zondag 8 februari 2026

40 jaar MOTORbeurs: grondlegger Jan de Rooy: ‘Ik dacht dat ik wist wat een motorrijder leuk vond’

Jan de Rooy (81) is de bekendste motorsportspeaker van Nederland. Maar liefst 47 jaar lang was hij dé stem van de TT Assen. Maar De Rooy is ook de grondlegger van de MOTORbeurs. In 1986 organiseerde hij samen met 22 andere motorzaken een ‘motorfeestje’ in Den Bosch dat op een positieve manier volledig uit de hand liep, en een jaar later verhuisde naar de Jaarbeurs. Net zoals hij destijds standhouders en het vele motorpubliek gastvrij ontving op de MOTORbeurs, zo werden ook wij met dezelfde egards ontvangen in zijn appartement in Breda. En zoals dat in Brabant gebruikelijk is: binnen de kortste keren lagen de worstenbroodjes op tafel.

Hoe kwam je erbij om in 1986 een motorbeurs te organiseren?

‘De MotorRAI – die jaarlijks werd georganiseerd – had een kleine en een grote editie. In de oneven jaren vond de grote MotorRAI plaats, waar alles met twee wielen centraal stond. In de even jaren was er de kleinere MotorRAI, met enkel motoren. In 1986 zou die kleine MotorRAI niet doorgaan, vanwege te weinig belangstelling. Het bestuur van de MotorRAI bestond uit importeurs van de verschillende motormerken. Ik was een vaste bezoeker van die motorbeurzen en het viel me telkens op dat er nauwelijks aandacht was voor de particuliere motorrijder. Op de MotorRAI stonden vooral importeurs die er waren om motoren aan dealers te verkopen. Die dealers werden dan ook met alle egards ontvangen. Als particulier kon je wel een kaartje kopen, maar je bleef vooral een toeschouwer. Je kon de nieuwe modellen bewonderen, maar behalve een broodje of een bak koffie kon je er verder niets kopen. En dat bracht mij op een idee.’

Hoe zag jouw idee eruit?

‘Ik dacht: dit moet toch anders kunnen. Wij motorrijders willen gezelligheid en serieus genomen worden. Dat gevoel had ik niet op de MotorRAI. Mijn idee was om niet de importeurs, maar de motorzaken uit te nodigen. Zíj moesten gaan verkopen op de beurs, en er moest voor ieder wat wils zijn – van een nieuwe Harley tot een paar handschoenen. En de mensen moesten vooral een gezellige dag hebben, met genoeg vertier.’

Hoe zorg je voor die gezelligheid?

‘Dat begint al voordat je binnenkomt. Bij de entree van de MotorRAI zaten oudere mannen narrig te kijken. Ik deed dat anders. Mijn dochter – die aan de universiteit studeerde – regelde een aantal vriendinnen die iets wilden bijverdienen. Zij ontvingen de mensen met een lach en een vriendelijke begroeting. De motorparkeerplaatsen werden geregeld door Jean-Paul Heindijk. Hij zorgde voor een gastvrij ontvangst en sprak ook groepen motorrijders aan. Bijvoorbeeld: als iemand een wheelie kon maken, mocht diegene dat laten zien op de parkeerplaats en kreeg hij een paar vrijkaarten. Hun dag was al geslaagd vóórdat ze binnen waren. Daarnaast liet ik wat muziek rondlopen op de beurs. Dat was bij de MotorRAI ondenkbaar. Met simpele marketingtools zorgden we ervoor dat de motorrijder zich welkom en thuis voelde.’

Maar de eerste MOTORbeurs was nog niet in Utrecht, maar in een leegstaand winkelpand in Den Bosch. Hoe kwam deze eerste editie tot stand?

‘Je had destijds twee inkoopcombinaties van motorzaken. De Select Group – dat waren 22 motorzaken – en je had Groep Zes, en dat waren – geloof het of niet – negen motorzaken. Ze deden gezamenlijke inkoop, advertentiecampagnes en dergelijke. Johan van der Wal, van wie de motorzaak deel uitmaakte van de Select Group, vertelde ik over mijn plan. Ik zei: “Met die twee inkoopcombinaties moeten we toch makkelijk een hal vol krijgen?” Van der Wal en Jack Kant hebben zich vervolgens ingespannen om de Select Group enthousiast te maken. Dat lukte, maar ze wilden het wél alleen doen met die 22 motorzaken. Jack (Kant) kwam met het idee om een leegstaand winkelpand op een bedrijventerrein in Den Bosch te huren. En vervolgens werd de organisatie op mijn bordje gelegd.’

Hoe ging je te werk?

‘Ik kon het winkelpand voor een week huren voor 60.000 gulden. Ik had mijn spaarpot omgekeerd, maar ik kwam maar tot 4.000 gulden – bij lange na niet genoeg. Toen heb ik het idee geopperd dat alle 22 motorzaken 3.000 gulden zouden inleggen, met de garantie dat als het goed zou gaan, ik ze binnen een week zou terugbetalen, mét iets extra’s. Werd het een mislukking, dan kon het wat geld kosten. En zo ben ik op de motor alle 22 motorzaken langsgegaan en iedereen deed mee.’

Het werd een enorm succes met 27.000 bezoekers in twee dagen!

‘Zoveel mensen kon eigenlijk niet, want het was een voormalige meubelwinkel met slechts één toiletgroep. Het was geweldig, maar het gaf ook problemen. Er stonden auto’s geparkeerd op de vluchtstrook van de A2 en het complete bedrijventerrein stond muurvast. We hadden dit totaal niet verwacht. We hoopten op zo’n 3.000 mensen, misschien op zondag iets meer. Dan zouden we het al goed gedaan hebben. De entree was, dacht ik, tien gulden, en kinderen mochten gratis naar binnen. Maar er kwam voldoende geld binnen, waardoor ik de motorzaken met opbrengstrente kon terugbetalen. We waren vrienden voor het leven.’

Hoe kwamen er zoveel mensen?

‘De motorzaken hebben tegen al hun klanten gezegd dat we in Den Bosch iets leuks gingen organiseren. “Het wordt een feest,” zeiden ze, “want Jan de Rooy gaat er nog meer idiote dingen bij halen.” Denk aan een podium met een dansgroep in motorkleding, met muziek erbij. Peter van der Sanden had voor mij een complete pagina ontworpen, die we naar de huis-aan-huisbladen stuurden en die werd vaak geplaatst. De gedrukte media, denk aan kranten en motorbladen, waren in die tijd nog extreem belangrijk. En ik was toen ook al speaker. Als er ergens een motor werd gestart, werd ik gebeld. Bij die evenementen kwam de beurs ook wel een paar keer ter sprake. Dat was niet zo moeilijk.’

Na de eerste editie verhuisde je naar de Jaarbeurs in Utrecht. Hoe kwam die samenwerking tot stand?

‘Op zondag in Den Bosch kwam er een zeer deftig geklede heer het hokje binnenstappen waar ik zat. Dat was Jan Kremps, commercieel directeur van de Jaarbeurs. Hij feliciteerde mij met het succes, maar zei er direct bij: “Dit moet u nooit meer hier doen. U moet naar de Jaarbeurs komen.” Zij wilden mij heel graag hebben, dus dat was prettig onderhandelen. Dat is later wel anders geworden. In het tweede jaar vielen we terug naar zo’n 21.000 bezoekers, terwijl we in principe hetzelfde deden. Ik had de indruk dat er in Den Bosch ook veel mensen uit de regio kwamen, die de reis naar Utrecht niet maakten.’

Was het meteen al het idee om het jaarlijks te doen? En wat waren de grootste uitdagingen?

‘Ja, dat was min of meer de afspraak met Utrecht: het is niet eenmalig. En het was ook een flinke investering, want je wilde alles netjes opzetten met behoorlijke stands – geen rommelmarkt. Maar ook niet te chique. Dat was best een uitdaging, zeker met de wetenschap dat we bezoekers hadden ingeleverd na het eerste jaar. Dus we moesten er nog harder aan trekken. Daarin heeft Berry Zand Scholten – journalist van De Telegraaf – een belangrijke rol gespeeld. Hij pakte voor mij de pr en communicatie op. De bezoekersaantallen zijn in de jaren daarna snel omhooggegaan. En dan zie je toch dat mond-tot-mondreclame het belangrijkste blijft. De motorrijder voelde zich thuis in Utrecht.’

Hoe zorg je dat de motorrijder zich thuisvoelt?

‘Dat zit vooral in de laagdrempeligheid. De motorrijder houdt over het algemeen niet van overdreven, opgeblazen gedoe. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Zet een mechanische stier neer met twintig motorrijders eromheen, en het duurt gerust een uur voordat de eerste erop gaat zitten. De rest staat dan met de handen in de zakken te kijken, want zij vinden dat niks. Maar diezelfde motorrijder loopt wél twintig minuten over de parkeerplaats bij de Jaarbeurs om motoren te bewonderen. Even kijken wat voor moois er allemaal staat – dan begint het genieten al. Dat is bij de TT in Assen net zo. En pas daar je catering ook op aan. De motorrijder houdt van een stevig broodje: een kroket als een brugleuning of een goede gehaktbal. Met Jaarbeurs Catering heb ik daar flink strijd over gevoerd.’

Je bent zomaar in het vak van beursorganisator gerold. Heb je ook wel eens gedacht: waar ben ik aan begonnen?

‘Het is compleet spontaan gegaan. Ik dacht dat ik wist wat een motorrijder leuk vond. En als zo’n beurs na veertig jaar nog steeds bestaat, is er wel iets goed gegaan. Maar er waren zeker ook zware momenten. De RAI keek in het begin toch wat minachtend naar de MOTORbeurs. Ze dachten: een leuke speaker, maar een beurs organiseren is een ander verhaal. Ze gingen ervan uit dat het zichzelf wel zou oplossen, maar daar hebben ze zich in vergist. Steeds meer importeurs wilden niet meer naar de MotorRAI, maar wél naar de MOTORbeurs. Dat begon bij BMW. En bij de Jaarbeurs zaten ze ook niet stil, want zij zagen hoe groot de MOTORbeurs werd. Rond 1992 kwam Ruud van Ingen – CEO van de Jaarbeurs – al bij mij polsen hoe ik dacht over opvolging en de toekomst. Ze waren bang de beurs kwijt te raken. Mijn dochter had geen interesse, dus er was geen opvolging. De Jaarbeurs wilde het maar wat graag overnemen als ik zou stoppen en dat is uiteindelijk ook gebeurd.’

Met het worstenbroodje op tafel vertelde Jan de Rooy nog vol passie over het opzetten van de succesvolle MOTORbeurs.

Tot wanneer ben jij de eigenaar geweest van de MOTORbeurs?

‘In 1995 is de officiële overdracht naar de Jaarbeurs geweest. Vervolgens heb ik nog drie jaar het management gedaan en toen heb ik eigenlijk afscheid genomen. Van de Jaarbeurs kreeg ik een contract aangeboden met een levenslang concurrentiebeding, tegenover een pensioenregeling voor mij. Ik was toen nog veel te jong om met pensioen te gaan, maar na drie jaar management had ik het wel gezien. Ik kon me niet vinden in de zienswijze van de Jaarbeurs. Later ben ik een fietsenbeurs gaan organiseren – de Bike Motion – en ook die heb ik uiteindelijk verkocht aan de Jaarbeurs. Wat ik daarnaast nog heb gedaan, en dat had dan weer niets met motorrijden te maken, maar wél met gezelligheid: ik heb twintig jaar de Nationale Biertapwedstrijden georganiseerd. Dit deed ik namens het CBK, het Centraal Brouwerij Kantoor. Dan begint iedereen te lachen, maar het was een bloedserieuze aangelegenheid, met zestig evenementen per jaar door het hele land en een grote finale tijdens de Horecava.’

Hoe kijk je naar de huidige MOTORbeurs?

‘Ik kom er nog ieder jaar. Heel zwart-wit gezegd: bij Jan de Rooy Produkties kon alles en nu bij de Jaarbeurs kan er niets meer. Maar dat heeft alles te maken met de tijd en de regelgeving. In mijn tijd rookte iedereen nog – er is wat afgerookt in die hallen! Onze mensen kregen toen een aantal sleutels van de deuren, zodat we zelf dingen konden regelen. We waren ook soepel: als iemand met de auto wat langer nodig had om in of uit te laden, dan lieten we dat toe. Nu heeft alleen de beveiliging nog sleutels, en mag je als standhouder maar een beperkte tijd met je auto naar binnen, anders krijg je een boete. De laagdrempeligheid is verdwenen. Je kunt zeggen: het is nu professioneler. Maar wij waren óók professioneel, alleen wel flexibeler. Dat ligt niet aan de mensen die het nu organiseren; die moeten het gewoon doen met de regels die er zijn. Ik was een externe organisator en daardoor kon ik meer meedenken met de standhouders.’

Een paar jaar geleden was de MOTORbeurs toch wat in gevaar, toen er importeurs afhaakten. Hoe keek jij daar naar?

‘Ik vreesde dat het niet goed zou komen. Waarom? Omdat de importeurs – de oude RAI-vereniging – véél te veel macht kregen. Neem dat maar gerust van mij aan: de motorrijder komt echt niet voor een stand die een ton heeft gekost. Een motorrijder komt om zijn maatjes te ontmoeten, voor een stuk gezelligheid, om een koopje op de kop te tikken en voor een lekker begin van het motorseizoen. Hij komt niet voor enorme bouwstellages en rode lopers, dat interesseert hem nauwelijks. Daarnaast vind ik dat de Jaarbeurs steeds minder geschikt is voor dit soort evenementen. Waarom? Omdat alles eromheen volgebouwd is. Toen ik daar de beurs organiseerde, had je volop parkeerplaatsen. Iedereen kon pal voor de gebouwen parkeren. Nu is het allemaal hoogbouw, er zijn nauwelijks parkeerplekken meer en dat is echt een kriem. Het is gewoon een heel andere accommodatie geworden.’

Wat was voor jou het meest bijzondere moment tijdens de MOTORbeurs?

‘De opening van de MOTORbeurs in 1998 met de MV Agusta F4 samen met legendes Giacomo Agostini en Phil Read was wel heel bijzonder. Die MV Agusta F4 stond in Indianapolis en de RAI had hem niet gehad. Ik wilde hem koste wat kost in Nederland hebben. Via allerlei wegen is dat gelukt. Alleen: ik moest het transport betalen, plus een dikke verzekering en allerlei toestanden eromheen. Vanaf Schiphol kwam de motor met speciaal transport onder politiebegeleiding. Een vriendje bij de Amsterdamse motorpolitie had vier agenten geregeld. Dat nieuws kwam op de voorpagina van De Telegraaf: “De MV Agusta F4 in Utrecht”. Nou, dat werkt wel.’

Hoe kijk je naar de toekomst van de MOTORbeurs?

‘Nu ga ik iets geks zeggen: ik denk dat ze het zouden moeten afslanken. Want dat hoor je best vaak als je rondloopt; het is zó gigantisch groot geworden. Moet je nu echt twintig stands met allemaal dezelfde – goedbedoelde – accessoires naast elkaar zetten? Of moet je dat juist beperken? Je kunt dan beter denken aan de motorclubs, want die zijn héél belangrijk. Die stonden bij mij altijd vooraan, tegen een verenigingsprijs, want zij zorgen ervoor dat hun leden komen. Nieuwe modellen zijn prachtig, maar niet het belangrijkste. Dat motorgevoel, jouw merk – samen met de motorclub – dat moet zichtbaar zijn. Herkenbaarheid en laagdrempeligheid, dáár gaat het om.’

Wat zou je nu anders doen?

‘Ik heb daar nu totaal geen invloed meer op. Het speelveld is ook compleet veranderd door de komst van social media. Vroeger draaide alles om de bladen en de kranten. Ik weet nog dat er een artikel in MOTO73 stond met als kop: ‘De grootste showroom heeft Jan de Rooy’. In mijn tijd was je als een kind zo blij als je het voor elkaar kreeg om op tv te komen. Tegenwoordig belt de tv zélf met de vraag of ze reclame mogen maken. Maar ik weet zeker dat ik nog steeds een motorbeurs uit de grond zou kunnen stampen – niet eentje waar meteen 100.000 mensen op afkomen, maar wél een waarbij de motorrijder zegt: “Leuk zeg, dit voelt als vroeger”. Het is alleen dat ik inmiddels 81 ben…’

Van 1976 tot en met 2022 was je 47 jaar lang de speaker tijdens de TT in Assen. We zijn nu drie jaar verder. Mis je het nog weleens?

‘Zeker wel, maar ik kom er nog ieder jaar. Het liefst loop ik lekker beneden rond om de sfeer te proeven. Ik kom zelf uit de tijd van Wil Hartog, Boet van Dulmen, Jack Middelburg, Hans Spaan en Egbert Streuer – geweldige tijden, met bijzondere Nederlandse zeges. Ik vind het nu ook weer erg leuk worden met Collin Veijer. Waar ik me wel zorgen over maak – al eet ik er geen worstenbroodje minder om – is Liberty Media. In mijn ogen kun je MotoGP niet vergelijken met de Formule 1, en daar lijkt het nu toch een beetje naartoe te gaan. Maar het is echt een totaal andere tak van sport. Het speakeren zelf is trouwens ook een heel ander vak geworden. Vroeger moest je als speaker vertellen wat de mensen langs de baan níet konden zien. Nu, met de grote schermen, kan iedereen alles volgen en ben je meer een soort tv-commentator geworden. In mijn tijd kon je een wedstrijd soms spannender maken dan hij in werkelijkheid was. Dan zei je gewoon dat het gat tussen de nummer 1 en 2 kleiner werd, terwijl dat helemaal niet zo was. Dat soort dingen kunnen nu niet meer. Maar ik geniet nog steeds van de sport.’

Foto’s: Jane Duursma

Meer artikelen lezen over 40 jaar Motorbeurs?

Stay tuned

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en mis nooit het laatste nieuws! Onze nieuwsbrief wordt iedere week op dinsdag (bij veel nieuws) en donderdag verstuurd.


Gerelateerde artikelen