zaterdag 25 april 2026
Home Blog Pagina 1165

Noorwegen: 10 Motorschatten

0

Motorland Noorwegen staat bekend om zijn prachtige wegen. Maar een aantal van de allermooiste zijn vrijwel onbekend, vergeten en verborgen.

Jan Dirk Onrust

Trollstigen, de Sognefjellweg, de Avonturenweg, de E6, elke Noorwegenganger zal ze kennen. Daarvoor ga je naar het Hoge Noorden. Maar een fl ink aantal van de meest bijzondere Noorse wegen zijn bij de meeste toeristen vrijwel onbekend.

Soms zijn dit stokoude wegen die door een omleiding overbodig zijn geworden. Vaker nog jonge wegen die zijn aangelegd door een waterkrachtcentrale om hoog in de bergen stuwdammen aan te leggen en te onderhouden. Die laatste zijn niet altijd verhard, maar meestal toch heel goed te rijden. Maar meestal niet lang, want bijna allemaal gaan ze pas in de zomer open. Ga vooraf altijd even Googlen om te zien of ze werkelijk open zijn, want dat hangt sterk van de weersomstandigheden af.

We geven onze tien favorieten!

10

De ‘dodelijkgevaarlijke’ Tronåsen

We beginnen met een klein voorgerechtje. Tronåsen, de Koningsweg, op twee uur rijden van de boot de Kristiansand, ook wel bekend als de ‘dodelijk gevaarlijke weg’. Tronåsen is een eenrichtingsweggetje van maar 5 km lang, dat slechts half is te vinden op Google Maps. Toch heeft het een zekere reputatie omdat het in 1931 werd opgenomen in de toen fameuze Rally van Monte Carlo. Vijftig jaar later gebeurde dat nog eens. Het weggetje stamt uit 1844, in 1946 verloor het zijn functie, maar bleef bestaan. Tegenwoordig is het een toeristische curiositeit. Dat heeft te maken met de zeer steile en scherpe haarspeldbochtjes. Acht (tot 25 %) in de klim aan de westkant, drie (tot 33 %) in de afdaling aan de oostkant. Spektakel dus, maar het is voorbij voor je het weet. De weg ligt grotendeels in de struiken, dus grootse uitzichten kan je vergeten. Het stuk op de top is onverhard, maar goed te doen op een gewone motor.

DE SPECS

  • Lengte 5 km
  • Omgeving **
  • Moeilijkheidsgraad **

9

Dalsnibba: superuitzicht

De onverharde weg naar de Dalsnibba is maar 5 km lang en je moet hier een beetje tol betalen, maar het uitzicht maakt alles goed. De top ligt 1500 m boven de beroemde Geirangerfjord, die je hier 7 km van je vandaan ziet liggen. En de hele zomer door zie je aan alle kanten besneeuwde bergtoppen, als de Dalsnibba tenminste niet in de wolken hangt. De weg is onverhard, maar breed en van goede kwaliteit. Via elf haarspeldbochten kom je helemaal aan de top – een grote geasfalteerde parkeerplaats. Je hebt dan een klim gemaakt van een kleine 500 meter. Door zijn grote hoogte gaat de Dalsnibba meestal pas laat in het seizoen open. Mis je hem, dan is er geen man overboord, want alle wegen in deze omgeving zijn schitterend.

DE SPECS

  • Lengte 5 km (2 x)
  • Omgeving *****
  • Moeilijkheidsgraad **

8

Aursjøvegen: zout

De Aursjøvegen is een van die speciale wegen waarbij je aan het begin het zweet uitbreekt. Niet omdat het toltarief zo hoog is maar eerder omdat de onverharde weg nogal steil en heel smal naar boven lijkt te lopen. Maar het is vooral de mededeling dat de weg een lengte van 70 km heeft, die het hem doet. En dan kom je ook nog vrij snel in een tunnel die zo donker is, dat je er bijna op de tast doorheen moet. Maar uiteindelijk valt het allemaal mee. De onverharde weg is, zoals bijna overal in Noorwegen, goed. Speciale banden of een offroad motor zijn niet nodig. Grote zakken calciumchloride die in de berm staan, laten zien waarom: het wegdek is van zout gemaakt. En dat rijdt stukken beter dan zand of gravel. Hele stukken kan ik tegen de 100 km/u knarren. Alleen moet ik voortdurend stoppen omdat zich voor me de jaarlijkse mountainbikewedstrijd afspeelt, waar ik niet langs mag. Geeft niets, zo kan ik op het gemakje rondkijken over de fabelachtig woestweidse omgeving. Aan het begin ligt een van de grootste watervallen naar Noorwegen. Verderop scheer je langs enkele stuwmeren, deze vormen de bestaansreden van deze weg.

DE SPECS

  • Lengte 73 km
  • Omgeving ****
  • Moeilijkheidsgraad ***

7

Glibberen op de Slådalsvegen

De Slådalsvegen is een onverhard tolweggetje van 32 km dat loopt van Lesja naar Vågåmo, iets ten noordoosten van de bergen van de Jotunheimen. Het hoogste punt ligt op 1200 m, wat in Noorwegen betekent dat je ver boven de boomgrens komt in de bekende woestenij van keien en mossen. Het uitzicht op de Jotunheimen zou vanaf deze makkelijk te rijden weg prachtig zijn, maar vandaag even niet. Ik zit vooral naar donkergrijze regenwolken te kijken die op me af rollen. Niet veel later komt er meer water naar beneden dan het wegdek (zout) aankan. En dan wordt het toch wat glibberig. Meer dan drie auto’s en een fietser kom ik hier niet tegen, dus dit is niet een goede plek om onderuit te gaan. Ik rijd maar voorzichtig, maar uiteindelijk is het een grote hoeveelheid schapenstront die me toch bijna ondersteboven krijgt. Ik blijf nog net overeind, maar ontdek later dat ik tot boven m’n rechterknie onder de stront zit. Gelukkig kan ik in Vågåmo een tankstation met een hogedrukspuit vinden. En dan keer ik weer om. Want de hoofdreden om de Sladalsvegen te nemen is voor mij de aansluiting op iets heel bijzonders: de weg naar Blåhø.

DE SPECS

  • Lengte 32 km
  • Omgeving ****
  • Moeilijkheidsgraad **

6

De planeet Blåhø

Blåhø, de blauwe hoogte, is de hoogste top (1671 m) van het Trollheimgebergte. En een soort bedevaartsoord voor Noorse offroad rijders. Je kunt hem bereiken via een onverhard, doodlopend tolweggetje van bijna 14 km lang. Als ik er na de Slådalsvegen aan begin, is het weer droog. In de verte liggen wel zware wolken waardoor ik het herkenningpunt op de top, een hoge telecomtoren niet kan zien. De onverharde weg blijkt wat minder van kwaliteit te zijn dan de voorgaande. Spoorvorming en af en toe los gesteente. En het blijft maar omhoog gaan. Als mijn GPS aangeeft dat ik nog 22 km te gaan heb, begin ik te twijfelen. De

lucht wordt dreigender en de weg wordt per kilometer slechter en natter. Als dit zo 20 km doorgaat, kom ik in een hel terecht. Maar wel bijzonder ruig en mooi, dus ik ga nog even door. Een paar kilometer verder ga ik door dichte mist over een soort maanlandschap, dat alleen nog maar uit een keienmassa bestaat met geelgroen mos erop. En dan doemt vlak voor me de enorme telecomtoren op. Ik ben er, al heb ik volgens mijn GPS nog 13 km te gaan. Op de top kom ik de eerste mensen tegen. Twee geologen die onderzoek doen naar de aanwezigheid van permafrost op de bergtop. Dat bevestigt mijn gevoel dat Blåhø van een andere planeet is.

DE SPECS

  • Lengte 14 km (2 x)
  • Omgeving *****
  • Moeilijkheidsgraad ***

5

Tindevegen: Jotunheimen via de achterdeur

De kenners zijn het er over eens dat de Sognefjellweg (RV 55) de mooiste doorgaande asfaltweg van Noorwegen is. Minder bekend is dat deze topper een paar fantastische zijwegen heeft. De weg naar de Juvashytta bijvoorbeeld of naar Leirvassbu. Maar door hopeloos noodweer sla ik die maar over en neem de Tindevegen, een bijzonder mooie afslag (tol) van Turtagrø naar Årdal. Ook hier hoost het vandaag, maar de bewolking hangt tenminste niet op het wegdek. Op de kaart lijkt de Tindevegen bijna een wandelpad, maar in werkelijkheid is het een vrij brede, mooi geasfalteerde weg van 30 km lang. Hoofdattracties: uitzicht op de reuzen van de Jotunheimen, wilde rivieren en een messcherpe serpentine vlak voor Årdal. Om na een dag regen eens even lekker en relatief voordelig te schransen, rijd je door naar het restaurant van hotel Klingenberg in Årdalstangen. Een dolenthousiaste Canadese heeft hier alle boiled potatoe shit van de kaart geveegd om plaats te maken voor taco’s en ander feestvoer.

DE SPECS

  • Lengte 30 km
  • Omgeving ****
  • Moeilijkheidsgraad *

4

Zweten op de Stalheimskleiva

De Stalheimskleiva is een heel klein, maar smakelijk tussendoortje in de buurt van Gudvangen. Nog geen 2 km lang, maar dertien haarspeldbochten rijk. Bijna onmogelijk om er met een touringcar te rijden en dat is precies wat hier wordt gedaan. De bochten zijn dan ook doorlopend verstopt
DE SPECS

  • Lengte 1,75 km
  • Omgeving ****
  • Moeilijkheidsgraad ***

3

Osafjellvegen: prachtig vals kreng

Twee keer eerder reed ik – in juni – naar de Osafjell, twee keer kwam ik door sneeuw niet veel verder dan halverwege. Maar het is zo’n knettergekke rit dat ik in augustus een derde poging waag. De Osafjell is een hoekje aan de westkant van de Hardangervidda hoogvlakte. In een nauwe kloof heeft de plaatselijke waterkrachtcentrale Sima hier een weg aangelegd naar enkele stuwmeren, die in nog geen 15 km ruim een kilometer omhoog gaat. Dat lijkt hier een bijna onmogelijke opgave, maar steeds als je denkt dat de weg niet meer verder kan lopen, weet hij via een wonderbaarlijke escape verder omhoog te kronkelen. Vlak bij de top splitst de asfaltweg zich in tweeën. Het doorgaande deel gaat hierna onverhard verder omhoog. En hier begin je echt te begrijpen waarom de toegang op eigen risico is. Wat een gemeen kreng wordt het ineens. Grote losse keien, diepe sporen en dat langs het randje van de afgrond. Als de weg volgens de kaart ophoudt, loopt hij in werkelijkheid nog een stuk door. Een weg kun je het nauwelijks nog noemen. Chaos is het, een bulldozerspoor, meer niet. Als het ‘wegdek’ een halve meter omhoog springt, hou ik het voor gezien. De BMW 800 GS waarop ik rij, is geen trialbike. En ik ben al helemaal geen trialbikerijder. Gelukkig maakt een sneeuwveld vlak daarna een definitief einde aan de weg, zodat ik niet veel gemist kan hebben. Zwetend ga ik terug naar de splitsing en kom in de volgende kloof terecht. Hier ligt redelijk mooi asfalt, ook al zijn er wat delen in het ravijn gevallen. Het eerste stuk is soms zo nauw en besloten dat het is alsof je door een zolderkamer rijdt. Het laatste korte, onverharde stuk klimt langs een damwand met een procent of 15 omhoog. Pittig. Maar bovenop wacht een uitzicht op een stuwmeer met ijsschotsen en de Handangerjokulen (gletsjer) op de achtergrond. Eindeloos mooi.

DE SPECS

  • Lengte 32 km (twee afslagen heen en terug)
  • Omgeving *****
  • Mo eilijkheidsgraad ** (asfalt) *** tot ***** (onverhard)

2

Blåsjø: van dam naar dam

De weg naar de Osafjell valt nauwelijks te overtreffen, maar die naar Blåsjø (200 km zuidelijker) komt in de buurt. Blåsjø is het grootste stuwmeer van Noorwegen en de weg is dus ook weer aangelegd voor een waterkrachtcentrale. Hij heeft een lengte van bijna 30 km en gaat langs drie van de grootste dammen van het land. En ook door een paar tunnels waar je bijna met een blindengeleidehond doorheen moet. Dat maakt op dit soort wegen niet uit, want de toegang is toch op eigen risico. De geasfalteerde weg biedt enorm veel afwisseling. Bos, schilderachtige meertjes, smalle dalen, fantastische vergezichten en uiteindelijk eindeloos veel kale, soms licht besneeuwde rotsen. Toch ogen die zachter en vriendelijker dan het meedogenloze graniet van de Hardangervidda en de Jotunheimen. Het is bovendien veel rustiger hier, zeg maar gewoon onontdekt. Tel daar de vele prachtige bochten bij op en je hebt een toprit. Het enige minpuntje is dat hij pas begin juli en soms zelfs later open gaat.

DE SPECS

  • Lengte 28 km (2 x)
  • Omgeving *****
  • Moeilijkheidsgraad **

1

Lysebotn: 27 haarspeldbochten

Het grootste haarspeldbochtenspektakel van Noorwegen vind je bij Lysebotn. 27 bochten in 8 km om 900 meter hoger te komen. Om dat allemaal te halen, duikt de weg ook nog eens een tunnel van een kilometer in met haarspeldbocht. 27 bochten leg je niet aan voor een doodlopend gehucht dat nog geen 27 inwoners telt. Dus is het uiteraard weer een waterkrachtcentrale die de weg heeft gebouwd. Het hele dorp Lysebotn is trouwens eigendom van dezelfde centrale. Net als de bergen eromheen. De weg uit 1984 is schitterend, maar hij moet natuurlijk niet in de wolken liggen. Helaas doet hij dat meestal wel. De Franse schrijver Victor Hugo omschreef de smalle Lysefjord ooit al als de meest verschrikkelijk inham ter wereld. De reden was dat de Lysefjord zo beschut ligt dat er bijna niet te zeilen viel. Met de laaghangende bewolking heb je hetzelfde probleem. Als die er eenmaal hangt, trekt het bijna niet weg. Wie de prachtweg zonder mist aantreft, heeft dan ook geluk. Na de top is de bewolking meestal snel weg en heb je altijd nog de mooie weg naar Sirdal die je wel kunt zien. Als je vanuit het noorden komt, kun je vanuit Sognesand de pont naar Lysebotn nemen. Niet vergeten te zwaaien naar de boot, want anders zou hij zomaar door kunnen varen.

DE SPECS

  • Lengte 8 km
  • Omgeving ****
  • Moeilijkheidsgraad **

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Noorse_schatten.GPX”]

Joey Litjens terug naar waar het zo verschrikkelijk mis ging

0

Het is één van de meest besproken ongelukken in de Nederlandse wegracegeschiedenis, dat van Joey Litjens op de Varsselring in 2009. Niet alleen vanwege de crash zelf, maar zeker ook omdat Joey er altijd opvallend open over is geweest en er met MOTO73-freelancer Jarno van Osch zelfs een boek over maakte. Nadat hij tien jaar geleden Hengelo met gillende sirenes verliet, durfde hij er echter nooit terug te keren. Tot MOTO73 hem vroeg voor deze bijzondere reportage en Joey voor het eerst oog in oog stond met de plek waar het tien jaar geleden zo verschrikkelijk mis ging.

‘Of ik terug naar Hengelo wil? Mag ik je daar straks over terugbellen?’ Normaal gesproken heeft Joey Litjens geen bedenktijd nodig, want hij is een man die weet wat hij wil, maar nu is alles anders. Terug naar de Varsselring… Na de crash was hij twee keer in de buurt. Eén keer voor een lezing die hij tegenwoordig geeft over onder andere de crash en zijn revalidatie en één keer op de mountainbike met de KNMV-selectie. Twee keer durfde hij het echter uiteindelijk niet, bang voor de confrontatie met de aanremzone voor de Van Manenbocht, de tweede negentig-gradenknik naar rechts, achter op de Varsselring. De plek waar zijn motorracecarrière tegen een boom zomaar ineens tot een einde kwam. Tijdens een trainingsdag nota bene.

‘We gaan het doen’

Het duurt vijf minuten, het duurt tien minuten, het duurt vijftien minuten. Geen Joey. En dan na zeventien minuten belt hij en klinkt het heel direct. ‘We gaan het doen, Marien, het is na tien jaar tijd om het voor mij echt af te ronden.’

Grote stap

Ook in de weken daarna is aan veel te merken dat het voor Joey niet zomaar een reportage is. Zo zou het voor een ‘normaal’ verhaal waarschijnlijk niet nodig zijn om zijn vriendin Inge mee te nemen. Nu wel en je begrijpt waarom. Om precies diezelfde reden spreken we af in een café in het dorpshart van Hengelo, strak onder de kerk en schuin tegenover het kunstwerk van de zilveren BSA-crossmotor. Hoewel je in het café – net als in de rest van Hengelo – niet om de racerij heen kunt, is het niet de Varsselring. Toch blijkt het voor Joey al een grote stap te zijn om tot Hengelo te komen. ‘Ik kon aan de druk op mijn borst voelen dat we in de buurt kwamen. Het licht glooiende landschap en de haast kombocht-achtige wegen, het doet mij meteen denken aan Hengelo, aan het circuit. Dat doet echt iets met mij.’

MOTO73 10/2019

Wil je weten hoe Joey de rest van dag ervaart? Hoe vindt hij het om voor de eerste keer na tien jaar weer terug te komen op de rampplek? Je leest het in MOTO73 10/2019! De editie ligt tot woensdag in de winkel en hier hier online te bestellen: https://www.tijdschriftnu.nl/product/moto73-editie-10-2019/

Foto: Guus van Goethem
Tekst: Marien Cahuzak

Schotland: De Wilde Hebriden

0

In Schotland trekt iedereen altijd gelijk naar de Highlands. Maar het onbekende zuidwesten, waar de Hebriden bijna de kust raken, is minstens zo mooi. Elk eiland is hier een Schotland in het klein. En het schiereiland Kintyre wijst er als een lange vinger tussendoor, naar de Ieren aan de overkant.

René van Tienhoven, Chris Pennarts

Engeland heeft de mooiste countryside ter wereld. En gelukkig houdt die niet op bij de Schotse grens. Het zacht golvende lappendeken landschap met zijn korte steile hellingen, kalenderfoto dorpjes, eindeloze muurtjes en honderden tinten groen, zet zich gewoon voort als je de Scottish Border passeert. Het is er alleen minder bevolkt, minder goed onderhouden, en vooral minder druk. De reis van de ferryterminal van DFDS Seaways in Newcastle naar ons eerste overnachtingadres in Irvine aan de westkust is dan ook zeker geen saaie.

Blind summits

Er lopen maar weinig toeristische wegen van oost naar west in dit deel van Engeland. En dus nemen we de meest voor de hand liggende, en ook gelijk de mooiste, de B6318 langs de Hadrian Wall. En hoe vaak je die ook rijdt, hij blijft fascineren door die alsmaar met de weg meelopende Romeinse barrière, die de Schotten buiten de toenmalige Europese Unie moest houden. Een leuke koffiestop is het door vrijwilligers gerunde en prima aangegeven Visitor Centre van de National Trust, waar je uitgebreide informatie over de Hadrian Wall kunt vinden.

Bij Greenhead verlaten we de muur, en vervolgen we de B6318 naar de Schotse grens, die door het Border Forest Park loopt. Een paar mijl verderop ligt Newcastleton, waar in The Olive Tree Café & Bakery sinds de jaren 50 niets meer is veranderd. Kennelijk is dat ook het geval met de stoppenkast, want vlak na onze binnenkomst valt de stroom uit. De vriendelijke dames van de bakkerij weten ons echter met enige improvisatie toch een prima lunch voor te schotelen, en wijzen ook nog de weg naar de ‘single track road’, die midden in het dorp naar het westen gaat. Het blijkt een prachtige en stille route, met schitterende uitzichten op de Tinnis Hill en Wauchope Water. Beslist een aanrader deze weg, die in Langholm aansluit op de B7068 naar Lockerbie. Alleen een desolaat, verwoest bos herinnert hier nog aan de 747 van PanAm, die in 1988 recht tegenover de begraafplaats neerstortte, en 270 passagiers en 11 inwoners van het plaatsje het leven kostte. Na Lockerbie moeten we even een kort stukje over de drukke A709, maar even voorbij Lochmaben vinden we gelukkig weer een mooie ‘single track road’ naar het westen. Korte steile hellinkjes wisselen hier af met ‘blind summits’, die soms zo kort op elkaar liggen, dat het lijkt of de weg gewoon doorloopt. Maar ineens verdwijn je dan in een diepe put, waarbij je het gevoel hebt over de summit heen te vliegen. Echt een motorfietsparadijs hier.

In de smalle dorpsstraatjes van het schilderachtige Moniaive vinden we na wat zoeken een morsig tankstation, waar na enig wachten de vriendelijke eigenaar uit een vettige smeerput klimt, en ons met een rollende ‘R’ adviseert de B729 naar Carsphairn te nemen. Met een volle tank, en twee flessen water uit het winkeltje om de hoek rijden we deze, alweer prachtige weg tot de aansluiting op de drukke A773 naar de kust. In het vissersplaatsje Troon proberen we een tafeltje te vinden in de ‘Wee Hurry Fish and Chips Shop’ aan de haven, in de wijde omgeving bekend om zijn verse kreeft en ‘catch of the day’. Maar een lange rij wachtenden buiten doet ons, ondanks de lekkere geuren, besluiten door te rijden naar Irvine, waar de kok van het Thistle Hotel nog net niet naar huis is.

Verhaal gaat verder onder het kaartje..

Arran

De volgende morgen steken we in Ardrossan over naar het eiland Arran. De uitzichten vanaf het bovendek van de stampvolle ferry zijn, ondanks een ‘occasional drop’ uit de grijze hemel, aan alle kanten schitterend. Niet voor niets noemt men het voor ons uit de regensluiers opdoemende Arran, Schotland in het klein. Op aanraden van een fietser, die we op het bovendek spreken, nemen we niet de kustweg die om het eiland loopt, maar pakken gelijk in Brodick de B880, die dwars door de bergen naar de westkust voert. Het is een desolate weg met hoge bergen aan de noordkant, lange dalen tot de horizon, en overal bordjes die het begin van een wandelpad markeren. Dat Arran een populair wandeleiland is, merken we tijdens de koffiestop in het Kinloch Hotel in Blackwaterfoot. Alle 60 kamers zijn er bezet, maar op de twee vriendelijke obers na, is er geen kip te bekennen. Iedereen blijkt er ondanks de regen toch op uitgetrokken, dus die verlaten groene bergen hebben kennelijk meer te bieden dan we vanaf de weg kunnen zien.

Ergens bij Kilpatrick tanken we bij een roestige pomp, met grote regenplassen er om heen in het kapot gereden asfalt. Blijkens een stickertje op de bedampte ramen van het vuilwitte kantoortje accepteert men hier Mastercards. Maar pas na lang zoeken en hulp van de echtgenote weet de pomphouder de kennelijk al jaren niet meer gebruikte kaartlezer onder stapels papier vandaan te toveren. Gelukkig hebben ze hier alle tijd van de wereld. En wij inmiddels ook, want de typische eilandsfeer van Arran werkt heilzaam op je zenuwen.

Laat in de middag nemen we op de noordpunt van het eiland de kleine ferry van Lochranza naar Claonaig op het schiereiland Kintyre. Er kunnen maar net 10 auto’s en een handvol motoren op dit op een landingsvaartuig lijkende veerbootje, dat door de zware zeegang vervaarlijk om zijn lengteas rolt. We moeten dan ook de hele overtocht op onze motoren blijven zitten om te voorkomen dat ze omvallen. De landing op de kust van Kintyre is een compleet spektakel. Met brullende dieselmotor wordt de sterk schommelende veerboot tegen de met algen begroeide oprit gedrukt, en terwijl de golven aan alle kanten over de landingsklep slaan, rijden we met een boeggolfje om de voorband de boot af.

Kintyre

Het smalle single track kustweggetje naar Carradale blijkt ondanks de invallende duisternis en gestaag vallende regen één van de hoogtepunten van onze reis. Prachtige vergezichten over het onstuimige water van de Kilbrannan Sound, in de verte de donkere schaduw van het eiland Arran, en rechts steeds de slingerende kustlijn met alle tinten groen en grijs die je bedenken kan. Voor dit soort overweldigende panorama’s schiet de Nederlandse vocabulaire gewoon tekort, maar de fraaie folder van de plaatselijke Tourist Board weet het treffend samen te vatten: ‘striking seascapes with fascinating coastlines’. Daar is geen woord van gelogen.

Laat in de avond komen we aan in het kleine Ashbank hotel in Carradale, waar de eigenaar het druipende groepje motorrijders eerst een mooie whisky inschenkt alvorens de kamers te wijzen. Later blijkt dat de flessen leeg moeten, omdat het hotel verkocht is. Je kunt het slechter treffen. Ook leeg zijn onze tanks, en het plaatselijke tankstationnetje is dicht. Maar na een telefoontje van de hoteleigenaar met de pomphouder wil hij speciaal voor ons de volgende (zondag)ochtend wel even zijn tankstation openen.

’s Avond raken we in de pub van het belendende Carradale Hotel in gesprek met de boswachter, die met een stevige bierwalm vertelt dat er zes paar zeldzame Golden Eagles in ‘zijn’ bos zitten. Vervolgens komt het gesprek op de plaatselijke doedelzak band waarvan een foto boven de bar hangt. Het blijkt de band te zijn die heeft meegespeeld in Paul McCartney’s beroemde videoclip ‘Mull of Kintyre’, die op een strandje even ten zuiden van Carradale is opgenomen. Die plek willen we zien natuurlijk, en dus vervolgen we de volgende morgen na een voortreffelijk ontbijt de kustweg naar het gehucht Saddell, waar het druilerige zandstrandje als toneel voor McCartney’s wereldhit diende. Veel valt er niet te zien en snel rijden we in de regen door naar Campbeltown, het streekcentrum van zuidelijk Kintyre. Op zondagochtend blijkt er maar één pub open, waar we al druipend een spoor van water op de net geboende tegelvloer achterlaten. Niet erg, zegt de eigenaar, dat hebben we hier iedere dag!

Lekker opgewarmd vertrekken we onder loodgrijze wolken naar het verste punt van onze reis, de hooggelegen vuurtoren van de Mull of Kintyre. Het begint weer te regenen als we de nevelige Glen Breakevie inrijden. Steeds mysterieuzer wordt het landschap, steeds slechter de weg en steeds natter het landschap. Halverwege onze klim zitten we ineens in de wolken en krijgen we het gevoel zo de hemel in te rijden. Meerdere malen moeten we afstappen om een hek open te doen. De weg naar de hemel is niet gemakkelijk. En dan houdt plotseling het asfalt op, en moet je te voet verder naar de vuurtoren. Maar aan de lange en moeilijke afdaling in dichte mist beginnen we met onze zware natte motorpakken niet. Teleurgesteld rijden we weer omlaag, want bij goed weer hadden we hier Ierland kunnen zien. Halverwege de afdaling vallen we uit de wolk en zijn we weer terug op aarde. In de verte schemert de kust door de mistflarden, en dan, heel even, verdrijft een waterig zonnetje de nevel en trekt het landschap open. We kijken neer op een schitterend panorama van de witschuimende Carskey Bay en de zacht golvende groene kust. Snel halen we de camera te voorschijn, want de hemel gaat hier nooit lang open.

Bij het gigantische militaire vliegveld ten westen van Campbeltown is het landschap vlakker en saai. Hier ligt de langste startbaan van Europa, speciaal aangelegd voor de zware langeafstands bommenwerpers van de Amerikanen. We rijden om het vliegveld heen, maar de hekken houden je zover op afstand, dat je er niets van ziet. Iets verder woont Paul McCartney, maar ook hier houden hekken ons op afstand, en zien we nog net de rode dakpannen van zijn boerderij. Gauw door maar weer, langs de mooie westelijke kustweg naar Tarbert, waar bij het schilderachtige haventje gelukkig een tankstation op zondag open is. De hoofdweg verlaat hier de westkust en zet zich aan oostkant langs Loch Fyne voort. Gelijk wordt het droger en begint de zon door te komen. Laat in de middag arriveren we in het mooie Loch Fyne Hotel in Inveraray, dat in een oud landhuis is gevestigd. Verderop ligt het dorpje, waar de witte huizen staan te schitteren in het halfronde panorama, dat het einde van de fjord omlijst. Net als overal in dit gedeelte van Schotland grossieren ze hier in kalenderplaatjes.

Atoomonderzeeërs

Als je in Engeland goed wilt eten, moet je gewoon drie keer per dag ontbijten, zeggen we wel eens spottend. In het Loch Fyne hotel is het breakfast een feest. Eieren ‘any style’, ham, toast, warme vis, witte bonen, bloedworst, brandstof genoeg om de rest van de dag op te teren. En dat is ook nodig, want ’s avonds moeten we weer op de ferryterminal in Newcastle zijn. Dat is van hieruit gemakkelijk te doen, want vanaf Glasgow kan je desgewenst de snelweg nemen en zit je in een paar uur aan de Noordzeekust. We mijden de drukke weg langs Loch Lomond, en rijden langs Loch Long naar Helensburg, waar de Engelsen hun atoomonderzeeërs hebben gestationeerd. Maar net als het militaire vliegveld op Kintyre verhinderen kilometers lange hekken dat je er ook maar een glimp van te zien krijgt. Om kilometers te maken, pakken we na Glasgow de snelweg naar Carlisle. Maar als bij Lockerbie blijkt dat we tijd genoeg hebben, verlaten we de snelweg, en rijden we door het stille binnenland noordelijk van de A74, om bij Brampton weer op de mooie weg langs de Hadrian Wall aan te sluiten. Er is zelfs nog tijd om bij Steel Rigg even een stukje over het populaire wandelpad op de muur te lopen.

Altijd weer gezellig

Op de altijd weer gezellige boot doet DFDS Seaways zijn best het motorrijders naar de zin te maken. Vlotte incheck, apart motorendek en uitstekend en ruim voorhanden bevestigingsmateriaal. Verder volop entertainment, een prima band en niet te vergeten: een uitgebreid heerlijk buffet. Maar het grootste voordeel is dat je reist terwijl je slaapt, en daardoor de volgende morgen uitgeslapen en met het ontbijt achter de kiezen Engeland in rijdt. En vanuit Newcastle zit je zo in Schotland.

Frankrijk: Normandië – Cider Route

0
Normandie

Rijden door appelbloesem, langs een groenblauwe zee, kustkruiden en levendige terrassen. Ach, wat is de lente toch lekker in Normandië.

Neem nou het startpunt, de kustplaats Dieppe. Als je wilt opschieten, ben je er vanaf Breda in vier uur. Het laatste half uurtje ga je breeduit slingerend over forse heuvels en op de top van de laatste doemt een tropische blauwgroene zee voor je op. Ingeklemd tussen hoge krijtrotsen ligt Dieppe in de diepte.

Met z’n duizend jaar is het een van die aardige stadjes aan de kust van Normandië – niet de allerleukste van heel Frankrijk, want die komt later. Bij binnenkomst in het centrum, rijd je meteen tegen het meest toeristische deel aan: de jachthaven met daarachter een promenade met historische gebouwen en grachtenpanden, restaurantjes en terrassen, waar de eerste van vele motorrijders al hebben plaatsgenomen. Achter een bord moules frites uiteraard.

Het zijn allemaal historische panden, maar zo grondig gerenoveerd en gezandstraald dat het bijna nieuwbouw lijkt. Beetje jammer, maar een stuk netter dan de smeulende puinhoop die het in de tweede wereldoorlog was. Dieppe was in 1942 namelijk de generale oefening voor de invasie van twee jaar later. Zesduizend geallieerden kwamen hier toen een paar uur aan wal. De helft verloor het leven. Nooit meer via zee een stad aanvallen, zonder alle verbindingswegen eerst te slopen, was de pijnlijke les. Twee jaar later werd de stad over land bijna zonder slag of stoot alsnog bevrijd met twee motorrijders voorop.

Dronken GPS

Om nog even een prachtig uitzicht over het stadje te krijgen, rijd ik de noordelijke krijtrots op. Daarna beklim ik de zuidelijke, want daar begint mijn route langs de Côte d’Albâstre, de Albastenkust. Boven Dieppe zit je nog vrij ver van de zee af, onder Dieppe kom je veel dichterbij. Dat beweert althans de route die ik op mijn GPS heb gemaakt. Maar al vrij snel nadat ik bovenop de krijtrotsen ben gereden, lijkt het alsof de GPS flink aan de cider heeft gezeten. Hij trekt zich niets aan van verkeersregels en wil me doorlopend langs borden ‘verboden in te rijden’, ‘eenrichtingsverkeer’ en ‘doodlopende weg’ loodsen. Maar dat geeft niet echt. Het is een prachtige dag en ik kom op weggetjes waar ik anders nooit terecht zou zijn gekomen. Door bebosde villawijkjes, onverharde wandelpaden en weer terug en bij Pourville-sur-Mer zelfs op een steil weggetje dat naar de zee afdaalt. Een smal, maar woest keienstrand met waarschuwingsborden voor vallend gesteente ligt hier tegen de rotsen gedrukt. Dit is de plek waar een deel van de ‘oefeninfantaristen’ in 1942 aan land gingen. Geen wonder dat ze in dit sterk heuvelachtige terrein kansloos waren. Je kunt hier bijna geen kant op. Ik ook niet en moet weer terug, ook al denkt mijn dronken GPS daar weer anders over.

Hangende dalen

Er volgt een lange trits van kustdorpjes, met prachtige uitzichten op de zee en de witte rotsen. En wat is het lekker rijden hier. Lekker warm, stil en slingerend asfalt. De grotere plaatsjes – met haventje, casino en veel toeristen – krijgen meestal een schouderklopje van de reisgids, maar de stille kleintjes (Quiberville, Veulettes-sur-mer, Sotteville-sur-mer) zijn eigenlijk veel leuker om doorheen te rijden. Bij Sotteville-sur-Mer stop ik even voor iets bijzonders en kenmerkends: een hangend dal, een smalle opening in het kalksteenplateau die er ooit is ingesleten door een riviertje. Vissers hebben er een lange trap ingelegd die afdaalt naar zee. Iets verder, in St-Valéry-en-Caux kun je weer even naar de overdonderde kust afdalen. Daarna volgt een lege, maar lekkere weg naar Fécamp, een van de grotere plaatsen. Op een rustige lentedag als vandaag snuif je tussen de zeelucht door overal langs de kust de geuren van allerlei kruidachtige plantjes en bloemen op. Van een aantal van deze kustkruiden maken ze in een klooster in Fecamp een wereldberoemde likeur: Bénédictine. Hoe dat allemaal gaat kun je zien in Palais Bénédictine.

Rotspoorten

Nog meer lente valt er te voelen in Etretat. Hier is volgens kenners de krijtrotskust op zijn mooist, omdat de branding een aantal poorten en inhammen heeft geschapen. Aan deze rotspoorten worden van oudsher allerlei romantische betekenissen gegeven, dus streek de voorspelbare horde schrijvers en kunstenaars hier ook neer, om temidden van veel dames de romanticus uit te hangen.

Onder Etretat ligt de grote havenstad Le Havre, een beetje het Rotterdam van Normandië, dus dat kunnen we overslaan. Maar Honfleur, aan de overkant, mag je niet missen. Want dat is het aardigste, gekste en leukste havenstadje van misschien wel heel Frankrijk. Je komt er via de Pont de Normandie, de gigantische tolbrug over de Seinemonding, waarvoor je als motorrijder niets hoeft te betalen.

Hard werken

Het voormalige piratennest dat deels tegen een heuvel ligt, trekt jaarlijks miljoenen bezoekers. Maar ondanks die drukte is het nog steeds karakteristiek, sfeervol en heel Normandisch. En tegelijkertijd hangt er op deze zonnige dag een soort loomheid overnheen die Zuid-Frans aandoet. Hoogtepunt is het Vieux Bassin, de oude haven middenin het centrum, die omringd wordt door hoge smalle panden die schouder aan schouder toekijken naar de drinkende, fotograferende en slenterende menigte onder zich. Een tv-ploeg is hier aan het opnemen, want achter de hooggehakte presentatrice is dit toch zo’n leuk decor. Motoren rijden af en aan, want het wemelt hier van de leuke weggetjes en niet alleen aan de kust. Bij een tankstation merk je wel dat we hier een reputatie hebben. Als enigen moeten motorrijders hier betalen voor ze gaan tanken.

In een van de kronkelige straatjes erachter vind ik bij het vallen van de avond een bed & breakfast La Cours de Sainte Catherine, waar de gasten pimpelend in de weelderige tuin rondhangen. Een van hen is een gedetacheerde Amerikaanse manager met een laptop naast zich, waarop hij om de paar minuten een willekeurige toets indrukt. ‘Op het Amerikaanse hoofdkantoor is de dag net begonnen. Ze kunnen zien of mijn laptop actief is. Ik ben hier dus hard aan het werk. Al maandenlang. Wijntje? De fles is nog half vol.’ Ha, wat smaakt de lente hier toch lekker.

Ciderroute

Het platteland achter Honfleur is precies zo als je dat zou willen tijdens een lenterit. Weelderig groen met volle koeien, heuvelachtig, bochtig en toch lekker rustig. In het beste deel ligt de Route du Cidre, een redelijk goed gemarkeerd rondje van een kleine 50 km, dat 40 km onder Honfleur begint. Wat de druif voor de rest van Frankrijk is, is de appel voor Normandië. Cider heeft weliswaar minder aanzien dan wijn, maar bloeiende appelbomen zien er toch een stuk leuker uit dan een gekortwiekte druivenstruik. En op de Ciderroute zal ik daar heel wat van gaan zien, is me beloofd, want hieraan zit een flink aantal ciderboeren.

Appelbomen bloeien maar kort, dus de timing is belangrijk. De eerste weken van mei zouden het best zijn. Ik zit in de derde en zie hoe nauw het kan steken. Een stevige windvlaag eerder deze week heeft negentig procent van de bloesem laten verdwijnen. De laatste tien procent valt er af als je iets te hard langsrijdt. Maar gelukkig zijn de dorpjes en ciderboeren blijven staan.

Veruit het mooiste dorp is Beuvron-en-Auge, een soort filmdecor van vakwerkhuisjes met midden op het dorpsplein een Asterix-huis met een toprestaurant: la Pave d’Auge. Een Michelin-tent, maar niet van het soort waar je met regenton met bretels weer naar buiten loopt. En als je budget wilt, dan stop je gewoon bij een van de vele ciderboeren, waar je voor een liter cider 3 euro betaalt en voor een stuk kaas, ham of een broodje nauwelijks meer.

Maar is het ook een beetje lekker rijden hier? Het is dan wel een rondje, maar een circuit is het allesbehalve. Het schiet niet op en bomen belemmeren het zicht op de bochten behoorlijk. Het is tuffen, maar wel weldadig tuffen. Maar de route langs de kust is spannender.

Moules frites

Normandië is de streek van de appels, appelgerechten en appeldrankjes, zoals cider en calvados. Maar het belangrijkste gerecht in de kustplaatsjes is toch meestal gewoon moules frites. Mosselen met patat. Geen motorrijder kan zonder. Maar hoe eet je die dingen nou, vragen noorderlingen zich vaak af. Simpel. Met je handen. Met de eerste lege schelp vis je de andere mosselschelpen leeg en maak je er een zo groot mogelijke smeerboel van. Op je wijn of ciderglas hoort na afloop geen enkele reflectie meer te zitten. Mosselen die open zijn, niet openbreken en opeten, waar daar kun je een heel akelig gevoel aan overhouden. De groenten en het water waarin de mosselen zijn gekookt, zijn bedoeld om mosselen op smaak te brengen. Het is geen soep. En dat schijfje citroen moet je ook niet opeten. Dat is bedoeld om je vette vingers te reinigen. Eet ze.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Normandie.GPX”]

Engeland: North York Moors

0

Zij telt zeventig lentes, schat ik. En ze maakt me het ultieme compliment: ‘You look just like Marlon Brando, dear…’ Last tango in Paris heeft ze nooit gezien. Maar A Streetcar Named Desire wel. En daarin is Brando nog een jonge god!

Niek van der Heijden, Chris Pennarts

We zijn net vanuit Lofthouse, heel erg Yorkshire Dales, overgestoken naar Osmotherly, op de drempel van de Yorkshire Moors. In The Golden Lion eten we een hamburger, zo een uit de tijd van voordat Amerikaanse Schotten zich daarmee gingen bemoeien. Lékker! We raken aan de praat met een aardig stel, laten we het maar op Dorothy en George houden. Dorothy steelt mijn hart. Heerlijk, want persoonlijk voel ik me op dat moment meer de Brando van de Godfather: hees en oud. Dat ligt overigens niet aan het landschap. De Moors vormen met elkaar het North York Moors National Park, en een National Park in Engeland staat garant voor prachtige vergezichten. Daar ga je je beslist goed van voelen…

Helicopter Heroes

George had een tip voor ons: Baker’s Pub, bij Carlton de heuvels in. We hebben de prachtigste panorama’s gezien, waarin de gele koolzaadvelden het patchwork-karakter van het landschap benadrukten, maar geen pub gezien. Pas in Chop Gate zagen we de Buck Inn, maar daar zijn we niet voor gestopt. Chop Gate ligt namelijk aan de B1257, oftewel de weg van Stokely naar Helmsley. En die weg, dat is er één uit de Top 5. Zo’n weg waar elke motorrijder uit Yorkshire en de verre omstreken minimaal eens per jaar even langs gaat. Of eens per week, als je dichterbij woont. Helaas ook een weg waar met een zekere regelmaat de Helicopter Heroes wordt geschoten: een BBC soapumentary over de vliegende ambulances in Yorkshire. Maar als je er rijdt, dan is de neiging om het gas open te draaien bijna net zo onbedwingbaar als de vonk die overspringt tussen Brando en Vivien Leigh, in de al eerder genoemde streetcar. Tussen die twee liep het ook niet goed af… Toch maar de legale grenzen in het oog houden, ook al omdat naast de helihelden de Z-cars deze weg bij uitstek controleren.

Parkeergeld

De marktplaats van Helmsley is door de B1257 een soort motorrijders-hoofdstad geworden. Het staat er mudvol, toerrijders en motorhooligans gebroederlijk door elkaar. Tot mijn verbijstering moet je hier ook parkeergeld betalen: een pond per uur. Het is niet voor niets dat het pond zo aan waarde inboet; hebberigheid leidt tot inflatie… En de politie controleert niet alleen op snelheid, ze doen deze parkeerplaats ook zeer regelmatig aan. Het hotel waar we logeren, maakt deze fout gelukkig weer goed: de Feversham Arms is van een jong en ambitieus stel, maar het ademt het oude Engeland uit elke kier en elk gangetje. En op het al genoemde programma Helihelden heb ik gezien dat deze mensen ook niet te beroerd zijn om eerste hulp te verlenen aan gecrashte motorrijders. Zelf crash ik er ook nog bijna. Bij het wegrijden vanaf de stoep vergeet ik heel even dat we in Engeland zijn, en ik kijk dus naar de verkeerde kant. Bijna raak. Dat vind ik hoe dan ook het moeilijkste aan dat links rijden. Rotondes, afslaan, het doet me allemaal niets. Maar te voet een weg oversteken, of met de motor vanaf de stoep wegrijden, blijft lastig.

Even wat aardrijkskunde. The Moors worden doorsneden door dales, valleien. De zes belangrijkste heten Bilsdale (daar loopt de B1257 doorheen), Bransdale, Farndale, Rosedale, Newtondale en Eskdale. De laatste is de enige die oost-west loopt, en die andere vijf hangen daar onder als bedeltjes aan een ketting, met excuus voor de Libelle-beeldspraak. Na het Bilsdale rijden we door het Bransdale, en dat begint met de noordelijke weg in Kirkbymoorside. Schoonheid is vanzelfsprekend hier, en die zal ik dus niet blijven benadrukken, maar wat mij echt goed doet, is dat wij aan het eind boven in de heuvels een prachtig oud kerkje vinden. St. Nicholas Church. Je kunt er genieten van de afwezigheid van toeristen en de volstrekt authentieke omgeving. Bijvoorbeeld het oude jachthuis – Cockayne Lodge, echt waar, running around my brain – dat vlakbij de kerk ligt omdat de familie Feversham (jawel, van die Arms) het er ooit neerzette. Van het kerkje kun je doorsteken naar het Farn Dale en dan via Church Houses weer terugzakken naar Hutton-le-Hole. Een klein plaatsje, maar mooi ruim opgezet, oud, en met een museum dat volgens mij de moeite waard zou zijn geweest, als er niet een bordje Closed voor had gestaan. Met de naastgelegen pub is niets mis.

The Lion Inn

Vanuit Hutton-le-Hole gaat er nog een weg naar het noorden, en die voert je over de Moor tussen het Farndale en het Rosedale. Een wat vervreemdende rit, zeker als het zachtjes regent en heiig is. Je begrijpt in een keer waarom de Moors zo’n geheimzinnige en niet ongevaarlijke sfeer uitstralen, je voelt je er van God en iedereen verlaten. Maar op het moment dat de depressie inzet, staat daar als het laatste behouden huis The Lion Inn, de twee-na-hoogste pub van Engeland. Motorrijders zijn er meer dan welkom en we genieten er van een lekker tweede ontbijt. Kamers zijn hier uiterst betaalbaar en het is de ideale uitvalsbasis voor een verkenning van de Moors per motor.

Voort gaat het, langs prachtige maar niet altijd schone weggetjes naar Castleton en dan naar Danby. Daar ligt een geweldig informatiecentrum, waar je alles te weten komt wilt over het North York Moors National Park. En de dames waren er uiterst vriendelijk.

We zijn inmiddels in het Eskdal, en dat volgen we een tijdje tot we via het Newtondale weer zuidelijk gaan koersen, richting Pickering. Langs de North York Moors Railway, waar ze nog met onvervalste stoomtreinen rijden. In Grosmont zien we een prachtige locomotief staan. We knopen een praatje aan met de machinist, die ons vervolgens meedeelt dat we onze moerstaal kunnen gebruiken. De man heet Rob Giphart en hij brengt al zijn vakanties door op het stookplatform van deze loc. Wie zegt daar dat Engelsen treintjesgek zijn? Met een machtig fluitsignaal stoomt hij weg. En even later blijkt de wereld van de film weer dichterbij dan je denkt…

Hogwarts station

Wij blazen het dorp uit, een helling van 33% omhoog. Na een kilometer of twee weer net zoiets omlaag, naar het volgende station: Goathland. Als we via een viaduct het spoor oversteken, blijven we staan vanwege het prachtige uitzicht op het stationnetje. Niet alleen passeren twee stoomtreinen hier elkaar, maar het komt ons verdacht bekend voor. Goathland blijkt het decor te zijn geweest voor het station van Hogwarts, of Zweinstein als je Harry Potter in het Nederlands hebt gelezen. En dat dan met twee van die stomende beesten er in… Wij nuttigen hier een paar geweldige cup-cakes en een kop thee en laten de omgeving op ons inwerken. Magisch.

Naar het noorden ligt Whitby. Daar moet een geweldige motorkroeg zijn. En het is een verzamelplaats voor Goths, maar of dat nou een aanbeveling is? En je kunt er de Endeavour bekijken, de bark waarin James Cook onder meer Australië en Nieuw Zeeland inventariseerde. We gaan zuidwaarts, naar Pickering. Waar we ons spooravontuur afsluiten als op het station Rob naar binnen stoomt. Prachtig!

Motormuseum

We besluiten vanuit Pickering de kust op te zoeken: pal oost ligt Scarborough, van de fair. De weg voert ons door een verder niet opvallend plaatsje, dat Thornton-le-Dale heet. Langs de weg zie ik een oude garage, met oude auto’s er voor. Het blijkt het North Yorkshire Motor Museum van Derek Mathewson te zijn. Het ziet er nog het meest uit alsof Derek daar een gewoon garagebedrijf heeft gerund, tot hij het werken zat was. Alles bleef precies zo staan als hij het toen achterliet, en nu is het een museum. Motorfietsen, auto’s, vrachtwagens, het is een heerlijke bende waar de nodige parels in te vinden zijn. En wil je wat kopen, dan kan dat. Derek vertelt dat hij eigenlijk een andere ruimte zoekt, maar het is moeilijk iets naar zijn zin te vinden. Logisch, als je je hele leven op dat kruispunt in Thornton hebt gewoond. Hoe dan ook, iedereen die blij wordt van oude motoren en auto’s moet hier gewoon langs. Als je van de boot in Hull naar de Lions Inn rijdt, is dit een prachtige tussenstop. En Derek is niet neringziek, hij wijst ons er en passant op dat zijn vriend Dick Craven in Stockton-on-Forrest een nog veel mooier museum heeft!

Daar hebben we helaas geen tijd voor. We hebben een paar dagen door de Dales en de Moors gereden. Juwelen van motorstreken die dichterbij liggen dan de Ardennen en je hoeft er geen enkele moeite voor te doen. Je scheept aan het einde van de middag in op de P&O Ferry in Rotterdam en de volgende morgen geef je je motor de sporen in Hull. Met de dalende koers van de Engelse pond, is ee lang weekeinde Yorkshire en omgeving helemaal niet zo gek.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Yorkshire_moors.GPX”]

Marokko: Offroad door de Atlas

0

Marokko staat gelijk aan zon, zee en tropische temperaturen. Dacht je, want toen wij er begin december 2008 waren, sneeuwde het in de Atlas als nooit tevoren.

Marco Brand

In het verkeer van Marrakech kom je oren en ogen te kort. Een kruispunt van oud en nieuw, van traditioneel en modern ook. Jonge vrouwen op hoge hakken flaneren door de dure winkelstraten terwijl de imams met hun luidsprekers proberen boven de swingende Arabische muziek uit te komen. In de souk, een netwerk van kleine straatjes, verkopen ze alles. Kraampjes vol oosterse kruidengeuren prikkelen de reukzin terwijl ze bij de buren vers vlees in stukken hakken. En dan het verkeer! Paarden, ezels met karren, versleten Peugeot Breaks en scharrige vrachtwagens veranderen onze luie kennismakingstocht met de Koningsstad in een belevenis. Drie rijen dik klontert alles op elkaar voor het stoplicht. Een enkele fietser sluit de rij.

Zandduinen

Buiten Marrakech is het stil. Normaal zijn we daar blij mee, maar vandaag niet zo. Vanwege het Offerfeest blijven de Marokkanen lekker thuis en zijn ook de benzinepompen gesloten. Gelukkig vinden we er een. Afgetankt zijn we gereed voor het avontuur dat deze reis beslist zal brengen en slaan de smalle weg naar Sidi Rahal in. Over de rijstvelden heen zien we in de verte de ruige contouren van het Atlasgebergte.

Na tientallen kilometers verandert het asfalt in een piste. Dat is een Frans woord voor ‘onverharde weg’ en we zijn er gek op! Halverwege de dag spreekt een man ons aan. Of ie voor ons een kop thee moet regelen? Alleen de gedachte al doet ons verlangen naar de zoete muntthee. Maar ook voor deze vriendelijk Marokkaan blijven alle deuren gesloten. Offerfeest…

We slingeren door het donkerrode Atlasgebergte waar de winterzon de bergwanden en rotspartijen aanzet met een bijna magische glans. Het pad staat niet meer op de kaart en ook de GPS heeft er geen weet van. We twijfelen of we nog wel goed zitten, maar stug zetten we door. We stoppen als het pad verdwijnt in een rivier. Een doorwading van zeker 20 meter, want op de andere oever loopt het pad verder. Dat betekent natte voeten! Voor we de oversteek wagen, speuren we naar de juiste route: waar je de minste golven in het snel stromende water ziet, liggen de minste obstakels op de bodem. Altijd een spannend intermezzo, zo’n doorwading en met natte sokken volgen we het spoor tot we weer op een asfaltweg stuiten. De GPS geeft weer thuis en een lekke band geeft een hoop oponthoud. De plaatselijke bandenplakker geniet van zijn vrije dag door op de tribune naar een voetbalwedstrijd te kijken. Hij is op zijn best gekleed – een vlekkeloos witte gewaad – maar dat weerhoudt hem er niet van om de band te plakken. Laat in de middag beginnen we aan de beklimming van de Tizi-n-Tichka.

Ontelbare haarspeldbochten brengen ons tot op 2600 meter. Als ik over mijn schouder kijk, zie ik een sliert van stuiterende koplampen de pas bedwingen. Het donkere silhouet van de bergtop doemt op in het licht van de helder schijnende maan. Het wordt donker en kouder. Dikke pakken sneeuw liggen in de berm. Over de pas, verandert het landschap. De voorbodes van de Sahara kondigen zich aan. De heuvels hebben nog een zweem van groen, maar de zandheuvels liggen dichtbij. De droge, warme lucht doet de kou van de afgelopen uren vergeten en in colonne bereiken we Ouarzazate.

Oases

Na Ouarzazate trekken we door een droge vlakte. Stilaan voelt de wind weer kouder en vooral schraler. Bovenop de 1600 meter hoge pas over de Tizi-n-Tinififft genieten we van de prachtige uitzichten op eindeloze vlaktes en grillige rotsformaties. Echt eenzaam is het hier niet, want op weg naar de Algerijnse grens rijden we van oasedorpje naar oasedorpje. Dan stuiten we op een rivierbedding vol mul zand. De voetbrug – bestaande uit twee-aan-twee geschakelde boomstammen – blijkt voor de motoren een onneembaar obstakel. Door het mulle zand slingeren we terug naar het asfalt. 10 Kilometer verderop vinden we een geschiktere oversteekplaats. De bewoners van het dorp vertellen dat de weg die we volgen geen doorgaande weg is en dat ie zeker ontoegankelijk is voor motoren. Maar de GPS geeft de route wel aan. Dus laten we de waarschuwingen voor wat ze zijn en vertrouwen we op onze Westerse techniek. We kunnen altijd nog terug.

Het pad is lastig, door het mulle zand zetten we regelmatig een beentje bij om de juiste koers te houden. Maar de beloning is groot, want het pad ontwikkelt zich tot een prachtige scenic route langs een aaneenschakeling van kleine dorpjes. Kinderen rennen met ons mee en zwaaien ons enthousiast toe. In kleurrijke gewaden gehulde vrouwen bespieden ons vanuit deuropeningen en open ramen. En dorpsoudsten knikken ons toe en geven ons een uitnodigende hand. Uiteindelijk klimmen we het laagland uit en bereiken de kaarsrechte asfaltweg naar Nokob.

In dit afgelegen gebied zijn niet veel overnachtingsmogelijkheden. Iets buiten het Nokob vinden we een herberg. Het is een op zichzelf staand gebouw met de allure van een kasteel. Met een gezellig restaurant en een parkeerplaats binnen de muren.

Brood en kaas

In het eerste ochtendlicht begeven we ons op de piste. Het is een beetje zoeken maar uiteindelijk vinden we het juiste spoor. De geplande route is lang, onbekend en zowel kaart als GPS beloven een smal en bochtig traject, met een pas van 2200 meter. De omgeving is droog, kil en verlaten. Mijn buik kriebelt, omdat ik niet weet waar het pad eindigt en welke obstakels we tegenkomen. Maar we genieten volop, kijken uit naar het onverwachte en trotseren zingend van genot de keien op het steile pad naar boven. Een warm zonnetje erbij zou het leven nog aangenamer maken. Halverwege de morgen rijden we langs een lemen hutje dat zich aanprijst als ‘Auberge Restaurant’. Wie niet veel verwacht, heeft niet veel te verliezen. Een berbervrouw schuifelt over de binnenplaats en kijkt verschrikt op als we de acht motoren tegen de afscheiding parkeren. Of ze koffie heeft? Na een ruim kwartier wel. En dat is het wachten waard. Tijdens het tweede kopje komen ook haar man en zoon ook op het vrolijke gekrakeel af. De familie zwaait ons lachend uit als we het spoor vervolgen.

De klim gaat over grote keien waardoor de achterwielen van links naar rechts stuiteren. De krappe aarspeldbochten zijn bijna niet te nemen zonder een voetje bij te zetten. En wie durft kijkt achterom voor een laatste blik over de ruige kliffen en scherpe rotswanden in een desolate grindwoestijn. Het voelt geweldig om hier met de motor te mogen rijden.

Voor de lunch kopen we in een plaatsje van vier huizen brood en nog meer doosjes kaas van het merk La Vache qui rit. Als we over de Tizi-n-Tazazert zijn gehobbeld, nemen we de kortste piste – 20 kilometer – naar de Gorge du Todhra, om niet in het donker op deze magnifieke plek aan te landen. Want deze kloof is naast de Gorge du Dades een van de highlights van Zuid-Marokko. De uiterst nauwe kloof met zijn 300 meter hoge, nagenoeg gladde rotswanden is de opening die toegang verschaft tot de hogere delen van de Atlas. De kloof is mooi, behalve een paar ontsierende hotels en restaurants. Eenmaal uit de kloof wordt het landschap nog mooier. Een smalle roodgrijzige weg slingert door een leeg en verlaten land. Prachtig, vooral ook omdat de laaghangende winterzon het landschap in vuur en vlam zet.

Sneeuw in de Atlas

In de Marokkaanse winter lijkt de zon niet aan kracht te verliezen. Op een prima asfaltweg voelen we ‘m branden op onze schouders. In Ait Hani splitst het asfalt zich in twee pistes. Rechts gaat terug naar het laagland, links over de 2700 meter hoge Tizi-Tirherhouzine. Vol goede moed beginnen we aan de beklimming, die er op de kaart uitdagend uitziet. Al snel rijden we over een plateau waarop al het leven lijkt te zijn verdwenen. Ruige bergkammen sieren de horizon en de piste kronkelt er prikkelend tussendoor. Keien ontwijken we met souplesse, wat vaak lukt maar soms ook niet. Ongelooflijk wat zo’n allroad kan verstouwen.

Hoe meer we stijgen, hoe verser de sneeuw in de berm. De piste is nog sneeuwvrij, maar de omgeving niet en het duurt niet lang of we worden verblind door niet alleen het felle wit van een compleet met sneeuw bedekte hoogvlakte maar ook door de schoonheid die dat weer met zich meebrengt. Het is prachtig, maar inspannend rijden en hopen dat de sneeuw na de volgende bocht is verdwenen. Stapvoets in de eerste versnelling rijden en glijden we over de piste, die gelukkig nog steeds zichtbaar is. We hebben er geen notie van hoe ver we nog moeten als we in al die witte leegte, in al die verlatenheid, in al die stilte ineens een man op een ezel passeren. In draf komt hij onze kant uit, breed lachend. Hij vraagt niets, vertelt niets. Lacht alleen, staart ons een paar minuten aan en drijft zijn ezel weer aan.

Eenmaal op de vlakte verandert de sneeuw in ijskoud smeltwater, dat de weg overstroomt. Sommige plassen zijn enkele centimeters diep, anderen bijna een wiel. Dat zorgt voor spannende adrenalinemomenten.

Het is dan nog 20 kilometer naar Imilchil, waar we net tegen zonsondergang aankomen. Het dorp ligt gehuld in de sneeuw en de temperatuur schommelt rond het vriespunt. De herberg ligt net buiten het dorp aan een prachtig bergmeer. Dat het vriest, bewijzen de ijspegels aan het voorspatbord. Mijn vingertoppen bewegen niet meer en in de natte laarzen voel ik mijn tenen niet. In de herberg blijken alle leidingen bevroren. Maar dat deert niemand, want middenin de zaal staat een grote gloeiende kachel, waar we ons aan vast kunnen klampen.

IJs in de bocht

Iedereen staat inmiddels op reserve en tankstations zijn afwezig. Wat doe je dan? Dan zoek je naar de lokale garage, waar vaak een paar volle oliedrums staan. Met 5 liter jerrycans tank je dan de motor af en kun je je reis vervolgen. Het eerste deel nog over asfalt, maar al gauw over wat de meest uitdagende piste van de reis zal zijn. Die piste vinden we opnieuw met GPS, anders zouden we er aan voorbij zijn gereden. De plaatselijke herder kijkt bedenkelijk als we hem naar de staat van de piste vragen. ‘Hier ligt maar een paar centimeter, maar verderop wel een meter. Een auto komt er nooit doorheen. Met motoren zou ik het maar vergeten.’ Met zijn lange wandelstok schuifelt hij verder langs de weg. Daarom kiezen we voor een alternatief: de piste die ons naar de andere kant van de Djebel Mourik (3233 mtr) brengt. Tijdens de afdaling begint het zacht te regenen. De laatste piste van de route – voor we de asfaltweg naar Marrakech bereiken – is een bospad van zo’n 60 kilometer. Maar met deze regen zal dat eerder 60 kilometer glijden worden. Daarom kiezen we toch voor het asfalt.

Dat blijkt een prima keuze, want ook de tarmac weg is uitdagend genoeg. Op vele plaatsen ligt nog sneeuw en in sommige bochten is het erg glad. In de lagere delen krijgen we ijs of uit de bergen stromende modder voorgeschoteld. Voorzichtig proberen we ook nu nog te genieten van de prachtige uitzichten. Bij Beni Mellal dalen we verder af, tot in het laagland. De route heeft ons twee keer door het Atlas gebergte gestuurd. Wat rest is een vlakke route terug naar Marrakech waar we doorweekt, koud en moe aankomen. In het kielzog van Rachid, die de weg hier op z’n duimpje kent – rijden we naar het hotel. De reis zit erop en iedereen kan beginnen aan het verwerken van de indrukken.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Marokko.GPX”]

Duitsland: Borkum en Norderney

0

Borkum en Norderney zijn de enige Duitse Waddeneilanden waar je met motor mag komen. En toch doe je dat nooit. Laat staan in de winter. Dus gaan we toch. Omdat het makkelijk kan.

Jan Dirk Onrust

We kennen meer mensen die naar de Zuidpool of Groenland zijn geweest dan naar de Duitse Waddeneilanden. Waarom worden ze gemeden? Misschien liggen ze niet ver genoeg. En de concurrentie van de Nederlandse Wadden is meedogenloos. Bovendien barst het op onze eilanden van de Duitse toeristen. Dat is toch niet voor niets? Zouden ze soms een beetje tweederangs zijn? Nou, nee, alles behalve, verklappen we alvast. Maar anders zijn wel.

Op de kaart valt al direct op dat ze heel veel kleiner zijn dan de Nederlandse. Borkum en Norderney bijvoorbeeld zijn speldenknoppen, nog kleiner dan Schiermonnikoog. Maar je mag er wel met de motor komen. Ter plekke kun je op beide eilanden hooguit een kilometer of 15 heen en weer rijden. Dat betekent dat we het deze winterrit eens lekker rustig aan gaan doen. Na het pak slaag dat we tijdens de vorige wintertocht over de Schotse Highlands (zie Promotor 2-2008) kregen, mocht dat wel eens.

Een kleine omweg

Er gaan twee veerboten naar Borkum. Een vanuit het Groningse Eemshaven, de ander vanuit het Duitse Emden. De eerste vertrekt ’s winters om 12.00 uur ’s middags, de tweede om 16.45 uur. Dus als je vooraf nog een lekker ritje wil maken, pak je de boot vanuit Emden. Daarom rijden wij door de ochtendspits van de Randstad eerst naar Alkmaar. En daarvandaan naar de kust, waar voorbij Groet de lange leegte van de Kop van Noord-Holland begint. Een beetje een omweg, maar na het hectische gedoe van de Randstad is het een lekker open stuk, waar je de zee ruikt en voor het eerst de nabijheid van de Wadden voelt.

Heerlijk winterweer is het. Nog net geen 10 graden en een wolkenloze hemel met alleen wat verwaaide chemtrails. Zo vinden we zelfs de Afsluitdijk nog lekker. Via Harlingen, Holwerd en Lauwersoog en de bochtige Wad- en Marenroute bereiken we de Duitse grens. ’s Zomers heb je hier doorlopend fietsers en kunstenaars met een Renault 4 voor je wielen, nu kunnen we ongestoord doorpezen. Het is licht, weids en zo simpel als maar kan, maar ik heb vandaag al meer genoten dan de hele winterreis van vorig jaar door het natte, duistere Schotland.

Varen op de Eems

Het laatste stuk over een provinciale weg naar Emden is nogal saai, maar het stadje (51.000 inw.) zelf maakt het goed. De levendige, ooit Nederlandse stad heeft 150 km aan kanalen, een aardige binnenstad en een forse haven, waar de Noorse gaspijpleiding aankomt en een groot deel van de Duitse auto-export wordt verscheept. Maar de topattractie is natuurlijk de boot naar Borkum, vlak naast de Volkwagen Passat-fabriek. Bij het vallen van de avond vaart het bescheiden schip de Dollard en Eems op. De temperatuur is gezakt naar een graad of drie, maar we blijven op het buitendek. Gewoon omdat de brede, stille Eems met ondergaande zon zo prachtig is. En zo krijg je een paar kilometer over de grens toch het gevoel ver weg te drijven. Nadat een reeks spoedtelefoontjes over kantoorperikelen binnen is gekomen, besluiten dat de gsm geen ontvangst meer heeft. Bevrijd varen we de duisternis in.

Witte kuurpaleizen

Borkum ligt niet boven Duits grondgebied, maar boven Groningen. Alleen omdat de middellijn van de Eems schuin de Waddenzee inloopt, hebben ze ook de grenslijn schuin mogen trekken. Vanwege die formaliteit heeft het voormalige piraten- en walvisjagernest een heel ander karakter dan de Nederlandse Waddeneilanden. Het eerste bewijsstuk daarvan vinden we in de haven. Hier begint namelijk een spoorlijntje van een kilometer of acht dat je (gratis) naar het hart van het enige plaatsje brengt. Dit plaatsje – Borkum Stadt dus – telt slechts 5.000 inwoners, maar heeft niets van de kleinschaligheid van onze Waddendorpen. Kasten van huizen staan er en nog veel grotere hotels. Het komt omdat het toerisme hier al halverwege de negentiende eeuw op gang kwam. Vandaar ook die spoorlijn. Terwijl ze op Texel en Terschelling nog in schapenhuiden rondliepen, werden hier witte kuurpaleizen neergezet voor de elite. Veel oude grandeur dus, die wel wat aan Scheveningen doet denken, maar dan zonder mensen. De grotere hotels zijn gesloten, een aantal bars en restaurants zijn nog wel open, maar tamelijk uitgestorven. In het oubollige visrestaurant Delfter Stuben zijn we enige gasten en de enige eilandkroeg waar nog een beetje gezelligheid te vinden valt, is de Seekiste, beide in de Bismarckstrasse – de horecastraat van Borkum. Is dat erg? Ach, nee. We vinden het prima zo.

Zonnende zeehonden

Valt er nog wat te zien op Borkum? Maar natuurlijk. Het meest kenmerkend gebouw van het eiland is nu eens niet een vuurtoren, maar het Musikpavillon aan het strand. Je vindt het in elke Borkumgids of -brochure. ’s Zomers worden in dit koepeltje concerten gegeven – meestal Mozart, gespeeld door Wiener Schrammelkram of iets dergelijks. Nu dient het als opslagruimte voor strandstoelen. Maar je begint nu een beetje te begrijpen waarom er zoveel Duitsers op onze eilanden zitten. Borkum is een beetje bekakt, Texel is budget. Er bevindt zich dan ook maar één camping op het vroegere piratennest.

Achter het paviljoen rijst de statige witte skyline van Borkum op, die in de winterzon bijna surrealistisch oogt. Maar het mooiste zie je als je de andere kant op kijkt: naar de zee. Een kilometertje voor het strand heeft zich een grote zandbank gevormd waarop een paar honderd zeehonden liggen te zonnen. Hier mogen we helaas niet komen, ook al lijken we door onze helmmuts zelf sprekend op een zeehond.

Zware winterkost

Buiten Borkum Stadt lopen enkel prachtige weggetjes. Alles heb je hier. Duinen, mooie vergezichten en bochten. Maar na vijf kilometer houdt het op. We zijn dan bij café-restaurant Ostland. En dat ligt ver genoeg van de beschaafde mensen af om een beetje de rol van motorhonk van Borkum te spelen. Vol trots toont eigenaar Christoph ons de tot hooihotel omgebouwde koeienstal. Daarna schotelt hij ons echte Borkumse winterkost voor: een potje groene kool met piepers, varkensbuik en worst.

Als we op de motor stappen, stijgt er een hels kabaal op dat de bezoekers van het caféterras verschrikt en geërgerd in onze richting doet kijken. ‘Tjonge, wat ligt dat wintervoer zwaar op de maag,’ zegt Jan verontschuldigend.

Wasser & Wellness

Omdat we vijf kilometer weg een beetje weinig vinden, besluiten we een reeks Verboten te negeren en rijden door een stiltegebied nog een kilometer of vier door. We passeren een moeras met Schotse Hooglanders en eindigen bij een uitkijkpunt bovenop een duin. Bij nadere beschouwing blijkt dat een bunker te zijn. En mogelijk zelfs van ze evil professor Werner von Braun, die hier in de jaren dertig met raketten experimenteerde. Maar het uitzicht over het wilde duingebied is mooi. ‘Halen we de boot nog vandaag?’ vraagt Jan. Nee dus en dat is goed nieuws voor de Seekiste, onze tijdelijke stamkroeg. En voor het Gezeitenland – een groots Wasser & Wellness-centrum met zwembaden, sauna, massage, zonneterras en pizza’s.

Tip! Gooi nooit het retourkaartje van de boot weg. En doe je dat toch: van de haven naar de prullenbak van Hotel Weisse Düne en weer terug kost ruim een kwartier. Dat was in ons geval net genoeg om de boot van 7.30 te halen.

Wegklootschieten

Naast Borkum ligt Juist, maar daar mag je alleen met paard en wagen rijden, dus dat slaan we over. Norderney, samen met Borkum het enige Duitse Waddeneiland waar je met de motor mag komen, is het volgende doel. We rijden er naartoe via een kleine omweg langs de kustdijk, een ritje van 50 km. Vlak boerenland met niet al te rechte wegen en met een paar lieve dorpjes. Beetje zoals Groningen, maar dan nog iets rustiger. Zo rustig dat de weg deze morgen wordt gebruikt voor een wedstrijd klootschieten. Of ‘bosseln’ zoals de Ostfriezen zeggen. Bij ons valt wegklootschieten onder het gedoogbeleid, net als de verkoop van softdrugs en tippelzones. Hier is het legaal. Ze vallen toch best wel mee, die oosterburen van ons.

Lekkerste hamburger ooit

De boot brengt ons in een klein uur van Norddeich naar Norderney. Hoewel in oppervlak kleiner dan Borkum, lijkt het eiland door de langgerekte vorm groter. Er valt wat meer te rijden en er wonen iets meer mensen (6000). Kortom, Norderney heeft gewoon wat meer. We merken het meteen al bij aankomst. Het plaatsje heeft vele kleine straatjes, een echt – motorvrij – centrum met een bloeiende middenstand en er loopt veel meer volk rond. Niet alleen oude gebakjes, maar ook jongeren. Als je niet beter zou weten, zou je bijna denken dat je in een gezellig IJsselmeerstadje terecht bent gekomen, inclusief Hollandse patattenten. Maar toch heeft het ook allure. Daar zorgen de classicistische kuurhotels aan de strandpromenade voor en een paar hippe tentjes, zoals de Milchbar am Meer, waar je tussen de hipmensen op een designsofa naar de zee kunt kijken. Ook grotestads modern: de kleine Ess Bar in het centrum. We noemen hem even want hier halen we de lekkerste hamburger ooit. De kok is er een kwartier mee bezig, maar dan heb je ook wat. Yep, Norderney valt bij de eerste kennismaking al helemaal goed..

Te lui om te lopen

Een flinke toertocht buiten de stad kun je hier niet maken natuurlijk. Het hele wegennet heb je in een half uurtje op en neer gereden. Maar de weggetjes gaan wel dwars door het wilde duingebied en niet erlangs, zoals in Nederland. En dat is leuk rijden, met hier en daar zelfs een paar spannende bochtjes. Dus dat doen we een keer of vier. En daar tussendoor hangen we op een terras of liggen we als een zeehond op het Noordzeestrand.

Het strand op de oostelijke helft van Norderney is minstens een halve kilometer breed. Maar stukken drijfhout, touw en aangespoelde drankflessen tref je hier tot ver achter de duinen nog aan. Kennelijk mag de Noordzee van de Duitse Rijkswaterstaat hier zijn gang gaan, waardoor de duinen niet zo keurig op een rijtje staan als bij ons. Grillige vormen hebben ze en diepe inhammen, met erachter meertjes en duinriviertjes. Het lijkt verdorie wel puur natuur hier. Ook loop je hier niet om de haverklap tegen prikkeldraad, prullenbakken en verbodsborden aan. En dan ligt er aan het eind ook nog een gestrande kotter weg te roesten. Prachtig allemaal. Helaas zijn we veel te lui om er naartoe te lopen. Het is hoog tijd weer een terras op te zoeken. En daarna willen we nog een uurtje of twee dobberen in het golfbad van het trendy bade:haus Norderney.

Drinken en schransen

Oké, het komt er eigenlijk op neer dat we onze jaarlijkse wintertocht vooral luierend, drinkend en schransend hebben doorgebracht. Dat krijg je nou als je naar twee kleine eilanden gaat die vlak om de hoek liggen. Kilo’s zijn we er van aangekomen. En we kunnen ze iedereen aanraden.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Wadden-001.GPX”]

 

High-Bike Testcenter 2019: motoren testen in de Alpen

0

Op 1 juni gaat het High-Bike testcentrum Paznaun in Ischgl weer open. Of zoals ze zelf omschrijven: ‘Het enige motor testcentrum van Europa met meerdere merken’. De nieuwste modellen van BMW, KTM Triumph, Yamaha en Aprilia – zo’n 40 in getal – kun je vanaf begin juni tot en met eind september zelf testen. In de Alpen!

High-Bike testcentrum Paznaun in Ischgl doet dit al voor het negende jaar en in die jaren zijn zo’n 15.000 testritten gemaakt. Voor de testritten zijn zo’n 14 verschillende routes uitgezet door Tirol, Bavaria, Voralberg en Zuid-Tirol. Op aanvraag krijg je een GPS op je stuur, anders moet je het doen met een geprinte versie.

En wat kost dat?

De huurprijs van een motor bedraagt, exclusief brandstof, tussen de €100,- en €120,-. Op vertoon van de ‘Silvretta All-Inclusive Pas’ ligt de prijs tussen de €80,- en de €100,-. Het testcentrum verhuurt ook Rukka-pakken (vrouw en man), Schuberth helmen en Daytona laarzen voor een kleine toeslag.

Meer informatie www.highbike-paznaun.com

Inhoud, routes & video’s Promotor 04/2019

0

Toeren

LangsteDagTocht: Stille tocht

Geen hond, geen kip, geen donder, geen zak. Tijdens de LangsteDagTocht 2019 rijden we van Niemendal via Doodstil naar Nergenshuizen en komen we 250 kilometer lang geen stoplicht tegen.

LEES VERDER 

TankTasTocht 3: Noord-Brabant

Het Rijke Roomse leven. Vertel mij wat. Ik kom er vandaan. Ik ken de benauwde seksuele moraal. De hardleersheid van de clerus. Toen aartsbisschop Simonis in de jaren tachtig van de vorige eeuw het verschil tussen man en vrouw mende te kunnen verklaren uit het verschil tussen eicel (‘passief’) en zaadcel (‘actief’) wist ik: wegwezen.

LEES VERDER

Portugal: Wachten op de Big One

Het is niet de vraag óf hij komt, maar wannéér hij komt. De tsunami die vanaf zee huizenhoog komt aanstormen en de hele kustverdediging wegvaagt. Het kan morgen zijn, of over duizend jaar. Niet alleen in Nederland klinkt dit doemscenario bekend. In Portugal zitten ze met dezelfde dreiging.

LEES VERDER

Kawasaki Top Tour Yorkshire

Op een Kawasaki wil je vooral mooie kilometers rijden. Dat is Kawasaki zich ter dege bewust. Daarom organiseren ze samen met MotorNL de exclusieve Kawasaki Tour 2019. Bestemming: Midden-Engeland.

RESERVEER

Toscane: ongerept, wild en verlaten

Is dit Toscane? Het noordwesten van de regio presenteert zich anders dan we hadden gedacht. Niet het geijkte cliché van glooiend landschap met cipressenlaantjes, maar juist wild, sober en vol verrassingen. En het stikt er van de charmante motorweggetjes.

LEES VERDER

Promotor Reizen

Motoren getest

  • KTM 790 Adventure (R)
  • Harley-Davidson Touring modellen
  • Lezerstest Kawasaki Versys 1000 SE
  • Topstaat: BMW F800R, Honda VFR800X Crossrunner, Yamaha MT-09

Spullen

Bluetooth in de helm

 

Toscane: ongerept, wild en verlaten

0

Is dit Toscane? Het noordwesten van deze regio presenteert zich anders dan we hadden gedacht. Niet het geijkte cliché van glooiend landschap met cipressenlaantjes, maar juist wild, sober en vol verrassingen. En het stikt er van de charmante motorweggetjes.

In het bergdorp Abetone bereiken we op een pashoogte van 1.388 meter Toscane. Om ons heen de besneeuwde toppen van het regionale park Alto Appennino Modenese. Het is er nog koel. De temperatuur schiet omhoog als we in ‘feel good’-modus over de steile helling van Monte Cimone met zijn eindeloze haarspeldbochten naar beneden rijden. Het wilde Alpengebied glijdt onderaan over in een diep dal met torenhoge, ruige berghellingen, waar uit steen gehouwen dorpjes aan de rotswanden kleven. De rivier de Lima kronkelt door het smalle dal, om uiteindelijk uit te monden in de Serchio. Aan het einde van het dal nemen we de laatste haarspeldbochten omhoog naar ons hotel in Castelnuovo di Garfagnana. Vanuit het dorpje willen we de komende dagen het wilde deel van Toscane verkennen.

De roep van de beroemde marmerbergen van Carrara klinkt in onze oren en lijkt ook onze motoren te begeesteren. We duiken snel de Apuaanse Alpen in, die zich ontplooien als een perfect motorparadijs. Idyllisch meanderende rivierdalen wisselen af met kloven, kronkelende stukken asfalt en donkere, onverlichte tunnels. Helmut rijdt voorop en ik volg zijn achterlicht. Abrupt verdwijnt het felle zonlicht. Eenmaal door de duistere buis verschijnt de grot van Henraux. Achter een smalle, maar hoge rotspoort omweg! Zo lijkt het althans.

DOWNLOAD ROUTE EN GDB

 

Eén van de vijf routes in de .zip