Home Blog

Toertocht Noord-Holland: van Oer-IJ tot Hollands Kroon

0

Zelfs in het havengebied van Amsterdam liggen fijne stuurweggetjes. Het decor met kranen en silo’s inspireert al sinds het gebied in de jaren ‘80 helemaal op de schop ging. Helemaal op de schop? Nee, één klein dorpje bleef gespaard.

Vanuit het toen gekraakte kunst- en festivaloord Ruigoord stuur ik de Triumph naar het westen langs het Noordzeekanaal. Dat werd aangelegd op de bedding van het Oer-IJ, een noordelijke aftakking van de Rijn die eeuwen geleden stroomde tussen de huidige driehoek Amsterdam, Haarlem en Alkmaar. Bij Castricum mondde het Oer-IJ uit in de Noordzee.

‘God schiep de wereld, behalve Nederland. Dat deden de Nederlanders zelf’, zo luidt een oud gezegde. En wat is daar een mooier voorbeeld van dan het beeldje van Hans Brinker die in Spaarndam voor eeuwig met zijn vingertje in de dijk een overstroming weet te voorkomen. Dat het verhaaltje door een Amerikaanse boekenschrijfster uit de duim is gezogen, maakt het niet minder mooi.

Het Zwet

Heuh? Heuvels in Noord-Holland? Ter hoogte van Nauerna rijzen hoge rechthoeken op uit het vlakke land. Dit Groene Schip is gemaakt van as uit de vuilverbranding en moet een positieve noot in het landschap zetten. Tussen die bulten vaart het pontveer van Buitenhuizen man en motor over het Noordzeekanaal. De twin roffelt voort over een slingerende dijkweg boven het polderland en zo kom ik met een wijde lus weer terug bij Nauerna. Aan de overkant van de Nauernasche Vaart ligt de Overtoomse Dijk ook als een hoge bult boven het water en land.

En die brengt me naar Westzaan, waar houten Zaanse huisjes tussen tientallen sloten staan. Richting Jisp klotst Het Zwet langs de weg, daarover voeren de schepen die in Groenland walvistraan en in het Oostzeegebied graan en hout haalden via de Zuiderzee. Door de Afsluitdijk werd de Zuiderzee het IJsselmeer en door droogmaking werden de Beemster en de Schermer polders. De Triumph roffelt op ’n streepje gas over de kaarsrechte Neckerweg door de Beemster, om daarna weer in de bochten te vallen langs de Beemsterringvaart en de daaropvolgende dijken.

Eilandspolder

Ook het land van Dijk en Waard is door mensenhand gemaakt. Vanaf de tiende eeuw maakten de bewoners het veengebied geschikt voor land- en tuinbouw. Zo ontstond het Rijk der Duizend Eilanden, een lappendeken van slootjes en eilandjes waartussen de Broekerveiling in Broek op Langedijk op palen boven het water oprijst. Met boten brachten de boeren hun gewassen naar het veilinggebouw, dat nu ligt ingeklemd tussen een winkelcentrum en nieuwbouwwijken. Het landschap van Noord-Holland verandert voortdurend.

Je gaat het pas zien als je het doorhebt. Ik kan ’n Knucklehead van ’n Panhead onderscheiden en ook nog wel een tulp van een narcis. Maar het gaat me boven m’n pet om in het Hollandse landschap sporen van het Oer-IJ te zien. Daarmee helpt me de expositie in het Poldermuseum aan de Ringvaart van Heerhugowaard. Die praat me niet alleen bij over het Oer-IJ en de aanleg van Heerhugowaard op de bodem van het meer de Grote Waard (1631), maar ook over de andere droogmakerijen in Noord-Holland. Ja, die Hollanders waren rare jongens. Overal ter wereld draaien legendes over beschavingen die door het water zijn verzwolgen. Atlantis, Lemuria, Doggerland, noem ze maar op. Maar de Hollanders draaiden het verhaal om, die lieten juist land uit water oprijzen en bouwden daarop hun beschaving.

Aan de overkant van de ringvaart liggen de rechte lijnen van de Schermerpolder. Voorbij de brug bij Oterleek staat een bijzondere molen, die meel maalt in plaats van water, dat is in dit droogmakerijenlandschap echt een unicum. Net als de Beemster is ook de Schermer een prachtig staaltje Hollandse trots. Het Schermermeer werd tussen 1633 en 1635 met tweeënvijftig windmolens in meerdere trappen leeggepompt. Knarsend en piepend staat een aantal daarvan nog als schepen aan het land verankerd: Hollands glorie boven het maaiveld. De Triumph gromt tevreden voort over de Schermerdijk, Molendijk, Schermer Ringvaart en Oostdijk. Dit is Holland op z’n mooist. Het dubbeldorp Graft-De Rijp ligt op het voormalige Schermereiland, dat ook Eilandspolder werd genoemd. Een oudere droogmakerij, dat zie ik nu in de organische vormen ervan, die contrasteren met het rechttoe-rechtaanwerk van de polders Beemster en Schermer. Graft en De Rijp dankten hun rijkdom aan de walvisvaart en haringvisserij, maar liggen nu ingeklemd tussen strakke polders.

Toertocht Noord-Holland en Friesland: in het spoor van de walvis

Cromme IJe

Het Noordhollands Kanaal werd in 1824 aangelegd als transportweg over water en vormt nog steeds een belangrijk onderdeel van de Hollandse waterhuishouding. Niet overal zijn bruggen of veerboten, dus rij ik heen en weer langs het kanaal over de dijken benoorden en ten zuiden daarvan. Zo kom ik wel aan mijn kilometers. Over het Oudelandsdijkje naar Knollendam: heerlijke Hollandse namen, heerlijk sturen langs land en water. In de dertiende eeuw werd een dijk langs het water van de Cromme IJe gelegd, meer dan zeven eeuwen later staan in Krommeniedijk de groene houten Zaanse huisjes achter de bomen, aan de overkant steekt een kerkje op een terp af tegen het groen van de sappige weides. Wonderlijk contrast als je bedenkt dat ook dit dorp in de zestiende en zeventiende eeuw economisch vrijwel helemaal afhankelijk was van de scheepsbouw en -vaart op Groenland en de Oostzee.

Het Cromme IJe leeft voort in de plaatsnaam Krommenie. Dat Zaanse dorp wordt door sommige historici nu beschouwd als de noordelijkste vesting van het Romeinse Rijk, sinds er bij aanleg van de nieuwbouwwijk Eilanden van Hain de fundamenten van een Romeinse wachttoren werden opgegraven. Tot in de jaren ‘30 de provinciale weg naar Krommenie vanaf Castricum klaar was, was Krommeniedijk de verbindingsweg tussen de Zaanstreek en Alkmaar. Die werd bewaakt door een van de forten van de Stelling van Amsterdam die hier en daar als molshopen in het landschap liggen.

Noord-Holland rond het Oer-IJ is veel gevarieerder dan ik had gedacht. Forten, houten huisjes en windmolens, haventjes, zee, meren, kreekjes, kanalen, slingerende dijken, rechthoekige kavels en grillige slootjes, bloembollenvelden. En duinen.

Déze Hollandse heuvels ken ik wél. Al eeuwenlang steken de duinen als een landwal boven de zee en meren uit. Hierachter bij Castricum stroomde het Oer-IJ dus in de Noordzee. De zee is gebleven, maar de gaten van meren op oude kaarten zijn ondertussen grotendeels dichtgetimmerd. Wormer, Purmer, Schermer, Stern, Grote Waard, Zijpe en Wieringen zijn drooggemalen en met dijken getemd.

Bij Petten wordt de Hondsbossche Zeewering versterkt met zo’n dertig miljoen kuub zand. Bij watersnoodrampen in 1421 en 1625 werd heel Petten door de zee weggevaagd. Dat moesten we met ons allen niet meer willen en dus werd in 1793 de zeewering aan het Hondsbos aangelegd, die tot op heden de aanvallen van de Noordzee heeft afgeslagen.

De Zijpe

Na de Romeinen ontdekten ook de Duitsers Noord-Holland. In de Tweede Wereldoorlog hadden ze dit gebied onder water gezet, later kwamen ze met vredelievende bedoelingen. Om aan het onhandig gesteggel van auto’s met zwart-witte nummerplaten te ontsnappen, draai ik voor Callantsoog (Man spricht Deutsch!) weer weg van de kust.

Buiten Romeinen en Duitsers kwamen ook Friezen naar Noord-Holland. Die legden stukje bij beetje de Westfriese Omringdijk aan, waarop nu een hoge smalle weg kronkelt waar motorrijders hun handschoenen bij aflikken. Ook andere dijken, zoals de Valkkogerdijk, slingeren mooi ritmisch door het groene, groene knollenland. Het meer De Zijpe werd al in 1597 omgetoverd tot land en De Zijpe is daarmee een van de eerste droogmakerijen van Nederland. In het Zijpermuseum in Schagerbrug kom ik er meer over te weten. Daarna koerst de Triumph over het Noordhollands Kanaal langs de Groote Sloot naar het Amstelmeer aan de Waddenzee.

Hollands Kroon was vroeger allemaal water, op de duinstrook aan de kust en het eiland Wieringen na. Dat lag tussen de Waddenzee, Zuiderzee en Wieringermeer, zoals de Eilandspolder tussen de meren Beemster en Schermer lag. In 1924 werd Wieringen vastgeklonken aan het ‘vasteland’ van Noord-Holland, maar iets van het eilandgevoel hangt nog steeds boven het zacht golvende landschap. In de haven van De Haukes ligt de Postboot die tot 1924 Wieringen met Noord-Holland verbond. Een stukje verderop biedt Beach Bites een mooie gelegenheid om met een hapje en een drankje de hoogtepunten van de toer nog eens voorbij te laten komen, van Oer-IJ tot Hollands Kroon tussen water en land.

Foto’s: Michiel van Dam


Reisinformatie

Informatie onderweg over de geschiedenis van het Oer-IJ en de Hollandse droogmakerijen:

Niet alle musea zijn elke dag geopend. Check de websites voor actuele openingstijden.


Download de route van Oer-IJ tot Hollands Kroon

De Motor Podcast 205: De mooiste motorroutes liggen soms gewoon om de hoek

0

Wie bij motoravonturen direct denkt aan de Alpen, Schotland of de Noordkaap, doet zichzelf misschien tekort. In aflevering 204 van De Motor Podcast maken Theo van Bremen en Jurjen Ruben duidelijk dat je voor een geweldige motorrit helemaal niet ver hoeft te reizen. Het duo, beter bekend als de Motormakkers, bewijst dat Nederland en de directe grensstreken vol verrassende routes, bochtige wegen en verborgen parels zitten. Een aflevering die uitnodigt om direct na het luisteren de motor uit de schuur te halen.

Theo en Jurjen hebben inmiddels flink wat routes opgebouwd. Niet door duizenden kilometers af te leggen naar verre bestemmingen, maar juist door nieuwsgierig te blijven naar wat er dichter bij huis te ontdekken valt. Hun passie delen ze via hun platform, waar ze complete routes combineren met praktische tips en sfeervolle videobeelden. In deze podcast vertellen ze hoe ze steeds weer nieuwe plekken vinden en waarom een geslaagde motorrit niet afhankelijk is van een exotische bestemming. Juist het onverwachte karakter van een rit door Nederland, België of Duitsland maakt volgens hen veel tochten bijzonder.

De Motor Podcast #204: Wat doe jij als het écht fout gaat?

De aflevering laat bovendien horen dat motorrijden toegankelijker is dan veel mensen denken. Waar sommige rijders maandenlang plannen maken voor een grote reis, laten de Motormakkers zien dat een vrije dag soms al genoeg is voor een memorabele ervaring. Ze delen praktische adviezen voor routeplanning, vertellen welke regio’s hen positief hebben verrast en geven inspiratie voor motorrijders die hun eigen omgeving opnieuw willen ontdekken. Daarmee is deze aflevering niet alleen vermakelijk, maar ook een bron van ideeën voor het komende motorseizoen.

Naast het gesprek met de Motormakkers is er meer te beleven. Luisteraars maken kans op een fraaie Insta360 GO 3S-camera, compleet met Motorcycle POV Bundle. Ook komt een expert van DTC Lease langs om uit te leggen hoe een leaseconstructie een droommotor dichterbij kan brengen. Een onderwerp dat voor veel motorrijders actueler is dan ooit, nu motorprijzen (en benzineprijzen 😉 )blijven stijgen.

Zoals altijd ontbreken ook de persoonlijke verhalen niet. In de inmiddels vertrouwde motormomenten hoor je hoe Peter zich waagde aan het maken van echte motormuziek en neemt Dennis je mee in een reeks opmerkelijke belevenissen. Van een politieachtervolging tot een onverwachte ontmoeting met een kitten en een avontuur dat eindigde met een gebarsten ego.

Luister hier naar De Motor Podcast aflevering 205.

Luisteren naar De Motor Podcast is helemaal gratis en kun je doen via elke podcast-app zoals Spotify of de andere platformen. Er verschijnt elke 2 weken een nieuwe aflevering.

Historie: Boardtrack races in de USA

0

Welke motorfietsliefhebber kent ze niet, de woeste boardtrackracers die in heel vroege tijden de houten kombanen in Amerika op meer dan één manier onveilig maakten? Geen wonder, want de houten boardtracks waren enorm populair in de racerij van de jaren ‘10 en ‘20 van de vorige eeuw. Sommigen hadden werkelijk gigantische afmetingen, een lengte van ruim drie kilometer en een breedte van vijftig meter waren geen uitzonderingen. Maar er waren ook veel kortere van bijvoorbeeld een halve en een hele mijl, respectievelijk achthonderd meter en 1.600 meter.

Het frame van de boardtracks was opgetrokken uit werkelijk onafzienbaar grote en uiterst complexe houten vakwerkconstructies. Vandaag de dag laat die vakwerkconstructie zich nog het best vergelijken met die van houten achtbanen of Amerikaanse ‘trellis’ (= vakwerk)bruggen zoals die toegepast werden door vele Amerikaanse spoorwegmaatschappijen. Die monsterachtige constructies hadden maar één doel: het dek van houten balken te ondersteunen waar de racers van die tijd overheen denderden. En dat dek bestond op haar beurt uit ongeschaafde houten balken met afmetingen van 2 x 2 inch of 2 x 4 inch, ongeveer 5 x 5 cm of 5 x 10 cm. Deze dekbalken werden expres niet afgewerkt om de tractie van het dek te verhogen. Het duurde natuurlijk niet zo lang of de racers reden het oppervlak volledig aan splinters. Voeg hier het effect aan toe van een dertigtal ‘total loss’ gesmeerde racers, die hun hete smeerolie langzaam door een gleuf in het carter verloren op een steeds gladder wordend dek tijdens een race van soms wel drieënhalf uur, gecombineerd met nog echte rubberen banden die de eigenschap hadden om na verloop van tijd wat in olie op te lossen. Tel hierbij tenslotte het effect op van de motorvermogens van zo’n 40 tot 55 pk, die beteugeld moesten worden door iets dat leek op een toch wel ietwat pietluttig veredeld fietsframe. Realiseer je vervolgens dat de topmachines gemakkelijk een snelheid haalden van 185 km/u op de rechte stukken van de langere circuits en dat die snelheid niet heel veel lager werd in de lange kombochten. Weet dat regen geen invloed had op het wel of niet doorgaan van de race en je voelt aan dat het racen op deze houten boardtracks een meer dan hachelijke onderneming was! Een val leidde vrijwel altijd tot ernstige verwondingen door de vele splinters die de motoren losreden op de baan. En als dat dan nog meeviel, moest je geluk hebben om niet aangereden te worden, want de racers hadden immers geen remmen. Die waren simpelweg niet toegestaan, letterlijk omdat paarden ook geen remmen hebben. Bruuske stuurbewegingen om een ramp te voorkomen waren ook levensgevaarlijk. Daar was simpelweg geen grip voor, laat staan dat het rijwielgedeelte dit soort acties aankon.

Om de olie van de baan te verwijderen was het gebruikelijk om tussen de races de baan rijkelijk met kaliumhydroxide te besproeien, opgelost in water. Deze sterk alkalische stof wordt vandaag de dag in Amerika en Canada nog volop gebruikt voor biologische crematies omdat lichamen er prima in oplossen… Je zult maar de baan op moeten gaan nadat het dek besproeid is en nog nat is. Het gebruik van kaliumhydroxide om olie van de baan te verwijderen was erg effectief, maar had ook vreselijke nadelen. De achterwielen van de racers hadden meestal geen spatborden, waardoor deze extreem bijtende stof omhoog gesproeid werd. Dit veroorzaakte regelmatig brandwonden in het gezicht en soms zelfs blindheid. Er werd daarom in die tijd nauwelijks geslipstreamd op de boardtracks…

Exploderende bokken

Simpelweg bizar was het feit dat de onderzijde van de cilinders van veel boardtrackracers uit die tijd voorzien was van openingen zoals gaten of sleuven. De gedachte was dat hierdoor de uitlaatgassen veel sneller afgevoerd werden uit de verbrandingskamer – vooral bij abrupt gas afsluiten – waardoor de flow in de cilinderkop veel beter verliep en de motor dus meer vermogen zou moeten leveren. Het verbrandingsmengsel wijzigde dus dramatisch nadat het zo zorgvuldig door de carburateur geprepareerd was voor de reis richting de verbrandingskamer in de cilinderkop. De aanzuiging van het mengsel en vorming van het verbrandingsmengsel verliep dus bijzonder grillig en was ook nog eens een keer afhankelijk van het toerental. Als op snelheid het gas afgesloten werd of deels dichtgedraaid, bijvoorbeeld voor een kombaanbocht van een boardtrack, werd het misvormde en uiterst rijke brandstofmengsel direct heel erg arm waardoor de motor afsloeg. Men dacht dat dit veroorzaakt werd door het feit dat het verbrande mengsel de verbrandingskamer niet snel genoeg verliet, dus dat de gaten of sleuven te klein waren. Dus maakten veel privérijders en motorfabrieken, die zo’n constructie toepasten, deze poorten nog maar wat groter, waardoor de problemen alleen maar groter werden. Het werkte niet. De oplossing was simpel en mondde uit in iets wat wij ook nu nog op iedere motor hebben en dat zijn oorsprong kent in de boardtrackraces: een dodemansknop op het stuur. In plaats van het gas dicht te draaien sloot de coureur de ontsteking kort.

Door de gaten en sleuven in de cilinder was gas geven een mysterieus en onvoorspelbaar gegeven geworden, dus reed bijna iedereen altijd volgas en werd de dodemansknop gebruikt om de snelheid van de motor af te regelen. Het motorblok explodeerde zowat als de rijder vervolgens de knop weer losliet, want het gas bleef wijdopen staan waardoor de cilinderkoppen zich rijkelijk vulden met het verbrandingsmengsel dat ontstoken werd als de ontsteking weer ging werken en de bougies gingen vonken. Een plots spinnend achterwiel was het gevolg. Deze manier van rijden maakte het racen op de boardtracks nog hachelijker, want bedenk wel dat de coureurs dit bizarre en uiterst onvoorspelbare spel moesten spelen op een spekgladde boardtrack. En op een motor die alleen vol vermogen levert, of helemaal niets, zijn remmen natuurlijk handig. Maar ja, die zaten er niet op…

Historie 60 jaar Vespa: de vroege jaren

Lichamen als trofee

De berijders maakten het zichzelf overigens ook niet gemakkelijk. Velen droegen wollen kleding met hoge en stevige leren laarzen en soms ook nog een leren helm. Sommigen hadden een leren broek aan. Een enkeling droeg een primitieve helm, vaak zelfgemaakt van leer en kurk. Maar de enorme prijzenkas van soms wel US$25.000, genoeg om een klein Amerikaans stadje over te nemen, zorgde voor voldoende rijders die wel een kans wilden wagen in dit waanzinnige circus. En het publiek? Ze smulden ervan. De boardtrackraces waren echt waanzinnig populair. In 1915 trokken de boardtrackraces in Chicago maar liefst 80.000 bezoekers. Ter vergelijking, de Indianapolis 500 van dat jaar trok er met 60.000 bezoekers maar liefst 20.000 minder. Halve steden trokken leeg om met picknickmanden van het enorme spektakel te genieten. De rijders en merken die wisten te winnen, werden direct beroemdheden. De motorverkopen van het winnende merk gingen direct omhoog, want Amerika was nog steeds een enorme groeimarkt.

Toch kon dit natuurlijk niet lang goed gaan. De motoren werden sneller en sneller en het was simpelweg onmogelijk om de boardtracks in een redelijke conditie te houden. De ongelukken werden gruwelijker en gruwelijker en uiteindelijk verantwoordelijk voor de nieuwe bijnaam die de houten boardtracks kregen: ‘death-dromes’ en ‘murder-dromes’ in plaats van motor-dromes. Fotografen verdienden ook een goede boterham. Het was populair om je te laten fotograferen met een gecrashte motor. Op foto’s zie je de mensen die hier gebruik van maakten trots lachend poseren, vaak staande met een voet op de liggende motor en de handen in de zij. Of knielend bij de verongelukte rijder met de hand op het lichaam. Alsof het een trofee was. Tegen meerprijs sleepte de fotograaf de dodelijk verongelukte rijder er ook nog bij. De Maywood boardtrack in Chicago had een bocht die boven het water hing. Een slimme entrepreneur verdiende een kapitaal toen hij met zijn bootje voor grof geld gecrashte motoren en berijders uit het water viste.

Om het spektakel nog gruwelijker te maken, was het ook niet ongebruikelijk om een ‘motorcycle ripper’ de baan op te sturen. Een kale auto met een grote propeller aan de achterkant die voor de voortstuwing van het voertuig zorgde. Deze auto ging na een signaal van de organisatoren zigzaggend over de boardtrack. Doel van dit rijdende obstakel was om de rijders een extra uitdaging te geven en het spektakel te verhogen. De motoren waren veel sneller dan de ripper en de berijder van dit voertuig had als opdracht de motoren uit te schakelen. Dit was erg effectief, menige coureur raakte zwaargewond of overleed als ze de hels ronddraaiende propeller raakten… Vaak werd er geld bij het aanwezige publiek opgehaald. Als de ‘bounty’ hoog genoeg was, dan ging de ripper de baan op.

Het naderende einde

Met name eind jaren ‘10 en begin jaren ‘20 werden steeds meer boardtracks gesloten, vaak nadat er vreselijke ongevallen gebeurd waren waarbij naast bosjes rijders ook steeds meer toeschouwers om het leven kwamen. Maar ook de organiserende instanties zaten niet stil. Met instemming van de grote motorfabrikanten werden reglementen gewijzigd, er kwamen raceklassen voor motoren met kleinere cilinderinhouden. Desondanks realiseerden de fabrikanten zich dat de banen des doods geen goede podia meer vormden om hun producten en het motorrijden in zijn algemeenheid te promoten.

Daarnaast brak in 1914 de Eerste Wereldoorlog uit. Hoewel Amerika niet direct in dit conflict betrokken raakte, hadden de Amerikaanse motorfabrikanten hun handen vol om aan de gigantisch stijgende vraag naar legermotoren te voldoen. Daar viel meer geld mee te verdienen dan met wat door de racerij gegenereerd kon worden. Het aantal races werd minder, de boardtracks maakten langzaam plaats voor vaste circuits, races tussen twee steden of twee staten werden populair, soms zelfs kriskras door het land van oost naar west of van noord naar zuid. Waar de populariteit het grootst was, verschenen permanente circuits. Naar het ovalen voorbeeld van de boardtrack, maar dit keer met een betonnen en heel soms een klinker- of geasfalteerd wegdek. Langzaam verdwenen de houten onderconstructies en maakten plaats voor beton en steen. Afrasteringen en zaken zoals vangrails verschenen, auto’s gingen er ook op racen. Deze nazaten van de houten boardtracks bestaan nog steeds, veel NASCAR-races worden vandaag de dag op deze ovalen verreden.

In Europa was boardtrackracing ook populair. Hier werden aanvankelijk vooral de wielerbanen oftewel de ‘velo-dromes’ gebruikt in de vroege motorracerij. De eerste motorfietsen waren immers vooral gemotoriseerde fietsen. Deze races waren vergeleken met de Amerikaanse boardtrackraces bijzonder tam, meer een uitje naar de speeltuin en geen ‘full out war’. Maar al snel maakten de wielerbanen plaats voor meer reguliere en veel grotere circuits zoals bijvoorbeeld Brooklands in Engeland (1907), de Opelbahn in Duitsland (1919), Monza (1922), Sitges-Terramar in Spanje (1923) en Linas-Monthléry in Frankrijk (1924). Sommigen van die hele vroege circuits bestaan vandaag de dag nog steeds. Ook in Europa waren de zware Amerikaanse motorfietsen erg gewild in de racerij. De meeste Europese motorfabrikanten maakten sport- en racemotoren met een cilinderinhoud van 500 cc. De zware Harley’s en Indian’s vormden hierop de meest gebruikte sportieve uitzonderingen.

Snelle Harley’s

De boardtrackraces waren dus lang geleden onaards populair, vooral in Amerika. Tegen deze enorme achtergrond bezien is het begrijpelijk dat grote motorfabrikanten zoals Indian en Harley-Davidson met grote gretigheid ook hun racers ontwikkelden. Indian wakkerde dit behoorlijk aan met hun heel snelle achtkleps V-twin die in 1910 op het circuit verscheen. Harley kon natuurlijk niet achterblijven en dat werd naarmate de jaren die volgden steeds duidelijker. Met name in de herfst van 1915, toen Carl Goudy beide merken met zijn Excelsior ‘Big Valve’ op de Maywood boardtrack in Chicago toch wel gevoelig had verslagen. Dat was een tegenvaller want Harley had het eerder dat jaar in de Dodge City 300 Miles-race in Kansas uitstekend gedaan met een eerste, tweede, vierde, vijfde, zesde en zevende plaats. En passant had het merk toch wel Indian weten te verslaan, alsmede Excelsior, Pope, Emblem, Merkel en ook een Cyclone. Deze opzienbarende en adembenemend complexe 988cc kopklep-V-twin had twee kleppen per cilinder en bovenliggende nokkenassen die door gesplitste koningsassen aangedreven werden. Innovatief waren de zelfuitlijnende SKF-kogellagers. Het Cyclone-motorblok was het eerste mechanische object ooit waarin een kleinste maattolerantie van 1/1000 inch behaald werd.

Harley begon het imago van ‘eeuwige tweede’ te krijgen en dat vond de fabriek uit Milwaukee niet langer acceptabel. Na de overwinning van Goudy op Maywood gaf de Harley-directie opdracht aan Bill Ottoway, hun technische topontwerper, een nieuwe racer te ontwikkelen. Dat was hem wel toevertrouwd, want hij had furore gemaakt als hoofd van de raceafdeling van de beroemde Amerikaanse motorfabriek Thor. Bij Harley had hij ook al een aantal sportieve modellen ontworpen. Het zou de meest exclusieve racer worden die Harley in die periode gebouwd heeft. Het was hun beroemde achtklepper, die uiteindelijk in 1916 op de circuits zou verschijnen. Hoewel Ottoway gebruikmaakte van de meest moderne kennis, die voortkwam uit baanbrekend onderzoek van verbrandingsmotorspecialist Ricardo uit Engeland, had hij voortdurend te kampen met voorontstekingsproblemen en gingen de bougies steeds voortijdig kapot. Deze zaken temperden de ontwikkeling zodanig dat Walter Davidson toestemming gaf om Harry Ricardo zelf naar Milwaukee te halen om de achtklepper goed aan het lopen te brengen. Tot op dat moment had de ontwikkeling al US$25.000 gekost en Harley wilde niet dat dit alles weggegooid geld zou zijn. Binnen een paar weken waren de problemen opgelost. Tot ieders stomme verbazing leverde het 988cc zware motorblok een vermogen van maar liefst 55 pk op de testbank, een ongekend hoge waarde in die tijd. Harley’s 8-valve racer kon een topsnelheid halen van maar liefst 185 km/u! Hij woog slechts 125 kilo.

Heel betrouwbaar was hij niet, metallurgisch was het blok een uitdaging. Brekende kopkleppen konden vastlopers veroorzaken en een crash was het laatste dat je wilde op een glibberige en splinterige boardtrack met kaliumhydroxide als superhachelijk glijmiddel. De nieuwe, ijzig snelle achtklepper werd daarom aanvankelijk puur en alleen gebruikt om de concurrentie uit te schakelen door een ontzettend hoog tempo aan te houden aan het begin van een boardtrackrace. De concurrentie ging hierin mee. De zijkleppers en kop/zijkleppers konden dit tempo niet bijbenen. De snellere kopkleppers wel, maar ze begaven het vaak stuk voor stuk. Dit lot was ook de achtkleppers vaak beschoren. Daarom volgden de kop/zijklep-Harley’s, en soms ook een enkele achtklepper, redelijk rustig hun ronden draaiend zonder te veel achterop te raken. Als de achtkleppers de concurrenten over hun toeren gejaagd hadden, kregen de kop/zijkleppers het signaal naar voren te stormen. Deze tactiek lag ook ten grondslag aan Harley’s aandacht voor vlagsignalen, de fabriek uit Milwaukee was één van de eerste die hiermee pionierde. Met veel succes.

Succesvolle Indian-zijkleppers

Indian bouwde sinds het begin jaren ’20 volledige zijkleppers. Aanvankelijk waren dit alleen productiemotoren, maar in 1926 veranderde dit. In het midden, het middenwesten en het westen van de Verenigde Staten waren nog een behoorlijk aantal boardtracks in gebruik, maar in het oosten waren veel boardtracks al gesloten door de zwarte, morbide reputatie die ze ontwikkeld hadden. Toch was er nog één boardtrack in gebruik aan de Amerikaanse oostkust, die van Rockenham in de staat New Hampshire. Op deze 1¼ mijl (ca. 2 kilometer) lange boardtrack baarde Indian groot opzien toen hun volledige zijklepper alles en iedereen versloeg en met een ontzagwekkend hoge gemiddelde snelheid van ruim 183 km/u de race winnend afsloot. Deze snelheden werden tot op dat moment alleen door de beste fabriekskopkleppers op vaak langere boardtracks gehaald! De concurrenten waren met stomheid geslagen dat zoiets mogelijk was. Ook in 1927 en 1928 gaven de Indian-zijkleppers de toon aan. Harley bleef niet achter en schakelde ook langzaam om naar dit concept.

De Indian-zijkleppers waren zo succesvol dankzij de Ier Charles Franklin. In 1911 had hij een stuk metaal gesoldeerd op de top van de zuiger van zijn Indian kop/zijklepper. Hij had hiermee een dakje gecreëerd op zijn zuiger. Tot zijn verbazing liep de motor direct een behoorlijk stuk sneller. Bij toeval had Franklin de squish van de verbrandingskamer enorm verbeterd. Het onderzoek dat hieruit volgde gaf heel erg veel nieuwe inzichten in de werking van de verbrandingskamer van een kop/zijklepper en naarmate de experimenten voortgezet werden, ook in die van een volledige zijklepper.

De motorwereld uit die tijd had erg veel aan Charles Franklin te danken. Met name Harry Ricardo maakte dankbaar gebruik van Franklins ontdekking toen hij een aantal patenten vastlegde die dit principe beschreven en beschermden. Franklin was een succesvol Indian-coureur in Europa toen hij in 1916 naar Amerika emigreerde en voor de Indian-fabriek ging werken. Hij werd uiteindelijk hoofdconstructeur bij Indian en ontwierp daar de iconische Scout- en de Chief-zijkleppers, de meest succesvolle modellen uit de Indian-historie. Andere Amerikaanse merken schreven ook furore op de Amerikaanse boardtracks, maar het waren Indian en Harley die de toon zetten. Dat gold niet in de heel vroege beginperiode van begin 1900, de Europese merken zoals bijvoorbeeld NSU en Peugeot behoorden toen tot de absolute top.

Gruwelijke ongevallen

Na het oosten stierven ook in het midden en westen van Amerika de boardtrackraces langzaam maar zeker uit. Met het stijgen van de snelheden werden de ongevallen heftiger. Dit leidde soms tot federale onderzoeken. Tijdens sommige crashes gleden de motoren met hoge snelheid naar de bovenkant van de boardtrack en werden vervolgens het publiek in geslingerd met afschuwelijke gevolgen. De rijder verloor in dat geval meestal zijn leven als hij tegen de boarding aan de bovenkant van de boardtrack sloeg. Daar hing vaak het publiek overheen om maar niets van de races te hoeven missen. Ook dat leidde tot gruwelijke ongevallen. Soms werden toeschouwers letterlijk onthoofd als ze over de boarding hingen als een gecrashte motor eens niet het publiek in geslingerd werd, maar met duivels geweld bleef doorglijden over de boarding, hangend aan het stuur of een trapper. Dit gebeurde bijvoorbeeld op 8 september 1912 tijdens de boardtrackraces in Newark, New Jersey. Indian’s toprijder en racelegende Eddie Hasha, ook bekend als ‘the Texas Cyclone’, zou daarbij zijn leven verliezen in een afschuwelijk ongeluk waarbij ook meerdere toeschouwers om het leven kwamen. Tijdens de race schoot Hasha’s Indian onverwacht omhoog naar de top van de baan en klapte met hoge snelheid tegen het hekwerk aan de bovenkant. Zijn Indian klemde zich tegen dit hekwerk en gleed zo’n dertig meter door. Vier jongens werden gedood door zijn Indian omdat ze met hun hoofden over het hekwerk leunden en niet snel genoeg wegdoken. Eddie kwam in het publiek terecht en was op slag dood. Meerdere toeschouwers raakten zwaargewond. Een federale Grand Jury onderzocht dit ongeval en concludeerde dat dit ongeluk niet voorkomen had kunnen worden. Vanaf dat moment kregen de boardtrackraces een grimmige reputatie, die alleen maar zou groeien naarmate dergelijke ongelukken vaker voorkwamen. Door deze ongevallen en de toenemende federale onderzoeken hiernaar werd het steeds lastiger voor organisatoren om boardtrackraces te organiseren. De rijders vonden dat jammer, het startgeld, maar met name het finishgeld, was ontzettend hoog. De toprijders verdienden ontzettend veel geld en ook de mindere rijders reden op een zondagmiddag gemakkelijk twee gemiddelde maandsalarissen bij elkaar.

Eind jaren ’20 was het zo’n beetje afgelopen met de Amerikaanse boardtrackraces. Reguliere straatraces namen het over en voor wie nog echt spektakel wilde zien, kon terecht bij de Hillclimbs, die in navolging van de boardtrackraces ongekend populair werden in het Amerika van de jaren ’20 en ’30.

Foto’s: Archives A. Herl, Harley-Davidson, Indian, voormalig archief Jim Davis

Suzuki SV-7GX 2026: balanceren kan je leren | Rij-impressie

0

De 2026 Suzuki SV-7GX komt met een authentieke 90° V-twin motor. Is dit dan de SV650 in een crossoverjas waar veel motorrijders op zitten te wachten?

Met Suzuki naar de 8 uur van Spa: zo dichtbij kom je alleen met RIDERS!

0

Met vijf verschillende Suzuki-modellen vertrok een gevarieerd gezelschap richting de Belgische Ardennen. Inclusief RIDERS-leden Martin Reinders en Arjan Reerink en contentcreators Anita Polet en Mirvan Savas aka Babamoto op TikTok. We bezoeken de 8 uur van Spa, en dat is niet zomaar een wedstrijd, vooral niet als je door Suzuki bent uitgenodigd om dit weekend als VIP mee te maken.

Mede mogelijk gemaakt door: Suzuki Nederland | VISITWallonie | Yoshimura SERT Motul team | 8h SPA Motos

Met Suzuki naar de 8 uur van Spa: zo dichtbij kom je alleen met RIDERS!

MOTO73 #12 – 2026

0

Toertocht Brabant: van Moerdijk naar Doel, langs verdwenen dorpen

0

Het Brabantse dorp Moerdijk dreigt plaats te moeten maken voor de oprukkende industrie. Een pijnlijk vooruitzicht voor de pakweg 1.150 inwoners. Uniek is het echter niet. Een rit langs verdwenen dorpen voert naar het Belgische Doel, dat nooit opgaf en een tweede leven is beloofd.

Moerdijk. Iedere Brabander kent het kleine dorp in elk geval van naam. Want ‘boven de Moerdijk’, zoals dat wordt gezegd, ligt een andere wereld. Het noorden. Maar nu dreigt het dorp te worden gesloopt. Het grote industrie- en bedrijventerrein met onder meer Shell en de Hollandse Cement Maatschappij moet mee in de vaart der volkeren en dat kan volgens de slimme koppen het best als het dorp verdwijnt.

Als ik ’s ochtends vroeg het dorp inrijd, is het stil op straat. Een mevrouw laat haar kleine hondje uit, een man zet een vuilcontainer op straat. Het zijn alledaagse tafereeltjes die niets verraden van de onderhuidse spanning. Op een rondje dorp zie ik evenmin grote spandoeken of protestborden. Of het moet zijn dat ik ze heb gemist.

RIDERS Provincietour Zeeland: misschien wel de perfecte motorroute

Terwijl ik de motor het dorp uit en door het omliggende polderland stuur, maakt de stilte langzaam maar zeker plaats voor de bedrijvigheid van grote ondernemingen. Dit is dus het voorland van Moerdijk, dat overigens niet het eerste Nederlandse dorp is dat om deze reden moet wijken. Ook voor de havens van Rotterdam en Delfzijl én voor de uitbreiding van Schiphol zijn kernen verdwenen zoals Blankenburg, Rijk en Oterdum.

Voorbij de industrie wacht een kleine strook groen, gevolgd door het vestingdorp Klundert, dat met zijn wallen en bastions wel gespaard wordt. Rijden door het compacte centrum, langs het monumentale stadhuis en daarna de polders in, waar lang geleden het gehucht Niervaart lag. Voortdurende overstromingen maakten het uiteindelijk onbewoonbaar. Een belangrijk reliek – de wonderbaarlijke hostie – kreeg een nieuwe plek in de Grote Kerk van Breda.

Een rampzalig lot

De polder. Vrije ruimte. Lucht. Ik geef gematigd gas over rechte wegen en dijken die af en toe bochtig worden. Akkers met dikke vruchtbare grond liggen klaar om bewerkt te worden. Het is waar West-Brabant goed in is. Op de route neem ik een puntje Willemstad mee met zijn gezellige terrassen aan het haventje én maak ik snelheid in het lege land rondom dorpen als Dinteloord, Klutsdorp, Kladde en Lepelstraat.

Een brug brengt me naar Zeeland voor een koffiestop in het verrassend leuke Tholen. Ik verruil er de route voor een ritje door het dorp om hem daarna via de Mosselhoek weer op te pakken. Voor me ligt de Oesterdam, een tien kilometer lange dam die onderdeel is van de Deltawerken. Parkeren aan het begin en een klein stukje lopen naar een monument voor Verdronken Dorpen. Voor zover bekend zijn er door de eeuwen heen 117 Zeeuwse dorpen en een stad door het water opgeslokt.

Reimerswaal – dat ook op andere manieren wordt geschreven – was in de zestiende eeuw na Middelburg en Vlissingen de derde stad van Zeeland. Het had in de veertiende eeuw al stadsrechten. Op de kaart zie ik dat de kern hier min of meer recht onder mijn voeten ligt. Er waren stadsmuren, poorten, torens, een stadhuis en een markt. Het lot van Reimerswaal is overigens voor een belangrijk deel door de mensen zelf bepaald. Door zoutwinning was de bodem zodanig verzakt dat het gebied bij storm steeds kwetsbaarder werd. Met een rampzalige afloop dus.

Gallisch dorp

Terug in het zadel en uitwaaien op de dam. Het grote water rechts, het binnenwater met daarachter de contouren van Bergen op Zoom aan de linkerkant. Rijden op de grens van land en water. En op die van Zeeland, Brabant en België. De kennismaking met de Antwerpse haven is meteen raak: het enorme complex van BASF.

De motor rolt door een landschap waar ik normaal niet zo gemakkelijk kom. Het is een wereld van stoom, rookwolken, vlammen, buizen, containers, kranen, een wirwar van spoorlijnen en brede wegen vol vrachtwagens. Mijn 1050 cc grote allroad voelt plotseling heel klein.

Als een soort Gallisch dorp ligt het fort van Lillo tussen Schelde en industrie. Van het verderop gelegen dorp rest enkel nog de molen. En die is verplaatst. Via de verdedigingswallen stuur ik naar de huizen die hier standhouden in een vijandige wereld. Het was kantje boord, want ook het fort zou eigenlijk verdwijnen. De huizen waren zelfs al onteigend. Onder meer door de historische waarde ging het niet door.

Willem van Oranje liet de vesting samen met die van Liefkenshoek aan de overkant bouwen om zo de verbinding tussen Antwerpen, Zeeland en Holland te beschermen tegen de Spanjaarden. Liefkenshoek werd uiteindelijk aangevallen op 10 juli 1584. Voor de opletters: inderdaad, de dag van de moord op Willem van Oranje. Liefkenshoek hield geen stand, Fort Lillo daarentegen wel. Sterker nog, er zou nooit één Spaanse soldaat tot de vesting doordringen.

Lopend over de kasseien van de kleine kern is het moeilijk voor te stellen dat dit ooit een extreem belangrijke plek was. Het werd zelfs een Staatse enclave in de Spaanse en daarna Oostenrijkse Nederlanden. Herkenbaar zijn onder meer de kazematten, de kazerne en het kruitmagazijn. Op de kleine Havermarkt kun je aanleggen bij ’t Pleintje of bij het authentieke café In de 7 Saeligheden.

Van Wilmarsdonk resteert enkel nog de kerktoren, die tussen de containers staat.

Kerktoren tussen containers

Zodra ik de motor start en de verdedigingswallen van Fort Lillo verlaat, ben ik weer omringd door de Antwerpse haven. Hoewel niet per se lekker toerterrein, wel een spannend decor. Het is er dynamisch, vol energie. Tussen containers, distributiedozen en rangeerterreinen ga ik op zoek naar wat over is van het dorp Oorderen. De conclusie na wat rondrijden over steen en zand: niks. Of je moet een kluit bomen meetellen.

Aan de overkant van het Churchilldok ligt dat anders. Daar vang ik tussen de gebouwen en gestapelde containers af en toe een glimp op van een kerktoren, het enige dat rest van het dorp Wilmarsdonk dat in 1966 werd gesloopt. Niet dat de havenbaronnen zo begaan waren met historie of iets dergelijks, ze konden de toren goed gebruiken als referentiepunt bij de landmetingen.

Van dichtbij bekijken lukt niet. De kerktoren staat op een terrein waar voortdurend met containers wordt gereden. Dan maar van buiten het hek. Ik parkeer de motor in het gras en probeer me voor te stellen dat hier ooit een dorp met zo’n 1.500 inwoners heeft gestaan. Groter nog dan Moerdijk. Verderop passeert de route het kerkje van het verdwenen Oosterweel, ook zo’n bouwwerk dat als baken van pas kwam.

Uiteindelijk rijd ik in de Antwerpse wijk ’t Eilandje binnen. Hier vinden we het omgekeerde verhaal. De stad heeft er de haven en bedrijvigheid verdreven. Nou had dat weinig met een doordacht plan te maken. Er was gewoon te weinig ruimte voor de steeds grotere schepen. Leuke buurt. Met gezellige terrassen, topmuseum (MAS) en het Red Star Line Museum over landverhuizers. Over het achterlaten van huis en haard gesproken. Eind negentiende en begin twintigste eeuw emigreerden miljoenen Europeanen naar Amerika.

Toertocht Zeeland: Parijs – Roubaix in Nederland

Tweede leven

De navigatie maakt een foutje bij het uitrijden van de Waaslandtunnel – de Konijnenpijp in de volksmond – onder de Schelde door. Per toeval beland ik in het polderlandschap van Zwijndrecht. Smalle wegen langs bescheiden velden en akkers. Het is er leuk rijden met veel overzicht. Lekker de bochten even scherp aansnijden, versnellen, schakelen. En nog een keer, nog een keer, nog een keer.

Ook als ik later de route oppak in het havengebied blijft het goed rijden. De weg is breed, het asfalt glad, de bochten zijn rond. Er passeren twee supersportmachines die de boel als circuit gebruiken. Ik houd het bij doorrijden in een strak tempo. Tot het eindpunt in zicht komt: Doel, het dorp dat al lang afgebroken had moeten zijn.

Aan het begin van de Engelsesteenweg staan borden dat het dorp vrij te bezoeken is tot 18 uur ’s avonds. De entree is meteen ongemakkelijk. Een desolaat bushokje, huizen die volledig overwoekerd zijn, één huis dat nog wel bewoond wordt, links de koeltorens van de kerncentrale… Hoewel links en rechts wordt benadrukt dat Doel nog altijd een ‘levend’ dorp is met enkele bewoners, voelt het spookachtig. Hier hangt de geest van een verdwenen gemeenschap.

Ik zet de motor in de tweede versnelling en rijd wat rondes door het centrum. Koggestraat, Pastorijstraat, Camermanstraat, Hooghuisstraat, Liefkenshoekstraat. Nagenoeg alle ramen en deuren zijn dichtgemaakt met metalen platen, de gevels zijn bedekt met graffiti die zelden mooi is. Zestig jaar geleden werden de eerste tekeningen gemaakt voor de uitbreiding van de Antwerpse haven, inclusief het opheffen van Doel. Verbeten verzet en nieuwe inzichten hebben de plannen veranderd. Volgens de laatste stand krijgt Doel een tweede leven.

Ik parkeer midden op de weg, stap af en kijk rond. Is dit het voorland van Moerdijk?

Foto’s: Hans Avontuur


5 x afstappen

1. Willemstad

Heeft niks met verdwenen dorpen te maken, maar is gewoon een fijne stopplek. Haventje, terras, afijn, je kent het wel.

2. Tholen

Als je hier rond de lunch belandt, heb ik twee opties voor je: De Koffiekan voor uh, lekkere koffie. En Kaeswienkeltje Potter voor een broodje kaas naar keuze.

3. Fort Lillo

Minidorp in een vesting, omringd door de Antwerpse haven. Een hele wonderlijke plek. Beklim ook even de dijk voor uitzicht op de Schelde en de terminals.

4. Red Star Line Museum

Alles over moedige en wanhopige mensen die eind 19de en begin 20ste eeuw huis en haard verlieten en op een schip van Red Star Line naar Amerika vertrokken.

5. Doel

Spookdorp dat na tientallen jaren het gevecht met de Antwerpse haven heeft gewonnen. Althans, volgens de stand van nu.


Download de route van Moerdijk naar Doel

Code rood: ga morgen alleen de weg op als het echt moet

0

Rijkswaterstaat raadt weggebruikers aan om morgen alleen de weg op te gaan als het echt nodig is. Het KNMI heeft voor het grootste deel van het land code rood afgegeven vanwege de extreme hitte. Vrijdag en zaterdag worden maximumtemperaturen verwacht van 33-36°C in het noorden en westen, en 36-39°C landinwaarts; lokaal kan het zelfs 40°C bereiken. Wie toch de weg opgaat, moet zich goed voorbereiden. Neem voldoende water mee, adviseert Rijkswaterstaat.

5 tips voor motorrijden in de hitte


Rusty Stitches Mike & Jodi: luchtige motorjassen voor hete zomerritten

0

De zomer is heerlijk, tot je in een veel te warme motorjas staat te zweten aan het rood licht. Rusty Stitches speelt daar slim op in met de Mike en Jodi: twee betaalbare doorwaai motorjassen die ventilatie, comfort en bescherming combineren zonder je budget te slopen.

Klaar voor warme dagen op de motor

Zodra de temperaturen stijgen, voelt een dikke textieljas al snel als overkill. Toch wil je niet in een hoodie of T-shirt de baan op. De Rusty Stitches Mike en Jodi zijn precies voor dat tussenseizoen en warme zomerdagen gemaakt. Dankzij de grote meshpanelen stroomt rijwind vlot door de jas, waardoor je tijdens woon-werkritten, weekendtoertjes of langere zomerritten fris blijft.

Tegelijk blijft het een echte motorjas. De slijtvaste buitenstof zorgt voor de nodige bescherming onderweg, terwijl de lichte constructie ervoor zorgt dat je niet het gevoel hebt dat je in een sauna op twee wielen zit.

5 tips voor motorrijden in de hitte

Rusty Stitches Mike: sportief en stoer

De Rusty Stitches Mike is de herenversie van deze zomerse motorjas. Hij heeft een sportieve look, een comfortabele pasvorm en is verkrijgbaar in zwart en lichtgrijs. De maten lopen van S tot en met 4XL, waardoor er voor heel wat rijders een passende uitvoering is.

Met een adviesprijs van € 139,95 blijft de Mike bovendien opvallend toegankelijk. Ideaal dus voor wie een tweede jas zoekt voor warme dagen, of gewoon niet meteen de hoofdprijs wil betalen voor een degelijke zomerjas.

Rusty Stitches Jodi: speciaal voor vrouwelijke motorrijders

Voor dames is er de Rusty Stitches Jodi. Die biedt dezelfde frisse mix van ventilatie, comfort en stijl, maar dan met een pasvorm die specifiek op vrouwelijke motorrijders is afgestemd. Ook de Jodi is leverbaar in zwart en lichtgrijs, met maten van 36 tot en met 56.

De adviesprijs ligt op € 129,95, waarmee ook deze dames motorjas stevig inzet op prijs-kwaliteit. Een slimme keuze voor wie koel, comfortabel en goed voorbereid de zomer in wil rijden.

Betaalbaar koel blijven

De Rusty Stitches Mike en Jodi zijn geen overbodige luxe zodra de eerste tropische rit eraan komt. Ze bieden precies wat je zoekt in een zomer motorjas: veel ventilatie, een fijne pasvorm, een strakke look en een prijskaartje dat niet pijn doet. Kies je kleur, check je maat en laat die warme motorritten maar komen.

Vier 35 jaar Hinckley-historie tijdens de Triumph Early Hinckley Meeting bij Blom Motoren

0

Dit jaar is het alweer 35 jaar geleden dat de visionaire zakenman John Bloor het roemruchte Britse motormerk Triumph succesvol nieuw leven inblies. Deze start van het succesvolle ‘Hinckley-tijdperk’ mag natuurlijk niet onopgemerkt voorbijgaan. Daarom organiseert Blom Motoren op zaterdag 11 juli een exclusieve Triumph Early Hinckley Meeting.

Na het sluiten van de oorspronkelijke fabriek in Meriden leek het doek voor Triumph gevallen, totdat John Bloor begin jaren negentig in Hinckley een compleet nieuwe, hypermoderne fabriek uit de grond stampte. Het bleek de redding van een icoon en het begin van een indrukwekkende reeks motoren die vandaag de dag inmiddels de cultstatus hebben bereikt.

Museum en ontmoeting in Leusden

Om dit 35-jarige jubileum te vieren, is iedereen op zaterdag 11 juli van harte welkom bij Blom Motoren in Leusden. De dealer, inmiddels een begrip in de Triumph-wereld, heeft op de eerste verdieping van het pand een schitterend ‘Early Hinckley’ museum ingericht. Tijdens het evenement kunnen bezoekers zich vergapen aan deze in topstaat verkerende plaatjes uit de beginjaren van de wederopstanding.

De inloop en de meeting vinden plaats van 11.00 tot 13.30 uur. Het belooft een gezellige ochtend en middag te worden vol sterke verhalen, technische uitwisselingen en pure passie voor het Britse merk. Aansluitend staat er om 14.00 uur een korte, gezamenlijke toertocht op de planning, inclusief een mooi fotomoment om de dag vast te leggen.

Alle liefhebbers welkom, met een glansrol voor carburateur-modellen

Hoewel het evenement draait om de vroege jaren van Hinckley, zijn all Triumph enthusiasts van harte welkom. Het maakt dus niet uit of je op een gloednieuwe Street Triple rijdt of een klassieke Bonneville; de passie voor het merk staat voorop.

Toch ligt de speciale focus deze dag op de legendarische vroege carburateur-modellen die de basis legden voor het huidige succes van Triumph. Heb jij een van de onderstaande motoren in de schuur staan? Dan mag je deze dag absoluut niet missen:

  • Daytona 900 / 1000 / 1200
  • Sprint 900
  • Trophy 900 / 1200
  • Trident 750 / 900
  • Speed Triple 750 / 900
  • Tiger 900
  • Thunderbird 900

Praktische informatie

WatTriumph Early Hinckley Meeting
WaarBlom Motoren, ’t Koendert 4 in Leusden
WanneerZaterdag 11 juli
TijdenMeeting en museumbezoek van 11.00 tot 13.30 uur. Start toertocht en fotomoment om 14.00 uur.