dinsdag 5 mei 2026
Home Blog Pagina 1340

2×2 terreinvreter

0

De UBCO 2×2 is de ideale motorfiets voor terrein dat allesbehalve ideaal is. Deze motorfiets heeft namelijk tweewielaandrijving. Al is dat laatste met zo’n naam geen echte verrassing meer. Het ding heeft twee grote voordelen en minstens zoveel grote nadelen. Het grootste voordeel is natuurlijk de tweewielaandrijving die je dwars door alle drab naar de plek van bestemming sleept. Het ruige uiterlijk sluit daar mooi bij aan. Nog een voordeel is het totale gebrek aan uitlaatgeluid. Je tokkelt dus geluidloos langs nietsvermoedende boswachters.

Bittere pil
Het laatste voordeel is direct een stevig nadeel. Er is namelijk een duidelijke reden voor de stilte: een elektrische motor in plaats van een verbrandingsmotor. Dat beperkt de topsnelheid en actieradius. Dat je tot 120 (theoretische) kilometers ver komt op een batterijlading is nog tot daaraantoe, maar dat je dat met maximaal 50 km/h doet is een bittere pil voor een zichzelf respecterend motorrijder.

Invoeren
Een bijkomend nadeel is dat de verkooppunten van de UBCO niet echt om de hoek liggen. De motorfabrikant is namelijk gehuisvest in Nieuw-Zeeland. De motorfiets is goedgekeurd voor straat- en offroadgebruik in het thuisland, Australië en de Verenigde Staten, maar in Nederland zul je toch echt langs de RDW moeten. Voor die tijd moet je ook nog eens achtduizend Nieuw Zeelandse dollars (een slordige € 4.800,-) aftikken.

Jagersmodus
Een elektrische motorfiets moet anno 2017 zijn eigen app hebben en de UBCO heeft die dan ook. Via bluetooth communiceren telefoon en motor met elkaar over zaken als: on- of offroadmodus, foutendiagnose, updates, snelheid, batterijconditie en een leermodule. Met een druk op de knop zet je de 2×2 in jagersmodus. Dat is nog eens wat anders dan de afgezaagde tour- en sportmodus. In de jaag-modus besluip je als jager wild op rubberen kousenvoetjes.

 

BMW ruimteschip

0

Waar moet je beginnen bij de BMW Khan? Bij het begin misschien? Onder dit futuristische kuipwerk schuilt een doodnormale – noem het gerust suffe – R1100R. Dat was het althans tot de Turkse industrieel vormgever Mehmet Doruk Erdem er op los ging. Die voorzag de naked van een kuipwerk dat zo uit de 24e eeuw lijkt te komen.

Terwijl de hele wereld ongetwijfeld smult van het waanzinnige lijnenspel waarbij zelfs Mad Max verbleekt, kijkt een verstokte BMW-rijder vast met afgrijzen naar de Khan. Geen zijkoffers te bekennen, geen comfortseat te zien en een topkoffer past ook al niet. Ergonomisch lijkt het helemaal een ramp. Kijk eens naar de plek van het zadel in combinatie met de locatie van de voetsteunen. Misschien dat een Roemeense turnster van dertien jaar een plekje vindt op deze Khan, maar voor een stevige biker is het eerder een martelwerktuig. Ooit eerder een BMW Boxer gezien waarbij de stuurhelften bijna de cilinderkop aantikken?

[justified_image_grid ids=27135,27136,27137]

Dumoulin moet motoren haten

0

Als wielrenners tijdens een tijdrit in de slipstream van een motorrijder duiken, hebben ze daar logischerwijze voordeel bij. In de luwte is het lekker rijden. Dat verandert als de motorfiets naast ze gaat rijden. De turbulenties die de motor dan opwerpt zorgt voor extra luchtweerstand.

Per kilometer kan het seconden kosten heeft hoogleraar Bert Blocken van de Technische Universiteit Eindhoven berekend. Blocken deed simulaties en windtunneltesten om zijn gelijk te staven. Aangezien de Giro d’Italia volgend jaar begint met een tijdrit moet regerend kampioen Tom Dumoulin als expert tijdrijder dan ook hopen dat de cameramotoren niet naast hem rijden.

Foto: ANP

Getest: Indian Springfield

0

Na wat smeedwerk aan het frame gaat de Chief Vintage plotseling als Springfield door het leven en is hij bedoeld voor een totaal andere doelgroep. Dit is een motor voor reislustige motorrijders met gevoel voor show. 

Waar de Chief Vintage afhaakt als toermotor gaat de Springfield door. Dat begint bij de bagagemogelijkheden. In plaats van niet afsluitbare leren zadeltassen beschikt de Springfield over  elektrisch te openen en sluiten hardkunststof koffers. Bovendien druk je in een vloeiende beweging een topkoffer als een soort Lego-steen op de kont van de toergerichte cruiser. Om de toegenomen toerkwaliteiten optimaal te benutten, krijgt de duo een groter zadel om niet alsnog om de zoveel kilometer stil te staan vanwege een klagende passagier met een houten reet. Alle wijzigingen leveren een motorfiets op die in twee stappen van toerfiets in showbak (of andersom) transformeert. Met het weghalen van de topkoffer en het windscherm is de Springfield plotseling een ‘blingbling-bagger’ waarmee je gezien kunt worden.

Rake klappen
Een toermotor stelt andere eisen aan een rijwielgedeelte en daarom sleutelde Indian om de metamorfose compleet te maken aan het frame. Om de handelbaarheid met een volle topkoffer (exact zo’n immense hutkoffer als op de Roadmaster) te garanderen gaat de balhoofdhoek van 29° naar 25°. Bovendien gaat de naloop van 155 naar 133 mm. De Springfield moet in theorie dus makkelijker insturen.

Freme knaap
De Indian weegt een niet geringe 372 droeg kilo’s en die voel je vanzelfsprekend. Het aan de hand meevoeren van de motor maakt instinctief plaats voor vanuit het zadel meesteppen. Dat voelt wel zo veilig met bijna vierhonderd kilo motorfiets onder je. Op het leer van het zadel en het rubber van de banden is alles op de Amerikaan van ijzer. 

Het zou mooi zijn als nu de zin volgt dat de kilo’s als sneeuw voor de zon verdwijnen zodra je harder dan vijftien kilometer per uur rijdt. Alleen volgt die zin niet, het is namelijk niet zoJe houdt als vanzelf ontzag voor vierhonderd kilo Amerikaans metaal van topkwaliteit. Toch verrast het hoe makkelijk zo’n ferme knaap nog stuurt.

Verrasend ontspannen
Blijkbaar heeft het frame van de Chief Classic zoveel reserve dat het ondanks de met 29 mm gekrompen wielbasis (door de steilere balhoofdhoek) nog altijd zo stabiel is als een mammoettanker. Overigens bedraagt de wielbasis nog altijd een geruststellende 1701 mm. Dat is breder dan een tweepersoonsbed. Ondanks het gigantisch lange stuur en de nog altijd gematigde geometrie stuurt de Amerikaan neutraal en valt hij de bocht niet in. Zodra de snelheid er ook maar een beetje in zit volgt de Springfield keurig de ingezette lijn. De machine is simpelweg in balans en raakt niet van makkelijk van slag af als het wegdek in de bocht niet biljartlakenvlak is. Voor een zware cruiser rijdt dit verrassend ontspannen en strak.

Prachtig blok
Trap de V-twin in de eerste versnelling, laat de koppeling met een streepje gas opkomen, schakel direct door naar twee en zonder morren of protesteren beukt het blok de 372 kilo’s verder naar voren. Misschien zegt 139 Nm @ 2600 tpm alles? Van protesterende zuigers is geen sprake, onwillig gebonk blijft achterwege, alles wat je voelt is een megasterk blok dat je met gezwinde spoed naar voren duwt. Hoe is dit mogelijk bij een 1811 cc zware twin? Elke cilinder meet bijna één liter en de zuigers hebben een diameter van 101 mm. Toch voelt het blok prachtig soepel en gedraagt het zich onderin als een heer. Hoffelijk, voorkomend en zonder een onvertogen woord doet het zijn werk van extreem lage (er zijn motoren die dan amper stationair lopen) tot hoge toerentallen. Het hoort niet en het hoeft niet, maar trek de Springfield door en hij trakteert je vanaf het middengebied nog op een extra portie pit.

Rotruit
Toeren is geen straf op de Springfield en daarmee is de missie van Indian geslaagd. Het zadel is ruim en hard genoeg (al duwt de opstaande rand wel in de rug) en de voeten hebben alle ruimte op de comfortabele treeplanken. Bij het windscherm heb ik een aha-erlebnis, al is het helaas geen positieve. Van een eerdere test met de Chief Classic herinner ik me de turbulentie die de ruit opwerpt. Het ding is weliswaar torenhoog (kleine rijders kijken verplicht door het plexiglas) maar op een of andere rare manier zet hij je niet lekker uit de wind, maar juist in een turbulente windstroom. Die landt letterlijk midden in je gezicht waardoor je al snel ongewild kopschuddend op de motor zit. Toekomstige Springfield-eigenaren leveren met liefde iets in van rijcomfort en pure toercapaciteiten voor pure beleving en het showelement van de opzichtig glanzende Amerikaan. De moddervette klappen van de V-twin werken inderdaad verslavend en rustgevend. Lastig, zoniet onmogelijk, om daar met een viercilinder toerfiets tegenop te concurreren. 

Tekst: Ad van de Wiel, foto’s: Arie Bon

 

[justified_image_grid ids=27080,27081,27082,27083,27084,27085,27086,27087,27088,27089,27090,27091,27092,27093,27094]

Benelli 402S: kopie of vleierij?

0

Imitatie zou de meest oprechte vorm van vleierij zijn. Als dat zo is, moet Ducati zich wel heel erg gestreeld voelen door de Benelli 402S.

Laten we er geen doekjes om winden: Benelli heeft op de ontwerpafdeling in Pesaro gewoon een Ducati XDiavel gekopieerd en die de 402S genoemd. Schaamteloos toch van een merk dat nog niet zolang geleden unieke motoren bouwde als de schitterende Tornado. Dat niemand ze kocht, lag niet aan het ontwerp van Adrian Morton.

Benelli is tegenwoordig in Chinese handen. Daar leek de kopieerwoede wel zo’n beetje uitgeraasd, maar kennelijk valt de drift tot namaak toch moeilijk te beteugelen.

Onderhuids vind je in de Benelli 402S een parallel-twin van 399cc, die goed is voor 39 pk en 35 Nm. De ‘mini XDiavel’ weegt net geen 160 kilo en is behoorlijk luxe uitgerust. USD-voorvork, twee remschijven en vierzuigerremklauwen voor en ABS. Zelfs de achterschokbreker is instelbaar.

Over de prijs weten we niks, maar dat zal wel zo’n Chinese discount prijs zijn. Het is nog maar de vraag of de Benelli ooit naar Europa komt.

Getest: Honda CMX500 Rebel

0

Dit gekke kleine Rebeltje krijgt het voor elkaar dat zelfs doorgewinterde motorrijders zich kostelijk vermaken. Stuurplezier op een 471 cc zwaar choppertje, staat het er echt? Ja, het staat er en het is nog gemeend ook.

Het ontwerp is niet gericht op alledaagse motorrijders, maar op nieuwkomers die in een digitale tijd zijn opgegroeid en daar met deze minichopper tegenaan schoppen. Het enige digitale aan de motorfiets is dan ook het dashboard, maar zelfs dat doet zijn best om het te verbloemen met zijn witte letters op een zwarte achtergrond. Om beginnende motorrijders nog meer te paaien bevindt het zadel zich slechts op 690 mm van de grond. Het bescheiden tweecilinder blok is al net zo’n geruststellende gedachte voor beginners als de zadelhoogte. De 471 cc zware paralleltwin kennen we uit de CB500F, CBR500R en CB500X. Goed nieuws voor toekomstige eigenaren want het blok is bombproof en wonderbaarlijk zuinig. 

Met grondspeling
Om beter aan te sluiten bij het cruisergevoel geeft de twin het maximum koppel van 43.2 Nm niet meer bij 7000 maar bij 6000 tpm af. Waarden waarvan een gemiddelde Harley-rijder in zijn broek piest, maar het bescheiden blokje geeft geen klap verkeerd. Tijdens de testrit ging het meestal te hard om iets te kunnen zeggen over trekkracht bij lage toerentallen, maar ook daar presteert het blok voldoende. Een potato-potato-ervaring ligt op basis van de specificaties al niet erg voor de hand, maar het hoogtoerige gebrom vanwege de hoge snelheden tijdens de testrit is direct het andere uiterste. De vrees voor het geluid van schrapende voetsteunen blijkt overbodig. Dit malle ding beschikt zowaar over grondspeling. Gaat het bochtenwerk in eerste instantie nog weifelend, al snel neemt het vertrouwen in de goede afloop en de Rebel toe. Het is niet langer een straf om een hoog tempo te onderhouden, het is juist feest.

Rotrem
De Rebel verrast echt op kronkelende stuurwegen. Dat het insturen weinig moeite kost met zo’n lichtgewicht is te verwachten, maar tot op hogere snelheden stuurt deze nieuwkomer neutraal en vooral gemakkelijk. Alleen de vette bobber-voorband laat zich af en toe voelen. De Rebel valt iets de bocht in, maar bij zo’n klein motorfietsje is dat makkelijk te corrigeren. Natuurlijk heeft een motorfiets van iets meer dan zeven mille geen dikke remmen, vette instelbare voorvork en achterdempers, maar het gemonteerde budgetspul doet het gewoon goed. De achterkant is straf afgeveerd, maar dat kan ook niet anders bij een veerweg van 89 millimeter. Bij de remmen is het juist andersom. Daar doet de achterrem het een stuk beter dan de enkele voorrem en de minimalistische remklauw. Knijpen, serieus hard knijpen is hier het devies.

Geen malheur
Net als je denkt dat alle verrassingen wel eens een keer zijn opgesoupeerd, dringt het besef door dat alle vooraf gevreesde pijntjes uitblinken door afwezigheid. De zitpositie op de Rebel is inderdaad compact, maar vreemd genoeg leidt het niet tot fysieke malheur. Waar sommige cruisers al na een paar kilometer meer weg hebben van een martelwerktuig dan een motorfiets, is het verrassend ontspannen rijden op de Rebel. Zelfs dat plankje dat voor zadel doorgaat, doet het gewoon goed. De voetsteunen zitten niet krankzinnig ver naar voren als een soort wannabe highway-pegs. De rijwind is beter te trotseren dan op de meeste cruisers. Alleen het rechter voetsteuntje zit wel erg dicht op het carterdeksel en dat laat zich soms voelen. 

Conclusie
De goednieuwsshow gaat maar door; Honda ontpopt zich namelijk eindelijk weer eens tot prijsvechter. De meest voor de hand liggende concurrent van de Rebel is de Vulcan S. De Kawasaki gaat voor € 9049 over de toonbank en dat scheelt € 1691. De Kawa verslaat de Rebel in een direct vergelijk op punten, maar zo’n prijsverschil vergoedt veel. Misschien heeft het kleine Hondaatje het voordeel van de underdog, maar knallen met dit ding is veel leuker dan je ooit voor mogelijk houdt. Nooit kunnen denken dat er daadwerkelijk iets rebels in deze Honda schuilt, maar het is wel zo.

Tekst: Ad van de Wiel, foto’s: Honda

 

[justified_image_grid ids=26493,26494,26495,26496,26497,26498,26499,26500,26501,26502,26503]

Kleine(re) Africa Twin in de pijplijn

0

Onlangs presenteerde BWM de gloednieuwe F850GS, gooide KTM een balletje op met het 790 Adventure Concept en vernieuwde Triumph de Tiger 800. Laten we het zo zeggen; er zit schot in de zaak in het middenklasse allroad-segment. En Honda lijkt nu ook uit te zijn op een deel van dat feestje.

Zo schijnt de projectleider van de CRF1000L Africa Twin aan de immer welingelichte heren van MCN verteld te hebben dat een compacte Africa Twin op de rol staat. Ondanks dat Honda hofleverancier is van de allroad-markt – met liefst acht (!) verschillende allroads in het gamma – ziet men potentie zich in de snel ontwikkelende middenklasse allroad-markt. Niet onlogisch ook, nu groot blijkbaar niet gauw meer groot genoeg is tegenwoordig.

Kijk naar Ducati. Zelfs een Multistrada 1200 is een schande en verdient in een 1260 Multistrada-schaduw geparkeerd te worden, maar ook BMW houdt zich ermee bezig, want de komst van een R1250GS laat ook al even op zich wachten, ondanks dat de eerste geluiden al klonken bij de introductie van de vloeistofgekoelde GS in 2013.

En nu?
Honda zal waarschijnlijk wel voor een andere naam gaan met de kleine Africa Twin. Zoals men dat al eerder deed, kan een allroad binnen Honda’s muren vele namen dragen. Zo groeide de originele Africa Twin spoedig van een 650 naar een 750 en werd de kleine V-twin-allroad de Transalp. De nog grotere twin werd de Varadero, en zo maar weer voort.

Qua krachtbron kan Japans grootste gaan voor een koekje uit de eigen trommel, want blokken te over, met als titelkandidaat het blok uit de NC750-serie. Een paralleltwin zoals de CRF1000L, eventueel met DCT – zoals de CRF1000L; er wordt een patroon zichtbaar. Daarmee maakt Honda het zichzelf overigens wel moeilijk, aangezien dat blok beduidend minder potent is dan die van de – al wat we aan 790 Adventure-referentiekader hebben nu – 790 Duke, dat van de F850GS en zeker ook de Tiger 800 is met zijn extra cilinder een maatje te groot.

Maar Honda zou Honda niet zijn als ze niet alsnog een uiterst capabele machine in de markt zouden zetten, waarbij bruikbaarheid de boventoon voert ten faveure van pure power. Noem een voorbeeld? De CRF1000L Africa Twin legt het op papier al gauw af, maar motoren worden op de weg – of ernaast – gereden. Niet op papier.

Foto: Honda

Ducati Monster 821 2017 Test

0

Er zijn slechtere manieren om je dag te beginnen. Als ik de gordijnen van mijn hotelkamer in Rimini opentrek, zie ik dertig identieke Ducati monsters 821 op de rand van het strand staan te glimmen in de zon. Strakslaten we deze nieuwe L-twins door de bergen brullen…

De rij gele motorfietsen voor het hotel doet denken aan een vergelijkbaar tafereel, waarin de Monster 620 de hoofdrol speelde. Die werd in 2001 geïntroduceerd met een groot strandfeest in Rimini. Daarmee vierde Ducati dat de verkoopaantallen van de groeiende Monsterfamilie de 100.000 units waren gepasseerd. Dat leek zestien jaar geleden nog een indrukwekkend getal. Maar nu de Monster zijn 25-jarig jubileum viert, zijn er al meer dan 320.000 stuks van Ducati’s naked bike over de toonbank gegaan. Het is dus zeker geen toeval dat we terug zijn aan het kustplaatsje bij de Adriatische Zee. Ditmaal dus voor de introductie van de nieuwste, herziene Monster 821. Het design daarvan is nogal herkenbaar. Het vertoont een sterke gelijkenis met de originele M900 Monster, waarmee de modelreeks in 1993 begon. Ducati realiseerde zich namelijk al lang geleden, dat het belangrijk was om de vormgeving van de Monster steeds te laten evolueren, maar om de belangrijkste vormen daarbij wel intact te laten. Dat zie je zeker terug in deze 821. Het uiterlijk van deze Monster is iets meer retro geworden, terwijl het design ook dicht bij de vorig jaar geïntroduceerde Monster 1200 ligt.

Balans

Ducati stelt dat de vernieuwde Monster 821, die tussen de 797 en de 1200-modellen is gepositioneerd, de best gebalanceerde Monster uit de familie is. Volgens Ducati is hij ook mooier, sportieve, geraffineerder en vooral geel. Dat laatste kun je niet ontkennen, want deze kleur is een nieuwe optie, samen met de gehandhaafde rode en zwarte kleurstellingen. Dat de nieuwe Monster ook mooier is, zou komen door de subtiel gewijzigde vormgeving, die ontstaat doordat de 821 de koplamp, de benzinetank en het kontje van de Monster 1200 heeft overgenomen en bovendien een nieuwe uitlaatdemper heeft gekregen. Of de Monster er daarmee beter uitziet dan zijn voorganger is natuurlijk een kwestie van smaak, maar zijn tank ziet er onmiskenbaar wulps uit. De tank heeft aan de voorkant ook een soort klemgesp, zoals je die op een skischoenen aantreft. Dat is een verwijzing naar de originele M900, waarvan de tank ook met zo’n gesp vast zat. Minder handig is dat de tankinhoud door de nieuwe vorm met een liter is verkleind naar 16,5 l. Een ander minpuntje is dat er nog steeds een aantal slordig ogende, rubber slangen aan de linkerkant van het motorblok te zien zijn.

Sportiever?

Dat deze Monster 821 ook sportiever zou zijn, zie ik niet helemaal. Deze Monster heeft immers dezelfde, 821 cc metende, vloeistofgekoelde Testastretta 11° V-twin als het demissionaire model onder het vakwerkframe. Ook de zitpositie is ongewijzigd. En als we heel eerlijk zijn, moeten we stellen dat het maximumvermogen van deze achtkleps desmo-krachtbron zelfs met drie pk is gedaald ten opzichte van het 2015 model, naar 109 pk @ 9.250 tpm. Dat schijnt voornamelijk door de nieuwe uitlaat te komen. Daardoor is ook het maximum koppel gedaald tot 86 Nm. En dat terwijl het geclaimde rijklare gewicht van 206 kg een halve kilo hoger ligt. Het zijn allemaal kleine, nauwelijks merkbare verschillen, maar ze wijzen nou niet bepaald op een toename van de sportiviteit. Het enige dat die claim wel ondersteunt, is dat er een nieuwe, in twee richtingen werkende quickshifter verkrijgbaar is. Die zit natuurlijk ook op de testmotoren hier.

Raffinement

De claim dat de nieuwe Ducati’s geraffineerder zijn, is nog het beste te verdedigen. Bijvoorbeeld vanwege het nieuwe TFT- dashboard. Dit smartphone-achtige display is bijna identiek aan dat van de Monster 1200. Het ziet er zowel aantrekkelijk als slim uit. Het komt tot leven in een enorm schouwspel van kleuren, verandert zijn indeling afhankelijk van de uit drie mogelijkheden gekozen rijmodus en is bovendien voorzien van een brandstofmeter en een versnellingsindicator. Dat is redelijk vooruitstrevend. Nu was de vorige 821 dat technisch ook al. Het ride-by-wire-injectiesysteem kende al drie modi (sport, toeren en verminderd vermogen voor de stad). Die modi hadden elk hun eigen, in acht stappen instelbare tractiecontrole en drie mogelijke standen voor het ABS. Die standen kunnen nu worden ingesteld via het uitgebreide menu in het TFT-display. In tegenstelling tot de Monster 1200 is de 821 echter niet uitgerust met een ‘intertial Measurement Unit’ of IMU Daardoor kan hij niet worden uitgerust met een anti-wheelie-functie (behalve in samenwerking met de tractiecontrole) of bochten-ABS, zoals de 1200 dat wel heeft. Toch is het een behoorlijk intelligente motorfiets voor de naakte middengewicht-klasse.

Sound

Iets waaraan deze 821 ten opzichte van zijn voorganger zeker niet kan tippen, is het fantastische, onwaarschijnlijk luide uitlaatgeluid, dat ik me nog steeds duidelijk herinner van de introductie in Bologna, drie jaar geleden. De nieuwe, bijna geheel in zwart afgewerkte dubbele uitlaatdemper zag er echter wel imposant genoeg uit, toen ik bij de motor kwam en mijn been over de in hoogte verstelbare zitting sloeg. De zit bleek inderdaad bijna gelijk, ik hoefde slechts licht voorover te buigen om mijn handen op het bijna vlakke, eendelige stuur te leggen. De voetsteunen staan nu op aparte beugels, maar voor de rest is de ergonomie ongewijzigd. Het zadel is laag genoeg voor de meeste rijders en samen met de ruime stuuruitslag zorgt dat dat je in de stad niet snel in de problemen zult komen. Bij het uitrijden van Rimini bleek het geluidsniveau echter nogal tam. Dat gold ook voor het motorkarakter, wanneer je dat in de stads-modus hebt staan. In die stand wordt het vermogen tot 75 pk beperkt, terwijl er nogal behoudende settings voor de tractiecontrole en het ABS worden gekozen.

Karakter

Buiten de stad, bij een rondrit door de heuvels van Emilia Romana, kwam er echter meer leven in de brouwerij. Met een druk op de knop zette ik de rijmodus in de toer-stand, waarin het volle vermogen beschikbaar is. Dat leidt tot een directe, bijna explosieve acceleratie, waarmee de Monster een stuk meer rijplezier oplevert. Zowel in de toer-stand als de meer agressieve sport- modus is de gasreactie helder en direct, dus liet ik de Monster het merendeel van de dag in die twee standen staan. Je merkt daarbij natuurlijk wel dat de 821 niet kan tippen aan de prestaties van de 1200. De kleinere 821 bleek dankzij zijn lange boring/slag verhouding echter toch lekker soepel. Het maximum koppel van 86 Nm wordt weliswaar pas bij 7.750 tpm bereikt, maar toch gaat de 821 er lekker levendig vandoor omdat hij helemaal van 4.500 tpm tot aan 10.000 tpm meer dan 70 Nm beschikbaar heeft. Natuurlijk biedt de 821 ook daarmee niet het armstrekkende geweld van een echte super-naked. Toch is Ducati’s claim, dat dit de best gebalanceerde motor uit de Monster-familie is, niet helemaal uit de lucht gegrepen. De levendige acceleratie vanuit lage snelheden, zijn directe gasreactie en zijn capaciteit om lekker laagtoerige met 140 km/h te cruisen of na een topsnelheid van rond de 225 km/h door te stoten maken dat de meeste motorrijders zich er uitstekend mee zullen vermaken en dat ze zich behoorlijk schrap moeten zetten tegen de rijwind als ze de topsnelheid uit willen proberen.

Reactief stuurgedrag

Het rijwielgedeelte van de 821 is uiteraard afgestemd op de prestaties van de motorfiets, hoewel dat op onze tocht waarschijnlijk niet optimaal tot zijn recht kwam. De route door Emilia-Romagna was bochtig en steil, waardoor het lichte, reactieve en toch neutrale stuurgedrag van deze Ducati goed opviel. Het wegdek was hier en daar echter behoorlijk tricky, met een afwisseling van hobbels, naden, gravel. Er waren zelfs enkele flinke scheuren, waar een allroad nog een flinke dobber aan zou hebben gehad. Diverse rijders vonden hierdoor dat de niet instelbare, 43 mm Kayaba vork te stug is afgeveerd, vooral tijdens het remmen. Ik zou zelf graag de instelbare vering van de Monster 1200 op deze 821 hebben uitgeprobeerd. Toch was ik best onder de indruk van het degelijke gevoel en het hoge rijcomfort dat de 821 in zulke moeilijke omstandigheden biedt. Hetzelfde geldt voor de Sachs achterschokdemper. Net als bij zijn grote broer is de veervoorspanning en de uitgaande demping ervan instelbaar. Dat functioneerde best goed voor mijn 85 kg. De 140 mm veerweg leek mij eveneens ruim voldoende.

Ruim voorzien

De nieuwe 821 is naar mijn idee comfortabeler dan ik me van oudere monsters herinner, zowel wat betreft de vering als het zadel. Ik heb ook niets te klagen over de Pirelli Diablo Rosso III-banden, die goed omgingen met het verraderlijke asfalt. Ook niet over de voorrem, waarvan de Brembo Monoblock M4.32 remklauwen met veel kracht en controle op de 320 mm remschijven aangrepen. Natuurlijk zouden de bredere banden van de Monster 1200 (190 mm in plaats van 180 mm) hier goed van pas zijn gekomen, net als de geraffineerde IMU- geregelde tractiecontrole en het bochten ABS. Maar voor dit prijsniveau kun je stellen dat de Ducati 821 al zeer ruim voorzien is. Het nieuwe TFT-dashboard toont zowel het brandstofverbruik als de resterende actieradius, biedt een lap timer en een schakellamp, heeft afstelmogelijkheden voor de helderheid en kan via Bluetooth worden verbonden met een smartphone en Ducati’s als optie verkrijgbare multimediasysteem. Dat de actieradius door de kleinere tank is geslonken zal niemand verbazen. Maar de Ducati Monster 821 is zuinig. Wij haalden al 6,5 liter/100 km, bij een normale rijstijl red je met gemak 6 liter/100 en dan haal je gemakkelijk meer dan 200 km op een tank.

Charme

Qua praktisch gebruiksgemak scoort de Monster 821 best redelijk. Het zadel is meer ontworpen voor solo-gebruik dan voor met zijn tweeën. Maar er zijn in elk geval wel duohandgrepen onder het zadel gemonteerd. Echte handvat-beugels zijn als accessoire verkrijgbaar, net als een windscherm en een in kleur gespoten flyscreen, hogere en lagere zadels, zadeltassen en diverse carbonfiber of aluminium onderdelen, waaronder een paar erg fraaie carbonfiber Termignoni uitlaatdempers. Die maken de motorfiets echter nog duurder, terwijl hij is al redelijk duur is in vergelijking met andere middenklassers: de prijs is vergelijkbaar met de BMW R nineT Pure en de Triumph Street Triple RS, maar hoger dan de andere Street modellen en concurrenten als de Aprilia Shiver 900, de Kawasaki’s Z900 en de Yamaha’s MT-09. Daar staat tegenover dat de Monster nooit goedkoop was, zelfs niet als je teruggaat naar de originele M900. Of deze nieuwe telg in de Monsterlijn inderdaad de best uitgebalanceerde motor is, of dat hij de meeste waar voor zijn geld biedt, dat hangt af van wat je van een naakte V-twin verwacht. In elk geval biedt de 821 wel een overvloed aan charme, rijeigenschappen en de onmiskenbare stijl die ook de originele Monster destijds al kenmerkte.

Kawasaki Ninja 650 Touring-2017-test

0

Als het eruit ziet als een eend, kwekt als een eend en loopt als een eend, dan is het waarschijnlijk een eend. Toch gaat het niet altijd op. De Kawasaki Ninja 650 Touring heeft de looks van een circuitracer, maar als je ermee wegrijdt, blijkt hij over verrassend relaxte tourcapaciteiten te beschikken!

Tekst Peter Aansorgh

Op het eerste gezicht is de Ninja 650 een supersportieve motor. Hij heeft een lekker agressief ogende kuip, met twee scherp gevormde koplampen die je ietwat boos aankijken. Het racy effect wordt versterkt door de van de ZX-10R Superbike afgeleide frontspoilers, de in de kuip geïntegreerde knipperlichten en zwarte, horizontale graphics. De Ninja ziet er verder mooi afgewerkt uit, met aandacht voor detail. Kijk alleen al naar de prachtige, gebogen achterbrug van geperst aluminium. Daarop staat weer een klein binnenspatbord, dat de achterzijde schoon houdt. Ook apart is de laaggeplaatste uitlaat en de leuk ontworpen, kunststof tankdop. En het achterlicht, waarin de LED’s de letter X spellen. Eigenlijk zijn er nergens simpele beugeltjes te bekennen. Alles is met zorg vormgegeven.

Racy dash

Vanuit het rijdersperspectief is de eerste indruk ook behoorlijk racy. De dasboardunit bestaat uit een grote, analoge toerenteller waarvan hete rode gebied pas bij 10.000 tpm begint. De toerentellernaald is wit en verandert via roze naar rood als het door de rijder ingestelde schakelmoment nadert. Dit in aanvulling op de eveneens aanwezige schakelindicatorlamp, die toch doorgaans bedoeld is om de laatste tienden van seconden te winnen op een geklokte circuitronde. Het dashboard heeft echter nog meer te vertellen. In de toerenteller bevindt zich een display met een klokje en een duidelijke versnellingsindicator. De rest van de wetenswaardigheden, zoals de snelheid, de km-stand, de motortemperatuur, de tankinhoud en de twee tripstanden, zijn in een tweede display te zien. Daar kun je beurtelings ook het resterende actieradius, het momentane en gemiddelde brandstofverbruik en de buitentemperatuur aflezen.

Relaxte zit

Zodra je in het zadel plaats neemt merk je dat het karakter van de Ninja 650 een stuk gemoedelijker is dan zijn uiterlijk doet vermoeden. Het is geen moto, waar je plat op ligt. De zitpositie is juist lekker ontspannen. Je zit licht voorover, met boven de kroonplaat gemonteerde clip-ons, die best ver naar je toe reiken. Je hoeft er daardoor niet erg op te leunen en dat is prettig voor je polsen. Ook prettig is dat de Ninja instelbare rem- en koppelingshendels heeft, zodat je er altijd goede grip op hebt. Dankzij de slim geplaatste voetsteunen en de ruime uitsparingen in de 15-litertank heb genoeg beenruimte, waarbij opvalt dat de machine bijzonder rank aanvoelt. Je hoeft je benen dus niet erg te spreiden. Samen met een zithoogte van 790 mm zorgt dat, dat je goed met de voeten bij de grond kunt, ook als je geen NBA-basketballer bent.

Twee tour-uitvoeringen

Prettig is dat je op de Ninja 650 Touring een goede windbescherming geniet. Dat wil zeggen; er zijn twee touring-uitvoeringen. De ene heeft een laag smoke windscherm, een tankpad en een set semi-softe zijkoffers, voor 250 euro meerprijs. De andere touring-uitvoering heeft behalve semi-softe zijtassen en een tankpad ook framebeschermers, kneepads en een hoger windscherm, voor 699 euro meerprijs. Beide windschermen kunnen in drie hoogtes worden verzet, met een verschil van 60 mm tussen de hoogste en de laagste stand. Ik rijd de touring “light” – versie, dus met de lage ruit, in de laagste stand. Dat biedt eigenlijk al meer dan genoeg windbescherming om de borst en schouders uit de wind te houden, met het voordeel dat je hoofd in de omverstoorde en dus turbulentievrije rijwind zit. Dus geen last van herrie en het ventilatiesysteem van je helm blijft werken. Zo biedt de Ninja 650 het zitcomfort en de bescherming die het mogelijk maken ontspannen lange afstanden af te leggen. Zeker omdat de bagagemogelijkheden er nu ook zijn: De zijkoffers zijn niet heel groot, maar groot genoeg voor weekendbagage. Er zijn voldoende bagagehaken en er is ruimte voor een U-slot of andere kleine zaken onder de zitting. Eventueel zijn er trouwens nog een 30 mm hogere zitting, een 4-liter tanktas met venster, en topkoffer en een 12-Volts stopcontact in het accessoiregamma verkrijgbaar.

Boost

De Ninja 650 Touring is dus niet zo wild als ze eruitziet. Dat geldt ook voor de 649cc tweecilindermotor. Dit aluminium motorblok heeft een lekker karakter dankzij een 180° krukas, die ervoor zorgt dat de zuigers niet “parallel” bewegen maar tegen elkaar in op en neer gaan. Dat heeft een onregelmatig vonkinterval tot gevolg en dat geeft karakter. Maar niet te veel, want er is wel een balansas aanwezig om de primaire onbalans te elimineren. Die doet zijn werk goed, er zijn inderdaad nauwelijks trillingen in de voetsteunen of in de op rubber gemonteerde clip-ons te voelen. Opvallend is verder dat de twin een vrij korte boring/slagverhouding van 83 x 60 mm heeft. In theorie zou hij dus hoge toerentallenkunnen draaien. De kleptiming en de inlaatlengtes van het smalle luchtfilterhuis zijn echter meer gericht op souplesse van onderuit dan op topvermogen. Dat geldt ook voor de configuratie van het uitlaatsysteem en de tuning van het injectiesysteem. De 36 mm gasklephuizen zijn gericht op een optimale efficiency bij die toerentallen die je het meest draait. Ultra-fijn vernevelende injectoren staan daarbij borg voor een volledige verbranding en daarmee voor een aangenaam brandstofverbruik, dat volgens opgave op 1:23,4 ligt.

Geen loze praat

Als ik voor hotel Lahnromantiek in het Duitse Nassau de startknop van de Ninja indruk, komt de twin mede dankzij het auto-fast stationairsysteem gemakkelijk tot leven. De motor loopt meteen lekker trillingsvrij rond. Het verhaal over een sterk middengebied blijkt ook geen loze praat, hij trekt inderdaad goed van onderuit. Vanaf 2.500 tpm kun je het gas vol open zetten en trekt hij er lekker vlot vandoor, waarna hij bij 5.500 tpm in zijn element komt en er extra aan gaat trekken. De Ninja laat zich daardoor gemakkelijk manoeuvreren. Hij bokt niet als je keert op de weg en hij trekt met gemak in tweede versnelling uit krappe bochten weg. Je kunt ook in de 4 door een dorp rijden, dan draait hij 3.000 tpm en kun je bij het uitrijden van het dorp gewoon gas geven. Toch zit er niet alleen bij lage toerentallen leven in: de twin gaat lekker door tot voorbij 8000 toeren, waar het blok zijn maximum vermogen van 50,2 kW (68 pk) levert. Tot 9000 tpm houdt de twin het dan nog vol, daarna voel je de kracht wegvloeien. Doortrekken tot de toerenbegrenzer bij 10.000 tpm heeft dan ook geen zin. Waarom zou je, de powerband is breed genoeg. Je zit zo op 140 en als je wat geduld hebt loopt de digitale teller zomaar richting de 190. Er is dus meer dan genoeg power voor sportieve uitspattingen, terwijl de soepele trekkracht en de vriendelijke gasreactie bij de lagere toerentallen ook een lekkere relaxte rijstijl mogelijk maken. Met 80 in de zes cruise je relaxt met 3750 tpm. Voor inhaalacties moet dan wel terugschakelen naar de vierde of zelfs derde versnelling om het blok naar de vermogende toerentallen te jagen. Dan is prettig dat de bekrachtigde slipperkoppeling weinig handkracht vraagt.

Vloek en zucht

Toch, toer-uitvoering of niet, zodra je een bocht tegen komt merk je dat de ze machine toch wel over het nodige Ninja-bloed beschikt. Het rijwielgedeelte is zeer wendbaar, wat ook veel te maken heeft met de ranke bouw. De compacte paralleltwin is een dragend deel van het korte vakwerkframe, dat maar 15 kg weegt. Aan de voorzijde wordt dit frame afgeveerd door een 41 mm voorvork, die een naloop van 100 mm geeft voor de nodige rechtuitstabiliteit. De achterbrug bedient een liggend geplaatste monoschokdemper via een progressief werkend linksysteem. Ze weegt ook maar 4,8 kg. Rijklaar weegt de Ninja 650 maar net 193 kg en dat voel je wanneer je hem over de bochtige wegen boven de Rijn jaagt. Je hoeft hem eigenlijk nooit bewust met je handen en het stuur een bocht in te drukken, je helt samen met de motor de bocht in alsof het een verlengstuk van je is. Het kocht geen kracht, terwijl je ook merkt dat je in een bocht met een klein duwtje tegen een van de clip-ons nog heel gemakkelijk een andere koers door een bocht kunt kiezen. Indrukwekkend gemakkelijk en natuurlijk voelt dat. Daarbij kun je redelijk goed aanvoelen hoe het met de grip van de Bridgestone S21 banden (120/70-17 voor en 160/60-17 achter) gesteld is. De vering voelt daarbij lekker stabiel. De Ninja is geveerd en redelijk goed gedempt, waardoor hij comfortabel aanvoelt en normaal gesproken niet deint. Alleen op slecht asfalt – wat we rond Nassau ook tegen komen, merk je dat de motor bij een hoog tempo voor en achter iets opwipt. Dat betekent dat er voor mijn gewicht (95 kg) iets meer demping zou mogen zijn. Dat is helaas niet instelbaar, dat kan ook niet voor de prijs van 8299 euro. Maar als gezegd, op normaal asfalt voelt hij strak, stabiel en neutraal, zodat je er ook gauw wat vlotter mee durft te sturen. Ook duikt hij niet al te zeer bij het remmen. Die remmen doen hun werk naar behoren. Het zijn (gelukkig) geen superfelle bijters waarmee je je over de kop remt. De tweezuigerremtangen in het voorwiel grijpen doseerbaar en met een duidelijk drukpunt aan en bouwen de remkracht bij het doorremmen mooi lineair op, met genoeg remkracht om het Bosch 9.1M ABS op het droge aan het werk te krijgen.

Dit vindt Peter

De Ninja 650 Touring koppelt wendbare rijeigenschappen aan een hoge mate van praktische bruikbaarheid. Hij beschikt over een levendig motorblok, dat zowel beginnende motorrijders als ervaren “piloten” enorm veel rijplezier biedt en dat eigenlijk meer dan genoeg vermogen heeft voor ons Nationale wegennet en de meeste landen daarbuiten. Hij is bovendien door zijn gemakkelijke stuurgedrag en zijn souplesse uiterst geschikt voor beginnende A2-rijders, want er is ook een tot 35 kW beperkte uitvoering verkrijgbaar, al vind ik het wel jammer dat hij niet op zijn minst instelbare uitgaande demping heeft. Maar dan wordt hij duur en dat is nou net een van zijn andere sterke punten: zonder touring-pakket kost hij maar €8.299,-. En eigenlijk heb je niet meer nodig, zelfs niet voor een weekend- of vakantietrip.

Getest: Mash Seventy Five

0

Wie goed kijkt, ontdekt dat het oorspronkelijke voorbeeld de Suzuki GN125 was. Het blok is namelijk een exacte kloon. Het merk is Frans, maar de motoren worden gebouwd in China en als ze daar iets goed kunnen, is het wel het schaamteloos kopiëren van motorblokken. Zo kom je Honda’s bekende 50cc-viertaktblok uit de Super Cub ondertussen overal tegen in Chinese uitvoering. Betaalbaar en vaak ook gewoon erg betrouwbaar; zo lijkt het ook met de Mash te gaan.

ZIN OM TE RIJDEN
‘Joh, hij heeft gewoon nog een carburateur’, klinkt het nadat een collega klaagt over de beroerde koude start. Een verbaasde blik, gevolgd door het opflippen van het chokehendel. Een druk op de startknop en tevreden brommend komt het blokje moeiteloos tot leven. Fluisterstil en prachtig mooi rond loopt hij, subtiliteit ten top. Stiekem klinkt het wel aandoenlijk. 

Op menig fotolocatie kunnen we soms uren staan met de meest luxe motoren zonder enige andere interesse van langslopend publiek dan een nieuwsgierige blik. Met de Mash is dat anders. Zijn sympathieke aanblik maakt iets los bij mensen en zonder uitzondering klinkt het: ‘Leuk ding, een tweeënhalfje?’ Hij lijkt ook vaak op iets wat iemand vroeger heeft gehad en wat het meest opvalt: mensen krijgen er ter plekke zin in om te gaan motorrijden. Let wel, niet alleen motorrijders, we hoorden menigmaal de wens voorbij komen om het motorrijbewijs te halen. Je mag misschien je schouders ophalen voor een honderdvijfentwintigje en ik zal je misschien niet eens geheel ongelijk geven, maar feit is dat deze motor bij het grote publiek meer loslaat dan ik in jaren heb gezien. Voorwaar een prestatie van formaat!

MET GRAAGTE
Maar met dat uit de weg lijkt het vooroordeel van Chinese rommel ook de prullenbak in te kunnen. De afwerking is eerlijk gezegd best netjes en zoals we al aangaven, loopt het motorblok fluisterstil en ontzettend mooi. De versnellingsbak is soepel en de koppeling grijpt helder aan. Lekker direct op het gas voel je dat het blokje onderin met graagte wil en ook daadwerkelijk gaat, het is alleen even wennen om te merken dat hij in de eerste (korte) versnelling ook vrijwel meteen buiten adem is. In de tweede versnelling gaat het al iets beter en de derde en vierde geven een wat langere ‘gang’ en in het laatste verzet voel je de 11,6 pk (in dit geval lijken de cijfers achter de komma noemenswaardig) en 9 Nm hard werken.

Het blokje trilt vriendelijk en geeft de indruk zijn uiterste best te doen, waardoor de snelheidsbeleving ook groter is. Zestig voelt als tachtig en als we die tachtig dan toch bereiken, is het eventjes wachten tot we bij de honderd zijn; 103 km/h is wat we er maximaal uit wisten te persen, maar je voelt dat er meer in zit. Strenge milieueisen schrijven een piepklein carburateurtje voor, waarmee hij onderin wel lekker koppelrijk aanvoelt, maar bovenin krijgt hij duidelijk ademnood. Scoor voor een paar tientjes een groter exemplaar, monteer een wat minder geknepen uitlaatdemper en je zou zomaar eens richting de 120 km/h kunnen gaan, schatten we.

Snel is hij niet, maar de lol is er niet minder om. De Mash Seventy Five oogt leuk en geeft een heerlijke klassieke rijbeleving. Net als vroeger op de brommer voel je in hobbelige bochten frame en vering werken en de remmerij houdt niet over, maar licht als hij is, blijft het goedmoedig en zelfs vermakelijk. Je bent echt met een motor onderweg die zijn grenzen helder en duidelijk aangeeft, hetgeen hem ontzettend leuk maakt. Je voelt je op een ontzettend laagdrempelige manier in ‘total control.’

Hij is niet supergroot, maar de zithouding is erg comfortabel en de bediening is conventioneel en dus intuïtief. Zodra je die mentale barrière met ‘slechts een 125’je’ onderweg te zijn hebt doorbroken, begin je te genieten van wat hij wél kan en dat is je met de grootste eenvoud door de stad te loodsen, maar ook om je op kleine buitenweggetjes helemaal in de omgeving en het rijden op te laten gaan, terwijl je op een bloedsnelle motor die omgeving vaak vergeet. En dat allemaal voor nog geen drie mille!

Tekst: Tim Dekkers, foto’s: Jacco van de Kuilen

 

[justified_image_grid ids=24073,27074,27001,27075,27076,27077,24076,27078,21943,22070]