Hoe onderhoud je motorkleding? En hoe maak je motorkleding schoon? Rogier geeft tips om langer te kunnen genieten van je motorkleding!
Bekijk meer: hoe veilig is casual motorkleding? Bekijk de video hier.
Hoe onderhoud je motorkleding? En hoe maak je motorkleding schoon? Rogier geeft tips om langer te kunnen genieten van je motorkleding!
Bekijk meer: hoe veilig is casual motorkleding? Bekijk de video hier.
Een maand geleden reageerde Kawasaki op de Ducati Panigale V4 R, die op dit moment domineert in het World Superbike Championship. Om Ducati het vuur aan de schenen te leggen, dacht Kawasaki er ook aan om een speciale homologatie superbike te bouwen. Die wordt dan net als de Panigale V4 R een pure racer mét verlichting. En gebouwd om de WorldSBK-titel te winnen.
Dat het Kawasaki menens is met de nieuwe 2020 Ninja ZX-10RRR zouden de aanvragen bewijzen die Kawasaki bij de California Air Resources Board (CARB) heeft ingeleverd. Normaal gesproken worden in zo’n CARB-file nieuwe motoren vermeld die in den volgend jaar op de weg komen. Met het gerucht over de WSB-Kawasaki is enige voorzichtigheid geboden. Immers valt de afwezigheid van ZX-10RRR in de CARB-file behoorlijk op.
Een CARB-file concentreert zich meestal op een motorblok dat in meerdere modellen gebruikt kan worden. Een zo’n file kan dus meerdere modellen bevatten. In het dossier van 2019 Kawasaki Superbike bijvoorbeeld worden zowel de Ninja ZX-10R als de raceklare Ninja ZX-10RRR genoemd. Ook in andere jaren was dit altijd het geval. Maar de lijst die Kawasaki voor 2020 heeft ingeleverd bij de CARB laat alleen de emissienomen van de Ninja ZX-10R zien. De meest voor de hand liggende reden zou kunnen zijn dat de 2020 ZX-10RRR een ander blok heeft. Omdat daarmee ook de emissie-uitstoot verandert, moet er een aparte aanvraag worden ingediend.
Natuurlijk kan het ook zo zijn dat Kawasaki de plannen voor volgend jaar nog niet heeft uitgedokterd. Dat lijkt onwaarschijnlijk. Ook zou Kawasaki de homologatie van de 2020 straat Ninja ZX-10RRR kunnen uitstellen tot het Kawasaki Racing Team een besluit heeft genomen hoe te handelen in 2020. Al te lang moet Kawasaki dan niet wachten, de voorsprong van Ducati wordt anders wel heel groot.
Een recept met drie ingrediënten dat iedereen zal bevallen. Neem een moderne motor, zet er een vuilnisbak op, ga er mee naar het circuit en laat Grand Prix-legende Randy Mamola er mee racen.
Op de IndianxWorkhorse Scout Bobber dus. Zoals de naam al aangeeft, is het een samenwerking tussen Indian Motorcycle en Workhorse Speedshop. Beide memoreren hiermee dat de Indian Scout 100 jaar geleden werd geïntroduceerd. De motor met de naam Appaloosa zal racen op de komende Sultans of Sprint Series. Met Randy Mamola dus aan het stuur. De custom begon ooit als een gewone Indian Scout Bobber. Daarvan werd de achterbrug afgehakt en ingeruild voor een langere. Rond wat er toen nog stond, werd een enorme vuilnisbak als stroomlijn gehangen.
Andere interessante zaken om bij stil te staan: de gewijzigde brandstoftank. Die is smaller gemaakt zonder de originele vorm aan te tasten. De tank bevat nu slechts 2,5 liter brandstof. Da’s genoeg voor een snelle dragrace. De extra lange swingarm is gekoppeld aan Öhlins-veringsonerdelen, met STX 36 piggyback achterschokdempers en Retro 43-vorken. Dankzij een Akrapovič-uitlaat, een race-ECU, Power Commander, directe inlaat en een kleine NOS, zet de Indian Scout 130 pk op het achterwiel. Om die vermogenstoename te verweken, is de riemaandrijving ingeruild voor een ketting. Ook is er een quickshifter geïnstalleerd om tijdens de race snel te kunnen schakelen. Het remsysteem van Beringer rondt het pakket af, met vier schijven in totaal. Dit helpt om van de IndianxWorkhorse Appaloosa een behoorlijk unieke motorfiets te maken. En met Mamola aan boord mag je verwachten dat de motor vrij snel zal zijn.
‘Ik ben altijd al een grote fan geweest van Indian Motorcycle. Ik kijk dan ook echt uit om te racen met deze geweldige creatie,’ zegt Randy Mamola. ‘Het is geweldig om deel uit te maken van dit project. Vooral vanwege de 100ste verjaardag van de Scout. Nu de Sultans of Sprint zo’n unieke serie is, wordt het uitermate plezierig om de sfeer te snuiven, mensen te ontmoeten en voor hen een show neer te zetten.’
Afgelopen weekend heeft het team van Motor.NL met heel veel plezier de derde editie van het Mega MotorTreffen georganiseerd. Bijna 10.000 motorliefhebbers hebben het evenement bezocht. Zelf vonden we het een zeer geslaagde editie. En afgaande op de reacties op social media van bezoekers zijn wij niet de enige.
Wat blijft het een schitterend gezicht al die motoren die de hal in komen rijden. De één rustig, de ander donker grommend of gierend hoog. Het blijft een streling voor de trommelvliezen. Wat ook weer opvalt zijn de vele ‘soorten’ motorrijders. Jonge gasten op een vette naked, oudere heren op keurige toermotoren, racers op gillende superbikes, brede kerels op imposante Harley’s en Indians. Hayabusa’s met dikke sloffen en mannen op eeuwenoude occasions. Allemaal kwamen we weer naar het Motor.NL Mega MotorTreffen om net als wij te genieten. En zonder enige vorm van rottigheid.
Cijfers Motor.NL Mega MotorTreffen editie 2019
Ten opzichte van 2018 zijn er iets meer bezoekers. Het aantal proefritten is explosief gestegen. Dit is met name gekomen door het grote aantal motormerken dat dit jaar aanwezig is geweest en waarvan een aantal zeer groots hebben uitgepakt.
In de negentiende eeuw maakten de rijken der aarde een rondreis langs de hoogtepunten van de Alpen: de Grand Tour des Alpes. Anno nu volgt Hans Avontuur voor MOTO73 in drie etappes de hoofdkam van het bergmassief op zoek naar de mooiste motorwegen. In aflevering 1: Frankrijk, over beroemde én over verstopte bergpassen.
Na 1100 kilometer snelweg wilde ik eigenlijk nog maar één ding: een bed en een groot glas bier, in willekeurige volgorde. Toen ik het dorp Jausiers binnenreed en de Africa Twin voor het motorhotel parkeerde, begon echter de grote verleiding. Bergtoppen fonkelden in de zon en borden beloofden routes naar de prachtigste cols. En dus stuur ik nu richting één van die grootheden: de Col de la Bonette. Bed en bier kunnen wachten. Onderweg naar boven heb ik geen seconde spijt. Ik zou er graag ronkende omschrijvingen voor bedenken, maar in het zadel zeg ik tegen mezelf de hele tijd dezelfde simpele woorden: mooi, prachtig, schitterend, onvoorstelbaar. Het is precies het shot schoonheid dat je na een dag saaie snelweg nodig hebt.
De Col de la Bonette is met 2802 meter de hoogste berijdbare bergpas van de Alpen. Voor die titel is er wel een truc uitgehaald. De pas zelf gaat namelijk maar tot 2715 meter en staat daarmee niet boven aan de ranglijst. Door een extra lus aan te leggen naar een uitkijkpunt pakt de Bonette echter de titel van ‘hoogste’. Natuurlijk is de Bonette een populaire pas onder motorrijders, maar ik heb hem nu, aan het einde van de dag, bijna voor mezelf alleen. Bochten rijden in een verlaten landschap: hoe fantastisch wil je het hebben? Soms gooi ik het gas open om een paar bochten scherp aan te snijden, dan weer ga ik rechtop zitten om te genieten van het uitzicht.
Het asfalt gaat hoger en hoger en het land wordt leger en leger. Benieuwd of ik vandaag de top kan bereiken. De laatste keer dat ik hier was, lag er een dikke laag sneeuw. Daar is de pashoogte, daar ligt de route naar de Cime de Bonette, het uitkijkpunt. Het is open. Versnellinkje omlaag en gas erop. Even die befaamde 2802 meter aantikken en dan in de ondergaande zon terug naar Jausiers voor bier en bed.
Ben je benieuwd naar de rest van het eerste verhaal over de Grand Tour des Alpes? Komt Hans Avontuur wel óf niet terecht op de hoogste berg van West-Europa, de Mont Blanc? Je leest het in MOTO73 10/2019! De editie is tot en met woensdag 22 mei verkrijgbaar in de winkel en je bestelt ‘m hier online: https://www.tijdschriftnu.nl/product/moto73-editie-10-2019/
Foto: Hans Avontuur
Tekst: Hans Avontuur
Al jaren was hij het van plan. Met zijn zoon van de Noordkaap naar de Zuidkaap rijden. Groot was dan ook de ontlading bij aankomst op Kaap Agulhas. Vier maanden brachten ze als moderne ridders in het zadel door. 30.000 Km was er onder hun wielen doorgerold. Dan mag je gerust even je emoties laten gaan.
Evert ten Napel
Met de vlaggen van Nederland en Zuid-Afrika in de hand stuurden ze hun BMW’s over de stenen van Kaap Agulhas, het zuidelijkste puntje van het Afrikaanse continent. De banden, al zoveel geteisterd op de slecht geplaveide wegen van Afrika, kregen het nog één keer voor hun kiezen op die laatste emotionele meters. Vier maanden van zware ontberingen zaten erop. In de gierende wind stond echtgenote en moeder Wilma haar helden op de Zuidkaap op te wachten. Enkele leden van de Skyriders (de club van motorrijdende KLM ‘ers) waren vanaf Windhoek in Namibië meegereisd en ontkurkten de vonkelwijn. Toevallig aanwezige vakantiegangers applaudisseerden. Camera’s snorden en klikten. Vader en zoon Visser hadden hun ultieme droom waargemaakt. Op de motor van de Noord- naar de Zuidkaap.
Fervent motorrijder Nol Visser sprak er al geruime tijd over. Zodra zijn zoon zijn rijbewijs zou hebben, wilde hij met hem van het noordelijkste puntje van Europa over land naar het zuidelijkste puntje van Afrika rijden. Mensen die hem kenden, wisten meteen dat hij het meende. Anderen (en ook leden van de Skyriders) dachten: ‘Daar heb je Nol weer met zijn grote waffel’. Maar de KLM-purser liet zich niet ontmoedigen door de soms meewarige blikken en kritische opmerkingen. In alle stilte zette hij zijn plannen op papier en besprak het met de mensen, die het dichtst bij hem stonden.
Uiteraard moest er met werkgever KLM worden overlegd. Kon purser Nol vier maanden vrij geroosterd worden en hoe moet je de centjes bij elkaar sprokkelen voor de nodige aanpassingen aan de BMW motoren? Met al zijn enthousiasme en bevlogenheid kreek Nol het voor elkaar.
Natuurlijk moest er ook getraind worden. Zo’n rit is geen kattenpis, zo bleek al uit de talrijke geraadpleegde boeken. En ook het tv-programma ‘The Long Way Down’ laat hierover geen misverstanden bestaan. Daarom trainden de mannen met Cecile en Simon Vrijhof van Freebike in een Limburgse zandgroeve op het rijden in zand, waarbij menige zweetdruppel vloeide en waar af en toe hartgrondig werd gevloekt. Voor Nol was het veelal gesneden koek, voor Bob (nog maar koud in het bezit van zijn rijbewijs) dikwijls een zware klus. Maar Visser jr. liet zien uit het goede hout te zijn gesneden en leerde snel. Na veel geploeter, veel overleg en soms teleurstellingen ging het licht uiteindelijk op groen: De ‘Grote Tocht’ kon beginnen.
Op vrijdag 28 augustus neemt het duo afscheid van echtgenote, familie en vrienden Tientallen komen op de Farewell party en alleen Nol zelf mocht, zo had hij bedongen, een speech afsteken. Daarin legde hij het waarom van deze monster onderneming nog eens uit en ook het motief om hiermee ‘Wings of Support’ te ondersteunen. Dat is een project van KLM-personeel om kinderen in de Afrikaanse landen waar de KLM op vliegt aan onderdak en onderwijs te helpen. ‘Afrika is het werelddeel dat me altijd geweldig heeft geboeid,’ aldus Nol.
Twee dagen later vertrekken vader en zoon onder grote belangstelling uit Maarssen.
In Klazienaveen, het laatste dorp voor de grensovergang met Duitsland, drinken ze nog een kopje koffie met enkele bevriende motorrijders, die tot daar waren meegereden. En dan gaan vader en zoon op weg voor hun maandenlange reis.
De rit naar het uiterste puntje van Noorwegen verloopt snel. Goede wegen, maar wel saai en veel regen en kou. Bedoeling is om te kamperen, maar dat verandert af en toe in een warme hotelkamer om bij te komen. ‘Hoewel onze motorkleding voldeed aan alle eisen, was het flink afzien daar in Noorwegen. Vooral de combinatie van regen en harde wind viel ons soms erg zwaar. De omstandigheden waren zwaarder, dan we ons hadden voorgesteld,’ vertelt Nol
Op 6 september bereiken ze de Noordkaap. En dan begint de lange reis naar het zuiden. ‘Oorspronkelijk was het plan via Finland, de Baltische staten, Wit-Rusland en Oekraïne naar Turkije te reizen,’ vertelt Nol. ‘Daar zijn we van afgeweken omdat de visa voor Soedan en Ethiopië niet in orde waren. Daarom hebben we een omweg gemaakt via München om daar via de ADAC de juiste papieren te krijgen. Het voordeel daarbij was dat we onze motoren nog even konden laten nakijken bij de grote BMW-dealer in die stad.’
Vanaf Duitsland gaat het voorspoedig. Het weer wordt beter waardoor het duo veel kilometers kan maken, maar in Turkije dient zich het eerste probleem aan. Bob gaat op slecht wegdek onderuit, komt met de schrik vrij, maar met de oude R 80 GS is het minder goed gesteld. Goede raad is duur, reden waarom Nol besluit Joost Motoren te bellen, het bedrijf dat beide motoren prepareerde. Na kort beraad wordt besloten de benodigde onderdelen met Transavia naar Antalya over te laten vliegen, waar Nol ze de volgende dag ophaalt. Met hulp van vriendelijke en handige Turkse monteurs is Bob’s fiets weer snel in orde. De reis kan worden vervolgd en vader en zoon zijn onder de indruk hoe prachtig Turkije is voor motorrijders.
Op naar Syrië en Jordanië, om van daaruit te proberen per vrachtboot naar Egypte over te steken. Dat mislukt, waarna na ampel beraad besloten wordt honderden kilometers om te rijden door de Sinaï en van daaruit het Suez kanaal over te steken. ‘Lange saaie wegen door de woestijn,’ verhaalt Visser jr. ‘Af en toe een roadblock van de lokale politie en telkens weer de vraag: “Waar gaan jullie naar toe?” Als we dan vertellen dat we van de Noord- naar de Zuidkaap rijden, keken ze ons meewarig aan.Extra moeilijkheidsgraad was de soms ondragelijke hitte in de Egyptische woestijn, met temperaturen van meer dan 40 graden. Maar ons devies was dat als je aan een reis als deze begint, je van te voren weet dat je rekening moet houden met zware omstandigheden en dat het soms mee- en soms tegenzit.’
Lake Nasser wordt bereikt, waar de motoren op een aparte vrachtboot gaan en de passagiers zich inschepen op een veerboot voor de oversteek naar Soedan. ‘Op de boot kwamen we allerlei mensen tegen, ook lui die dezelfde plannen hadden als wij, maar dan met een vrachtauto of fourwheeldrive. Prachtige verhalen allemaal,’ aldus Nol.
Na veel gedoe worden de motoren (die dagen later arriveren) in Soedan herenigd met hun berijders en voort gaat de tocht, op weg naar ‘Donker Afrika’. De wegen worden slechter en veranderen af en toe in zandpaden. ‘Daar kwamen de zware trainingen in de Limburgse zandafgravingen ons heel goed van pas. Dan ook besef je dat je zo’n avontuur niet zomaar even doet. Een goede voorbereiding is echt bittere noodzaak,’ zegt Pa Visser. Toch genieten senior en junior vooral in Ethiopië, waar de bevolking uiterst vriendelijk is.
In Kenia krijgt Pa een plotselinge niersteenaanval. Nol: ‘Toen heb ik even gedacht dat dit het einde was van onze droom. Dit gaan we niet redden. Op een zeker moment kon ik niet meer en bleven we overnachten in ons tentje aan de kant van de weg. De Keniase politie vond dit onverantwoord en stuurde een bewaker die met geladen geweer die nacht bij ons bleef. Nodig ook, want er kwam divers gespuis poolshoogte nemen of er wat te halen viel. Enkele keren hoorden we hem zijn geweer doorladen. De volgende ochtend vroeg ik hem wat hij zou hebben gedaan: “Schieten, want ik was er om jullie te beschermen”, zei hij onverschrokken. Hij zou het gedaan hebben ook’.
In een ziekenhuis in Nairobi wordt Nol van zijn vervelende nierstenen afgeholpen en kan de rit worden voortgezet. Bob: ‘Mijn pa is een echte bikkel, maar ik heb hem een paar keer aangekeken toen hij het uitschreeuwde van de pijn en echt gedacht, dit moeten we niet meer willen. Stoppen en naar huis gaan, dan maar einde van onze droom. Je gezondheid gaat voor alles.’
Ook in Kenia, Tanzania, Malawi en Zambia genieten vader en zoon niet alleen van het motorrijden, maar ook van de prachtige natuur. Diverse wildparken worden bezocht en ook het verblijf bij de Victoria Falls is een hoogtepunt. Ook daar zijn er weer ontmoetingen met vele ‘Overlanders‘ waarbij voor Bob vooral de ontmoeting met een groep Noorse meiden indruk maakt. ‘Ik kon niet kiezen, zo mooi waren ze allemaal. En gretig ook nog,’ grinnikt hij nog na.
In Malawi, aan de boorden van het gelijknamige Lake Malawi, krijgt Nol een aanvaring met een lokale veldwachter die brutaal vraagt of hij wel de echte vader van zoonlief was. Dat schiet hem in het verkeerde keelgat, waarop hij de grote zwarte politieman uitscheldt, wat hem op een dikke boete komt te staan. ‘’t Is dat Bob me rustig kreeg, anders was ik die vent aangevlogen en had ik in de nor gezeten in plaats van op de motor op weg naar ons gedroomde einddoel,’ aldus Nol.
De wegen worden beter en vooral ook rechter en zo wordt ruim op tijd de Namibische hoofdstad Windhoek bereikt. Daar volgt een emotionele ontmoeting met echtgenote en moeder Wilma, die samen met enkele leden van motorclub de Skyriders gearriveerd was om de laatste etappes van de monsterrit mee te rijden.
Van Windhoek gaat het via kustplaats Swakopmund (waar alles herinnert aan de vroegere Duitse kolonie Süd West Afrika; er is zelfs een Brauhaus met weissbier en bratwurst) dwars door de Namibische woestijn richting Zuid-Afrika.
Hoogtepunten in Namibië zijn de Sossusvlei, de Maltahöhe (waar Bob’s fiets door de plaatselijke smid nog eens een keertje stevig gelast wordt) en Solitaire.
Zwaar zijn de honderden kilometers over gravel (in het Afrikaans ‘grondpadjies’). Zand, zand en nog eens zand, afgewisseld met rotsen en soms een lastige bergpas. Af en toe een verdwaalde antilope of een groepje struisvogels. Ook hier komen de trainingen weer goed van pas. ‘Iets waar je in Nederland of waar dan ook in Europa niet op kunt oefenen, is rijden op een combinatie van gravel met zand, waarbij het woestijnzand in de lengterichting de sporen in het gravel vult. Dan moet je soms tientallen minuten achter elkaar op de voetsteunen staan, met je kont naar achteren om het gewicht goed te verdelen, anders ga je keihard op je bek. We zijn daar niet een keer gevallen en onze meerijders ook niet.’
Op 18 december steekt het duo bij de grensplaatsen Noordoewer en Viljoensdrift de grensrivier met het 27ste land over: Zuid-Afrika is bereikt. ‘Je ziet direct het verschil tussen het woeste Namibië en het meer gecultiveerde Zuid-Afrika. Vooral toen we de wijnstreek van de Western Cape binnen reden,’ aldus Nol. ‘Hier verandert het grijsrode Namibische zand in het groen van de Zuid-Afrikaanse wijngaarden.’ Via Citruskop en Ceres gaat het naar Swellendam, waar Nol van eerdere motortripjes een Bed and Breakfast kent, en waar de groep een kamp opslaat voor de laatste etappe naar de Zuidkaap.
‘Als KLM-purser kom ik met regelmaat in Kaapstad waar we een driedaagse stop hebben. Vaak huur ik dan met motorrijdende collega’s uit de cabine of cockpit een motor bij Moto Berlin of Karoo Biking om een paar dagen over de mooiste motorwegen ter wereld te sturen. Zo kwam ik in Swellendam en vandaar ons laatste kamp daar.’
Op 22 december wordt via een prachtige weg door onder meer het pittoreske Napier en Elim koers gezet naar de Zuidkaap, waar vader Nol en zoon Bon na 115 dagen en bijna 30.000 km hun einddoel bereiken. De Grote Droom was verwezenlijkt. ‘Dat het zwaar zou worden, wisten we vooraf. Maar dat het zo zwaar was, nee dat kun je bij het bedenken van zo’n avontuur niet goed inschatten. Maar ik ben erg blij dat we het gehaald hebben, ondanks de problemen onderweg. Het was het waard, echt waar. En ik ben ontzettend trots op mijn pas 19-jarige Bob. Een echte bikkel en uit het goede hout gesneden,’ aldus een trotse vader Nol.
Het begin van het einde van de wereld. Een ontdekkingsreiziger als Magellaan en de grondlegger van de evolutietheorie Charles Darwin gingen ons voor. Wij reizen op de motor drie weken door Chileens en Argentijns Patagonië, en Vuurland. Dwars over de prairies van treinrover Butch Cassidy, naar de zuidelijkst gelegen stad ter wereld: Ushuaia. Hier spookt de wind, en schreeuwt het ijs van de gletsjers.
Als motorrijder heb je in Patagonië en vooral in het lege Vuurland te veel tijd om na te denken. Over het meteorologische verschijnsel wind bijvoorbeeld. Wat is die onzichtbare kracht, die zo beukt, me bijna omver duwt, als een soort hoongelach buldert dwars door helm en oordoppen heen? De wind op Vuurland vlamt. In dit unheimische gebied is hij zo dominant, dat hij bijna het enige lijkt dat er is. Een onzichtbaar houvast. Op deze vlakte is niets. Geen boom, geen tegenligger, geen huis. Alleen die wind, en een schijnbaar oneindige gravelweg. En wij op onze motoren. Het bordje dat ons alsnog wil waarschuwen voor deze luchtstroom komt hilarisch over: het is een schets van een boom die last heeft van zijwind. Leegte is een woord waarvan de betekenis hier een tegenstelling in zich draagt: het betekent ‘niets’, terwijl wij er al uren in rijden.
‘Als een mens niet weet naar welke haven hij op zoek is, zal geen wind hem daar naartoe voeren.’ Een Romeins gezegde. De haven is die van Ushuaia, de meest zuidelijk gelegen stad ter wereld. Hier vertrekken de schepen voor expedities naar Antarctica. We weten waar we naartoe willen, en dat de bemoeilijkende wind ons zou begeleiden. De motoren hangen scheef tegen de onzichtbare luchtstroom aan, slingerend over het gravel dat weinig grip biedt. Stoppen kan bijna niet, grote kans dat je omver wordt geblazen.
Een van m’n reisgenoten kan geen weerstand meer bieden aan de wind en de motor vertrekt tot drie maal toe diagonaal over het gravel richting greppel en kiept om zonder schade. Afstappen om te helpen gaat ook niet zomaar, dan moet iemand anders mijn motor weer vasthouden. Kwestie van de eigen fiets helemaal scheef tegen de wind in zetten, en dan hangen aan mijn motor. Trouwens, de gedachten van wie dan ook dwalen hier af, in dit zuidelijkste deel van Zuid-Amerika. Ineens ontwaren we leven op deze pampa’s: een kudde schapen. Maar zelfs de schapen kijken peinzend. Dat kan ook komen omdat er voor de vierhoevigen hetzelfde dorre gras als altijd op het menu staat, en de hoop eens een sappig madeliefje of groene zuring te vinden vandaag al weer ijdel bleek. Hier werken nog echte cowboys –de gauchos- die de schapenkudde bij elkaar drijven.
Het Andesgbergte bepaalt het klimaat in dit deel van de wereld. De westkant krijgt veel regen en is groen en vruchtbaar, de oostkant is droog omdat de regen tegen de oostkant van het gebergte blijft hangen. En wij slingeren drie weken lang door deze tegenstellingen, en gaan een keer of zeven de grenzen tussen Chili en Argentinië over. Zo leeg als het hier is, zo vol zijn onze hoofden met reisverwachtingen. In het Chileense plaatsje Osorno haalden we onze motoren op, met als reisdoel dus het Argentijnse Ushuaia, om dan via een korte slinger in de omgeving van het Chileense natuurpark Torres del Paine de fietsen op de boot terug naar Osorno te zetten. Meteen de eerste rijdag reden we naar het Argentijnse Bariloche, een studentikoze moderne stad, ademloos gelegen aan het azuurblauwe Nahuel Huapi meer, omringd door de bergen. De netheid van dit plaatsje en de omgeving lijken een beetje op de aangeharkte netheid van de Zwitserse Alpen, maar dan wel met een Latin swing.
Via dit merengebied rijen we nog twee dagen door Argentijns Patagonië. We verlaten het asfalt, en trekken over gravel het nationale park Los Alerces in: genoemd naar de typische hoge bomen. Sommige wel drieduizend jaar oud en zestig meter hoog. De bomen kijken als rechters met een samengeknepen gezicht hooghartig op ons neer. Hun minimale bladerdak – als een rechterskraag -, hun stammen als uitgestoken nekken. We worden hier gedoogd, maar meer ook niet. Het wateroppervlak van de meren is helemaal glad. Als je in de verte kijkt, zie je dit landschap twee keer door het spiegelende effect van het water. We krioelen als mieren over het gravel, langs de vele meren.
En op weg naar Puyuhuapi gaan we de grens weer over. Het Argentijnse deel toont sober, met afgebladderde verf en een scheef staande grenspost. Argentinië heeft na de zware economische crisis in 2001 duidelijk een achterstand op het relatief welvarende (en voor ons ook een stuk duurdere) Chili. Aangekomen met onze paperassen bij de Chileense post ziet het er allemaal een stuk strakker uit. En strenger. De Chilenen zijn als de dood dat er veeziekten het land worden ingebracht, dus zuivel, vleeswaren en fruit zijn verboden om in te voeren. We hopen dat onze Argentijnse knoflookworst er niet tussenuit gevist wordt, want vanmiddag rijden we voor het eerst op de Carretera Austral – een ‘onverharde snelweg’, waar we heel graag willen picknicken met uitzicht op de besneeuwde Andes-toppen. Dit is bikers paradise bijna geen tegenliggers, goed aangereden gravel, en gletsjers, kraakheldere meren, haarspeldbochten. En aan het eind van de dag een Duits dorp met de typisch Duitse naam Puyuhuapi. De zon is wat bleekjes, maar is er in ieder geval, en werpt een gouden gloed over het plaatsje en zijn typische houten villa’s, dat ligt aan een fjord van de Pacific. Zeshonderd mensen wonen hier. Van oorsprong is het een nederzetting van vier Duitsers, die hier in 1932 hun geluk zochten – en zalm en hout. Onze gastvrouw is ook Duits. Deutsche Grundlichkeit in de met hout warmgestookte villa, en ze kijkt een beetje streng, maar ze regelt wel dat het enige restaurant in het dorp vanavond verse zalm of biefstuk voor ons kan maken. Waar die zalm vandaan komt, zien we een dag later. De slaap nog niet uit de ogen gewreven. We zien zeehonden in de baai, die wel erg veel interesse hebben in de grote zalmkwekerijen die drijven in het zeewater.
Vandaag vervolgen we onze route over de Austral, maar nu dwars door donkergroen regenwoud, op weg naar het complete contrast de volgende dag, als we via het plaatsje Coihaique de grens weer oversteken naar Argentinië: ineens rijden we over de pampa’s . Het Argentinië zoals ik me dat had voorgesteld. De grenspost is een tochtgat, met een smoezelige douanier die de beschikking heeft over een ventilator – en het waait hier toch lekker – en een stempelkussen. En een snor, als vanzelfsprekend. Het is duidelijk dat we nu aan de droge kant van de Andes zijn, als we nog 350 km afleggen naar Estancia Telken, een actieve boerderij, gerund door een oud echtpaar met Nederlandse en Nieuw-Zeelandse wortels, Coco (78) en Petty (74). Als we aankomen, komen net de cowboys terug met de paarden en schapen. De vrouw des huizes, Petty, laat trots een bedankkaartje, geschreven door prinses Maxima, zien. Coco probeert nog wat Nederlands te praten, maar dat is voor hem een taal van vervlogen tijden. Een groot fornuis in het midden van de keuken, een zenuwachtige kokkin die na complimentjes van onze kant bijna tranen in haar ogen krijgt (Petty: ‘Het is haar eerste keer koken voor een groep bij ons.’) en warm haardvuur. Estancia Telken voelt als thuis, in een omgeving die ons een gevoel van ontheemdheid bezorgt.
Een lange dag, op weg naar weer een boerderij, Estancia La Angostura, maar elke minuut zou twee keer langer mogen duren. Ruta 40 (Cuarenta) is het Zuid-Amerikaanse equivalent van Route 66, maar dan zonder McDonald’s en mét de echte sporen uit het Wilde Westen. Butch Cassidy – de beruchte trein- en bankrover – vond in deze leegte voor even een veilig heenkomen in het plaatsje Cholilla, nadat hij een wanted person was geworden in Amerika. Een weg van ruim 4600 km die begint in Bolivia en eindigt in Vuurland. Als je niet beter zou weten, dan droom je dat de sporen op het gravel nog karrensporen zijn, en dat er zich achter die ene scheefgewaaide boom nog een struikrover schuil houdt. Dit is de echte prairie. Er steken zelfs struisvogels over.
Bij La Angostura klapwiekt de windmolen een minimale stroomtoevoer bij elkaar. Via een hek met een ingewikkelde draadconstructie betreden we en moto het terrein. De schapen mogen niet ontsnappen. Weer die ontvangst met hoefijzers, oude geweren en opgezette dieren. Het Wilde Westen bestaat nog, maar wel in het diepe zuiden. Onze BMW’s en mijn XT600 vreten het prairiestof moeiteloos, onderweg naar El Chalten, dat ineens weer aan de voet van de Andes ligt. Het is een maf dorp, het ruikt nog nieuw, en is door de Argentijnen uit de grond gestampt om het land te kunnen claimen, voordat Chili dat zou doen. Maar er zijn slechtere locaties om politieke trucjes uit te halen.
Het FitzRoy-massief – een groep spitse bergtoppen – ligt prachtig aan een gletsjermeer. Een zweterige wandeltocht brengt ons in een paar uur tijd naar een adembenemend schouwspel: we staan aan het door FitzRoy omsloten bergmeer, waarin stukken ijs drijven in het natuurpark Los Glaciares. ‘Wacht maar tot je Perito Moreno hebt gezien’, vertelt de hotelier. Deze gletsjer was nog maar een voorbode. We rijden een paar honderd kilometer naar El Calafate, de uitvalsbasis voor de gletsjer Perito Moreno.
’s Ochtends ben ik net op tijd wakker om de zonsopgang te zien over de besneeuwde bergtoppen die we aan onze rechterkant houden op weg naar de gletsjer. Op tien kilometer afstand zien we de ijsmassa al liggen. Een slingerpas langs het meer brengt ons naar de uitzichtpost. Perito Moreno schuift elke dag twee meter het meer in. Ik kan niet inschatten wat de afstand is van de post naar het eind van de gletsjer, waar het wit van het ijs langzaam overgaat in turquoise, en vervolgens in het graniet van de bergen. ‘Ongeveer dertig kilometer’, zegt een echtpaar dat ’s ochtends om tien uur al staat te proosten met whisky op deze gigant. Telkens als er onder luid gekraak een stuk ijs afbreekt en in het water valt, nemen zij een slok.
De temperatuur daalt de komende dagen. We zijn steeds dichter bij Antarctica, en dat voelen we. Onderweg naar de meest zuidelijk gelegen grenspost met Chili moeten we vechten tegen de wind, en ons nog haasten ook, want als we eenmaal in Chili zijn, wacht de veerpont naar Vuurland ook niet.
Tijdens de vaart zwemmen er een paar pinguïns vrolijk met ons mee. Tierra del Fuego – land van vuur – ligt aan de overkant. En die naam heft overduidelijk niets te maken met de temperatuur hier, al blijft het boven de vijf graden. De Portugese ontdekkingsreiziger Ferdinand Magellaan ontdekte de archipel, en noemde het Vuurland, omdat hij dacht dat hij vanaf zee de vuurtjes zag die de lokale bevolking stookte, wetenschappers denken echter dat het bliksemschichten waren die Magellaan zag. Vuurland is deels Chileens, deels Argentijns. En adembenemend in zijn ruigheid: de vierhonderd kilometer die we nog naar Ushuaia – gelegen in het Argentijnse deel van de archipel – afleggen zijn zeker niet de makkelijkste. Het land van vuur speelt met de wind, en met ons. Het eerste stuk is volledig leeg. Dan zien we af en toe een ja-knikker – er wordt hier gas en olie gewonnen -, daarna wat bomen die door de wind een kant op groeien. En hoe dichter bij Ushuaia we aankomen, hoe afwisselender het landschap weer wordt. We rijden dwars door de bergen, waar de sneeuw nog in de berm ligt, zien forellen in het heldere bergmerenwater zwemmen, en rijden enigszins verdoofd uiteindelijk Ushuaia binnen, de meest zuidelijk gelegen stad ter wereld, bereikbaar over de weg. In de haven liggen de expeditieschepen met als eindbestemming Antarctica, maar duizend kilometer verderop.
In de haven overvalt mij het gevoel dat ik hier nu sta, met m’n motor, aan het beginpunt van het eind van de wereld. Voor ons ligt de baai, heel kalm. Maar we hebben allemaal een bijna griezelig besef dat de wereld die voor mensen bewoonbaar is, eindigt in deze stad. De wind op mijn gezicht is wind die ook over Antarctica blies. Iets dat altijd zo onbereikbaar leek, ligt nu aan onze voeten. Maar het lijkt alsof de wind –vriend en vijand tijdens deze reis- ons nu tegenhoudt. We zouden op een expeditieschip kunnen stappen, een ijskoude reis maken naar het laatste continent. Maar misschien is het beter om Antarctica en het kwetsbare ecosysteem met rust te laten. Als bescherming. Zodat het er over een tijd ook nog is. Het bereikbare niet willen bereiken: dat besef maakt ons alsnog ontdekkingsreizigers.
[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-patagonie.GPX”]
Eén enkel schot, en Wilhelm Tell werd een Zwitserse nationale held. Rondom het fjordachtige Vierwoudstedenmeer (Vierwaldstätter See) leiden prachtige routes naar de legendarische plaatsen die met de Tell-sage zijn verbonden.
Thomas Quant
’Heeft Wilhelm Tell echt bestaan? Onbelangrijk! Belangrijk is toch slechts dat’ie Geßler heeft doodgeschoten, niet waar?!’ Vol klinkt de stem van de grote baardige man. Wild schitteren zijn levendige ogen in zijn door een zwartgrijze volle baard en een krullende haardos ingeraamd gezicht. De reus met zijn leren wambuis spant zijn handboog, legt aan en plop! een pijl pint een appel aan een boomstam. De zoon van de ervaren schutter slaakt een zucht van verlichting. Maar ho! ditmaal is de zoon een dochter, en wij bevinden ons ook niet op de marktplaats van Altdorf, maar in hotel Monopol in Luzern, omringd door gepensioneerde spoorwegbeamten in plaats van de dienaren van de wrede landvoogd Geßler. Het schot dat Sepp Steiner, een van de beroemdste Tell-vertolkers van zijn land, met meesterhand heeft verricht, is dermate ongevaarlijk dat twee spoorwegmensen de hele scène nog een keer spelen, onder geheime regie, want de truc wordt niet verraden.
Voor de Zwitsers zijn de daden van Wilhelm Tell, van beroep boer en een gepassioneerd boogschutter, ten nauwste verbonden met de stichting van hun natie in 1291. Dat wil ons tenminste de sage doen geloven en zo staat het in het toneelstuk Wilhelm Tell, van de grote Duitse dichter Friedrich Schiller, dat in 1804 in première ging. Daar doorboort aan het slot de vrijheidslievende Tell met een pijl de landvoogd Geßler en hij brengt daarmee de lang begeerde en succesvolle opstand van de Eedgenoten tegen de gehate Habsburgse heerschappij teweeg. Het toneelstuk is spannend als een detective en speelt rond het Vierwoudstedenmeer in een van de mooiste gebieden van Zwitserland.
Wij drinken met Marie Therese en Sepp Steiner nog een biertje in Borromini. Ook ’civiel’ is Steiner een indrukwekkende gestalte, die temidden van het chromen en gestylde interieur van het café als een Fremdkörper werkt. Buiten slaat plotseling een stortbui neer op de straatstenen van Luzern, die zo heftig is dat het geluid ternauwernood overstemd wordt door de Drum ‘n’ Bass Sounds uit de luidsprekerboxen. De door de regen beslagen ruit weerspiegelt een geluidloos, hectisch MTV Xtreme-Sports programma, waardoorheen ik in de vallende duisternis kantoormensen voor het noodweer zie vluchten. Skaters, die zich ’s middags nog pijlsnel op de zonovergoten en met bloemen en bomen beplante promenade aan het meer van Luzern hebben voortbewogen, zoeken nu tastend de weg naar huis. Ook de Steiners breken op; ze moeten nog helemaal om het meer heen naar Altdorf. Voor de laatste keer vandaag wisselen wij van locatie in de eigenlijk verbazingwekkend urbane hoofdstad van het canton, want Luzern heeft maar 60.000 inwoners, en belanden in Movie aan de Metzgerrainle, waar op het overdekte terras van de bistro, direkt gelegen aan de snelstromende Reuß, naast lichte maaltijden ook lekker Warteck-bier te krijgen is. ‚Tot ziens’- de ober is Nederlander en past goed bij de internationale flair van Luzern. Langs de Spreuerbrücke, die mij met haar talloze dodendans-motieven nog beter bevalt dan de Kapellbrücke uit de 14e eeuw – en als zodanig het bekendste monument van de stad – zoeken wij eindelijk ons hotel op.
Vroeg, veel te vroeg, gaat op zondagmorgen de wekker af. In de eetzaal van Hotel Tourist met zijn jeugdherbergsfeer uit de jaren zeventig zit op dit onmenselijke tijdstip alleen nog een Kroatische roei-equipe aan het sobere ontbijt. Onze Kawasaki ZZR 1100 en Suzuki 900 RF wachten na de bijna werkloze zaterdag al ongeduldig.
Nauwelijks hebben wij Luzern in zuidelijke richting verlaten, of ons plezier krijgt een domper, wanneer bij Horw tengevolge van afgesloten privéwegen het niet mogelijk blijkt langs de oever om het meer te rijden.
Bij Hergiswil wordt de weg dan tussen en onder en naast de auto- en spoorweg geperst: als op dergelijke zo weinig motorvriendelijke wegen Kawa en Suzi juist een verscheurend gehuil willen aanheffen, begint de weg met talrijke bochten te klimmen naar de Bürgenstock. Boven aangekomen doet het schitterende panorama over het westelijk Vierwoudstedenmeer, over Luzern tot aan Küssnacht en het ertegenovergelegen Weggis met de daarachter oprijzende Rigi, alles vergeten. Langzaam stijgen van het diep onder ons liggende meer goudglanzende nevelslierten op. De Pilatus in het Westen, die met de Rigi de meest beklommen of beter gezegd, de meest bereden berg aan het Vierwoudstedenmeer is, wil liever geheel in wolken gehuld blijven. Zonder uitzicht op uitzicht maken wij daarom vandaag geen gebruik van de steilste tandradbaan ter wereld, naar de top van de Pilatus.
In Hotel Bürgenstock ontmoeten wij opnieuw de Tell-vertolker van de vorige dag. Ik heb echter vooral belangstelling voor het opulente buffet. Maar voor ik zwak word, denk ik blozend aan de Kroatische roeiers die het op dit moment op de Rotsee opnemen tegen tegenstanders, die zijn voorbereid door een super-de-luxe ontbijt. Op het terras heeft de familie Steiner inmiddels een boogschiettent opgesteld, zoals je op kermissen aantreft. Het wedstrijdschieten wordt evenwel spoedig met een dodelijke ernst bedreven: ’Telt een geschampte tien evenveel als een volle treffer?’ Tell zou het niets kunnen schelen. Hoofdzaak: Geßler is dood. Wij gaan er ijlings vandoor.
Tussen Buochs en Beckenried kun je werkelijk langs de zuidelijke oever rijden. De weg slingert omhoog naar het kleine Seeli, een verrukkelijk bergmeertje, en stijgt verder naar Seelisberg.
Steil onder Seelisberg ligt in de morgenzon de Rütli-Wiese, geboorteplaats van de Zwitserse staat en daarmee een nationaal heiligdom. Wolken hangen tussen de rotswanden, waardoor het Urnermeer wordt ingesloten. Een tandradbaan voert naar beneden naar het Haus Treib, het voormalige veerhuis. De rest van de westelijke oever van het Urnermeer is nauwelijks door wegen ontsloten, want de Rütli-Wiese moet een rustige plek blijven die alleen te voet te bereiken is. Wij stellen ons bezoek aan de heilige weide nog even uit en rijden terug naar Niederdorf bij Beckenried, waar een veerpont naar Gersau overvaart. Het meer toont onbewogen en er ligt nog steeds een lichte nevel op. In een kwartier tijds bereiken wij de rijk met bloemen versierde noordelijke oever en houden daar de richting van Brunnen aan.
Inmiddels zijn al onze motorcollega’s wakker, zodat de slingerende oeverweg bijna op een motodroom lijkt. De parkeerplaats bij restaurant Eichwald, dichtbij Brunnen, staat vol met ’Töffs’ (de Zwitserse benaming voor motoren). Gelukkig lenen zich de bochten die in het gezicht van het populaire verzamelpunt liggen, niet voor spectaculaire hang-outs, en zo blijft het bij zien en gezien worden.
Achter Brunnen strekt zich het lange, fjordachtige bekken van het Urnermeer uit. Snel zijn Flüelen en Altdorf aan het zuidelijke einde van het meer bereikt. Stroomopwaarts aan de Reuß ligt bij Amsteg half verscholen de ruïne van Zwing-Uri. De vierhoekige toren wordt beschouwd als overblijfsel van een van de talrijke dwangburchten die de Zwitsers voor hun Habsburgse landvoogden in moeizame arbeid moesten bouwen, zodat dezen het land nog beter konden onderdrukken. Nu hebben de door struiken overwoekerde muurresten niets bedreigends meer, en zij zijn veel minder imposant dan de grote verdedigingstoren in Silenen, die vaak met Zwing-Uri wordt verwisseld.
Op de terugweg naar het meer bezoeken wij de hoeve van Sepp Steiner, die voor vandaag klaar is met zijn Tell-opvoeringen.Trots laat hij ons fotoalbums zien en ten slotte vertelt de hobbyhistoricus, die hij ook is, zijn eigen versie van het Tell-verhaal. Volgens hem heeft Tell bestaan, maar hij was geen boer, want boeren mochten geen handboog bezitten en zij konden ook geen verstand van scheepvaart hebben. Tell zou in werkelijkheid een jonker zijn geweest, die in verzet is gekomen tegen de Habsburgers. En het ging hem niet om de eigen eer, maar om de zo belangrijke handelsroute over de Gotthard naar Italië, historisch gezien inderdaad het hoofdmotief voor de stichting van de Zwitserse Confederatie. Deze verbluffend moderne en economisch gerichte interpretatie sluit Sepp Steiner af met de woorden: ’Zonder Gotthard geen Tell en ook geen Zwitserland, niet waar!?’
Spoedig zitten wij gebogen over oude folianten over de wapenkunst. Historische hand- en voetbogen zijn eveneens een hobby. Na de theorie volgt de praktijk: moderne sporthandbogen, de ongelofelijk zwaar te spannen navolgers van de middeleeuwse bogen, en zelfs een Chinees model, dat met meerdere pijlen tegelijk kan worden geladen, kunnen wij op zijn land uitproberen.
Bijna 20 uur later rollen de Japanse viercilinders Bürglen binnen, de geboorteplaats van Tell. De volksheld die hier met zijn zoon als barokke figuur uit de 18e eeuw de dorpsfontein versiert, is veel kleiner en lang niet zo martiaal als het pendant in Altdorf van 1895. Blijkbaar had iedere tijd zijn eigen Tell. En wie op het terras van restaurant Alpenblick zijn ogen niet alleen opslaat naar de met sneeuw bedekte en maar even 2923 meter hoge Uri-Rotstock, ontdekt misschien zelfs op het etiket van het appelsapflesje voor hem een ’Little Tell’. Na deze aangename verfrissing op van de kleinste naar de grootste figuur! Op de marktplaats van Altdorf, waar het beroemde schot-door-de appel zou hebben plaatsgevonden, loopt de verbaasde toeschouwer gevaar nekkramp op te lopen. Op een 4 meter hoge sokkel rijst een immense 3 1/2 meter grote Wilhelm Tell op. Met de beroemde handboog op zijn schouder en zijn linkerarm om zijn zoontje gelegd, zwellen op zijn gespierde kuiten de aderen dermate op dat zelfs Schwarzenegger van nijd zou verbleken. Omdat wij willen weten, waar en hoe deze beentjes eens hebben gesprongen, haasten wij ons naar de plaats van de beroemde Tell-sprong.
Een paar kilometer ten noorden van Flüelen stoppen wij boven de Tell-Platte. Nog een korte voettocht de Axen af naar de oever van het meer, en de plaats is bereikt waar Tell na zijn arrestatie in Altdorf door een vermetele sprong uit de boot aan Geßler ontkwam. Direkt daarnaast is de Tell-Kapelle, met vier kolossale doeken waarop scènes uit het leven van de nationale held staan. Het landschap is hier adembenemend mooi, ook al is de rots door een nuchtere betonplaat bedekt, zodat de blik altijd weer vol verlangen naar de overzijde van het meer gaat. Erop af!
Tot aan Bauen kan je langs de westelijke oever van het meer rijden. Aan het sportstuur van de de Big Bikes hoef je niet bang te zijn voor verveling. Bij Isleten slaan wij een van die smalle bergwegen in, aan het begin waarvan de goed zichtbare dienstregeling van de gele Postbus de gemotoriseerde weggebruikers waarschuwt voor tegenliggers. De palmen voor restaurant Seegarten, waar de smalle weg afsplitst, passen helemaal bij de verzengende zon. Dan kronkelt zich onder overhangende rotsen de smalle weg naar boven. De eerste haarspeldbochten bieden fantastische doorkijkjes op het meer. In het plaatsje Schwändi met zijn donkere houten huizen eindigt de weg bij het liftstation van de Eggenkabelbaan. Murmelend stroomt de Isitaler Beek door bonte almweiden, waarboven met sneeuw bedekte bergtoppen in de blauwe hemel spietsen. Speels springen kalfjes met helder klinkende klokjes ons tegemoet, de voldragen koeien gedragen zich bezonnener, maar ook zij klinken met hun donkere klokgelui mee in het concert. Een oude man, steunend op zijn stok, komt over het pad naar beneden, zet zich neer op een bank en wacht op de postbus. Hier is de plaats die ik als het meest Zwitsers in herinnering zal houden.
De volgende morgen verlaten wij vroeg ons kwartier, hotel Brückli in Schattdorf, om de Rütliweide te bezoeken. Een paar kilometer voor Brunnen rijst naast de oever het kolossale massief van de Fronalpstock op. Nog een beetje noordelijker verleidt een bergweg tot een rit naar boven, over Moosach tot de Axenstein met Rütli-panorama. Als vastgeplakt ligt de Rütliweide temidden van de rotsen aan de tegenoverliggende oever. Van hier kun je op de beide armen van het Vierwoudstedenmeer uitkijken, en nog iets hoger ontwaar je ook de dubbele bergspits van de Kleine en de Grote Mythen boven Schwyz.
Terwijl wij in Brunnen wachten op de raderstoomboot naar de Rütli-Wiese, schildert mij een uit de kluiten gewassen motorrijder levendig de voordelen van werken in ploegendienst. Op deze wijze kun je je eigen land op rustige ochtenden ook door de week met de motor verkennen. ’Net vakantie, niet waar!?’, voegt hij er listig lachend aan toe. Als aandenken schenkt hij ons een ansichtkaart van de Uri, bouwjaar 1901, die daarmee de oudste van de vijf raderboten op het meer is. Toevallig legt juist de statige, witglanzende Uri aan, om de wachtenden over te zetten. Binnenin zijn de machtige krukas en de drijfstangen die de schepraderen aandrijven ten gerieve van de toeschouwer vrijgelegd. Nog voor wij afmeren, passeren wij een uit het water stekend rotsblok, de Schillerstein, waarvan het opschrift herinnert aan de dichter en zijn toneelstuk, dat Tell wereldberoemd heeft gemaakt.
Vanaf de oever lopen we snel omhoog naar de Rütli-Wiese. Voor een nationaal gedenkteken is de weide, die natuurlijk wordt gelaten, verbazingwekkend bescheiden. Middenin wappert alleen de Zwitserse vlag. Vier oudere Engelse toeristen, stuk voor stuk Miss Marples, zitten op een van de drie stenen banken, die schaduw krijgen van een rij hoge naaldbomen. Alleen een klein bordje vermeldt de stichting van het Eedgenootschap in 1291. Drie van de vier woudsteden, waarnaar het meer genoemd is, namen destijds deel aan het Verbond tegen de Habsburgse heerschappij: Uri, Schwyz en Unterwalden. Luzern sloot zich pas later aan.
Even bescheiden als de Rütliweide, presenteert zich, ook wat de prijzen betreft, het Rütli-Haus, het enige café-restaurant dat hier een vergunning heeft. Terug bij de aanlegsteiger kondigt een lang aangehouden en over het water wegebbende fluittoon de retourboot aan. Het hele meer wordt, niet anders als bij een busdienst, door deze boten bevaren.
Tussen Brunnen en Hertenstein maakt de groene, met vlonders en kleine jachthavens bezoomde oever een liefelijke indruk. De terrassen van de aan het meer gelegen restaurants verlokken tot verwijlen. In weelderige bloemenpracht gedompelde plaatsen als Gersau, Vitznau of Weggis maken de slingerende oeverweg over vele kilometers tot één lange Kurpromenade. Boven de steilere zuidoever verrijzen de besneeuwde toppen van de Alpen en spiegelen zich in het onberoerde wateroppervlak.
Wij volgen het Küssnachtermeer vanaf Küssnacht. Op weg naar de Seebodenalp ligt in een klein bos de ruïne van de Geßlerburcht verscholen. De beroemde Hohle Gasse, waar het drama tussen Tell en Geßler zijn dodelijk einde vond, ligt aan de weg die uit Küssnacht leidt. ’Durch diese hohle Gasse muß er kommen, es führt kein anderer Weg nach Küssnacht.’ Bij de vaak geciteerde woorden uit Schillers stuk had ik mij altijd een nauwe straat in een kleine stad voorgesteld. In feite is de holle weg een door zwerfkeien bezoomde, stenige en steile bosweg. Aan het boveneind ervan bevindt zich nog een ander Tell-kapelletje. Een kiosk, een speelplaats en een kalenderfabriek completeren en profaneren een plaats die niets van de verheven eenvoud van de Rütliweide heeft.
Wij sturen onze machines terug naar Vitznau, om ons het genoegen van een reis met de Vitznau-Rigi-tandradbaan te gunnen, de in 1871 geopende, oudste tandradbaan van Europa. In het station van Vitznau staat stoom uitblazend de kleine, roodgroengouden ’Nummer 7’, een prachtig gerestaureerde oldtimer-locomotief op een merkwaardige manier naar voren geneigd. Pas op de steile helling ligt de tandradlocomotief recht. Wij worden door een veel moderne motorwagen naar de top gebracht. De al even jonge vrouwelijke bestuurder van de locomotief zet nonchalant nog haar zonnebril recht, en dan beklimt de wagen de berg, langs kleine bergdorpen, kastanjebruine melkkoeien en bonte weiden. Als roofvogels cirkelen daarboven deltavliegers.
Bij het bergstation aangekomen is het betonnen platform van hotel Rigi-Kulm weliswaar niets voor gevoelige ogen, maar het uitzicht van de nog wat hoger gelegen top doet zelfs dat vergeten. Begrijpelijk, dat Goethe de Rigi zo heeft bewonderd. Schiller overigens, die in zijn Wilhelm Tell de omgeving met levendige kleuren schildert, is hier nooit geweest. Hij is afgegaan op de berichten van Goethe. Vanaf een hoogte van 1797 meter heb je een prachtig gezicht op het 114 km² grote Vierwoudstedenmeer en zijn omgeving, je ziet zelfs de Alpenreuzen Eiger, Mönch en Jungfrau. Onder ons ligt majesteitelijk het diepblauwe meer. En misschien heeft’ie daar beneden toch geleefd, Wilhem Tell. ’Want wat is belangrijker’, zo had Sepp Steiner, onze Tell, gevraagd, ’het geschreven woord van de geschiedwetenschap of de springlevende traditie?’ Hij heeft gelijk. Tell bestaat, en wij gaan regelmatig bij hem langs…
[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Zwitserland-Tell.GPX”]
IJsland is nog zo puur als voor de Schepping: woest en ledig. En dat blijft het ook, want IJsland is nog lang niet af. Onder de grond borrelt en pruttelt het als in een hogedrukpan. Als de druk te groot wordt, gulpt het magma gul uit de gescheurde bodem en staat er ineens een vulkaan naast je voordeur.
In fotobladen als de National Geographic lijkt IJsland feeëriek, dromerig, ja zelfs lief. De werkelijkheid is anders. Wie op zijn motor in september over de onverharde Kjöllur, de belangrijke verbindingsweg naar het noorden – stuitert, rijdt door een rauwe en eenzame uitgestrektheid. Een emotionele confrontatie met oneindige keienvelden met nauwelijks begroeiing waarin de glooiende weg het verliest van de verte. Perspectief verandert en het inschatten van diepte en afstand wordt lastig. Een snik in je keel welt op en een unheimisch gevoel overvalt je. Aan de andere kant voelt het ook als een godsgeschenk. Dat je hier mag rijden is een zegen en uitdaging tegelijk. Het eerste contact met het ruige binnenland van IJsland is een strijdige en verwarrende ervaring die zich laat voelen in je ruggengraat.
Op Keflavik Airport ben je nog onwetend van IJslands rauwe achterland. Hoewel de omgeving nou niet bepaalt gastvrij en ontwikkeld lijkt, is Reykjanes, het schiereiland waarop het vliegveld ligt, slechts een voorbode van wat je te wachten staat. De knobbelige stromen zwarte lava zijn er begroeid met mos, wat de scherpte camoufleert. Eenmaal in de bus naar Reykjavik, over de nieuwe vierbaans autoweg, heb je helemaal geen idee meer van het grote avontuur dat je te wachten staat. Alleen wie zijn ogen die eerste kilometers goed de kost geeft, merkt in de verte de vage silhouetten op van dreigende bergenruggen met steile flanken en afgeplatte toppen. In de Donald Duck zijn vulkanen makkelijker te herkennen.
IJsland presenteert zich als een gewoon land met winkelcentra, torenflats, vinex-wijken, industriegebieden, benzinepompen en fast food ketens. Niets bijzonders, en eigenlijk voel je een lichte teleurstelling. De place-to-be is de Laugarvegur, een grote winkelstraat in het oude stadscentrum. Hier staat zo’n beetje alles wat de moderne toerist aantrekkelijk vindt. Restaurants, kroegen, designwinkels en opvallend grote boekhandels, een motordealer ontbreekt. Je hebt alle redenen om meteen op je motor te springen.
Het IJsland dat je zoekt – het woeste IJsland – begint voorbij Mosvellsbaer, als je op de 36 rijdt. Een dramatische weg, zonder dat je er erg in hebt. Dat krijg je pas uitgelegd bij Thingvellir. Deze historische plaats, dik 1000 jaar geleden werd hier de IJslandse Alting gesticht, een vroege vorm van democratie, ligt op het breukvlak tussen de schollen waarop Amerika en Europa liggen. Dat uit zich in een metersdiepe steeds wijder wordende kloof. Europa en Amerika drijven onverbiddelijk uit elkaar vandaan. Nog mooier wordt het als je de 36 verlaat en de eerste onverharde meters onder je banden knerpen. De langzaam stijgende pasweg bocht in luie krullen langs lage begroeiing naar iets wat op een hoogvlakte lijkt. Op de pas gunt ?ijsland je een uitzicht over een wijd komdal en ineens zit je er middinin. zit je er ineens middenin. Zwarte vulkaankegels bekleed met groen mos, wetlands met pluizige moerasplanten. Trollatindur heet het hier
Over weg 1 – die heel IJsland omvat – verlaat je Reykjavik in noordelijke richting. Het asfalteren van deze weg – rond Reykjavik vierbaans – is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van het eiland. Nog niet zo heel lang geleden was IJsland een verzameling bijna geïsoleerde economische centra die onderling nauwelijks met elkaar in contact stonden. Visserij en veeteelt waren lange tijd de belangrijkste inkomstenbron. Het land stond onder Deens bestuur en werd pas begin jaren zestig zelfstandig. De laatste decennia is de economie booming. Dat zie je. Grote accountancy bedrijven zijn neergestreken.
Reykjavik is een verzameling ruim opgezette voorsteden met een gezellig klein centrum. Alles wat je zoekt ligt op loopafstand. Vooral de aan winkelstraat Laugarvegur Het is nauwelijks voor te stellen dat ruim de helft van alle IJslanders stadsbewoners zijn.
Wie Reykjavik verlaat, rijdt over brede wegen langs winkelcentra, torenflats en benzinestations. Niks bijzonders eigenlijk. Het kan in willekeurig welk Scandinavisch land zijn. Met dat verschil: er groeien nergens bomen!
De oerknal, dat moet wat geweest zijn. Een niet te begrijpen explosie van samengeklonterd kosmisch materiaal. Zo groots en zo luid dat we de ruis nog steeds horen in radiotelescopen. En echt begrijpen doen we het nog steeds niet. Dan is IJsland duidelijker in zijn ontstaan. Eiland, Midatlantische rug, wijkende platen, vulkanen en lava. Daarmee heb je IJsland wel zo’n beetje omschreven. Het is er zo puur als op de eerste dag van de Schepping. Sterker nog: IJsland is nog steeds niet af. Dik 1000 jaar geleden werd het bewoond. Vikingen deden het eiland aan op weg naar Noord-Amerika. Ze dachten slim te zijn door het nieuwe land IJsland te noemen, waarmee ze het onbewoonbaar verklaarden voor andere zeevolken. Zo hadden de Vikingen het rijk voor zich. Nu wonen er zo’n 300.000 mensen. Trotse mensen, want ze voelen zich de zonen en dochters van Leif Eriksson. En ze spreken een taal die verwant is aan het Vikings. Europeanen kunnen er geen touw aan vast knopen. Hoeft ook niet, want IJslanders kom je in het ruige binnenland amper tegen. De helft van de IJslanders woont in de hoofdstad Reykjavik en de andere helft ergens aan de kust, in kleine nederzettingen of groot uitgevallen dorpjes. Lekker rustig.
[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-IJSLAND-2007.GPX”]
Het rivierlandschap van de Ebro, die het Oosten van Spanje bijna vanaf de Atlantische Oceaan tot aan de Middellandse Zee doorstroomt, is nu eens existentieel schraal dan weer welig groen.
Thomas Quast
Rustig trekt een roofvogel zijn cirkels tussen de Cantabrische bergen in het Zuiden. Vanaf mijn Freewind kijk ik in de hemel en zie, hoe de vogel zich op de wind omhoog laat dragen hoog boven het keteldal, waar de Ebro ontspringt. De lege parkeerplaats boven de bron lijkt veel te groot te zijn voor het gehucht Fontibre. Het is waar: de Ebro, of Ibre, zoals hij vroeger heette, geeft al vanaf de Romeinse tijd het Iberisch schiereiland zijn naam, en zo is hij niet alleen om zijn lengte van meer dan 900 kilometer een belangrijke rivier in Spanje. De toeristen hebben de bron in de late namiddag blijkbaar al verlaten, zodat daar nu een bijna pastorale rust heerst.
Alvorens wij het beboste keteldal bereiken, wordt de stilte plotseling verscheurd door het strijdlustige gesnater en gekwaak van een paar eenden, die een klein meertje bevolken, waartoe de Ebro, nauwelijks aan het licht gekomen, wordt opgestuwd. Het bassin, dat met zijn turkooisgroene glans, zijn waterplanten en zijn grassen temidden van het bosje bijna als onderdeel van een Engelse landschapstuin kan doorgaan, is wel het eerste maar lang niet het laatste stuwmeer in de lange loop van de rivier naar de Middellandse Zee. Boven de plaats waar de Ebro ontspringt, is een nis in de steen uitgehouwen, waarin een Mariabeeld omringd door rode olielampjes staat. Op een stele in het meertje staat nog een beeld van de Moeder Gods. Het door de wind gerimpelde water weerspiegelt flakkerend de laatste in het diepe dal doordringende zonnestralen op de boomstammen, die psychedelische projectielampen uit de jaren zestig en zeventig lijken.
De Ebro, die zich door de vroege stuwing reeds als een krachtige stroom manifesteert en door een rotsachtig en schraal landschap zijn weg baant, volgen wij richting Reinosa, een ca. 5 kilometer ten oosten van Fontibre gelegen kleine industriestad. Wanneer ik mijn Susuki tot dicht aan de vlakke oever stuur, zie ik aan de overkant een boer wenken en roepen. Maar hij bedoelt niet mij, maar zijn aan deze zijde van de oever achtergebleven koeien en zijn honden. De honden blaffen nu eens tegen mij dan weer tegen de koeien, die zij door het water naar de overkant dienen te drijven. Maar pas een ezel die zich onder de koeien bevindt, slaagt erin door een stoot tegen het achterwerk ook de laatste koe ertoe te bewegen door de stroom te waden. Of de ezel hier werkelijk als drijver fungeert of slechts zijn wijsneuzigheid aan een vreemde endurist wil demonstreren- men kent dat van de grauwtjes -, blijft open. In ieder geval animeert grauw ook mij om met mijn 650-cc de doorwaadbare plaats uit te proberen.
Het is overigens de laatste gelegenheid op deze wijze natte banden te halen, want bij Reinosa ligt glanzend in het laatste daglicht de Embalse del Ebro, het rond 20 kilometer lange en tot 5 kilometer brede en daarmee grootste stuwmeer van de Ebro. De Embalse, Spaanse naam voor stuwmeer, maakt duidelijk, welke functie de Ebro praktisch vanaf zijn oorsprong voor het land heeft: hij dient als waterreservoir voor de steden, de landbouw en de industrie. Pas in het latere verloop komt daar nog zijn betekenis als scheepvaartweg bij.
Na een gevarieerd en hartig ontbijt in de al tamelijk warme morgenzon voor een van de Tapa-Bars van Reinosa breken wij op, om eerst de oever van de Embalse del Ebro te verkennen. Nog in de plaats zelf leren wij een van de geniepigheden van Spaanse wegen kennen: ook als zij kurkdroog zijn, hebben zij een extreem glad wegdek. Wij slagen er nog juist in onze motoren in een bocht terug te houden, anders zouden wij allen tegelijk als sychrone zwemmers in de etalage van een hoedenwinkel zijn beland. Tussen Las Rozas en Renedo hobbelen[treckern] wij dan over veldwegen en ook wel offroad door een rotsachtig rivierlandschap en komen bij een verlaten, half vervallen kapel aan, die direkt aan het water ligt. In de open bakstenen toren hangen nog de klokken- het is alsof wij tussen de coulissen van de beroemde Italo-Western „Once upon a time in the West“ zijn geraakt. Bovendien brandt inmiddels in een wolkenloze hemel onbarmhartig de zon. Maar totaal dood is de omgeving niet. Met mijn verrekijker ontdek ik tussen half verdronken bomen op het blad van een waterplant een vette groene kikvors als uit een sprookjesboek, die al geruime tijd door penetrant kwaken op zich de aandacht wil vestigen.
De luidkwakende „kikker-koning“ lijkt te verwijzen naar het sprookjesrijk van de gebroeders Grimm, want een paar kilometer na het stuwmeer komen wij bij Orbaneja del Castillio bij de ruïnes van een gigantische burcht met bizarre en volkomen nutteloze torens en bogen en tinnen. De rivier heeft op die plaats een canyon in de rotssteen uitgegraven, en de hoog boven de oever uittorenende rotstformaties zien eruit als de restanten van een door reuzen gebouwde stad. In dit gebied kan men per ezel of te voet tochten maken alsook wildwatertoeren. De volgende markante stopplaats is het dorp Pesquera de Ebro, dat wordt gedomineerd door een skeletbleek-schemerende zandstenen kerk. Aan een even skeletkleurige zuil ervoor hangt een crucifix. De Gekruisigde Christus is hier zo afgemagerd, dat hij zelf aan een geraamte herinnert. Een schedel ligt aan de voet van de deerniswekkende Gekruisigde, die ook nog zijn linkerarm mist. De linkerhand evenwel is nog vast aan het kruis geslagen. De Man van Smarten lijkt ons opnieuw direkt op het thema „Once upon a time in the West “ te willen terugbrengen, maar de route over draaiende, smalle paswegen voert ons eerst in een gebied vol groen en leven.
Want nog voordat de Ebro de kleinste maar door haar wijn beroemde Spaanse provincie Rioja bereikt, wordt de vegetatie van het landschap zichtbaar rijker. Van de heuvels groeten de bekende reusachtige afbeeldingen van stieren, die hier als cognac-reclame dienen. Aan de oever van de smalle Embalse de Sobrón voor Miranda ligt een atoomreactor, waarvoor de rivier als „afwateringskanaal“ dient, alweer een teken van het industriële gebruik van de Ebro. Het water van deze rivier staat om deze reden dan ook niet als bijzonder schoon bekend. Spoedig zomen het vlakke oeverland echter ook wijnstokken met de druiven voor de rioja. Deze wijnbouw maakte de streek aan het eind van de 19e eeuw, toen in het gebied van de bordeaux-wijnen de wijnluis huishield en de wijnhandel naar een vervanging voor de rode wijn zocht, tot het centrum van de toenmalige wijnwereld. Draaischijf van de rioja-export werd het station van Haro, waar de wijnvaten op waggons werden geladen en de hele wereld over werden verzonden. Al speelt de trein voor de wijnhandel tegenwoordig geen rol meer, toch slaat nog steeds het hart van de rioja in de stationswijk van Haro: bodega’s als López de Heredia, La Rioja Alta, CVNE en Bilbainas zijn levende getuigen van dat grote verleden, toen de bordeaux op het wereldtoneel een waardige vervanger had. Daarop willen wij een toast uitbrengen, die evenwel letterlijk in het water valt, omdat uit de inmiddels opgekomen wolken in de avond een heftige stortregen op ons neerkomt en wij, nog voordat wij Haro bereiken, een nachtlogies opzoeken.
Ook de hele volgende morgen blijft het regenen – en dan nog lezen dat de zon in Espaňa dag en nacht schijnt! – Voordat wij in het stenige en woestijnachtige gebied rond Zaragoza komen, nemen wij een lunch in de bodega „Ramona“ in Lodosa. Routineus schakelt de manlijke clientèle van de ene op de andere tv-uitzending over, en nu eens verschijnen beelden van de meerdaagse Fiesta van San Fermín in Pamplona, dan weer beelden van de Tour de France. Gejaagd wordt in beide: bij de beroemde Fiesta jagen, telkens weer begeleid door valpartijen, jonge stieren en jonge mannen elkaar op de door regen spiegelgladde straten van Pamplona, met dat verschil dat de stieren het niet vrijwillig doen, en bij de Tour jagen wielrenners op dat moment met hoge snelheid door de Pyreneeën, waar dit jaar reeds verscheidene etappes door inheemse renners zijn gewonnen. Terug uit de levendige bodega op de weg wordt niet alleen de regen maar ook het groen van het land gestaag minder.
Ten oosten van Milagro krimpt het in cultuur gebrachte land in tot een smalle strook langs de rivier, terwijl reeds een paar kilometer van de oever verwijderd zich een steenwoestijn uitstrekt. Heeft ons hierheen de uitgemergelde Christus van Pesquera verwezen? Bij Fustiňana wijken wij even van onze route af om de Plana del la Negra te verkennen. Het landschap wordt gekarakteriseerd door kleine tafelbergen en kegelvormige steenformaties. De weg is niet meer dan een pad, met indrukken van wielsporen. Er groeien slechts dorre struiken en distels. Kronkelige, uitgeholde, tot 15 meter diepe, in dit jaargetijde droog staande minicanyons bewijzen dat hier bij massieve regenval machtige watermassa’s richting Ebro stromen. In een van deze canyons vind ik slakkenhuizen en een geraamte van een schaap. De regen is weliswaar over, maar nog altijd trekken snel bewegende wolken langs de zon, zodat in het monotone landschap veranderlijke lichtmotieven worden aangebracht. Ook de opgestoken wind brengt koelte, maar wervelt eveneens veel stof en zand van de snel opgedroogde bodem door de lucht. Maar gelukkig wordt het niet te heet. Hoog boven op een hoge berg en moeilijk toegankelijk ligt als een adelaarsnest het klooster Eremita de Sancho Abarca.
Bij Tauste stoten wij op een verlaten en vervallen farm. De vale restanten van de omheining van de Cooperation Ganaderos San Simon y San Judas hebben zich in kleur volledig aangepast aan het skeletgrauwe landschap. Ook hier liggen geraamtes van schapen met opspietsende ribben. Ik hoor opnieuw de man met de mondharmonica uit de bekende Italo-Western. Ver beneden in het dal van de Ebro glanst het groen, maar tot hier reikt het levenschenkende irrigatiesysteem niet. Ik stuur mijn Freewind weer terug op een echte weg, richting Zaragoza.
Zaragoza, universiteits- en bisschopsstad, waarvan de stichting teruggaat tot in de Romeinse tijd, is met zijn bijna 600.000 inwoners de grootste stad aan de Ebro. Reden genoeg, een grote boog om het huizenmeer te maken, of zich er juist middenin te storten. Maar in een van de vele straatcafés rondom de centrale Plaza de Pilar met haar indrukwekkende kerkgebouwen en haar basiliek met vele torens, keert dan uiteindelijk de rust terug, als in het oog van een hurricane. De Ebro stroomt in het gebied van de stad door uitgestrekte groene parken en plantsoenen, maar aan de overzijde van de stad wordt het landschap opnieuw schraal en rotsachtig.
Ca. 40 kilometer ten zuidoosten van Zaragoza ligt de plaats Belchite, dat tijdens de Spaanse Burgeroorlog van 1936 tot 1939 voor de Republikeinen, die het onderspit zouden delven, grote betekenis had in het stragisch zo belangrijke Ebrogebied. Naast de huidige stad ligt als een manend gedenkteken het door de oorlog verwoeste oude Belchite, dat de Republikeinen tot 1938 wisten te verdedigen tegen de fascistische nationalisten onder Franco. In het ruïnenveld aan de overzijde van de oude stadsmuur klapperen losse vensterluiken in de wind, gordijnen fladderen uit holle ramen, en in de kamers van de vervallen huizen ziet men nog het oorspronkelijke behang in stukken van de muur hangen. Aan de zijde van de dictator Franco vocht hier een Duitse eenheid van de luchtmacht, het Legioen Condor, dat niet alleen voor de verwoesting van Belchite maar ook voor de bombardering van Guernica verantwoordelijk was.
Na de ruïnenstad bereiken wij spoedig de streek om Caspe. De Ebro meandert hier sterk door een aan vegetatie rijk en vruchtbaar landschap, waar het water van de rivier uitgestrekte fruitboomplantages irrigeert. Tegelijkertijd is de Ebro door stuwing zeer breed geworden en uitgewaaierd, en de oevers zijn vaak met riet begroeid. Dit waterrijk wordt hier in het Westen van de provincie Aragón daarom ook wel Mar de Aragón genoemd. Het is gemakkelijk om in de wirwar van rivierkronkels en zijarmen en schiereilandjes de oriëntering te verliezen, maar de Freewind stimuleert dit nu juist om kriskras door het land te rijden. Op grond van zijn visrijkdom is dit stuk van de rivier bij vissers even geliefd als de historische plaats Caspe dit is bij de voor het merendeel inheemse toeristen.
De Ebro stroomt dan niet zo breed meer maar door een steeds dieper ingesneden dal verder richting Middellandse Zee. Op de rotsige hoogten liggen talloze kastelen en burchten, en op de rivier zelf kan men zijn betekenis als scheepvaartweg niet meer over het hoofd zien. Op enkele plaatsen worden wij gedwongen de direkte rivierloop te verlaten maar wij worden schadeloosgesteld door kronkelende wegen en eenzame bergpassen. Als de Ebro in de provincie Catalonië komt, maakt hij niet alleen een scherpe knik zuidwaarts maar verandert hij ook van naam en gaat in het Catalaans Ebre heten.
Ten oosten van de industriesteden Tortosa en Amposta ligt de Delta de l’Ebre, een uitgestrekte vlakte, die, door de Ebro en talloze waterlopen en kanalen doorsneden, als schiereiland in de Middellandse Zee steekt. Een veerboot van de noordelijke Deltebre naar het zuidelijke Sant Jaume d’ Enveja bespaart de terug- en omweg over de bruggen van Amposta. Het vochtige deltagebied is niet alleen ideaal voor de rijstbouw maar biedt ook vele vogelsoorten, waaronder flamingo’s en andere dieren die alleen op vochtige plaatsen kunnen leven, de nodige levensruimte. Een groot deel van de delta is daarom natuurreservaat. Toerisme is hier ondanks uitgestrekte stranden maar matig voorhanden. Zo kan ik geheel ongestoord in een kleine, door de maan beschenen vissershaven toezien, hoe de Ebro naar zijn monding stroomt in de nu heel dichtbijgelegen Middellandse Zee.
[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-ebro.GPX”]