donderdag 23 april 2026
Home Blog Pagina 1130

Oproep: Marathonrijders

0

Voor de rubriek Marathonmotor in MOTO73 zijn we op zoek naar motoren met hoge kilometerstanden en eigenaren met mooie verhalen. De echte metermakers, de asfaltvreters en de door-en-door doorrijders, waar zijn jullie?

Ken jij of ben jij zo’n motorrijder die voor niets of niemand stopt met een motor die echt gemaakt is om flinke getallen op de teller te rijden? We maken trouwens ook met plezier ruimte op de bank voor motoren die totaal niet gemaakt zijn voor hoge kilometerstanden, maar ze desondanks wel hebben. Haast nog liever zelfs! Een vereiste is dat jij wel die kilometers zelf gemaakt moet hebben, want een motor met een astronomisch hoge kilometerstand kopen, dat kan elke Marktplaats-speurder. De echte afstandrijders zijn een volk apart, en dat volk zoeken we!

In het kort

Dus heb jij een motor met minimaal 50.000 kilometer op de klok? Stuur dan een e-mail aan redactie@moto73.nl. Vertel dan meteen in het kort wat over je motor. MOTO73 neemt, als je in aanmerking komt, contact met je op!

Wat willen we zoal van jou en je motor weten:
– Hoe lang heb je je motor al?
– Hoe veel heeft je motor gelopen?
– Hoe veel is er bekend van de onderhoudshistorie?
– Welk merk, type en bouwjaar is je motor?
– Welke herinneringen heb je aan je motor?

Foto’s Ital Dag 2019

1
italdag_2019

Tijdens de Ital Dag 2019 hebben wij tientallen motorrijders op de gevoelige plaat vastgelegd. De hele dag door heeft MotorNL fotograaf Jacco van de Kuilen motorrijders met hun geliefde motor gefotografeerd. Heb jij jezelf al gespot?

Mobitec breekt wereldsnelheidsrecord voor elektrische motoren

0
Mobitec

Een jaar na een ernstig ongeval in Bonneville, waar eerste coureur Kaz Mazutani crashte met een snelheid van 296,119 km/u, maar overleefde, deed Mobitec opnieuw een poging om de 200 mph- grens (321,868 km/u) te doorbreken. Daarmee zouden ze ruimschoots het FIM Electric Motorbike Land Speed World Record op hun naam schrijven.

Doorzetten

Mobitec slaagde met glans. Tijdens de jaarlijkse Bonneville Motorcycle Speed Trials op de Bonneville Salt Flats in Utah ging voor het eerst een elektrisch aangedreven motorfiets harder dan 200 mph. Daarmee schreef het Japanse team geschiedenis. Mobitec probeerde vijf jaar lang om zowel het bestaande record- in 2011 reed Chip Yates 181,608 mph (292,269km/u) – te breken als de 200 mph-barrière te doorbreken.

Op de Bonneville Salt Flats verbrak Mobitec ruimschoots beide records. Coureur Ryuhji Tsurata behaalde in de eerste run een snelheid van 329,318 km/u. Tijdens de noodzakelijke tweede run kwam de waaghals tot 329,085km/u. En daarmee kwam het wereldsnelheidsrecord in handen van Mobitec.

Categorie 300 kilo+

Het wereldrecord werd gereden in Categorie 1 – Groep A1 – Divisie A – Type VII. In deze categorie moet een tweewieler worden aangedreven door elektriciteit, is een stroomlijn niet toegestaan en moet de coureur zichtbaar zijn. Voertuigen in deze klasse vallen in de gewichtscategorie 300 kg+.

 

Sportweekeinde: Sport anders bekeken

0
Lewis Hamilton (foto: ANP)
Lewis Hamilton (foto: ANP)

Elke maandag bespreekt Marien wat hem opviel in het afgelopen sportweekeinde. Verwacht geen raceverslagen, maar wel een andere kijk op de actualiteit.

Valentino Rossi, Maverick Vinales, Bo Bendsneyder, Jorge Lorenzo en ga maar door en ga maar door. Het zijn allemaal coureurs die de afgelopen weken (tot maanden en soms zelfs jarenlang) door toetsenbordcoureurs volledig de grond ingeboord worden. Te langzaam, te oud, te slecht, te krakkemikkig. Het maakt sofaracers niets uit, zolang ze anderen maar kapot kunnen tikken. Ik moest direct aan ze denken toen Lewis Hamilton vanaf Spa-Francorchamps reageerde op het verschrikkelijke Formule 2-ongeluk waarbij de Fransman Anthoine Hubert afgelopen zaterdag om het leven kwam.

Verkeerde plek

Net als Marco Simoncelli, Shoya Tomizawa, Andrea Antonelli, Craig Jones en helaas heel veel andere coureurs, was Hubert precies op het verkeerde moment op de verkeerde plek. Je hebt de beelden vast wel gezien. En zo niet, houden zo zou ik zeggen.

Helemaal mis

‘Als jullie genieten van deze sport, maar daarbij ook maar één seconde denken dat wat wij doen veilig is, dan hebben jullie het helemaal mis. Alle coureurs zetten hun leven op het spel wanneer ze racen. Mensen zouden dit meer moeten waarderen op een serieuze manier, want het wordt niet genoeg gewaardeerd’, aldus Hamilton in rake woorden.

Oordeel

Natuurlijk weet ik heel goed dat coureurs er zelf voor kiezen en heel goed weten wat de risico’s zijn en die risico’s ook accepteren, maar lees de woorden van Hamilton nog een keer en oordeel dan nog eens over bijvoorbeeld Jorge Lorenzo…

Tien keer de wereld rond op de Guzzi

0

Je hebt van die kerels die thuis een taaie strijd moeten leveren voor de aanschaf van een motor. Gerard l’Amie niet. Deze Guzzi-freak praatte zijn vrouw er gewoon ook een aan. En hij heeft nog een paar ‘bekeerlingen’ rondlopen in de omgeving van Leiden.

Tekst Olivier Visser, foto’s Chris Pennarts

We waren gewaarschuwd door een van zijn kameraden: Gerard praat vijf kwartier in een uur. Het onderwerp: bij voorkeur Moto Guzzi.

Zijn levensgeluk huist in zijn schuurtje, een Guzzi-tempeltje, met een Norge en een California III. De laatste heeft 140.000 kilometer op de teller. De Norge schiet ook lekker op, want deze Guzzi diehard is jaarlijks goed voor dik twintigduizend kilometer. ‘Ik schat dat ik ruim 400.000 Guzzi-kilometers in de benen heb. Stapelgek ben ik van die apparaten, sinds ik op mijn zestiende in een motortijdschrift een V7 Sport onder ogen kreeg. Ik heb van alles gereden, maar iets anders dan Guzzi komt er niet meer in. In mijn vriendenclub heb ik allemaal Guzzi-rijders om me heen. Eentje rijdt Duc, eentje een motor met hangtieten (BMW, red.). Voor de rest is het Guzzi wat de klok slaat. Die heb ik ze aangepraat. Allemaal.’

Elk jaar gaan we met dat clubje een buitenlandse rit maken. Overdag lekker sturen en ’s avonds met een biertje slap ouwehoeren. Schotland en de Dolomieten hebben we de afgelopen jaren gedaan. Voor komend jaar staat de Noordkaap op het programma. Twee weken sturen.

Honderd op de brommer

‘Van brommers die dik honderd liepen, ben ik overgestapt op de motor. Eerst anderhalf jaar zonder rijbewijs gereden. Daarna ben ik zonder lessen afgereden. Honda, Yamaha, Suzuki, ik heb ze allemaal gereden, maar het was niks. Pas op de Guzzi was ik helemaal gelukkig.

In het motorclubje was ik niet de allervlotste. Vooral in de bergen hield ik de andere knapen niet bij. Ze tuurden altijd in de spiegel of ik er nog wel achter hing. Met de Norge is dat over. Stuurt fantastisch. Maar kaartlezen kan ik niet, dus rijd ik nog altijd achteraan. Daar kan ik alles mooi in de gaten houden.

Ik ben niet zo’n type dat weken van te voren een rit tot in detail regelt. Ooit ben ik naar Como gereden, Dat kwam spontaan op. Gewoon opgestapt, hele dag sturen en de volgende dag terug. Mooi, he?

Stamtafel

‘Met sleutelen ben ik terughoudend. Ik ben er te onzeker voor, zeker als het om de binnenkant van het motorblok gaat. Als het misgaat lig je languit op het asfalt.

Rijden is niet het enige motorgenot. In dit schuurtje kan ik dágen doorbrengen. Peuk, snorrend kacheltje en maar genieten van de motoren. De buurman doet ook graag mee. Door gezondheidsproblemen is hij afgestapt. Maar voor een motorpraatje is hij altijd in. Hij heeft een er een stamtafel voor in zijn schuurtje staan. Leuk buurtje, hier.’

 

 

 

 

Col d’Agnel: Vergeten pas op 2.744 meter

0

Col d’Agnel vormt een oude, bijna vergeten verbinding tussen de Franse streek Queyras en het Italiaanse Piemonte. Exact op de grens ligt het hoogste punt: 2.744 m. Daarmee is de Col d’Agnel de vierde hoogste Alpenpas.

Maar als je begint in het ouderwetse Saint-Véran kun je toch een paar eerste plaatsen scoren. Met zijn ligging op 2042 m is het dorpje bijvoorbeeld de hoogstgelegen gemeente van Europa. Le Chateau Renard, aan de rand van het dorp, is het hoogste dorpsrestaurant van Europa. En daar kun je het lekkerste ijs van Frankrijk krijgen. Grijs dennenijs. Alleen al daarvoor zou ik nog eens terug willen naar de Queyras.

Pizza’s brengen

Saint-Véran heeft nog topper. Boven het dorpje ligt op 2990 m een sterrenobservatorium, bij Pic de Chateau Renard. En daar loopt een onverharde weg naartoe – een van de allerhoogste van de Alpen. En toch is het zo goed als onbekend, want de weg – nou ja, het paadje – mag alleen met speciale toestemming worden bereden. Ik dus naar de burgemeester. Maar mijn genereuze aanbod om met de GS pizza’s naar het observatorium te brengen, wijst hij af. Nadat ik te voet een stukje van het pad heb verkend, vind ik dat niet zo heel erg. Een kilometer na de slagboom ontaardt het pad in een chaos van keien, gaten en diepe watersporen.

Terug bij de slagboom komt een jongetje van hooguit tien jaar op een trialbike aangereden. Even denk ik dat hij de over het gras langs de slagboom zal gaan. Maar dan opeens maakt hij een scherpe bocht naar links en rijdt hij pardoes de berg op. Niet over een pad, maar in een rechte lijn naar boven. Hellingspercentage? Veertig procent, schat ik. De lussen van het pad doorkruist hij simpelweg en in een minuut of tien bereikt hij de top. Nadat ik bij de burgemeester een verzoek tot strafrechterlijke vervolging van die kleine etter heb ingediend, begin ik maar aan de Col d’Agnel.

Dromerig landschap

De meeste passen worden boven de twee kilometer grimmig en ruig, maar de Franse kant van de Col d’Agnel oogt eerder zachtaardig en dromerig. Geen scherpe kale rotsen, spelonken en gletsjers, maar een breed dal met stompe hellingen, die zijn bedekt met lichtgroene en -bruine grassen – wat erop wijst dat de Queyras een droog en zonnig klimaat heeft. Dat doen de vele zonnewijzers die je hier ziet ook, maar dat terzijde.

Het asfalt slingert slingert mooi, maar zonder veel drama door de weidse, zeer rustige vallei. Pas in de buurt van de top, die naast de Pain de Sucre (3208 m) ligt, zijn er wat pittige haardspeldbochten en stijgingen tot 16 % nodig om uit het dal te komen.

Bovenop, waar de grensovergang naar Italië ligt, verandert het karaker. Opeens zie je dichtbij de ijzige top van de Monte Viso, die met zijn 3841 m ver boven alles uitsteekt. En de weg duikelt twee keer zo snel naar beneden als hij aan de Franse kant omhoog ging. Rijtechnisch is het door de vele bochten uitdagender.

Het hoogtepunt wordt gemarkeerd door een simpele steen, een oriëntatietafel en een kleine parkeerplaats, die zelfs op deze mooie augustusmiddag half is gevuld. Je vindt hier niets van het circus van sommige andere hoge passen. Zelfs de herhaalde opname in het routeboek van de Giro d’Italia van de laatste jaren, lijkt de belangstelling voor de col nauwelijks te hebben vergroot.

Ouderwets Italiaans

Als je nog even niet wist welk land je na de top bent binnengereden, neemt het eerste dorpje alle twijfel weg. Chianale heet het – net als een oud motormerk uit Cuneo – en het heeft een chaotische gezelligheid die alleen maar Italiaans kan zijn. Smalle straatjes, oude, rommelige huizen, wasgoed aan het balkon, bewoners op straat, Italië 1949. Maar waarschijnlijk zijn het vooral toeristen en stedelingen met een tweede huis die hier zo lekker ouderwets Italiaans doen, want volgens de statistieken wonen hier en in de volgende zeven dorpjes bij elkaar slechts tweehonderd mensen. Een fractie van de 1500 van een eeuw geleden.

De Col d’Agnel is er duidelijk niet in geslaagd dit prachtige gebied aan de vergetelheid te ontrukken. Eigenlijk wel prettig, want vooral op het asfalt van een bergpas geldt: hoe minder zielen, hoe meer vreugd.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Alpentoppen.GPX”]

 

Voor jou getest: Spidi Super-R jack

0
Spidi Super-R jack

Elke zaterdag lees je een recensie over producten die we uitproberen bij het rijden van onze talloze testkilometers.

Een los leren motorjack met een vrij gortige prijs van ruim over de 500 euro. Dan moet het ook wel wat zijn. Als je een sportief jack op het oog hebt, kun je stellen dat de Spidi Super-R zeer zeker een goede optie is. Voor dat geld krijg je wel wat. Zit wel een enorme ‘maar’ aan die stelling, want de Super-R is helemaal anders dan anders en daar moet je van houden. Door de bank genomen is het gekozen asymmetrisch design het belangrijkste dat het jack anders maakt. Ook in de details komt de alternatieve aanpak terug. Er is een zwart met witte versie en een rood met zwarte, maar deze rood-wit-blauwe springt er nog het meeste uit.

Kwaliteit

Genoemde details doen hem vooral goed als het op kwaliteitsgevoel aankomt. Het leer is vanaf dag één gigantisch soepel en de gebruikte bescherming volgt de lijnen van wat Spidi haar MotoGP-rijders aanmeet. Neem bijvoorbeeld de schouderbescherming en zelfs elleboogsliders. Daarnaast zijn veel van de logo’s gestikt in plaats van gelijmd of gestanst, wat je echt het gevoel geeft met iets speciaals op pad te zijn.

Geen rugprotector

In praktische zin heeft de Spidi Super-R helaas geen binnenzakken. Wel heeft het twee zakken aan de zijkant en een op de rechterborst. Het maakt het jack wat spartaans van uitrusting. Het is bijvoorbeeld wel voorbereid op een backprotector, maar de protector zelf is dan weer optioneel. Behalve genoemde asymmetrische kleurstelling is met name het stretchpaneel in het midden van de rug opvallend anders. Qua comfort werkt het perfect en geeft het meer dan voldoende bewegingsvrijheid. Overigens rits je met gemak een riemlus aan het jack om het te combineren met jeans. Zelfs een leren broek eraan ritsen om er een tweedeling racepak van te maken is simpel.

Product Spidi Super-R
Prijs € 549,90
Maten 46 tot 58
Kleuren Zwart-wit, zwart-rood, zwart-rood-wit-blauw
Verkrijgbaar Ten Kate Motoren (Nieuwleusen, Ov), Termaat Motoren (Nijmegen, Gld) Van Gerven Motoren (Bergeijk, NB)
en Kobutex (Buitenpost, Fr) meer informatie op www.spidi.com

Dit zijn de nieuwste Bond-motoren

0
Triumph Bonneville Bobber Black Ducati Scrambler Desert Sled James Bond No Time to Die

Er wordt momenteel hard gewerkt aan het filmen van de nieuwste James Bond film. Momenteel zijn er opnamen in het plaatsje Matera dat onderin de Italiaanse laars ligt. En ja, filmen in het vakantieseizoen onder toeziend oog van vele toeristen geeft mooie kiekjes waarop een glimp van de inhoud van de film al valt te herleiden! Wij ontdekten een aantal gloednieuwe motorfietsen die erin mogen figureren. Dit zijn de aankomende Bond-motoren!

Auto’s

Dat de auto’s in James Bond-films altijd de meeste aandacht kunnen genieten is al sinds jaar en dag een feit. De Aston Martin DB 5 is misschien wel de grootste ster uit de 24 films die inmiddels zijn gemaakt. Toch zijn er ook een hele rits aan gave motorfietsen die dienst doen in de filmreeks. Vaak zijn het een aantal achtervolgende slechteriken die op twee wielen een razende Bond proberen bij te houden. Op een of andere manier loopt het nooit al te best af met die figuren.. Toch zwaait ook de geheim agent zelf soms zijn been over het zadel. In Skyfall reed Bond over de Turkse daken in Adana op een Honda CRF250R. Een van de gaafste scènes in de film misschien wel is wanneer hij met die machine door het dakraam van een bazaar springt. Hieronder zie je de voorbereidingen voor die stuntscène.

Ducati en Triumph

Op het internet ontdekten we foto’s die tijdens de opnames van de nieuwe film zijn gemaakt. In de film die No Time to Die gaat heten, leveren in ieder geval Ducati en Triumph motoren. De Triumph die we op foto’s van jamesbond.nl zagen is een Bonneville Bobber Black met het verhoogde stuur uit het standaard Triumph accessoirepakket voor de Bobber. De Ducati die gebruikt wordt in een achtervolging – foto hieronder – met de Aston Martin DB5 is een Scrambler Desert Sled.

Ducati Scrambler Desert Sled chasing Aston Martin DB5 in Italy during filming of James Bond No Time To Die in Matera Italy Foto: © Ansgar van Treeck, via Instagram

Of de twee motoren tegelijkertijd in beeld komen zal gissen blijven tot de film uitkomt in april 2020. Maar mocht het tot een achtervolging komen dan zal 007 hoogst waarschijnlijk plaatsnemen op de Triumph. Een schurk mag dan de Ducati besturen. Zo’n Brits icoon als James Bond zal toch nooit een ander Brits icoon als Triumph te kakken zetten door ermee van een klif te rijden?

Foto’s: Triumph Motorcycles en Ducati

Dnepr KMZ MV-750: een stukje geschiedenis op een veiling

0

Gebaseerd op de BMW R71, vocht de Dnepr KMZ MV-72 tijdens de Tweede Wereldoorlog. Nu wordt een exemplaar geveild door RM Sotheby’s, voor een relatief lage prijs.

Een militaire motorfiets is geen alledaags verschijnsel op straat, laat staan op een veiling. Het is niet elke dag dat je een militaire motorfiets tegenkomt op straat of zelfs tijdens veilingen. Maar vandaag of morgen slaat RM Sotheby’s een mooi exemplaar van de Dnepr KMZ MV-750 af. De Rus – of eigenlijk Sovjet-motor – stamt uit 1971 en werd gebouwd volgens de volledige militaire specificaties. Dus met inbegrip van anti-reflecterende olive drab, plaats voor drie soldaten, een stalen doos voor onderdelen, aangepaste koplamp, bescherming voor de benen en een reservewiel op de achterkant van het zijspan.

De Dnepr KMZ MV-72 is vooral gebruikt voor het vervoeren van berichten of voor verkenningen aan het front. De Dnepr heeft een 750 cc boxerblok, 100cc meer dan voorgaande modellen. Het zwaardere blok heeft meer vermogen en koppel. En dat is vooral nuttig op slechte wegen.  De Dnepr word afgeslagen zonder minimumprijs. De gelukkige koper zal tussen de 7.000 en 10.000 dollar €6.000-9.000) kwijt zijn voor de Dnepr. En dat is niet slecht voor zo’n stukje geschiedenis.

Nazi-Duitsland

Nu we het toch over geschiedenis hebben: de oorsprong van de Dnepr KMZ MV-72 ligt voor de Tweede Wereldoorlog. In 1940 besloot BMW dat de toenmalige Sovjet-Unie de R71 in licentie mocht gaan bouwen. In die tijd hadden Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie elkaar zo nodig dat ze besloten elkaar niet aan te vallen (Molotov-Ribbentrop pact). In 1941, nadat Duitsland de Sovjet-Unie was binnengevallen (Operatie Barbarossa) lagen de verhoudingen natuurlijk anders.

De Dnepr KMZ MV-72 had een belangrijke rol voor het Sovjet-leger, zowel tijdens de Tweede Wereldoorlog als in de jaren erna. De combinatie bleek heel flexibel in te zetten tijdens operaties. Het was in staat grote hoeveelheden wapens en goederen te vervoeren en was snel inzetbaar op het slagveld.

De motor onderging in de jaren dat ie in productie was verschillende wijzigingen. De genoemde MV-750 is het laatste model uit een hele serie. Vergeleken met het origineel uit de jaren veertig is er een modernere achterbrug gemonteerd en heeft de motor gewone vering in plaats van plunjervering.

België: IJzeren Rijn

1

Zo’n 15 jaar geleden dreigde een confrontatie tussen Nederland en België over de IJzeren Rijn. Oorzaak was de Betuwelijn, die na vele jaren vertraging – en budgetoverschrijding – gereed kwam. België herinnerde Nederland er aan dat er nog zoiets als een afspraak bestond. En als die was nagekomen was de Betuwelijn volledig overbodig geweest. Lange tijd was het stil rond de IJzeren Rijn. Tot begin dit jaar de discussie weer opvlamde. Onderstaand het artikel dat we in 2004 in Promotor publiceerden. Het tracé van de IJzeren Rijn was de rode draad. De route die erbij staat, hebben we inmiddels aangepast.

In 1879 werd de IJzeren Rijn geopend. Deze spoorlijn verbond de Antwerpse haven direct met het Duitse Ruhrgebied. Vanaf 2003 wordt er gesteggeld of de in 1991 opgeheven verbinding weer gereactiveerd zal worden en onze Betuwelijn concurrentie gaat aandoen. Niet iedereen is daar blij mee.

Yop Segers

Startpunt van de toer is het Antwerpse Centraal Station. Ik laat mijn Honda na de rit over de autostrada uitblazen op het trottoir van het Koningin Astridplein en kuier even de protserige spoorwegkathedraal binnen die hier tussen 1895 en 1905 werd gebouwd. Hoogste opdrachtgever voor dit nieuwe station, of zoals Vlamingen zeggen ‘de statie’, was de Belgische koning Leopold II. Deze monarch had kapitalen verdiend in Belgisch-Kongo dat hij tot zijn dood in 1908 als een privé-kolonie zou bestieren. Met dat geld liet hij in België vele openbare werken uitvoeren, zoals de uitbreiding van de Antwerpse haven en ook de bouw van dit Centraal Station. De stijl werd natuurlijk de neobarok die de monarchale macht en rijkdom uitstekend kon verbeelden met een overdaad aan decoratie. Wel twintig soorten marmer warden gebruikt.

Over de Quinten Matsijslei rij ik richting de wijk Zurenborg. In deze deftige woonwijk uit eind 19de eeuw wordt de Honda getrakteerd op hobbelige kasseien. De telescoopveren doen hun werk op de kinderkopjes, maar zo nu en dan moet wel even van het rechte pad worden afgeweken om de zaak overeind te houden en voelt het aan of mijn milt via de slokdarm omhoog wil kruipen. De wijk Zurenborg dankt zijn naam aan het landgoed Zurenborg dat vroeger aan de rand van Antwerpen lag. Juist ten zuiden van dit landgoed sluit de IJzeren Rijn aan op de spoorlijn Antwerpen – Mechelen – Brussel die al in 1853 was aangelegd. Op dit kruispunt van spoorverbindingen wilden de eigenaren van het landgoed Zurenborg, de heren Eduard Osy en John Cogels, eerst een goederenstation met industriegebied aanleggen. Toen ze in 1880 echter vaststelden dat de Antwerpse bevolking zeer snel groeide, gooiden ze het roer om en begonnen er huizen te bouwen voor de gegoede burgerij. Dat werd een winstgevende onderneming en de wijk kwam vol te staan met riante herenhuizen die een kakofonie van bouwstijlen laten zien. Jugendstil, art nouveau, neoclassicisme, neogotiek, neobarok, je kan het op de Cogels Osylei en haar zijstraten allemaal aantreffen. Zurenborg is nu dan ook een beschermd stadsgebied.

Lierke Plezierke

Even later toer ik lijzig over de kaarsrechte N10 richting Lier. Ik hou de speedometer voortdurend in het oog omdat het aantal flitspalen langs deze weg werkelijk ontzagwekkend is. Opletten dus! De N10 is een optocht van huizen, garages, supermarkten, showrooms, benzinestations en kleine bedrijven. Het landschap ziet eruit of iedereen maar wat rotzooit. De lintbebouwing die vanaf de jaren zestig van de 20ste eeuw oprukte is een ratjetoe van verschillende stijlen, vormen en afmetingen. Je bouwt wat je wilt waar je wilt. De openbare ruimte in Vlaanderen is volgestouwd waardoor onder meer de oppervlakte van beschermde natuurgebieden in België tientallen malen kleiner is dan in Nederland. Daartegenover staat dat men geen last heeft puriteinse architectonische kaalheid en esthetische dictaten van welstandsarchitecten. De rommelige aanblik van de overal aanwezige lintbebouwing moet je daarbij op de koop toe nemen. En zeg nou zelf, op zo’n heerlijk dag als vandaag – de zon blèrt inmiddels vinnig aan de hemel en de thermometers zullen vandaag overuren maken – lijkt het hier in het Vlaamse bijna of je op Route 66 door Oklahoma of Nevada cruist. Ik rij Lier binnen langs het zojuist gerestaureerde treinstation van de IJzeren Rijn. Het is eind 19de eeuw opgetrokken in neoklassieke stijl en heeft een prachtige symmetrie: in het midden de aankomst- en vertrekhal met aan weerszijden twee identieke kleinere vleugels. In de rechtervleugel is een ouderwets gezellig café ondergebracht. Zoiets kom je in Nederland niet meer tegen. Bij ons moet je door de zucht naar efficiency al blij zijn een lokettiste aan te treffen, laat staan dat je op een kleiner station een biertje, een kop koffie, een croque-monsieur of overheerlijke garnalenkroketten kunt bestellen. In België is dat de normaalste zaak van de wereld.

Het middeleeuwse stadje Lier telt zo’n 32.000 inwoners en na verhouding een groot aantal cafés. Dat is de reden waarom het ook wel ‘Lierke plezierke’ wordt genoemd. De Lierenaars zijn altijd een apart volkje geweest. Toen ze op een gegeven moment de keuze hadden tussen een universiteit en een beestenmarkt, kozen ze voor het tweede, wat hen meteen de spotnaam ‘schapenkoppen’ opleverde. Ik stuur de Honda door het stadscentrum, via de Grote Markt met zijn rococo-stadhuis en fraaie gildenhuizen, en langs het riviertje de Nete naar het Zimmerplein. Daar wordt het Japanse vernuft op de bok gezet en vlij ik zelf neer op een van de vele terrassen. Onder het ‘wegborrelen’ van een bolleke ice-tea bekijk ik de vreemde toren op de kop van het plein. Deze Zimmertoren, vroeger onderdeel van de stadsversterking, is versierd met de Jubelklok van Louis Zimmer, een astronomisch uurwerk van 4 meter hoogte met dertien wijzers. Vlak bij ligt verscholen achter een poort ook het middeleeuwse begijnhof. In ruil voor de belofte van kuisheid en godsdienstoefening kregen de talrijke weduwen en wezen van de kruistochten, voor wie geen plaats meer in de overvolle kloosters was, het recht om een religieuze gemeenschap te vormen, echter zonder de plechtige gelofte af te leggen. De begijnen deden aan ziekenzorg, onderwijs en namen de opvoeding van jonge meisjes op zich.

Sahara en Siberië

Even later worden de 750 cc’s weer aangesproken en snor ik langs de spoorrails door de plaatsen Kessel en Nijlen. Dit laatste oord wordt zowat in tweeën gesplitst door de IJzeren Rijn. Ik denk dan ook dat de bewoners nu niet bepaald staan te juichen als hier binnenkort dagelijks weer tientallen goederentreinen doorheen denderen. Achter Nijlen gaat de rit voorwaar door wat dichter loof. Maar pure natuur is ver te zoeken of je moet doelen op de vele relaxclubs en sekspaleizen die de weg naar Herentals een speciale appeal geven. Hoewel Herentals een fraai stadhuis met belfort (een civiele toren met luidklokken) en een begijnhof bezit – het was ooit de hoofdstad van de Kempen – heeft het in baksteen gebouwde spoorwegstation duidelijk minder allure dan dat van Lier. Vervolgens toer ik door de dorpjes Sint-Jozef-Olen, Onze-Lieve-Vrouw-Olen en Larum de spoorlijn Antwerpen – Mönchengladbach achterna. Bij dit eerste plaatsje ligt ingeklemd tussen de spoorrails en het Herentals-Bocholtkanaal het industriecomplex van Union Minière, een fabriek van non-ferrometalen dat zijn ertsen nog steeds uit Zaïre, het vroegere Belgisch-Kongo, betrekt.

De volgende halte aan de IJzeren Rijn is Geel. Deze stad staat sinds mensenheugenis bekend om de opvang en verzorging van geestelijk gehandicapten, waarvan een groot deel wordt verzorgd en opgenomen in plaatselijke gezinnen. Het hoe en waarom van deze traditie kun je aanschouwen in het Sint Dimpna- en Gasthuismuseum. Je vindt dit museum (open april t/m september; woensdag, donderdag en zondag van 14.00 tot 17.00 uur) op de weg naar Mol. In het centrum van Mol, een anoniem stadje dat bij de Belgen vooral bekend staat om zijn grote recreatieplassen en campings, stuur ik de Honda richting Balen en laat de IJzeren Rijn even alleen achter. Via het gehucht Kerkhoven bereik ik na een tijdje het grootste Duitse Soldatenfriedhof van de Tweede Wereldoorlog.

Midden op de heide liggen hier, ten zuiden van Lommel, meer dan 39.000 gesneuvelden begraven. Je komt de dodenakker binnen via een erehof met crypte en dan zie je een indrukwekkend maar ook triest panorama: er is één kruis geplaatst voor twee gesneuvelden zodat er op het 16 hectare grote kerkhof dus bijna 20.000 identieke kruizen staan. De Amerikaanse gravendienst heeft de gevallenen verzameld op de slagvelden rond Aken, in het Hürtgenwoud en bij het bruggenhoofd Remagen. Na dit sombere intermezzo zoek ik de IJzeren Rijn weer op bij Lommel. Dit dorp behoorde tot 1839 bij Nederland maar werd in dat jaar ingeruild voor de noordelijker gelegen gemeente Luyksgestel. Daarna zijn de zusterdorpen Overpelt en Neerpelt aan de beurt. Het boerendorp Overpelt veranderde ingrijpend toen in 1888 de Duitse industrieel Wilhelm Schulte er langs de IJzeren Rijn met de productie van arseen en zink begon. Later kwamen daar nog zwavelzuur, superfosfaat en een loodwalserij bij. Je zult begrijpen dat deze industriële bezigheid nogal wat verontreiniging meebracht. Het fabrieksterrein werd al snel Siberië genoemd omdat er niets meer wilde groeien en de aanblik kreeg van een Russische toendra. Ook de omliggende natuur ging naar de knoppen. Grassen, struiken en bomen werden nagenoeg vernietigd door de uitstoot van zware metalen waarna de wind de rest deed, en in relatief korte tijd had je een woestijn bij Overpelt. De inwoners gaven dit gebied de bijnaam Sahara.

Hoewel bijna alle fabrieken inmiddels zijn gesloten – slechts een kleine vestiging van Union Minière is gebleven – heb je als je rond Overpelt toert nog steeds het idee dat je in een zand- en duinenlandschap rijdt. Wat verder rij ik in Neerpelt langs de ‘statie’ waar je ’s morgens om 4.34 uur nog steeds op een dieselboemeltrein naar Antwerpen kunt stappen. Het is een mooi neoclassicistisch gebouw, met witte pilasters en geel gepleisterde muren… en natuurlijk zo’n gezellig stationscafé. In 1960 sloot de NMBS de lijn tussen Mol en Neerpelt om ze in 1978 weer te openen. Neerpelt is dus een eindstation. Wel wordt het aansluitende stuk tot het Nederlandse Budel en Weert enkele malen per week voor ertsvervoer naar de zinkfabriek Pasminco gebruikt.

IJzeren Nein!

Bij Hamont-Achel bereik ik de grens en mag mijn Honda weer Nederlands asfalt proeven. In 1914 werd de IJzeren Rijn hier met betonblokken gebarricadeerd omdat Nederland in de Eerste Wereldoorlog neutraal wou blijven. Ook liet onze regering, om de stroom vluchtelingen uit het bezette België in te dammen, hier langs de grens een elektrische afrastering met 220 Volt plaatsen; de Berlijnse muur en het IJzeren Gordijn waren dus niet de eerste barbaarse grensafbakingen in Europa! Even onder Budel stuif ik naar het nabijgelegen Budel-Dorplein om een merkwaardig stukje industriële architectuur te bekijken. Hier bouwde de Luikse fabrikant Lucien Dor vlak langs de IJzeren Rijn in 1892 een zinkfabriek. Naast zijn bedrijf stichtte Dor het naar hem genoemde arbeidersdorpje Place Dor, later vernederlandst tot Dorplein. Je ziet de grote directeursvilla in het midden, daaromheen de ruime huizen van de heren ingenieurs en opzichters en aan de buitenkant arbeiderswoninkjes. De Kantine, een groot somber gebouw met het aanzien van een klooster, deed dienst als onderkomen van de arbeiders die geen huis hadden in het dorp. De zinkfabriek, nu Pasminco geheten, is nog steeds in bedrijf.

De ontdekkingstocht naar de IJzeren Rijn gaat verder over de Lozerheide en de zandvlakten van de Budeler Bergen. In Weert gaat de rit langs het in 1913 gebouwde NS-station, een vreemd gebouw waarbij de perrons op een hoger gelegen talud zijn gesitueerd. Eén jaar eerder was de nieuwe lijn Eindhoven – Weert gereedgekomen die in de laatste plaats dus aansloot op de IJzeren Rijn. Tussen Weert en Roermond wordt de oude IJzeren Rijn nu druk gebruikt als onderdeel van de Intercityverbinding Eindhoven – Maastricht. Voordat ik over de Maasbrug de Limburgse domstad binnen rij, wordt eerst nog een bezoek gebracht aan het dorpje Horn dat sinds de 13de eeuw wordt bewaakt door een imposant kasteel. Meteen kan ik dan ook een kiek schieten van de spoorbrug bij Buggenum waar de IJzeren Rijn de Maas kruist. In Roermond ontdek ik, juist achter het spoorwegstation, de plek waar de IJzeren Rijn verder loopt naar Duitsland. Sinds 1994 liggen hier over het enkelspoor twee houten bielsen die duidelijk moeten maken dat er geen treinen meer over de rails tuffen.

De laatste halteplaats in Nederland is Vlodrop-Station midden in het nationaal park De Meinweg. Juist voor de grensovergang Rothenbach (bij vele motorrijders bekend om het Restaurant-Tanzcafé-Biker Roadstop Haus Rothenbach) draai ik de weg in naar de Maharishi University of Management. Richtingborden maken de route naar deze zweverige, diep in het bos verscholen bestemming simpel. Vlak bij het oude klooster, dat Yogi al stiekem half heeft gesloopt, ligt Vlodrop-Station, een piepklein gehucht bestaande uit een hotel en enkele huisjes voor spoorwegpersoneel.

Ooit was het een levendige uitspanning waar dagjesmensen uit Roermond en het Ruhrgebied per trein naartoe reisden om te verpozen in het groen. De laatste opleving was in de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog toen er verlofgangerstreinen van het Britse Rijnleger stopten op hun reis naar Hoek van Holland. Toen het tracé in 1994 werd opgeheven dachten vele natuurbeschermers nog dat de spoorbielsen en -rails opgeruimd konden worden en dat het tracé door De Meinweg in een wandelpad zou veranderen. Maar de NAVO verijdelde dat plan. De spoorlijn moet in conditie gehouden worden voor troepentransport in geval dat onze streken in oorlog raken. Volgens de nieuwste plannen om de IJzeren Rijn weer te reactiveren zal het tracé door het nationaal park De Meinweg worden ondertunneld.

Hauptbahnhof Mönchengladbach

Aan andere zijde van de grens bezoek ik in het dorpje Dalheim het spoorwegstation. Nou ja station; het is een perron met wachthokje en kaartjesautomaat. In tegenstelling tot in Nederland is het Duitse gedeelte van de IJzeren Rijn nog in bedrijf, want op Endstation Dalheim kun je overdag om het uur per RegioSprinter naar Mönchengladbach treinen. Dalheim is overigens een spatje op de wereldkaart. Het enige wat er over te vertellen valt is dat hier in 1568 de Slag bij Daelhem plaats vond waarmee de Tachtigjarige Oorlog begon. De zoektocht naar de IJzeren Rijn gaat verder via Wegberg en over binnenwegen langs Rheindahlen. Mijn einddoel, het centraal station van Mönchengladbach, komt in zicht. In Rheydt, nu een buitenwijk, sluit de IJzeren Rijn aan op de in 1855 geopende spoorlijn Aken – Mönchengladbach.

Haar naam dankt de stad aan de benedictijnen die hier duizend jaar geleden de abdij Gladbach stichtten. Dit klooster, dat in de 17de eeuw werd vernieuwd, dient nu als stadhuis. Tijdens de industriële revolutie kreeg Mönchengladbach de bijnaam ‘Rheinisch Manchester’ omdat het de grootste textielstad van Pruisen was met tientallen katoenfabrieken. Als je anno 2002 door Mönchengladbach toert zie je daar weinig van terug. De stad had in de nacht van 11 op 12 mei 1940 de twijfelachtige primeur het eerste geallieerde luchtbombardement op Duitsland voor zijn kiezen te krijgen. Na de oorlog was tachtig procent van de binnenstad verwoest. Mönchengladbach werd daardoor een groene stad doordat op vele puinhopen stadsparken zijn aangelegd. Als ik de Honda op het Bahnhofplatz een welverdiende rust gun, zie ik dat ook de Hauptbahnhof nog littekens van de Tweede Wereldoorlog vertoont.

Ooit was het in 1907 gebouwde station een boegbeeld van imposante spoorwegarchitectuur. Maar in de oorlog is het gebouw beroofd van zijn tweede verdieping en rechtervleugel. Het centrum van Mönchengladbach is een delirium voor iemand die van betonarchitectuur houdt. Werkelijk alles is opgetrokken uit beton, staal en glas. Ga maar eens rondneuzen in de Einkaufscentren Marienhof, Lichthof, Theatergalerie en Vituscenter. Mönchengladbach is trouwens één groot winkelcentrum waar alles te koop is wat je consumentenhart begeert. Na een bezoek aan een van de vele Imbissstuben in het station draai ik rond zeven uur ’s avonds de Autobahn BAB 61 richting Venlo op, om met gezwinde
vaart huiswaarts te zoeven. Het was een puik dagje toeren langs de IJzeren Rijn.

Internationale spoorlijn

Sinds 1843 heeft Antwerpen al een spoorverbinding met Keulen. Maar door steile hellingen blijkt de verbinding minder geschikt voor goederenvervoer. Daarom blijft de Antwerpse haven zoeken naar een betere spoorverbinding met het Ruhrgebied en valt het oog op een tracé dat door Nederlands Limburg voert. En minder heuvelachtig is. De Belgen beroepen zich hierbij op het zogeheten Scheidingsverdrag uit 1839 – toen België en Nederland voorgoed uit elkaar gingen – waarin bepaald is dat onze nieuwe zuiderburen het recht krijgen op een corridorverbinding met Duitsland door Nederlands Limburg. Den Haag pleegt echter decennialang obstructie tegen dit ‘recht op overpad’ om de positie van Rotterdam niet te benadelen. Pas in 1873 wordt een overeenkomst getekend tot aanleg van de spoorlijn Antwerpen – Mönchengladbach via Roermond. Zes jaar later is de 162 km lange IJzeren Rijn gereed en rijden de eerste goederentreinen via Lier, Herentals, Geel, Mol en Neerpelt om bij Hamont-Achel de Nederlandse grens te passeren. Het tracé gaat door Weert en Roermond. In Duitsland doet de lijn Dalheim, Wegberg en Rheindahlen aan om bij Rheydt aan te sluiten op de al bestaande verbinding met Mönchengladbach. Zo is de IJzeren Rijn in Europa de eerste internationale spoorlijn die over drie landen voert. ten zuiden van het Belgische Lommel.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-IJzeren_Rijn.GPX”]