visitors Centre kun je nog 24 kilometer met je motor het park in. Dan moet je in een touringcar verder, maar dat zie ik niet zo zitten. Ik rij zover ik kan en hoop stiekem eindelijk eens een beer te zien. Tevergeefs, maar het uitzicht op Mount McKinley, met z’n 6194 meter de hoogste van Noord-Amerika, maakt het gemis goed.

Na het park rij ik over de Parks Highway naar Talkeetna, waar ik een rondvlucht heb geboekt met een landing op een gletsjer. Met geheid een nog mooier uitzicht op Mount McKinley! Ik geniet enorm van de spectaculaire vlucht tussen de bergtoppen en natuurlijk van de landing op de gletsjer. Talkeetna is een voormalig handelspost die nu populair is bij bergbeklimmers die de toppen in het Denali Park willen beklimmen. En er staat een pinautomaat…

WK Snorren en baarden

Naar Anchorage rij ik via een omweg, voor het laatste stukje offroad. Helaas is de Hatcher Pass nog gesloten vanwege te veel sneeuw. Daarom kies ik voor de over McKenzie en Knik. Dat levert een mooie dirt road op door de bossen, met fijne mooie heuvels en bochten. En opnieuw verbazing als ik middenin het Wereldkampioenschap Snorren en Baarden 2009 verzeild raak. Naderhand hoor ik dat een Nederlander de gouden medaille heeft gewonnen. Glimlachend denk ik er aan terug als ik mijn snor druk. Klokslag 23.00 uur lever ik mijn spullen in bij de vertrekbalie. Een goed uur daarna zit ik in de wolken, op weg naar Nederland en heb ik nog steeds geen beer gezien.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Alaska.GPX”]

Oostenrijk: Karinthië

0

Toeren van gletsjers naar meren. Over trotse drieduizend meter hoge bergen en langs lekker warme bergmeren. Echt, in Karinthië kan je nog als een kind zo blij zijn.

Klaus Daams

Kärnten zou 1270 meren bezitten. Is er iemand die ze heeft geteld? En waar is dan in hemelsnaam nog plaats voor al die bergen? Zulke en andere vragen laten zich misschien het snelst met een krachtige KTM Super Duke ter plekke beantwoorden. Zo snel mogelijk, nu de eeuwige sneeuw nog bestaat. Want het glinsterende wit hoort er toch eigenlijk bij, maar verdwijnt helaas, zoals je met tranen in de ogen kunt vaststellen, steeds meer. Of het krokodillentranen zijn, gaan we verder op in. Voor verdere uitweidingen over het thema klimaatverandering bij een koel glas bier is het gezellig toeven in bijvoorbeeld het motorrijdersvriendelijke hotel Kraner’s Alpenhof aan de Weißensee. Heinz Mösslacher, de baas van het lokaal, is met het weer van de streek vertrouwd en zit snel op zijn praatstoel, waar hij dan over Nederlanders vertelt die `s winters op het dichtgevroren meer hun schaatsen onderbinden, een pret die thuis vaak in het water valt, dat maar niet meer tot ijs wil stollen.

Nadat `s avonds de idyllische Weißensee, die 930 meter hoog ligt, nog tot een zwempartijtje uitnodigde of liever had willen uitnodigen, om de temperatuur van 24 graden die de folder belooft, te testen, zo verleent de volgende morgen de Großglockner, de hoogste berg van Oostenrijk, ons genadig audiëntie. Vanuit welk hotel je ook vertrekt, als je een blik uit het slaapkamerraam werpt, zal je eerste gedachte altijd zijn: ‘Wat een prachtig mooi groen!’ Of, nog precieser: ‘Aha, ze hooien voor de tweede keer.’ Dat noemen ze hier de Öhmd. Uit alle poriën van het landschap ademt de zomer. Aan de bomen hangen appels met roodglanzende wangen en borden wijzen de weg naar een ‘Jausenstation’, waar je echte Oostenrijkse kost krijgt voorgeschoteld. Maar soms ook naar een Döner-lokaal (het equivalent van de patatzaak). Zelfs in Kärnten, eens berucht als vakantieland van de bekrompen kleine burger, blijft de tijd niet stilstaan. De motor natuurlijk ook niet. Opgewekt en krachtig hoor ik het lied dat de Duke met zijn organen van edelstaal ten gehore brengt. Eerst op de bochtige 87 naar Greifenburg, waarbij hij virtuoos van toonhoogte wisselt, daarna meer eentonig op de brede 110 tot Lienz, waar de 107 zich afsplitst naar de Großglockner.

Bergtoppen

Het is als bij de nadering van de Nürburgring: zelfs wanneer je er al eens was, voel je bij het vooruitzicht altijd weer vlinders in je buik. Maar in plaats van je hersens verder te pijnigen met gedachten over de macht van marketing, kun je je beter genietend overgeven aan al die andere indrukken hier in het Nationale Park Hohe Tauern. Bij het tolgeldhuisje Heiligenblut voel je je dan als aan de betaalpost van de Nordschleife van de Nürburgring. 18 euro kost het ticket, een dagkaart, voor de 48 kilometer lange Großglockner-Hochalpenstraße. Duur? De bouw van dit gedurfde project heeft zo’n slordige 34 miljoen euro gekost. Mogen de Oostenrijkers er dan wat voor vragen? In bezit van het entreebiljet wil je nog maar een ding weten: hoe ga je die 36 haarspeldbochten nemen. De kunst is, vooral wanneer je in colonne in de serpentine-inhaal-modus rijdt, om de blik voor de bloedmooie natuur niet volledig onder de wielen te laten komen. Het is altijd weer een dilemma: rij je eerst de weg naar de Kaiser-Franz-Josefs-Höhe en dan die naar de Edelweißspitze. Of omgekeerd? Lange leve de dagkaart!

Mogelijk zijn de jaren van de Pasterze, de grootste gletsjer van Oostenrijk, geteld. Nog negen kilometer rest van de grauwe ijstong, die van de 3798 meter hoge Großglockner neerhangt in de richting van de Kaiser-Franz-Josefs-Höhe en die de laatste 150 jaar de helft van zijn volume heeft verloren. Op vakantiefoto’s mag dat tot leuke vroeger-en-nu-vergelijkingen leiden, maar het verschijnsel is allesbehalve leuk. Drinkwaterreservoirs dreigen uit te drogen, de stabiliteit van complete bergmassieven, die tot nu door de permafrost werden gestut, wordt onberekenbaar. En bleef de regen ooit als sneeuw liggen, nu stort het als een zondvloed linea recta naar beneden het dal in. Zeker, op een prachtige zomerse dag, onder een staalblauwe hemel, het oog verblind door de witglanzende sneeuwvelden en het hart verrukt door grappige marmotten (Murmeltiere), is zo iets moeilijk voor te stellen. De parkeerplaats en parkeergarage op het 2369 meter hoge panoramaplateau is propvol. Hunne Keizerlijke Majesteiten, Franz Josef en Elisabeth staan als leeghoofdige kartonnen figuren klaar voor leuke kiekjes. Ervoor staat een heel regiment motorrijders opgesteld. Een meeting van superlatieven, een Alpenbelevenis in het kwadraat. In een vier verdiepingen hoog bezoekerscentrum kun je je infohonger stillen. Gratis kluisjes (Bikers Safes) garanderen een onbezorgde rondgang.

Verder naar de Edelweißspitze, het tweede markante uitzichts- en rustpunt. Dan in de Edelweißhütte Apfelstrudel en cacao. Bij helder weer kun je hier 33 bergtoppen van drieduizend meter en 19 gletsjers zien liggen. Niet alleen bij slecht weer is een blik in het Bikers Nest een must. Een tentoonstelling roept de tijd op van de roemruchte bergraces. Je ziet er onder andere Anita Wachter op een Puch Sport 250 cc anno 1935. Pet af! Zeven nauwe haarspeldbochten, met kinderhoofdjes ingelegd en sinds de aanleg onveranderd, brengen ons holderdebolder weer op de hoofdweg bij de Fuscher Törl. Noordwaarts leidt de Großglockner-Hochalpenstraße verder naar Zell am See en naar het dal van de rivier de Salzach en daarmee steeds verder van ons onderkomen aan de Weißensee. Helaas te ver voor de omweg door de Lienzer Dolomieten over de Pustertaler Hohenstraße en door het Lesachtal. Dus als de weerga terug, over Heiligenblut, Mölltal en Steinfeld.

Haarspeldbochten

‘Kärnten: Motorrijdersland’. De reclame-slogan is niet alleen in alle mogelijke brochures te vinden, ze leven er hier ook naar. Nadat we een nieuwe kamer betrokken hebben in het panoramahotel Hauserhof boven Hermagor aan de Pressegger See, biedt Charly, de chef van het gastvrije hotel, die een Cali III rijdt, zich aan als gids voor een 300 kilometer lange dagtocht. Dat betekent een dag achter een grommende Guzzi! ‘Als je hier een juichkreet slaakt, krijg je een schitterende echo’, verklaart Charly, maar hij laat het voorzichtigheidshalve achterwege. Wij maken een stop aan de oever van de Farchtnersee, dat nog geheel aan de natuur toebehoort en omgeven is door een diepgroen naaldbomenbos. Hoogstens een paar eenden en zwanen trekken er hun baantjes. Als je zin hebt ze te volgen, kun je in Oostenrijk in meer dan 200 meren je gang gaan. Behoeften van geheel andere aard bevredigt ‘Club Royal’ in Spittal, waarvoor op een groot bord ongegeneerd reclame wordt gemaakt. Snel weg uit de stad en terug naar de boezem van de natuur.

Door het smalle Liesertal, dat door een snelweg wordt overspannen, naar Gmünd en dan over de Malta-Hochalm-Straße naar de Kölnbreinsperre, een 1900 meter hoog gelegen stuwmeer, iets unieks. Al op de weg erheen is er de sensatie: van de hellingen van drieduizend meter hoge bergen valt het water schuimend in de diepte. Iedere keer weer gaat het door vochtig-donkere tunnels, en met vele haarspeldbochten stijgt de weg 1000 meter. Stoplichten, die lang op rood blijven staan, verlengen de beleving van de natuur nog meer! Zo snel als de koersen gevallen zijn, valt hier de thermometer: 12 graden geeft de meter in de cockpit aan, als wij ons boven op de parkeerplaats bij de Kölnbreinstuwdam bevinden. Het imposante waterbekken met zijn machtige, 200 meter hoge damwand is evenwel nauwelijks zichtbaar omdat wolken hem als in tule omhullen.

Een welkome gelegenheid voor een pauze in het bergrestaurant. In plaats van benzine is water het onderwerp van gesprek. De technische gegevens van de Malta-waterkrachtcentrale zijn werkelijk sensationeel: het turbine- en pompvermogen bedraagt ongeveer 1,4 miljoen kilowatt. Dat komt overeen met het potentieel van zo’n 16000 Super Dukes. Samen met de stroom uit andere centrales dekt Oostenrijk met zijn waterkracht de helft van zijn energiebehoefte. Wie geen last heeft van claustrofobie, kan als bezoeker van de Kölnbreinstuwdam zelfs het binnenleven van een stuwwal bestuderen. En hoe dan ook zullen op zulke plaatsen als vanzelf gedachten over het fascinerende thema water opborrelen.

Het is al bijna zes uur, als wij Gmünd weer binnenrijden. Eventjes snel door het middeleeuwse centrum van het aardige cultuur- en kunstenaarsstadje cruisen, waar wij in plaats van het Porsche-Museum een goudgele Puch Maxi fotograferen. En dan gaat het jodelend naar de Nockalmstraße. De timing is perfect, want mild glimlacht nu de avondzon. ‘Aub langzaam en rustig rijden’ maant een bord aan het begin van de route. Een hemel voor motorrijders! 34 kilometer lang, 52 haarspeldbochten. Het landschap heel anders dan tot nog toe. Dan eens kale hoogten als Hayabusa’s in walvisformaat, die met mossen zijn bedekt, dan weer naaldbomen in een hoeveelheid als nergens anders in de Alpen. ‘Hier kunnen wij nog twee dagen blijven’, grijnst de Duke-piloot. De nokken roteren dat het een lust is. Aan het eind van een werkelijk geslaagde dag laven wij ons aan Oostenrijkse specialiteiten als ‘Germknödel’, met pruimenmoes gevulde meelballen. En natuurlijk kan Charly een hoop verhalen vertellen uit de bewogen geschiedenis van dit drielandenpunt.

Karawanken

Wie zijn bordje braaf leeg eet, wordt met goed weer beloond. Kinderspreuken kunnen soms zo echt uitkomen. Pastelkleurig verft de zon de morgennevels boven de Pressegger See en zachtjes pellen de contouren van de bergen zich uit hun slaap. Kitsch? Koffie! En: ‘Pak je zwembroek in!’ Door de intensieve zon, weinig wind en doordat het diepere koude water zich bijna niet met de warme oppervlakte vermengt, hebben de meren in Kärnten in de zomer een gemiddelde temperatuur van 25 graden. Bovendien zorgen het dichte oeverriet en de vele planten voor een uitstekende waterkwaliteit.

Onderweg naar de zuidelijke oever van de Pressegger See snort een prima onderhouden R 25/3-motor-met zijspan door de velden en aan het intieme strandbad Oswald smeert vader moeder als in oude tijden in met zonnecrème in. Over Feistritz aan de Gail gaat het verder naar de Faaker See, begin september het toneel van de Harley Hully Gully-festiviteiten. Zelfs de rest van de zomer hoef je je hier niet te beperken met het turkooiskleurige wateroppervlak, maar kan je je bijvoorbeeld in het House of Rock op de beste karaoke-party van Oostenrijk uitleven.

Uit heel ander hout gesneden is het strandrestaurant Weißes Rössl aan de zuidelijke oever van de Wörthersee. Wie nu denkt, dat ligt toch aan de Wolfgangsee, mag een kenner van operette zijn en misschien van Peter Alexander houden Hij heeft evenwel toch maar half gelijk, omdat sommige namen vaker voorkomen. Wel enig in zijn soort is het ensemble van rieten stoelen, tafelkleedjes met zonnenbloemmotieven, een krakend plankier, een kraaiende Piefke, zoals de Oostenrijker de Duitse toerist noemt, peddelende eenden en wiegende boten voor anker. Een perfect vakantieverblijf, dat ik maar liever niet te geestdriftig moet beschrijven.

De Wörthersee, het grootste en meest befaamde meer van Kärnten, heeft ook andere kanten: het trekt snobs en superrijken aan. Maar die interesseren ons vandaag minder, en zo verlaten wij reeds in Maria Wörth de Oostenrijkse Riviera, buigen af in de richting van de Pyramidenkogel en rijden vervolgens door de heuvelachtige wereld van de Karawanken.

Wellness

De thermometer geeft een aangename 31,9 graden aan, en daarmee bedoel ik niet het koelwater van de KTM. Duidelijk koeler zal het waarschijnlijk alleen in de kerk van Ludmannsdorf zijn; achter de witte façade heerst hopelijk het optimale klimaat voor het nieuwe mechanische orgel. Dit muzikale wonder is overigens door een Sloveense firma gebouwd; geen wonder, want hier aan de rivier de Drau wonen de meeste Kärnter Slovenen. Dat zullen ook motorrijders die geen kerk in te krijgen zijn, opmerken, wanneer ze en passant op tweetalige bordjes lezen: Kindergarten/Otroški vrtec.

Dat wat eigenlijk niet bij elkaar hoort, smelt samen. Bij iedere nog zo korte stop plakken de laarzen aan het asfalt vast. Maar we willen niet jammeren en transpireren liever midden door Klagenfurt heen, om daarna zo snel mogelijk een idyllische zwemgelegenheid te vinden. Zelfs op een kaart van 1:150.000 zoekt je die met een loep: de Tigringer See. Meer een grote plas, maar toch precies het juiste voor door en door bezwete asfaltcowboys. Voor €1,50 per persoon krijgt je een Geländeausweis, en dan spartelen wij ook al in het heerlijk verkoelende, heldere water. Dat wij vanmorgen onze zwembroeken helemaal niet hadden hoeven in te pakken, begrijpen wij pas als een Adam-en-Eva-paartje ons toeroept: ‘Geen foto’s, hier is naaktstrand.’

Het volgende meer, de volgende verrassing. Op de landkaart verleidelijk duidelijk zichtbaar, slingert zich van de noordelijke oever van de Ossiacher See de Gerlitzen-Alpenstraße naar boven. Twaalf kilometer eenzaam door een steeds donkerder wordend bos. Plotseling een automatische slagboom, zoals in een parkeergarage: 7 euro. Het personeel dat je daarmee uitspaart, werkt ondertussen op 1800 meter hoogte op de Feuerberg, waar zich een wellness-hotel bevindt met alles d’r op en d’r aan. De adellijke afzondering en het magnifieke uitzicht op het meer en het inmiddels aardedonkere Kärnten zouden gemakkelijk de besognes van alledag kunnen doen vergeten, maar we moeten aan de terugkeer denken, anders gaat de hotelbaas aan de Pressegger See zich zorgen maken. Tijdens het diner vragen we ons af wat de mens naar het water trekt, maar ook wat het water naar de mens trekt.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Karinthie.GPX”]

IJssellinie: De Russen komen!

0
IJssellinie

Een parcours uit het geschiedenisboek en een wapenschouwing die ons vijftig jaar terug leidt. Yop Segers en sparringpartner maken een battlefield tour langs de belangrijkste bezienswaardigheden van de IJssellinie. Gebouwd om de Russen tegen te houden, maar gelukkig nooit bevochten. Een vreedzame motorrit van 160 kilometer: van de IJssel over de Veluwe, via de Over-Betuwe naar de Waal. Spassieba!

Yop Segers, Chris Pennarts

Het is zaterdagmorgen. De Honda draaft sereen over de IJsseldijk richting Olst. Een anoniem dorpje in Overijssel dat lang een groot geheim heeft weten te bewaren. Achterop de buddyseat zit Iwan, mijn alter ego, die me vergezelt tijdens een inspectiereis langs de IJssellinie en andere restanten uit de Koude Oorlog. We zappen terug naar de tijd van Nikita Chroesjtsjov, Ike Eisenhouwer en John F. Kennedy, toen de wereld nog in twee machtsblokken was verdeeld: het communistische Oosten en het kapitalistische Westen. Warschaupact en NAVO hielden elkaar in de wurggreep met een gewapende vrede, die werd gevoed met beklemmende angstvisioenen en opgeklopt vijanddenken. Maar vandaag zijn Iwan en ik kompanen die dat nare verleden onder het genot van roffelende pk’s willen vergeten. Ons motto is: love and peace!

Boekweitpap

Het hartje van Olst bestaat uit een onknap winkelcentrum, maar Iwan – antagonist van de westerse consumptiemaatschappij – vindt het juist amusant om daar onze ‘vredesmars’ langs bejaard wapentuig te beginnen. De motor mag chillen op het pleintje dat met het standbeeld ‘het winkelende vrouwke’ is opgesmukt, terwijl wij op een terras een bakkie leut nuttigen. Iwan grijnst bij het aanblik van het brok brons en merkt op dat deze moeke met winkeltas wel in de smaak van kameraad Nikita zou zijn gevallen, want de communistische partijleider had een voorkeur voor ferme boezems en flinke kuiten. Hoe dan ook, het schijnt in elk geval de speekselklieren te stimuleren want behalve een tweede ’tsjasjkie kofji’ schranst Iwan op dit vroege uur ook drie porties appelgebak met slagroom naar binnen. Thuis in Rusland had hij zich tevreden moeten stellen met boekweitpap en broodkruimels.

Na een ‘da swiedanja’ hijs ik de gulzige bolsjewiek weer in het zadel. Drie kilometer verder staat de eerste bezichtiging op het programma. Aan weerskanten van de Puinweg liggen restanten van tankkazematten. Een exemplaar heeft zelfs nog een koepel waaruit een vervaarlijke mitrailleurloop priemt. ‘Stoj!’ gilt Iwan opeens en reikt zijn beide armen omhoog alsof hij onder schot wordt gehouden. Enkele fietsverslaafde vutters – van die mensen die de Koude Oorlog aan den lijve hebben meegemaakt – krijgen zowat een beroerte en je hoort ze verschrikt denken: ‘wat doet die kerel met die malle pet toch vreemd; zeker iemand van het krankzinnigengesticht, we kunnen maar beter snel doortrappen.’ Wat verderop zie je op terpen in weilanden en in het talud van de IJsseldijk meer bunkers zich breed maken. Telkens wanneer we zo’n kazemat in het vizier krijgen, playbackt Iwan mitrailleursalvo’s, alsof hij zijn Kalasjnikov AK47 nog steeds wil leegschieten op die arme zandhazen.

Etalagepoppen

Op het erf van het landgoed De Haere liggen verscholen in geboomte een bataljonscommandopost en een noodhospitaal. De eerste bunker met twee meter dikke muren was een versterkte telefooncentrale vanwaar infanteriesoldaten hun orders kregen. Iets minder fors zijn de betonnen gewelven van de voormalige geneeskundige hulppost. Daarin bevonden zich behandel- en operatiekamers met röntgenapparatuur en in de ziekenzaal konden 36 soldaten worden verpleegd. Lange tijd wisten inwoners van Olst niet waarvoor deze bunkers hadden gediend, want Defensie stootte ze pas in 1993 af. Tegenwoordig runnen vrijwilligers er een museum over de IJssellinie en beide kazematten zijn opengesteld voor bezoekers.

Tijdens onze rondleiding begint Iwan weer te ginnegappen: ‘Priekrasna, als we in Rusland hadden geweten dat jullie soldaten van die puntige borstjes hadden, was het hele Sovjetleger beslist deze kant opgekomen.’ De bolsjewiek wijst op de in uniformen gestoken etalagepoppen die op brancards in de ziekenboeg gewonde soldaten mimen. Rap geeft een onthutste gids uitleg en vertelt dat het museum tot op heden alleen vrouwelijke etalagepoppen (met priemende bustes en sexy lipstick) op de kop heeft weten te tikken. Het gnuiven houdt aan totdat we buiten het zojuist opgeknapte inlaatwerk in de IJsseldijk aanschouwen, dat er voor moest zorgen dat het omliggende boerenland blank kwam te staan. De sluis met vijf openingen lag eerst verborgen onder het dijklichaam, maar nu zijn delen weer blootgelegd en in oorspronkelijke staat hersteld.

Badpak en bikini

Je kunt op en rond het landgoed een drie kwartier durende wandelroute langs overgebleven bunkers ondernemen, maar Iwan is niet zo’n marcheerder. Dus zet de veerpont ons kwiek over naar de westelijke IJsseloever. Daar aan gene zijde vind je onder Welsum opnieuw resten van militaire installaties: een als landbouwschuur gecamoufleerde commandobunker voor de luchtdoelartillerie, verscheidene tankkazematten, een geasfalteerde overlaat, het betonnen landhoofd van de mobiele stuw en de haven waarin ooit een caisson en een zandzuiger afgemeerd lagen. Jammer voor Iwan zijn de restanten in de uiterwaarden niet per motor bereikbaar zodat de benenwagen toch uitkomst moet bieden. De voormalige haven is nu een plas waarin duikers oefenen. Leuk, maar onze kozak had hier toch liever vrouwelijk schoon in badpak en bikini zien zwemmen.

Even later spreken we de pk’s weer aan en brengen zwierige dijken ons naar het dorp Wilp. Vervolgens doorkruisen we het Appense Bos en de Veluwe om de Nederrijn bij Arnhem te bereiken. Onderwijl is Iwan verbluft over het grote aantal oorlogsmonumenten in Nederland. Bijvoorbeeld op onze route het Ereveld Loenen, waar verspreid over zeventien hectare bos slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog – militairen, verzetstrijders, Engelandvaarders en mannen die de Arbeitseinsatz niet overleefden – zijn begraven. Of tegenover uitspanning De Woeste Hoeve, het gedenkteken ter nagedachtenis van de 117 gevangenen die de Duitsers hier fusilleerden na de aanslag op Rauter.

Walhalla

Ook de vele legerkampen zijn voor de Rus een verrassing. Op de Kop van Deelen staan tientallen betonnen bunkers en hangars die in 1940 door de Duitsers zijn gebouwd voor het Fliegerhorst Deelen. De gebouwen van de Luftwaffe zijn onherkenbaar vermomd als boerderijen en hebben nepventers en plaatstalen luiken. Het militaire complex is gerenoveerd en tegenwoordig wonen achter de dikke muren probleemjongeren in leefgroepen. Wat verderop tref je in een S-bocht het museum van de vliegbasis Deelen aan. Bezoekers kunnen daar ook het verhaal horen toen Deelen na de oorlog een legerdump was waar meer dan 35.000 voertuigen stonden gestald. Het stond bekend als de ‘grootste parkeerplaats van Europa’. De luchtmacht heeft Deelen inmiddels verlaten, maar geregeld oefent de Luchtmobiele Brigade er nog.

Aan de Koningsweg stoppen we bij een immense kluit beton dat ooit de codenaam ‘Diogenes’ droeg. In deze gigabunker – die 60 bij 40 meter meet, met een hoogte van 16 meter en 3 meter dikke muren en plafonds – herbergden de Duitsers vanaf 1943 hun vluchtleidingscentrum. Nu is het een depot van het rijksarchief waarin, naar verluidt, geheimen van alle naoorlogse kabinetten worden bewaard. De Veluwe is nog steeds bezaaid met legerkazernes. Zij hadden vroeger de taak om de Russen die de IJssellinie desondanks toch hadden doorbroken, de pas af te snijden. Maar de Koude Oorlog is voorbij, zodat vele kazernes hun bestaansrecht hebben verloren en te koop staan. Nu zijn deze verlaten kampementen een walhalla voor projectontwikkelaars.

Radio Moskou

In Oosterbeek dalen we over beboste heuvels, onderdeel van een stuwwal uit de ijstijd, naar de Rijnoever af. Daarna toeren we langs de Westerbouwing en door het Benedendorp, plekken waar tijdens de Slag om Arnhem heftig werd gevochten. Maar onze queeste blijft natuurlijk de IJssellinie. Restanten van de mobiele stuw in de Nederrijn vinden we aan stuurboordzijde, op het voormalige KEMA-terrein dat nu tot businesspark is gepromoveerd. Je vindt er tankkazematten, een haven met dukdalven en twee commandobunkers. Een beter beeld krijg je aan overzijde van de Rijn, in de uiterwaardpolder Meinerswijk. Daar drentelen Iwan en ik over een tweehonderd meter lange pijlerdam die het water in de uiterwaard moest opstuwen. Verder herinneren in beton gestorte Shermantanks, geasfalteerde spoeldijken en enkele inlaatsluizen aan de IJssellinie.

Maar ook de gerestaureerde steenfabriek in Meinerswijk had een militaire functie. Tijdens crisistijd bivakkeerden infanteristen op het bedrijfsterrein, terwijl in de ringoven munitie lag opgeslagen. De fabriek verhulde dus militaire activiteiten en dat was precies de bedoeling. Over geheimhouding gesproken, fotograferen was bij de stuwen strikt verboden. Zelfs als soldaten van elkaar kiekjes maakten ter herinnering aan de dienstplicht, werden hun films in beslag genomen. Ook patrouilleerden militairen met motorboten op het water om te verhinderen dat (water)toeristen foto’s schoten. Verder gold overal een stopverbod en mocht je in de buurt nergens je boot afmeren. Dit wekt bij Iwan weer de lachlust op. Hij vertelt dat Moskou volledig op de hoogte was van de IJssellinie.  Uit de Nederlandstalige uitzendingen van Radio Moskou bleek dat zelfs bekend was wie bij de bouw ervan betrokken was. Zo werden arbeiders met naam en toenaam genoemd en enigszins demotiverend toegesproken.

Cohiba sigaar

De geneugten van Nijmegen zijn voor straks. Dus maken we een omtrekkende beweging door de bekoorlijke Over-Betuwe: via Driel, langs de gekanaliseerde Linge naar Doornenburg. Daar beheerst een robuuste burcht de omgeving en op de splitsing van Waal en Pannerdens Kanaal prijkt het 19de eeuwse Fort Pannerden. De kazematten rondom dit sperfort hebben nog enkele jaren een rol gespeeld bij de IJssellinie. Daarna is de Waaldijk richting Lent een zinderende sliert bochten; Iwan vindt de reeks riviergezichten in elk geval prachtig. In de buitenpolder Bemmelse Waard rijden we over twee langgerekte overlaten, waarover het overtollige water vroeger langs de stuw kon wegstromen. Vijf kilometer verder komen we uit bij het zogeheten Fort boven Lent. Ook een oude versterking die in kader van de IJssellinie een nieuw leven kreeg als opslag van materieel en brandstof en als hulpcommandopost voor de zoeklichten.

De Waalbrug, die trouwens ook door rivierkazematten werd bewaakt, brengt ons tot slot naar de zuidoever van de Waal. Voor de IJssellinie duiken we nog eventjes de Ooijpolder in, want het mooie weer nodigt uit te blijven motorrijden. Alleen het noordelijkste stukje polder, daar waar het landhoofd van de stuw zich bevond, zou na inundatie droog blijven. Dit gebied kwam ongeveer overeen met het terrein van een steenfabriek die nu verdwenen is en dat door zoeklichtterpen, bunkers en geschutstellingen werd omzoomd. Sommige zijn nu nog te bewonderen. Zo ook aan de rivieroever het betonnen geraamte van het landhoofd, waarop Iwan zich parmantig installeert om de dag uit te wuiven met het opsteken van een heerlijke Cohiba. De grootste beproeving doorstond de IJssellinie trouwens tijdens de Cubaanse raketcrisis in 1962, toen alle installaties in opperste staat van paraatheid werden gebracht.

Waterlinie

In 1949 maakte het Nederlands opperbevel plannen om het Rode Leger voor de ‘achterdeur’ van het Westland tegen te houden. Men kwam tot de conclusie dat een waterlinie – een beproefd recept uit het verleden – hiervoor het beste antwoord bood. Door omvangrijke inundaties kon het verdedigingspotentieel van de IJssel worden benut. Daartoe moesten bij Nijmegen, Arnhem en Deventer stuwen in respectievelijk Waal, Nederrijn en IJssel worden geplaatst. De rivieren zouden met varende en afzinkbare caissons worden afgesloten zodat al het water richting de IJsselvallei stroomde. Door het afsluiten zou een gebied – van de Ooijpolder ten oosten van Nijmegen tot aan de monding van de IJssel in het IJsselmeer – met een lengte van 120 km en een gemiddelde breedte van 5 km – onder water komen te staan. Een adequate barrière om de Russische opmars een halt toe te roepen. In geval van inundatie moesten trouwens wel bijna een half miljoen mensen elders hun heil zoeken.

Caissons

De stuwen bestonden uit twee doorlaatsluizen in de uiterwaarden. Bij oorlogsdreiging zouden daartussen een stalen caisson worden gevaren en daarna worden afgezonken. Zo’n caisson was samengesteld uit aan elkaar gekoppelde pontons die gereed lagen in belendende havens. Vervolgens gingen de kleppen van de caisson dicht en werden ook de schuiven van de doorlaatsluizen omlaag gelaten. Om de druk van het aanzwellende water te weerstaan, moest bovenstrooms grote hoeveelheden zand worden opgespoten; daarvoor waren in de havens zandzuigers gemeerd. Aan de andere zijde, stroomaf, kon de stabiliteit van de caisson verbeterd worden met behulp van tot zinken gebrachte binnenvaartschepen. In 1953 was de IJssellinie gereed.

Bunkers

De stuwen waren kwetsbaar en werden daarom omringd door omvangrijke verdedigingswerken: bij Olst alleen al meer dan zestig bunkers en kazematten. Luchtdoelgeschut en vierlingmitrailleurs moesten – geholpen door zoeklichten en, later ook radar – bombardementen en luchtlandingen verhinderen. En tegen een infanterieaanval werden op strategische punten, langs de wegen die naar de stuwen leidden, kazematten met antitankgeschut en mitrailleurs gebouwd. Om budgettaire redenen – Nederland was na de oorlog erg armlastig – maakte men gebruik van Amerikaanse Sherman en Canadese Ram tanks waarmee nog tegen de Duitsers was gevochten. Die werden, ontdaan van motor en rupsbanden, simpelweg in beton gegoten. Dichterbij de stuwen werden verder nog commandobunkers voor luchtafweer en grondverdediging en in Nijmegen en Olst ook hospitaalbunkers opgetrokken.

Ontmanteling

Nadat Duitsland in 1955 een NAVO-land werd, schoof de verdediging van West-Europa geleidelijk naar het oosten op. Het rode gevaar zou al bij de Weser en Fulda, en later zelfs bij de Elbe gestopt of vertraagd worden. Het aanhouden van de IJssellinie als reservelinie werd daarna als te kostbaar gezien en in 1964 besloot Den Haag de IJssellinie te ontmantelen.

Oost-Duitsland: De herboren kust

0

Dertig jaar geleden viel de Berlijnse muur. Maar hebben de Bloeiende Landschappen die Helmut Kohl beloofde de communistisch troosteloosheid al verdreven? Jan Dirk gaat kijken of de kust van de voormalige DDR nu veilig is.

Jan Dirk Onrust

‘Halt! Hier Zonengrenze. Achtung! Lebensgefahr!‘

Nog maar twintig jaar geleden stonden deze woorden op de DDR-grens bij Lübeck. Daarachter een hoog hek met prikkeldraad, een mijnenveld en wachttorens met Vopo’s. Als je erover wilde, mocht je niet van de voorgeschreven route af en als je er langer over deed dat noodzakelijk, kon je in grote moeilijkheden komen.

Nu kan ik op een lauwe woensdagmiddag in september uiteraard gewoon doorrijden. En toch ga ik bij de voormalige ‘dodenstreep’ onmiskenbaar een ander land binnen. De weg is wat smaller en wordt nostalgisch geflankeerd door rijen lindebomen. En de eerste dorpjes lijken met hun wegdek van kinderkopjes nog maar nauwelijks ontwaakt uit een winterslaap van een jaar of zeventig. Zelfs het landschap lijkt anders. Vooral als ik achter de heuvelende weilanden de blauwe Oostzee met witte strandjes zie. En wat ligt daar nou in de verte? Een kalkrotskust? Of zijn het afgeslagen duinen? Met de zon erop oogt het bijna mediterraan. Dat die stalinistische bunkerbouwers van de DDR zoiets prachtigs onaangetast hebben achtergelaten, moet haast een vergissing zijn geweest.

Op de vlucht

Nog een verschil met de andere kant van de voormalige grens: het vinden van een bed & breakfast gaat me bij de Ossi’s veel moeilijker af. Aanbod genoeg, maar waar ik ook aanbel, ik kom er niet in. Alsof er een Stasi aanbelt, lijken de bewoners onder tafel te schieten of zeggen ze dat ze niet meer aan verhuur doen.
‘Waarom staat er dan een bord ‘Zimmer frei’ in de tuin?’
‘Vergeten weg te halen, goedenavond.’

Na een poging of tien komt er een VW Polootje aangescheurd dat voor mijn Stelvio parkeert. De bestuurster, een vrouw van rond de 35 met zwartgeverfd spriethaar, vraagt of ik een overnachtingadres zoek. Nou, zij weet wel wat. Ik kan bij haar moeder terecht. Een kwartier later zit ik in de achtertuin van een boerderij achter het bier met een vriendelijk omaatje. Haar kettingrokende dochter met getatoeëerde armen neemt naast me plaats op de bank. Ze blijkt bijstandsmoeder te zijn en wil het liefst zo snel mogelijk weg uit het oosten, want ze ziet hier geen enkele toekomst. Maar misschien wel in een ander land. ‘Wat een geile motor heb je trouwens,’ zegt ze, ‘heb je al gegeten?’ Neen. Maar geen nood. Zij weet vlakbij wel een aardig restaurantje. ‘Zullen we daar straks naartoe gaan?’ vraagt ze. ‘Mooi. Maar dan ga ik eerst naar huis om mijn dochtertje naar bed te brengen en een helm te lenen.’

Ze vliegt er vandoor, mij achterlatend met een glazige blik. En dan schiet me ineens te binnen dat ik nog moet tanken, een landkaart moet kopen of wat dan ook. Als een dief in de nacht ga ik er vandoor, op zoek naar een ander adres.

Niets te kiezen

Het is inmiddels pikdonker, dus nu doet helemaal niemand meer open. Tegen elven heb ik toch beet. Bij een huisje vlak aan zee kan ik terecht bij de volgende bijstandsmoeder met zwartgeverfd haar. Ze vraagt voor een bed zonder breakfast 65 euro. Veel te veel voor het smoezelige kamertje, maar ik heb niets te kiezen. Deze moeder blijkt een West-Duitse te zijn. Ze vindt het hier geweldig. ‘De mensen zijn zo aardig en geduldig,’ zegt ze. ‘En dan die rust. Doodstil is het hier aan de zee. En kijk, zie je hoe eindeloos veel sterren hier aan de hemel staan. In het Ruhrgebiet zie je bijna niets. Geile motor heb je trouwens.’

Drie schitterende Hanzesteden

Op een bombardement na, was een communistisch regime zo ongeveer het ergste dat een stad kon overkomen. Geld voor normaal onderhoud van oude stadcentra ontbrak meestal, aan de randen verscheen naargeestig low budget beton – Plattenbau, zeggen de Duitsers. Om het nog troostelozer te maken ging er kolendamp overeen van zware industrie. Zelfs met een kleurenfilmpje maakte je hier nog zwart-wit foto’s.

Als je met dat idee de Oost-Duitse steden Wismar, Rostock of Stralsund inrijdt, wacht je een grote verrassing. Hanzesteden zijn met hun rijke historische centra sowieso al prachtig, maar wat hier tevoorschijn kwam toen de steden met heel veel West-Duits geld grondig en kundig waren gerenoveerd, is nauwelijks te geloven: drie schitterende binnensteden waar de historische rijdom van afspat. Vooral in Wismar en Stralsund hangt dat bijzondere Oostzee Hanzesfeertje, een mengeling van Duitse, Scandinavische en Nederlandse vrijheid en welvaart. Havengebouwen van rode baksteen, een centrum met pastelkleurige gevels, grachten. De twee steden staan dan ook sinds 2002 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.

Socialistische bunkerbouw

Maar valt er voor de ramptoerist ook nog wat te genieten? Voorlopig heel weinig. In de buitenwijken van Rostock is weliswaar nog heel wat socialistische bunkerbouw overeind gebleven, maar zelfs dat is onder handen genomen, heeft wat kleurtjes gekregen en ziet er eigenlijk beter uit dan de buitenwijken van Den Haag of Amsterdam.

Wie de smaak van de DDR wil proeven, kan vlakbij Rostock terecht in een speciale supermarkt met ost-producten: Hero’s Ost-discount in Broderstorf. De producten hebben vaak nog de originele verpakking, soms een wat gewijzigde receptuur en vooral een gewijzigde prijs: goedkoop zijn ze niet meer. De winkel schijnt goed te lopen. Maar verder merk ik weinig van enige ‘Ostalgie’. Ik zal zelfs geen enkele Trabant tegenkomen.

De witte stad aan de zee

Tussen de steden door verschijnen de grotere badplaatsen – soms aan bochtige, soms aan militair rechte wegen. Hier is de verandering die het oosten heeft ondergaan misschien nog het sterkst te zien. Alles is even nieuw of opgepoetst, alsof het de bedoeling is om elke herinnering aan de DDR uit te gummen. De haven van het rustige Rerik, de villaboulevard en winkelstraten van het drukke Kühlungborn getuigen ervan. Het meest extreme voorbeeld is het statige Heilgendamm, het witte stadje aan de zee. Dit was in de 18de eeuw de eerste Duitse badplaats en trok met zijn paleisachtige gebouwen allerlei vorsten, tsaren en hoge adel. De communisten doopten het om tot een hersteloord voor astmatische mijnwerkers en degradeerden de paleizen tot slaapzalen en kantines. Later kocht de prestigieuze hotelgroep Kempinski de boel op en nu ziet het eruit als een groep Griekse tempels aan zee, waar je als gewone sterveling nauwelijks naar de prijs durft te vragen. In 2007 werden hier de wereldleiders van de G8 ontvangen. Uiteraard wel pas nadat – oeps! – Adolf Hitler uit het gemeenteregister was geschrapt als ereburger.

Ex-leider met een loden kogel

Maar waar zaten de kopstukken van de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands zelf eigenlijk als ze wilden pootje baden? Een ervan, Egon Krenz – de opvolger van Erich Honecker – kun je tegen het lijf lopen in het kustplaatsje Dierhagen. Hij woont hier na zijn veroordeling vredig en eenvoudig met een figuurlijke loden kogel aan zijn been – onder toezicht dus. Ook Ulbricht en Honecker hadden hier een vakantiehuis. Maar de rest van het hogere partijkader vierde vooral feest op de eilanden Rügen en Usedom.

Om mezelf een hoop gedoe te besparen, loop ik op Rügen een Zimmervermittlung-bureautje binnen. Een kwartiertje later kom ik aan bij een prettig plattelandspensionnetje – Hof Kranichstein – in Silenz, dat eigendom is van een bijzonder vriendelijke oud-medewerker van het NAVO-hoofdkwartier, die hier is geboren en na de val van de muur met gedeeltelijk succes het familiebezit terug claimde. Hij vertelt me dat de val van de muur voor NAVO-ingewijden allerminst een verrassing was. Ze hadden namelijk allang signalen opgevangen dat het leger van de DDR de kant van het volk zou kiezen bij een opstand, waardoor de partijtop met lege handen stond.

Dromerige, ouderwetse rust

Rügen (Texel past er vijf keer in) is niet alleen het grootste eiland van Duitsland, maar sinds kort ook het meest toeristische. Meer nog dan op het vasteland hangt er een soort dromerige, ouderwetse rust, waarschijnlijk te danken aan het feit dat het eiland in de DDR-tijd extra geïsoleerd was. Zelfs Ossi’s konden hier niet zomaar even naartoe – hooguit in groepsverband en onder toezicht mochten ze hier met de vakbond een paar dagen vakantie vieren.

Toeristisch het meest interessant is vooral de oostkust, om te beginnen bij het noordelijkste puntje Kap Arkona. Een voor de Oostzee verrassend hoge krijtrots (46 m) met twee vuurtorens en restanten van een militaire basis. Erg mooi, maar jammer dat je er met de motor niet bij mag komen en een toeristentreintje moet nemen. Maar als ik de naam Heinemann laat vallen – de burgemeester die tijdens de Wende op tijd zijn jasje omkeerde – gaat de slagboom toch zomaar open en kom ik er toch.

Restantje Oostblok-horror

Op de volgende topattractie is Rügen minder trots, want die moet zo monsterlijk zijn dat ik er gespannen van de voorpret naartoe rijd. Kilometers van tevoren zoekt mijn blik de kustlijn al af, maar ik zie dan nog niets… Onderweg zie ik in het plaatsje Sassnitz wel iets anders: het Rügen -hotel, eindelijk een restantje Oostblok-horror. In 1969 werd het hier gebouwd door een Zweeds bedrijf en na een recente modernisering is het nog altijd niks. Als ik er een fotootje van maak, raak ik in gesprek met de Gert en Hermien van Sassnitz, twee lieve jehova’s die hier proberen de Bijbel aan de man te brengen. Soms met succes. ‘Je kunt zeggen van de DDR wat je wilt, maar de gewone mensen hadden toen nog wel iets voor elkaar over’, vertelt Gert. ‘Maar nu alles maar kan en mag, zijn veel mensen de weg kwijt geraakt en heel egoïstisch geworden. Daarom zeggen wij: hier heb je Het Boek waarin alle antwoorden staan. Is het misschien ook iets voor u?’

Hi di hi volgens Hitler

De monsterlijke attractie die ik zoek, moet je bijna vanaf een ruimtestation kunnen zien, maar door de dichte bossen ontdek hem pas als ik ernaast rijd. Ik heb het over Seebad Prora – een hotel van 4,5 km lang dat hier in de jaren dertig werd neergezet. Het Hi di hi Holiday camp van Hitler. Het had 10.000 kamers, maar hotelgasten zijn er nooit gekomen. De oorlog was al uitgebroken voordat het was voltooid en de arbeiders werden overgeplaatst naar de raketbasis van Peenemünde.

Na de oorlog hebben de Russen nog geprobeerd Prora deels op te blazen, wat geheel mislukte. Maar dat zegt misschien meer over de kwaliteit van Russisch dynamiet dan over de kwaliteit van Duits beton. Bij de Oost-Duitse communisten viel het gebouw meer in de smaak. Zij voltooiden het grotendeels en gebruikten delen ervan onder meer voor de Volkspolizei , het Volksleger en voor linkse terroristen/vrijheidsstrijders uit Derde Wereldlanden. Het werd genoemd naar de toenmalige DDR-leider Walter Ulbricht en uiteraard tot Sperrgebiet verklaard.

Belangrijkste badplaats boven de Alpen

Toen Ulbricht begin jaren vijftig eens kwam kijken, ergerde hij zich aan de vele particuliere hotels die toen nog op Rügen stonden. Vooral Binz, naast Seebad Prora, barstte ervan. En zo werd Aktion Rose geboren: een grootschalige nationalisering van de toeristische sector. De eigenaars werden gevangen gezet en hun bezit kwam in handen van de staat. Zo maakte de ene elite op Rügen snel plaats voor de andere: die van de partijbonzen en hun aanhang. Het ooit zo chique Binz verloor uiteraard snel zijn glans en al helemaal toen de communisten hier hun Plattenbau neerzetten.

Als ik Binz inrijd, zie ik daar niets meer van. Alle bunkerbouw is geruimd of omgebouwd. Binz is in onwaarschijnlijk korte tijd weer tot leven gekomen en mag zich weer hooghartig de belangrijkste badplaats van boven de Alpen noemen.

Felrealistisch rouwrandjes

Is het hele communistische tijdperk weggepoetst aan de Duitse Oostzeekust? Nee. Tussen Rügen en de Poolse grens is de grote schoonmaak achterwege gebleven. Als ik op weg naar het eiland Usedom even van het toeristische pad afwijk, kom ik bijvoorbeeld langs Ludmin, waar ze nog volop bezig zijn met de ontmanteling van een bijzonder naargeestige kerncentrale. Usedom zelf heeft vergeleken met de rest van de kust ook duidelijk meer felrealistische rouwrandjes. En dat is niet alleen omdat je bij de zojuist geopende Poolse grensovergang de eerste dronken straathandelaren, liftsters in minirok en heel veel politie tegenkomt. Het zit ook in de badplaatsen. In Zinnowitz bijvoorbeeld staat een hele reeks hotelbunkers voor de staalverwerkende klasse nog fier overeind. Het typisch communistisch cultuurpaleis daarentegen verkeerd in staat van ontbinding, maar is nog niet van de kaart geveegd.

Het begin van de wereld

Voor de pure oostblok grimmigheid, voor het echte Syldavië van Kuifje, voor het decor van James Bond’s Moonraker, moet je naar de noordpunt van het eiland, naar Peenemünde. Hier ontwikkelde Werner von Braun de beruchte V1 en V2 raketten. En in de DDR-tijd werd het een luchtmacht -en marinebasis waar ze MIG’s testten. Tegenwoordig is het een haveloze klerezooi van dichtgetimmerde woningen, halfingestorte gebouwen en een kapotte fabriek. Heel interessant dus en er staat nog een mooi technologiemuseum ook.
In een vervallen loods bij het museum tref ik een souvenirverkoper.
‘Je zit hier wel aan het eind van de wereld,’ zeg ik tegen hem.
‘Dat zou toch niet best zijn als dit het einde is,’ zegt hij. ‘Dit is het begin van de wereld. Hierna wordt het alleen maar beter!’

Maar het zal wel niet lang meer duren voordat ook deze uithoek wordt opgeknapt. En daarmee zullen de laatste sporen van het DDR-tijdperk zijn gewist.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Oostzeekust_Duitsland.GPX”]

Denemarken: Big Sky Denmark

0

Denemarken is het Big Sky Country van Europa. Niet alleen trokken talloze kunstschilders naar de Deense westkust voor de bijzondere lichtval en de wolkenpartijen. Ook het gevoel van ruimte en vrijheid lijkt hier veel groter te zijn.

Jan Dirk Onrust

Als je op een Nederlands Waddeneiland zegt dat een dijk naar de vaste wal handig zou zijn, word je ter plekke gevierendeeld. Maar hier, bij Rømø, onderaan de Deense westkust, ligt er gewoon een. Tien kilometer lang, kaarsrecht en twee stroken breed. Is alles nu verpest op het kleine eiland? Is dit het Sodom en Gomorra van de Wadden geworden? Het lijkt er niet op. Er wonen maar 1000 mensen en ik zie dezelfde kneuterige huisjes, dezelfde brave gezinnen, heidevelden en duinen als op onze Wadden. Zelfs het kustplaatsje Lakolk ruikt naar dezelfde patat als in De Koog op Texel. Maar daarna komt het grote verschil. Achter de duinen van Lakolk ligt een strand van anderhalve kilometer breed. En daar mag je zomaar oprijden als je wilt. En mijn geleende BMW 800 GS wil wel. De zeewind heeft zojuist grote gaten getrokken in het wolkendek en in de eerste zonnestralen van de dag rijd ik naar de branding. Wat een eindeloze ruimte, wat een vrijheid. Thuis mag je amper met je hond op het strand, maar hier met je motor, auto of camper. Ik geloof dat ik nu al begin te houden van de Deense westkust.

Denen doen niet moeilijk

Vlak boven Rømø ligt het nog veel kleinere eilandje Mandø. Meer dan een handjevol bewoners heeft het niet, maar ook hier loopt een dijk naartoe. Maar wel een heel erg waardeloze. Hij ligt namelijk onder de zeespiegel. Takken geven aan hoe de onderwaterweg loopt. De 800 GS kan veel, maar een waterfiets is het niet, dus begin ik er niet aan. Maar een bordje meldt dat er iets verderop nog een dijk naar Mandø ligt en die heeft minder eb nodig om boven het water uit te komen. Het blijkt een lange grindweg te zijn, waar paardenhuifkarren met toeristen en auto’s bijna even traag overheen kruipen. Een bordje geeft aan dat de weg alleen toegankelijk is voor bestuurders met kennis van getijden, want ook deze dijk komt bij vloed onder water. In Nederland is het ondenkbaar dat de ambtenarij zoveel verantwoording bij de burger zou neerleggen, maar de Denen doen niet zo moeilijk. Dus draai ik de dijk op, ook al heb ik geen idee wanneer de vloed komt opzetten. Het wegdek bestaat uit grind met soms diepe sporen die met water zijn gevuld. Dat zorgt voor veel geploeter, bijna valpartijen en natte voeten. Na twee kilometer hou ik het voor gezien. Het water stijgt en om aan BMW te moeten uitleggen dat ze de GS middenin de Waddenzee kunnen terugvinden, is ook weer zo lastig. Maar van het idee dat Denemarken een beetje tam is, ben ik inmiddels geheel genezen.

Kans soeper, ja

Ook niet saai is het plaatsje Ribe, dat vlakbij ligt. Het staat bekend als het mooiste stadje van Denemarken en doet denken aan Enkhuizen. Kleine straatjes, oude huizen, levendig. Maar de omgeving stelt weinig voor, polderachtig met rechte wegen. Dat wordt anders als ik voorbij Esbjerg de Waddenkust verlaat en aan de Noordzeekust uitkom. Wilde duinen hier, met veel bos en heidevelden. Hier wordt het tijd om naar een bed uit te kijken. Eerder heb ik in Denemarken vooraf van alles besproken en kwam toen bij troosteloze kro’s – niet eens echt goedkope hotels – terecht in dorpen waar het altijd zondag lijkt. Nu doet ik het op de bonnefooi. Na wat omzwervingen vind ik een huisje op een camping in het toeristische kustplaatsje Vejers Strand. Goedkoop is het huisje niet (70 euro) en het ruikt raar omdat de buren – Duitse motorrijders – er de halve dag tegenaan hebben gepist. Om het goed te maken, kan ik bij ze aanschuiven voor een bbq met veel drank. Denemarken is kans soeper ja, leer ik. Hier kan mann rasen op die Hayabusa, herrie machen, en pinkeln en kotsn zonder toilet. Verder zijn de Duitsers aardige jongens.

Altijd de geur van de Noordzee

Een zeurende hoofdpijn en priemende blikken van andere campinggasten vertellen me dat het gisteravond iets te gezellig is geweest. Maar de zon belooft dat het een mooie dag gaat worden. Een kilometer of dertig rijd ik door bosachtig gebied, daarna wordt het waar ik voor kom: een echte kustroute, met links van me bijna altijd de duinen. Een enkele keer zie ik vanuit het zadel de Noordzee en altijd kan ik hem ruiken. Lekker.

Op de hoofdweg is het redelijk druk. Twee keer, bij het mooie kustdorpje Ferring en iets later bij Vrist, kan ik er af om via kleinere weggetjes nog iets dichter bij de kust te komen. Terug op de hoofdweg ben ik grotendeels van de drukte af. Logisch, want ik ben nu bij Thyborøn en dat schrikt af. Het plaatsje is niet alleen industrieel, maar ook houdt de weg hier op. Ik neem een pontje om de kustrit voort te zetten. Automobilisten moeten daar flink voor betalen. En ik bijna nog veel meer. De gammele schuit kwakt namelijk al bij windkracht 4 mijn motor tegen een scheepswand. ‘Jammer, maar niets aan te doen…’ zegt de veerman met een gezicht dat elke aansprakelijkheid afwijst. ‘Geen probleem, hoor,’ zeg ik royaal nadat ik een flinke lakschade heb ontdekt. Opgelucht loopt de veerman heen. Net zo opgelucht trek ik de BMW overeind. Die lelijke kras zit namelijk niet op mijn motor, maar op zijn schuit. Maar niets aan te doen, hè?

Eindeloos ver kijken

Aan land krijg ik het gevoel dat ik de grens van het Hoge Noorden ben overgestoken. Het gedoe van West-Europa ligt achter me. Voor me liggen rust en weidsheid, met alleen nog maar niet ter zake doende plaatsjes, waar weinig haast heerst en de mensen nog van je spullen afblijven. Nou ja, het zal wel anders zijn, maar het voelt in elk geval zorgeloos aan.

De lege en vaak rechte weg loopt, eerst door moerasgebied, later langs weilanden om na een kilometer of dertig toch weer bij duinen en de zee uit te komen. Grootse stapelwolken die met veel vaart langs drijven, benadrukken de ruimtelijkheid van dit gebied. Omdat het zo helder is en het land lichtjes glooit, lijkt het alsof je eindeloos ver kunt kijken. Big Sky Country noemen ze dat in de Amerikaanse staat Montana, maar hier hebben ze het ook.

Tja, wat doe je hier, behalve een beetje tuffen? Stoppen bij een picknickplek in de duinen, een hotdog eten, steentjes in de zee keilen, luisteren naar de woeste branding, in slaap vallen en met een zonverbrande kop wakker worden. Het vermaak mag dan wat simpel lijken, maar ik vind het een heerlijke route. Lekkerder, vrijer en mooier dan de wegen door het binnenland of langs de Oostzeekust, die vaak iets benauwends hebben.

Een lege, ruime stad

Precies op de hoek waar de Noordzee en het Skagerrak elkaar tegenkomen, gaat de weg een meter of veertig omhoog. Bovenop de heuvel ligt Hanstholm. In de vorige eeuw wilden ze er een stad van 20.000 inwoners van maken. Verder dan 6000 zijn ze nooit gekomen. Misschien daarom dat dit havenplaatsje zo merkwaardig leeg en ruim van opzet is. De grootste attractie van het stadje zijn de uitzichtpunten aan het eind de Helshagevej. Vooral vandaag. Vanaf een klif kijk ik neer op de haven waarachter het Skagerrak enorm tekeer gaat. Om de paar minuten spat er een golf metershoog uiteen op het havenhoofd. Een schoonmaakploeg staat met lood in de schoenen te wachten op een ferry uit Noorwegen vol brakende passagiers.

Gepensioneerde rockgod

Na Hanstholm ga ik via binnenweggetjes over een langgerekt en doodstil stuk Texel met duinen en dennen, zogenaamde klitplantages. Na 35 kilometer rijd ik Lild Strand binnen. Mijn reisgids noemt het een populair badplaatsje, maar volgens mij is het niet meer dan een handvol huisjes en een paar vissersbootjes die bij gebrek aan haven op het strand zijn getrokken. Het zeesfeertje bevalt me zo goed dat ik bij een duinhuisje met een B & B-bord aanbel. De gepensioneerde Tex doet open. Vroeger was Tex rockgod met een grote hit in Denemarken (ken je dit: ‘Suzanna, nanana, nana, nanana?’ ‘Nee.’). Tegenwoordig schnabbelt hij wat in de sixtiesmuziekscene, heeft hij een kunstgalerij in een benedenkamer, verkoopt hij ijsjes en verhuurt hij twee kamertjes aan toeristen en bevriende Engelse rockhelden met een kleine beurs. Ik voel direct dat het nog een gezellige avond kan worden. Maar helaas moet Tex vanavond ergens anders zuipen: de componist van zijn megahit viert zijn 80ste verjaardag. Hij geeft me de sleutel van zijn huis en vertelt me waar ik het bier en zijn ijsjes kan vinden. En als ik nog een moppie op zijn gitaar wil spelen, dan ga ik mijn gang maar. Ik ken de man ongeveer vier minuten en hij vertrouwt me zijn hele hebben en houden toe. Ik word nog eens gek op dit land.

Duinen zonder prikkeldraad

Op maar een paar kilometer van Tex’ huisje wacht me een volgende verrassing. De Bulbjerg. Een heuse krijtrots, een verdwaalde White Cliff of Dover, die in de avondzon oplicht als een goudklomp. Bijna vijftig meter hoog is ie, met een mooi slingerweggetje naar boven. Daar bevindt zich een vrij toegankelijke bunker met tentoonstelling. Het uitzicht naar alle kanten is letterlijk bijna eindeloos. Ook dat nog. Ik vraag me wel eens af: waar heb ik het aan verdiend?

De terugslag komt in de loop van de volgende morgen. De helder blauwe hemel met grootse wolkenpartijen heeft plaatsgemaakt voor een zwaarmoedig wolkendek. En dat bij een badplaatsje waar schilders juist neerstreken om het bijzondere licht: Slettestrand. Op het strand is met dit weer natuurlijk geen enkele slet te vinden. Wandelaars in regenpakken des te meer. Ze lopen kriskras door de duinen, want die zijn hier bijna overal nog vrij toegankelijk. Prikkeldraad vinden de Denen bij een gevangenis horen en niet bij een toeristisch gebied.

De enige echte attractie

Van een doorlopende kustweg is even na Slettestrand geen sprake meer. Het is nu meer een aaneenschakeling van leuke en saaie brokjes en stukjes. Uiteindelijk kom ik zo terecht in Hirtshals. Het stadje heeft amper twee keer zoveel inwoners als Lutjebroek, maar het is groot genoeg om een regenachtige dag door te komen. Het heeft bijvoorbeeld een leuk centrum en een Noordzeemuseum met het grootste aquarium/zeehondarium van Noord-Europa. Maar laten we eerlijk zijn: er is maar een echte reden waarom buitenlandse toeristen massaal naar Hirtshals trekken. En dat is de boot naar Noorwegen.

De beroemde lucht van Skagen

Voor velen is dat sowieso de enige reden om door Denemarken te rijden. Maar dat neemt niet weg dat je hier op de motor een paar erg leuke dagen kunt hebben. En knoop er dan ook nog maar een half dagje extra aan vast, want de rit van Hirtshals naar Skagen is ook de moeite waard. Met name het allerlaatste stukje, naar de zandwoestenij van Skagens Odde, waar het Skagerrak en het Kattegat elkaar ontmoeten en waar de hoogste duinen van het land te vinden zijn.

Vele kunstschilders trokken hier eind negentiende eeuw naartoe omdat de beroemde Deense luchten en lichtinval hier op zijn allermooist schijnt te zijn. Maar misschien ook omdat ze geen geld hadden voor de boot naar Noorwegen.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Deense-Westkust.GPX”]