dinsdag 5 mei 2026
Home Blog Pagina 1334

Italië: Ligurië op z’n mooist

0

Rond het duizend jaar oude vorstendom Seborga vind je nog stiekeme witte plekken op de kaart. Die vragen erom om ontdekt te worden. Geen straf, via de adembenemende bergwegen en passen in het achterland van de Italiaanse bloemenkust.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/italie-ligurie.gpx”]

Tekst en foto’s Klaus H. Daams

‘Nee maar, er zit nog echt iemand in,’ denk ik bij het tolhokje, wanneer we bij Arma di Taggia de autostrada eindelijk verlaten en de forse tolheffing van 23,90 euro voor de laatste etappe voldoen. Nee, niet gewoon door een creditcard in een van de alom aanwezige automaten te schuiven, maar heel ouderwets: we overhándigen de pecunia. Een volgende gelegenheid om de bevolking van nabij te leren kennen zou het nabijgelegen zandstrand kunnen bieden, maar dat komt later nog wel. In plaats daarvan dompelen we ons onder in wat motorrijders aan Bella Italia altijd zo leuk vinden: het gekrioel en gewriemel van Vespa’s en Piaggio’s, die vanwege de smalle wegen al bij voorbaat met ingeklapte spiegels rijden, de vanaf zee hoog de bergen in slingerende weg (hier is het de 548 waar we al enorm veel zin van krijgen) en tenslotte aan het eind van een lange reis een uitstekende pizzeria aan een dorpsplein. Lekker zeg.

Zo’n plaats is bijvoorbeeld La Stua aan de Piazza Marconi in Badalucco. Met als omlijsting twee heroïsche gedenktekens vieren 37 kinderen samen met hun ouders en leraren de eerste dag van hun drie maanden durende zomervakantie – zie ze met z’n allen zitten aan de lange tafels. Ook al is het vak Engels even met verlof, Julio en Franco hebben inmiddels genoeg kennis opgedaan voor een beetje smalltalk met die rare snoeshaan van een biker. Die hoort eerst een brutaal ‘Fuck Bayern’ en krijgt ten afscheid nog een grappig ‘Ciao Santa Klaus’ mee. Ach, mijn favoriete voetbalclub kan wel een Italiaans plaagstootje hebben…

Warmlopen

Wij rijden vanuit ons ‘trainingskamp’ Badalucco voor ons eerste oefenritje door het achterland van de bloemenkust. De smalle en bochtige wegen zijn, anders dan de Via del Sale, niet bedekt met steenslag, maar geasfalteerd, hoewel er af en toe kuilen in zitten waaruit het groen omhoog schiet. Al even volhardend als deze sprieten is de firma Honda, want vanaf 2013 importeert ze de CB 1100 officieel in Europa. En de handzame neoklassieker doet zijn ding even mooi als goed. Hij dribbelt lichtvoetig over het smalle speelveld zoals Kagawa en Okudera in hun beste tijden; écht offroad-rijden zou vooral de verchroomde bochtstukken van de vier-in-lijn natuurlijk niet goed bekomen.

Warmlopen bij een aangename 22 graden op de 548 naar Molini di Triora en jezelf daar de vraag stellen naar wie de bal gaat: rechts naar Passo Teglia of steil omhoog, linea recta af op het hoog boven de Argentina-vallei gelegen, schilderachtige maar tegelijk morbide heksendorp Triora? Wat het eerst komt, het eerst maalt: onze wedstrijd duurt langer dan negentig minuten! Waar ooit talloze vrouwen en meisjes door de inquisitie het leven lieten, verkopen ze tegenwoordig – in eendrachtige samenwerking met lieftallige elfen – heksen met wrattige neuzen, net als in de Harz, of kun je heksencongressen bezoeken. En over tien dagen begint, als een soort ode aan de levensvreugde, het Triora Fantasy Mistery Fest. Maar zo lang willen we niet wachten en dus slingeren we terug naar Molini di Triora, bij culinaire durfals bekend om zijn slakkenfeest, en bestormen de Passo Teglia.

Het onopvallende bergweggetje, dat pas voor de Giro d’Italia 2001 werd geasfalteerd, oogt dan wel niet zo imposant als de aanbeden sterren van de Dolomieten-divisie, maar wat doet het ertoe als je – zonder gekheid – een panorama tot aan de Franse Zee-Alpen, het uitzicht op tapijten van gele brem, de diepe ravijnen en steile, gekartelde rotsen pal onder je slechts hoeft te delen met de alweer wijsneuzige grassprieten. Eén minpuntje misschien: het slechte bereik. Want stel nou dat je schatje thuis je om de een of andere futiliteit opeens hoognodig moet spreken? Niks aan de hand, het is bepaald geen straf dat ritje weer naar beneden te maken.

Strijdplan

Na de pashoogte een T-splitsing zonder borden: links bosrijk bergafwaarts tot Rezzo, vitaminebommetjes van een overvloedige kersenboom langs de weg en ten slotte in Pieve di Teco eerst een snufje sacrale cultuur in de vorm van de classicistische koepel van de San Giovanni Battista, en dan een profane koffiepauze op de Piazza Cavour. Wanneer een net als wij niet meer zo piepjonge meneer zijn 350 cc Beta Sport Enduro aantrapt, is dat voor ons het teken om weer op te stappen. Zelfs de onroad-junkies die wij zijn krijgen op weg naar de Colle San Bartolomeo, inclusief een uitstapje naar Cartari en het rustieke Siglioli, af en toe takken tegen de helm gezwiept – wat vermoedelijk niets is vergeleken met de florale contacten van de Beta-coureur die we ergens ver beneden ons in de plantenwereld horen ploegen.

Al weer een tijdje uitgejakkerd is het vehikel dat vlak voor Montalto Ligure zijn laatste rustplaats heeft gevonden: een ondefinieerbaar karkas dat van al zijn organen is beroofd en de voor de rest vermoedelijk eveneens nutteloos geworden ruïne van een garage nog de air geeft van een pittoresk autoparadijs. Dan heeft Ristorante Il Ponte in Badalucco wel wat meer uitstraling. Hier krijg je als afsluiting van je dag prima tagliatelle met flinke garnalen voor een schappelijke acht euro vijftig. Ach, dan vergeet je even de benzine en tol voor de lange rit er naartoe.

Om te voorkomen dat je tochtjes door het Ligurische bergland er later uitzien als het computermodel van de afgelegde meters op het voetbalveld, een onontwarbaar woud van patronen dus, kan een zorgvuldig uitgedokterd strijdplan alleen maar nuttig zijn. Nog helemaal niet zo simpel met alle opties die je hebt. De tweede dag begint echter optimaal. We verlaten Badalucco in zuidelijke richting en klimmen rechts naar Vignai. Weldra glijdt de rode CB als een bloedlichaampje door de groen vertakte longen van het dichte bos. Korte stop bij de aftakking naar de Monte Ceppo – we kunnen de verleiding weerstaan! – en niet veel later een langere, gedwongen pauze. Een bosbrand misschien? De brandblusser staat in elk geval paraat naast de dikke Audi van Mister Belangrijk, die de doortocht naar Bajardo blokkeert. ‘Due motos’ horen we hem zeggen in zijn mobilofoon, waarna er vijftien minuten lang niets gebeurt. Tot een aanzwellend en onheilspellend gebrul de stilte verbreekt en plotseling een hete Skoda Fabia Super 2000 in een powerslide de bocht om giert. Een slinger aan het stuur en weg is ie. Training voor de rally van San Remo van volgend jaar? Het verklaart in elk geval de waanzinnige rem- en driftsporen op de wegen rondom de Passo Ghimbegna.

Palmen

Even afkoelen in Bajardo, onder de luifels van de Osteria Ra Culeta. Zo kleurloos sommige gevels hier zijn, zo kakelbont zijn de blouses van de gezellig keuvelende en koffie drinkende dames en de shirts van de wielrenners die voor een siësta aan komen peddelen. Maar eens kijken of onze bleke huid niet ook een kleurtje kan krijgen met een zachte zweem van zonnebrand. Omhoog en omlaag dan maar naar San Remo aan Zee, via Ceriana of langs de Monte Bignone. Op de kaart zien de beide trajecten er appetijtelijk krullerig uit. We kiezen ‘de witte route’ via Ceriana.

San Remo, gevierde ster van de Riviera dei Fiori, de bloemenkust. Kassen zo groot als voetbalvelden en palmen zo hoog dat ze de wolken uit de lucht zouden kunnen vegen, wat bij drieduizend zonne-uren per jaar maar zelden nodig is. Hier de fraai gestuukte gebouwen uit de belle époque, daar de scooterjeugd in korte broeken en wapperende rokjes. En wat doe je als noch een zwembroek voor het strand, noch een stropdas en colbertje voor het casino van San Remo bij je hebt en met je tankrugzak omgegord uit wandelen gaat? Een bezoekje aan de Gelateria Smeraldo! Heerlijk huisgemaakt ijs, vanaf het balkon van het onder Mussolini gebouwde koele betonblok een blik op zandstrand en zwembaai. En van Roberto Salese, 32 jaar lang verzekeringsagent in Duitsland, die de overstap heeft gemaakt naar pachter van een ijssalon, de vraag of we misschien iemand kennen die zijn zo goed als nieuwe Ducati ST4 voor 3500 euro (vraagprijs) wil kopen.

Seborga

Een enkele niet-Italiaan zegt het misschien iets: het vorstendom Seborga. Het na de afrit Bordighera via een doodlopende weg te bereiken nest in de bergen heeft maar drie keer zoveel inwoners als een ST4 paardenkrachten, werd in 954 voor het eerst als ‘Castrum Sepulcri’ geboekstaafd en kreeg in 1079 de status vorstendom van het Heilige Roomse Rijk; in 1729 werd het dorp aan de Savooiaarden verkocht, in 1861 werd het deel van het nieuw gestichte koninkrijk Italië en in 1946 van de huidige Italiaanse republiek. In de officiële documenten zou Seborga echter altijd over het hoofd gezien en nooit expliciet genoemd zijn – en het zou dus ook geen deel gaan uitmaken van het moderne Italië, maar een zelfstandig vorstendom zijn gebleven. Dat althans was met een knipoog de lezing van bloemenkweker Giorgio Carbone, die in de jaren zestig de geschiedenis van zijn dorp als een pietje-precies had uitgezocht en later tot vorst Giorgio de Eerste werd gekozen. Sinds het overlijden van de nijvere regent, die voor een eigen munt en volkslied, eigen paspoorten en postzegels zorgde – wat de rest van Italië met een milde glimlach bezag –, zwaait diens opvolger Marcello Menegatto de scepter. Hij heeft plannen voor een golfbaan en een luxe hotel. Tja, niet elke dwerg heet nou eenmaal Monaco, is een belastingparadijs en heeft de ruimte voor een GP-circuit. Dan moet je de reclametrom op een andere manier roeren.

Wie zijn steven naar het in 1993 (weer) tot vorstendom uitgeroepen Seborga wendt, heeft geen last van files. Aan de ‘staatsgrens’ een verweesd douanehokje – of het voor de gedeserteerde wachtpost te heet was of dat hij te weinig salaris kreeg, kan niemand ons vertellen. Meer informatie biedt al meteen de eerste souvenirwinkel in het dorp, annex kantoor van de bevlogen minister van Cultuur Serra Maria Carmela, die geduldig probeert ons de betekenis van de blauw-witte strepen op de vlag van Seborga uit te leggen. Zouden de steegjes rond de parochiekerk en het palazzo hun verhalen óók nog eens vertellen, dan zouden we er nu nog ronddwalen. En konden we onze rit terug naar Badalucco wel vergeten, waar dankzij een energieke eindspurt via Dolceaqua en Colle di Langan – het groen-geel-witte gekronkel op de kaart mag voor zichzelf spreken – ruimschoots tijd overschiet voor een ritje tussen het verlichte godshuis Santa Maria Assunta e San Giorgio en de sfeervolle bar La Banca del Vino. Afstijgen, en pas morgen weer opstappen.

Nattigheid

‘Motorrijders komen echter nu pas op toeren, want het volgende traject voert al snel als ongeplaveide strada bianca naar de top van de Monte Saccarello, de hoogste berg van Ligurië.’ Wie laat op de avond vlijtig de reisgids bestudeert, weet waar het de volgende dag naartoe gaat: richting Monesi di Mendatica. Een extra blik op de weer-app was echter geen overbodige luxe geweest. Na een eet- en drinkpauze bij Ponti di Pornassio in de genoeglijke La Locanda dello Scoiattolo (ernaast staat ook nog de biker-uitspanning La Genzianella) zijn niet alleen de geparkeerde Enduro’s verdwenen, maar ook het blauw aan de hemel. In plaats daarvan hardnekkig grijs in combinatie met veel nattigheid, zodat onze viercilinders al snel onder de modder zitten. Bovendien siert een rood-wit verbodsbord, zo groot als een gezinspizza, de toegangsweg tot de 2200 meter hoge Saccarello, waarvandaan je trouwens ook de Via del Sale kunt bereiken. Dat biedt een kans om eindelijk eens het edele, enigszins kleverige goedje te proeven waar Ligurië zo vaak om geprezen wordt.

Rossella en Franco, onze verhuurders, exploiteren aan de rand van Badalucco de florerende firma Roi en maken uit de kleine, maar goed renderende Taggiasca-olijven niet alleen de overal in Europa onderscheiden spijsolie, maar ook diverse cosmetische producten. Na een rondleiding door de fabriek volgt een geurige degustatie en pijnigen we onze hersens welke flessen en potjes we voor het thuisfront moeten meenemen.

Dan is de keuze in de aangekondigde Osteria Cian de Bià makkelijker: die is er niet, je eet wat de pot schaft. En dat is niet weinig, mamma mia! We noteren tien gangen: 1. ham, besprenkeld met olijfolie, bestrooid met fijn geraspte harde kaas; 2. gefrituurde aubergines; 3. tartaar; 4. crème van groente met mais, ei en schijfjes wortel (onwillekeurig komt Monty Python voorbij: ‘Maar we zijn nog niet eens begonnen!’); 5. kalfsham met mosterdcrème en kappertjes plus look met tonijn (dat stond al op ons te wachten); 6. stokvis (is dat wel wat voor mij?); 7. ravioli van spinazie met parmezaan (in de ruimte naast ons klinken meer dan zeven stemmen door elkaar); 8. gnocchi (moet je ’s zien hoeveel broden er nog op het buffet staan); 9. konijn, aardappeltjes en een plak gebraden kalfsvlees in bouillon (hoofdgerecht); 10. vanillepudding, geflambeerd met een flinke scheut sterkedrank, gekarameliseerd met siroop. Als de ober vraagt of hij nog iets voor ons kan betekenen, moeten we vlak voor we uit elkaar barsten aan Goethe denken, die op zijn sterfbed zou hebben verzucht: ‘O, die heerlijke Italiaanse wijn die ik nu niet meer kan drinken…’. Een waardige afsluiter.

INFO

Een met bochtige bergweggetjes doorsneden gebied tussen de Italiaanse Rivièra en de Ligurische Alpen, tussen Remmidemmi bij San Remo en pittoreske dorpen als het vorstendom Seborga: belíssima!

HEENREIS

Wie haast heeft, moet door de tolplichtige snelwegappel heen bijten en kan vanaf München via de Brennerpas – of vanaf Freiburg bijvoorbeeld door Zwitserland en door de Gotthardtunnel – naar Milaan rijden; daarvandaan verder via Genua en Imperia richting Ventimiglia tot aan de verlossende afrit, in dit geval Arma di Taggia. Op de snelheidsmeter staat daarna ongeveer 800 c.q. 660 kilometer méér. Natuurlijk vind je juist op de route door de Alpen veel alternatieven, zodat je op de heenreis het profiel aan de zijkanten van je banden eens heerlijk over het asfalt kunt rossen.

OVERNACHTEN

In tegenstelling tot de badplaatsen aan de kust is de keuze aan accommodaties in de dorpen van het achterland tamelijk beperkt. Wij verbleven – comfortabel en op loopafstand van cafés en restaurants – in een smaakvol ingericht appartement van Agriturismo L’Adagio, Regione Ortai (te bereiken via de kleine stenen boogbrug bij de kapel), I-18010 Badalucco (IM), tel. 0039-3357226309, www.ladagio.it, mini-suite 90 euro.

Ducati XDiavel S 2016

0

De kruisraketten in Woensdrecht? Ze zouden uiteindelijk nooit gestationeerd worden vanwege een nationaal volksoproer in de jaren tachtig. Maar recentelijk staken ‘cruise missiles’ weer de kop op. Hun naam: Ducati XDiavel en XDiavel S. Genadeloos effectief, misdadig krachtig, crimineel opzichtig. Plek van lancering: het cruiserland bij uitstek, de VS.

Joost Overzee

De bekende Diavel, gepresenteerd in 2011, mochten we van Ducati nooit een cruiser noemen, getuige het credo ‘Don’t call me a cruiser’. Met de introductie van de XDiavel-modellen weten we waarom. Bij de eerste oogopslag toont de XDiavel, en zéker de S-versie, een stuk lager, langer en meer bling-bling dan zijn duivelse evenknie, hoewel de wielbasis van de X slechts 3,5 centimeter omvangrijker is. Aan de achterzijde rolt de XDiavel op dezelfde massieve 240 mm brede Pirelli Rosso Diablo II als de ‘gewone’ Diavel, aan de voorzijde worden dezelfde monobloc ankers van Brembo gehanteerd. Maar verder, prent Ducati in, bestaan er geen overeenkomsten tussen de XDiavels en Diavels. Alsof men extra wil onderstrepen dat er geen concurrentie binnen eigen huis zal ontstaan.

Low Speed?!

Zoals primaire marketingwetten voorschrijven, krijgt ook de ultracool ogende XDiavel een credo op de mouw gespeld, in dit geval ‘Low Speed Excitement’. Pardon?! Met 156 paardenkrachten aan boord die pas bij een genadeloze 9.500 toeren collectief de vrije loop krijgen? Je begrijpt dat het armada aan genodigde rijders zich handenwrijvend, grijnzend en ginnegappend staat op te warmen op de ijskoude februariochtend in San Diego’s fameuze Gaslamp District…

Toch lijkt Ducati’s ‘Opwinding op Lage Snelheid’ op voorhand ook hout te snijden. De van de Multistrada geleende Testastretta L-twin – dus voorzien van variabele kleptiming – heeft extra slag(kracht) gekregen, resulterend in 1262 cc. Daarnaast is de compressie verhoogd en zijn ook de computersettings grondig gewijzigd ter verkrijging van extra laagtoerige power. Resulaat: de bijna 130 Nm wordt afgeleverd bij een voor Ducati historisch lage 5.000 toeren. Voorts claimen de Bolognezen dat vanaf 2.100 toeren reeds +100 Nm voorhanden is, om maar te onderstrepen dat de XDiavel bij lage toeren toch krachtig te rijden valt, iets waar het de gewone Diavel wat aan ontbreekt. En het moet gezegd, een gebied van 4.500 toeren tussen het punt van het maximaal afgegeven koppel en topvermogen, verraadt direct al een immens krachtsbereik van deze desmo.

‘Notte possibul’

Het vileine verwachtingspatroon onder het journaille omtrent de Italiaanse interpretatie van ‘Low Speed Cruisen’ met 156 pk, krijgt nog een extra ‘boost’ in de wetenschap dat de XDiavel voorzien is van DPL, ofwel Ducati Power Launch. Deze speciaal aangepaste (stoplicht)sprintmodus zet je in werking met een speciale lanceerknop rechts waarmee je in drie vooraf te kiezen standen en met het gashendel tot de stuit afgeschoten wordt richting Pluto, Uranus of het Zwarte Gat, geheel naar eigen keuze. Alleen: ‘Itze notte possibul todaye wizze olle ze polize evedywherre’, gooit Ducati’s chef d’équipe roet in het veelbelovende exquise eten.

Maar ook zonder gebruikmaking van de raketlancering, wil de XDiavel van zijn plek. En hoe! Met gebruikmaking van een uiterst secure en opvallend lichte koppeling lanceer je het voorwiel van de machine moeiteloos hemelwaarts. Althans met de computersetting in de Sport- of Touring-stand waar het volle vermogen wordt losgelaten. Deze voorgeprogrammeerde settings laten zich overigens intuïtief bedienen en ook bij nacht goed vinden doordat het linker knoppenspel in een bedje van verlichting ligt. Je zou nog het drietal settings (‘Urban’ is de derde) kunnen finetunen door de tractiecontrole over 8 standen en ABS over drie standen aan te passen, maar daar zullen weinigen zich aan wagen. Het drietal standaard fabriekssettings met aangepaste TC- en ABS-interventies volstaan perfect voor de stads-, toer- en sportieve rijder.

Graag ook in Multistrada

Ook de Italiaanse voorrijder lijkt besmet door de Italiaanse interpretatie van het fenomeen ‘cruisen’ die in ieder geval haaks staat op ‘Low Speed Excitement’. In superieure rechtuitstabiliteit op de freeways en in snelle, flauwe bochten op verlaten bergwegen tikt het Thin Film-scherm geregeld 90 aan, soms 95, een enkele keer 119. Mijlen, hebben we het over. Opgezweept door een bombastisch prachtgeluid dat je doet afvragen hoe ze dit door de Euro 4-normen hebben gekregen, maakt de krachtsontwikkeling werkelijk het beest en de duivel in je los. De acceleratie is nog nooit zo laagtoerig voor het grijpen geweest op een Ducati. Zeker rond de vijfduizend toeren barst de L-twin figuurlijk uit zijn voegen om onberispelijk hard door te trekken tot iets voorbij de tienduizend. Hoe bloedsnel de machine ook blijft accelereren – geholpen door een versnellingsbak die optimaal (lees: beter dan een Panigale) presteert -, de explosieve focus ligt in het middengebied en zelfs daaronder. Zou ondergetekende de lakens uitdelen op de Via Cavalieri Ducati nummer 3 in Bologna, zou ik een extra Multistrada op de markt brengen voorzien van deze krachtbron. In bergachtig gebied moet lage-toeren-power een verademing zijn in haarspeldbochten en anderszins met tonnen bagage en moeders achterop. Zelfs in de Sport-stand met zijn scherpere gasreactie en latere elektronische interventies kun je op de XDiavel een priegelweg of stadscentrum afleggen, zij het dat de iets softere Touring-stand zich uiteraard beter leent voor allround-gebruik.

Afgrond in aantocht

De Brembo M50 monoblocs in het voorwiel doen verbluffend werk met een rigoureuze vertraging in combinatie met perfecte dosering. ABS grijpt ongemerkt goed in, ook in bochten door toepassing van de high tech Bosch bochten-ABS. Tractiecontrole, bandengrip, veergedrag, LED-verlichting met ‘Running Lights’ op de S-versie, een ongelooflijk goede grondspeling: allemaal topelementen die de veiligheid bevorderen. Eigenlijk geldt er maar één beperking bij hard rijden op de XDiavel: de rijder zelf. En preciezer gezegd: zelfoverschatting waar het rijwielgedeelte niet tegen opgewassen is. De Ducati XDiavel maakt namelijk ook nog gehakt van het cliché dat een cruiser zich uitsluitend leent voor snelweggebruik tot 110 km/u. En omdat je ongemerkt (of juist doelbewust) zo knoeperhard rijdt, kun je nogal verrast worden door het weinig neutrale en precieze stuurgedrag en een stevige deining die zich in bochten openbaart. Wat stuurgedrag betreft ligt de XDiavel S – ondanks een superieure DLC gecoate voorvork – veel meer op het niveau van de klassieke cruiser dan de gewone Diavel met zijn veel meer neutrale en homogenere stuurkarakter. Met een interessante afgrond van honderden meters in aantocht bij zwaar optimistisch tempo, ben je aan het werk om de zware achterkant mee te krijgen met het veel sneller sturende voorwiel.

Urban maakt relaxed

Maar is goedmoedig cruisen dan werkelijk een brug te ver voor de temperamentvolle XDiavel S en diens door kracht en geluid bewierookte rijder? Nee zeg. Rustig rijden behoort ruimschoots tot de mogelijkheden, mits je de Urban-modus inschakelt. Het beestje moet natuurlijk een naampje hebben, maar deze ‘stadsstand’ met een afgeroomd vermogen naar 100 pk en snellere interventie van ABS en tractiecontrole, is tevens puik bruikbaar in de vrije ruimte bij regen en, inderdaad, bij onthaasten op de buitenweg. Voor de hitsig ingestelde rijder (ik noem geen naam) geldt ‘Urban’ feitelijk als dwangmiddel om jezelf in toom te houden. Bovendien, honderd pk in combinatie met een volgetankt gewicht van 247 kilo; ach, je kunt ermee thuis komen…

Rijdend in deze setting blijkt de zwaar opgepepte krachtbron pardoes gladder, gesmeerder te draaien bij de laagste toerentallen. De dosering van vermogen en koppel voelt op woonerftempo en oog in oog met modderstromen op het wegdek bijzonder fijnzinnig en vriendelijk. Natuurlijk staat het karakter bij lage toeren mijlenver verwijderd van de bekende (Amerikaanse) Big Twins met hun zompige loop en luie, donkerbruine klappen vanaf stationair. Uiteindelijk is de XDiavel-Testastretta een korteslagblok met indrukwekkende compressieverhouding van 13:1. Daarbij raken de klassieke vette cruisers volledig uitgeblust op het toerental waarop de XDiavel zijn topkoppel van 128,9 Nm aflevert en nog vijfduizend toeren aan genot en acceleratie in petto heeft.

Comfortabel, jawel

Ook rijwieltechnisch past de Urban-stand beter bij de XDiavel. Niet alleen omdat het tempo minder schofterig hoog kan liggen, maar ook omdat je als rijder (stukken) meer ontspannen aan de rol bent. Het voorwiel met vallende ziekte blijft zich manifesteren, maar deining blijft logischerwijs beperkt. Sterker nog, de XDiavel S ontpopt zich als een erg aangename, zelfs comfortabele machine waar je betrekkelijk makkelijk mee een tank (van liefst 18 liter, hulde!) benzine kunt leegrijden. Het zadel smelt heerlijk aan de derrière en de Marzocchi 50 mm veert en dempt glorieus. Aan de zo laag geplaatste achterzijde voelt de XDiavel uiteraard een stuk straffer, al biedt de ‘droog’ aanvoelende Sachs monodemper een in het genre zeer respectabele elf centimeter veerweg. Vermoedelijk is er aan de afstelling van die fraai zijdelings geplaatste demper nog wat winst te behalen in souplesse, wat de bochtenstabiliteit bij (meer dan) vlot poken naar alle waarschijnlijkheid zal bevorderen.

In de schuur

Maar met de XDiavel bestaat er ook een leven naast het rijden zelf. Ben je enigszins gevoelig voor het genre machines, brengen de styling, topmaterialen en afwerking je hart op hol. Zeker de XDiavel S weet de bewonderaar ’s avonds laat nog uit de huiskamer te lokken om een uur lang wat te spelen met de settings en knappe technische details in zich op te nemen. Hij grenst aan ‘fout’, bling-bling of ordi, de S-versie, maar maakt wel de coole gozer of dame in je los, zomaar bij het stoplicht of in een achterbuurt. Louter de matige afwerking van stuurkabels en de verrassend cheapy stuurknoppen aan de rechterzijde werpen een smet op deze sublieme cruise missile. Aan die knoppen ben je veelvuldig in strijd met de boven elkaar geplaatste start- en contactknop en met je linker wijsvinger stoot je geregeld onbewust de flitslichtknop op de grootlichtstand.

Conclusie

Gangbare cruisers zijn ontworpen om de rijder op ellenlange highways in extatische slaap te sussen, power cruisers (of geef het een woord) als de Harley V-Rod moeten degenen in vervoering zien te brengen die een verkeerslicht graag aanzien voor een kerstboom aan de start van een drag strip. Maar de XDiavel S biedt zo’n onnoemelijk arsenaal aan kracht, high tech elektronica, topmateriaal, design en grondspeling extra dat alle toegevoegde gebruiksmogelijkheden de prijs van € 26.690,- zomaar zouden kunnen rechtvaardigen. De term ‘Low Speed Excitement’ mag dan voornamelijk bedoeld zijn om Yankees van hun Harley’s, Victory’s en Yamaha Star-motoren te trekken, de hartveroverende kick zit hem toch in de ‘High Speed Excitement’. Cruisen in Italiaanse stijl. En niemand die zal protesteren tegen de komst van deze kruisraketten in Nederland anno 2016.

Joost over de XDiavel S

Met een Ducati 998 Superbike door de steppe van Kazachstan of met 240 km/u bijkans van de – als ‘Technocruiser’ geafficheerde – XDiavel S geblazen worden; persoonlijk raakt niets me in motorrijden méér als oneigenlijk gebruik. Maar ook op bescheiden tempo weet deze Italiaanse je hart te veroveren, zozeer zelfs dat Panigale-rijders met haar zullen weglopen. De XDiavel S alles vergeven, weiger ik. Het goede nieuws is daarentegen dat ze de ‘gewone’ Diavel met diens veel betere stuureigenschappen en totaal afwijkend blokkarakter eindelijk een gezicht, een plek en hernieuwd elan geeft. De verrukkelijke XDiavel S maakt de Diavel beter. Blij dat ik niet hoeft te kiezen…

Triumph 1200 Tiger Explorer 2016

0

Twee uur lang duurde de presentatie over de Triumph Tiger Explorer. Normaal gesproken duurt een presentatie van een nieuwe motorfiets ongeveer een half uurtje. Nu heeft het Triumph-team blijkbaar meer tijd nodig. En da’s eigenlijk nog te kort. De nieuwe Triumph Explorer 1200 is een motorfiets voor de wereldreiziger: Bomvol techniek, elektronica en al evenveel zelfdenkend vernuft. En daar blijft het niet bij, zo zal blijken.

Annemiek van der Kolk

Na een onstuimige vlucht met een extra doorstart tijdens de landing heb ik weer vaste grond onder de voeten in het zuiden van Portugal. Het weer en de omgeving werken mee om een tweewielig ontdekkingsvoertuig aan de tand te voelen. Het zuiden van Portugal is de wereld in het klein. De wegen variëren van prachtig glad asfalt tot kronkelige, zanderige offroad-paden. Het weer is al even veelzijdig van aard. Een prachtige strakblauwe hemel, maar ook eentje van grauw grijs. De vlagerige wind en striemende valregens krijg je er dan gratis bij.

Zes Explorers

Om te beginnen zijn er twee soorten Triumph Tiger Explorer. Een asfalt-georiënteerde variant, aangeduid met XR en één met meer offroad-zin: de XC. We kennen deze aanduidingen al van de Triumph Tiger 800. Als je dan ook nog de keuze hebt tussen verschillende optiepakketten, is het tijd om bij de les te blijven. Als basisvariant biedt Triumph dus de XR en de XC, dan volgen de XRx en XRx low en de XRt. De XCx en de low worden gevolgd door de XCa. Deze laatst genoemde is standaard ‘full options’ uitgerust. Geluksvogel als ik ben, krijg ik daar een sleutel van in handen.

Mijn Engelse reisgezel is uitgevoerd in ‘lucerne blue’, cross-geörienteerd en herkenbaar aan de spaakwielen. Een overzicht van het optiebehangetje: een instelbaar ABS- en tractiecontrolesysteem, Cruise control, automatische knipperlichten, handkappen, USB- en 12V-aansluiting, handvatverwarming, aluminium carterbescherming, RVS radiatorbescherming, valbeugels en een boardcomputer met offroad-rijmodus, ‘sport’ en ‘rider’ instellingen. Daarbij geldt voor de XCa óók nog een hele lijst extra extra’s: Hill Hold control; elektrisch in hoogte verstelbare extra hoge toerruit, bandenspanningsmeter, een aluminium kofferrek, verwarmd zadel (ook voor de duo), CNC gefreesde voetsteunen, LED-mistlampen, en dan zal er vast nog wel iets zijn dat ik vergeten ben. Ben je er nog?

Zware jongen

De nieuwe Explorer is mede dankzij al die opties geen lichtgewicht. Dat de XCa vervolgens het zwaarst is mag geen toeval zijn. Hij weegt 258 kilo schoon aan de haak. Afgetankt en klaar om te gaan komt dit neer op zo’n 285 kilo. Standaard zadelhoogte is 837 – 857mm. Op speciaal verzoek is er een verlaagd zadel gemonteerd. Ik meet tenslotte slechts 1,67 meter en zo kan ik nét even makkelijker met één grote teen aan de grond. De Triumph Explorer is een grote, zware, hoge motor en heeft daarbij dat gewicht ook nog eens vrij hoog bovenin zitten. Om de motor rechtop te zetten gooi ik al mijn 53 kilo’s in de strijd. Ik zit, en heb uitzicht over een overzichtelijk instrumentenpaneel.

Boardcomputer en rijmodi

Voor het instellen van de boardcomputer geeft Triumph’s head engineer Stuart Wood zijn visie en aanwijzingen. Alles kun je instellen. Je kunt kiezen uit voorgeprogrammeerde rijmodi, maar ook eigen voorkeuren aangeven. De knoppen, hendels, scroll-bediening, alternatieve bediening, en dan ook nog eens het verschil in het rijdend en in stilstand bedienen. Stuart laat alle scenario’s in razend tempo de revue passeren.

In de ‘rain’ modus wordt het vermogen afgetopt tot maximaal 90 PK. In de ‘sport’ stand, je begrijpt het, is de afstelling standaard iets scherper. In deze rij-modi worden buiten de gasresponse ook de veerafstellingen, de ABS en de TC aangepast. Bijvoorbeeld: in standje ’offroad’ staat je ABS dus meer slip toe dan op asfalt. En je eigen persoonlijke instellingen kun je kwijt onder de ‘Rider’ modus. Professioneel wereldreiziger Charley Boorman is er ook en ziet me bedenkelijk kijken na de uitleg van Stuart. ‘Can I help you?’ vraagt hij in keurig Engels. Zijn uitleg is gelukkig wonderlijk eenvoudig. ‘Zie het als een computermuis. Met je linker duim scrol je door het menu en met je linker wijsvinger selecteer je. That’s all!’ Kijk, dat is te doen. Het regent niet, maar de weg is nog nat. Ik scrol door het menuutje en klik ik de voorgeprogrammeerde ‘road’ stand aan. That’s all!

Koppelmonster

Contact aan, de boardcomputer start op, instellingen gemaakt, koppeling in en startknop ingedrukt. Met een Brits beschaafde grom geeft de Explorer te kennen te willen vertrekken: ‘Let’s go!’ De gasrespons van het ride-by-wire systeem is mooi direct bij het wegrijden. Door de hydraulisch bekrachtigde koppelingsassistent gedraagt de koppeling zich voorbeeldig. De hendels waarmee de Explorer standaard is uitgevoerd, zijn op maat in te stellen. Niet alleen prettig voor grote en kleine handen, ook bij het wisselen van dikke naar dunne handschoenen is dat fijn. De handkappen houden mijn handen goed uit de wind, dus de handvatverwarming hoeft vooralsnog niet aan.

Het blok heeft drie cilinders in lijn, een inhoud van 1.215 cc en geeft maximaal 139 pk af bij 9.300 tpm. Meer dan voldoende power, waarbij het eigenlijk niet uitmaakt in welke van de zes versnellingen je de Explorer zet. Vanaf 2.000 toeren t/m 10.000 gaat hij als de brandweer. Zijn maximum koppel van 121 Nm levert de Explorer bij 6.400 toeren. Al dat vermogen wordt via een onderhoudsarme cardanaandrijving overgebracht naar het achterwiel. Plenty vermogen en giga-koppel, comfortabel achter de hoge, elektrisch verstelbare kuipruit. Hoog boven het asfalt bewegen we ons voort, uitstekend beschermd tegen de elementen. Wat wenst een wereldreiziger nog meer?!

Prima vering

Een open deur misschien, maar goed afgestelde vering kan een motor totaal transformeren. Een motor kan rijden als een plank, of het je gevoel geven alsof je over eieren rijdt als de vering niet goed staat afgesteld. Bij de Explorer is dat prima voor elkaar, mede dankzij het systeem dat ze TSAS hebben genoemd. TSAS staat voor Triumph Semi-Active Suspension. Actieve vering dus, die zich zelf aanpast aan de omstandigheden. De basismodellen van de Explorer zijn er overigens niet mee uitgerust, maar het zit wel op deze XCa. Op basis van de belading past dit systeem bijvoorbeeld de vering aan. Duo mee? Dan gaat –ie een tandje straffer. Aan de voorkant is de motor voorzien van een USD-voorvork. Rebound en demping worden aangepast door het instellen van de rijmodi, of je kunt zelf persoonlijke settings maken. Dat klinkt ingewikkelder dan het is, in de praktijk is het een gebruiksvriendelijk systeem.

Hill Hold

De twee basismodellen zijn voorzien van standaard ABS en tractiecontrole. Voor de overige modellen is er bochten-ABS en –tractiecontrole, systemen die we inmiddels ook al kennen van bijvoorbeeld KTM, Ducati en BMW. En dan is er nog een leuk foefje, getiteld de Hill Hold. Sta je stil op een hellinkje, dan kun je hard in de voorrem knijpen om de achterrem vast te zetten. Noem het een handrem. Hartstikke makkelijk, want nu hoef je de motor niet meer in zijn één te zetten om te voorkomen dat’ie van de helling afrolt. Wil je wegrijden, zet je de motor gewoon in z’n 1 en laat je de koppeling opkomen. De Hill Hold wordt automatisch opgeheven en je kunt vloeiend uit stilstand wegrijden.

Conclusie

De motor heeft een super vriendelijk karakter en is gracieus door elk landschap te sturen. Er is geen moment dat hij onverwacht uit de hoek komt. Spring maar op mijn rug en ik breng je daar, waar je naar toe wilt. De Triumph Explorer is geen extreme offroad fiets. Daarvoor is’ie simpelweg te groot en te zwaar. Maar hij laat zich niet tegenhouden door een gravelpad of een beetje modder en stenen. En daarbij is’ie extreem comfortabel, vriendelijk en stevig. Echt een reisfiets voor globetrotters, die door kunnen als het asfalt slecht wordt of zelfs ophoudt. Ongeacht het weer.

Dit vindt Annemiek

‘Dromen over verre landen’. Wie doet dat niet? Maar welke motorrijder zet zijn fantasie om in werkelijke daden?! Triumph heeft er een paar uitgenodigd tijdens de presentatie van de Explorer 1200. Het zijn Charley Boorman en Rych Lawrey. Dat werkt aanstekelijk, maar zouden we voor avontuur ook de Explorer meenemen? Een fijne motor, vriendelijk van karakter met een comfortabele zit en goede handling. Dat is wat een goede reisfiets nodig heeft. De 1200 komt een heel eind, maar is te zwaar voor echt avontuur. Ik zie mezelf er nog niet de hoge Atlas mee doorkruisen. Kies dan ‘gewoon’ de kleinere uitvoering: De Tiger 800. Zit je ook goed.

KTM 1290 Super Duke GT 2016

0

Nog niet zo lang geleden was de naam Super Duke onder motorrijders synoniem met ‘waanzinnig’. Het originele model uit 2005 was een rauwe, kuiploze V-twin met een gashendel als een lichtschakelaar, een klein benzinetankje, een dun zadel en de reputatie dat hij weliswaar onpraktisch maar wel heel leuk was. Eens kijken hoe de vlag er 11 jaar later bij hangt.

Tekst Roland Brown

En ja, wat maakt wat tijd en de toevoeging van de letters GT dan een verschil! Twee jaar geleden tilde de 1290 Super Duke R de kuiploze V-twin al naar een hoger plan voor wat betreft prestaties en raffinement. Nu hebben we de 1290 Super Duke GT, die de familielijn voortzet met een vleugje Gran Turismo comfort en verfijning. En het goede nieuws is dat hij onder die grote benzinetank, dat comfortabele zadel en die slimme elektronica nog net zo razend waanzinnig is als het origineel.

Dat alles blijkt wel wanneer ik tijdens de lancering op Mallorca met de GT over een bochtig weggetje scheur, achter drie anderen aan. Een van hen is Jeremy McWilliams, voormalig MotoGP coureur en tegenwoordig o.a. testrijder bij KTM. Het tempo ligt zo hoog als je zou verwachten, het wegdek is koud, vochtig en glad, maar met de Super Duke GT is het allemaal idioot leuk, ook onder die omstandigheden.

Knallen

De KTM dendert in een fenomenaal tempo de krappe bochten uit. De zwaar grommende motor met een inhoud van 1301 cc jaagt hem vooruit met slechts 5000 toeren op de teller. De hellingshoekafhankelijke tractieregeling weet de achterste Pirelli perfect op koers te houden.

En dan, wanneer de bike korte metten heeft gemaakt met het volgende korte rechte stuk en er weer een haarspeldbocht opdoemt, remmen de Brembo Monoblocs de Super Duke sterk af, met het bochten-ABS paraat voor het geval dat de vochtige stukken problemen geven. Moeiteloos neemt de comfortabele doch goed gedempte semi-actieve WP-ophanging de hobbels, wanneer ik de lichte, wendbare KTM de bocht in stuur.

Het is een gedenkwaardige rit, ook al zijn de weersomstandigheden niet ideaal. Volgens mij zijn er in de verste verte maar weinig motoren die zo leuk zijn om te rijden, laat staan dat ze het tempo kunnen bijhouden. Bovendien blijven mijn handen lekker warm dankzij de verwarmde handvatten en geeft het instrumentenpaneel aan dat er nog volop benzine in de grote tank zit, hoewel we toch al ruim 160 km hebben gereden met een verre van zuinige rijstijl.

Mixje KTM

In bepaalde opzichten is de Super Duke GT een combinatie van twee bestaande KTM´s, die super-naked Super Duke R en de 1290 Super Adventure die vorig jaar opschudding veroorzaakte in de dual-purpose klasse met zijn prestaties en allround capaciteiten. De motorspecificaties zijn hetzelfde: cilinderinhoud 1301 cc, dubbele bovenliggende nokkenas, achtkleps V-twin met cilinders onder een hoek van 75 graden.

De vorm van de verbrandingskamers is veranderd ten opzichte van die van de Super Duke R, en ook is de GT uitgerust met vernieuwde brandstofinjectie-mapping en een nieuw uitlaatsysteem, zodat hij voldoet aan de Euro 4-normen. Volgens KTM is hij nog soepeler en iets sterker bij lage toerentallen; hij produceert een koppel van 114 Nm bij slechts 3250 tpm. De top is 173 pk bij 9500 tpm, wat het ongeveer midden houdt tussen de 180 pk van de R en de 160 pk van de Super Adventure. Meer dan genoeg. Ook is hij de eerste KTM die voorzien is van een quick-shifter.

Het chassis lijkt eveneens meer op dat van de Super Duke R, want het stalen trellis buizenframe en de eenzijdige aluminium swing-arm zijn identiek, net als de basisgeometrie. Ook de wielen en de remmen zijn ontleend aan de super-naked V-twin. De gegoten 17-inch rotors zijn voorzien van Pirelli Angel GT rubber, de voorrem heeft Brembo radiale Monobloc vierzuiger-remklauwen.

Een verschil is dat de GT net als de Super Adventure semi-actieve ophanging heeft, met hardware van WP en de benodigde functionele elektronica van Bosch. Verder heeft hij een langer, sterker sub-frame achter, met ruimte voor de speciaal ontworpen tassen en een grotere buddyseat. Voor de passagier zijn er voetsteunen gemonteerd.

Lekker lang rijden

De andere wijziging in het chassis betreft het vergroten van de benzinetank, van een inhoud van 18 liter naar een inhoud van 23 liter. Kiska, de vaste stylist van KTM, heeft dat slim gedaan door de tank naar voren en omlaag door te laten lopen. Zo ontstaat een scherpe vorm waarin de knipperlichten en de nieuwe adaptieve koplampen geïntegreerd zijn. Het plaatwerk omvat ook het nieuwe windscherm, dat onder het rijden verticaal versteld kan worden door het naar voren te duwen, op te trekken of te laten zakken, en het vervolgens naar achteren te trekken tot het vastklikt.

Het eendelige stuur is iets hoger en breder dan dat van de Super Duke R (en eveneens verstelbaar d.m.v. draaien), maar de GT start met een vergelijkbaar schor gegrom van de V-twin, zeker wanneer hij zoals de meeste bikes bij de lancering voorzien is van een (niet standaard gemonteerde) Akrapovic geluiddemper. En ook qua prestaties doet hij sterk denken aan het R-model. Hij trekt op met een fantastisch breed gespreid koppel, wat garant staat voor soepel en onmiddellijk accelereren zodra je gas geeft.

Net als bij de R zijn er drie rijstanden om uit te kiezen (Sport, Street en Rain; in de laatste stand wordt het maximumvermogen beperkt tot 100 pk). En net als voorheen rijdt de Super Duke in alle standen verfijnd en lekker. Ook bij slechts 3000 tpm trekt hij strak op en hij blijft heel soepel dankzij de dubbele balansassen. Zelfs de Sport-stand is niet bijterig of ruw, maar op heel gladde wegen kwam de iets milder reagerende Street-stand toch wel van pas. Toen ik overvallen werd door een flinke hagelbui was ik heel blij met de Rain-stand, die de tractieregeling automatisch afstemt op de gladde ondergrond.

In beide hoofdstanden zijn de prestaties uiteraard fantastisch. Nog beter zelfs met de quick-shifter, die heel efficiënt is bij doorschakelen maar bij terugschakelen niet werkt. (Volgens KTM zijn auto-blippers niet goed voor de versnellingsbak.) Na een bocht accelereert de GT in een fenomenaal tempo, waarbij het voorwiel vaak iets omhoog komt. Dankzij de WP stuurdemper gaat hij echter niet trillen. (Voor een echte wheelie moet je de tractieregeling uitzetten.)

Beter op de lange afstand

Op korte stukken snelweg rijdt de GT moeiteloos soepel en beheerst. Het scherm houdt flink wat wind tegen, wat een ontspannen rit bevordert. Voor lange afstanden is hij beslist veel beter dan een super-naked, hoewel het me een beetje teleurstelt dat het scherm vrij kort is en een instelbereik heeft van maar zo’n 5 cm. Zelfs in de hoogste stand heb je dus redelijk wat turbulentie. En je handen zijn nauwelijks beschermd, dus die van mij werden nat en enigszins koud, ondanks de zeer welkome handvatverwarming waarmee hij standaard uitgerust is.

Op de snelweg is het fijn om op een paar knopjes te drukken en de ophanging in Comfort te zetten, de zachtste van de drie standen. De GT heeft dezelfde tamelijk royale veerweg als de Super Duke R (125 mm voor, 156 mm achter). Zelfs in de Sport-stand is hij behoorlijk meegaand en comfortabel. Het grootste deel van de tijd heb ik hem dan ook in Sport laten staan, hoewel de andere twee standen nuttig zeker nuttig zijn als je gaat toeren. De dempingsregeling is uitstekend, zeker in de Sport-stand. Mede dankzij de input van de voornoemde Mr McWilliams komt die heel dicht in de buurt van de instellingen van het R-model.

Net als bij de Super Adventure verbaast het me een beetje dat KTM je niet de mogelijkheid geeft om de ophanging binnen elke stand nog verder bij te stellen, bij de meeste andere merken kan dat namelijk wel. In tegenstelling tot vele andere semi-actieve systemen wordt de wielophanging niet automatisch aangepast bij de rijstand, wat ook wel nuttig zou zijn.

Het is echter een slim systeem, de veervoorspanning automatisch afstellen al naar gelang de belasting, en anti-duik toevoegen in de Street- en Comfort-stand maar niet in de stuggere Sport, zodat de voorkant iets kan duiken om sneller te sturen. Ook in de andere stand stuurt de KTM geweldig. Mede dankzij het lage gewicht – 205 kg droog, ongeveer 15 kg meer dan de Super Duke R – en onveranderde geometrie hoef je het brede stuur maar heel licht aan te tikken om van richting te veranderen.

Puike remmerij

De wielophanging is zeer indrukwekkend op de vaak spekgladde heuvelweggetjes van Mallorca, in combinatie met het ultra-verfijnde Motorcycle Stability Control systeem dat net als bij de grote Adventures uitgerust is met de zesassige IMU-regelunit van Bosch. Dit levert een geavanceerde tractieregeling en bochten-ABS op. Het is ontzagwekkend hoe de grote V-twin de bochten uit raast, waarbij de tractieregeling ervoor zorgt dat de GT aan de achterkant ook op de meest onwaarschijnlijke plekken goed grip houdt.

Datzelfde geldt voor de manier waarop de Brembo Monobloc remklauwen de GT afremmen voor een haarspeldbocht. Op de gladste stukken treedt het ABS af en toe in werking en het bochten-ABS houdt zich gereed op de achtergrond voor het geval dat je toch moet remmen in de bocht. Sommige moderne superbikes kun je ook onder moeilijke omstandigheden veilig met een fenomenale snelheid rijden. Ook de Super Duke GT is een van de absolute toppers in dat opzicht.

Ook voor lange afstanden zou hij zeer capabel moeten zijn, hoewel dat machtige motorblok wel veel benzine slurpt. Bij de lancering werd een gemiddelde opgegeven van minder dan 1op 12, wat betekent dat hij een realistisch bereik heeft van niet veel meer dan 240 km, ondanks de grotere tank. Met een rustigere rijstijl zou dat in de buurt komen van 1 op 15 en een actieradius van een kleine 300 kilometer. Maar een zuinige machine wordt het nooit. Het brede zadel lijkt comfortabel genoeg om flinke afstanden mee af te leggen, zeker met het verwarmde comfortzadel waarmee de GT´s bij de lancering waren uitgerust.

Dat zadel is een optie, maar ook standaard is de GT goed uitgerust: dagrijverlichting, automatisch uitschakelende knipperlichten en waarschuwingslampje voor de bandenspanning. Het drietal bochtenlampen in de stijl van de Super Adventure gaat branden wanneer de bike schuin hangt onder een hoek van 10, 20 en 30 graden. Er is een hele lijst van Power Parts accessoires, waaronder strak vormgegeven zijtassen die elk groot genoeg zijn voor een integraalhelm.

Doordat de standaardspecificaties van de GT op zo’n hoog niveau liggen, is hij natuurlijk niet goedkoop. Met een prijs van £ 15.999 kost hij echter £ 200 minder dan de Super Adventure, die in veel opzichten zijn meest vergelijkbare concurrent is. Qua comfort op lange afstanden of veelzijdigheid kan zelfs deze Super Duke die dual-purpose bike niet evenaren, maar hij komt in de buurt. Bovendien heeft hij een vleugje super-naked agressie; veel motorrijders die voornamelijk op de weg rijden, zullen dat prefereren. De GT is net zo waanzinnig als een Super Duke hoort te zijn, maar tegelijkertijd opmerkelijk verstandig. Dat is een unieke en verslavende combinatie.

Roland over de KTM 1290 Super Duke GT

De ruigste naked die KTM in zijn assortiment heeft, ombouwen naar een tamme kilometervreter? Dat is niet te doen zou je denken. Maar de 1290 GT bewijst dat het kan. Hoewel, zonder dat ‘tam’ dan, want de GT heeft nog steeds voldoende ruige genen over om een stevig potje sturen mogelijk te maken. De groot- ste Super Duke was een fenomenale machine en wat mij betreft is de GT minstens zo goed, en daarbij een stuk bruikbaarder. De fikse aanschafprijs en het stevi- ge verbruik moet je dan maar voor lief nemen.

Nieuw in de schappen: SCORPION EXO-1400 Air Carbon

0

De belangrijkste eigenschappen van een helm? Veiligheid! Maar een helm moet wel lekker zitten op je hoofd en niet te zwaar zijn. Scorpion doet met de nieuwe EXO-1400 Air Carbon en poging.

Een helm moet beschermen, lekker zitten, niet te zwaar zijn en er ook nog eens goed uit zien. De nieuwe Scorpion EXO-1400 Air Carbon heeft alle specs om aan deze voorwaarden te voldoen. De buitenschaal is gemaakt van carbon ultra TCT. De afkorting staat voor Thermodynamical Composite Technology. Die techniek staat garant voor een sterke en lichte helm, want de EXO-1400 Air Carbon weegt zo’n 1.250 gram. De binnenvoering van Kwikwick3 is vochtregulerend. Voor brildragers is het interieur voorzien van uitsparingen voor de brilpoten. Verschillende ventilatiekanalen zorgen voor de nodige verkoeling tijdens warme dagen. Invallend zonlicht wordt afgeschermd door het geïntegreerde SpeedView-zonnevizier.

Een belangrijke eigenschap van de EXO-1400 is dat de helm goed op je hoofd aansluit door het Airfit-systeem. Met een pomp kun je de wangstukken namelijk met lucht te vullen, waardoor je een soort pasvorm op maat krijgt. De Scorpion EXO-1400 Air Carbon heeft standaard twee vizieren, een dark smoke en een helder exemplaar. Verder ontvang je MAX Vision Pinlock, dat condens in de helm voorkomt. De helm is ook voorbereid voor gebruik van bluetooth-communicatiemiddelen.

Specs

Maatvoering: XS tot en met XXL (drie verschillende buitenschalen)
Gewicht: 1.250 gram
Prijs: € 389,90 (Carbon); € 439,90 (Carbon Pure)

Onderweg: nieuwe Suzuki Hayabusa

0

Het lijkt erop dat Suzuki ergens dit jaar de aankonding zal doen van een nieuwe Hayabusa. We laten expres de GSX-R-noemer en een eventuele cilinderinhoud achterwege, want dat is namelijk geheel ongewis. Om een aantal redenen.

Tja, met de aanstaande introductie van de Kawasaki H2SX, leeft het hypersportieve toersegment weer op. Niet zoals eind jaren negentig met de Kawasaki ZZR1100 en Honda’s Blackbird, maar het wordt juist op een andere manier heel spannend. Suzuki doet namelijk niet aan tweede viool spelen – Hayabusa betekent slechtvalk; de natuurlijk vijand van de merel… de Blackbird dus, zijn oude nemesis – en zal dus ook nu weer op de man spelen. Naar alle verwachtingen groeit de 1340cc-GSX-R zoals we hem nu kennen met een kubieke centimeter of honderd, zodat hij in ieder geval de ZZR1400 van Kawasaki kan hebben, maar de nieuwe Hayabusa zal ook absoluut de H2SX op de korrel hebben. 

En dan zou je kunnen denken aan een turbo, want als de H2SX drukvulling heeft, zal men bij Suzuki wellicht niet achter willen blijven. Maar aangezien Suzuki al zolang met het turbo-idee speelt, vraag je je af waarom ze er niet mee voor de dag komen. Wanneer kwam de eerste Suzuki GSX-R1300 Hayabusa ook weer uit? Juist, in 1999. Dat zou volgend jaar het twintig jarig jubileum betekenen en een uitgekiend moment hem te presenteren is dus later dit jaar op de EICMA dan wel de Intermot.

Concrete zaken houd je tegoed, maar we houden met zijn allen wel meer te goed, aangezien Suzuki afgelopen beursseizoen enkel wat nieuwe kleuren en een retro-achtige SV650 presenteerde. Suzuki heeft wat goed te maken en als men hiermee over de brug komt, zouden we het ze wel kunnen vergeven.

Foto: Auto-By

LangsteDagTocht 2016: Terug naar 1816

0

De LangsteDagTocht 2016 wordt een tijdreis door Utrecht, Gelderland en Overijssel. Over een antieke kadasterkaart gaan we naar de tijd dat Nederland heel bochtig en weids was. We gaan terug naar 1816.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/langstedagtocht-2016.gpx”]

Tekst en foto’s Jan Dirk Onrust

In 1815, vlak na het vertrek van de Fransen, werd de Topografische Dienst opgericht. Ons grondgebied was al eerder in kaart gebracht, maar nooit erg gedetailleerd. Nu werd het voor het eerst een overheidstaak om de ligging van wegen, water en bebouwing zo precies mogelijk vast te leggen. Dat nam een aantal jaren in beslag. Voor onze route konden we teruggrijpen op kaartmateriaal uit 1816.
De Topografische Dienst ging in 2004 samen met het Kadaster, maar desondanks werd vorig jaar het 200-jarig bestaan gevierd. En daarbij deelde de dienst in het najaar een schitterend cadeautje uit: de website topotijdreis.nl. Hierop kun je heel eenvoudig navigeren door tweehonderd jaar kaartmateriaal. En dan heb je een bron voor een prachtige rit.

Amper twee miljoen inwoners

Er is natuurlijk enorm veel veranderd in twee eeuwen, al was het alleen maar door de bevolkingstoename. Toen de Topografische Dienst begon aan haar karwei was Nederland nog een leeg land met amper twee miljoen inwoners. Het betekent dat er vooral in het westen van het land niet veel terug is te vinden van de vroegere wegen. Maar aan de randen van het dichtbevolkte gebied wordt het veel beter. Redelijk snel vonden we langs de zuidelijke oever van de Zuiderzee en over de Veluwe een route die er in 2016 grotendeels nog steeds ligt. De rit heeft een lengte van ongeveer 240 kilometer. ‘Kilometer’ zeggen we overigens vanaf 1816, want in dat jaar werd het metrieke stelsel ingevoerd. Daarvoor drukte men de afstanden uit in mijlen, ellen of uren gaans.

Utrechtse kustwegen

We beginnen aan de oostkant van ’t Gooi bij Baarn, waar je bij de start een speciaal 1816 T-shirt, koffie en gebak krijgt. Snel daarna gaan we de antiquiteit in over een slingerweggetje met knotwilgen langs de Eem, richting Eemmeer. Daar doemt al snel een flinke gemeente op, die op de oude kaart uit niet veel meer dan twee speldenknopjes bestaat: Bunschoten-Spakenburg. Hier moeten we ons even persen door nieuwbouw en bedrijfsterrein, maar snel daarna komen de goede ouwe weggetjes met namen als Zeedijk, Zeeweg en Oude Zeedijk. We volgen hier niet de volledige ‘kustweg’, want die is inmiddels overwoekerd door het vierbaansasfalt van de A28. Het achterland daarentegen is rustig, bochtig en versierd met boerderijen, herenhuizen en soms een kasteel.

Oude zandwegen

Opmerkelijk is dat er op de plattegrond van 1816 soms meer wegen liggen dan nu. Dat komt omdat driekwart van de bevolking hier destijds op het platteland leefde en boeren maar kleine perceeltjes hadden, die toch bereikt moesten worden. Maar een weg was destijds meestal niet meer dan een zandpad. De eerste asfalt- en betonwegen verschenen pas een dikke eeuw later, anderszins verharde wegen (kinderkopjes) waren een zeldzaamheid.

Inmiddels zijn bijna alle wegen in de route geasfalteerd, maar als je goed kijkt, zie je nog heel wat zandweggetjes liggen, vaak doodlopend. Maar het aardigste is dat zelfs de asfaltwegen vaak nog hetzelfde verloop hebben als 200 jaar geleden. En dat betekent bochten. Heel veel bochten. Wellicht is het zelfs de bochtigste LangsteDagTocht ooit.

Europese bizon

Om de tijdreis nog wat completer te maken, lijkt de omgeving ook van vroeger tijden. Veel oude boerderijen – soms met de hooiberg nog pal aan de weg (‘4 euro per baal’). In de buurt van Kampen waan je je zelfs in een openluchtmuseum. Maar hoedt u voor namaak, het is vaak niet zo oud als het er uitziet. Een negentiende-eeuwse boerderij kan bij nadere inspectie uit 2003 komen en die antieke schaapskooi kan zomaar uit 1988 stammen. Bij Ermelo doen ze er nog een schepje bovenop, want daar zien we een Europese bizon grazen – die al duizend jaar niet meer voorkomt in Nederland. Over het weiland met kleine kangoeroes zullen we het maar helemaal niet hebben. Maar het ziet er allemaal wel prachtig en proper uit. En de weidsheid is hier nog niet verloren gegaan.

Veluwe: een woestijn

Of het echt op 1816 lijkt valt te betwijfelen. Nederland was toen een tamelijk vervallen en achterlopend land geworden. En zeker hier, rond en op de Veluwe, moet het er armoedig hebben uitgezien, want nergens werd zo weinig geld verdiend. Ook het landschap moet anders zijn geweest. Van de wilde Zuiderzee is hier niet meer over dan een getijdeloos randmeer. Maar ook de Veluwe zou je nauwelijks herkennen.

De romantische gedachte is dat de Veluwe vlak voor het begin van de industriële revolutie een weelderige wildernis was waarin zelfs wolven rondzwierven. In werkelijkheid was het gebied al in de middeleeuwen grotendeels ontbost door teveel houtkap en veranderd in heide en zandverstuivingen. Tweehonderd jaar geleden zag je hier dus een soort woestijn. Wolven, vossen, buizerds en otters waren toen al met klopjachten verdreven. Met veel moeite is er later in de negentiende eeuw bos aangeplant. Niet om het natuurschoon, maar voor de commerciële houtkap. Nu is het een natuurgebied, al zou je het net zo goed industrieel erfgoed kunnen noemen.

Voor de tocht maakt het allemaal niet veel uit. Hij is misschien nog wel mooier dan hij in 1816 zou zijn geweest. In elk geval zal het weer beter zijn. 1816 is door vulkaanuitbarstingen namelijk wereldwijd te boek gegaan als ‘het jaar zonder zomer’, waarin zelfs in juni nog een dik pak sneeuw kon vallen.

Slowakije: Hoge Tatra

0

Het kleinste hooggebergte ter wereld. Voor wie is dat geen prikkel? Ook nog eens omdat de Hoge Tatra in Oost-Europa ligt, voor avontuurlijk ingestelde motorrijders ver genoeg weg van de bekende Eifel, Ardennen en Alpen en toch goed bereikbaar.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/slowakije-hoge-tatra.gpx”]

Tekst en foto’s Klaus H. Daams

Politiek en moreel totaal incorrect begint onze Slowakije-toer met de uitspraak van een reiziger, die we opvangen op de E75 tussen Jablunkov en Čadca aan de grens tussen Tsjechië en Slowakije.

‘Vanaf hier is neuken nog maar half zo duur als eerst.’

Tsja, knalhard, wat door sommige hoofden spookt. Maar in plaats van bodemprijzen, duidelijk nog lager dan in de voormalige broederstaat Tsjechië, heeft de Hoge Tatra, het kleinste hooggebergte ter wereld, ons naar het oosten van Europa gelokt. Samen met de Lage Tatra en het Slowaakse Paradijs belooft het gebied rond de in totaal 25 bergtoppen boven de 2500 meter rijkelijk ongerept landschap. Ideaal om met een klassieke motorfiets als de Kawasaki W 800 te doorkruisen.

Uitgevouwen als een XXL panoramaposter protst de granieten hoofdkam van de Hoge Tatra met zijn bijna 30 kilometer lange falanx van puntige bergtoppen en daarover hangt als begroeting de zon in rode avondkleding.

Bijna net zo knus als in de Hollandse Alpen van het Sauerland. We hoeven ons ook geen buitenbeentjes te voelen in het leuke centrum van Kežmarok, in het vooraf geboekte Hotel Club. Door het restaurant deinen Schlagers, ten beste gebracht door een groep busreizigers uit Oostenrijk en de muren hangen vol met geweien. Pronkstuk op de begraafplaats van de gehoornde dieren is het monsterlijke gewei van een eland, in Noorwegen geschoten door de vader van de waardin.

Ze is geen onbekende: Jana Gantnerová werd in 1984 bij de Olympische Winterspelen in Sarajevo vijfde in de afdaling, aan het begin van haar carrière streed zij nog met Rosi Mittermaier om de plaatsen. Geen wonder, trainingsmogelijkheden liggen in Kežmarok voor de deur, prima ontsloten door wegnummer 537, die aan de zuidrand van de Hoge Tatra diverse (post)socialistische kuuroorden met elkaar verbindt zoals Starý Smokovec. Van die weg buigen dan weer skipistes en wandelwegen af in het hoogalpiene wonderland. Voor motorrijders is er echter een bezwaar: het ’s winters witte en in ’s zomers groene kerngebied is op het asfalt alleen met een ruime boog te omwedelen. Naar voor gemotoriseerd verkeer vrijgegeven weggetjes door het gebergte zoek je tevergeefs, net zo als ten noorden van het gebergte rond het Poolse Zakopane.

In plaats daarvan vinden we eerst een reclameposter voor keramisch sanitair, als motief de zebrastrepen met de Beatles van de Abbey Roadcover, licht vervreemd in popartstijl à la Andy Warhol, wiens ouders in Slowakije waren geboren.

Niet minder bont: behulpzame beelden op de menu’s, zodat ook zonder woordenboek enigszins te raden is wat bijvoorbeeld Losos s holandskou omáčkou betekent. Wat taal betreft: Engels is wijdverbreid, verrassend veel inwoners spreken ook Duits, wat duidt op de levendige traditie van de Karpatenduitsers, een sinds de middeleeuwen in Slowakije geïntegreerde volksgroep. Het dorpje Ždiar luistert in het Duits naar de naam Morgenröthe. Morgenrood is de hoogburg van de Goralen, een Westslavische ethische bevolkingsgroep. Vrolijk gekleurde houten huisjes en een museum voor plaatselijke geschiedenis versieren het plaatsje. Op feestdagen dragen de morgenrode mannen klederdrachthemden, eigenhandig door museumdirecteur Peter Michalak geborduurd. En waar loopt de Kawa mee te pronken? Met een koningsas!

Daarmee sluiten we het hoofdstuk beschaving af en pakken we het botanische wegnummer 67 op door een keteldal bergafwaarts naar Osturňa. Ook daar bonte houten huisjes, alleen niet zo museaal opgeleukt zoals eerder in Ždiar. Bruine aardtonen domineren in het buurdorp Vel’ka Franková, met onder de daken van de schuren perfecte “hangars” voor complete eskadrons van vleermuizen. Als jachtterrein voor de 800, die zijn pseudo-sportieve koplampruitje volgt als een stier de rode doek, bewijst zich dan wegnummer 542 naar Slovenská Ves.

‘Wat een geweldige hellevaart, die kunnen we alvast als nummer 1 van de plaatselijke lievelingsroutes noteren,’ straalt de motormatador. Iets verderop blijft het enthousiasme in de keel steken bij het zien van weinig pittoreske paardenwagens en wenkende (zigeuner?)kinderen in Výborná.

‘Wat wij er hier in een dag aan benzine doorheen jagen, verdient het hele dorp niet in een maand,’ is daar de reflex. ‘Een vlottochtje is leuk’, resumeert daarentegen de Oostenrijkse busreisgroep, terug van het geliefde uitstapje op de wild-romantische Dunajec in het Slowaaks-Poolse grensgebied.

Een heel ander soort waterlandschap is Tatralandia, grootste Termen- en Aquapark van Slowakije. Onderweg naar het pretbad aan de noordoostelijke oever van het stuwmeer Liptovska Mara maken we eerst maar weer eens pret op de 537 en pitstoppen in Liptovský Mikuláš, eigenlijk toevallig in Chopper Club, een motorcafé met Easy Rider-muurschilderingen en Rammstein-bassen (‘Du riechst so gut’, nou jij ruikt ook lekker hoor). Niet zo schreeuwerig, tenminste uit de verte gezien, maar kakelbont als een gestrand tentakelmonster van Playmobil pompt Tatralandia zich op voor het bergdecor. 27 Glijbanen, als langste de “Anakonda” van 146 meter, 20 euro entree voor drie uur. Voor ons zijn een paar minuten kijken vanaf het hek voldoende.

Die uitgespaarde tijd is goed geïnvesteerd: de 584 naar Zuberec ontpopt zich als een heimelijk circuit voor bergrennen, de kleine Kawa onpopt zich als koning der bochten. In plaats van met een een scepter, gaan de stereo schokdempers aan het swingen, nadat het rechtsaf is gegaan op de gepokte weg door het woud richting Oravice. Alwaar water weer belangrijk wordt, als bij balneotherapie in Meander Park Oravice het warme nat weldadig op de geest en tegen stress zou moeten werken. Maar welke kwaaltjes wel verholpen worden in een bergvoertuig met rupsbanden dat deelnemers, even bellen is voldoende vanaf acht personen, door een modderpoel bij Tvrdošín voor acht euro per persoon sleurt, blijft een raadsel.

Ja, Slowakije is een land vol vragen, geschiedenis en verhalen, die zich langs of op de weg aan je opdringen. In het centrum van Vel’ká Lomnica hurken mensen schijnbaar doelloos op een paar zakken gevuld met aardappelen, iets daarbuiten worden op het vette groen van een 27-gaats golfplaats holes geput. En terwijl de motorfietsen bergafwaarts door de bochten storten richting Tatranská Štrba, trekt daarboven een roofvogel zijn kringen, twee maal zo groot als een buizerd. Een adelaar?

Van de Hoge naar de Lage Tatra. In plaats van een imposant decor met zigzaggende bergtoppen naast toeristische infrastructuur hier nu rondvormige hoogtes van rond de 2000 meter en ongeschminkte landelijkheid. Gaap? Dacht het niet. Een gegarandeerd verkeersarm, duidelijk fijnmaziger wegennet laat het hart van de secundairewegsurfer sneller kloppen, en zodoende de dagplanning in de prullenbak verdwijnen. Waar vandaag niet voor kan zorgen, rijden we dan gewoonweg morgen. Eerst slingeren we maar eens door het woud richting Liptovská Teplička, buigen daar bij het partizanenmonument linksaf naar Hranovnica, pauzeren in Spišské Bystré voor een snelle fotoshooting met een jong gezin dat naar de vreemde motorrijders wuift. Vervolgens sturen we langs buitenwijken met duizenden vensters naar het centrum van de provinciehoofdstad Poprad. Op het terras van Globus Club kijkt het onverzadigbare oog beurtelings naar menukaart met kippenpoten van de grill (zonder bot) en met overal miniskirts en high heels op het trottoir van de voetgangerszone.

Volgens natuurwetten voeren passen omhoog, al heel hoog is men voor de plaatselijke begrippen met 1232 meter op de Čertovica sedlo en de 1053 meter hoge Vernárske sedlo, laatstgenoemde op de grens met het Slowaakse Paradijs, dat is gevormd door ravijnen, watervallen en grotten. En wie voor zijn Nirvana in het zadel droomt van Route 66, hoeft daarvoor niet naar het verre Amerika te jetten, maar vindt een tegenhanger in de legendarische Moederweg op de verbindingsroute tussen de beide passen via Brezno. De omstandigheden onderweg doen daarbij zo nu en dan aan Druiven der Gramschap denken, zoals in het trieste Telgárt, waar in de berm emmertjes met bospaddenstoelen en bosbessen worden aangeboden, ontbloot van elke zweem sociaal-realistische folklore. Misschien denk je dan nog ‘is toch niks mis mee, bij ons thuis verkopen ze aardbeien; bovendien ziet het er in de smoezelige uithoeken van Rotterdam of het Roergebied niet veel beter uit.’ Of je denkt er het jouwe van en laat de camera voor de verandering maar eens achterwege.

Aan de 67 biedt de kabelbaan van Ostrá Skala de mogelijkheid om al het aardse onder zich te laten schommelen. Dat is een van de tien klimparken van het Slowaakse Tarzania-gebergte. Tegenover ook nog een nagebouwde western-ranch. We beteugelen onze paarden maar kort, drijven ze in rodeostijl over 22 hobbelige kilometers verder naar Hrabušice, de vering knikt instemmend, door het Nationale Park Slowaaks Paradijs. ’s Avonds horen we bij het diner dat men gisteren op het fietspad tussen Vrbov en Kežmarok een beer heeft geschoten.

De twee laatste punten op ons programma mogen niet onvermeld blijven. Hier gooit Slowakije nog even alle registers open. De kasteelruïne van Zips (Spišský hrad) is qua oppervlakte een van de grootste vestingen van Europa en pronkt, vaak samen met het buurstadje Spišska Kapitula, op menige reisbrochure. Altijd weer bij zulke highlights de gewetensvraag: te voet omhoog klimmen, of van onderaf fotograferen en snel weer in het zadel springen? Dan maakt Levoca het je gemakkelijker, misschien wel de mooiste kleine stad van het land, met alle middeleeuwse pracht en praal en zonder inrijverbod. Voor het raadhuis ontmoeten we de academische schilder Igor Pančuk die dankzij gepolijste plamuurtechniek het ensemble voorbeeldig en kleurecht op het doek tovert, al het storende gedoe eromheen eenvoudig weglatend.

INFORMATIE

Het noorden van Slowakije is het meest bergachtige deel van het land en daardoor voor motorrijders het meest aantrekkelijkste. Weliswaar is een intensieve ontsluiting van de Hoge Tatra overwegend aan wandelaars voorbehouden, maar de Lage Tatra en het Slowaakse Paradijs bieden volop gelegenheid om over verlaten secundaire wegen te sturen.

ONDERDAK

Als standplaatsen voor een vast verblijf zijn de twee stadjes Kežmarok und Levoča ideaal. Laatstgenoemde is weliswaar het mooiste van de twee, maar ligt weer wat meer naar het oosten, waardoor dagtochten langer kan maken. D”aarom kozen wij voor Hotel Club” in Kežmarok. www.hotelclubkezmarok.sk.

REISTIJD

Aangezien echt hoge bergpassen ontbreken, loopt het motorseizoen van begin mei tot eind september. In het voorjaar bleoein de weiden, in de herfst lokt het bonte loof.

Triumph Tiger 1050 2016

0

In twee miljoen jaar tijd is de tijger geëvolueerd tot de absolute top in de voedselketen. De Tiger Sport van Triumph bestaat nog niet zo lang, maar hij ontwikkelt zich gestaag verder en heeft nu weer een stap van betekenis gezet. Genoeg om de concurrentie voor te blijven?

Tekst Roland Brown

Eigenlijk is de Tiger Sport nog maar drie jaar geleden ontstaan als een vernieuwde versie van de voorgaande Tiger 1050, die werd uitgebracht in 2007. De ontwikkeling daarvan loopt helemaal terug tot de Tiger 900 uit 1993, toentertijd het eerste dual-purpose model van de fabriek uit Hinckley. Die eerste Tiger 900 zette de toon, want het was in wezen een sport-toermachine voorzien van ophanging met lange veerweg, een halve kuip en een soepel afgestelde 84 pk-versie van de Triumph driecilinder met een inhoud van 885 cc. In 2007, een paar verbeteringen verder, had de Tiger 1050 in Italië ontworpen plaatwerk, een aluminium frame en 113 pk; de Tiger Sport had nog eens 10 pk méér plus een lager zadel, enkelzijdige swingarm en ABS-remmen.

Nieuwe vernieuwing

Deze laatste Sport zet de vooruitgang van de Tiger voort. Alleen de motor zelf bevat al meer dan 100 nieuwe onderdelen, hoewel de basisopstelling van de 12 kleppen met dubbele bovenliggende nokkenas hetzelfde is gebleven. Cilinderkop, zuigers en aansluitingen hebben een nieuwe vorm gekregen; de koppeling heeft ‘torque assist’ en vraagt dus minder kracht. De luchthapper is nieuw en de uitlaat combineert gemodificeerde spruitstukken met een geluiddemper met minder weerstand dan voorheen, ondanks de normen van Euro 4. Ook de brandstofinspuiting en dynamo zijn verbeterd. Net als de Speed Triple is de Sport nu voorzien van ride-by-wire, waardoor hij uitgerust kon worden met tractieregeling, cruisecontrol en drie rijstanden, aangeduid als Sport, Road en Rain. In het middenspectrum ligt het motorvermogen tot zes procent hoger; het maximumvermogen is met 1 pk toegenomen tot 124 pk bij 9.400 tpm.

De opzet van het chassis is niet veranderd: een aluminium frame, enkelzijdige swingarm en 17-inch wielen, formaat roadster, gecombineerd met Showa-ophanging die goed is voor een veerweg van adventure-niveau, namelijk 140 mm vóór en 150 mm achter. Het plaatwerk, vormgegeven door het Italiaanse ontwerpbureau Marabese, is subtiel opgepept met kleine rijwindgeleiders aan weerszijden plus een getint scherm dat onder het rijden in hoogte versteld kan worden.

Vertrouwde driepits-power

Toch voelt de Tiger Sport nog vertrouwd aan als ik tijdens de lancering in de Provence mijn been over het hoge zadel gooi (nog steeds 830 mm hoog en niet verstelbaar, dus lastig als je niet al te lang bent) en de lichte koppeling laat opkomen om op te trekken. Het verhoogde, eendelige stuur zorgt voor een royale, rechte zithouding en de Triumph accelereert met de flexibele, snelle charme die ook zijn voorganger kenmerkte.

In feite voelt de Sport in Road-stand net zo aan als ik me herinner van het oude model: een indrukwekkend hoog motorkoppel, moeiteloos snel optrekkend bij 4.000 tpm met een aangenaam vlotte reactie op het gas, en soepel op die typische driecilindermanier wanneer het toerental zijn grens nadert, iets onder de 10.000 tpm. Het koppel krijgt trouwens een nuttig zetje bij zo’n 7000 tpm, waar hij zijn maximum van 106 Nm levert. En ondanks de lichte terugval onder de 4500 tpm die daar tegenover staat, is de Triumph heel flexibel en hoef ik slechts minimaal gebruik te maken van de zes versnellingen.

Nog sterker voelt hij aan als ik overschakel op de Sport-stand, waarvoor ik voorover moet buigen om een knop in te drukken op het instrumentenpaneel. Een knop op het stuur zou handiger zijn geweest. Ik had net zo goed in Road kunnen blijven rijden, maar in de agressievere stand reageert de Triumph iets scherper, iets directer op het gas. Dat maakt hem nog leuker als we vanuit Vence over de bochtige D2 naar het noordwesten rijden.

Nadat we in de buurt van Gréolières koffie hebben gedronken, is wat extra bescherming tegen de wind wel prettig. In westelijke richting is de weg nu iets sneller en meer open. Er zijn echter nauwelijks rechte stukken om te bevestigen of de cruisecontrol aangenaam eenvoudig in het gebruik is, maar bij 140 km/u rijdt de Tiger volkomen ontspannen. Mede dankzij de perspex diffusors van de kuip en standaard handkappen verloopt de rit heerlijk relaxt.

Scherper en levendiger

Het scherm is onderweg makkelijk te verstellen; je kunt het met één hand indrukken en dan omhoog trekken of omlaag duwen. Nuttig dus, hoewel ik door het vrij kleine formaat en beperkte verstelbaarheid (minder dan 6 cm) toch nog wel een beetje last heb van turbulentie. Het geluidsniveau tijdens de rit is bovendien best laag, waardoor ik meer kan genieten van de raspende toon van de uitlaat, die de driepitter nog meer karakter geeft.

Omdat de belangrijkste onderdelen van het chassis niet gewijzigd zijn, verwachtte ik dat de rijeigenschappen van de Sport ongeveer hetzelfde zouden zijn. Daarom ben ik aangenaam verrast als ik merk dat hij duidelelijk scherper en levendiger stuurt dan zijn voorganger. Ook al is het geen lichtgewicht, – met 218 kg droog is hij een paar kilo zwaarder dan het oude model – toch doet de Tiger meer denken aan een levendige welp dan aan een goed doorvoede volwassen tijger. Met een lichte druk op het brede stuur verandert hij makkelijk van richting. De rijkwaliteit is uitstekend, zoals je verwacht van een motor met zo’n lange veerweg. En hoewel hij door zijn hoogte enigszins vaag aanvoelt in de bochten, vergeleken bij een sportiever model als een Speed Triple, is het niet zo dat hij overdreven duikt bij het remmen of door zijn achterveren zakt bij het accelereren. Goed voor elkaar dus.

Het aan weerszijden iets steviger aandraaien van de demping ten opzichte van de standaard-resulteert in een strakkere wegligging, waardoor ik de bochten hard genoeg kan nemen om de naam Sport eer aan te doen. Op die momenten is het goed dat de tractieregeling op de achtergrond zijn werk doet, ook al is het een eenvoudig systeem dat aangestuurd wordt door de wielsnelheid in plaats van een leunhoeksensor. Daarom neem ik geen risico met het gas. Net als bij het ontbreken van een optie voor semi-actieve ophanging heeft Triumph gekozen voor een prozaïsche aanpak door de Sport te updaten zonder dik uit te pakken met geavanceerde elektronica die je vindt bij bijvoorbeeld de BMW S1000XR of de Ducati Multistrada 1200. Scheelt in de centen ook trouwens.

Allrounder

Hetzelfde geldt voor de remprestaties. De ongewijzigde combinatie van 320 mm schijven vóór en vierzuigers Nissin radiale remklauwen levert ruim voldoende remkracht, met steun van een prima ABS-systeem, dat echter soms al in werking treedt als ik rem voor een verkeersdrempel. Puntje van verbetering. De Pirelli Angel GT sport-toerbanden leveren overigens voldoende grip om de grondspeling te testen en ook dat laatste is prima in orde.

Verder zit de Sport prima in zijn spullen. Zo wordt hij geleverd met zelf-uitschakelende richtingaanwijzers, een 12V accessoire-aansluiting en een USB-aansluiting onder het zadel. De spiegels zijn goed geplaatst, maar geven soms een wazig beeld. De tank heeft nog steeds een inhoud van 20 liter, wat in de meeste gevallen goed is voor een actieradius van ruim boven de 300 km, gezien het feit dat velen met het oude model minstens 5,5 l / 100 km halen en deze motor volgens Triumph acht procent zuiniger rijdt. (Mijn gemiddelde was 5,8 l / 100 km, met af en toe hard rijden.)

Het zadel is ongewijzigd en voldoende comfortabel voor zo’n afstand. De buddyseat heeft stevige handgrepen gekregen. De praktische kant kun je verbeteren via de accessoires, zoals o.a. verwarmde handvatten en koffers, maar ook zachte tassen en een Akrapovic geluiddemper. Het model is fraai afgewerkt in zilver of zwart, compleet met een paar leuke details als het logo van Triumph op de benzinedop, spiegels en motorcarter.

Glamour

Desondanks en ondanks de aantrekkelijke vorm ontbreekt het de Tiger Sport enigszins aan glamour. Ook al heeft hij de wegligging van een adventure bike, hij heeft namelijk niet dat stoere imago dat velen zo aanspreekt. Waar hij verder mee te kampen heeft, is dat hij als driecilinder sporttoerer de meeste concurrentie heeft van de enorm succesvolle Yamaha Tracer 900 driepitter en niet van – zoals Triumph beweert – de viercilinder Kawasaki Versys 1000 of de V-twin Aprilia Caponord 1200 en Suzuki V-Strom 1000.

De terughoudendheid van Triumph is begrijpelijk, want in de meeste landen ligt de prijs van de Tracer grofweg 20 procent lager dan die van de Sport. Maar dankzij de doordachte evolutie van het Britse bedrijf is de oudgediende driecilinder een waardig alternatief. De Tiger Sport zal nooit de almachtige Shere Khan van de sport-toerjungle worden, maar het is een respectabel stijlvolle, plezierige en goed uitgeruste allrounder die nu nog beter presteert.

Roland over de Triumph Tiger Sport

Goeie wijn wordt er alleen maar beter op bij het vorderen van de leeftijd en dat lijkt ook op te gaan voor de Triumph Tiger Sport. Als je de updates maar serieus aanpakt, blijkt zo’n ervaren rakker ook in de huidige markt nog prima mee te kunnen, mede dankzij die heerlijke driepitter die nog lang niet aan het einde van zijn latijn is. Punt is echter wel dat de concurrentie ook niet stilgezeten heeft. Met name Yamaha heeft met zijn Tracer een uitstekend alternatief in de showroom staan, die liefst 3 mille goedkoper is. De Triumph richt zijn pijlen dan ook liever op een wat hoger segment, maar mis daarvoor juist weer de meest moderne elektronica. Conclusie: De Triumph is een uitstekende keuze, maar de rest van de markt is nóg harder gegroeid.

Suzuki SV650 2016

0

‘Joh, zeventien jaar geleden alweer?! Nou, geloof me; je bent echt geen spat veranderd, hoor!’ Binnen menselijke omgangsvormen gelden dergelijke bewoordingen als reusachtig compliment. Maar hoe geloofwaardig zijn soortgelijke woorden aan het adres van de opnieuw eïntroduceerde Suzuki SV650? Heeft deze de tand des tijds even glansrijk doorstaan?

Tekst Joost Overzee

Had Suzuki de codenaam SFV650 maar nooit vergezeld van de roepnaam ‘Gladius’; dan was de SV650-cyclus sinds 1999 gewoon onafgebroken doorgezet en hadden we nu gewoonweg te maken gehad met de vierde generatie SV. Maar enfin, Suzuki laat niet na de terugkeer van de SV650 te verwelkomen als ware de Verloren Zoon opnieuw neder gezegen. En geheel in stijl met de tijdgeest gaat de herintroductie gepaard met een hippe Back to Basics-marketing waarbij Echt Rijden weer centraal staat. Daarnaast zijn de eerste customized SV’s met raceregenbanden al gesignaleerd voor een modieuze hipster-touch. Je moet toch iets bedenken.

Geen Maxim

Toch snijdt Suzuki’s aanpak enig hout; in totaal zijn er sinds de geboorte van het 90 V-twin blok 410.000 SV’s en DL’en mee uitgerust. Zeker in den beginne was vooral die gele SV650, zeker ook in de S-versie, de vrolijke dissident van het toenmalige middensegment, de anti-FZS600 Fazer in zekere zin. Van de hoekig opererende Ducati Monster maakte de fluwelen SV ook al gehakt, zeker door het tijdloos goede en betrouwbare motorkarakter. Maar ja, het waren andere tijden; in het jaar 2000 bestreek Suzuki de Europese top drie van best verkopende machines met de Bandit, Burgman en SV. Volgde vier jaar later, dus in 2003, een totale stijlbreuk binnen de SV-reeks door alle ronde lijnen messcherp en hoekig te maken in een poging om agressiever, mannelijker over te komen. Dat laatste streven ging met de unisex Gladius in 2009 volledig overboord. En daarin schuilt een valkuil, want noem een motor geschikt voor dames en je verkoopcijfers draaien droog. Voor een grenzeloze afkeer van alles wat maar aan damesmotorrijden doet denken, daar heeft een beetje kerel geen Maxim Hartman voor nodig.

Thuiskomen

De hernieuwde SV650 anno 2016 mag dan uiterlijk en qua impact de minst opzienbarende SV (of Gladius) ooit zijn, het weerhoudt Suzuki er niet van met gestrekt been erin te gaan. Vergeleken met de ER-6 en MT-07 is de Suzuki SV de krachtigste, zuinigste, smalste, laagste, de beste starter en de enige die voldoet aan Euro4-normen. Aldus de firma uit Hamamatsu. Daarnaast spijkert Suzuki nogmaals zijn toehoorders bij dat een V-twin – in verhouding tot een staande twin – meer onderdelen vergt, dus extra gewicht en geld kost, maar dat er een vloeiendere gasrespons, meer kracht in de kelder, zuinigheid, beter sturen en een fraai ronkend geluid tegenover staan. Ondanks de motorische aanpassingen om aan Euro4 te voldoen heeft de machine vijf pk gewonnen (nu 76 pk/8.500 tpm) en is er acht kilo bespaard tot de huidige 197 kilogrammen rijklaar. En zoals altijd zijn gewonnen kilogrammen de goedkoopste paardenkrachten.

Het bekende gevoel van thuiskomen op het ouwe, vertrouwde nest is sinds jaar en dag Honda toevertrouwd, toch blijkt ook de SV650 overgoten met een soortgelijk gelukzalig sausje van herkenning. Voor de verandering zwiep je het rechterbeen nu eens niet blauw aan duohandgrepen of koffersets, laag als de SV is gebouwd. Heb je een lichaamslengte van 1.60, raakt een tiental tenen gelijktijdig de vloer. Ben je eerder van het formaat 1.80 meter of meer, zal de SV wat Madurodammerig op je overkomen. Daarnaast heeft een lage zit de onlosmakelijke bijkomstigheid van relatief hoog staande voetsteunen om toch nog grondspeling te garanderen. Lange stelten zullen dus na een lange zit neiging hebben om te gaan verkrampen, waarbij aangetekend dat langpotigen zich eerder aangetrokken zullen voelen tot een hoogpoter als de V-Strom 650.

Geen slagzij

Hanteerbaarheid voor kleinere rijders genoot prioriteit bij de ontwikkeling en daar dragen tevens de fijne draaicirkel, koppeling en zesbak aan bij. Nieuwe toevoeging is de zogenoemde Low RPM Assist. Dit systeem wordt aangestuurd door sensoren van ingeschakelde versnelling, gasklepstand, toerental en koppelingspositie, allemaal om een iets verhoogd stationair toerental te bewerkstelligen bij wegrijden. Immers, zeker door strikte emissie-eisen willen motoren bij wegrijden nogal snel afslaan met groot risico op slagzij tijdens een U-turn. En verdomd, het werkt; ook in de derde versnelling kun je stationair draaiend van zijn plek komen. Zeker de minder door de wol geverfde rijder (vaak extra bevreesd om met de motor om te vallen) zal hiermee geholpen zijn. Bovendien is de SV uitgerust met het ‘one touch’-startsysteem van de GSX-S1000 en Ducati’s, waarbij je de startknop niet ingedrukt hoeft te houden tot de motor aanslaat. Misschien handig op Ducati’s met hun traag draaiende startmotors, maar overbodig op vlot aanspringende Japanse ensemble.

Oorstrelend

En de 645 cc heeft al zo’n glorieuze reputatie in verleden, heden en toekomst. De Suzuki V-twin is altijd van een buitengewone klasse geweest in souplesse, hartslag en vrolijkheid. Ondanks rigoureuze milieumaatregelen en naar verluidt superzuinig lopen blijft hij bij ieder toerental, ook op deellast, heerlijk moddervet draaien. De 76,5 paardenkrachten intimideren nooit, maar geven altijd vertrouwen en trillen nooit storend, iets waar twee- en viercilinder lijnmotoren nogal een handje van hebben. Bovendien blijken het verdraaid goed afgetrainde beesten; of je nu rustig of pikant een korte bocht verlaat, de trekkracht doet van zich spreken, net als het uitlaatgeluid. Ronduit verbluffend hoe aan het moordende Euro4 kan worden voldaan met zo’n warmbloedig uitlaatgeluid. De dappere stamper laat ook bij de laagste snelheden knusjes van zich horen, zodat de oorstrelende audio niet blijft voorbehouden aan rijden op racetempo. Met zijn algehele zoete omgangsvormen zou de SV zijn rijder bijkans in slaap weten te sussen, ware het niet dat Suzuki geen marsepeinen voorrijders heeft ingehuurd, maar mannen van stavast die het aloude credo ‘V Twin Sports’ graag wensen te etaleren. Hun – uiteraard op te volgen – strategie demonstreert in ieder geval dat de SV650, net als bij vooral de eerste twee versies met hun aluminium frames, zich kan ontpoppen als een wolf in kledij van een Texels zuiglam.

Kattenkwaad

Met onberispelijke daadkracht sleurt de 645 cc V-twin over zijn kamerbrede toerengebied, klinkt daarbij als een tierelier, schakelt perfect en blijft onder alle omstandigheden prima controleerbaar. Verstelbare rijmodi kan de SV makkelijk zonder, extra paardenkrachten boven de bestaande 76 stuks heeft ‘ie allerminst nodig. De totale balans in de krachtbron, het geluid, de hartslag, alertheid en vrolijkheid komen ook in deze SV perfect tot uiting. Daarbij is deze zes-en-een-half medeplichtig aan het nogal falen van de SV1000 van voorheen. Tot de komst van de nieuwe 1000 cc in de meest recente V-Strom 1000, heeft de 650 cc de litervolle V-twin altijd overbodig gemaakt (behoudens in de TL1000S).

Van keurige braverik in stadsverkeer transformeert de SV650 zich tot een heerlijk pikante scheurfiets. Ook tijdens een half uur volgas op de autostrada met zes SV’s rond de 200 km/u, blijft ‘ie zeer controleerbaar en allesbehalve intimiderend. Wat na de rit resulteert zes mannen op zekere leeftijd, ginnegappend als schoolpubers om hun kattenkwaad. Op kort bochtenwerk laat de Suzuki zich smijten en gooien totdat de voetsteunen de grond raken, gevolgd door een hitteschild van de uitlaat. Dát is ook de SV650 voor het geval dat sommige kerels hem als meidenbrommer zouden durven bestempelen. Het door Suzuki geclaimde brandstofverbruik van 1:26 gaat tijdens de middag laagvliegen dan ook glansrijk aan gruzelementen met elf liter bijvullen na honderdtachtig supersportief gereden kilometers. En dan is drie liter minder tankinhoud dan voorheen (nu 13,8 liter) ineens een smetje, een knieval aan een smalle bouw ten behoeve van kleinere rijders.

Minder

Nu we toch beland zijn op de afdeling ‘minder’: de Tokico tweezuiger klauwen aan de voorkant schitterend niet bepaald door een modern remgevoel. Zowel uitvoering als vertraging en dosering bivakkeren eerder op het niveau van de eerste SV dan die van 2016. Van ABS zul je aan de voorzijde hooguit bij calamiteiten als zand, grind en olie gebruik maken. Aan de achterzijde functioneert de rem beter en komt de ABS vakkundig en tijdig tussenbeide. Tot slot laat de SV op uiterlijk punten liggen. Vooral een beginnende, ongetrainde rijder in een showroom zou nog wel eens een slechte eerste indruk krijgen bij het zien van de slordig afgewerkte, in het oog springende rechterzijde van het blok. Enfin, kenners worden er weinig vrolijker van. Een filmster is de nieuwe SV650 sowieso niet echt en dat doet serieus afbreuk aan de bijzonder goede rijkwaliteiten en het gave, complete dashboard. Een toegevoegd racy bedoeld streepje op de tank biedt weinig soelaas als de SV op de dealervloer geflankeerd wordt door een liefdevoller, origineler gemaakte MT-07, ER-6 of CB.

Conclusie

Totdat dezelfde beginner of onwetende toch besluit de contactsleutel van de nieuwe SV650 om te draaien. Dan verdampt iedere eventuele scepsis. Ook bij de kenner overigens. Ondanks toegenomen concurrentie in het budgettair verantwoorde middensegment blijft de SV650 een uniek karaktervolle pretmachine voor iedere liefhebber. In zoverre is hij dus geen spat veranderd in zeventien jaar tijd, afgezien van een huidige prijs van € 7.299,-. En da’s alleen maar een reusachtig compliment.

Joost over de SV650

De vier toegekende sterren is wat mij betreft het resultaat van een driesterren totaalpakket (behalve de krachtbron) en een vijfsterren motorblok. Zou deze machine zijn uitgerust met een staande twin à la ER-6 of MT-07, dan liep ik eraan voorbij door zijn erg veilige styling en opbouw en goede, maar vrij anonieme rijeigenschappen. Het is geen fiets die ik ’s avonds stilletjes in mijn schuur zou gaan bewonderen. Maar de krachtbron compenseert de anonimiteit; ook deze nieuwe SV onderstreept maar weer eens dat de 645 cc V-twin onbetwist het allerbeste allround motorblok is dat ooit in Japan en de rest van de aardbol is gemaakt. Punt uit.