dinsdag 5 mei 2026
Home Blog Pagina 1338

Wat zijn jouw goede voornemens voor een gedenkwaardig 2018?

0

Het nieuwe jaar start je met goede voornemens, afspraken met jezelf over zaken die je anders gaat aanpakken. Vijf voornemens voor een gedenkwaardig motorjaar 2018.

Nieuw jaar, nieuwe kansen. Je motor is niet alleen geschikt voor de ene droomreis die er vaak toch niet komt. Beter is je dromen wat te managen naar behapbare projecten die wel te realiseren zijn. Bedenk ook niet teveel goede voornemens: vijf ‘zadel’ of ‘garage’ projecten zijn meer dan genoeg.

1 Rijd meer km

Motorrijden is goed. Het is zelfs therapeutisch. Daarom kun je het voornemen om in 2018 meer kilometers te gaan rijden beter heel serieus nemen. En wees niet te zuinig met het gebruik. Ga er mee naar je werk, gebruik ‘m in alle weekeinden, rijd ermee over je favoriete wegen, doe mee aan georganiseerde toertochten (TankTasTochten!). Doe eer je boodschappen mee, rij ermee naar het café. Doe eens een offroad. Of: schrijf je in voor een training op het circuit.

2 Verbeter je rijvaardigheid

Het maakt eigenlijk niet uit of je je motorrijbewijs 1 maand of 30 jaar hebt. Een motorrijder raakt nooit uitgeleerd. Van de juiste manier hoe je een bocht neemt tot hoe je je voorwiel uit een diep spoor stuurt. Strategieën die je kunt oefenen tot ze je tweede natuur zijn. Ervaring opdoen zodat je weet wanneer er wel en geen grip is in de regen. Je kunt je ook laten trainen tijdens een rijvaardigheidstraining. Ze zijn er op verschillende niveaus , maar kies vooral de training die je het meeste inspireert. Je zult merken dat je na een training nog meer van je motor geniet.

3 Maak een mooie reis

Maak de reis die je altijd had willen maken in 2018. Je zult aan het eind van het jaar merken dat je met veel genoegen zult terugdenken aan de zomer van 2018. Rijd naar de Noordkaap. Of dwars door Italië met de prachtige bergwegen van de Gran Sasso, Apennijnen en Dolomieten. Check sites als promotor-reizen.nl en laat je inspireren.

4 Maak die opknapper toch eens af!

Staat de motor van je oom nog steeds in de schuur? Heb je ooit een restauratieproject gekocht maar ben je er nooit mee begonnen? Start nog deze winter met je project. Werk er hard aan, maar wel volgens een planning. Verschiet niet al je kruit, maar kien het project zo uit dat je ergens in juni de laatste hand er aan legt. Aan het begin van de zomer met een mooi gerestaureerde motor de weg op. Glimmend chroom en smetteloos lakwerk. Een grotere beloning voor al je inspanningen is er niet.

5 Bespaar niet op kleding

Met veiligheid valt niet te spotten. Iedere keer dat je op de motor stapt, draag je beschermende kleding van hoge kwaliteit, want ook een schuiver bij een geringe snelheid van 40 km/u kan vreselijke gevolgen hebben. Neem je het advies niet ter harte, kan jouw motorseizoen 2018 in april alweer voorbij zijn. Hou voor de revalidatie een klein jaar aan.

Rossi mag blijven ranchen

0

Geluidsoverlast; elk circuit in Europa heeft waarschijnlijk buren die er over klagen. Zo ook Rossi’s Ranch (filmpje) in Tavulia. Drie omwonenden van het dirttrack-circuit spanden er enkele maanden geleden zelfs een rechtszaak over aan. Naast het geluid stoorden de buren zich ook aan het stof, terwijl ze eveneens claimden dat de verleende bouwvergunningen onwettig zijn verleend.

De rechters besloten gisteren echter in het voordeel van Rossi. Hoewel het rijden op de Ranch weliswaar geluid en stof met zich meebrengt, worden daarin geen regels overtreden. Bovendien werd vastgesteld dat de openingstijden van het circuit keurig worden nageleefd.

Of de kous hiermee af is? De buren zouden nog een gang naar een hogere rechter kunnen overwegen, maar gezien het vonnis hebben ze weinig poten om op te staan…

Hrubý Jeseník-gebergte: de Tsjechische bergen

0

56 toppen van meer dan duizend meter telt het Hrubý Jeseník-gebergte, een nog altijd vrij onbekende regio in het noordoosten van Tsjechië met heerlijke bochten en, als je er de tijd voor neemt, heilzame warmwaterbronnen.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/hruby-jesenik-tsjechie.gpx”]

‘Daar tuf ik altijd graag naartoe, vooral naar Most of Brno. En om het Tsjechische bier!’ grijnst Uli, wanneer hij ons de sleutels voor de hemelsblauwe Bonneville Spirit Edition overhandigt. Tja, racecircuits en bier, dat is vaak het eerste waar je bij Tsjechië aan denkt. Tijdens de heenreis over de monotone snelweg via Wrocław denk je misschien nog even aan Lolek en Bolek, een Poolse animatieserie uit de tijd dat Oost-Europa nog terra incognita achter het IJzeren Gordijn was – totdat het decor verandert en zich ten zuiden van Opole eindelijk de uitlopers van het Hrubý Jeseník-gebergte uit het gouden licht van de late middag losmaken en de eerste bochten zich aandienen. Eindpunt voor vandaag en ons rustpunt voor de komende vijf nachten is het familiepension U Petra aan de rand van het stadje Jeseník. Een uitstekende keuze. Kamer, keuken, service en sfeer: wat wil je nog meer?

Het plaatselijke toeristenbureau prijst het gebergte uiteraard aan, net als de districtshoofdstad Jeseník, dat tot 1947 overigens nog Frývaldov, in het Duits Freiwaldau, heette. En dus hebgen ze een klein welkomstcomité samengesteld dat ons de eerste dag begeleid, van de ene bezienswaardigheid naar de andere. In Jeseník zelf zijn het er niet zoveel: een oude waterburcht met een streekmuseum en dan misschien nog het beulshuis, eertijds de zetel van de laatste scherprechter ter plaatse, thans informatiekantoor voor toeristen – dat was het wel zo’n beetje. Verder naar de duivelsstenen, een rotsachtig bastion met een onbelemmerd uitzicht op Moravië. Koffiestop in het van medeklinkers vergeven Hhtel Křížový vrch, en daarna verder naar Lázně Jeseník, het voormalige Gräfenberg.

Zweten in de spa

Het kuuroord legt het dan misschien af tegen Karlovy Vary (Karlsbad) en co, maar het was wel mooi het eerste water-herstellingsoord ter wereld. Hydrotherapie is begin negentiende eeuw uitgevonden door Vinzenz Prießnitz, lang voordat een zekere Sebastian Kneipp het natte terrein betrad. En ook wie geen weekje halfpension met alle voorzieningen van dien in kuurhotel Priessnitz boekt – misschien een aardige cadeautip voor een ontspannend verblijf voor z’n tweetjes? – kan in Lázně Jeseník zijn lijf verwennen, in het spa- en wellnesspark zweten en in het Balneo-park pootjebaden in koud water. Maar je kunt ook een Schroth-therapie volgen in Lipová-Lázně of de zwavelbronnen in Velké Losiny bezoeken.

En wat staat daar vrolijk en ongegeneerd op een veld bij Bělá pod Pradědem met zijn karakteristieke handvormige bladeren naar ons te wuiven? Hennep, onmiskenbaar. ‘It’s technical cannabis’, lacht Kyle, een bekende Yamaha-dragcoureur. Hij is de baas van de Bairnsfather Distillery, die door het filteren van de planten (niet alleen hennep) hun spirit in de flessen weet te krijgen. Het meest prominente product van de al door Johnny Depp bezochte destilleerderij zijn diverse soorten absint. Dat juist dit goedje het zo vaak moet ontgelden, doet Kyle maar weinig. Zijn motto: Create your own reality – anders maken anderen gehakt van je.

Van de geest in en uit de fles naar al die allang gestorven min of meer vernuftige geesten die hun gedachten hebben overgeleverd op papier. Oftewel: op naar de papierfabriek Velké Losiny, waar al vierhonderd jaar lang papier wordt geschept, van oudsher gemaakt van de pulp van katoen- en linnenvezels. Dat ooit in het nabijgelegen renaissanceslot heksenprocessen plaatsvonden waarbij zelfs de vrome papiermakersvrouw Barbora Göttlicher in het openbaar werd verbrand, toont tragisch genoeg maar weer eens aan dat het aankomt op wat je met iets doet. Want zonder papier en boekdrukkunst had Malleus Maleficarum, beter bekend als de Heksenhamer, zijn verschrikkelijke inquisitiepraktijken vermoedelijk nooit binnen de 29 drukken van het boek kunnen verspreiden.

Naar de oude vader

Na het verplichte programma, dat ons zakken vol folders en souvenirs heeft opgeleverd – dank nogmaals aan Lenka en Lucie, Renata en Věra, Kyle en Jana – zijn we nu vrij voor onze kuur. In de met allerhande afgedankte landbouwwerktuigen volgehangen ontbijtzaal strijkt opeens een hele meute sprinkhanen neer. Een aan lange wandelingen verslingerde groep gasten doet zich in sneltreinvaart te goed aan het buffet en is vijftien minuten later alweer gevlogen. Nee, dan wij. Buiten in het zonnetje fonkelen onze levenslustige tweecilinders, die we vandaag nog de Praděd op willen drijven. De in het Duits Altvater (‘oude vader’) genoemde berg is met zijn 1491 meter niet alleen de hoogste top van het Hrubý Jeseník-gebergte maar van heel Moravië. Voor motorrijders is het een soort mekka: je moet er minstens één keer in je leven zijn geweest.

Onderweg naar de Praděd muteren hele cohorten van de homo sapiens tot de homo bussicus, die met pendelbussen naar de tussenstop Ovčárna worden gebracht. Van daaruit draait het alleen nog om spierkracht, ook voor de tolbetalers die met hun eigen vervoer zijn gekomen. Tenzij je bevoorrecht bent en een speciale vergunning bezit. Dan mag je ze lekker relaxed inhalen, al die ontbijtcalorieënverbranders die via een slingerend asfaltweggetje drie kilometer bergopwaarts sjokken. Een ware volksverhuizing. De een met zeven poedels in zijn kielzog, een ander met een MTB met dertig versnellingen, en iedereen zucht onder de hitte. Boven op de Praděd een fotosessie voor de televisietoren en een bezoekje aan het restaurant om de inwendige mens te versterken. Onder het genot van goulash en sla een tip: ook gasten die in het belendende eenvoudige hotel overnachten, mogen gratis de Praděd op. Succes!

Op een ererondje door het rustige, door donkerbruine houten huizen en een drankpaviljoentje gedomineerde kuuroord Karlova Studánka volgt een uitputtend bochtenparcours op de 44 naar Červenohorské sedlo. De op de kaart verleidelijk krullerige weg is gloednieuw. Boven op de pas kun je door de werkzaamheden aan de weg niet verder, maar moet je retour – wat het alleen maar leuker maakt, want verkeer is er nauwelijks. Wie hoeft dan nog zo nodig de Stelvio op? Als om die gedachte kracht bij te zetten, laat de Triumph de vonken vrolijk sproeien.

Broodje in een Tatra-wrak

Een stuk relaxter is de rit door het noordelijke puntje van het Hrubý Jeseník-gebergte bij de Poolse grens, met zijn fijnmazige netwerk aan wegen die doen denken aan de haarvaten van longen. Hier een korte pauze op strobalen voor Vidnava, daar het kasteel Jánský Vrch in Javorník, een juweel dat je het best van onderaf kunt bewonderen, een imposant contrapunt met de bouwvallen die je elders soms ziet. We gniffelen telkens om lollig en soms ook geil klinkende namen als Horní Fořt. En dan zijn we weer terug in U Petra, hongerig en wel.

Niet alleen dorstige zielen vereren de Lesní bar bij Lipové-Lázně met een bezoekje. De boshut is 8.760 uur per jaar geopend, maar doet het zonder personeel. Je laat het geld voor je in bronwater gekoelde drankjes achter in een kistje. Eerlijk gezegd is het ons een beetje te ver, en onze tankrugzak is nog goed gevuld. En dus kiezen we geen romantische maar een roestige plek om te picknicken, een al tijden uitgerangeerde Tatra-truck met een laadschop op zijn rug die, door struikgewas omgeven, elk moment de botanische eeuwigheid kan binnengaan. Junglekamp anno 2050?

Als een grote blauwe vlinder zeilt de Spirit Edition met krachtige vleugel- dan wel zuigerslagen over de glooiingen tussen Branná, Loučná nad Desnou en Vikantice, en brengt zo een beetje kleur, al is het maar even, in het onopgesmukte dagelijks bestaan van sluimerende oorden als Žárová en Pusté Žibřidovice. En dan opeens een formidabel zomers onweer, gelukkig net boven Staré Město, waar een kerkje bescherming biedt. Met Gimme Shelter van de Stones in ons oor spatten we er ten slotte vandoor, maar ver komen we niet. Het ‘Just a shot away’ dreunt nog na, de storm heeft bomen als mikadostokjes doen omvallen, de weg is door de brandweer afgezet. Geen probleem: we banen ons een weg langs afgezaagde takken en pakken onze rust. Net als gisteren op de 44 heeft ook de 11 bij Červená Voda met haar spaghettislierten op de Červenovodské sedlo een onweerstaanbare aantrekkingskracht op motorrijders. Al even onweerstaanbaar is de avondhemel met de ondergaande zon, zodat het uitstapje naar de bedevaartskerk Mariánsky Kopec op de ‘Berg van de Moeder Gods’ bij Králiky er enigszins bij inschiet en we op de terugweg door de mistig grijze nacht behoedzaam onze weg zoeken.

Bier en dansen

Maar ’s ochtends is alle kleur weer terug. Het schitterende auto- en motormuseum in Česká Ves toont een mix van vooral Oost-Europese merken en modellen, zoals Mirela, Ogar en Praga; en daartussen prijkt bijna exotisch een Ducati 750 Supersport. Die had maar even een kloeke 68 paardjes tot zijn beschikking, net zoveel als onze 900 Triumph van nu en genoeg om in volle aanval over de onberispelijk geasfalteerde 453 naar Zlaté Hory, eens een centrum van de Silezische goudmijnen, te galopperen. Niet te missen en nauwelijks te bevatten dat op zoveel plaatsen de tand des tijds zo heeft toegeslagen. Verlaten en vervallen huizen als de stomme getuigen van oorlog en verdrijving. De oude Duitse plaatsnamen hebben de heerschappij van de Habsburgers en later de nazi’s in het gebied dat ooit Protectoraat Bohemen en Moravië heette overleefd, althans op een aantal wegenkaarten. En wat ontdek je dan aan het oostelijk eindpunt van de 453? Hotzenplotz! Dat riekt naar een rovershol, maar het blijkt een door woonblokken gedomineerd dorp dat inmiddels Osoblaha heet en waar de Duitse naam allang uit de herinnering is verdwenen.

Oogstfeest in Slezské Rudoltice. In de wijde omtrek zijn de velden gemaaid en leeg, vermoedelijk tot de Oeral aan toe, maar hier en nu is het bal. Voor het fraaie slot een springkasteel en biertenten, er wordt gedronken en gedanst. Ondanks het feestgedruis wordt de weg vriendelijk vrijgemaakt voor de beide vreemde motorrijders. Die belanden zo linea recta via een halfverharde weg door het bos langs de Poolse grens in Město Albrechtice en op een gegeven moment ook weer in, verrassing, Freiwaldau alias Jeseník.

Geen verdienmodel

Toegift. De gesloten staalfabriek in Ostrava is hét adres als je van industriële architectuur met haar enorme sculpturen houdt. Het uitkijkplatform van Hoogoven 1 biedt een overweldigende blik op het complex, dat in zijn beste tijden 44.000 en bij de sluiting nog slechts tweeduizend werknemers telde. Wat dan wel weer een lichtpuntje voor het milieu was, want de kolen-staal-chemiemoloch was niet bepaald zijn beste vriend. Tijden veranderen. Bij het jaarlijkse festival Colours of Ostrava bracht Björk het publiek al in extase, en ook meervoudig olympisch kampioen Usain Bolt heeft zich, ondanks zijn hoogtevrees, met zijn handtekening op de Bolt-Tower laten vereeuwigen. En de toekomst? De EU wil cultuurmonumenten graag behouden, vertelt museumgids Hana Plachá, maar potentiële investeerders zijn huiverig, want ‘er moet wel een verdienmodel zijn’. Laten we dus maar hopen dat er in de toekomst niet alleen geld wordt gestoken in van oudsher succesvolle Tsjechische exportproducten à la Pilsner Urquell.

INFO

Tsjechië – dat zijn niet alleen 110 bierbrouwerijen en twee racecircuits. Maar ook de stille dalen, dichte bossen en boomloze kruinen van het Hrubý Jeseník-gebergte, een regio waar je met aanzienlijk minder dan tweehonderd pk óók uit het mannetje (of vrouwtje) bent.

HEENREIS

Via Praag door Tsjechië tot in het Oost-Boheemse Hradec Králové, daarna via een secundaire weg verder via Sumperk tot Jeseník in het centrum van het Hrubý Jeseník-gebergte – of via Dresden en Wrocław tot even voor Opole, aansluitend naar de Pools-Tsjechische grens bij Gluchotazy en verder naar Jeseník.

VERBLIJF

Aanbevelenswaardig is Penzion U Petra aan de rand van Jeseník, overnachting met ontbijt omgerekend vanaf 17 euro, tel. +420 604587818, www.upetra.cz. Een goede indruk maken ook Penzion Běla in Bělá pod Pradědem, +420 584420000, www.penzion-bela.cz; Penzion na Palubě in Mikulovice, tel. +420 588884630, www.napalube.com; Penzion Trombly in Loučná nad Desnou, tel. +420 606123252, www.penzion-trombly.cz; Hotel Křížový vrch ten noorden van Jeseník, tel +420 603216585, www.krizovyvrch.cz. Op de top van het Hrubý Jeseník-gebergte ligt Hotel Praděd, tel. +420 554779017, hotelpradedvysilac.cz; tegenover de staalfabriek Dolní Vítkovice in Ostrava het Ubytovna VP1, tel. +420 595955244, www.ubytovnavp1.cz.

MUNTEENHEID

Betaalmiddel is de Tsjechische kroon; 1 euro is 27 CZK. Benzine kost omgerekend ca. 1 euro per liter ‘Natural 95’.

BMW K1600GT 2017 Test

0

Dat er zo weinig zescilinders zijn, is eigenlijk best jammer. Het zijn heel fijne blokken. Goed dus dat BMW de K1600 GT in stand houdt. En het 2017 model is op een paar plaatsen toch weer net even iets meer verfijnd.

Optisch valt de vernieuwing allemaal wel mee. De bescherming tegen regen en wind is doorontwikkeld met andere zijpanelen en windgeleiders. Verder kun je kiezen uit drie nieuwe lakkleuren: Marsrot und Blackstorm, die dan weer contrasteren met het Asphaltgrau van het frame, de glanzend zwarte wielen en het mat Platinum motorblok. De Sport-versie ziet er volgens BMW met z’n nieuwe kleur Lupinblau meer dynamisch uit. De zwarte aandrijflijn en de goudkleurige remklauwen moeten het atletische karakter van de zescilinder onderstrepen.

Ondanks de verplichtingen van de nieuwe Euro-4 norm, levert het blok nog altijd 160 pk bij 7.750 tpm en 175 Nm bij 6.500 tpm. Lang leve de zescilinder.

Dat de BMW K1600 GT een rijdende etalage is voor toer-gerelateerde elektronica was ons na de vorige modellen ook al duidelijk. Toch gaat BMW dit jaar nog een stapje verder. Met de elektronisch aangestuurde wielophanging Dynamic ESA met de rijmodi Road en Dynamic zijn zowel de actieve rijervaring als het comfort voelbaar verbeterd. De Road instelling geeft een ‘standaard’ rijbeeld en Dynamic levert je het gereedschap de motor eens flink de sporen te geven. En kan beide met deze BMW, want voor comfortabel toeren is deze machine op de wereld gezet. Opvallender zijn de lichtvoetige eigenschappen van de toch behoorlijk zware motor. Tijdens de testrit blijkt dat je de steps wek makkelijk aan de grond krijgt. En geloof me, dat is niet omdat de steps te laag zouden hangen.

Het leuke van foto- en TV-opnamen maken is dat je vaak door dezelfde bocht moet voor het beste shot. Zo raak je snel vertrouwd met een motor, eigenlijk zoals een eigenaar ook zou rijden. Maar als je fr BMW K1600 GT op een smal weggetje in het heuvelachtige Spaanse Andalusië vaak moet keren, merk je wel hoe zwaar 334 kilo nou eigenlijk is. De nieuwe achteruitrijassistentie biedt de verlichting. Je activeert het met een knop links op het stuur en al je dan de startknop indrukt, komt de motor in beweging. Je vraagt je al snel af hoe je ooit zonder hebt gekund.

Een ander nieuw speeltje is de ‘Shift Assistant Pro’. Een fabrieksoptie weliswaar, die het mogelijk maakt op en terug te schakelen zonder te koppelen. Handig als je eenmaal aan het toeren bent, maar wel met beperkingen. Je moet toch wat hoger in de toeren zitten wil het systeem zonder al te bokkige reacties werken. Wel hoor je een leuk ‘bop’ geluid uit de uitlaat als je opschakelt.

Voor langeafstand rijders is de SOS op het stuur misschien geen overbodige luxe. In geval van nood of bij een ongeluk roept ‘Intelligent Emergency Call’ hulp in. Het systeem is een fabrieksoptie en je activeert het zelf of automatisch. Met de oproep worden meteen de positie en de gegevens van de motor verzonden naar het BMW Call Center. Let wel dat deze fabrieksoptie in Europa gefaseerd wordt uitgerold. Het is dus niet in alle landen gelijktijdig beschikbaar.

BMW R 1200 GS Rallye 2017 Test

0

Voor verstokte cynici heeft de BMW R1200 GS een groot nadeel: er zijn er heel veel. Als zo’n idee medestanders krijgt, heb je een probleem. Zou BMW om die reden voor 2017 twee stijlvarianten hebben bedacht? Met Rallye en Exclusive kun je voor het eerst uiterlijk en uitrusting van je GS afstemmen op jouw voorkeuren.

Tekst Bart Verhoeven, foto’s BMW

Het is altijd zoeken naar de veranderingen van een vernieuwd model als de R1200 GS 2017. Daarom verklappen we ze maar. Ter hoogte van het voorspatbord en het midden van de voorwielafdekking zijn wat details aangepast. Kleine windgeleiders, ‘winglets’, verbeteren de luchtgeleiding. De afwerking van de luchtinlaat en de zijbekleding van de brandstoftank zijn aangepakt. En de sierelementen op de luchtinlaat en radiator hebben een nieuwe look. Het blok bleef onaangetast (125 pk @ 7.750 tpm, 125 Nm @ 6.500 tpm). Wel werd vanwege Euro-4, de katalysator aangepast en een nieuw motormanagement gemonteerd.

Standaard opties?

Standaard heeft de 2017 GS automatische stabiliteitscontrole (ASC) met twee rijmodi ‘Rain’ en ‘Road’. Tegen meerprijs wordt ie af fabriek uitgerust met ‘Rijmodi Pro’ (met de instellingen Dynamic, Dynamic Pro, Enduro en Enduro Pro) en de dynamische tractiecontrole DTC (bochten-ABS). De rijmodi ‘Dynamic Pro’ en ‘Enduro Pro’ activeer je door middel van een gecodeerde stekker onder het zadel. Ze geven extra mogelijkheden om het karakter van de motor af te stemmen op je eigen voorkeuren. Andere elementen van ‘Rijmodi Pro’ zijn de Hill Start Control en ABS Pro voor nog meer veiligheid tijdens het remmen in bochten, zelfs onder grote hellingshoeken.

BMW R 1200 GS Rallye

Wie het avontuur zoekt ofwel een enthousiaste terreinrijder is, kan niet om het Rallye pakket heen. Voor 600 euro verbeter je de terreinprestaties dankzij stuggere vering, langere veerpoten en grotere veerwegen. Ook meteen meegenomen: verbeterde ergonomie van de kniezone zodat je in het terrein beter kunt staan op de brede enduro-voetsteunen.

De Rallye GS ziet er niet alleen ruiger en robuuster uit dan de standaard GS, ook de Adventure is een mak schaap vergeleken met de Rallye. In BMW kringen maak je dus nooit de motor een veredelde Adventure te noemen. Dankzij de Rallye buddyseat, het windscherm Sport, radiateur- en framebescherming en de kruisspaakvelgen voorzien van optionele noppenbanden heeft de Rallye een heel eigen smoel.

En het rijden? Dat is op een GS altijd goed geweest, zowel op korte als lange afstand. En of je nou op een standaard GS, een ‘Adventure’, ‘Rallye’ of ‘Exclusive’ rijdt, is mij om het even. Maar van het pad af met de ‘Rallye’ uitvoering op noppenbanden in de stand ‘Enduro’ maakte mijn dag rijden wel compleet. Licht is ie niet als je naar de specs kijkt, maar op de gravel-paden bezaaid met keien doet hij het erg goed. Goed genoeg om mij een enorme glimlach te bezorgen. En met een begeleider die Dakar heeft gereden in de buurt weet je één ding zeker. Serieus off-road rijden kan écht met een GS, maar daar moet je wel een bak ervaring voor hebben.

BMW R 1200 GS Exclusive

Al het bovenstaande is uiteraard doorgevoerd aan de basis van elke 2017 GS. En dus ook aan de nieuwe ‘Exclusive’ uitvoering. Dit is, zoals de naam al zegt, een exclusieve uitvoering van de GS door aanpassing van een aantal kleurstellingen. Zo zijn de zijpanelen van de brandstoftank uitgevoerd in Monolith metallic met sierelementen onder glanzend blanke lak, zijn het voorspatbord en de centrale brandstoftankafdekking in de metaalkleur Iced Chocolate metallic gespoten en heeft het frame de kleur Achatgrau metallic gekregen. Om het af te maken kreeg de ‘Exclusive’ goudgelakte remklauwen.

De mooiste kustweg ter wereld: Wild Atlantic Way

0
Wild Atlantic Way

Legendarische kustwegen als de Pacific Coast Highway (USA), Clarens Drive (SA) en de Great Ocean Drive (AU) hebben er ineens een concurrent bij: de Ierse Wild Atlantic Way. De nieuweling is veruit de langste ter wereld. Maar is het ook de mooiste? En is het wel een kustweg?

Als we in het Noord-Ierse Larne aan het begin van de avond de boot afrijden, heeft mijn reisgenoot Jan geen hoge verwachtingen. Ons reisdoel, de Ierse Wild Atlantic Way begint pas 150 km verderop. De weg er naartoe – de Antrim Coast Road – ziet hij als meer als kilometers maken. De Zumo belooft niet veel meer dan lage heuvels langs de kust. En Noord-Ierland, ach, dat kent hij eigenlijk alleen van de journaalbeelden van dertig jaar conflict. Hooguit als de IRA een aanslag op het platteland pleegde, zag je iets mooiers dan de grauwe arbeiderswijken van Belfast en Londonderry.

Hieronder de gpx route. Let wel op, dit is een oude route, omstandigheden kunnen veranderd zijn.

Maar de kustweg naar het noorden laat iets heel anders zien. Een landschap van groene kapen en baaien tegen een soms tropisch blauwe zee. Het bijzondere van de weg is dat hij niet over de kapen heenloopt, maar erlangs, waar ooit de golven tegen de kust sloegen. Het betekent dat we links van ons woeste bergwanden zien van soms over de honderd meter hoog. En dat de weg de kronkelende kustlijn volgt.

Bij een lusje naar de Torr Head-kaap vinden we zelfs een paar van de lastigste haarspeldbochten die we in jaren zijn tegengekomen. Vlijmscherp en steil omhoog.
‘Wat! Een! Weg!’ zegt Jan. ‘Wat een landschap!’ Hij houdt het op een mix van IJsland en Bretagne. En natuurlijk Schotland, waarvan we Mull of Kintyre in de verte zien liggen.
We hadden er nooit van gehoord, maar de Antrim Coast Road blijkt bekend te staan als de mooiste scenic drive van Noord-Ierland. We vinden hem zelfs in een paar lijstjes terug van Mooiste Kustwegen ter Wereld. De Wild Atlantic Way staat er niet bij.
‘Hebben we het mooiste per ongeluk al gehad dan?’ vraagt Jan.
Nee. De Wild Atlantic Way is simpelweg te nieuw.

2500 km asfalt

Ons hoofddoel, de Wild Atlantic Way, loopt van het noordelijkste puntje van Ierland – Malin Head – naar het zuidelijkste punt: Old Head of Kinsale. Daartussen ligt 2500 km asfalt. Dat moet vele miljarden gekost hebben, denk je dan. Maar nee. Het kostte in 2014 en 2015 bij elkaar slechts tien miljoen. Met dat geld plaatsten de Ieren 3850 bordjes met WAW-logo en informatiepanelen. De Wild Atlantic Way is dus geen nieuwe weg – want die lag er allang – maar een marketing project: een route van honderden stukjes weg waarop een label is geplakt en een website aan is gehangen. Een hele mooie trouwens.

De Ierse kust kon wel een duwtje in de rug gebruiken. Altijd maar die aardige mensen, folkbandjes in de pub en die kneuterweggetjes, al die kleine stukjes en beetjes. Het werd tijd voor iets groots en woest aantrekkelijks; tijd voor een Wild Atlantic Way. Het werd een echte Grand Tour die 1500 bezienswaardigheden aan elkaar knoopt en langs 188 (and counting) ‘ontdekkingspunten’ gaat. Daaronder zijn achttien ‘signature discovery points’, de Wonderen van de Wild Atlantic Way. Dat zijn de punten die het karakter van de Ierse kust bepalen. En die moet je dus niet missen.

Bij de opening van de WAW werd een opvallende groep genoemd die de initiatiefnemers graag wilde hebben: de Harley-rijders. Dat is marketingtaal voor motorrijders met een zak geld bij zich, maar zegt het ook iets over de weg?

Dramatisch kliffenlandschap

Ierland heeft vrij lang een gebrekkig weggennet gehad, met zeker in de buitengewesten vrij veel al dan niet verharde schapenpaadjes. Maar dat is wel voorbij, merken we al na het startpunt bij Malin Head – een ‘signature discovery point’ met redelijk dramatisch kliffenlandschap, een uitzichtpunt, een torentje en een kruis.
We zitten meteen op vrij goed asfalt, en zullen daar niet meer van af komen, zolang we de hoofdroute aanhouden. Maar de Way telt ook best veel doodlopende afslagen, die naar een strandje, een ruïne of een ander bijzonder punt lopen. Daar komen we soms wel wat lastiger wegdek tegen. Een keer rijden we zelfs over een strand, maar of dat nou de bedoeling was…

Niet kinderachtig

Het soort weg dat de hoofdroute kiest, valt niet onder een noemer te brengen. Vaak zitten we op redelijk brede tweebaanswegen. Soms loodst hij ons naar smalle binnenweggetjes. De reden daarvan ligt vaak in een bezienswaardigheid. Maar anders dan we vooraf dachten: het schiet best wel op. Het is redelijk stil en de Ieren doen niet kinderachtig over de maximumsnelheid. Sterker nog: die is vaak niet eens haalbaar. Rechtuit, flauwe of scherpe bocht, bebouwde kom: de bordjes met 90 lijken tamelijk willekeurig neergezet. Als Nederlander ben je erg gewend bij het handje genomen te worden. Bij de Ieren is het motto eerder: zoek het maar uit. Daar kun je in het begin even van schrikken, als je veel te hard op een scherpe bocht afgaat. Maar als je gewoon op intuïtie en zicht gaat rijden in plaats van op voorschrift, is er niets aan de hand.

Goudgele stranden

We verlaten het Inishowen schiereiland van Malin Head en rijden het noordwesten in rondom Lough Swilly, een fjord. Hier liggen de drie Golden Beaches van Ballymastocker Bay, die lezers van The Observer ooit verkozen tot een na mooiste strand ter wereld. Het is een dromerig, goudgeel strand met zeewater dat tropisch warm oogt en bergjes rondom. Prachtig inderdaad, maar we kunnen niet eens zeggen of dit wel het mooiste strand van Ierland is. Er valt uit nog heel veel stranden te kiezen aan de WAW.

Iconisch Ierland-plaatje

Kiezen, dat zul je vaker moeten doen. De weg is zo lang, dat je er bijna twee weken mee bezig zult zijn als je alles rijdt. En als je alle bezienswaardigheden wilt bezoeken, trek er dan maar half jaar voor uit. Dat gaan we niet doen. Mooie stranden, kerkjes, ruines, afslagen en vuurtorens; die gaan hier per dozijn of een veelvoud daarvan. Hieraan merk je dat de WAW echt een toeristisch samenwerkingsverband is. Alle regio’s wilden meedoen, maar dan wel op voorwaarde dat de regionale highlights in de route kwamen. Dus na verloop van tijd staan we schouderophalend bij het zoveelste strandje. ‘Zie jij wat?’
‘Nee, maar weer verder gaan dan?’
‘Ja.’
Serlectief zijn dus. Maar Fanad Head overslaan, de witte vuurtoren op de kaap te noorden van Ballymastocker Bay, zou jammer zijn. Dat is een van de signature points en een van de meest iconische Ierland-plaatjes.

Bergen en een pasje

Dik 60 km door lieflijk boerenland verder krijgen we bij het gehucht Brinlack de Atlantische Oceaan vol en schitterend in het vizier. Dat gebeurt niet zo heel vaak. Het overgrote deel van de WAW zie je de oceaan helemaal niet. Wat niet zo erg is, want het achterland is doorgaans bergachtig. Hoe aantrekkelijk dat is, zien we als direct na de kust Mount Errigal voor ons opdoemt, de meest bijzondere berg van Ierland. Het is een Kilimanjaro op schaal, inclusief besneeuwde top. Hij valt wel buiten de route, maar dit moeten we toch van dichterbij zien. En dan blijkt dat de top niet is bedekt met sneeuw maar met een laag lichtgrijs gesteente – kwartsiet, leren we.
De berg is erg veel lager dan hij lijkt – slechts 751 m – maar in Ierland zit het ‘m niet in de grote getallen. Hier worden we zelfs lyrisch van een bergpasje van 275 m – Glenngesh – want het dal ligt zo groen, zo smal en zo vreselijk mooi Iers te zijn.

Sleave League

De grootste verrassing is Sleave League, een verdwaald stuk bergrug dat ruim 600 meter uit oceaan rijst. Het doodlopende pasweggetje ernaartoe – een hek openen om er te komen – is wat ons betreft het hoogtepunt van Wild Atlantic Way. Het eindigt met een uitzichtplateautje op Sleave League. Het dramatische gebergte heeft een aantal uitdagende paden. De ongelooflijkste is de Appalachian Trail. Pardon? Ja, echt. Sleave League is een uitloper van het Oost-Amerikaanse gebergte. Ooit zat dit deel van Ierland vast aan het huidige Canada, ergens ter hoogte van Newfoundland. Toen het afbrak kwam er een scheurtje in dat we nu kennen als de Atlantische Oceaan. Vanzelfsprekend is Sleave League een van de signature points van de WAW.

Hawaiiaanse golven

Na het zeegebergte wordt het vlakker, toeristischer en drukker. Maar de oceaan gaat onder Donegal naar een hoogtepunt. Golven van Hawaiiaanse afmetingen – vijftien meter of meer – kunnen hier tegen de kust aanrollen. Dit is dan ook een van de beste surfgebieden ter wereld. Je vindt het rond Mullaghmore Head, een schiereilandje met een spookachtig negentiendeeeuws landhuis – Classiebawn Castle – en de tafelberg Benbulben in de achtergrond. Aan de drie volle touringcars die hier stoppen, zien we dat we met een signature point te maken hebben.

Megaliet met blowhole

Voorbij Ballylina – erg veel plaatsen in Ierland beginnen met Bally, wat zoiets betekent als ‘plaats van’ – vinden we de stilte weer terug in het landschap. En daar komen we meteen bij het volgende siganture point: Downpatrick Head. Dat is megaliet, een klif eigenlijk, die een meter of vijftig losstaat van de kust. Er vlak voor vinden we ook nog een ‘blowhole’, een merkwaardig gat in de grond dat in verbinding staat met de zee.

Connemara

Na de kliffen van het boerenland volgt een woeste kuststrook met honderden eilanden, bochtige weggetjes en bijna witte stranden. Keem Beach, met nabijgelegen ghosttown Slievemore, geldt als een officieel hoogtepunt. Gek genoeg valt het stukje door het bergachtige hoogveen van Connemara daar niet onder. Het is een dramatisch mooi stukje, dat het aanzien van hoogtegebergte heeft. Even daarna is het losgaan op de kronkelwegen langs de keien, rotsen en stranden onder Clifden. Het is dat er schapen rondlopen, anders had het net zo goed de Zuid-Afrikaanse westkust kunnen zijn.

De grote attractie

De grootste natuurlijke attractie van Ierland komt op het moment dat de weg een beetje tam en vlak is geworden. Het grote drama speelt zich er vlak achter af: een acht kilometer lange klifkust, die tot tweehonderd meter hoog stijl uit zee rijst. De kliffen van Moher.
Het toerisme was amper uitgevonden of er kwamen grote drommen op af. Het uitkijktorentje stamt al uit 1835. Intussen zijn er winkels, een bezoekerscentrum en een enorme parkeerplaats bijgekomen, om de duizenden dagelijkse bezoekers op de vangen.

Loop Head

Wil je een vergelijkbare kliffenkust zien waar je niets hoeft te betalen, met je motor tot het randje kunt komen en waar je niet meer dan een handjevol bezoekers tegenkomt? Rij dan door naar Loop Head. Je komt onderweg eerst langs een andere topper: de Burren, het onvermijdelijke stuk maanlandschap. Daarna ga je bij het havenplaatsje Kilkee Loop Head op. Aan het eind van dit schiereiland vind je aan de rand van de kliffen ook nog een witte vuurtoren, uit 1670. De vuurtoren, de kliffen en de zee vormen een machtig einde van onze tocht. Maar de Wild Atlantic Way gaat nog eens 700 km verder…

De zuidelijke schiereilanden

Zou je na de Kilkee Loop de Wild Atlantic Way weer oppakken, voert ie je ook over de zuidelijke schiereilanden. Met name Beara is van grote schoonheid. Hier word je over smalle, stille weggetje naar het meest ouderwetse deel van de route geleid. Op de punt van Baera kom je bij een kabelbaantje voor mens & schaap dat je in tien minuten naar het eiland Dursey schommelt. Typsich Baera en dart beloonde de Wild Atlantic Way met de eretitel ‘signature discovery point’.

Twee van de boeiendste wegen van Ivaragh en Beara zitten niet in de officiële route: de Healy Pass (Beara) en Gap of Dunloe, ook een pas. Ze lopen dan ook niet langs de kust, maar steken dwars over. Zeer de moeite waard om die even mee te nemen. En zo zijn talloze plekken en weggetjes langs de route een verkenning waard.

Dat is wat ons betreft de manier waarop je de Wild Atlantic Way het best kunt gebruiken: als leidraad. De hoofdroute is voor het overgrote deel weliswaar prachtig, maar er zit nog heel veel moois achter.

Wild Atlantic Certificate

Wil je de route wel op de letter volgen, dan kun je een Wild Atlantic Way Passport kopen (10 pond), dat je als stempelkaart gebruikt. Met een stempel van 188 postkantoren krijg je een heus certificaat. En kom je in aanmerking voor cadeautjes en prijzen. Zie www.wildatlanticway.com

Meer info

Noord-Ierland

Noord-Ierland was voor ons een geweldige ontdekking. Ontdek Noord-Ierland zelf op de officiële website: http://www.discovernorthernireland.com/

Ierland

Veel informatie over de Wild Atlantic Way, maar ook over de rest van Ierland vind je – ook in het Nederlands – op: www.ireland.com

Wild Atlantic Way

De schitterend website van de weg zelf geeft je alle info over de route en de bezienswaardigheden. GPS-tracks ontbreken vooralsnog. Maar die vind je bijvoorbeeld op www.ridewithgps.com. Als je deelneemt aan de Promotor lezersreis krijg je een op maat gesneden GPS-route, inclusief de route door Noord-Ierland en het Ierse binnenland.

Hoe erheen?

Voor de mooiste route naar Noord-Ierland neem je de overtocht van IJmuiden naar Newcastle (DFDS) en rijd je daarvandaan naar het Schotse Cairnryan via het prachtige Galloway National Park. Daar pak je de boot naar Larne (P&O). En vrijwel meteen zit je op de Noord-Ierse kustweg die je naar de Wild Atlantic Way brengt. www.dfdsseaways.nl, www.poferries.com

Suzuki GSX-S750 2017 Test

0

Suzuki heeft niet voor niets zijn devies ‘Ride the Winds of Change’ in de bezemkast opgeborgen. Immers, sinds de excentrieke (en geflopte) B-King en de kredietcrisis laat Hamamatsu HQ zich mee dwarrelen met een bries van voorspelbaarheid. Maakt dat de nieuwe GSX-S750 dan ook meteen een storm in een glas water?

Tekst Joost Overzee, foto’s Suzuki

Aan de reacties van het genodigde journaille te merken wel, waarbij aangetekend dat schrijver dezes zich ook onder hetzelfde schrijversgilde pleegt te scharen. Her en der geplaatste opmerkingen ter grootte van een speldenprik tonen aan dat de test van Suzuki’s nieuwe GSX-S750 door sommigen aangemerkt wordt als een hapje tussendoor, als een verplicht nummer tussen alternatieve of exotische machines door. Zeker als een bevlogen Suzuki-man op een onbewaakt moment zich tegen mij persoonlijk laat ontvallen nog nooit zoveel ‘ongepassioneerde’ motorrijders bij mekaar te hebben gezien, wordt mijn iets vooropgestelde mening over de machine in een secuurder perspectief gezet en mijn gevoel van onrecht dat de GSX-S750 wordt aangedaan, gevoed.

Inderdaad, het grof afgewerkte frametussenstuk was me al opgevallen, net zoals de afwezigheid van dempingverstelling en feit dat de hardware van de krachtbron – net als dat van de GSX-S1000 – stamt uit het vorige decennium. Aantal cc’s van de GSX-S: 749, net nu 800 en 900 cc aan inhoud gangbaar is. Maar ho ‘s even, doen we met ons superlatieve (of noem het: verwende) gedrag niet alleen de GSX-S750, maar vooral de gewone rijder, jij dus, die maximaal 9,1 mille te besteden heeft, niet onnoemelijk tekort?

Huid en haar

Suzuki zelf verbergt zich in ieder geval niet nederig in de bosjes. In plaats van de GSX-S te afficheren als ‘het beste compromis’, de ‘beste value for money’ of soortgelijke kletspraat, gaat Hamamatsu er met gestrekt been in door deze opvolger van de vermaledijde GSR750 te profileren als ‘Apex Predator’, vrij vertaald als roofdier dat bochten met huid en haar verorbert. Waarvan akte: want moederlief, wat valt deze bloterik hard te sturen! Aanvankelijk verwacht je een tamelijk doorsnee stuurgedrag door een betrekkelijke zwaarlijvigheid van 213 kilo, met inbegrip van een volle 16 liter tank. Daarnaast zijn een wielbasis van 1.455 millimeter en een balhoofdhoek van 25,2 graden evenmin waardes om een messcherp, licht stuurgedrag te verwachten. En het frame bestaat uit een combinatie van stalen buizen en profielen, dus daar lijk je op voorhand ook de oorlog niet mee te kunnen winnen. Maar na een aantal stuurwegen afgeraffeld te hebben, zou je de machine eerder een gewicht van pakweg 190 kilo toedichten, niet meer. Haast intuïtief reageert de machine op heup- en stuurcommando’s, zonder te vervallen in nervositeit of instabiliteit. Zigzaggen gaat bijzonder natuurlijk, gecontroleerd en toch knap licht. De uitgemeten zithouding heeft daar natuurlijk mee van doen; de bovenbenen sluiten mooi aan op het plaatwerk en de voetsteunen staan precies waar je ze hebben wilt in verhouding tot het stuur. Deze geometrie resulteert in een comfortabele zithouding met een mespunt sportiviteit naar het stuur toe. Hij is hanteerbaar voor rijders van minimaal 1.65 meter, maar kan evengoed (en zonder voor Jan L. te rijden) bemand worden door personen met een lengte van pakweg 1.90 meter.

Niet alleen de krachtbron, maar ook het zadel lijkt terug te grijpen naar de GSX-R’en van een tien-, vijftiental jaren geleden. Het is aangenaam breed en lang, maar tegelijkertijd zeer zacht, wat doorgaans een garantie is voor zadelpijn als koffie uit de pot in zicht komt. Misschien dat enige last te noteren valt na een dag lang snelweg onder bloedhete omstandigheden, maar na mijn dag sturen leverde m’n achterwerk de machine ’s avonds nog altijd kakelvers af.

Voor schut

Een volgende factor voor het prima stuurgedrag zijn de onopvallend goed opererende veerelementen, een 41 millimeter Kayaba upside down en gelijknamige monodemper achter. Beide kennen slechts een verstelbare veervoorspanning (waar je in de praktijk nooit zoveel mee kunt), waarbij de ouderwetse wartel aan de monodemper bovendien hooguit door Japanse handjes bereikbaar is. Voor allround gebruik werkt het materiaal goed, ga je echt van jetje in snelle bochten, dan begint de schokdemper af te haken. Mocht je uit zeer snel hout gesneden zijn en de machine te zijner tijd willen optimaliseren, investeer dan in een knappe monodemper in plaats van geluidsdemper. Decibellen krijgen je trommelvliezen al genoeg te zoenen…

Knap stuurwerk wordt bovendien nog bevorderd door montage van Bridgestone Hypersport S21-rubbers. Die zitten standaard op de winkel-GSX-S, niet alleen op journalistieke gelegenheidsmachines. Ze plakken als Pritt, zelfs als je in het uiterste geval eens de voetsteunen op het asfalt laat krassen. Pokend, gooiend en smijtend op onbekend Spaans terrein opereren de Nissin ‘stereobloc’ remmen uitmuntend en een veelvoud beter dan de ankertjes van de vorige GSR750. Met een rechterwijsvinger kan zelfs de grootste barbaar of hooligan de peilloze Spaanse afgronden vermijden. Eigenlijk zetten deze Nissins de hype rond de exclusieve Brembo monobloc M50’s een beetje voor schut, zo perfect functioneren de Japanners, ook overigens voor minder sportieve rijders.

Bocht uit kun je als rijder met 114 paardenkrachten (letterlijk) achter de hand profiteren van de drievoudige tractiecontrole. Met gemak laat die zich aan de linker stuurknoppartij verstellen van ‘low’ (sportief op goed wegdek, weinig interventie), naar ‘middle’ (stadswerk, gemiddeld wegdek) of ‘high’ (nat of koud, veel interventie). Uiteindelijk heb ik de hele dag half-half gereden in de sportieve stand en de uitgeschakelde positie. De sportieve stand blijkt meer dan effectief genoeg onder droge omstandigheden. Alleen is de mate van interventie bij sprints en wheelies al te groot…

Beleving!

Behalve enkele Euro4-aanpassingen en gewijzigde verstuivers van de injectoren heeft Suzuki nauwelijks werk gehad om het topvermogen op te schroeven naar 114 pk. Kennelijk had de 749 cc-krachtbron nog genoeg reserve om de moordende emissie-eisen te passeren zonder de noodzakelijke toename van de cilinderinhoud om daarmee het vermogensverlies van Euro4 te compenseren.

Vanuit het oogpunt van emissie-eisen is het wel ironisch dat niet alleen (bijvoorbeeld) de nieuwe Honda Fireblade, maar ook de GSX-S750 een stuk luidruchtiger is geworden dan voorheen. In het kader van ‘sound engineering’ heeft Suzuki R&D extra gaten in de airbox geboord en bestaande gaten zo verbouwd dat er veel meer geluid door je oren giert. Aha, karakter! Beleving! Met of zonder oordoppen, de grijze muizenserenade van voorheen heeft plaatsgemaakt voor een sound die de 114 pk extra afgetraind doen voelen. Bij lagere toerentallen is de acceleratie meer dan acceptabel, mede door de kortere gearing. Het blok heeft in de kelder van zijn kunnen genoeg reserve om vlot mee te komen met het overige verkeer, maar wil je opschieten, moet je een herhaaldelijk beroep doen op de uiterst soepele, heldere en directe versnellingsbak.

Happen naar de baas

Toch wordt toeristisch of gewoon vlot rijden in de weg gezeten door de happende gasreactie. Het vraagt een secure rechterhand om netjes vloeiend of lui te rijden, wat nogal eens storend kan uitpakken. Niet zozeer de injectie zelf is daar debet aan, maar de afwezigheid van instelbare rijmodi. Bij stadsverkeer of tijdens momenten van landerigheid zou je willen dat de interne computer was uitgerust met dezelfde ‘low’-, ‘middle’- en ‘high’-keuze als de tractiecontrole. Soms ben je namelijk in de stemming voor een zachte, zompige gasaanname, al helemaal onder regenachtige omstandigheden. Natuurlijk absorbeert de regenmodus van de tractiecontrole het mogelijk wegbreken van de achterband bij het verlaten van een natte rotonde, maar een even fijnbesnaarde gasreactie biedt rust onder alle omstandigheden. Waarom deze vorm van verstelbare rijmodi ontbreekt op de GSX-S750? Het antwoord: € 9.099,- Da’s de enige serieuze aderlating die de GSX-S doet voor die knalprijs.

Joost over de Suzuki GSX-S750

Vooraf zag ook mijn bevooroordeelde geest weinig meer dan één kans op succes bij de GSX-S750, overvleugeld als deze driekwartliter zou zijn door 800 en 900 cc-machines. Die enige reddingsboei: zijn messcherpe prijs van € 9.099,-. Dacht ik. Maar met evenveel schaamte als opluchting om deze te snel getrokken conclusie moet ik bekennen dat de GSX-S750 in de praktijk allesbehalve een underdog is. Op moderne wijze weet hij namelijk ouderwets scheurwerk nieuw elan in te blazen. Pretenties in design en techniek heeft hij niet, jeugdige branie en brutale rijeigenschappen des te meer. Het is geen ‘poor man’s’ Z900, maar juist een scherp wapen om het pretentieuzere geschut mee te lijf te gaan. Dat kan ‘ie, voor iets boven de negen mille.

Moto Guzzi MGX-21 Flying Fortress 2017 Test

0

Moto Guzzi heeft zijn Californische lijn niet voor niets uitgebreid met deze nieuwe MGX-21 Flying Fortress – een ‘bagger’ met een Amerikaanse naam, batwing fairing en een gigantisch voorwiel met een doorsnede van maar liefst 21 inch. Vooral door de combinatie van koolstofvezelplaatwerk en rode accenten is het een van de opvallendste cruisers van de laatste jaren.

Roland Brown

Guzzi wil wanhopig graag indruk maken op de Amerikaanse markt. Je zou denken dat de oudste motorfabrikant van Italië daar toch al redelijk veel succes moeten hebben. Want juist in de USA zijn grote, luchtgekoelde V-twins in vintagestijl zeer populair. Maar dat is niet zo: het oudste Italiaanse motormerk is aan de overkant van de Atlantische Oceaan zo onbekend, zelfs onder de bezitters van Amerikaanse V-twins, dat de verkoop in Amerika vorig jaar minder dan tien procent vertegenwoordigde van het bescheiden totaal van 8.000 verkochte motoren.

De MGX-21 is voornamelijk ontwikkeld in een poging om Moto Guzzi meer bekendheid te geven, met name in de Verenigde Staten. Net als de nu vier jaar oude California en de daarvan afgeleide Eldorado en Audace is hij ontworpen in Pasadena, Californië, in de ontwerpstudio van Piaggio die onder leiding staat van Miguel Galluzzi. Volgens Moto Guzzi staat de X in de naam voor eXperimenteel, en verwijst de 21 niet alleen naar de doorsnede van het voorwiel maar ook naar 1921, het eerste productiejaar van het merk.

De MGX deed behoorlijk experimenteel aan toen de radicale bagger in 2014 als concept werd onthuld tijdens de EICMA in Milaan. Bijna twee jaar later gaat hij vrijwel onveranderd de productie in, na positieve feedback van Amerikaanse clientclinics. De Amerikaanse invloed komt ook tot uiting in de naam Flying Fortress, geïnspireerd op de Boeing B-17 bommenwerper uit de Tweede Wereldoorlog.

Opvallende accenten

De MGX valt wel op met de carbon op de tank, koffers, voorspatbord en belly pan, maar ook in het midden van dat grote voorwiel. In de scherp gerande kuip is een LED-koplamp verwerkt. Rode accenten op de Brembo voorremklauwen en de cilinderkoppen zorgen voor wat contrast bij de overwegend zwarte bike.

Ondanks die ‘Testa Rossa’ koppen is de 90 graden V-twin hetzelfde afgesteld als de andere Californische modellen: bij 6.500 tpm levert hij maximaal 96 pk. Ook heeft hij net als de andere drie rijstanden, te weten Veloce, Turismo en Pioggia (snel, toeren en regen) en op drie manieren instelbare tractiecontrole.

Zoals bij alle California-modellen is de motor opgehangen in rubber, maar het chassis is wat gespierder. Door de verstevigde stalen buizen is het frame stijver, met dikkere buizen voor en een versterkte achtersectie. Aan de voorkant staan de 45 mm vorken onder een luie 32 graden; ze geven een veerweg van slechts 107 mm. Achter de koffers bevinden zich dubbele schokbrekers met een op afstand instelbare veervoorspanning en een veerweg van een betrekkelijk royale 120 mm.

Onvergelijkbaar

De Flying Fortress lijkt op geen enkele andere Moto Guzzi, maar toch komen veel dingen me bekend voor. Het stuur is breed en loopt naar achteren. De dwarsgeplaatste V-twin komt tot leven met die aloude schok naar rechts als ik gas geef. In zijn vrij schommelt het blok in het frame en ronkt op de vertrouwde manier door de zwartgelakte pijpen.

Door die overvloed aan laag koppel schiet de MGX moeiteloos naar voren als ik de lichte koppeling laat opkomen. Mede dankzij de ride-by-wire technologie reageert de Guzi alert maar geenszins bijterig, ook niet in de iets scherpere Veloce-stand. Overigens merk ik weinig verschil tussen de twee hoofdstanden. De bescheiden afgestelde V-twin levert een fors maximumkoppel van 121 Nm bij slechts 3.000 tpm, en de bijna vlakke kromme draagt bij tot zijn relaxte karakter.

De Fortress maakt snel meters als je erom vraag, maar voor maximaal accelereren moet je wel toeren maken, waarbij je erop moet letten dat je doorschakelt voordat de toerentalbegrenzer bij zo’n 7.000 tpm ingrijpt. De twee ronde klokken zijn stijlvol, maar zijn ook een beetje moeilijk af te lezen, vooral in de felle zon. Met de soepele zes versnellingen is het over het algemeen prettiger om eerder door te schakelen. Dat geniet je volop van de motor die dan bij 125 km/u of meer heel rustig op de weg ligt.

Tourcruiser

De MGX is in staat om flinke afstanden af te leggen, waarmee hij zijn afkomst ook waarmaakt. De tank met een vrij royale inhoud van 20,5 liter staat doorgaans garant voor een actieradius van 300 km. Het getrapte zadel vind ik redelijk comfortabel, maar de passagier heeft niet zo veel ruimte. De praktische koffers zijn groot, makkelijk te openen en voorzien van een binnentas. Maar er past geen helm in…

Op de route van Milaan naar de Guzzi fabriek in Mandello en terug presteert het chassis van de Fortress wisselend. Dat grote, met koolstof bedekte voorwiel is echt zwaar – Guzzi wil niet zeggen hoe veel zwaarder dan de kleinere voorwielen van de andere Californische modellen -, waardoor het stuur de neiging heeft om te zwabberen in trage bochten. Daarom heeft Moto Guzzi een speciale stuurdemper ontwikkeld die ze manoeuvring assistance system noemen. Dit geeft meer weerstand wanneer het stuur bijna helemaal naar links of naar rechts gedraaid is.

Je neemt aan dat het helpt, maar het voorkomt niet dat de MGX voor een grote cruiser uitgesproken onhandelbaar aanvoelt bij lage snelheden. Misschien komt dat doordat de demper pas in werking treedt als je het stuur tien graden naar links of rechts hebt gedraaid, maar door de niet-lineaire weerstand lijkt de motor moeilijker in evenwicht te houden, bijvoorbeeld bij het maken van een U-bocht. Of misschien ligt het aan het enorme naspoor van 187 mm, wat ruim 40 mm meer is dan bij de Audace en de Eldorado. Minder lange testrijders vonden de motor zwaar sturen in het verkeer. En met een passagier zou het nog meer inspanning kosten.

Het zadel is met 740 mm tenminste wel behoorlijk laag, zodat de meeste rijders beide voeten op de grond kunnen zetten wanneer ze stilstaan. Maar bij hogere snelheden rijdt hij veel beter. Bij bochten met middelhoge snelheid voelt de Guzzi heel beheerst aan voor een cruiser met cardan en een drooggewicht van meer dan 340 kg. Als je eenmaal in beweging bent, merk je bijna niets meer van dat gewicht. Met een klein rukje aan het brede stuur is hij redelijk makkelijk te richten in een bocht.

Waarschijnlijk draagt het stijvere frame bij tot de stabiliteit van de motor. Ook de ophanging doet het goed; de combinatie van een tamelijk ontspannen vering met voldoende demping zorgt voor een redelijk enthousiast bochtgedrag. Voor een cruiser is de grondspeling ook goed, zoals je verwacht van een Guzzi. De Dunlop Elite banden zijn goed berekend op hun taak. Dat geldt ook voor de remmen; de radiale vierpots Brembo klauwen voor grijpen flink aan en de enkele schijfrem achter levert soms wat extra kracht als het nodig was, samen met een efficiënt ABS-systeem.

Radio met bluetooth aansluiting

De cruise control, waarmee de MGX standaard uitgerust is, heb ik vanwege de bochtige route niet echt nodig. Wel ben ik dankbaar voor de bescherming van de kuip, die ook je handen beschut. Maar op de buitenwegen zorgt het scherm voor zo veel windturbulentie dat je niets hoort van het eveneens standaard aangebrachte audiosysteem – essentieel voor baggers – ondanks de output van 50W per box. Dat is een veel voorkomend euvel bij baggers, met hun kenmerkend lage scherm, maar toch vervelend.

Het audiosysteem van de Fortress is gelukkig we; zo slim dat je het makkelijk kunt aansluiten op de Bluetooth van je telefoon. Het is voorzien van het Guzzi Media Platform, waarmee je via een app op je smartphone diverse aspecten van je rit kunt bekijken en registreren. Onder de instrumenten bevindt zich een handige USB-aansluiting, hoewel je een extra accessoire nodig hebt om je mobiel op zijn plaats te houden, want op de motor kun je hem nergens kwijt. En over accessoires gesproken, daarvan zijn er voorspelbaar veel, waaronder een hoger scherm, een heleboel onderdelen van massief aluminium en extra carbon, comfortzadels, leren zadeltassen en een voetenplank in Californische stijl als vervanging van de standaard voetensteunen.

Zelfs in de standaarduitvoering is de MGX-21 duur; hij kost ongeveer 15% meer dan de qua vermogen identieke Audace, waarmee de meeste rijders makkelijker overweg kunnen. Maar de Flying Fortress heeft de kuip, het audiosysteem, de koffers en last but not least de radicale carbonlook. Ook de exclusiviteit spreekt in zijn voordeel, want hij wordt geproduceerd in relatief kleine aantallen en zal slechts verkocht worden door een handvol Guzzi-dealers per belangrijke markt.

Roland over de MGX-21 Flying Fortress

Als de radicale uitstraling van de MGX je bevalt, vind je hem waarschijnlijk ook lekker rijden, ook al zal niet iedereen gecharmeerd zijn van het effect van dat voorwiel. Hoe dan ook, het lijkt erop dat Moto Guzzi zich met deze grote, stoere bagger weer goed op de kaart heeft gezet, met name in de VS, nu de oude fabriek op weg is naar zijn 100-jarig bestaan in 2021.

Getest: Honda CB1100RS

0

In het opgelaaide retrogeweld speelt Honda’s CB1100 de laatste jaren slechts een bijrol. Met de introductie van de sportieve RS-versie krijgt het model ogenschijnlijk meer haren op zijn tanden.

De CB1100RS is een ode aan de zelfbouwers van de jaren zeventig. De mannen die in hun schuurtje een CB750 omtoverden in een scheurijzer met een te luide 4-in-1 vervangingspijp, special paint, een sportief stuur en verchroomde carterbeugels. Honda noemt het zelf een motor met het uiterlijk van een jaren zeventig sportfiets en een ferme vleug caféracer. Maakt de nieuwkomer dat waar?

Soepel ritje
Topvermogen interesseert Honda geen zier bij motoren die ontspanning hoog in het vaandel hebben. Daarom produceert de 1140cc zware vier-in-lijn een relatief bescheiden 90 pk. Het koppel van 91 Nm bij een luie 5500 tpm maakt meer indruk en garandeert op voorhand een soepel ritje. Verwacht geen hoogtoerig gejank van deze machine, als de tellernaald slechts 3000 toeren aanwijst gaat het al met 110 km/h vooruit. Het rijwielgedeelte van de RS is sportiever dan voorheen. De retro staat op 17” gietwielen en op dikke sloffen. De historisch verantwoorde smalle achterband maakt plaats voor een lekkere vette 180 mm. Het voorwiel zit in een dikkere (Ø 43 in plaats van 41 mm) Showa Dual Bending voorvork. Aan de achterzijde veren sportievere Showa stereodempers met aparte oliereservoirs het geheel af.  Het stalen wiegframe noteert ‘hetere’ waarden dan voorheen met een balhoofdhoek van 26°, een naloop van 99 mm en een wielbasis van 1485 mm.

Liefde met een prijs
Bestaan er mooiere blokken dan dat van de CB1100? Honda heeft werk gemaakt van het uiterlijk. Alles is even glad en mooi afgewerkt. Dat gaat verder dan uiterlijk alleen: de koelribben van de cilinders zijn twee millimeter dik. Niet om esthetische redenen, maar omdat ze dan lekker helder en zuiver natikken als het blok afkoelt. Dat het zelfs bij zo’n immens motorblok om details draait, maken de kopbouten duidelijk. Die hebben ieder een prachtige bronzen ring die je vroeger altijd zag en tegenwoordig nooit meer. De carterdeksels glimmen je tegemoet door een uitgebreide polijstbehandeling. Het maakt niet vanuit welke hoek je het blok bekijkt, overal zie je overduidelijk de liefde en techniek die Honda er in heeft gestopt. Dat die liefde met een prijs komt, maakt het prijskaartje duidelijk. Meer dan zestien mille moet je ophoesten.

Elastische machine
Tijd voor het slechte nieuws: het motorblok had best wat peper in zijn gat kunnen gebruiken. De bescheiden prestaties doen het sportieve uiterlijk van de RS geen recht. Honda denkt daar anders over en laten we eerlijk zijn: de fabrikant heeft het meestal bij het rechte eind. Op papier deed iedereen de Africa Twin af als een watje met slechts 100 pk, maar in de praktijk looft iedereen de uiterst bruikbare allroad. Meer vermogen is niet altijd beter, een mooi gespreid vermogen wel. De CB1100RS is niet eens de meest sportieve retro van het moment. Het blijft het soort motor dat de CB1100 altijd al was; een heerlijke elastische machine waarmee het fijn toeren is. En onthaaster pur sang die zelfs stilstaand zijn werk doet.

Als een aap
De RS gooi je niet in een bocht die vlei je erin. Een RS rem je niet diep op zijn neus tot de apex, daarmee rij je mooie ronde lijnen. Als een aap naast de motor hangen? Het is een remedie voor de bescheiden grondspeling, maar allesbehalve passend. Dringt het plaatje langzaam tot je door? Laat je niet op het verkeerde been zetten door radiale klauwen, gouden voorvork en stereoschokdempers; de RS is geen sportief model. Hij kan qua looks zo deelnemen aan een Classic race-evenement, maar daar heeft hij verder weinig te zoeken. Voor dat soort werk heeft hij te weinig vermogen, grondspeling en te veel kilo’s.

Niet woest
De Tokico’s ogen indrukwekkend, maar acteren poeslief. Van agressief aangrijpen is geen sprake en hoewel de remkracht voldoet, sla je niet stijl achterover (al zeker niet voorover) van het geweld van de vierzuiger remklauwen. Hetzelfde kan van het sturen gezegd worden. De iets sportievere geometrie heeft de RS niet in een flitsende stuurmachine getransformeerd. Dit is niet het ideale wapen om chicanes mee te beslechten. Zoals het een Honda betaamt stuurt de machine neutraal en mooi in balans, maar hij vraagt wel om input om van richting te veranderen. Haar op zijn tanden heeft de RS niet. En toch is de Honda een motor die pure hebzucht los maakt. Geef zelf ook toe dat hij automatisch je blik vangt en vasthoudt. Bovendien is de RS met liefde, vakmanschap en van de mooiste materialen gebouwd. Woest is hij niet, mooi wel en zoals zo vaak bij Honda weldoordacht en in balans. Duur helaas ook.

Tekst: Ad van de Wiel, foto’s: Honda

[justified_image_grid ids=26651,26652,26653,26654,26655,26656,26657,26658,26659,26660,26661,26662,26663]

De groene wegen tussen Zwarte Woud, Elzas en Vogezen

0

De Grüne Straße of Route Verte is een aantrekkelijke route door het Zwarte Woud, Elzas en Vogezen – aantrekkelijk voor motorrijders, maar ook aantrekkelijk vanwege het landschap. De groene route levert je een dynamische beleving van Frans-Duitse vriendschap en cultuur. Weiger je af te stappen dan is de route boven alles geweldig toeren.

Het doet denken aan de onderkant van een es champagne: het groen glanzende bekken bij het Fürstlich Fürstenbergisches Schlossmuseum in Donaueschingen, dat wordt beschouwd als de bron van de Donau. Terwijl Europa’s op één na langste rivier zich opmaakt voor zijn reis naar het oosten, beginnen wij onze rit de andere kant op over de in 1961 als ‘een band van verzoening’ ontwikkelde Grüne Straße alias Route Verte, die grensoverschrijdend de twee voormalige aartsvijanden Duitsland en Frankrijk met elkaar verbindt. Eveneens van de partij is een Engelse dame, de Triumph Bonneville T120 Black. Zeer tot genoegen van kameraad Klaus, die sinds kort lonkt naar de sterke zus van de Triumph, de Thruxton. Zo kan hij mooi een keertje een tweecilinder testen terwijl hij privé nog met zijn 955i Triple door het land jakkert.

Deinend asfalt

224 kilometer lang is de Grüne Straße, die zeventien stadjes en dorpen aandoet, officieel dan. Je kunt je strikt aan de route houden, maar er ook een beetje losjes mee omgaan – de bochtige wegen in het achterland zijn nu eenmaal té verleidelijk. Zo mijden we de B31, waar altijd les op de loer liggen, en volgen liever het grijze lint dat vrolijk op en neer deint in het veld-, bos- en weidelandschap met zijn schaakbordpatronen, en die de carnavalsstadjes Bräunlingen en Löffingen met elkaar verbindt.

Blacky, pardon, Bonnie, is niet zo springerig. De afstelling van de achtervering is minder hard dan die van de directe concurrentie met het blauw-witte logo op de tank. Tijd voor een stop voor de kleurige trapgeveltjes en bloemenarrangementen bij de Demetrius-fontein in Löffingen. Zouden ze in Frankrijk ook winkels als ‘BioEcke’ hebben? In elk geval wel gedenkplaten met inscripties als ‘Aan onze helden 1914-1918’. Bij de volgende stop, Badeparadies Schwarzwald in Titisee-Neustadt, is het druk. Wij volstaan met waterkoeling voor het klassiek geribde 1200 blok. En een koel glas bier in Schwärzenbach, in de motorvriendelijke Salenhof.

Bonusrondje

Black Forest at its best, om het eens op z’n Engels te zeggen. De morgenzon verdrijft de vroege nevels uit het dal, in het groen geschakeerde landschap grazen een paar koeien als bruin-witte eilandjes. Ergens krijst een cirkelzaag. ‘Blub blub’, antwoordt Bonnie. Ze moet zich even vermannen voordat ze het gewoel rond de Titisee in duikt: waterfietsverhuur, verkoop van schapenwollen sokken en koekoeksklokken en Amsterdams aan- doende parkeerproblemen. Kortom vlucht- re ex, terug naar de idylle. Waar bij een zeer fotogenieke Zwarte Woud-boerderij met een knipoog geschreven staat: Copyright voor het bloemenarrangement 10 euro s.v.p. Peanuts vergeleken bij wat een suite in het Parkhotel Adlerhof in Hinterzarten kost: 439 euro. Dan viel de bon die Klaus jaren geleden voor een beetje gassen door het Höllental moest dokken wel mee. De bochten daar op de B31 zijn top, maar de lawines van blik slaan elk rijgenot dood. Niet zo gek dat je dan een alternatieve route pakt: de B500 tot Thurner, en van daaruit via de zogenaamde Spirzensteil en met scherpe bochten omlaag naar Himmelreich. Geweldig! En dan mag de T120 nog best wel wat meer op haar kant. Kirchzarten, beroemd en berucht vanwege de jaarlijkse Ultra Bike Marathon, is vandaag voor gemotoriseerde etsers zoals wij slechts een doorgangsstation voor we etsmetropool Freiburg binnenrijden. Eindelijk aangekomen bij de markante Martinstor met de legendarische McDonald’s, na meer stilstaan dan hollen, bitst een eerder ordelievende dan behulpzame voorbijgangster ons toe: ‘De parkeerplaats is daarginds.’ Tja, geen plaveisel voor pk’s. Dat verandert op slag bij een bochtig bonusrondje langs de wijngaarden op de Kaiserstuhl. En als ergens bij Ihringen de weg plotseling is afgesloten en een geïmproviseerde omleiding volgt, kan Bonnie de endurokwaliteiten tonen: bij het achtervolgen van een Mercedes W114, die over de landwegen scheurt alsof ie aan een rally meedoet. Dan is het tijd voor een stuk Schwarzwälder Kirschtorte aan de voet van de Burgberg in het vredige centrum van Breisach, alvorens op de andere Rijnoever Frankrijk lonkt.

Orgie van geluid

Hoe je je begin achttiende eeuw tegen ongenode gasten beschermde, kun je zien in Neuf-Brisach met zijn dikke vestingmuren die het stadje achthoekig omsluiten. En hoe je in de Elzas het leven viert, dat ervaren we van dichtbij in Colmar, samen met de zwaarbepakte motoren. Bij het navigeren door de smalle straatjes van de oude binnenstad blijven boze blikken ons niet bespaard, want wat een orgie van geluid. Boven je hoofd de weelderig versierde gevels van renaissance- en vakwerkhuizen, beneden op de pleinen zitten mensen aan honderden lange tafels gebroederlijk te eten en te drinken op het wijnfeest Foire aux Vins. Een hotelkamer is nergens meer te krijgen – daarvoor wijken we uit naar hotel Au Cheval Blanc in Baldersheim. Wat dan wel weer het voordeel heeft dat de motoren zich de volgende dag op de weg terug naar de Route Verte eerst lekker warm kunnen rijden.

Bochtencaroussel

Om niet te ver af te dwalen richten we onze aandacht op de Route des Crêtes over de Grand Ballon en storten we ons pas op de Col du Firstplan in de bochtencarrousel van de Vogezen. Even later in Turckheim duizelt het je al snel van al het moois dat je ziet. Wat een juweeltje. Het bord zegt het al: Beste bezoe- kers, ontdek de stad te voet. Dat de T120 niet voor de poes is, toont ze op de D11 naar Les Trois Epis en Orbey. Bonnie is niet zo van de diepe grom, maar in de vier- de versnelling rijdt ze als een klokje met een mooi toerental. Dan een sprakeloze blik in het verleden op de Col du Wettstein en het Mémorial du Linge: een begraafplaats vol kruisen herinnert aan de loopgravenoorlog van de jaren 1914-1918, aan de zinloze slachtpartijen onder Franse en Duitse soldaten.

Dorpsfeest in Stosswihr. En hopsasa, iedereen is in een opperbeste stemming. Het oog wordt als vanzelf getrokken door mobiele, vaak al decennialang onderhouden cultuurgoederen in de vorm van oude Peugeots, Saurers of Zündapps. En op de markt kun je zelfs voor sierkippen terecht. In het vrije veld trekken de oudjes tijdens het Concours d’Élégance aan de toeschouwers voorbij. Hôtel Restaurant de la Cigogne in het nabije Munster dient zich aan als ideaal logement. En als daar dan een stuk geurige Munster kaas op je bordje ligt, gegarneerd met karwijzaad en een klodder honing, ja dan weet je het: zo smaakt de Franse zomer.

Een zomer die je in zo’n prachtig weekend niet voor jezelf hebt. Dat geldt al helemaal voor de ‘rode’ D417 over de Col de la Schlucht, die als een slagader door de Vogezen vibreert als de pieken en dalen in een cardiogram. De Britse motor is hier bepaald niet als enige on the road. En wat horen we rond het Lac de Gérardmer weer vaker dan ons lief is? ‘Complet!’ Merde, same procedure as yesterday. Als pleister op de wonde ne- men we de heerlijke D34 van La Bresse naar Vagney. En motel Quick Palace op het industriegebied van Epinal is beter dan niks.

Er is nog wel wat meer dan een hotelbed. Als je dan toch een snelle stop maakt in Epinal, de met bloemen getooide hoofdstad van de Vogezen aan de nog prille Moezel, wat mag je dan niet missen? De basiliek Saint-Mauri- ce uit de elfde eeuw bijvoorbeeld – en voor- al ook het Musée de l’Image met zijn verzameling beeldverhalen en houtsneden die vanaf 1796 in Epinal zijn gedrukt en als voorlopers van de strips de wereld over gingen. Terwijl we de zolen van onze laarzen rust gunnen, bestuderen we in de schaduw van de basiliek het al even boeiende en kleurige stukje drukwerk dat ons een paar lollige uren op de motor belooft. En zo besluiten we, geïnspireerd door Michelins kaart 516, de omgeving van Epinal te verkennen.

Geprikkelde lachspieren

Tussen Remiremont en Hadol maken Bonnie en Klaus een paar ererondjes om de onverwoestbare eik, die hier vermoedelijk al sinds de Franse Revolutie staat. Bij Ahéville rijden we bijna synchroon met een zaaimachine de bochten door – de trekker met aanhanger die op de binnenbaan over de akker stuift, de Triumph die evenwijdig daaraan voren trekt in de D10. En laten we ook niet de spectaculair driftende MX5 vergeten die machtig veel rubber achterlaat. Maar waaraan kun je hier anders je geld uitgeven? O, maar dat kan best. Bijvoorbeeld in Vittel en Contrexéville.

In de twee om hun mineraalwater bekende kuuroorden aan het eind van de Route Verte nodigen casino’s uit tot een gokje. Aan tijden die gelukkig tot het verleden behoren herinnert het monument Vittel à ses enfants morts pour la France. Passender dan de soldaat met opgestoken bajonet wordt de vreedzame, verzoenende geest van deze route verbeeld door het park Jardin de la Terre. Want daar worden onverhoeds je lachspieren geprikkeld: tuinkabouters tussen het groen!

Verblijf

Mooie zomerse weekends en een volle evenementenkalender: de plaatselijke hoteliers varen er wel bij, maar het is niet altijd handig om op de bonnefooi naar de Grüne Straße/Route Verte af te reizen. Tijdig reserveren voorkomt stress en/of vele extra kilometers bij het zoeken van een hotelkamer. Hotel-apps komen onderweg vaak goed van pas.

Trefpunten

Op korte afstand van de Grüne Straße vinden in het Zwarte Woud ‘benzinegesprekken’ plaats op de Hegaublick bij Engen, www.hegaublick.deen op de parkeerplaats bij de Schluchsee-stuwdam. In de Vogezen hadden we ontmoetingen met gelijkgestemden op de parkeerplaats tegenover Hôtel La Cigogne in Munster en op de Col de la Schlucht in de met een grote Joe Bar-afbeelding getooide Brasserie de la Schlucht.