woensdag 20 mei 2026
Home Blog Pagina 1176

Frankrijk: Slingeren langs de Seine

0

Slingerend langs de Seine – de naam komt van het Latijnse Séquyana- die ik volg vanuit de bossen van Bourgondië, door het frivole Parijs tot aan de breed uitwaaierende monding aan de Kanaalkust. Een rit waar je veel over kunt vertellen. Net als over de Aprilia Mana.

Klaus Daams

‘Opgericht door Napoleon de Derde. Het Groot Kruis van het Legion d’ Honneur’. De wandinscriptie in de kunstig aangelegde nepgrot waar de bron van de Seine moet liggen, ronkt vet van de typisch Franse bombast. Op een door struiken overwoekerd eiland, beschut door een rotsig dak en omgeven door een helblauw smeedijzeren hek houdt zich een marmeren nimf met pronte marmeren borsten op. Je maakt onwillekeurig een inschatting naar haar cupmaat. Het zal een kleine B zijn.

In de pan gehakt

Over Daniëls Aprilia Mana maak je geen inschattingen. De machine heeft, net als de Ducati Monster, een buizenframe en een V-twin. Maar de 76 pk sterke motor met automatische overbrenging heeft scootergenen en wordt door conservatieve motorrijders niet helemaal voor vol aangezien. Onze Mana mag zich 676 kilometers lang bewijzen tijdens een dans van de oorsprong van de Seine tot aan de monding aan de Kanaalkust. En het enige bekende stuk op die route is Parijs. Via het Keltisch (Squan) en het Romeins (Séquana) werd de naam van de rivier de ‘Seine’. Maar van oorsprong betekent de naam ‘de bochtige’. En dat is een naam die ons blij maakt.

Eerst nog wat gespetter in de bron. Herstel: we kijken naar de nog heel jonge Seine die als een plassende baby het gras nat maakt. Dan rijden we naar Poncey-Sur-L’Ignon, naar ons pension ‘Le Clos des Sources’. En daar zijn we net op tijd voor de indrukwekkende avondmaaltijd. Twintig kilometer ten westen van ons en dik 2000 jaar eerder was het minder gezellig. Toen werden de troepen van Vercingetorix (zie ook: Astérix en Obelix) in de pan gehakt door de legers van Julius César. De Galliërs in Astérix en Obelix waren in de strips altijd al ontkennend over de nederlaag. ‘Alésia? Wat bedoel je?’

De modern Fransen zitten nog in dezelfde fase. Maar het wordt je als toerist vergeven wanneer je de archeologische sites bezoekt om even snel te kijken naar de resten uit de tijd dat mensen niets beters hadden te doen dan elkaar aan speren te rijgen.

Troyes, de oude hoofdstad

De hendel voor de handrem aan de linker flank van de Aprilia wordt gelost. We rijden weer in het niet spectaculaire landelijke Hier & Nu. Met als enig risico om zonder benzine te komen staan op een van de landweggetjes die kriskras door de bossen en weilanden lopen. Jammer dat ons vervoer niet op water rijdt. Want rivieren en beekjes zijn er wel in overvloed. De Seine is een kind uit een grote familie. Een paar van haar zusjes zijn bijvoorbeeld de Vau, l’Ozerain of Coquille.

In de Val de Seine bij Orret komen weg en water wel heel erg dicht bij elkaar. Als twee flank aan flank jagende honden dartelen water en asfalt zij aan zij door het bos. Even later krijgen we nog meer water. De regen laat een volwassen wolkbreuk op een voorjaarsbuitje lijken. We vluchten in Châtillon sur Seine de pub ‘Le Splendid’ in en merken dat de tijd er heeft stilgestaan. Op de grote televisie draait een documentaire over de Man wiens Neus er af Viel: Michael Jackson. En de waard wordt ten onrechte heel boos op zijn Idéfix-achtige hondje, omdat hij de plasjes regenwater onder onze tafel voor iets anders aan ziet.

Maar de mooiste nattigheid in Frankrijk komt uit Champagne. Troyes is daar de oude, regionale hoofdstad. Het feit dat de plattegrond van het historische centrum de vorm van een champagnekurk heeft, kan toeval zijn. Of niet. Het is in elk geval een passende bodem voor een stukje ‘après moto’. Terwijl we op de hotelkamer de verwarming zo hoog mogelijk zetten om onze spullen droog te krijgen, slenteren we door de binnenstad tussen de popperige vakwerkhuizen. Onze buitenkant is nat genoeg geweest. Nu zoeken we een plek om te proosten op een onvergetelijke dag.

Bikers trefpunt

Ten noorden van Troyes staat de wereld vol graanvelden. Velden met rijp koren liggen langs de D20 op de linker oever van de Seine. Het verkeersdrempelvirus heeft hier ook toegeslagen. Dat breekt het tempo. Dat die dingen er niet lagen op 24 augustus 1944 zal de Amerikanen goed hebben gedaan. In Romilly staat immers het gedenkteken voor de eerste Sherman tank die Parijs bereikte. De Lichtstad is vanaf hier niet ver meer. En de pastorale rust bij Port de St. Nicolas, waar de koeien in een vijvertje badderden, ligt echt achter ons. En wat doet de Seine intussen? Best veel. In Nogent koelt ze een kerncentrale en een paar kilometer verder zorgt ze ervoor dat de slotgracht van La Motte-Tilly gevuld blijft. Even vriendelijk voor een atoomcentrale als voor een hofvijver. Perfect in harmonie in het land met de Arc de Triomphe en de Eifeltoren.

Als een zwerm horzels komen ze ons tegemoet: de gele koplampen van de motards uit Parijs op hun zaterdagmiddagronde. De ‘Bar de la Poste’ in Montereau-Fault-Yonne is een geliefd bikers trefpunt. In de vensterbanken staan Joe Bar en z’n vrienden. Boven de tapkast hangen foto’s. Waard David is een motorsportliefhebber. Dat is duidelijk. En wanneer je van paarden of ezels houdt – of juist niet – dan kun je je plezier op bij de paardenslager naast de kroeg. Voor maar €24,- per kilo scoor je daar ezelsribben. En die waren waarschijnlijk een betere keus dan het spul dat we vijf uur later op tafel kregen.

Pfff.. Parijs…

‘Oeps! Dat zijn wel erg veel torentjes en schoorstenen. Dat is de eerste gedachte die bij je opkomt als je Fontainebleau voor het eerst ziet. Beter geïnformeerde passanten weten dat er in het kasteel ook de tafel staat waaraan Napoleon de Eerste zijn ontslagpapieren tekende, voor dat hij op verlof ging naar Elba. Wij gaan niet naar Elba, maar duiken de metropool Parijs met haar 2.000.000+ inwoners in. En dank zij de special voor grotestadsgebruik aanwezige GPS van Daniël komen we zonder gestress aan bij onze gereserveerde kamers.

Wat je ook zoekt: als je in Parijs ook uit eten gaat; nergens in Frankrijk is de kans om slecht eten opgediend te krijgen groter. Dat wordt duidelijk in de als Roti de Porc vermomde schoenzolen. We haken halverwege de maaltijd af en kijken verder rond. En al menu’s lezend, kom je dan de meest bizarre dingen tegen. Ook op de stoep. Waar de schoenzolen thuishoren. Een Harley Sportster rijder op de Place de la Bastille heeft een enorm schild op zijn motor waarop staat dat Jezus ook van jou houdt. Ranke, zomers geklede meisjes met naaldhakken achter op dikke sportmotoren. Een keurig geklede man die met je meeloopt en je op beschaafde toon op het naderend einde van de wereld attendeert. Een jonge dame met een baby op de arm met een voorstel dat we denk ik gelukkig niet begrijpen en vaandelzwaaiende betogers van het Tamil Bevrijdingsleger. Kortom: Parijs is een brede stroom vol verrassingen en dingen met eeuwigheidwaarde die je moet bezichtigen. Raadpleeg van te voren wel het Internet en je stapel reisgidsen. Dat werkt gerichter. Tel daar de bijna versmolten verhouding tussen de stad en de rivier bij en het feest is compleet. We kunnen het allemaal bekijken omdat we het hectische verkeer ontvlucht zijn en een passende ankerplaats hebben gevonden op het horecaschip ‘O fil de l’o’. We hebben vanaf daar uitzicht op de Pont de l’ Archevêché en de Notre Dame. En je kunt er nog aardig eten ook.

8 uur 30. We zitten nog steeds in Parijs. De poging om een paar rivierbochten af te snijden gaat een beetje mis en via wat omleidingen komen we in Versailles terecht. We laten het mooiste Paleis van Europa voor wat het is en pakken een saai stuk snelweg langs de Seine. Bij afslag nummer 10 verlaten we de A13 en rijden weer lekker tussen het groen. Tussen de bomen door knipoogt de zon tevreden en spiegelt zich wellustig in de rivier. De klippen die het landschap bij la Roche-Guyon overheersen zijn net zo verblindend wit als het gebit van een BN-er. Daarna is de Route des Crêtes met de tiptronic van de automaat in de sportmodus één uitbundig bochtenfeest en een garantie voor een grijns van oor tot oor. We zijn mooi op tijd in Gasny waar de chef van de ‘Auberge du Prieuré Normand’ ons een perfecte maaltijd voorschotelt. Het parkeren in de ondergrondse garage van het ‘Hotel Le Normandy’ valt dan weer tegen. Voor twee naast elkaar geparkeerde motoren betalen we er evenveel als voor twee auto’s.

Impressionistisch landschap

Omdat het er zo mooi is, rijden de we volgende ochtend terug naar la Roche-Guyon, één van Frankrijks mooiste dorpen. Het locale kasteel is half burcht, half slot en een geliefde plek voor schoolreisjes. In Frankrijk maken de schoolkinderen al vroeg kennis met de culturele superioriteit van hun land. Kenden wij dat ook maar. Na een snelle bak koffie op het terras van het vriendelijk aan de rivier oever liggende ‘Les Bords de Seine’ (een adres voor de volgende keer) duiken we het wereldberoemde Giverny in. Nooit van gehoord? De impressionist Claude Monet heeft er gewoond. Zijn tuinhuis en lotusbloemen atelier zijn tegenwoordig bedevaartsoorden voor bloemenschilderijenliefhebbers uit de hele wereld. Na een uurtje ronddolen voel je jezelf als in en droomwereld.

De slinger in de rivier bij Les Andelys is misschien wel het meest schilderachtige stuk van de Seine, die hier als een statige dame ongehaast door het landschap meandert. Rijk begroeide, groene oeverweides, als stenen in een collier fonkelende rotsen en met in het midden van de stroom een eiland dat lijkt op een broche die op gekreukelde zijde ligt. Er varen vrachtschepen, rondvaartboten en in de verte zie je de scherpe spits van een kerktoren. Jammer genoeg is er in de verste verte geen ijsstalletje te vinden in dit landschap met zijn mooie vergezichten. Zelfs Richard Leeuwenhart wist de schoonheid van deze plek te waarderen en liet – wel op een strategisch gunstige plek – het ’Château Gaillard’ neerzetten. Zo kon hij zijn hertogdom Normandië tegen de Franse kroon verdedigen. Van de imposante vesting is alleen een ruïne overeind gebleven.

De Côte des Amants ligt lieflijk op de andere oever. De naam had op de heerlijke bochten, waarvan het asfalt vriendelijk je voetsteunen kust, kunnen slaan. Maar het echte verhaal er achter is verdrietiger en verwijst naar het droevige lot van Edmond en Calliste. Als je daarvan emotioneel vol schiet, kun je weer leren glimlachen in de museum- en havenstad Rouen. Maar bedenk dat ze daar dan weer de as van Jeanne d’ Arc in de rivier hebben verstrooid om te voorkomen dat de plek een bedevaartsoord zou worden. Zo is er toch altijd wat.

Kunstenaarskolonie Honfleur

In la Bouille begint onze laatste etappe. En kijk eens wat er met dat enkeldiepe beekje is gebeurd waar we nauwelijks vier dagen geleden bij Source-Seine in pootjebaden. Madame is machtig gegroeid. Is rustig geworden en breed. Maar net als elke dame blijft ze vol verrassingen. Zo schommelt het veer naar Duclair alsof er zes Beaufort staat en ligt de Aprilia bijna op één oor. Bij Vattevilles lijkt mevrouw de rivier een tikkeltje schizofreen. Eerst verstopt ze zich schuchter achter het gebladerte. Daarna knalt ze exhibitionistisch in alle openheid in haar zonovergoten bed. Of het een zonde is om de ‘Route des Abbeyes’ rechts te laten liggen en geen enkel klooster tussen Rouen en Le Havre te bezichtigen? En wie indruk wil maken op de vrouw van zijn leven kan scoren in Vieux Port waar een overromantisch tweepersoons, rietgedekt huisje ‘a vendre’ staat. Te koop dus. Voor weinig. Maar wanneer je bij Quillebeuf-Sur-Seine enorm groot ‘Mozart’ geschilderd ziet staan, mag je verrast zijn. Het is een momentopname. Wij zagen het op de boeg van een enorme tanker die geankerd lag voor de locale petrochemische installaties.

We hebben ons reisdoel bijna bereikt. De trechtervormige monding van de Seine. Daar vormt de dramatisch gewelfde Pont de Normandië, de met 2200 meter lengte de langste draadgetuigde brug van Europa, zich als een megalomane sinuskromme vanaf de kant het hemelgewelf in. Sensationeel! Wij mogen er nog eens tolvrij overheen. En met stevige zijwind kun je er nog gratis stevig schuin bij hangen ook! Maar wij rijden windvrij en ‘s avonds om tien uur zitten we nog zielsgelukkig op een terrasje. We genieten voor de ‘Vintage Jazz Club’ aan de havenkom van de oude kunstenaarskolonie Honfleur. Een plek waar zelfs de meest verstokte knurften nog een vleug romantiek ervaren en die het toeristische Le Havre met afstand op een tweede plek zet.

Onze conclusie naar 676 nooit oeverloze kilometers? Daniël zegt het zo: ‘De Seine heeft het geluk dat ze door Parijs stroomt. Anders zou niemand de rivier kennen.’ Dat kun je dan jammer en onterecht vinden, maar het geeft een fantastische ervaring ver buiten het mainsteam toerisme. Net als het rijden op een motor met automatische transmissie.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRACK-Seine.GPX”]

Promotor Langste Dag Tocht: De Stille Tocht

0

Geen hond, geen kip, geen donder, geen zak. Tijdens de Langstedagtocht 2019 rijden we van Niemendal via Doodstil naar Nergenshuizen en komen we 250 kilometer lang geen stoplicht tegen.

Toeren over een slingerweg door een leeg landschap naar oorden zonder naam achter de horizon. Daar droom je van als je begint met motorrijden. Van Schotland, Lapland, de Hoge Alpen. Een beetje motoradvertentie kan niet zonder dit soort beelden.

Maar Nederland, nou nee, dat is geen droommateriaal. We zitten met zeventien miljoen op een land ter grootte van een voetbalveld. We zijn een bijna aaneengesloten bedrijventerrein geworden met files en nieuwbouwwijken eromheen. Het gaat zo snel dat je amper je geboorteplaats herkent als je er twintig jaar niet ben geweest.

Rust en ruimte worden schaars. Zo schaars dat gemeenten een hek om een rustig stukje zetten en het een ‘stiltegebied’ noemen. Wat betekent kop houden en je motor thuislaten.

Dikkeboerentrien

Niet heel Nederland barst uit zijn voegen. Er zijn nog steeds wegen waar je zonder wachten kunt oversteken en gebieden waar je ’s nachts duizenden sterren aan de hemel ziet staan. Maar waar liggen die precies?

Het vinden van stille wegen blijkt niet eens zo moeilijk te zijn. Ambtenaren van de RIVM en Rijkswaterstaat houden van zo ongeveer elke doorgaande weg bij hoeveel geluid er vanaf komt. Dat is allemaal op een speciale kaart te vinden. Met wat gepuzzel lukt het dan zomaar om een route te maken van bijna 250 kilometer, die vrijwel geen drempels, rotondes, bedrijventerreinen en stoplichten heeft. Een route met ruimte, groen, wegen waar je nog nooit was geweest en dorpjes waarvan je nog nooit had gehoord. Dus ambtenaren: we mopperen wel eens wat, maar hier hebben jullie mooi werk verricht – ook al was het per ongeluk.

Op zaterdag 22 juni beginnen we onze Stille Tocht bij Blokzijl, een levendig plaatsje met 1.300 inwoners. Veel groter zullen we het niet meer tegenkomen. We ontvangen je met koffie, gebak en een minder luidruchtig T-shirt dan je gewend bent. Daarna gaan we de stilte in. Ooit gehoord van Blankenham, Rottige Meenthe, Oldeholtswolde, Dikkeboerentrien, Twijtel, Tronde, Oude Willem? Oké, Dikkeboerentrien zagen we niet op een bord staan, maar wel een op een fiets rijden. Verder kwamen we bij het voorrijden hier meer trekkers dan auto’s tegen. Maar van zulk oponthoud geniet je alleen maar.

Sterrenwachten

Diever en Dwingeloo zijn bekender en wat drukker. Er staat tegenover dat ze door heel stille bossen zijn omgeven. Dit deel van Drenthe hoort tot de donkerste plekken van Nederland, tot voorbij Westerbork. Vandaar dat je in deze omgeving juist de meeste sterrenwachten vindt. Maar ook overdag is het weldadig rustig hier. Hoe we dat weten? Hoofdredacteur Jan – die je op de foto’s ziet – woont hier weer sinds een maand. Vijfendertig jaar zat-ie in het westen in een rijtjeshuis en een file. Nu is-ie weer helemaal thuis.

Richting Hoge Noorden komen we door de wouden van Grolloo, waar voetbalziener Johan Derksen ergens woont. Via het Nationaal Beek- en Elsdorpenlandschap Drenthse Aa, gaan we dwars door Zuidlaren. Hier kan het nogal lawaaiig zijn, want hier woont motortester Mink Bijlsma. Verder is er niets aan de hand.

Het dorp Doodstil

Met een flinke boog ontwijken we de stad Groningen om uiteindelijk uit te komen in het Nova Zembla van Nederland: Noord-Groningen. Hier knetteren we dwars door het dorp met de mooiste naam, Doodstil. Dat zegt genoeg, maar nog veel stiller wordt het voorbij Usquert, als we buitendijks de Noordpolder ingaan. Sommigen slaan hier een kruis, maar wij vinden het schitterend. Hier staan alleen nog maar boerderijen op grote afstand van elkaar in een vaak omgeploegd zwart landschap. Die ene spookboerderij die ertussen staat is de kroon op de verlatenheid van de polder.

De desolate rust stemt geheel overeen met de metingen van de RIVM. De Waddenzee is tenslotte het grootste aaneengesloten stiltegebied van Nederland. Eventjes merk je hier hoe het is om door Zweeds Lapland of het eindeloze Midden-Westen van Amerika te rijden.

Er is hier één plekje waar je tot aan de Waddenzee kunt komen: Noordpolderzijl. Dit is de kleinste zeehaven van Nederland, goed voor twee garnalenkotters. Erachter ligt de voormalige sluiswachterswoning Het Zielhoes. Dat is nu een huiskamercafé. De plek is fantastisch, maar het café is voor ons te klein. Dus trekken we nog even door naar Pieterburen, vlakbij de stilste gemeente van het Nederlandse vasteland: Marnehuizen, met zijn afgesloten spookdorp waar militairen oefenen voor missies in Afghanistan en omstreken. Hier in de buurt besluiten we onze Stille Tocht met een lawaaiig buffet.

Het allerstilste plekje van Nederland is trouwens Schiermonnikoog. De boot ernaartoe ligt vlakbij. Dat is wellicht een ideetje voor degenen die er een lang weekend van willen maken. Alleen de motor kan niet mee. Vandaar dat Schiermonnikoog zo stil is.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/LDT-2019.gpx”]

 

Faeröer Eilanden: De onwaarschijnlijke eilanden

0
Faeroer Eilanden

Huiveringwekkend mooi land waar geen land hoort te zijn. Wegen waar geen wegen horen te lopen. De Faeröer zijn zo bijzonder dat National Geographic Traveller ze verkoos tot meest aansprekende eilanden ter wereld. Maar bijna niemand die ze kent. En daarom organiseren wij er in september een onwaarschijnlijke toertocht. De Kouwepotentocht Extreem.

Jan Dirk Onrust

De Faeröer zaten voor ons al vroeg in de droomcategorie – met Spitsbergen, de Azoren en Groenland – en zouden daar vermoedelijk altijd wel blijven. Ze waren te duur, te ver en te tijdrovend om met de motor te komen. Maar ongemerkt zijn ze dichterbij gekomen. Door een nieuwe cruiseferry van de Smyril Line is de reistijd verkort en zijn de prijzen gezakt. Buiten het hoogseizoen vaart het schip bovendien vanaf het Deense Esbjerg in plaats van het noordelijke Hanstholm. Met andere woorden: de ongenaakbare eilanden zijn binnen bereik gekomen! Zelfs voor eenvoudige middenstanders als mijn kameraad Jan en ik.

Promotor Reizen: Faeröer Eilanden van 9 t/m 16 november

In november schommelt de temperatuur op de Faeröer rond de 8—10 graden. De warme Golfstroom die de eilanden schampt voorkomt een extreem klimaat. Wel extreem zijn de eilanden zelf: extreem bijzonder en mooi zelfs. Extreem is ook de prijs: vanaf €599,-!
Link naar de Faeröer Eilanden

Een dagje rijden

Tja, wie had dat ooit gedacht? Het hotel dat we op de Faeröer hebben geboekt, ligt op maar 800 km rijden van huis! Doen we in een dagje. Tenminste, de eerste 799 km naar Esbjerg. Voor de laatste kilometer moeten we anderhalve dag varen, maar dat is dan ook alles.

In de korte wachtrij raken we aan de praat met de eerste Faeringer die we in ons leven tegenkomen – een grote kerel met heel korte pootjes en een Harley. Hij voorziet ons van nuttige reisinformatie. ‘De wegen op de Faeröer zijn geweldig. We hebben meer schapen dan mensen. En meer mannen dan vrouwen. De vrouwen zijn prachtig. De mannen hebben een kop als een drol, net als ik. Er is vrijwel geen misdaad. We hebben zelfs geen hoer. En als je er toch een ontdekt, moet je me onmiddellijk sms’en, want van die schapen begin ik aardig genoeg te krijgen.’
Met dat soort Faeringers aan boord zullen we ons niet vervelen. Bovendien is de boot van alle luxe voorzien. Van restaurants tot zwembad, van winkels tot bioscoop. Maar wat de Smyril Line echt bijzonder maakt, is de dorpse gemoedelijkheid. Passagiers worden verwelkomd alsof het oude bekenden zijn – wat vaak ook zo is. En goede kans dat je bij het vastsjorren van je motor wordt geholpen door de stuurman. Ze schijnen zelfs nog wel eens te wachten op die ene laatkomer. Maar die gok hebben wij maar niet genomen.

Op de eerste plaats

Ergens halverwege Schotland en IJsland rijzen de achttien eilanden bijna 900 meter uit de diepe oceaan. Anders dan IJsland of de Azoren horen ze niet bij de Mid-Atlantische Rug. Eigenlijk horen ze nergens bij. Het is land waar geen land hoort te zijn, lezen we in een brochure. Bij elkaar zijn de eilanden zo groot als de provincie Utrecht en er wonen nog minder mensen dan in Doetinchem, maar heel speciaal zijn ze wel. Toen 500 experts in 2007 op verzoek van National Geographic Traveller een ranglijst samenstelden van Most Appealing Islands in the World, eindigden de Faeröer glansrijk op de eerste plaats, ruim 100 kokosnotenparadijzen en grote namen achter zich latend. En toch krijgen de eilanden per jaar niet meer bezoekers dan De Efteling in een weekendje…

Helaas niet achterlijk

Onder een zwaar bewolkte hemel meert de boot aan in Tórshavn, dat in een halve cirkel van heuvels om de haven heen ligt. We hadden gehoopt dat we op ruim duizend kilometer van het Europese vasteland ver in de tijd zou worden teruggeworpen, maar Tórshavn blijkt moderner dan – pak ‘m beet – Winterswijk. Je kunt er van alles krijgen, van latte macchiato tot sushi toe. Ze hebben een eigen krant, tv-zender en tijdschriften. Er is een Harley-dealer; de kleinste ter wereld, maar toch. Ze hebben zelfs een paar eigen kledingmerken. Dus lopen we nietsvermoedend het knusse winkeltje van Gudrun og Gudrun binnen om een handgebreide trui met Mart Smeets-motief te kopen. Blijkt dat de beeldschone Gudrun fashionista-designer-dinges is. En dat haar ontwerpen op basis van wol, lamsleer en vishuid een daverend succes zijn in New York, Tokio en Milaan.

‘Nou zal mien de klomp breekn,’ zegt Jan. We doen ons beklag. ‘Waar is een restaurant met blikvruchten als dessert? Waar is de kruidenier met een assortiment van twintig artikelen?’ Een Faeringer geeft een tip: ‘Als je achterlijkheid zoekt, moet je op de Shetlands zijn.’

Het is een ruimteschip

Ons hotel (met wifi, interactieve tv en een hi-tech douche die we niet begrijpen) ligt aan de voet van de bergweg. De weg stijgt naar een meter of 400 en onmiddellijk zitten we in een woest landschap. Het asfalt is van circuitkwaliteit, er liggen mooie bochten en er ligt nergens politie achter de struiken. Sterker: er zijn geen struiken, er groeit alleen mos en gras. Dus je zou zeggen dat dit een scheur-eldorado moet zijn. Maar hier jakkert niemand en daarvoor is een goede reden: schapen. Op alle eilanden houden ze het verkeer bedwang. Rijd je er een aan, dan mag je na je salto mortale de portemonnee trekken.

Er is nog een reden om rustig te rijden: het landschap. We stoppen zelfs om ons eraan te vergapen. ‘Ik heb heel wat bergen gezien,’ zegt Jan. ‘Maar deze zie je nergens.’
We kijken naar pyramide- en tentvormige bergen die uit drie of vier lagen basalt bestaan. Ze zien er zo geometrisch uit dat het lijkt alsof het bouwwerken zijn.
‘Dit zijn helemaal geen bergen, joh,’ zegt Jan. ‘Het is een gigantisch ruimteschip dat een paar miljoen jaar geleden is neergestort. Daarom liggen ze ook op zo’n rare plek in de oceaan.

Een oude radarbasis

Op de bergweg vinden we een spectaculair zijweggetje dat naar de Sornfelli (749 m) klimt. Vanaf deze hoogvlakte heb je bij helder weer zicht op de complete archipel. Hoger kun je per motor niet komen. Of eigenlijk mag je hier niet eens komen. Het is een oude radarbasis van de NATO, die weer in gebruik is genomen sinds de Russen weer stoere taal uitslaan. Maar inmiddels kennen we de beheerder – de Harley-dealer – waardoor we er bij een volgend bezoek toch op kunnen.

Het gaat flink regenen. Dat doet het wel vaker op de Faeröer. Een plaatselijk gezegde zorgt voor troost: ‘Als het weer je niet bevalt, moet je vijf minuten wachten.’ Ook een stukje doorrijden kan helpen. We besluiten daarom naar de meest westelijke punt te gaan, naar het plaatsje Gasadalur. Als we de kilometerslange toltunnel – gratis voor motoren – naar het volgende eiland uitkomen, is het al kurkdroog.

Lastig voor de postbode

Gasadalur, een gat met een dozijn inwoners – biedt een fabelachtig uitzicht over de oceaan en het nabijgelegen vogeleiland Mykenes. Tot 2003 was het gehucht over land alleen na een bergwandeling van een dag bereikbaar. Voor de postbode was dit tamelijk lastig. Vooral als een van de bewoners een wasmachine had besteld – zo stellen we ons voor. Een tunnel van 1,7 km maakte een einde aan het isolement. Uit oogpunt van kostenefficiëntie was er vast een voordeliger oplossing mogelijk geweest. Anderzijds zitten de hele Faeröer zo in elkaar. Bijna alle plaatsjes zijn ooit per roeiboot gesticht. Later kwamen er wegen, waar eigenlijk geen wegen waren bedoeld. Het gevolg is dat er nu voor motorrijders een waanzinnig mooi wegennet ligt.

18 generaties in een huis

Mooie wegen vinden is hier net zoiets als vissen in een zalmfarm. Niet ver van het hotel ontdekken we de volgende dag boven de vlek Velbastadur een weggetje dat meer spektakel biedt dan de fameuze Trois Corniches aan de Côte d’Azur. En dat is dan aangelegd om een stuk of drie boerderijtjes te ontsluiten.

Minder sensationeel, maar wel bijzonder: het weggetje naar Kirkjubøur, waar aan het eind het oudste gebouw van de Faeröer staat: een stenen kathedraal(tje). En het huis waar al achttien generaties een familie woont – wat hier niet eens zo heel bijzonder is.

Even later rijden we op een kronkelweg door een verstild dal dat uitmondt in de felblauwe baai van Saksun, waar een oud vikinghuis is te vinden. Nog mooier vinden we de – alweer doodlopende – weg naar Tjørnuvik, met zicht op de twee versteende reuzen (rotsnaalden van 70 m hoog) Risin en Kellengin die volgens de legende ooit probeerden de Faeröer naar IJsland te slepen.
Zo kunnen we nog wel even doorgaan. En dat doen we ook. De bergpas van Eidi naar Gjögv, die langs de hoogste berg (882 m) scheert, is volgens plaatselijke motorrijders de mooiste van allemaal: aan beide zijden van de top een reeks haarspeldbochten met zeezicht en kapen op de achtergrond. Gjögv zelf staat bekend als het meest schilderachtige dorpje. De smalle baai en de huisjes zijn in elke brochure te vinden. Hier breekt de zon definitief door en laat de groene hellingen zo oplichten dat ze radioactief lijken.

De Noordkaap 3.0

Toch ligt ons favoriete deel nog eens drie lange tunnels, een stadje en 85 schapen (oftewel 60 km) verder. We zitten dan op Vidoy, het noordelijkste eiland. De Faeröer mogen dan in kleine kring bekend staan als het best bewaarde geheim van Europa, de noordelijke eilanden vormen het best bewaarde geheim van de Faeröer zelf. Op Vidoy vind je een klif die de Noorse Noordkaap (308 m) doet verschrompelen: Kaap Enniberg, 754 m vrijwel kaarsrecht omhoog. Alleen kun je de rotswand slechts per boot bekijken. Of vanonder je voeten, vanaf de angstaanjagende top. Vanaf het plaatsje Vidareidi zie je in het westen wel Kaap Kunoyarnakkur op het eiland Kunoy. Die is nog verschrikkelijker: 819 m. En dan zit je hier ook nog ingeklemd tussen twee van de hoogste piramidebergen, terwijl in het oosten het kaapeiland Fugloy ligt te imponeren. Grootser, steiler, hoger en mooier kun je het aan geen enkele kust vinden. Het lijkt vandaag ook onwaarschijnlijk dat je ergens blauwer water en groener gras zult treffen. Dit is de overtreffende trap, dit is de Noordkaap drie punt nul.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRACK-Faeroer.GPX”]

Kijken: Kawasaki Ninja H2 vs Ducati Panigale V4S dragrace

0
Kawasaki_Ninja_H2_vs_Ducati_Panigale_V4S_dragrace

Een Superbike en een Hyperbike razen naast elkaar over de dragstrip; maar wie passeert als eerste de finishlijn?

Twee van de sterkste productiemotoren ter wereld gaan heads-to-head: de Ducati Panigale V4S met een geclaimde 214 pk en de beruchte supercharged Kawasaki H2 met 231 pk.

De Ducati heeft een gewicht/vermogenvoordeel, maar de is door zijn RAM-air in staat om meer dan 240 pk te produceren! Tenminste: als je je voorwiel op het asfalt weet te houden.

Welke motor raffelt de kwart mijl het snelste af?

Extra TankTasTocht: Inschrijven voor Toeren in de Schemering

1

DE INSCHRIJVING IS GESLOTEN

Omdat er nog steeds liefhebbers zijn van toeren in de schemer- en duisternis, hebben we een extra TankTasTocht ingelast. Hoewel de toer vrijblijvend is en zonder inschrijving, moeten we wel het een en ander organiseren. Op de plek waar we starten en eindigen bijvoorbeeld. Da’s vaak bij een café of een restaurant. En dan is het wel zo fair dat de uitbater weet op hoeveel extra klandizie hij kan rekenen. Dus als je onderstaand formulier wilt invullen…? Het fotopunt – zoals dat een TankTasTocht betaamt – staat in de track. Die doen we er als waypoint bij.

Je kunt op zaterdag 14 september met de  extra TankTasTocht – start vanaf de haven in Elburg – beginnen rond de klok van 15 uur. Rond de haven zijn genoeg horecagelegenheden waar je eventueel voor aanvang van de rit wat kunt eten en drinken. Ergens halverwege de de rit staat een team van MotorNL voor de foto én een praatje.

De rit eindigt bij het American Motorcycle Museum in Raalte. De uitbaters weten dat vanaf 20 uur groepen motorrijders binnendruppelen. Zij zorgen voor een buffet. Om daarvan te mogen proeven, kun je ter plekke een bedrag aftikken.

Mocht het laat worden en je wilt niet meer naar huis rijden: overnachten in Raalte. 

De route

De route mailen we naar de inschrijvers. Rond 7 september.

BMW GS Trophy: Team NL bekend na zinderende finale

0

Peet Gerards, Xavier Tobé en Jaap van Hofwegen vertegenwoordigen Nederland in de BMW GS Trophy 2020 in Nieuw-Zeeland. Deze drie GS-rijders kroonden zich gisteren in de finale van de NL Qualifier in Wales tot de drie beste rijders van de in totaal twintig afgevaardigden.

Já, het was ’s ochtends nog best even spannend toen bij het ontbijt de twaalf finalisten bekend werden gemaakt: Willem Vermeulen, Peet Gerards, Xavier Tobé, Jaap van Hofwegen, Diederik Kielbaey, Reijnard Oostenbrugge, Olaf Kempers, Michiel Bramer, Oscar Goos, Bert van de Vegte, Ronnie Vonk en Marc Gielen (op volgorde van klassering) bleken op de eerste kwalificatie-dag het best gepresteerd te hebben. De verschillen waren klein, zo viel Cor van den Bosch op het nippertje af. Hij scoorde over de dag hetzelfde aantal punten als Marc Gielen, maar laatstgenoemde ging op basis van zijn bovenliggende prestaties in ‘De Arena’ door.

Walters Arena

Die Arena, Walters Arena, stond in beide dagen centraal. De Engelse organisatie schotelde de Nederlandse deelnemers in het ruige terrein diverse eveneens ruige opdrachten voor. Waar de deelnemers op dag 1 ook nog allerlei opdrachten buiten de Arena moesten voltooien, was het op dag 2 louter de Arena met enkele hardcore opdrachten. Opnieuw stond een hillclimb op het programma, net zoals een race met afgesloten gashendels en een groepsopdracht waarin de deelnemers in groepjes van vier een R1250GS over een heftige obstakelbaan moesten loodsen.

De race met gesloten gashendels stond als laatste op het programma en zorgde voor hilariteit bij de toeschouwers. Voor de deelnemers zat de crux ‘m in de beheersing van de koppeling, conditie en kracht om de motor aan of bij te duwen en inschatting van de noodzaak om op- of terug te schakelen. En dat laatste is heuvel-op nog knap lastig! Willem Vermeulen, die als gedoodverfde favoriet aan de dag begon, schreef deze race op z’n naam maar greep nét naast een ticket naar Nieuw-Zeeland doordat hij een teleurstellende start kende.

Team NL en de dames

Jaap van Hofwegen daarentegen kende een stabiele dag en wist met het minimale verschil van één punt de derde podiumplek te bemachtigen. Xavier Tobé werd tweede en Peet Gerards kroonde zich tot de nummer 1. Deze drie coureurs zijn nu zeker van een ticket naar Nieuw-Zeeland en vormen samen Team NL. Begin 2020 binden zij de strijd aan met vele andere landenteams die zowel over het Noorder- als Zuidereiland de GS Trophy verrijden.

De kans dat daar nog twee Nederlanders mee rijden is aanzienlijk, want hoewel zowel Nikki van der Spek als Petra Kroon zich niet voor Team NL plaatsten, maken zij nog wel kans op een plek in één van de twee vrouwenteams. De organisatie besloot dat beide dames dusdanig overtuigden dat ze zijn uitgenodigd voor de vrouwen-qualifier die over enkele maanden in Spanje wordt verreden.

 

(Dit artikel wordt later geüpdatet met officiële foto’s)

Top Staat #4: BMW F 800 ST

0

In Top Staat #4 gaan we op zoek naar een BMW F 800 ST. 13 jaar geleden werd de F 800 ST geïntroduceerd. In Hoevelaken vinden wij een F 800 ST uit 2006. In welke staat is deze BMW F 800 ST nog na 13 jaar?

Bekijk hier de eerdere afleveringen van Top Staat:

Kawasaki Z1000 en Z1000R met gratis Performance-pakket

0
Kawasaki Z1000 performance-pakket

De Kawasaki Z1000 en Z1000R zijn niet alleen leverbaar in twee nieuwe kleuren, je kunt bij aanschaf ook nog eens een gratis Performance-pakket van €1.500,- op het orderformulier laten noteren. Met het Performance-pakket ziet je Z1000(R) er agressiever uit en krijgt ie diepere uitlaatsound. Daarnaast win je ook nog eens 3 pk aan topvermogen en bespaar je 4,2 kilo.

Het Z1000 & Z1000R Performance Pakket bestaat uit:

  • Akrapovic uitlaat Carbon
  • Carbon hitteschild
  • Tankpad (Alleen op de Z1000)

De 2019 Kawasaki Z1000 staat nu in de showroom vanaf € 13.799,- en de Z1000R vanaf € 15.099,-

Ellermeyer, een custom motorzadel op maat gemaakt

0

Al sinds de oprichting in 1946 is Ellermeyer gespecialiseerd in verandering, inrichting en aanpassingen. Elk motorzadel die ze maken is uniek in de wereld!

Zie voor meer voorbeelden: www.motorzadels.nl 

Vijf vragen Yamaha Ténéré 700

0

Mazzelaar Ad van de Wiel voelt de Yamaha Ténéré 700 twee dagen in Tortosa aan de tand. De introductie is de avonturenfiets op het lijf geschreven want er zitten net zoveel road- als offroad kilometers in het traject.

Yamaha heeft ons erg lang laten wachten op de Ténéré 700. Al in 2016 maakte het ons gek met het geweldige prototype T7. Hoeveel is er overeind gebleven van die eyecatcher?

‘Opmerkelijk veel eigenlijk nog. Het Dakar-gehalte is nog altijd hoog. Natuurlijk ontkom je niet aan zoiets sufs als een nummerplaat, maar de motorfiets mag er nog altijd zijn.’

Le Dakar er op rijden is wel iets anders.

‘Niet geheel toevallig was fabrieksrijder Adriaan van Beveren aanwezig op de introductie. Als je ziet wat zo’n man op de Ténéré 700 doet, valt je mond open van verbazing. Glijdend, driftend en knallend beukt de Fransman van bocht naar bocht. Daarin ligt echter niet de grootste kracht van de machine. Hij geeft rijders van alle allooi het gevoel dat ze vol vertrouwen het zand en het asfalt op kunnen duiken.’

Hoe komt dat?

‘De Ténéré 700 is een lichtgewicht – 204 kilo rijklaar –  en sturen is ondanks het 21” voorwiel een feestje. Bovendien is het vermogen niet levensbedreigend, maar het blokje is tegelijk wel geweldig. Dit is het leukste lichte motorblok van het moment. Het is gretig, krachtig en voelt en klinkt dikker dan 700cc. Door aanpassingen aan de in- en uitlaat en de eindoverbrenging reageert de twin nog iets feller op elke stoot gas. Gecontroleerd driften in het onverharde is geen enkel probleem. Het zadel staat met 875 mm weliswaar hoog, maar het is smal waardoor voeten toch nog stabiel staan. Overigens is de motorfiets met 35 mm te verlagen. Op straat geven de Pirelli’s voldoende grip voor een flink tempo. Knap dat de vering een goed compromis is tussen straat en offroad.’

Alleen maar complimenten: waar komt die lage verkoopprijs dan vandaan?

‘Elektronica ontbreekt volledig en dat vertaalt zich in een niet te negeren verkoopprijs. Als het begrip prijs-kwaliteitsverhouding nog niet had bestaan, was het speciaal voor deze Ténéré 700 uitgevonden. Weet je wat het mooiste is? Het is juist een zegen dat de elektronica ontbreekt. Het voelt zo ontstellend lekker om zelf te bepalen hoe ver de achterkant uitbreekt. Voor de ABS maak ik een uitzondering. Je kunt het volledig uitschakelen, maar zelfs in het terrein liet ik het aanstaan.’

Heb je dan helemaal geen nadelen ontdekt?

‘De grootste is de levertijd. Je kunt hem tot 1 augustus online bestellen voor € 11.199 (daarna wordt hij vierhonderd euro duurder) en dan heb je voorrang bij de uitlevering. De reguliere modellen staan vanaf september in de winkel. Op de motor zelf valt weinig aan te merken. De koppeling drukt tegen je kuit, maar dat irriteert niet eens. Het dashboard is erg flexibel opgehangen en staand slecht leesbaar, maar om dat nu echte minpunten te noemen? Yamaha zet voor een klein bedrag een extreem speelse, mooie en verslavend fijne motorfiets neer. De XT-spirit is weer helemaal terug.’