zaterdag 23 mei 2026
Home Blog Pagina 1030

Kawasaki ZX-25R: hoor dit zingen!

0

De afgelopen weken konden we nadenken over de nieuwe Kawasaki ZX-25R, de toerentalgretige viercilinder die binnenkort op de Aziatische wegen zal schreeuwen.

Met een 250cc viercilinder blok waarvan het rode gebied begint na 17.000 tpm, doet de nieuwe Kawasaki ZX-25R denken aan de jaren 80 en 90. Toen werden vanuit Japan lichte sportmotoren geïmporteerd van maximaal 400cc die borg stonden voor waanzinnige toerentallen..

Aangezien we de Kawasaki ZX-25R niet snel op de Europese wegen zullen zien, moeten we het doen met audiovisueel entertainment. Gelukkig heeft Kawasaki Indonesia een aantal teaser-video’s gemaakt die ons precies laten zien wat we missen.

Hoewel de ZX-25R niet naar Europa komt, heeft vijfvoudig WorldSBK-kampioen Jonathan Rea zich op het Spaanse Jerez-circuit prima vermaakt om te laten zien wat de Kawasaki kan.

Als enige vier-in-lijn in de 250 cc-klasse biedt de video ook wat meer specs. Zo wordt beweert dat de ZX-25R een ‘WorldSBK-chassisontwerp’ heeft en ook elektronische gaskleppen en een quick shifter.

De video zegt ‘koptelefoon op’. Dat moet he doen om volop te genieten van wat lieve motormuziek…

Zondagmorgenfilm: Coldenhoff terug in actie

0

Eindelijk! Er mag weer gecrosst worden. Dat is iets dat je tegen Glenn Coldenhoff geen twee keer hoeft te zeggen en dus spoedde hij zich naar Lelystad. Mét cameraman en dat levert geweldig beelden op.

Het debuut van de wankelmotor: Hercules W-2000 (1974-1976)

0
Hercules W-2000

Ooit voorzag iedereen het snelle einde van de verbrandingsmotor met ‘stuiterende’ zuigers. De rotatiemotor, oftewel de wankelmotor, zou ze allemaal tot museumstukken degraderen. Toch liep het anders. Daar kon ook Hercules met zijn W-2000 niets aan veranderen.

De wankelmotor leek in de jaren zeventig van de vorige eeuw daadwerkelijk door te breken in motorland. Die geniale constructie was gebaseerd op de nog best gecompliceerde ‘Drehkolbenmotor’ zoals die was bedacht en gemaakt door Felix Heinrich Wankel (13 augustus 1902 – 9 oktober 1988). NSU was de eerste licentienemer van die vinding en destilleerde daar de eenvoudiger Kreiskolbenmotor’ uit. Die werd wereldberoemd als ‘wankelmotor’. Fichtel & Sachs werd de tweede licentiehouder en bedacht dat de wankelmotor ideaal was voor grasmaaiers, generatoren en motorzagen. Het bedrijf experimenteerde en verbeterde en maakte best veel, steeds betere’ wankelmotorblokjes en blokken. Er waren op een gegeven moment overigens meer dan dertig licentiehouders, waaronder Mercedes-Benz, Mazda, Suzuki, BSA en Citroën. Ook in de toenmalige Sovjet-Unie werd het idee om motorfietsen van rotatieblokken te voorzien omarmd.

Ideaal voor motorfietsen

In de motorfietswereld was het idee van de wankelmotoren ook geland. De wankelmotor is immers een krachtbron zonder een in een cilinder op en neer bewegende zuiger en zonder krukas, kleppen en klepbediening. De rotatiemotor werkt met een driehoekige rotor, die draait in een enigszins getailleerde ovale behuizing. Aan elk van de drie zijden van de rotor vindt steeds – tegelijkertijd – een fase van de verbranding plaats. Terwijl aan één kant het benzine-luchtmengsel binnenkomt, vindt aan de tweede zijde een verbranding plaats (gewoon door een bougievonk, alhoewel dat niet altijd even perfect ging), terwijl aan de derde zijde de – erg hete – uitlaatgassen het pand verlaten via de uitlaatdemper. Die kringloop maakte in verzekeringskringen het bepalen van de eigenlijke ‘cilinderinhoud’ gecompliceerd. Als alle kamervolumes zo eendrachtig samen opereerden, zou immers elk kamervolume moeten meetellen, toch? Naast die draaiende rotor zitten er verder eigenlijk geen bewegende delen in het wankelblok en de compacte en relatief veel vermogen leverende krachtbron leek daarom ideaal voor het gebruik in een motorfiets. Bovendien draait de wankelmotor zeer trillingsvrij en dat was – zeker in die tijd waarin balansassen nog geen gemeengoed waren – een groot pluspunt. Kortom, wat zou een grote doorbraak eigenlijk in de weg kunnen staan?

In 1974 kwam Hercules uit met de W2000. Het idee om een wankelmotorfiets te maken, paste in de tijdgeest. En Fichtel & Sachs maakte de industriegerichte wankelmotorblokken in serieproductie. Binnen enkele jaren werd het bedrijf de toonaangevende fabrikant van wankelmotoren. In totaal werden er volgens de bedrijfsdocumentatie meer dan 100.000 wankelmotoren gemaakt.

Het succes in de voertuighoek begon toen er iemand een Fichtel & Sachs-wankelmotor in een sneeuwscooter monteerde en daar direct een wedstrijd mee won. Dat was de start van een korte periode waarin wankelmotoren populair werden in dat soort gemotoriseerde sneeuwracers. En bij Hercules vroegen ze Sachs een paar van die snowmobile-motorblokken te leveren, zodat de Duitse techneuten konden bedenken hoe ze daar een motorfiets omheen konden boetseren. In eerste instantie gebruikten ze daarvoor de achterkant en de versnellingsbak van een BMW R27, inclusief de cardanaandrijving. Toen BMW stopte met de productie van de R27 viel de bodem uit dat verhaal. Om kosten te besparen, werd er daarom een bestaande zesversnellingsbak van Rotax gebruikt. Daarvoor hoefde ‘alleen’ een passende behuizing worden ontwikkeld, omdat de versnellingsbak feitelijk was bedacht voor gebruik achter een gewoon dwars in het frame liggende krukas en een secundaire kettingaandrijving. Intussen waren Suzuki en Yamaha ook erg druk met wankelmotoren, maar bij Hercules en Sachs was de insteek dat zij de eersten op de markt wilden zijn.

Hercules of DKW?

De uiteindelijke Hercules (de merknaam voor op het vasteland van Europa en de gedroomde export naar de Verenigde Staten, in het toen nog wat stabielere United Kingdom heette de motor om onverklaarbare redenen DKW) had een kettingoverbrenging naar het achterwiel en een – niet optimaal naar de vrijstand schakelende – zesversnellingsbak. Veel van de buiten dat blok om gebruikte delen kwamen uit de schappen waarvan andere Duitse motorenmakers uit die tijd ook gebruik maakten. De bedieningselementen en de 32-millimeter-Bing-onderdruk-carburateur en de knipperlichten waren bijvoorbeeld identiek aan die van BMW. Op de glaasjes van de knipperlichten stond zelfs het BMW-embleem.

Voordat de serieuze productie begon, werd er een preproductieserie van 50 stuks gemaakt. De initiële problemen vanwege het feit dat de krachtbron van een motorfiets toch anders wordt belast dan die van een sneeuwscooter waren toen al opgelost. Het grootste verschil met de eerdere exemplaren was dat het motorblok geen dragend deel meer van het rijwielgedeelte was, maar dat het onder een dubbele wieg hing. Dat motorblok hing daarbij ‘uit het midden’, een erfenis uit de begintijd, toen de delen achter het blok nog van BMW kwamen. Het verhaal gaat dat een Hercules-eigenaar zich met zijn licht beschadigde trots bij zijn assuradeur meldde. De expert die de schade kwam opnemen, zag dat het blok niet midden tussen de framebuizen hing. Hij verklaarde de Hercules total loss. De eigenaar kreeg een serieuze hoop geld en koesterde zijn ‘schade’ nog jaren lang. Aan de voorkant van de Hercules zat een Grimeca-schijf en het uitlaatsysteem was om esthetische redenen – en om zo snel mogelijk zoveel mogelijk motorhitte kwijt te raken – dubbel uitgevoerd. Vering en demping kwamen van Ceriani. De prestaties waren op z’n best redelijk tot goed. Het brandstofverbruik was toen nog niet zo’n punt, maar lag boven de norm. Het feit dat er vanaf 1976 geen mengsmering meer hoefde te worden getankt, kon het verhaal ook al niet meer redden. De wankelmotor van bijna 300 cc kostte daarbij ongeveer even veel als een 500cc-vierpitter van Japanse makelij. De theoretische gewichtswinst werd niet helemaal verzilverd: de Hercules W-2000 woog meer dan bijvoorbeeld een Yamaha RD350.

In twee versies

Oké, de wankeldroom is het niet geworden. Er zijn krap 1.800 Hercules- en DKW-wankels gemaakt. Dat is een stuk meer dan de 36 OCR1000’s van Van Veen, maar dat is een heel schrale troost. Van de 1.800 zijn er 900 voorzien van een separate olietank en pomp. De andere helft liep op mengsmering. Verstandige en voorzichtige rijders gingen ook op de machines met oliepompen vlot over op mengsmering. De oliepomp werd namelijk vanaf het gashandvat bediend. De andere kabel vanaf die locatie bediende de carburateur. Als de kabel naar de oliepomp stuk ging, ging ook meteen het blok stuk. Jawa had dat bij de Oilmaster slimmer opgelost. Het Jawa-systeem gebruikte twee kabels: één van het gashandvat naar de pompbediening en één van de pomp naar de carburateur. Als één kabel defect zou raken, zou de motor dus niet harder dan stationair draaien, waardoor een catastrofale schade door gebrek aan smering werd vermeden.

De betrouwbaarheid van het geheel werd bewezen door op de Neurenbergring 50.000 kilometer te wankelen. De voorseriemachines werden via geselecteerde dealers verdeeld onder al even geselecteerde klanten. Het blok was soepel en trillingvrij en bij gas dichtdraaien remde het evenveel op de motor als een tweetakt: niet of nauwelijks. Hij klonk er echter wel mooi bij. De wankelridders waren trouwens een wat aparte soort motorrijders. ‘Gewone’ motorrijders vonden de Hercules/DKW raar tot verdacht, maar er was een groep mensen die gewoon ‘ging’ voor het concept, juist omdat het nieuw was. De andere onverwachte doelgroep werd gevormd door techneuten die motorrijden ook wel leuk vonden, maar die helemaal blij werden van de techniek achter de Hercules W-2000 (of de DKW W2000). Die mensen waren daarom ook zuinig op hun motorfietsen. Ondanks de zuinigheid van de eigenaars liepen er in het begin aardig wat motorblokken stuk. Dat gebeurde feitelijk doordat het concept nog in de kinderschoenen stond en omdat de metallurgie indertijd nog niet op het huidige niveau stond. Sachs deed er niet moeilijk over. Kapotte motorblokken werden keurig vervangen, terwijl het eindresultaat steeds beter werd. De tweede modelserie, het model 1977, was dan ook een stuk beter. Die was dus ook voorzien van een (Mikuni-)oliepomp, waardoor het zelf mengen van brandstof en olie verleden tijd was. Dat de motor er een paar kilo zwaarder door werd, was geen punt.

Rijden op de W-2000

Ons fotomodel is een nooit gerestaureerd exemplaar dat ooit voor export naar de Verenigde Staten was bedoeld. De Hercules heeft een wat hoger stuur en een startblokkering om starten in de versnelling te verhinderen. Het is een ‘laat’ model met een oliepomp. De eigenaar laat die voor wat het is en tankt mengsmering. Zitten op de Hercules is prettig. De machine past goed onder een 1,86 meter lange Europeaan. Na een druk op de knop start de motor vlot. Stationair loopt het blok wat rommelig. Het klinkt wat als een tweetakt op een te rijk en te vet mengsel. Met een klik gaat de zesbak in zijn eerste versnelling. Dan begint het feest dat wankelrijden heet. Het motorblok zoemt juichend naar hogere toerentallen en draait vrijwel zonder vibraties. Schakelen gaat fijn, ook al is later de vrijstand bij stilstand lastig te vinden. Het motorkarakter is levendig. De rotatiemotor pakt heerlijk op en hangt voorbeeldig aan het gas. Remmen op de motor? Dat doet het blok dus nauwelijks, maar de remmen doen hun werk. De Hercules voelt strak en vertrouwd aan. Hij moet weer ingeleverd worden. Een sprankelende binnendoorrit naar een lang weekend in de Ardennen? Dat kan geen straf zijn.

De motormaker: Daan Borsje, Moto Adonis

0
Daan Borsje, Moto Adonis

‘In principe werk ik met alle motoren, maar ik moet er wel iets in zien Op dit moment vind je hier zowel een Cagiva 350 als een Harley en een Ducati Monster. Verder een stuk of wat oude boxer-BMW’s. Grote verschillen en dat is prima. Dat is juist leuk, maar als het met een motor echt niet klikt, dan doe ik het niet. Met oude Honda’s ben ik na een paar beroerde ervaringen met Bol d’Or-achtigen echt gestopt’, vertelt Daan Bosje, oprichter en ‘CEO’ van Moto Adonis. We zijn net de voormalige Wennekes/Goblet-jeneverstokerij in Roosendaal in gelopen. De tanks staan er nog, maar nu worden hier motoren ‘gestookt’. En goed op smaak gebracht, want alles lijkt hier te kunnen: we zien een aantal behoorlijke extreme verbouwingen, tot aan ‘een boxer met barbecue’ aan toe.

Labrador Bondi keert de motoren en hun bouwers nooit de rug toe. Later die dag waagt hij zich voor de lens nog aan een kleine race met de door de Adonissen bereden Yamaha en Harley. De ideale motorhond. Eerst begroet hij ons echter enthousiast, terwijl we de meest extreme Ducati Monster aanschouwen die we ooit hebben gezien. Niets te klagen over diversiteit hier, inderdaad.

De Motormaker

Deze rubriek gaat niet over motoren, maar over de mens. De mens die zelf motoren bouwt. We ademen de sfeer van een rommelige werkplaats met asbakken vol shag of juist die van een klinisch schone chirurgenwerkplaats. We ruiken de olie, proeven de koffie en inhaleren een goed gesprek. Altijd zijn we in gesprek over de mens en wat hem beweegt bij het bouwen van motoren zoals hij dat doet. Welkom bij de Motormaker. In deze eerste aflevering: een jonge god.

Eerst luisteren, dan bouwen

‘De motoren die hier komen, zijn vaak lelijk en versleten’, vertelt Daan. “Wanneer ze de deur uitgaan, zijn ze echter weer jong en sexy. Als jonge goden. Moto Adonissen dus. Of ik er zelf ook een ben? Een vriendinnetje noemde me ooit zo en daar komt de naam vandaan, ha ha. De dagelijkse realiteit is iets minder romantisch: ik ben vooral iemand die goed luistert naar de ander en dan de motor bouwt die die persoon ook wil kopen. Ontwerpen doe ik samen met de opdrachtgever, maar een aantal klanten geeft me carte blanche. De beste projecten zijn voor mij in elk geval die opdrachten waarin me een bepaalde mate van vrijheid wordt gegund. Al bouw ik hier ook wel eens een motor op BMW boxer-basis volgens het meer geijkte café-racer recept. Omdat de klant graag zo’n motor wil. Wij zorgen er wel voor dat het ook iets moois wordt.’

‘Als ik het zelf helemaal voor het zeggen heb, ga ik graag iets extremer te werk. Die Monster, daar hebben we echt iets bijzonders van gemaakt. Iets wat totaal anders is, zeker met die complexe voorkant. De opdracht was eigenlijk supersimpel: bouw de gaafste café-racer die er is, ha ha. Er zit zelfs een bijpassende custom gespoten Arai-helm bij. Ook al werken we met allerlei motoren en zit er verschil in de gedurfdheid van de ontwerpen, een aantal kernzaken is altijd gelijk. Dingen die echt moeten kloppen, zijn de afwerking, mooie rondingen en een consistent en fraai lijnenspel. Soms zie je wel eens zelfbouwmotoren waarbij een lijn wordt afgebroken. Moet dat nu echt? Mooi is het vrijwel nooit.’

Moto Adonis

‘De motoren die hier komen, zijn vaak lelijk en versleten, maar als ze de deur uitgaan, zijn ze weer jong en sexy. Als jonge goden. Moto Adonissen dus. Of ik er zelf ook één ben? Een vriendinnetje noemde me ooit zo en daar komt de naam vandaan, ha ha. Ik ben vooral iemand die goed luistert naar de ander en dan de motor bouwt die die persoon ook wil kopen.’

Daan Borsje, Moto Adonis

Scootertjes fiksen

Daan vertelt dat hij als zestienjarige begon met het opknappen en verfraaien van scootertjes. ‘Het spuitwerk gebeurde gewoon in een schuurtje en natuurlijk zonder spuitmaskers en dergelijke. Ik ging een paar jaar later automotive business studeren aan het IVA in Driebergen. Je leert er vaardigheden waarmee je in een bedrijf staande houdt. Dingen daarvan neem ik nu mee in dit bedrijf. Toen was ik ook een tijdlang met auto’s bezig. Kevertjes. Ook kocht ik mijn eerste motor: een Amerikaanse Honda CBR 600, een Hurricane dus. Ik heb heel wat kilometers gereden op die Yankee-Japanner, Op een bepaald moment chopte ik hem tot café-racer, maar alle begin is moeilijk. Eerlijk gezegd heb ik hem toen een beetje verkloot.’

‘In 2010 was ik klaar met mijn opleiding, ik rugbyde toen op niveau en daarvoor gingen we naar Australië. Het sporten kwam er niet echt van, maar met mijn vriendin heb ik er wel een reis van meer dan 13.000 kilometer gemaakt. Dat gaf tijd om eens echt na te denken over wat ik wilde. Daarvoor zag ik in Sydney het werk van Deus ex Machina en dat bleef tijdens al die kilometers bij me en maakte het beeld nog duidelijker. Terug in Nederland besloot ik gewoon te beginnen, bij pa in de schuur. Mijn eerste project is de R75/5 die hier nog steeds bij de ingang staat! En ook de eerste klantenmotor ging nog datzelfde jaar de deur uit. Ik adverteerde voor twintig euro op Markplaats en dat was het begin. Aan het eind van het jaar had ik mijn eerste 20.000 euro omgezet en sindsdien gaat het gestaag omhoog. Het is mooi als je van dit werk kunt leven en dat lukt nu.’

Turbulentie

‘In 2012 richtte ik met een vriend Moto Adonis op. We draaiden het bedrijf met twee man en een aantal freelancers. Het waren turbulente tijden, want mijn vriend en compagnon overleed korte tijd later. Een enorme schok. Eén van zijn motoren staat hier nog. Toen ik de draad weer oppakte, werkte ik met een aantal freelancers. Dat ging soms moeilijker dan ik me had voorgesteld, omdat motorenbouwers per definitie allemaal eigenwijze individuen zijn. Vaak werkt dat toch niet optimaal en nu werk ik hier meer permanent samen met Job. Samen kunnen wij de zaken tenminste goed afstemmen. Als hij tenminste niet aan de andere kant van de wereld op een motor zit, ha ha.’

‘We zitten nog vrij kort op deze nieuwe locatie. Het is de voormalige Goblet/Wennekes-jeneverstokerij. De stooktanks staan hier nog om de hoek. Hier hebben we de ruimte en een locatie met de juiste sfeer. Het bedrijf groeit ondertussen gestaag verder, vooral door mond-tot-mondreclame en social media. En door speciale projecten. Ik vind het leuk om behalve het bouwen van mooie motoren voor particulieren af en toe ook zakelijk iets leuks te doen met een motor, bijvoorbeeld het bouwen van een speciaal project voor een bedrijf. Eén van de leukste was een flattracker voor het machinemerk Dremel. Het werd helemaal top toen ik op een event coureur Stefano Erba tegenkwam. Ik wees op zijn T-shirt met de tekst “I raced it and I won” en vroeg hem of hij ook voor ons wilde racen. Aandacht genoeg voor de motor toen, want hij maakte waar wat er op zijn shirt stond en bleef maar winnen…

Een heel andere eend in de bijt is deze Green Egg BMW, de BBQ-beemer. Hij is bedacht als promotievoertuig in opdracht van het BBQ Experience Center, dat de Green Eggs naar Nederland haalt. Hij trekt veel bekijks en je kunt er prima een worstje op grillen. Kijk maar!’

Moto Adonis
BBQ BMW

Café-racer te huur

‘Nog een bijzonder project dat niet direct voor een individuele opdrachtgever is: de Harley Sporster 883 die hier staat. We hebben hem omgebouwd tot 1200, moderne remmerij gemonteerd en één van onze eigen uitlaten. Je kunt hem op Motoshare huren voor € 100,- per dag. Zodra hij 200 keer is verhuurd, verloot ik hem onder de huurders. Voor mij is het ook een testcase: ik wil meer met Harley gaan doen, ook omdat daar vraag naar is. Naast custommotoren hebben we nu een tweede lijn: we ontwerpen en bouwen onze eigen uitlaatsystemen onder het merk Mad Exhausts. Je kunt ze voor elke motor met zichtbare uitlaten krijgen. Ik lever ze ook aan andere bouwers. Soms kunnen we zoiets maken, maar in veel gevallen moeten we echt aan het ontwerpen slaan. Dat berekenen we natuurlijk niet allemaal door, dus als jij de eerste bent met een bepaald type motor krijg je een unieke uitlaat. Vervolgens weten wij dan hoe we hem vaker kunnen maken, dat is de trade-off. We doen dat allemaal omdat je in beweging moet blijven, wijzelf en het bedrijf. Het hoort allemaal bij de gedachte dat ik iets wil opbouwen dat zo leuk is dat ik er tot mijn pensioen mee bezig kan zijn.”

Sleutelen in Roosendaal… en Ulan Batar

Job is de tweede man naast eigenaar Daan. Hij bouwt zelfstandig aan projecten. Als hij er is, tenminste. Job: ‘Ik werkte in de jeugdzorg, had mijn eigen woning. Dan is het wel gek als je anderen wilt motiveren en ze vertelt hun dromen na te jagen terwijl je dat zelf niet doet. Op een bepaald moment trok ik dat niet meer en heb ik mijn baan opgezegd. Ik ben naar Roosendaal verhuisd met amper spullen en ik ben bij Daan begonnen. Ondertussen ben ik er wel een tijd tussenuit geweest om met mijn oude Africa Twin naar Ulan Batar in Mongolië te gaan. Toen kon ik mijn kop echt een keer helemaal leegrijden. In Ulan Batar zit een Mongoolse vriend die ook motoren bouwt! De motor staat daar nog en binnenkort neem ik weer vrij en ga ik hem weer terugrijden. Na de rit uit Mongolië blijf ik hier voor vast werken, want het klikt!’

Moto Adonis
Job is de tweede man van Moto Adonis naast eigenaar Daan

The best and the worst…

Grootste sleutelblunder?

‘Ik heb een letterlijk een structurele onderschatting gemaakt van de sterkte van het materiaal dat ik voor kentekenplaathouders gebruik. Het zat stevig en toch viel het eraf. Bleek dat de trillingen het holle metaal uiteindelijk gewoon stuk kregen Massief staal en het probleem was opgelost. Nog eentje uit het vroege scootertjestijdperk: de zuigerveer er aan de onderkant uit laten steken in plaats van boven, en chop! De allerergste was met een Volkswagen Kever. De kacheluitlaat kun je alleen body off plaatsen, zo blijkt. En de auto was al bijna klaar. Toen heb ik maar een radicale andere oplossing bedacht…’

Beste uitvinding

‘Dat we zelf uitlaatsystemen zijn gaan ontwerpen. Onze Mad Exhausts-uitlaten zijn nu een handelsmerk op zich.

Beste sleutelmuziek

‘Beetje blues en rockabilly, af en toe even knetterhard graag. Dan mogen de buren ook even meegenieten, in de grote ruimten van zo’n oude stokerij verspreidt het geluid zich goed!’

BMW 040

De Adonis-rijder

‘Opgestoken duimpjes, van automobilisten nota bene’

Hoe bevalt het werk van een motormaker in de praktijk? Geen betere manier om dat uit te vinden dan in gesprek te gaan met iemand die zo’n motor bezit. We bellen met productdesigner Philip van Gelder, nu werkzaam als campagnemanager bij Leen Bakker. Samen met Moto Adonis ontwierp hij zijn unieke K75 en liet hem er vervolgens bouwen. Philip: ‘Het mooie aan werken met Daan is dat hij je aan de ene kant heel vrij laat, terwijl hij je toch subtiel bijstuurt met vragen als “Heb je dit al gezien?” of “Heb je hier al aan gedacht?”. Zo krijg echt de motor die je wilt. Ik ben zelf naar een geschikte K75 op zoek gegaan en wilde eigenlijk een paar bedrijven langs om te vergelijken, maar hier voelde het meteen goed, het klikte. Daan is bereid te experimenteren. Dat hij alles wil proberen, is onze gemene deler. Zo zijn we begonnen. We hebben samen de kappen eraf gehaald, heb ik ook nog het gevoel dat ik iets zelf heb gedaan. Daarna ben ik met mijn vrouw naar het buitenland vertrokken. Online gingen we verder over de motor, de foto’s kwamen binnen en ik volgde het hele proces. Reken maar dat zoiets enthousiasmerend werkt! Voor ik het wist, was er weer een bericht van Daan: “Kijk wat ik nu weer heb gemaakt.” Of ik wil een coole koplamp en dan vindt Daan in no time precies wat ik hebben wil. De tank van de K75 is een opmerkelijk ding, want er zit een rare lijn die we allebei niet mooi vinden. Die is er nu dus uit! Kijk maar eens naar een foto van een originele K75. Toen ik weer thuis was, ben ik gaan rijden en dat doe ik zoveel mogelijk. Het is mijn eerste motor, dus mijn referentiekader is niet groot, maar zeker is dat deze fiets voor dagelijks gebruik prima kan. Je scoort met deze motor altijd wel een paar duimpjes onderweg, van automobilisten nota bene!”

Top-drie-projecten (volgens de Motormaker zelf)

1. Grijze Ducati

2. Mr. Perfect Retrofuture Boxer uit 1986

3. The Pearl Yamaha TR1

Mijn motoroccasion: Suzuki GSX-R1000

0
De Suzuki GSX-R1000 van Edward Philips uit Ede

‘Deze Suzuki GSX-R1000 uit 2012 heb ik in de zomer van 2018 gekocht voor € 10.000,-. In het verleden heb ik veel motor gereden. Ik ben een tijdje gestopt en heb zeven jaar geleden de draad weer opgepakt. Sindsdien heb ik verschillende motoren in mijn bezit gehad, waaronder een Suzuki GSX550EF. Ik houd van sportmotoren, dat kun je wel stellen.

Ik heb niet veel aan de motor veranderd. Wel heb ik de koppelingshendels vervangen, nadat de motor was gevallen. Verder heb ik er een elektronische stuurdemper op laten zetten en er zit een Akrapovic-uitlaat onder. Problemen met de motor heb ik nog niet gehad. Hij wordt vooral gebruikt voor plezierritjes. Ik zou er graag nog eens mee willen rijden op het circuit. Dat lijkt me machtig.

Voor mij is deze Suzuki GSX-R1000 wel een droommotor, al ben ik wel altijd aan het kijken naar andere motoren. Ik was een paar weken geleden nog in een motorzaak en daar stond de Ducati Panigale V4. Een andere droommotor. Zodra die als betaalbare occasion op de markt komt, sluit ik niet uit dat de Suzuki wordt ingeruild voor de Ducati. Of ik houd ze allebei, haha.’

Suzuki GSX-R1000

Hebbes: Aprilia RS 660 op de weg

0

De langverwachte Aprilia RS 660 ziet eruit alsof hij bijna in productie gaat. Dat zou je kunnen afleiden uit de foto die van een testmotor werd gemaakt.

De spyshot biedt niet veel nieuwe informatie. Dat komt ook omdat Aprilia altijd vrij open is geweest over z’n middenklasse sportmotor. Wat we nog niet wisten is dat de RS 660 ruimte biedt voor een duopassagier. De motor op de foto heeft een duozadel en voetsteunen. Op zich geen verrassing, maar wel goed om te weten.

Onze test van de Aprilia RS 660

Als je goed kijkt, zijn er nog een paar subtiele verschillen tussen de testmotor en de RS 660 die op de grote motorshows te zien was. Het achterlicht lijkt licht aangepast achterlicht, er is een andere achterschokbreker gemonteerd en een andere uitlaat.

Het lijkt erop dat Aprilia klaar is om van start te gaan. Dat betekent dat we waarschijnlijk tegen het einde van dit jaar de voltooide productieversie op de grote motorshows zullen zien. IJs en weder dienende… Hoe dan ook, de kans is groot dat de Aprilia RS 660 volgend jaar te koop is.

Moto Guzzi V90 TTR Concept van Oberdan Bezzi

1

De V85 TT is een grote hit voor Moto Guzzi en toont de gelukkige samensmelting tussen het retro van Moto Guzzi met de populaire ADV-motoren. Ook is de Moto Guzzi V85 TT een solide motor om mee te rijden en misschien een tikkie te allroad gericht. De Italiaanse ontwerper Oberdan Bezzi vindt dat eigenlijk ook en tekende de Moto Guzzi V90 TTR-concept.

Een 900cc 90° V-twin blok van 80 pk is sterk zat. Daar hoef je niets aan te veranderen. Maar het hart gaat sneller kloppen van Bezzi’s idee om de motor iets meer grondspeling en te voorzien van een 21″ voorwiel en 18″ achterwiel. De Dakar-geïnspireerde carrosserie is de kers op de taart.

Bezzi zegt dat zijn ontwerp ook een grotere brandstoftank bevat en het zadel is ontworpen voor meer ‘dirt bike’ grip met de knieën.

Nu de snavel van de voorkuip is verdwenen, krijgt de motor een heel andere uitstraling. Een beetje eerste generatie Yamaha TDM zelfs. Dus toch ook weer retro. Maar het bevalt ons wel. Moet Moto Guzzi de V85-lijn uitbreiden met deze versie?

FIM-dokters volop in strijd tegen corona

0
Foto: ANP

De FIM, de Fédération Internationale de Motocyclisme, krijgt nog weleens de wind van voren. En met regelmaat is dat ook nog eens terecht. Maar pas in crisis leer je iemand of een instantie pas echt kennen en dat is nu ook het geval.

Ruim twintig FIM-dokters hebben zich in hun thuisland namelijk in de strijd tegen corona geworpen. Van Australië tot Zweden en van Puerto Rico tot Nederland werken ze als dokter of medisch specialist, bijvoorbeeld in ziekenhuizen of op de ambulance.

“Namens de FIM wil ik graag zeggen hoe trots ik ben op de reactie van de motorwereld”, verklaart FIM-president Jorge Viegas: “Van wereldberoemde coureurs tot onze eigen FIM-officials levert iedereen op zoveel verschillende manieren een bijdrage.”

Volgens de FIM verdienen de 22 dokters, waaronder de Nederlander Pieter-Paul Vermeulen, daarbij een speciaal woord van dank. “Omdat ze de frontlinie vormen in deze moeilijke tijd en zelf risico nemen om anderen te helpen.”

De FIM-dokters maken ook deel uit van de medische commissie van de motorbond, die kijkt naar hoe de regels in de motorsport aangepast moeten worden om weer op een veilige manier te kunnen racen. Daarbij wordt speciaal gekeken hoe de mogelijke impact op de gezondheidszorg in de landen in kwestie zoveel mogelijk te beperken.

Suzuki TR750: De waanzin voorbij

0
Suzuki TR750

Wanneer een motorfiets vooral om zijn tekortkomingen beroemd wordt, weet je dat het iets bijzonders is. De Suzuki TR750 was op geen enkele manier perfect en zodoende was het een machine die in zijn hoogtijdagen de waanzin voorbij was. Of die waanzin naar huidige maatstaven stand houdt, ondervinden we vandaag.

Stel je even voor, het is begin jaren zeventig en je bent werkzaam bij een grote bandenfabrikant als plots de telefoon gaat. Aan de andere kant van de lijn klinkt de stem van één van slimme technische koppen van Suzuki. Hij vraagt of je werkgever zo snel mogelijk een aantal sets van de allerbeste racebanden die hij maakt richting Hamamatsu kan sturen, maar wel met de kanttekening dat er geen garantie is dat de banden publiekelijk zullen worden gebruikt. Overigens werd op dat moment door Suzuki schijnbaar ook met geen woord gerept over om welke machine het ging. Wat zou jij doen?

Suzuki TR750 Rijdend

Volgens de overlevering heeft bij elk bandenmerk van formaat in die tijd de telefoon geklonken, is die vraag gesteld en is er wel of niet geleverd. Details ontbreken compleet – het volledig ontbreken van enige vorm van garantie zorgde daar wel voor – maar zo wanhopig zou Suzuki dus om banden hebben gevraagd. Wat heet: bijna gesmeekt. De motor waarvoor de banden bestemd waren, zou niet veel later onder een aantal namen het voetlicht in worden gerold. Bij Suzuki heette het project intern RF, in de wandelgangen werd ook wel de naam F750 of de typeaanduiding XR11 gebezigd, maar naar de buitenwereld communiceerde Suzuki de naam TR750. In de volksmond werd deze waanzinnige racemachine al snel Flexi-Flier gedoopt. Met reden, overigens.

Roerige tijden

De Suzuki TR750 werd geboren in roerige tijden. Terwijl de Grand Prix een nog haast exclusief Europese aangelegenheid was, stond in Amerika een verschuiving van je welste te gebeuren. Gedurende de jaren vijftig en zestig werd de Amerikaanse racerij gedomineerd door Harley-Davidson. Deels kwam dat door het sentiment van de Amerikaanse coureurs en fans en de ietwat chauvinistische liefde voor ’s lands eigen motorfabrikant, maar voor een groot deel ook doordat de American Motorcycle Association (AMA) het merk uit Wisconsin vakkundig de hand boven het hoofd hield. De Daytona 200 was dan wel een race van wereldformaat, maar zoals de regels indertijd waren opgezet, zou het vooral een Amerikaans feestje blijven. De Harley-Davidson KR750 reeg namelijk de overwinningen aaneen, ook al waren de motoren doordrenkt met nostalgische en bijna aftandse technieken. De KR750 was een V-twin, maar wel één van het soort met zijkleppen en stoterstangen. Zelfs voor die tijd was die al behoorlijk gedateerd. Desondanks bleef Harley-Davidson de concurrentie voor, omdat de AMA Europese en Aziatische machines alleen toestond deel te nemen, als ze een cilinderinhoud van minder dan 500 cc hadden. In de officiële uitleg meldt de AMA dat concurrentie van motoren van Japanse, Britse en Italiaanse makelij oneerlijk zou zijn, omdat fabrikanten van buiten de VS racemotoren bouwden met bovenliggende nokkenassen. Ook waren kopkleppers oneerlijk veel krachtiger, aldus de AMA. Dat wil niet zeggen dat er – ondanks dat uitgekookt stukje protectionisme – er nooit niet-Amerikaanse motoren wonnen in de 750cc-klasse, maar gemakkelijk was het niet. In 1970 kwam er verandering in die regelgeving en stelde de AMA, in samenwerking met de FIM en de Britse motorbond ACU, een officiële en relatief open Formule 750-klasse in. Kort daarna ging er bij Suzuki in Hamamatsu een lichtje branden en al snel werd figuurlijk de eerste steen voor de TR750 gelegd.

Suzuki TR750 Detail Motorbloki

Van Waterorgel tot Flexi-Flier

Die eerste steen zou één van Suzuki’s meest geroemde motoren ooit worden, namelijk de Suzuki GT750. Onder het volk kreeg de GT750 al snel bijnamen als Waterorgel, de Fluitketel en de Waterbuffel. Zo’n grote tweetakt met vloeistofkoeling zou altijd polariseren en dat gebeurde dus ook. Het was bij de voorgaande T500 al gebleken dat grote tweetakten moeilijker koel te houden waren – inherent aan het tweetaktprincipe wordt er per omwenteling gemiddeld dubbel zo vaak ontstoken – met enkel luchtkoeling. Vloeistofkoeling lag al voor de hand, maar de zaken die bij vloeistofkoeling komen kijken, maken de motorfiets zwaarder. Behalve dat er vloeistof door het blok en langs de cilinders moet lopen, moet het namelijk ook ergens door worden rondgepompt en heb je logischerwijs een radiateur nodig. Tja, dan is het gewichtsvoordeel van de tweetakt plots een stuk minder interessant. Of je doet het meteen goed, zoals Suzuki beoogde met de TR750 en diens GT750-basis. Suzuki zette met de GT750 direct in op de concurrentiestrijd met Honda’s CB750, maar bleef trouw aan het tweetaktprincipe dat Suzuki het decennium daarvoor zo veel succes had opgeleverd. Het merk had de Oost-Duitse tweetaktgoeroe Ernst Degner weggepikt bij MZ en zijn haast eindeloze kennis van het tweeslagenprincipe ingezet om Suzuki in de racerij naar voren te stuwen. Geloof maar dat de TR750 daarop voortborduurde. Voor een ‘standaard’-motor als de GT was kon er namelijk al vrij veel als opvallend worden aangemerkt, met alleen al de krukas als voorbeeld. Natuurlijk, de GT750 had met zijn standaard vermogen van net geen 70 pk voor die tijd heel wat pit aan boord, maar om de toch al niet heel subtiel uitgevoerde krukas in liefst vier kogellagers in het carter te hangen, was op het eerste gezicht wat veel van het goede. Enkel op het eerste gezicht dan…

Suzuki TR750 Detail Carborateur
Vrij ademen doen deze Mikuni’s wel!

Barry Sheene en de Suzuki TR750

In de winter van 1972 naar 1973 wist Suzuki het voor elkaar te krijgen Barry Sheene los te weken van Yamaha, vanwaar hij op dat moment fabriekssteun genoot in de 250cc-klasse. De toen 22-jarige Sheene maakte zijn opwachting als fabriekscoureur in de nieuwe Formula 750-klasse, met als wapen een Suzuki TR750. De serie werd dat eerste seizoen een Europese aangelegenheid, met kampioenschapsraces in Italië, Frankrijk, Zweden, Finland, Groot-Brittannië, Duitsland en Spanje. Dat neemt niet weg dat de toen immens populaire Daytona 200-race in Daytona Beach in Florida één van de kersen op de taart van het racejaar was. Al zou Sheene figuurlijk bijna stikken in die kers.

Foto: Interactive Originals

In 1975 zou Sheene tijdens een privétest – tien dagen voor de Daytona 200 – bleek de toevoeging van een chicane vóór de banking onvoldoende geschikt voor de taak die het toegewezen was. Het circuit van Daytona was ruim zes kilometer lang, met een groot stuk van de ovale, enorm verkante Nascar-baan als onderdeel van het parcours. Het jaar ervoor bleken de snelheden namelijk gevaarlijk hoog, waardoor met name de banden over de limiet belast raakten. Sheene zou daar de wrangste van de vruchten van plukken. Chicane of niet, tijdens één van de trainingen hield de achterband van Sheenes TR750 het onder de immense krachten van het driecilinder-tweetaktblok voor gezien, met catastrofale gevolgen. Tot dat punt was de jonge Engelsman laaiend enthousiast over de TR, ondanks diens gewelddadige reputatie. Snel was de Suzuki zeker, met snelheden die de 300 kilometer per uur meer en meer naderden. Het moment dat Sheenes achterband uit elkaar viel, gebeurde kort nadat Sheene opschakelde naar de zesde versnelling, maar wat de exacte aanleiding was, is officieel nooit duidelijk geworden. De band hield nog wel lucht – dus van een klapband was geen sprake – maar het loopvlak was volledig losgekomen van het karkas.

Sheene ging naar verwachting ongeveer 270 kilometer per uur toen het achterwiel weggleed, gevolgd door een uiterst kortstondig moment dat de band weer iets grip kreeg, waarna Sheene als een lappenpop de lucht in werd geslingerd. De Engelsman brak een dijbeen, een sleutelbeen, twee ribben en een arm. Verder brak hij ook meerdere ruggenwervels en was zijn rug haast volledig ontdaan van huid. De Engelsman was met de klapper vooral fysiek door de mangel gehaald, maar hij bleek mentaal nog meer dan scherp genoeg. Toen een verslaggever vroeg hoe het voelt om met 180 mijl per uur van je motor te worden gegooid, reageerde hij naar verluidt snerend zoals alleen de Britten dat kunnen: ‘Hoe denk je zelf dat het voelt? Het deed verdomme zeer!’ Eén ding is zeker: als Sheenes carrière – of misschien wel zijn leven – daar, op het asfalt van Daytona, ten einde was gekomen, had niemand er raar van op gekeken. Wat hij vervolgens bij leven liet zien, was desondanks nog veel indrukwekkender. Een luttele zeven weken stond Sheene namelijk alweer aan de start bij de TT van Assen in de 500cc-klasse, waar hij prompt zijn eerste GP-overwinning in de koningsklasse pakte. De rest is geschiedenis, zoals ze zeggen, want in de seizoen 1976 en 1977 werd Barry Sheene de 500cc-Grand Prix-wereldkampioen met de Suzuki RG500. Die ene crash in maart van 1975, op die banking daar in Florida, had zijn sterfelijkheid onderstreept, maar hem gelijktijdig als motorcoureur in optima forma ook onsterfelijk gemaakt.

Esthetisch element

De TR die hier nu in ijskoude omstandigheden wordt warmgedraaid in de pitstraat van het TT Circuit Assen deelt die vier krukaslagers, evenals het horizontaal gesplitste onderblok, maar hoewel de GT750 ook al de bijzondere constructie van vloeistofgekoelde drie cilinders in één cilinderblok had, herken je hier een originele TR nog het snelst aan. De GT750 had – vooral omdat het publiek dat wilde – koelvinnen als esthetisch element, maar wat niet nodig is, ontbreekt op de TR. Waar koelvinnen zitten, zijn ze nodig, maar verder – zie de uitlaatkant van de cilinderrij – ontbreken ze. Logisch ook, want volgens de overlevering testte Suzuki de GT750 indertijd in zomerse omstandigheden in de woestijn in het westen van de Verenigde Staten. Zelfs in dergelijke snikhete temperaturen kregen de testrijders die Fluitketel niet aan het fluiten. Kortom; de Suzuki GT750 was in alle opzichten overbemeten om te kunnen worden gebruikt als zo mogelijk Suzuki’s meest waanzinnige racemachine ooit.

Wat vooral opvalt wanneer je rond de TR750 loopt, is hoe basaal de machine eigenlijk is. Sowieso is het een racemachine eigen dat niets zonder doel een plaats heeft, maar bij de TR lijkt dat tot in het extreme te zijn doorgetrokken. Het blok eist alle aandacht op en zelfs daar is de eenvoud niet te missen. Ja, het is in zijn absolute essentie een tot in elke vezel getunede GT750-krachtbron, maar flink aangepakt of niet heeft het toch een amateuristische air over zich. Hoe de blokdeksels gewoon weggelaten lijken te zijn vooral. Op de GT zat links de contactpuntenontsteking en rechts hing de dynamo aan het uiterste einde van de krukas. De TR heeft geen verlichting die stroom behoeft, dus de ontsteking is flink kleiner en nu nog enkel links terug te vinden. Voordelig qua gewicht, maar zeker ook de algehele breedte van de motor profiteert ervan. Relatief gezien is de TR750 een vrij grote racemachine – al komt dat hier deels omdat eigenaar Frits een boomlange vent is en de motor iets ruimer is gemaakt ten opzichte van het origineel – maar immens is de machine niet en voor zo’n beest als het zou moeten zijn, voelt de TR simpelweg smal.

Een eitje?

De draagbare starter wordt aangesloten en het achterwiel van de Suzuki neemt plaats tussen de rollen. In deze pitstraat, op deze ochtend, wemelt het van de BMW 3-series die na ons gezamenlijk een circuitdag hebben geclaimd, maar desondanks heeft het publiek van overwegend twintigers en dertigers plots geen oog – en oor – meer voor elkaars Beierse zes-in-lijns met achterwielaandrijving. Het blijkt dat wanneer één enkel achterwiel wordt aangedreven zelfs de jeugd de oren spitst. Althans wanneer dat het achterwiel van een Suzuki TR750 met ongedempte pijpen is. Eenmaal warmgedraaid volgt toch nog even de instructie waar je niet geheel tweetaktvreemde redacteur van dienst op hoopte. Koppeling immer dekken lijkt me duidelijk, maar verder is dit wel een beetje anders dan de kleine tweetakt waar ik ooit aan sleutelde en menig zomeravond Zuidoost-Brabant mee onveilig maakte. ‘Altijd de hand aan de koppeling en laat hem niet onder de 5.000 toeren per minuut komen, want dan slaat hij af en hebben we je niet zomaar weer op gang… Vooral omdat je waarschijnlijk ergens achterop de baan staat’, legt Frits’ bevriende man-met-de-gouden-vingers Henk me uit. Aangezien de toerenteller sowieso pas bij de vijf begint, lijkt het me een eitje. De waarheid haalt die overmoedigheid snel in. Nog voor ik enige gang heb, verstomt het tweetaktgeknetter al. Dat was al te gretig. Gelukkig staat de starter er nog en wordt er een tweede poging gewaagd. Van de plaats rollen – met flink wat gas ditmaal – is een feit, maar slechts een meter of tien later wordt de dikke driecilindertweetakt opnieuw stil en blijk ik toch nog functionerende trommelvliezen te hebben als Henk me lachend toeroept: ‘Niet onder de vijf, zei ik toch, slimmerik!’ Frits – inmiddels in zijn racepak, in de hoop dat hij zelf ook nog even het verlaten TT Circuit op kan – lacht nog oprechter: ‘Toen ik zei dat je een klein beetje rustig aan moest doen, bedoelde ik dat niet, hè!’ Blijkbaar wordt iedereen lollig van grote en zware tweetakt-Suzuki’s; je moet er iets voor over hebben!

Suzuki TR750 Pitlane

Blauw wolkendek

Met amper stuuruitslag keren we de TR om en keert het achterwiel terug op de rollen. Met de cilinders waarschijnlijk nog wat te vol halfverbrand mengsel duurt het iets langer voor de giftige snerp opnieuw over de Drentse hei weerklinkt. Ditmaal maar vertrekken onder het motto alles of niets, dus met veel vegen van de koppeling leggen we een blauw wolkendek door de pitstraat, terwijl de BMW-liefhebbers met ogen op pootjes tussen de plinten uit lijken te kruipen; uit elke box lijkt wel twintig man te komen rennen, alsof voormalig professioneel rijder van deze machine Alex George zelf de baan in rijdt. Dat machtige gevoel is een voorzet van wat volgt.

‘Trekkend de bocht door…’, klinkt in Frits’ stem door mijn helm, wat ik zeker in de eerste ronde dan ook vooral probeer te doen. De banden zijn van een soort waarvan ze begin jaren zeventig droomden, maar zelfs al staat de TR op modern Avon AM22-rubber, het drijfnatte asfalt van Assen wens ik liever niet van dichterbij te zien. Rust en kalmte zijn dus geboden. Alleen strookt rust bewaren en jezelf tot kalmte bedaren bepaald niet met de verhalen die de ogen passeerden toen ik me inlas over dit apparaat. De machine die Barry Sheenes carrière bijna beëindigde voor hij goed en wel begon – zie kader – rolt nu met mij over de verkante bochten van het Asser TT Circuit. Met vrees voor lijf en leden is het enige doel nu snelheid genoeg maken om de banden op temperatuur te krijgen zonder risico te nemen. De eerste knikken de nieuwe Noordlus door gaan prima, maar aanremmend voor de Strubben lijkt deze plots nog veel krapper dan eerder. Bij ongeveer 8.000 toeren per minuut zet de TR zijn tanden in de 18-inch-spaakwielen en sprint de driecilinder zijn powerband in, werd me gezegd – dat nog liever niet, als het even kan – maar onder de 5.000 toeren slaat hij dus af. Die marge is klein, maar bepaald niet fijn. Het raceschakelpatroon moet ook nog inbedden, dus bedachtzaam schakel ik ‘op’ om het eerste verzet weer aan te spreken en met de vingers aan de koppeling sleep ik de droge platen iets om de wijdst mogelijke draai door de Strubben te maken. Daar doorgekomen kijk ik de verte in, met als stip op de horizon een rood vlekje dat de pylon moet zijn die verraadt dat we vandaag de langzame Ruskenhoek op het menu hebben. De motor staat rechtop, wat kan me gebeuren? Het gashendel met drie trekkabels gaat achterover.

Manische huil

De verwachting van een waanzinnige powerband, die het frame tot een uit stalen buizen opgetrokken wokkel verwringt, de ketting strakker zet dan de spanners ooit zouden kunnen en vervolgens de banden opvreet alsof ze van boterkoek zijn, blijft uit. Hoewel dat in veel gevallen een domper zou zijn, is het hier – in de juiste context – een welkome verrassing. Indertijd was de TR berucht omdat vering, kettingen en banden dergelijke brute vermogens niet trokken, maar de tijd heeft sinds de jaren zeventig verre van stilgestaan en op moderne banden en met een hedendaagse ketting richting het achterwiel valt dat brute enorm mee. Zeg nu zelf, met ruim 100 pk zouden we de TR750 tegenwoordig als pittige middenklasser wegzetten. Neemt niet weg dat het afvuren van de TR Strubben-uit enkel als een waanzinnige ervaring kan worden omschreven. Heel even lijkt het blok zich te verslikken, terwijl de carburateurs gulzig een wat grote slok brandstof proberen om te zetten in paardenkrachten. Wanneer de naald vervolgens het rode stickertje op de toerenteller passeert, ademt de TR vrij van open inlaat tot open uitlaat met een waanzinnige en haast manische huil als gevolg. Zo bruut als de verhalen vooraf je zouden doen geloven, wordt het niet, maar zo rap als de driecilinder het achttienduims wiel rondslingert op weg naar de Ruskenhoek kun je er niet omheen: dit is speciaal. Met het afremmen voor de langzame versie van de Ruskenhoek wordt het tweetal tweezuigerklauwen voor het eerst aan het werk gezet. Hier is weinig moderns aan, met schijven die niet zweven en zonder perforatie hun werk dienen te verrichten. Boven verwachting hard duwen de aan de voorzijde van de poten gemonteerde klauwen het rubber in het asfalt. Voor blokkeren nog geen vrees, want de durf echt aan te zetten, ontbeert de rijder voor nu nog op de natte baan.

Suzuki TR750 Statisch

Dwars door de trommelvliezen

Twee rondjes kwakkelen later begint de racelijn droger te worden en te flirten met de toenemende moed. Vooral van start-finish tot aan de Stekkenwal blijven de billetjes samengeknepen, maar juist vanaf de Bult, door Mandeveen, Duikersloot en Meeuwenmeer naar de Ramshoek kan het gas nu meermalen tegen de stuit worden gezet, met momentjes dat het brute vermogen waar men in de geschiedenisboeken over sprak doorschijnt. Zelfs met oordoppen in gieren de brullende drie expansiepijpen dwars door de trommelvliezen. Dempers zijn aanwezig, maar veel dempen doen ze niet. Dat kost pk’s!

Droger en droger, harder en harder; de TR moedigt aan. Zeker langs de hoofdtribune, waar de immense tweetaktjank bijval krijgt van de echo tegen het tribunecomplex, wil je niet anders dan gas geven. De acceleratie van de motorfiets an sich is te bevatten, maar de manier waarop het blok zelf bij het naderen van de powerband gang maakt, is fascinerend. Tweetakten draaien op paardenkrachten, is de vuistregel. Geloof maar dat een grote tweetakt als deze koppel heeft, en niet zo’n klein beetje ook. Inmiddels wordt remmen ankeren en kan zelfs de Strubben over de racelijn worden gerond, maar het gevaar ligt op de loer nu de baan en het ondergoed van de rijder tegelijkertijd droger binnen te worden. De motor is inmiddels namelijk ook perfect op temperatuur en daarmee ebt de – bij een tweetakt sowieso beperkte – motorrem steeds verder weg. Mengsel wordt feilloos en hardhandig omgezet in snelheid, maar als het gas dichtgaat, blijft er dus ook weinig onverbrande benzine over. Met naar huidige maatstaven relatief veel gewicht verder naar achteren is de achterrem meer een must dan die op moderne sportmachines is. Wat dat betreft prijzen we onszelf gelukkig dat dit een voormalige motor van Alex George is en niet Barry Sheene, die leerde rijden op oude Britse machines en zelfs in zijn GP-tijd nog steevast met zijn rechtervoet wilde schakelen; hier gebeurt verzetten wisselen gelukkig gewoon zoals we gewend zijn op links. Over gewenning gesproken: met inmiddels bijna tien ronden gereden, begint de TR zich steeds bruikbaarder te manifesteren. De warme Avons happen gretig in het Asser asfalt en de drie cilinders lijken per ronde efficiënter te worden gevuld en geleegd. Nog altijd kan de klok gelijk worden gezet wat de powerband betreft en zolang je hem zo tussen de 8.000 en 10.000 toeren per minuut houdt, bedient de Suzuki je van snelheid in overvloed. Bruut? Het is te doseren!

Suzuki TR750 Pitcrew

Bruut stukje racegeschiedenis

Met die conclusie in de oren geknoopt komt vanaf de pitmuur het signaal dat het uit met de pret is. De TR rolt al voor de GT rechtsaf de pitstraat in, met een onmogelijk uitblijvende ontlading als logische uitkomst van het loslaten van dit brute stukje racegeschiedenis. Wat vooral bij zal blijven aan de Suzuki TR750 is dat het motorblok zelfs heden ten dage een heerlijk aan het gas hangende, smeuïge krachtbron is, maar dat vooral het rijwielgedeelte profiteert van moderne banden en een ketting die je niet elk moment als een soort stalen zweep om de oren zou kunnen vliegen. Door de tegenvallende weersomstandigheden heeft het flexibele karakter van deze Flexi-Flier zich niet geopenbaard, maar één ding is wel zeker: in de juiste context van zijn plek in de geschiedenis – zo gigantisch gretig als de vloeistofgekoelde driecilinder eraan trekt – valt zeker te begrijpen waarom dit zo’n overdonderend machtige machine moet zijn geweest. Toen, en zeker nu ook nog.