woensdag 20 mei 2026
Home Blog Pagina 1174

Interview Wilco Zeelenberg: ‘Wij willen winnen’

0
Wilco Zeelenberg
Na negen jaar als begeleider van Jorge Lorenzo en Maverick Viñales bij het Yamaha-fabrieksteam is Wilco Zeelenberg de trotse teammanager van het Petronas Yamaha SRT-team in de MotoGP.

Na negen jaar als begeleider van Jorge Lorenzo en Maverick Viñales bij het Yamaha-fabrieksteam is Wilco Zeelenberg de trotse teammanager van het Petronas Yamaha SRT-team in de MotoGP. Dat een Nederlander zo’n topfunctie krijgt, is al genoeg voor een interessant interview, maar wie Wilco een beetje kent, weet dat hij dat met zijn uitspraken altijd nog een stuk interessanter maakt. Bijvoorbeeld over Fabio Quartararo, één van de sensaties uit de MotoGP op dit moment.

Dat Quartararo talent heeft, weet inmiddels iedereen en wisten we eigenlijk zelfs als voordat hij zijn debuut maakte in de Moto3 in 2015. Hij was zelfs zo goed dat de regels speciaal voor hem aangepast werden. Hij was namelijk te jong om GP’s te mogen rijden, maar daarop werd snel besloten dat de Spaans Moto3-kampioen altijd mocht doorstromen naar de Grand Prix’. En ja, dat was heel toevallig Fabio…

Wilco, hoe goed is Fabio en natuurlijk ook hoe goed is Franco Morbidelli?
‘Ik zei na de race in Qatar tegen Fabio dat hij zich voor de komende tien jaar heeft verzekerd van de MotoGP. Ik denk dat beide rijders een lange toekomst hebben en races gaan winnen, maar dat kun je bijna zeggen van de gehele top-vijftien. Fabio rijdt meer op zijn op gevoel en Franco analyseert elk detail. Franco kan ook heel goed vertellen wat de motor doet en dat is ook belangrijk voor Yamaha. Wanneer het op racen aankomt, is iedereen even gedreven. Dat was bij Jorge Lorenzo en Maverick Viñales in het verleden niet anders.’

Critici hadden vraagtekens bij de transfer van Fabio naar de MotoGP. Was het jouw beslissing om hem te nemen?
‘Ja, in overleg met Johan Stigefelt. In het verleden was hij een klasse apart in het CEV. Toen had ik hem al op de korrel. Hij heeft moeilijke jaren gekend en heeft niet de begeleiding gekregen die hij nodig had. Zijn overwinning vorig jaar in Calalunya was voor mij een bevestiging en toen zijn we in Assen gaan praten. Fabio was verrast door onze interesse.’

In hoeverre werken jullie nu samen met het fabrieksteam?
‘We praten met dezelfde Japanners en delen ook elkaars data. Onze ondersteuning is uitstekend en ik denk ook wel vrij bijzonder als satellietteam. Ik ben daarnaast een goede link naar Yamaha, omdat ik daar zo lang heb gewerkt. Ik kan daar altijd aankloppen en andersom. Er zijn bij ons ook wat teamleden van Honda overgekomen en die waren toch wel wat verbaasd over de ondersteuning die wij van Yamaha krijgen.’

Is het een ultiem succes om het fabrieksteam te verslaan?
‘Natuurlijk wil je het hoogst mogelijke bereiken en dan probeer je ook om voor het fabrieksteam te zitten. Wij willen ons als team dit jaar op de kaart zetten en dingen laten zien die niemand van ons had verwacht. Wanneer we onze beide rijders dit jaar op het podium zien en de mensen weten dat het bij Petronas Yamaha SRT goed zit, hebben we ons doel behaald.’

Tech3 was jullie voorganger als Yamaha-satellietteam. Is dat een voorbeeld?
‘In mijn ogen is bij dat team het meedoen belangrijker dan het winnen en dat is bij ons niet zo. Wij willen winnen en ook op die manier overkomen. Natuurlijk zal dat nog wel even duren, maar je moet wel heel duidelijk weten wat je einddoel is en dat uitstralen. Dat heeft Tech3 in mijn ogen niet gedaan.’

In de MOTO73 TT Special, die nu in de winkel ligt, nog veel meer antwoorden van Wilco op zeer interessante vragen. Ziet hij bijvoorbeeld een gevaar voor zijn functie wanneer Valentino Rossi stopt met racen? En hoe zit het nu met Michael van der Mark, komt hij ooit terecht in de MotoGP? Bestel de TT Special hier.

Tekst: Asse Klein
Foto: Henk Keulemans

Indian Chieftain Limited 2019 – test

1

Waarom Indian de Chieftain Limited genoemd heeft is niet geheel duidelijk, want beperkt is hij op geen enkele manier. Wat vindt redacteur Nick Enghardt van deze motor uit de 2019 line-up van Indian Motorcycle?

Redacteur Ad van de Wiel test de Indian FTR 1200 S. Check deze video hier.

Nanotechniek: Zelfherstellende lak

2

Kawasaki past op een aantal modellen een speciale laksoort toe, die kleine krasjes zelf herstelt. Dat lijkt bizar, maar met behulp van nanotechniek is dat mogelijk.

Tot nu toe werden motorfietsen geleverd met twee mogelijke ‘soorten’ lak: uni en metallic. Net als bij auto’s. Het grote verschil met vierwielers is, dat je bij de meeste motormerken geen meerprijs betaalt voor metallic, terwijl je bij auto’s soms wel tot 2500 euro moet bijtalen voor verf met glitters. En dat is vreemd, want qua kostprijs zit er meestal niet veel verschil tussen de twee laksystemen.

Vroeger was het anders. Toen was een uni-lak gewoon een alkyd- of kunstharsverf, waaraan pigmenten waren toegevoegd die de kleur bepaalden. Later kwamen er ook acryllakken, die in een oven werden gebakken. De lak smolt dan en trok daarmee mooi strak. Nog later werden er ook nog twee-componentenlakken geïntroduceerd, waarbij de droging van de laklaag niet zozeer door verdamping van oplosmiddelen werd verkregen, maar doordat de verfmoleculen zich aan elkaar hechten tot grote netwerken. Voor de alkyd- en acryllakken gold dat ze gauw dof konden worden. Ze waren niet zo hard en beschadigden snel. Er konden pigmentdeeltjes weggeslagen worden, waardoor er een wittige, doffe laag ontstond. Metallic lakken hadden hier minder last van. Doordat het aluminium het licht weerkaatste, werkte het als UV-filter en verouderde de lak minder snel. Om te maken was deze metallic lak nauwelijks duurder, want het verschil was niet meer dan een handjevol aluminiumschilfers.

Clearcoat

Vanaf 1980 werden metallic lakken op een heel andere manier aangebracht dan uni-kleuren. Uni-kleuren werden nog steeds als een enkele laag gespoten, maar metallic lak werd in twee lagen aangebracht: eerst een metallic kleurlaag, daarna een twee-componenten afdeklaag, de zogenaamde clearcoat. Die zorgde voor de glanzende en beschermende afwerklaag. Dat had veel voordelen, want doordat de kleurlaag en de beschermende laag apart gemaakt werden, kon de fabrikant de eigenschappen van de beide aparte lagen optimaliseren.

MOTO73 12/2019

Ben je benieuwd naar de rest van het verhaal over nanotechniek? Hoe gaat deze technologie precies in zijn werk? Je leest het in MOTO73 12/2019! Koop het nummer tot en met woensdag 19 juni verkrijgbaar in de winkel.

Foto: Fabrikanten
Tekst: Peter Aansorgh

Algeraid: on road door Algerije

0
Algerije Raid

Hubert Auriol kennen we van offroad in Afrika: hij won de Dakar drie maal. Een decennium geleden organiseerde hij een echte toertocht door Algerije. De Algeraid is het eerste grote evenement in dit land sinds 1993, een euforische gebeurtenis voor de Dakar-kampioen, die jaren bezig is geweest met de voorbereiding. Voor de Hollandsche nuchterheid en Brabantse gezelligheid tussen de voornamelijk Franse deelnemers zorgen Harry de Jong uit Rotterdam en Henk Verschuren, (Mr. Heroes Legend) uit Made.

René van Bakel

Dit prachtige avontuur begint voor mij met een sms van de redactie, als ik in Wenen van een vliegtuigtrap loop. Of ik samen met Hubert Auriol op de motor door Algerije wil, in plaats van de geblesseerde Erik Verhoef? Mijn hart maakt een sprongetje. Natuurlijk wil ik dat! Henk Verschuren rijdt samen met Harry de Jong met de Heroes Legend bus vanuit Nederland en hij neemt de motoren mee naar startplaats Marseille. Samen vormen we het Nederlandse detachement in de deelnemersgroep die verder bestaat leden van een Frans/Zwitserse BMW-club. Zelf rijd ik op een KTM 990 Adventure.

De Algeraid wordt niet meer georganiseerd

De Heroes Legend is het budget-alternatief voor Parijs Dakar, voor mensen die niet per sé als eerste hoeven aan te komen. Sterker nog; vanaf dit jaar kan men ook gewoon over de weg van bivak naar bivak rijden. Henk, de oprichter, organiseert deze rit samen met Hubert Auriol. Vandaar de link met de Algeraid.

Parijs

Ik besluit naar Parijs te vliegen – een mooi startpunt voor een Afrikareis, weten we uit het verleden – en daar bij Henk en Harry in de bus te stappen, zodat we elkaar al wat beter leren kennen. ‘Hubert is de race-directeur van Heroes Legend. Toen’ie vertelde dat de Algeraid er aan kwam, om Algerije open te krijgen voor evenementen zoals dit, vonden we dat natuurlijk een heel erg goed initiatief’, legt Henk uit, terwijl we onder de Arc de Triomphe doorrijden.

‘We hadden meteen het leuke idee om Erik Verhoef en zijn Jolande uit te nodigen en dan zouden Ans en Joanne ook mee komen om er met zijn allen een leuke vakantie van te maken. Maar toen had Erik een smoesje want hij had zijn knie verdraaid of zo… Nee, Erik was zwaar geblesseerd en liep op krukken, nog steeds trouwens. Dus gaan we maar voor de sightseeing.’

Motoren uitlaten

We rijden niet rechstreeks naar Marseille maar eerst even, zoals Harry met een brede glimlach oppert, naar de Gorges du Verdon, om ‘Effe de motoren uit te laten’ Harry rijdt op de (voorlaatste) Dakar motor van Erik Vehoef, een Gaulloise-blauwe KTM660 Factory replica. Henk heeft de voorganger van de 990 Adventure, de 950. En ik dus die oranje Adventure met Oostenrijks kenteken. Daar gaan we, voor koningin en keizerrijk! De weg door de Gorges du Verdon is prachtig om te sturen en dat kan met de KTM! Het 75 graden V-twin blok – afkomstig uit de Super Duke – pikt lekker snel op met veel power van onderuit. Ondanks de wat langere wielbasis laat de KTM zich werkelijk goed de bocht omleggen. Heel even zetten we de motoren af om te genieten van het uitzicht over de kloof. En daar gaat’ie weer… In totaal leggen we de ongeveer veertig kilometer inclusief stops af binnen veertig minuten; eigenlijk veel te snel is voor zo’n mooie plek. Maar niemand moppert…

Net Amsterdam

 We dieselen verder, naar Marseille. Daar treffen we nog twee medelanders. Martin Utberg en Niek Himpens van Topspeed tv, door Hubert uitgenodigd voor de bewegende beelden. Presentator Martin rijdt op een Varadero. Niek gaat deels vanuit de auto en deels vanaf de motor het geheel vastleggen. In de haven staat de BMW-club, aangevuld met een Harley, een paar scooters en een Ducati, te wachten.

De overtocht van Marseile naar Algiers duurt twintig uur en iedereen is dan ook blij om van boord te kunnen. In Algiers rijden we onder politie-escorte in colonne met nog geen vijftig in het uur vanwege files naar het hotel aan de kust. Eenmaal ingekwartierd pakken we met vier man een taxi naar het centrum van Algiers, waar we al snel op de Kazbah belanden. Er is veel te krijgen. Groente en fruit in overvloed, maar ook moderne electronica, kleding en zo. De mensen hier zijn heel relaxt en begroeten ons heel open en vriendelijk. Bezorgde voorbijgangers waarschuwen ons wel om waardevolle spullen niet al te opzichtig te laten bungelen wegens zakkenrollers, maar ja, dat is in Amsterdam niet anders.

Voorrijder

 De eerste volle dag begint vroeg. De allereerste motorbeurs in de geschiedenis van Algiers staat op het programma. Hubert geeft interviews aan de plaatselijke media. BMW, Yamaha, KTM en de Algerijnse motorpolitie bezetten de meest prominente stands. Buiten baren onze motoren veel opzien en veel jongelui laten zich erbij, erop of ernaast fotograferen.

Dan gaan we naar Tipasa. Deze belangrijke, oude Algerijnse – van oorsprong zelfs Phoenicische – stad en handelspost aan zee ligt niet ver van de hoofdstad. De Romeinen vestigden hier ooit een strategische militaire basis, van waaruit de verdere verovering Mauretanië werd ondernomen. Dit was in de oudheid oorspronkelijk een Berber koninkrijk aan de mediterrane kust van Afrika dat toen het huidige westen van Algerije en het noordelijke deel van Marokko besloeg. Het is dus niet het huidige Mauritanië zoals velen – wel begrijpelijk overigens – aannemen. De stad kreeg van UNESCO het predikaat ‘bedreigd werelderfgoed’.

Als we aankomen bij de poort, rijdt er een jongen met een ondeugende grijns en zichtbaar plezier op zijn brommertje tussen de groep. ‘We hebben een nieuwe voorrijder!’ wordt er in het Frans geroepen.

Wild haar

In Tipasa lopen we langs het het Amphiteater, een erfenis van diezelfde Romeinen. Het uitzicht zo tussen de ruïnes door op zee is prachtig. In de schaduw van een boom zit een groepje jongens en meiden met elkaar te flirten en als we daar foto´s van maken springt een van de meiden op en begint als een volleerd fotomodel te poseren. Ze laat zowaar haar lange weelderige haar onder haar hoofddoek uit komen. Weliswaar zet ze haar capuchon op zodat haar vrienden en vriendinnen dat niet kunnen zien. Als die erbij komen staan, kijkt ze licht beschaamd en ze verbergt snel haar wilde haardos. ‘Dat is net zo gewaagd als zou in Nederland een meisje topless gaan.’ Aldus Henk.

We rijden verder naar de Tombeau de la Chrétienne, een graftombe die koning Juba II, een Nubische vorst geboren in de laatste eeuw voor Christus volgens de overlevering liet bouwen voor zijn overleden vrouw, Cleopatra Selena II (dochter van Marcus Antonius en Cleopatra) met wie hij 26 voor Christus in het huwelijk trad. Augustus Ceasar schonk de bruid bij deze gelegenheid de heerschappij over Mauretanië. Het licht van de ondergaande zon zorgt voor een prachtige sfeer tijdens de rit terug naar Algiers. Mooi.

Ali Baba en couscous

 De tweede dag rijden we in totaal meer dan 600 km. Vanuit Algiers gaat het via een prachtige, bochtige weg door het Atlasgebergte. Hubert heeft haast en onze escorte, met Hubert in de auto er vlak achter, schroeft het tempo regelmatig op tot 130 -140 km/u. Bij de lunch hebben we het gebergte al achter ons gelaten en gaat het landschap steeds meer over in woestijn. Het dieprode gesteente vormt een prachtige achtergrond; de fotograaf in me is klaarwakker. We rijden vandaag in totaal meer dan 600 km. Ik stop om het landschap goed in me op te nemen. Geweldig zo groots, weids, … Leeg ook, merk ik als ik na tien minuten mediteren om me heen kijk en me realiseer dat de meute al tien minuten met gemiddeld honderdtwintig in het uur voor me uit is gereden. Nou, dan kan ik meteen eens kijken wat de KTM in huis heeft. Ik heb één lange asfaltweg door de woestijn voor me en in de verste verte is niemand meer te zien. Volgas spuit ik al driftend weg in het gravel naast de weg en zit al in zijn drie voor ik de weg opstuur. Daar grijpt’ie echt lekker door en ik zit binnen de kortste keren ruim boven de tweehonderd. Daarbij geeft het 999 cc metende LC8 blok een lekker ritmische roffel.

Bijzondere politie

De groep rijdt met escorte wat sneller door de spaarzame woongebieden dan ik, maar de politie zet direct de kruisingen af op het moment dat ze me aan zien komen. Ze gebaren dat ik wat meer snelheid moet maken. Dat is nog eens een wat, de politie die je aanmoedigt om het gas eens lekker open te trekken! Nog geen uur later, en voor de volgende tankstop heb ik de groep weer ingehaald. Ik vlieg nog effe lekker volgas de helft voorbij voor ik me weer bij Henk en Harry in de groep positioneer.

Op dat moment rijden we Ghardaia, een eeuwenoude stopplaats voor karavanen, binnen. We worden net buiten de stad ingekwartierd in een eeuwenoude oase met veel palmbomen. Het voelt alsof we een sprookje van Ali Baba zijn binnengewandeld. De couscous voor het traditionele diner staat tussen ons in op lage tafels, terwijl we op de grond plaatsnemen.

Elke 5 km

Op de binnenplaats danst een folkloristische groep. Er liggen tapijten op de grond, waar we op kunnen gaan zitten, en nee, ze vliegen niet. Ik zit naast Roeland en Marie-Claire de Stickere. Zij komen oorspronkeljk uit Oostende, maar nu wonen zij in het franse Ballaison, niet ver van Genève, waar Roeland als Hoofd Veiligheid van het Palais des Nations van de Verenigde Naties heeft gewerkt voordat de voormalige rijkswachter met pensioen ging. Hij is pas op latere leeftijd met motorrijden begonnen. Tegelijk met zijn kinderen! Hij rijdt een BMW GS 1200 Adventure en is sinds anderhalf jaar lid van de BMW club in Frankrijk. Roeland bezocht midden jaren 90 als VN-functionaris al eens Algerije, en had dus al een beeld van het land voordat het sterk beïnvloed werd door de terreuraanslagen van de FIS (Front Islamique du Salut). ‘Wat me als veiligheidsman natuurlijk als eerste opvalt zijn de politieposten. Om de 5 km een politiepost, dat springt natuurlijk gelijk in het oog. Verder is de infrastructuur achtergebleven. Je ziet megaprojecten, maar half afgewerkt. Met het wegennet is men wel begonnen, maar het duurt lang vooraleer er schot in komt. Aan de kust is een waterpark met glijbanen voor de toeristen gebouwd, maar dat is nooit opengegaan en staat nu weg te rotten. Daar waar je het verwacht – in de rijkere kustgebieden – is men niet veel opgeschoten. Juist de steden hier in het midden en zuiden, zoals Ghardaia, boekten opvallend veel vooruitgang. Het paleis hier is natuurlijk een droom van architectuur dat te vergelijken valt met de wereldberoemde werken van bijvoorbeeld Gaudi, of – hoe heet die Oostenrijker ook weer – Hundertwasser.‘

Historisch gegroeid

‘Hier is het echter historisch gegroeid; door de eeuwen heen is er stukje bij beetje aan gebouwd. Heel functioneel voor dit klimaat ook. Weinig deuren, wit, veel schaduw en de gangetjes zijn geconstrueerd om veel tocht te creëren.’ Intussen wordt er ‘lange thee’ geserveerd door een man, die het glaasje op het dienblad vanaf een dikke halve meter hoger volschenkt.

Marie Claire heeft het een andere ervaring. Zij rijdt mee in de auto met Niek Himpens. ‘Dat is bijzonder spannend. Onze chauffeur zei tegen Niek dat je zo in Nederland niet kunt rijden, natuurljk. Nee, zei Niek toen, in Nederland hadden ze je al lang gelyncht als je zo idioot door het verkeer raast…’

Autodokter

 ’s Morgens is de maansikkel nog te zien tussen de wuivende palmtakken, als we onderweg gaan naar het centrum van Ghardaia waar het vandaag markt is. Een tweetal oudere mannen met tulband kijkt gelaten toe, als er opeens een meute van zo’n tachtig motards slentert tussen de stalletjes met verschillende kruiden en specerijen, tweedehands onderdelen voor de vele brommertjes die men hier rond ziet rijden en groente en fruit natuurlijk. Ook de ‘oosterse’ tapijten worden veel verkocht. Op de markt lopen vrouwen met een normale hoofddoek maar ook compleet gesluierde vrouwen in een soort wit laken met één kijkgaatje van zo’n vier cm doorsnee als enige contact met de buitenwereld.

Vanaf een heuvel werpen we nog een laatste blik over de stad. De etappe van vandaag gaat naar El Oued. Deze pleisterplaats ligt midden tussen de zandduinen, die zo kenmerkend voor de Sahara zijn. Enkele kilometers voor de stad is de straat geblokkeerd. We worden verwelkomd met een folklore van dans en muziek en knallende musketten compleet met kamelen. Helaas is de zon na de show al onder. De duinen zien we pas de volgende ochtend. Met de hele club zetten we de motoren aan de kant en beklimmen de hoogste duin. In het ochtendlicht zien we zover we kunnen kijken zand en duinen. Naast me staat Lachène Fougar. Hij woont in Alès, nabij Montpellier, maar is hier in Algerije geboren, in Bougaa (Departement de Setif). Lahcène was 6 jaar toen zijn ouders naar Frankrijk verhuisden. Zijn vader wilde zijn kinderen laten studeren. Het liefst voor dokter. Hij werkte met de schop om het geld bij elkaar te sprokkelen. ‘Momenteel ben ik automonteur. Autodokter dus’ zegt Lahcène met een vette knipoog en een gulle lach.

Fils de pays

De Franse Algerijn las in een motortijdschrift dat Hubert Auriol deze motorreis naar Algerije organiseerde. Het was nog steeds zijn wens om ooit zijn geboorteland te gaan bekijken. Weliswaar is hij hier in 2003 op familiebezoek geweest maar hij heeft toen niet veel van het land gezien. Het was moeilijk om te zien dat zijn familie in armoede leeft. Hij stuurt ze nu regelmatig wat van zijn salaris. Maar nu beleeft hij dan zijn droom. Breedlachend, genietend vanaf een knalrode Ducati 1098. Het voelt als een echte pelgrimage. En dan te weten dat Hubert eigenlijk geen Ducati wilde toelaten vanwege de kleine actieradius van ongeveer 170 km… Verder noemde hij als argument de ‘racehouding’ die je op de Duc hebt. Lachène heeft Hubert op zijn knieen gesmeekt om mee te mogen. ‘Al moet ik mijn Ducati op mijn rug naar de volgende pomp dragen! maar ik wil mee! En die racehouding is al helemaal geen probleem! (hij toont zijn onderarmen, die zo dik zijn als de kuiten van een voetballer).’ Lachène had er zelfs nachtmerries van, tot het moment dat hij definitief het bevestigende antwoord kreeg. Dat ligt nu allemaal achter hem. Zijn ogen stralen. ‘Het is sprookjesachtig mooi om hier te zijn en dan met die vette klappen onder je kont door zo´n prachtig land te rijden. De douane en de politie moesten twee keer kijken, toen ze in mijn paspoort zagen dat ik een ‘ Fils de Pays’ (een zoon van het land) ben. Ze zeggen dat God een oogje voor me heeft open gehouden.’ Lachène geniet zichtbaar. Als motorrijder heeft deze fan van het Nederlands elftal – hij kent vanaf de jaren zeventig alle spelers uit het hoofd – veel op circuits gereden en voor zijn Duc heeft hij een aantal Yamaha R1´s gehad. Zijn droom nu is om een Ducati Desmosedici te kunnen kopen…

Nerveus

 Henk en Harry worden een beetje nerveus. Hubert herkent de blikken van onze zandhazen en zegt dat ze hun KTM’s maar even een duin in moeten sturen, omdat ze daar toch voor gemaakt zijn. Martin ondervindt dat zijn Varadero daar niet zo geschikt voor is als hij slechts twintig cm naast de weg tot aan zijn assen in het zand zakt. ‘Tja, geen woestijnbanden, hè!’ zegt Henk terwijl hij Martin meewarig aankijkt om hem vervolgens te helpen zijn Varadero weer op de weg te krijgen. Die rijdt alvast met de groep mee. Ik schiet nog een paar platen van het spelen in de duinen vooraleer we achter de groep aangaan. Als we de weg gewoon rechtdoor blijven volgen halen we die vanzelf wel weer in, heeft men ons verteld. Maar na een kleine drie kwartier krijgen we toch een beetje een vreemd gevoel… De kruisingen zijn niet meer afgezet door de politie, we volgen de weg die terug voert naar Ghardaia waar we gister al waren en nadat we een paar bedoeïnen en zelfs een boomlange politieman gevraagd hebben of ze een grote groep motorrijders zijn tegengekomen, krijgen we steevast tegenstrijdige berichten waardoor we twee maal zijn omgedraaid om in de andere richting te rijden. Uiteindelijk ‘vangt’ Henk een politieauto op die uit tegengestelde richting komt. Deze agent weet exact hoe groot de groep is en waar die naartoe gaat. Hij begeleidt ons tot we weer op de route zijn. ‘Als jullie deze weg volgen dan kom je in Biskra en daar is de lunch.’

Hulp?

 We slaan nog wat eten maar vooral ook drinken in, wat hier in de woestijn geen overbodige luxe is. Een kleine tachtig kilometer voor Biskra stoppen we en krijgen Martin aan de telefoon. Zij zijn net gearriveerd bij de lunch en zullen daar nog anderhalf uur blijven. Dat geeft ons tijd om weer bij de groep aan te sluiten. Op het moment dat we weer willen gaan rijden stopt er een vrachtwagentje met drie mannen met grote baarden. Zij vragen ons vriendelijk of we hulp nodig hebben. Lachend schudden we het hoofd en Henk legt nog even uit dat we alleen gestopt zijn om te bellen. ‘Dat zie je in Nederland niet meer. Daar karren ze gewoon keihard door.’ aldus Harry. Vanaf Biskra gaan het na de lunch direkt omhoog in het Aurèsgebergte dat weliswaar niet zo hoog is als de grote Atlas in Marokko maar wel een stuk hoger dan de Tell Atlas waar we aan het begin overheen kwamen. ‘Het lijkt hier wel een beetje op Utah’ zegt Harry. Het geeft een imposante aanblik, om de hele club er doorheen te zien rijden, met die rode en gele hellingen in de achtergrond. Deze werkelijk een prachtige route brengt ons onder andere via Constantine naar Skikda. Het eindpunt van een historische reis.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Algerije.GPX”]

Is dit de nieuwe Aprilia RS660 Supersport?

0
2020 Aprilia RS660

Op de EICMA 2018 toonde Aprilia een nogal verrassende motor: de RS660. Met veel bombarie werd de motor geïntroduceerd en aangeprezen als een nieuwe supersport. De Aprilia RS660 zou klaar zijn om het op te nemen tegen Kawasaki en Yamaha. Zowel op de weg als op het circuit.

We zijn inmiddels een half jaar verder. De eerste levenstekens van de Aprilia druppelen binnen. Zoals op social media, waar deze patentfoto’s opdoken. De poster beweert bij hoog en bij laag dat dit de nieuwe supersport uit Noale is. Zou kunnen. Maar mocht het waar zijn dan lijkt de motor uiterlijk weinig veranderd ten opzichte van het originele concept dat in Italië stond.

De Aprilia wordt aangedreven door een 660 cc paralleltwin die is afgeleid van het RSV4-blok. Daarvan heeft Aprilia de twee voorste cilinders van de V4 gebruikt. Zo kunnen ze de motor zo compact mogelijk bouwen. De vering wordt nu geleverd door Sachs, niet door Ohlins zoals op de conceptmotor. De overige esthetische en technische aspecten van de motor lijken vrij onveranderd te zijn gebleven.

Schotland: Highlands in de winter

0

Doorrijden in de winter was de laatste jaren een makkie. Maar je kunt ook te ver gaan. Je kunt bijvoorbeeld hartje winter naar de Schotse noordwestkust rijden.

Vijf minuten nadat we in het pikkedonker in Dornie aan de westkust zijn gearriveerd strompel ik een bloedheet hotelkamertje in. Mijn natte jas en handschoenen gooi ik op de verwarming. Daarna trek ik mijn schoenen uit. De walm van 550 km geploeter in de regen over zompige highlands komt me tegemoet. De zware lucht van bloemkool en aardappels die in het hotel hangt, is er niets bij.

Vanaf de boot van Newcastle kostte het mijn reisgenoot Bas en mij bijna elf uur om er te komen, terwijl er volgens de routeplanner 6,5 uur voor staat. Dat zit zo: we hebben de verkeerde motor en we dragen de verkeerde kleding.

Oké, met een Honda CBF 600 SA is natuurlijk niets mis bij dit soort ritten. Maar een Suzuki DRZ400 met noppenbanden en een zadel ter breedte van een reetveter, is bij grote afstanden alleen voor sadomasochisten aantrekkelijk. (‘Nou, zit best lekker,’ hoor ik Bas zeggen.) Maar mochten we ergens op de Highlands in een meter sneeuw terecht komen, dan kan een van ons op de DRZ naar de bewoonde wereld rijden om een vaatje whisky te halen voor de ander.

Tosti-ijzer

De kleding bestaat uit goede winterpakken met daaronder warmteondergoed, maar het probleem zit natuurlijk in de handen en voeten. Eigenlijk heb ik hetzelfde aan als tijdens eerdere wintertochten door Ierland, Cornwall en de Elzas, maar daar was de regen lang niet zo hardnekkig en guur als vandaag door Schotland. Als je daarin urenlang bij een temperatuur van een graad of twee rijdt, gaat het interne kacheltje vanzelf uit. Maakt niet uit hoeveel koffie en broodjes je erin gooit. De enige manier om je handen en voeten warm te krijgen is om ze rechtstreeks in een tosti-ijzer te leggen. Of langdurig hete koffie vast te houden. Dat zorgt voor veel tijdverlies. En voor gemopper: want waar blijft toch die opwarming van het klimaat als je hem nodig hebt?

Palmbomen

De naam Dornie zal niemand iets zeggen, maar toch is het wereldberoemd. Dat komt door Eilian Donan Castle, dat hier op een eilandje voor het dorp ligt: een kasteel dat figureert in talloze reisgidsen en films als Highlander en The world is not enough. De middeleeuwse bunker vat het karakter van de Highlands krachtig samen: meedogenloos, grimmig, naargeestig en tegelijkertijd indrukwekkend.

Na Dornie kunnen we twee kanten op. Naar het eiland Skye of langs de westkust naar boven. Skye is overbekend, maar de westkust van het vasteland kun je rustig rekenen tot Undiscovered Scotland. En daarom kiezen wij de laatste mogelijkheid. En nog maar nauwelijks hebben we de route naar het noorden gekozen of de Western Highlands laten zich van hun zachte kant zien. Nu eens niet donkerbruin gras, maar groene struikjes, helmgras, varens, bloeiende rododendrons

en palmbomen. Zegt u? Jazeker. In de beschutte baai van het artiestenplaatsje Plockton groeien palmbomen. Die gedijen namelijk goed in plaatsen waar het VVV wil bewijzen dat het lang niet zo koud is als wordt gedacht. Maar daar trappen we natuurlijk pas in als er dames met een hoelarokje in de buurt zijn. Wij zien echter alleen Schotse wandelaars in regenjassen en knickerbockers. En we horen de palmbomen klappertanden. We bevinden ons niet voor niets op dezelfde breedte als het noordelijkste topje van Denemarken.

Zondagsrust

Het is snel gedaan met het lieflijke Schotland. Na een half uurtje rijden we alweer over een kale hoogvlakte die geflankeerd wordt door donkere bergtoppen van tegen de 900 m. Veel zien we er trouwens niet van, want de wolken hangen erg laag vandaag. Niet veel later komen er bakken vol water uit. Maar we hebben de indruk dat het hier op een droge dag best wel eens mooi zou kunnen zijn.

De wegen zijn minder leeg dan de dunne lijntjes op de kaart suggereren en we passeren nog redelijk wat dorpjes. Niet een daarvan heeft op deze zondag een geopend tankstation – iets waar je met een tankje van DRZ-formaat toch altijd zo reikhalzend naar uitkijkt. Respect natuurlijk voor de zondagsrust, maar bij Kinlochewe hebben we er genoeg van. Beleefd, maar vastberaden slepen we een mevrouw uit haar huiskamer met het verzoek het naastgelegen tankstation toch maar even te open te gooien. Ze doet het. Als straf voor de verstoring, gaat het daarna nog veel harder regenen. Al even verzopen als gisteren bereiken we ons hotel in Ullapool.

Verhaal gaat verder onder het kaartje..

Ingewandengehakt

Het havenplaatsje Ullapool heeft maar 1300 inwoners, maar toch is het de grote stad in dit gebied, met zelfs in de winter nog een betrekkelijk levendig centrum van witte stenen huisjes en net genoeg pubs voor een kleine kroegentocht.

In de Seaforth pub bestellen we een potje ingewandengehakt, beter bekend als haggis. Bij

buitenlanders staat dit nationale gerecht symbool voor de barbaarse smaak van de Schotten, maar eigenlijk valt het ons best mee. Dus dat zegt Bas dan ook vriendelijk tegen de gastvrouw. ‘Lang niet zo goor als ze zeggen, mevrouw!’ Als hij haar daarna even sympathiek wijst op een foutje in de bediening zijn de rapen gaar. Briesend loopt ze weg en ze weigert ons nog te bedienen.

‘Trots volk wel, die Schotten,’ zegt Bas als we ontnuchterd naar het hotel terugkeren.

Machtige kustbergen

Het weer is de volgende morgen volledig omgeslagen. Voor het eerst zien we blauwe lucht. Nu blijkt hoe prachtig Ullapool aan de diepblauwe Loch Broom ligt. Het is zo helder dat we de noordelijkste eilanden van de Hebriden, 70 km van de kust af, ontdekken. ‘We hebben het hele stuk niet voor niets gereden,’ constateert Bas tevreden. Als we weg A837 naar boven nemen, wordt het eigenlijk alleen nog maar mooier en magischer. Machtige kustbergen als de Ben More Coicagh (743 m) en Cul Mor (849 m) toornen groots boven breedgolvende moors uit, die zijn bedekt met bruingele heide. Maar dan wat gehuchten en boerderijen komen we niet tegen. Over de culturele bezienswaardigheden kunnen we dan ook kort zijn: een paar gesloten musea ter grootte van een schuur en twee ruïnes bij Loch Assynt. Een daarvan is Ardvreck Castle, dat als een soort middelvinger boven het loch uitsteekt. In april 1650 zocht de op de vlucht geslagen graaf Montrose hier zijn toevlucht. Nadat de vrouw des huizes Christine McLeod hem welkom had geheten, sloot ze hem met een list in de kerker op. Nog geen maand later werd de graaf in Edinburgh geëxecuteerd. Het voorval staat bekend als hoogverraad aan de legendarische Schotse gastvrijheid. Zoiets komt normaal gesproken nooit voor. Maar Bas denkt daar anders over. Hij meent zelfs te weten in welke pub te Ullapool een verre nazaat van Christine McLeod werkt.

Boomloos

Na het kasteeltje begint de noordwesthoek van de Highlands, die als het meest onhergbergzame deel bekend staat. De kolos Quinag Mountain (808 m), vlak na de enige haarspeldbocht die we tegenkomen, zorgt inderdaad voor een imponerend welkom. Maar daarna verzacht de winterzon veel. Zagen we de eerste dagen alleen maar zwartwit foto’s, nu bestaat het landschap uit aardige pastelkleurtjes. Toch blijft de ondertoon een tikkeltje zwaarmoedig. We houden het erop dat dit door de huizen komt. Betonkleurige, zuinige hokjes met kleine ramen, waarin alle ontberingen van het Schotse leven lijken opgeslagen. ‘Als ze hier houten huisjes hadden neergezet, zag het er drie keer zo vriendelijk uit,’ vindt Bas. De vraag is alleen waar ze het hout vandaan moeten halen, want het gebied lijkt grotendeels boomloos.

De weg begint steeds meer een waardig hommage aan John McAdam – de Schotse uitvinder van het asfalt – te worden. Bij het gat Newton hopt hij over wat eilandjes, erna kronkelt hij mild langs rotsachtige kustinhammen en lochs met helderblauw water. De hoogste bergen hebben we achter ons gelaten, maar de enkele piek die we passeren (Foinaven 911 m) is met sneeuw bedekt. ‘Gisteren gevallen,’ zegt een winkeleigenaar in Scouri More. ‘De winter is nog lang niet voorbij. En als je niet snel weg bent, ga je daar nog wat van meemaken,’ laat hij er onheilspellend op volgen.

Vrouwen met vislaarzen

De laatste stopplaats aan de westkust is het vissersdorp Kinlochbervie (480 inw.). Alle toebehoren die wijzen op een afgelegen ligging zijn hier aanwezig. Een tankstation waar je drie keer voorbij rijdt zonder het te zien, een winkel die alleen maar blikvoer en verf verkoopt, mannen die stomverbaasd naar motorrijders kijken, vrouwen met vislaarzen, een vishaven die met EU-geld is betaald en een hotel waar het nog steeds 1970 is. En bovenal een oogverblinde omgeving: steile heuvels, de woeste kliffen bij Droman en enkele van de mooiste stranden van Groot-Brittannië: Sandwood Bay en Oldshoremore. Er is zoveel moois te zien dat we ons reisdoel Cape Wrath – noordelijkste punt van de westkust niet voor donker halen. Morgen dan maar, besluiten we.

Hondenweer

Maar dat is een inschattingsfoutje. Dat blijkt als Bas de volgende morgen in alle vroegte paniekerig op mijn kamerdeur bonst. ‘We moeten snel weg,’ roept hij. ‘Het wordt hondenweer vandaag!’ Nog voor het goed en wel licht is, snellen we het dorp uit om dwars over de Highlands naar de oostkust over te steken. We zijn amper een kwartier onderweg of het begint te sneeuwen. En voor ons ligt 50 km onbewoonde wereld.

‘Hadden ze sneeuw voorspeld?’ vraag ik.

‘Ja, heel veel zelfs,’ antwoordt Bas. ‘Maar ik dacht: ik hou mijn mond maar, misschien zijn we het voor.’

We besluiten zo hard mogelijk door te rijden, want met het beetje dwarsprofiel van de banden van de Honda wil je niet door twintig centimeter sneeuw ploegen. Maar na 10 km is alles al wit, ook het wegdek. Door het groffe asfalt valt de gladheid nog mee, maar het zicht is slecht. Tegen het beslaan van het vizier is niet op te wrijven. Met een half geopende klep en sneeuwvlokken die in de ogen priemen, gaat het nog het best.

Wolven

Het verloop van de weg kunnen we nog net volgen door het spoor van een vrachtwagen die ons voor is geweest. Alsof we door een roedel hongerige wolven worden opgejaagd, jakkeren we voort. 60, 70 km/h rijden we, soms 90 en nog steeds voel ik de Honda nauwelijks glibberen. En dan komt de vrachtauto in zicht die voor ons uit rijdt. Het blijkt een strooiwagen te zijn…

Les één bij motorrijden in de sneeuw luidt waarschijnlijk: passeer nooit een strooiwagen. Maar dat bedenken we pas als we er al voorbij zijn. Vanaf nu concentreer ik me op het noppenspoor van Bas, die kennelijk minder last heeft van een beslagen vizier. Vraag me hoe, maar heelhuids bereiken we de bewoonde wereld.

Op de doorgaande wegen is de sneeuw hier al grotendeels weggereden. Maar het lukt niet meer om uit de greep van de kou te blijven. In etappetjes van hooguit 50 km rijden we van pubkachel naar pubkachel. De Schotse Highlandkust is prachtig in de winter, maar toch net iets te ver weg.

Royal Enfield Continental GT 650 & Interceptor 650 test

0

De laatste decennia associëren we Royal Enfield met prehistorische mono’s. Die tijd is over: met roadster Interceptor 650 en caféracer Continental GT 650 staan er twee moderne twins die niet alleen hun uiterlijk, maar ook hun prijs meehebben. Hoe rijden ze?

Frankrijk: Lotharingen

0

Gold Lotharingen door zijn kolen- en staalgebieden eens als grijze muis, nu is de industriecultuur salonfähig met schitterende steden als Metz of Nancy. Industriemoe?Het uitgestrekte akkerland rondom bieden ideale vluchtwegen in de groene natuur.

Klaus Daams

De hoogovens van Lorfonte en Richemont worden met potlood onderstreept. Niets tegen de mooie vakwerkdorpen of heuvels van de Vogezen, die in de reisgids eveneens worden beschreven, maar bij een reportage onder het motto : « Het avontuur werk – en natuur- in het kolenbekken om de Carreau Wendel-mijn » neemt de ansichtkaart-idylle nu eenmaal de tweede plaats in. Dus nog het hoofdstuk over de ijzer- en staalindustrie van Lotharingen aangekruist, voordat het boek tenslotte in de koffer van de Ulysses verdwijnt.

Op deze motor snel ik een paar uur later op de A1 door de Eifel richting Saarland. De vrijdagavondzon dompelt het vette wormachtige bochtstuk in een gouden gloed. De mijn (La Mine) en het industriemuseum Carreau Wendel, ook wel Wendel-Vuillemin genoemd, ligt direct achter de Duits-Franse grens in Petite-Rosselle- kan echter wegens het ontbreken van een fotografeervergunning pas na het weekeind bezoek van het Amerikaanse staal krijgen.

Genoeg tijd dus om met de brullende Buell de koeien in de wei te laten galopperen; of om ontspannen te kanoën op de liefelijke Nied, heel vreedzaam. Dat het in deze streek niet altijd vreedzaam toeging- Verdun is maar honderd kilometer verwijderd – en dat het noordelijke deel van Lotharingen en de hele Elzas eens tot het Duitse rijk behoorden, mag als bekend worden verondersteld en is hier niet het thema.

Hackenberg, het grootste fort in de Maginotlinie, de kastelen van Malbrouck en Sierck-les-Bains als ook Rodemarck, een van de misschien mooiste dorpen van Frankrijk, behoren tot de „musts“ voor iedere toerist. Dat geldt minder voor de hoogst omstreden en in het liefelijke Moezellandschap overal zichtbare atoomcentrale Cattenom met zijn vier machtige koelwatertorens, waaruit iedere minuut donkere wolken in de lucht ontsnappen.

Tijd om een logeeradres te zoeken. Alle hotels – en dat zijn er niet veel in dit niemandsland dicht aan de Luxemburgse grens – zijn vol. Geen wonder, morgen is het Pinksteren. Eerder van gisteren lijkt Aumetz, dat eruitziet als een uitgestorven, spookachtig stadje na de goldrush en waar de schachttoren van een stilgelegde mijn als een galg in de nachtelijke hemel oprijst. Er zit niets anders op dan naar Thionville te vluchten. In ieder geval een goede gelegenheid om op de bewegingsgolf van de Ulysses door het centrum te surfen totdat Odysseus eindelijk in het Hotel du Parc een zacht bed vindt. En daarna direct doorgestart naar het volksfeest op het Place de la Liberté, dat aan de Cranger kermis in het Roergebied herinnert.

Vrije tijd en werken, je afbeulen en je ontspannen- een verbintenis, waarin de meeste mensen gelukkig, of in ieder geval tevreden zullen zijn geweest. Voor de Kumpels in Lotharingen hield deze band tot het jaar 2004, toen voor de kolenmijnbouw het laatste uur sloeg. Tot dat jaar heeft men in ruim honderd jaar tijds bijna drie miljard ton minette gedolven, oölitisch ijzererts met een gering ijzergehalte, dat over een lengte van 120 kilometer van Haye tot naar Luxemburg in het gesteente van het Moezelgebergte te vinden is. De resultaten van de veredeling kunnen nu nog bewonderd worden aan de Eiffeltoren, waarvoor de staalfabrieken van Pompey 7300 ton materiaal hebben geleverd.

De crisis, onder meer veroorzaakt door concurrentie van hoger ijzerhoudend importerts, wist men te pareren door het productieassortiment uit te breiden en ook door investeringen in nieuwe technologieën, met het gevolg dat het Lotharingse staal thans op de wereldmarkt iedere concurrentie kann aangaan. Hoe dat er concreet uitziet, kan men goed bestuderen in de Vallée de la Fesch bij Thionville, waar het Arcelor-concern, wereldwijd nummer twee in de productie van staal, letterlijk hoog van de toren blaast. Omdat bij het traditionele hoogovenprocédé bij het winnen van een ton ruw ijzer ook 1,5 ton kooldioxide, de klimaatkiller bij uitstek, vrijkomt, hebben Europese ondernemingen de Ulcos (Ultra Low Co² Steelmaking) in het leven geroepen. Streven is om de emissies met 30 tot 70 % te verminderen.

Willen wij naar het openluchtmuseum van ijzerertsmijnen (Ecomusée des Mines de Fer) van Neufchef, ongeveer 10 kilometer ten zuidwesten van Thionville bij Hayange- of maken wij liever een rit de hemelsblauwe zondagmorgen in? Geen moeilijke keus. Maar voordat de als Enduro gecamoufleerde streetfighter met zijn achter traliewerk gevatte dubbele schijnwerpers als een gloeiende tweelingslans in de armada van insecten te keer gaat, eerst nog een ronde Hayange. Uit de functionele sculptuur van een staalfabriek- waar overigens de rails voor de TGV worden gemaakt – rijzen de drie somberbruine torens als raketbases op. Direct daarnaast bloeit een waar mijnwerkershuisjes- en volkstuintjes-idylle, en in de schaduw van de A30, die over de stad heen gelegd is, beloven de ongeschminkte beige-grijze gevels van de discotheek Decibel en van Club Privé Syracus ondanks of juist dankzij al deze triestigheid een leven vol kleur. De Underground Tattoo Studio in de rue de Verdun is in ieder geval in staat om deze kleurigheid op kunstige wijze en levenslang aan te brengen. En nu alleen nog XB12X in Barricade Orange.

Eerst naar de Moezel, dan naar het natuurpark om het meer van Madine, dat is grofweg het plan. Langzamerhand wordt het werkelijk mooi en typisch Frans.De hitparade dreunt uit de open bars en uit de over de rotondes cirkelende Clio’s en Co, die overluid worden begeleid door DJ’s met zomaar even 14000 lettergrepen per minuut. En er middentussen in de blues van de Buell, ondersteund door het luide zoemen van de ventilator voor de achtercilinder.

Plotseling moet er scherp geremd worden in Ars-sur-Moselle, waar op de stoep een zilveren unicum voor een excurs aanleiding geeft: „De kunst om samen met motors oud te worden“. De Peugeot Moto Comfort 250 van 1955 is de trots van Robert Buniet, die juist met zijn vriend René Maguin in een vakgesprek op niveau is gewikkeld. Dat zij evenwel voor de vreemdeling uit Amiland graag onderbreken. In de garage van monsieur Maguin, hij is 75 en was 30 jaar lang verkoper bij Simca en Peugeot, sluimeren schatten als een Moby Sport 125 en een Motobecane 125 met handschakeling, en alle hebben er minstens een halve eeuw op zitten. In de schappen diverse blikken met vloeibaar lood, daarnaast een verzameling van motorhelmen uit de tijd. Op een vervuld leven, au revoir en bonne route!

Een paar kilometer in het zondagmiddagsverkeer langs de Moezel, en dan rechts af het dal in van de Rupt de Mad. Vijfde gang, 2500 toeren- dat is voorlopig genoeg. Nauwelijks nog verkeer, in plaats daarvan meer akkers, meer koren, meer hemel, langzamerhand ook meer toeren op de teller. Wie daarmee niet tevreden is, kan zich aan het lac de Madine vermaken, een meer van 1100 ha, compleet met camping en een infrastructuur die bij het vrijetijdsleven hoort. Of op de 375 meter hoge Butte de Montsec, waar een Amerikaans monument, goed gecamoufleerd als een antieke tempel, aan de Eerste Wereldoorloig herinnert. De ruïnes van Grand zijn ongetwijfeld voor historisch geinteresseerden een hoog genot. In de thermen van deze eertijds Romeinse stad werd de god van de geneeskunst, Apollo Grannus, vereerd. Daarnaast bood een amfitheater dat 17000 toeschouwers kon bevatten gelegenheid bij gladiatorengevechten te schreeuwen of te kermen. Op een krachtige speerworp afstand van Grand verwijderd staat in Domrémy-la-Pucelle het geboortehuis van Jeanne d’Arc, Franse nationale heilige en zeker de beroemdste Lotharingse.

‘Vous cherchez quelque chose?’, aldus onderbreekt mij charmant een autorijdster bij het bestuderen van de kaart op de kruising van D 12 en D 908. Wat ik zoek? Een zo ideaal mogelijke motorroute voor de avonduren. Weliswaar leert de ervaring dat zich deze het best zonder vreemde hulp laat vinden. Het enigszins heuvelachtige landschap heeft, met lichte overdrijving, de naam van Klein Lotharings Zwitserland gekregen. „Eric’s Land“ zou ook goed passen. Alsof de Buell door de maker zelf juist voor dit land is ontworpen, schreeuwt zij als een bronstig hert op de smalle departementswegen en in het dal van de Esch, maakt plotselinge wendingen als een haas en laat de nozem van weleer weer opleven. Maar goed dat er voor de laat-pubertaire escapade geen getuigen zijn. Eenvoudigweg even voor het plezier van het horen twee of drie gangen terugschakelen en dan weer gas geven, zodat aan de rand van de weg de korenhalmen op de wind heen en weer schudden.

Wie daarna een kaars voor Eric zou willen opsteken, kan dat in de voormalige abdij der Premonstratensers in Pont-à-Mousson doen. Het kloostercomplex ligt direct aan de Moezel en is zetel van het Europese centrum voor sacrale kunst. Alternatief kan men bij Blenod in Jezainville een zwaar-industriële gedenkpauze inlassen: een fabriksareaal met buizen als tentakels van een reuzenkreeft, daarin flakkerend vuur als het oranjekleurige oog van een cycloop. In het mooie centrum van het Moezelstadje interesseren dan eerlijk gezegd alleen nog maar een filet canard en drie Kronembourg van het vat.

Pinkstermaandag. ‘Kerkdienst’ op Eurosport met de MotoGP van Mugello. Inmiddels brengt in Lotharingen Petrus regenwolken naar de startplaats. Een ideale dag voor een uitstapje naar het motormuseum in Amneville- of naar de kunst- en Jugendstilmetropool Nancy, waar op het werkelijk schitterende Place Stanislas de grote zonneschermen van de straatcafés bij ieder weertype beschutting bieden. Het barokke ensemble is te danken aan de Poolse koning Stanislaus Leszczynski, die, in zijn eigen land onttroond, tengevolge van de heerlijke machinaties van de 18de-eeuwse huwelijkspolitiek hertog van Lotharingen werd en daar dertig jaar lang als bouwmeester furore maakte.

Genoeg bezinning op deze feestdag. Met koers zuidoost weg uit Nancy, voorbij aan St.Nicolas-de-Port met zijn laatgotische basilica en het Franse brouwerijmuseum – beide staan vandaag niet als eerste opgesteld- naar Dombasle-sur-Meurthe. Een idyllische plaats: vissers en joggers bevolken de oever van de rivier, muscleshirt en mastiff worden er uitgelaten. Daarachter „Solvay Carbonate France“, de belangrijkste sodafabriek van Frankrijk met kalkovens die tot de grootste der wereld behoren. 1,4 miljoen ton steenzout wordt jaarlijks op het in de buurt gelegen plateau van Haracourt gewonnen en in Dombasle verwerkt.

Vrije vaart ten oosten van de Moezel tussen Nancy en Metz in een dicht geknoopt net van smalle landwegen. Bij Velaine-sous-Amance kwinkelieren vogels, koeien herkauwen bij Sivry en aan de hemel bewegen zich steeds wisselende wolkenformaties. Aan de D 44 bij Serrières rijzen als twee-eiige tweelingen een stalen elektriciteitsmast en een ijzeren kruis aan de weg op in de inmiddels bijna vlekkeloos blauwe hemel. In de vrije ruimte onder de Gekruisigde spant een spin met even dodelijke als esthetische precisie haar net uit. Arbeid en natuur. Het „staaldraden“ producerende insect als wapendier van de streek? Zelfs voor Frankrijk waarschijnlijk iets te revolutionair. Reeds sedert 1430 is het Lotharingse kruis, met de karakteristieke twee balken, het wapen van het land. In de Tweede Wereldoorlog werd dit kruis symbool van het Franse Verzet en van de regering-in-ballingschap onder Charles de Gaulle.

Bij Eply geurt het landelijk, de scenerie herinnert sterk aan de Niederrhein, om precies te zijn aan de Duffelt, tussen Nijmegen en Kleef. Daar hebben jaren geleden vindingrijke cineasten de mensen verteld, dat zij gehoord hadden, dat zich in de buurt het paradijs zou bevinden; of zij wisten waar precies? Uiteraard was er geen Niederrheiner die niet dadelijk een gedetailleerde beschrijving wist te geven. In het landelijke Lotharingen zal het waarschijnlijk niet anders zijn; en de witte runderen van Raucourt zijn natuurlijk betoverde prinsessen.

Hoe mooi het ook zou zijn geweest: een gezellig landhotel lag in de afgelopen uren niet aan de weg. Dus alsnog naar Metz, de hoofdstad van Lotharingen. Met zijn vele oude kerken, burgerhuizen en bruggen, een mengeling van middeleeuws flair en modern leven. En boven alles uit steekt de gotische kathedraal St. Etienne met glazen ramen van Marc Chagall. Als dan ook nog de 13000 lampen en spots de lichtmetropool dompelen in een knus en warm schijnsel, wordt gegarandeerd zelfs de grootste anti-romanticus zwak.Voor de profane dingen des levens zorgt het centraal gelegen hotel Kyriad, met ondergrondse garage en vis-à-vis het kebab-restaurant Berfin- met de beste döner van de stad, zoals de man aan het draaispit trots verkondigt.

‘Dat daar is de frees van een freesmachine, waarmee ondergronds de steenkool gewonnen wordt; de hele machine is 13 meter lang en weegt 83 ton’, legt de gids Roland Heckel op het terrein van de Carreau Wendel Mijn uit. Zoals vele Lotharingers in de grensstreek spreekt hij Duits. Begonnen is de winning van steenkool reeds in 1856 in deze mijn, die overigens genoemd is naar de Franse fabrikantendynastie de Wendel, die de mijn in hun imperium inlijfden en tot een wereldonderneming uitbouwden. Nadat het Lotharingse kolenbekken afwisselend dan weer tot het Duitse Rijk, dan weer tot Frankrijk behoorde, kwam Wendel na 1945 aan de staat. Een grondige modernisering had plaats en de productiecapaciteit werd in vergelijking met de vooroorlogse situatie verdrievoudigd. Zijn bloeitijd bereikte de mijn in de jaren zestig met een maximale productie van 10.000 ton steenkool per dag.

Ter vergelijking: In de Ensdorf-mijn in het Saarland, een van de acht overgebleven Duitse mijnen, worden dagelijks 24.000 ton steenkool gewonnen. Toen in 1986 de toegankelijke steenkoolvoorraden uitgeput waren, sloot Wendel na 130 jaar. En opende zijn poorten weer in 2001, nu als industriemuseum van de staat, waar, uniek in Frankrijk, de voor het grootste deel bewaard gebleven machinerieën voor het winnen van steenkool een realistische blik in het werk zowel boven- als ondergronds toelaten. Kortom, hoogst indrukwekkend.

Wasinstallaties, schachttorens, machinehallen, kolentransportlokomotieven- alles is er nog, als had een reus overhaast zijn speelplaats verlaten. Of alsof een neutronenbom is ingeslagen, want van de uiteindelijk nog 2800 mijnwerkers zijn er maar weinige over: 50 vullen de oude schachten met beton, acht werken in het museum. Alleen wat gras en onkruid proberen zich heel voorzichtig te vermeerderen. Onverwoestbaar is ook een oude rode tractor, die uit een of andere poort als een tor aan het licht krabbelt. Twee uur duurt de rondleiding, aan het eind waarvan de Ulysses 1200 nog verrassend gezelschap krijgt: Bij de ingangspoort van Wendel duikt plotseling een Shadow 125 op, in het zadel en nauwelijke terug te kennen Jean Claude Weyland, de 60-jarige bestuurder van de tractor. Hij cruist regelrecht zijn vrije tijd binnen. ‘Glück auf!’.

Bezienwaardigheden

  • Mijnbouwmuseum Carreau Wendel, Petite-Rosselle, tel. +33 (0)3 87870854, www.la-mine.fr
  • IJzerertsmuseum Aumetz, Aumetz, tel. +33 (0)3 82919626/82857655, www.musee-minesdefer-lorraine.com
  • IJzerertsmuseum Neufchef, Neufchef, tel.+ 33 (0)3 82857655, www.musee-minesdefer-lorraine.com
  • Niet te vergeten de Völkinger Hütte, een ikoon van de zware industrie; www.voelkinger-huette.org
  • Niet in een museum, maar op muren en op huisgevels kunnen in Algrange, Fameck, Florange, Hayange, Knutange, Nilvange en Yuts (alle bij Thionville) muurschilderingen van Greg Gawra bewonderd worden, een hommage aan de wereld van de kleine man tijdens de industrialisering van Lotharingen.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-0208_lotharingen.GPX”]

Erzberg Rodeo vanuit het zadel

0
Erzberg Rodeo 2019

Het is één van de zwaarste endurowedstrijden ter wereld, vergelijkbaar met die zotte Romaniacs. De Erzberg Rodeo werd dit jaar voor de vijfentwintigste maal georganiseerd in een Oostenrijkse groeve die de bijnaam  ‘De IJzeren Gigant’ draagt. Vier dagen lang vol gas om je maar te mogen kwalificeren voor de laatste dag. Dan wordt namelijk de Red Bull Hare Scramble verreden, waar slechts 500 van de in totaal 1700 deelnemers aan kunnen meedoen. Tijdens die wedstrijd rijden amateurs als wel professionele endurorijders, motocrossers en trialrijders tegen elkaar. Hoe moeilijk dat is? Nou, de amateurs gaan er bij de start eigenlijk al vanuit dat ze maar vier of vijf van de checkpoint zullen gaan halen – Van de 27. Zo moeilijk dus..

Maar dat zelfs zo’n wedstrijd makkelijk kan lijken bewijst Graham Jarvis. De Brit wist dit jaar voor de vijfde keer de winst te pakken en filmde die hele tweeënhalf uur durende strijd met zijn helmcamera. De beelden? Die zie je hieronder! Let op: al snel zit de camera vol modder, vanaf 3 minuut 35 is er weer onbelemmerd zicht.

Foto: ©Philip Platzer/Red Bull Content Pool

Weerzien: Honda CBF1000A 2008 Test

0
Honda CBF1000 2008

We testen sinds 1973 motoren. In deze rubriek hebben we oog voor de beste motoren van weleer, die nu vaak voor een prikkie in de showroom staan. We nemen motoren die ooit een vergelijkingstest wonnen onder de loep; wat kosten ze nu en hoe rijden ze naar de huidige maatstaven?

Eenvoud troef

Een vergelijk, dat ingestoken werd om onder de dikke Japanse sporttoerders het kaf van het koren te scheiden, wordt gewonnen door de minst sterke en de enige van de drie die geen koffers heeft. Dan moet die Honda CBF1000A toch wel iets bijzonders zijn…

Tien jaar geleden was deze CBF1000A van Honda een van de bestverkochte motoren van het land, waarop MOTO73-testredacteur van dienst Sjoerd Schippers in MOTO73 editie 13 van 2008 besloot: ‘Beoordeel je deze motor enkel op zijn uiterlijk, dan snap je daar misschien niks van. Het is niet de meest flitsende motor, suf is een veelgehoorde benaming, maar je krijgt wel heel veel motor voor de iets meer dan tienduizend euro die je moet betalen’. Een dikke tien jaar later betaal je van die 10.110 euro nog maar 39,5 procent. Weet wel dat er dan inmiddels – schrik niet – 85.450 kilometers onder de wielen door zijn gerold.

Honda CBF 1000 2008 Actie

Die waarschuwing niet te schrikken komt vooral omdat zijn uiterlijk weinig verraadt van die indrukwekkende kilometerstand. Het uiterlijk kan nog altijd, zoals men toen ook concludeerde, als suf worden omschreven. Maar suf of niet, de snaarstrakke afwerking waar veel Honda’s om geroemd werden en worden, betaalt zich uit. Op een paar kleine plekjes na is de motor waarlijk als nieuw. Waar de laarzen de schetsplaten raken en hier en daar een klein plekje vliegroest is al dat er te vinden is wat optiek betreft. Dat ook het blok nog heel strak in de lak staat, is het bewijs dat Honda’s intentie de motoren nog net dat beetje beter af te werken, zijn vruchten afwerpt. Motoren van Honda van een generatie voor deze CBF werden geteisterd door afbladderende verf op de krachtbron. Hier, niets van dat alles.

Wat rijden betreft roemde Schippers zijn schakelluie karakter, wat hem totaal anders maakte dan de Suzuki GSF1250 Bandit GT en de Yamaha FZ1 Fazer Grand Tour waar men de Honda tegenover zette. Aan de kant van de Suzuki wordt het op koppel gegooid – met liefst 15 newtonmeter meer dan de CBF – en de Yamaha zet in op sportiviteit. De FZ1 is namelijk wel 23 kilo lichter, heeft een upsidedownvork en welgeteld 52 pk meer dan de Honda. Hoe de Honda daarvan wint? Nou, niet alleen op de prijs, want ja, met 11.395 euro voor de Suzuki en 12.999 euro voor de Yamaha, is de CBF inderdaad wel de prijspakker, maar zijn allroundkarakter geeft de doorslag. ‘Geen flitsende motor, maar wel een waar je je direct op thuis voelt. En of je er nu hard mee wilt rijden in je eentje, of samen met vrouw en bagage een lange reis wil maken, het kan allemaal’, aldus Schippers.

Als een katana door karnemelk

Nu haalde Schippers zelf geen punten aan die erg gevoelig zijn voor het verstrijken van de tijd, maar de meningen van gastrijders duiken daar wel in. De ene roemt zijn heerlijk schakelende bak en de vertrouwenwekkende en strakke vering, terwijl de andere graag de prima remmen – met ABS, toen nog een luxe en geen verplichting – benadrukt. Dat zijn nu net wel zaken, waar de tand des tijds wel eens een pijnlijke hap uit kan nemen. Als het exemplaar dat wij reden compleet genegeerd is wat onderhoud betreft, willen we het graag de titel meegeven van meest onverwoestbare motorfiets die we ooit gereden hebben, maar naar alle waarschijnlijkheid heeft deze CBF1000A simpelweg altijd braaf zijn beurtjes en voldoende aandacht gehad.

Honda CBF1000 2008 Static

Daarmee is eigenlijk niets van zijn oude glorie vergaan, want het stuurt nog altijd boven verwachting strak. Het remt niet heel hard, maar wel meer dan hard genoeg voor een motor van dit kaliber. En ja, dan die bak. Schakellui is het blok absoluut, met een prima voorraad koppel aan de rechterpols. Het maakt nagenoeg niets uit in welk verzet je het aanspreekt; het is er. Komt het wel op schakelen aan, dan ga je haast op zoek naar de quickshifter, zo soepel gaat het. Als een mes door de boter? Vervang dat mes door een net geslepen katana en in plaats van boter is het lauwe karnemelk waar het doorheen vliegt; zo vloeiend en gemakkelijk. En dat nadat de CBF al het overgrote deel van een ton heeft gedraaid.

Eenvoudige uitblinker

Waar de CBF1000A vooral – nu nog – in uitblinkt, is de eenvoud. Weinig aan de motor verrast en tegelijkertijd is het toch op veel manieren een verrassende motor. Het trekt zonder moeite een pak koppel open, en wel in een mate waar je niet op rekent met dat redelijk behouden uiterlijk. Ook het kinderlijk eenvoudig omgooien van de motor waar MOTO73 in 2008 al over roemde, kunnen we tien jaar – en ruim 85.000 kilometer later – ook nog steeds beamen. Het gecombineerde ABS-remsysteem werkt, zoals Schippers toen al zei nog altijd ‘simpelweg goed’, al blijft het wennen dat de motor iets duikt wanneer je de achterrem intrapt.

Overigens was het niet enkel lof voor de Honda in 2008, want het ruitje verstellen bleek het testteam van toen niet heel gemakkelijk af te gaan. Blijkbaar is het echt niet het meest eenvoudige stukje verstelling, want het was ons niet eens opgevallen dat de occasion die mogelijkheid had. O, en de klokkenpartij, die werd ook als ‘minst modern’ van de drie weggezet. Daar kunnen we het hier, zelfs zonder vergelijking, alleen maar mee eens zijn.

Door de bank genomen moet je erkennen dat alle punten die in 2008 in het voordeel van de CBF1000A spraken, er een decennium later nog altijd zijn, en dat ze weinig van hun glans hebben verloren.

Honda CBF1000 2008 Actie

Hoeveel mag hij kosten?

We hebben de prijs al even besproken, maar er één ding is zeker: met 3995 euro ligt deze specifieke Honda CBF1000A goed geprijsd in de markt. Goedkoper zijn ze er ook, maar dan kijk je al snel naar modellen die al een jaar of twee ouder zijn, waar vervolgens wel weer tegenover gezet kan worden dat de kilometerstand veelal lager is. Het feit dat er nog steeds legio CBF1000’s met kilometerstanden van ruim over de halve ton te koop staan voor vergelijkbare bedragen – de goedkoopste die we konden vinden kwam uit 2009 en had bijna 90.000 kilometer op de klok. Vraagprijs? 2950 euro – zegt ook iets over de kwaliteit en waardevastheid. Dat dit exemplaar er op wat kleine smetjes na feilloos uitziet en nog start, rijdt en stopt zonder falen, onderstreept de notie. Het alom bekende cliché, dat een Honda simpelweg niet kapot is te krijgen, is en blijft dat: een cliché. Je kunt er alleen niet omheen dat fietsen als deze dat cliché lijken te bewijzen, en dat zie je terug in de prijs. In zowel positieve als negatieve zin, dat wel.

Tekst Nick Enghardt foto’s Jarno van Osch