donderdag 14 mei 2026
Home Blog Pagina 1345

Noorwegen: Zwaar water en wilde wegen

0

Onze klassieke Noorwegenreis krijgt dit jaar een spannende uitbreiding. We doen uitgebreid de Hardangervidda aan, waar de verhalen al net zo bijzonder zijn als de wegen.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/noorwegen-zwaar-water.gpx”]

“Wij vragen graag uw aandacht voor de nieuwste ontwikkeling in de kernfysica die het mogelijk maakt een vele malen grotere explosie te veroorzaken dan die van al het bekende wapentuig. Het land dat hiervan het eerst gebruik maakt, heeft een onovertroffen voorsprong op de anderen.”

Dit schreef de Duitse scheikundige Paul Harteck op 24 april 1939 aan de baas van het legeronderdeel dat onderzoek deed naar nieuwe bewapening. En die had daar wel oren naar. De Uranverein (Uraniumvereniging), die zich specifiek op kernwapenonderzoek richtte, werd direct opgericht. En bijna tegelijkertijd gebeurde in de USA hetzelfde. Nog voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was de nucleaire wapenwedloop begonnen.

Een van de belangrijkste benodigdheden voor het op gang brengen van kernsplitsing was – volgens de Duitsers – zwaar water. Dat is water met een extra neutron in de kern, dat in minieme hoeveelheden in gewoon water zit. De enige fabriek ter wereld die dit zware water won, stond in Noorwegen, verborgen in een smal bergdal bij Rjukan in de Telemark. En dat land viel in het voorjaar van 1940 in Duitse handen.

Belangrijkste sabotageactie

Hier hebben we dus een klassiek James Bond scenario in een extreem zwaar beveiligde James Bond-omgeving. En de voorlopers van James Bond – een eenheid van de Britse geheime dienst – kwamen er ook aan te pas. Maar hun missie om de fabriek op te blazen mislukte in 1942. Ze kwamen niet eens in de buurt. Een klein groepje skiërs van het Noorse verzet, slaagde een jaar later wel. Het atoomprogramma liep grote vertraging op en Hitler kreeg geen atoombom. Daarom wordt de sabotageactie van het Noorse verzet wel eens de belangrijkste van de Tweede Wereldoorlog genoemd.

Het spannende verhaal is nu te zien in de nieuwe Netflix-serie The Heavy Water War. En we nemen het ook op in onze klassieke Noorwegenreis, die we eind augustus voor de vijfde keer rijden. Het verhaal speelt zich af aan de zuidoost-kant van de Hardangervidda. Maar nu we er toch zijn, pakken de Vidda van alle kanten. Want er liggen nog veel meer mooie verhalen. En vooral ook schitterende wegen.

Zwaar watermeer

Als aanvaarroute hebben we deze keer gekozen voor Kiel-Göteberg. Kiel is een dagje rijden en de volgende morgen staan we al in Göteborg. Snel daarna gaan we over binnenwegen een van de aantrekkelijkste streken van Zweden in: de westelijke scherenkust. Tegen de avond zijn we al een flink stuk Noorwegen ingereden.

De dag erop volgen we het spoor van onze verzetshelden. Eerst naar Rjukan, waar de Vemork Zwaar Waterfabriek nog altijd staat, maar inmiddels tot Museum van Noorse Industriearbeiders is omgedoopt. We vervolgen de route langs het Tinnsjø-meer, waar het Noorse verzet ook nog eens een schip met vele tonnen zwaar water aan boord tot zinken bracht. Geen paniek. Zwaar water is niet radioactief. Je kunt het drinken – het schijnt wat zoeter te smaken. En ten derde: het is allang weggespoeld.

Oefenterrein voor poolexpeditie

We bevinden ons aan zuidoostkant van de roemruchte Hardangervidda. En hiervandaan klimmen we gestaag naar boven. Vele kilometers verder ligt ten westen van onze route het Skrykkenmeer, waar de verzetshelden werden gedropt om bewapend met tijdbommen aan het skitocht naar de Zwaarwaterfabriek te beginnen. De Duitsers hielden het voor onmogelijk dat de fabriek via het barre winterlandschap was te bereiken. Daarom was dit de enige manier om het zeer zwaar beveiligde gebied binnen te dringen.

Bij het wintersportplaatsje Geilo begint de RV7 die dwars over de Hardangervidda heengaat. De weg hoort volgens de Noorse Rijkswaterstaat tot de achttien mooiste van het land. En dat wil wat zeggen. Onder meer dat er speciale parkeerplaatsen met kunstwerken en informatieborden zijn aangelegd. Het bekroonde deel van weg over de hoogvlakte heeft een lengte van 67 km en tikt net de hoogte van 1.250 meter aan. Wat op deze geografische breedte hooggebergte betekent. Hier bereidde Amundson zijn zuidpoolexpeditie voor. Hier maakte George Lucas opnamen van de ijsplaneet Hoth voor Star Wars. In de zomer is het een stuk vriendelijker, maar nog steeds erg ruig. Eigenlijk vraag je je af hoe ze het in hun hoofd hebben gehaald hier een weg aan te leggen. Maar dat waren die Duitsers dus weer.

Een van de eerste berghutten die je hier aan de weg tegenkomt, de best wel gezellige Fagerheimhut, is ook een souvenirtje van onze Oosterburen.

Een absurd idee

In de achtergrond zie je in het noorden de Hardangerjokulen liggen, een gletsjer van ruim zeventig vierkante kilometer. De Duitsers – zij weer – kwamen op het absurde idee hier een vliegveld van te maken voor een zwaar type bommenwerper. De crevasses (spleten) probeerden ze op te vullen met gigantische hoeveelheden zaagsel. Wat niet lukte.
Megalomane ideeën kun je beter aan de meer realistische Noren overlaten. Die hebben bijvoorbeeld bijna alle meren die je bovenop tegenkomt met elkaar verbonden met pijpleidingen waar je met een auto doorheen had kunnen rijden. Via een paar stuwdammen en watervallen komt een groot deel van het water uiteindelijk terecht in de waterkrachtcentrale van Eidfjord, een 100% James Bond grottencomplex met gigantische waterturbines. Het spectaculairste waterwerk is de Vøringfossen, een megawaterval die 145 m loodrecht naar beneden stort. Met 650.000 bezoekers per jaar is het de op twee na best bezochte attractie van Noorwegen. Als die bezoekers zijn vertrokken, draait de elektriciteitscentrale hem grotendeels dicht.

Tunnels als kurkentrekkers

DIrect na Vøringfossen stort de weg een kilometer naar beneden via een kurkentrekkerachtige tunnel. Een stuk naar het noorden schiet de Hardangervidda op een andere weg nog steiler omlaag, of voor ons eigenlijk omhoog. Via een complexe wirwar van bochten en tunnels met zelfs een haarspeldbocht erin kom je hier boven. Als je ooit spijt kreeg dat je je zonnebril ophield, dan is het hier wel, in dit schaars verlichte tunnelcomplex. Maar als je eenmaal boven bent gekomen, dan heb je ook wat: een weg die zeker zo mooi is als de bekroonde RV7, bijna net zo hoog, maar doodstil.

Ase’s dood

Wat doen we nog meer? We gaan naar de Jotunheimen, natuurlijk, het hoogste gebergte boven de Alpen. We beginnen aan de oostkant waar de ook al weer bekroonde Valdresflye ligt. De weg waar we ooit eens de 200 km/u aantikten – toen we nog niet op de hoogte waren van de Noorse tarieven voor te hard rijden. De weg is dus grotendeels behoorlijk recht, maar biedt uitzichten op de Joutunheimen, die je absoluut beter beleeft bij een toegestane maximumsnelheid. Mocht je van een stukje lopen houden, ga dan de Besseggen op. Dat is een zeer smalle bergrichel met aan beide kanten een afgrond die zo diep is dat je tijdens een val het eerste couplet van Ase’s Dood uit de Peer Gynt-suite nog makkelijk kunt zingen.

De Valsdresflya brengt ons naar een splitsing waar je kunt kiezen tussen onverhard of over asfalt om verder noordwaarts te gaan. De onverharde weg is de Sladalsvegen (tol). Behalve als het zwaar heeft geregend is die heel goed te doen, want hij wordt uitstekend onderhouden. Voor de avontuurlijke rijders ligt hier ook nog de afslag naar de Blaho. Dat is 15 km redelijk pittig rijwerk naar de hoogste top van het Trollheim gebergte, een boomloze keienberg van 1671 m hoog met een communicatiemast er bovenop. De weg loopt dood, dus je moet ook weer 15 km terug.

Mocht je de smaak nu heel erg te pakken krijgen en vroeg zijn opgestaan, dan wil de reisleider je ook nog wel influisteren hoe je op de langste onverharde weg van Noorwegen kunt komen, want dik 70 km ruigheid ligt te wachten.

Onverharde toppers

Vanuit Isfjorden rollen we de volgende dag verder naar drie verplichte nummers van elke fjordenreis. De Trollstigen, de Geirangerfjord en de Sognefjellweg. De eerste twee vormen tezamen één Nationaal Toeristische route en zijn dus hevig opgedirkt met kunstzinnige uitzichtpunten, die je moet delen met honderden Chinese cruisebootpassagiers. Ze komen per touringcar die je tussen de vele haarspeldbochten moet zien te passeren.

De Sognefjellweg is de hoogste van alle passen (1.434 m) en neemt je mee naar ijsmeren en gletsjers. Maar wacht, eerst komen we nog langs twee onharde toppers. Het is niet noodzakelijk om ze te nemen, maar wat zijn ze prachtig. Met name de Gammle Stynefjellweg (FV258), een stokoude bergpas (1.139 m) die door een tunnel overbodig is gemaakt maar gewoon is blijven liggen, is zeer berijdenswaardig. De 27 kilometers dwars door hoge bergen schopten het zelfs tot de lijst van achttien bekroonde Noorse wegen, als enige (deels) onverharde. Kun je nagaan. Maar wat kan het glad zijn na een flinke regenbui. Oppassen dus.

De mooiste van allemaal

De andere onverharde uitvlucht is de Dalsnibba (tol). Deze brede gravelweg loopt naar de top van de Dalsnibba (1.500 m) waar een uitzichtsplateau is gebouwd daar neerkijkt op de Geirangerfjord.

Niet ver daarna begint de lange klim naar de Sognefjell, via de RV55. Sommigen noemen het de mooiste weg van Noorwegen – de jongens van de Noorse Rijkswaterstaat bijvoorbeeld. Anderen willen zelfs nog wel een stukje verdergaan: de mooiste van Europa, minstens. Afijn, dat is aan jou.

En dan heeft de weg ook nog eens een aantal interessante zijwegen. Een naar de hoogst bereikbare plek van Scandinavië, de Juvashytta (een berghut) op 1.841 m (tolweg), een ander na de Leirvasbu (een andere berghut, ook tolweg). En dan ontdekten we afgelopen zomer – na er een jaar of twintig aan voorbij te zijn gereden – bovenop de pas ook nog enkele onverharde wegen. Een doodlopend stuk hardrock naar het Storevatnetmeer van 5 km bijvoorbeeld. En verderop een die naar de Nordstedalseter (berghut) loopt en maar liefst 46 km lang is en dan nog lang niet schijnt op te houden. De laatste hebben we totaal gemist, maar je begrijpt dat hij nu bovenaan ons verlanglijstje staat.

Een levensvraag

Een van de laatste zijwegen voordat de RV55 die diepte ingaat, is de Tindeweg, een particuliere tolweg. Deze weg is geasfalteerd en kwalitatief eigenlijk een stuk beter dan de hoofdweg, die smaller en hobbeliger is, en een vreemd verloop heeft. Het uitzicht op de Tindeweg is echter wat minder spectaculair. Het einde van de weg maakt dat weer goed, want dat bestaat uit een kluwen asfalt met een stuk of vijftien haarspeldbochten.

We komen bij door langs de oever van het Sognefjord te rijden. Maar na veertig kilometer dringt zich hier een heuse levensvraag op. Waar kies je voor: monotone veiligheid of opwindende schoonheid? Wil je het eerste dan duik je de Laerdalstunnel van 25 km in, net als 95% van de mensheid. De romantici – wij dus – kiezen natuurlijk voor de wondermooie Sneeuwweg, die 43 kilometer lang hoog boven de tunnel heen en weer slingert door een ruig bergland met, zoals de naam al doet vermoeden: sneeuw.

Meenemen: blindengeleidehond

Snel zakken we af naar een heel ander soort bergland, dat van zuidwest Noorwegen. De bergen zijn hier minder hoog, maar nauwelijks minder ruig. En de wegen houden hier maar niet op met bochtig zijn. Als je zin hebt, maken we hier een alleraardigst uitstapje naar Blasjo, een groot stuwmeer. Wat betekent dat het een stuwdamweg is. Hij is weliswaar verhard, maar lijkt niet helemaal aan de conventionele wegenbouwregels te voldoen. We houden nog even geheim waarom, maar we adviseren een blindengeleidehond mee te nemen.

Per schip laten we ons in stijl – klassieke muziek galmt uit de boodluidsprekers – de volgende dag vervoeren naar een van de klapstukken van de reis. De Lysevegen: dertig haarspeldbochten op een rij, waarvan een in een tunnel. Om vervolgens aan te landen op een waanzinnig mooie bochtenweg door woest hoogland. Als je het niet doorvertelt, vertrouwen we je toe dat hier ons een keer de tranen in de ogen sprongen. Zo mooi. En ook een beetje omdat we de dag erop alweer de boot naar Denemarken moesten nemen.

KTM 1290 Super Duke R 2017 Test

0

Tot voor kort golden naked bikes als hét perfecte alternatief voor sportrijders om hun rijbewijs wat langer in bezit te kunnen houden. Op een naked zou je niet zo schunnig te hard rijden. Al begin ik deze gedachtegang wel in twijfel te trekken als ik het Thin Film-dashboard voor me 262 km/u zie aantikken. The Beast 2.0 van KTM: het dierlijke instinct om altijd harder te willen…

Puur rationeel bezien is het natuurlijk absurd: dat een fabrikant het alleen al toestaat dat de peperdure Research & Development afdeling het topvermogen van een blote machine van 170 naar 177 paardenkrachten opschroeft. Diep in je hart daarentegen is de temperamentvolle begeerte naar meer nooit voldoende te stillen. Zeker als de fabrikant in kwestie zetelt in het Oostenrijkse Mattighofen en zijn motto ‘Ready to Race’ even hard koestert als een hoogbejaarde freule haar antieke juwelencollectie. Als enige fabrikant tart KTM de door Brussel opgelegde fatsoens- en gedragsnormen door in zijn uitingen hooliganistisch rijgedrag driftig te propageren. Screw de mobiliteitskwestie, en laat vooral het beest in je los. Maandagochtend zit je per slot van rekening weer achter de vergadertafel of lopende band.

‘Real world’

Was de authentieke 990 cc Super Duke al een loeder van een stuntfiets, de drie jaar geleden gepresenteerde 1290 cc weet helemaal scheuren in het asfalt te trekken en ramen uit de sponningen te trillen. En toch – even gas terug – ontpopt dit beest zich als een verdraaid poezelig opererende allrounder in het stadsverkeer van Doha, Qatar’s hoofdstad. Feitelijk is de startprocedure met naast elkaar geplaatste killswitch en startknop de enige ordeverstoorder binnen een collectief van prima omgangsvormen. Zelfs in de ‘Sport’-modus kun je het gas zonder al te veel intimidatie aanlijnen, al versoepelen de ‘Street’- en de 130 pk ‘Rain’-modus het stadse rijgemak. Met de erg fijne koppeling en prima bak (enkel de vrijstand is wat ‘dunnetjes’), eet het motorkarakter uit de hand, ook bij stapvoets hakkepuffen. Een wereld van verschil met de bonkige, vierkante motorloop van bijvoorbeeld een Duc Streetfighter 1100 of de ouwe Aprilia Tuono V2.

Qua hoogte blijkt de 1290 een potige knaap; met mijn 1.76 meter zet ik de tien tenen ternauwernood tegelijkertijd op het wegdek. Maar de taille en algehele bouw is zo smal voor een 1.3 litermachine dat de KTM zich prima uit de heupen laat sturen en manoeuvreren in het heetst van de stadse jungle of elders. Terwijl de Super Duke met zijn 195 droge kilo’s niet bepaald in de categorie ‘vedergewichten’ valt onder te brengen. De ergonomie mag dan iets zijn aangepast met een tikkie sportiever stuur om enige ‘crosservergelijk’ te torpederen, toch zit je onder real world-omstandigheden volstrekt natuurlijk en in balans op de machine. Je voelt geen irritante onvolkomenheden (behalve de startprocedure…) waar je jezelf na verloop van tijd maar naar moet zien te plooien. Voldoet het standaard zadel al prima, KTM’s Power Parts-collectie brengt een reeks alternatieve zadels. Maar met de krent op het standaard zadel, zou niets me weerhouden een set zachte koffers op de Super Duke te monteren en er doodleuk mee naar de Middellandse Zee te rijden. Da’s wel de laatste conclusie die ik vooraf de Super Duke had toebedacht.

Vriendelijk beest

Dat testrijders een grote rol spelen bij KTM en nagenoeg iedere PR- of marketinggast voorzien is van stevige rijkwaliteiten, ook op circuit, demonstreert ook de Super Duke. Simpel gesteld: de balans voelt zo goed tussen (op straat zo gewenste) neutrale stuureigenschappen enerzijds en een fruitige levendigheid anderzijds. Tussen een uitmuntende feedback die je persoonlijke sensoren krijgen doorgeseind en toch een zeer acceptabele vorm van veercomfort. Tussen ‘Ready to Race’ en een tussentijdse ‘cool down’. Zelfs de voorremmen, de nu al legendarische Brembo M50 monoblocs, laten zich ondanks gruwelijke vertragingskwaliteiten bij de eerste aanraking toch soft doseren als je eens niet zo’n haast hebt. Zelfs zonder (bochten-)ABS en aanverwante digitale vangnetten zou een ervaren rijder nog aardig oud kunnen worden met een Super Duke R. En wat die overkill aan snelheidsovertredingen betreft: standaard is de machine uitgerust met cruise control, een unicum op een dergelijke fiets, maar o zo praktisch bij die mensonterende trajectcontroles.

Piet Pelle

Maar als de duisternis valt over broeierig Doha, het geïmporteerde arbeidersvolk de kampen opzoekt en verdwaalde Lamborghini’s het desolate straatbeeld bepalen, begint het normbesef te vervagen. Verbluffend te merken hoe bombastisch het 141 Nm sterke beest vooruit duikt bij de geringste gasdraai. Bij 2.500 toeren belooft KTM reeds 100 Nm en daar lijkt niets aan gelogen. De korte rechte stukken tussen rotondes vreet ie op met zowel immense kracht als souplesse en beschaving. Rotondes zelf? Een wijsvingertje volstaat om ongans laat te vertragen, uit de heupen de machine rechts-links te zigzaggen om al dan niet op een wiel het volgende rechte stuk op te katapulteren. De charme van nog altijd hartverwarmend uitlaatgeluid, de onversneden Piet Pelle van Gazelle-zithouding en de monumentale overdaad aan power, werkt ronduit verslavend op je ziel en zaligheid. Met het stijgen van snelheid en vertrouwen begint het kordon aan wheelie control, traction control en het gerenommeerde Bosch 9.1 (bochten-)ABS subtiel en effectief te infiltreren, naar gelang je gekozen setting. Simpel gesteld: de regenmodus kent meer voorgeprogrammeerde interventie en een softere gasreactie dan de sportstand, logisch. Wil je de mate van interventie finetunen, los van de voorgeprogrammeerde settings, zal je een beroep moeten doen op de optionele Performance en Track-pakketten.

Italiaanse pijn

De circuitdag op het GP/F1-circuit van Qatar wekte vooraf nogal wat verbazing; een naked… op Losail? Toch past deze keuze niet alleen bij KTM’s eigenwijze DNA, maar ook bij een eerder racesucces. Tijdens een Pro Twin-race op Mugello, november j.l., werd een legioen aan Ducati Panigales naar huis gereden door een drietal Super Duke-coureurs, afgevaardigd door Mattighofen. Ai, een Oostenrijks podium in Ducati-land, dat snijdt als een vlijmscherp chirurgenmes in de Italiaanse ziel. Hoewel de zegefiets werd bestuurd door ex-GP coureur annex KTM’s boegbeeld Jeremy McWilliams, deed het oranje gekleurde podium niets af aan de Super Duke R zelf.

In eerste instantie voelt het bij het verlaten van de pitstraat vreemd aan zonder het omringende plaatwerk van een reguliere supersportmotor, maar sakkerju wat valt er enorm hard te racen met de KTM. Opvallend genoeg koos KTM een tamelijk softe veerafstelling voor de nieuwe, sportievere ingewanden van de veerelementen, maar toch weet de Metzeler M7RR zeer secuur zijn koers te prikken. Waar de aanwezige KTM’s met racevering, slicks en open Akrapovic (nog) meer een rammende gooi en smijtstijl verlangen, blijft de standaardversie altijd vertrouwd aanvoelen, zonder enige intimidatie. Dus ook rijders zonder meedogenloze raceaspiraties kunnen moeiteloos aan de bak op het circuit. Wel wil er met de standaard setting bij voortvarend poken enige beweging in het rijwielgedeelte komen, maar die verontrust nooit. De met racevering uitgeruste versie bewijst wel strakker te zijn, dus een framekwestie is het niet (of nauwelijks). Vergeet ook niet dat de Super Duke met 1.482 mm wielbasis nogal lang op zijn poten staat en dat een achterste veerweg van 156 millimeter een zeldzaamheid is bij circuitgebruik.

Dat ondanks deze straatformaten het rijwielgedeelte nog zo kundig opereert, ligt voor een aanzienlijk deel op het conto van huisleverancier WP Suspension. Waar vooral budgettair verantwoorde Japanners het aan de achterzijde laten liggen met een zompig aanvoelende monodemper, blijft het veergevoel en de feedback van een WP altijd transparant(er). Door het tomeloze gripgevoel lijken er geen grenzen te bestaan aan het scherp afraffelen van bochten en juist door het brede stuur voel je extra stuurcontrole. Dat er tijdens zo’n intensieve circuitdag met een kleine twintig rijders en circa drie-vierduizend afgelegde kilometers slechts een lullig schuivertje te noteren valt, demonstreert niet alleen de evenwichtigheid van de Super Duke, maar ook de klasse van diens digitale vangnetten.

Het beest moet los

Ben je meer van het snelle soort, zal je onherroepelijk ook de Track Pack in huis moeten halen, waarmee je kunt finetunen in de extra circuitmodus. Zelfs vol accelererend (een nogal onnatuurlijk gevoel voor oud-strijders…) uit bochten weet de achterzijde dan niet van wijken door fijnbesnaarde digitale inmenging. Ook vol doorstampen door de versnellingen met de verslavende quickshifter (zowel omhoog als omlaag) brengt onder hellingshoek geen krimp door aan het achterwiel. Tien jaar geleden zou je in dergelijke gevallen zonder tractiecontrole al na een ronde met een highsider in een baan rond Saturnus zijn beland. Ook het Bosch bochten-ABS doet zijn werk ongemerkt feilloos, al zal je weinig vrijwilligers treffen om het tot en over de limiet te testen. En zo is het ook met digitale interventies: alleen al de wetenschap dat je reddende engelen aan boord hebt, vergroot het vertrouwen. Waardoor je jezelf nog meer kunt focussen op ongelimiteerd sturen, remmen en accelereren met de KTM 1290 Super Duke R.

Na de zoveelste passage van start-finish blijkt vooral de rijder de beperkende factor, hoe groot ook de kick om steeds weer, met de ogen op het TFT-display geplakt, een nog hogere topsnelheid te bewerkstelligen. De KTM Super Duke is de kick, de uitdaging die het beest in je de vrijheid geeft. En de alomtegenwoordige spierpijn van deze naked neem je een dag later met de zoetste herinneringen, heel graag voor lief.

Dit vindt Joost

De meeste KTM’s lijken duur omdat er zo weinig op zit. Frame, blok, wielen, remmen en zo: allemaal organische, eenvoudig aanwijsbare elementen. Geen (al dan niet verhullende) luxe die een gepeperde prijs zou rechtvaardigen. Dus zal vooral de Super Duke voor altijd het lot ondergaan van: ‘nou, voor dat geld koop je ook een…!’

Maar wacht eens even. The Beast 2.0 is geen confectie-naked. Hij oogt crimineel eigenzinnig, is met topmateriaal opgebouwd, kan een vriendelijk gezicht trekken, maar ook de hooligan uithangen op een manier waar een mainstream naked pips van wordt. Excentriekelingen als de Super Duke R en de Aprilia Tuono V4 hoeven niet van alle markten thuis te zijn om iedereen te bedienen. Juist in hun eigen discipline zijn ze de top. Dat maakt de prijs weliswaar hoog, maar de begeerte en de beloning onbetaalbaar. Steeds weer.

Honda CBR1000RR Fireblade (SP) 2017 Test

0

Heel soms zijn motoren bij hun geboorte al een legende. De Honda Fireblade presteerde het een kwart eeuw geleden om zichzelf in de eregalerij van iconische machines te nestelen. Portimão vormt het spectaculaire decor van de nieuwe RR en SP-versie. Blijft het predicaat Total Control nog van toepassing met 192 pk?

Zo dan: binnen zonder kloppen noemen we de entree van de nieuwste CBR’en. Elf paardenkrachten erbij, vijftien kilogrammen eraf. Om de enorme vermageringscampagne te bewerkstelligen, hanteerde Honda HQ een originele aanpak. Iedere deelafdeling binnen Research & Development werd op een missie gestuurd: pak de onderdelen van de gangbare Fireblade en zie maar hoe je zoveel mogelijk gewicht kunt besparen, zonder – uiteraard – aan kwaliteit en Total Control in te boeten. Welnu, het resultaat van alle inspanningen is een volgetankte 196 kilogrammen voor de RR, 195 voor de SP. Een niet zo spectaculair getal als de 185 droge kilo’s in 1992, maar voor Honda-begrippen royaal goed genoeg om zich te kunnen meten met de moordende concurrentie. Nu ligt het supersportsegment al jaren nogal op zijn gat, maar het neemt niet weg dat deze koningsklasse tevens een voornaam prestige-oogmerk dient.

SP

Het sterkste staaltje van gewichtsbesparing betreft wel de titanium benzinetank van de SP-versie, zo bijzonder dat je hem bijna ongespoten met een blanke laklaag zou willen hebben. Deze weegt een stuitend lage 1,2 kilo tegenover drie kilo voor de RR-tank. Dat zijn zomaar 1800 hooggeplaatste grammen die toch maar mooi niet de bocht om hoeven. Voorts biedt de SP als belangrijke meerwaarde Öhlins semi-actieve vering met de inmiddels bekende, toonaangevende TTX36 monodemper en NIX30-voorvork. Verder onderscheidt de SP zich van de RR door de ook nu al legendarische Brembo monobloc-remklauwen, een quickshifter voor op- en neerschakelen, een lichte Li-Ion accu en kent het digitale systeem uitgebreidere opties en preciezer regelbare vangnetten. Het offer voor deze technische fijnproeverij is 5.400,- eurootjes extra, oplopend tot 28.258,- voor de SP. Nog maar twintig jaar geleden kostte een hypersport ook iets onder de twintig mille, in guldens…

Total Control

Ondanks een geclaimde 90% aan nieuwe onderdelen, was Honda er alles aan gelegen het vertrouwde Honda-gevoel te handhaven. Je weet wel, het ‘we zijn weer thuis’-gevoel du moment je erop stapt. Hoezeer de concurrentie zich ook op alle vlakken dat vertrouwenwekkende gevoel tracht toe te eigenen, vooral de 2017-Fireblade laat zich nog altijd met een blinddoek herkennen. Ergonomisch voelt de Fireblade volmaakt, punt uit. Zeker als je van model 1992 afstapt, merk je hoe enorm veel slanker de hypersport van nu geworden is. Zeker ter hoogte van de bovenbenen voelt de machine serieus slank, wat de handelbaarheid alleen maar vergroot. Een onvermijdelijke bijdrage aan het top of the bill-gevoel levert het prachtige TFT-dashboard, waarbij je voor verschillende opties kunt kiezen. Buitengewoon pikant oogt het puntige ruitje. Het ziet er niet alleen minimalistisch uit (net als het minder prominent aanwezige kuipwerk), het beschermt ook in die beperkte mate. Bij het uitkomen van de vervaarlijk snelle, bobbelige rechter met zo’n 180 km/u begint het Zwitserleven gevoel na een aantal ronden rijden toch wel stevig af te nemen met steeds weer het rechte eind in zicht waar je met een maximale snelheid van circa 270 km/u je nek- en armspieren moet pijnigen tegen de immense winddruk. En opvallend genoeg blijkt in vijfentwintig jaar Fireblade-historie het zadel nog altijd glad, vlak en nul steun te geven aan je achterwerk. Bij topsnelheden ben je aangewezen op je armspieren terwijl je eigenlijk grip aan je gat zou wensen. Bij de 128 pk uit 1992 viel daar nog enigszins mee te leven, met de 192 pk van nu hang je als een vlag aan de stuurhelften.

Geluid!

En die paarden, dat zijn werkelijk wilde beesten. Door de verhoogde compressie (nu liefst 13:1), de gebruikelijke aanpassingen aan het in- en uitlaattraject en een wildere kleptiming gaan de RR en SP tekeer als een bezetene. Niet alleen als rijder, ook als toehoorder langs het circuit. Als in de ochtenduren de eerste Fireblades bezit nemen van het circuit ben je haast geneigd de zo gevreesde Euro4-normen niet serieus te nemen. Het geluid uit de nieuwe, 2,8 (!) kilo lichtere titanium uitlaatdemper giert kilometers ver de ruimte in. Die bijtende, diepe, rauwe sound doet vermoeden dat Honda in navolging van Yamaha toch heeft zitten spelen met de ontstekingsvolgorde, maar de Japanse technici ontkennen dit bij hoog en bij laag. Als dit nog altijd een ‘screamer’ is qua ontsteking, dan laat de 999 cc dat horen ook. Anders vertaald: deze uitlaat klinkt niet alleen als slecht nieuws voor de Akrapovic’ onder ons, maar ook als een verademing na jarenlang fluistergeluid uit de Fireblade.

Quickshifter

Ben je uit het snelle hout gesneden en reikt je budget niet verder dan de RR-versie van – slik! – €22.858,-, neem dan toch maar een tweede krantenwijk om de optionele quickshifter erbij te kopen. Eenmaal ‘gewend’ aan het doorstampen in de prima zesbak op de SP-versie met standaard quickshifter, wil je niet meer aan de klassieke manier van schakelen en koppelen. Zeker omdat de krachtbron vanaf 10.000 tpm zo furieus accelereert dat je haast de concentratie niet meer kunt opbrengen om de koppeling en ‘gas terug’ te hanteren. Overigens vraagt de versnellingsbak niet een te nonchalante linkervoet. Niet in de hitte van de strijd, maar wel op ‘realistische’ momenten in de pitstraat of na expedities richting de grindbak (dus ongeconcentreerde situaties vergelijkbaar met straatgebruik), kan je een vrijstand tussen de versnellingen treffen. Naar mijn idee zit het nog aan de goede kant van acceptabel en heb je een wat resolutere manier van schakelen snel in je DNA geprint.

Het merk met de Ö

Qua sturen is Portimão een enorm uitdagende baan vanwege zijn vele hoogteverschillen, stekeblinde bochten en her en der bobbelige structuur. Het heeft dan ook een onvergelijkbaar hogere kickfactor dan Assen of Qatar, maar vraagt een enorm secuur afgesteld rijwielgedeelte. Nog altijd hanteert Honda een gruwelijk steile balhoofdhoek van 23,2 graden, wat ten tijde van de eerste generaties Fireblade een open sollicitatie vormde voor angstaanjagende tankslappers. Anno nu, met ongeveer de helft extra aan vermogen, blijft het nota bene afgeslankte rijwielgedeelte zo goed als snaarstrak. Vol accelererend tot en met de vierde versnelling op korte tussenstukken, voel je met ingeschakelde wheelie control het voorwiel nog stempelen op het asfalt onder invloed van de misdadige acceleratie. En een zeldzame, flinterdunne links-rechts-stuurreactie bij tweemaal de Nederlandse legale snelwegsnelheid, weet de vertrouwde elektronische stuurdemper direct uit te filteren. Ga je echt voor het gaatje, dan is de semi-intelligente Öhlins Smart Electronic Control (ook aanwezig op de Panigale 1299), de uitkomst. In combinatie met de Bosch IMU reageert en anticipeert deze op rijomstandigheden in de Automatic modus, de echte diehard kan een beroep doen op de manuele modi. Hoe dan ook, het rammen op de wartel van een monodemper of de tel kwijtraken bij het aantal klikjes in in- en uitgaande demping is hiermee (allang) verleden tijd. Drukken op de knoppen aan het linker stuurhelft maakt het heden en de toekomst.

600 cc-cliché

Niet dat de non-elektronische RR-versie gedateerd aanvoelt. De gemiddeld snelle rijder kan er optimaal mee uit de voeten. In Honda’s voorgeschreven settings stuurde de Fireblade vooral erg netjes, strak, soepel en vertrouwd. Eigenlijk precies zoals je van een CBR-RR verwacht. Op Portimão stond het geheel een tikkie zacht, maar gebalanceerd afgesteld, wat weliswaar het vertrouwen ten goede komt, maar bij het uit de hand lopen van je racegedrag uitmondde in wat beweging in en ‘pompen’ van de Kayaba-monodemper. Niet verontrustend, maar wel slecht nieuws voor de prima opererende S21 van Bridgestone. Naast het streeploze motorkarakter en verslavende geluid, vormde het lichte stuurgedrag de grootste verrassing. Het is een uitgekauwd cliché om altijd maar de vergelijking met een 600 cc supersport uit de kast te halen, maar de Fireblade RR weet kort in te sturen, zijn lijn te houden en toch vertrouwen te geven. De kunst is simpelweg de motor onder je heupen te laten dansen, te corrigeren, bij en in te sturen.

Zwarte magie

De door Honda geopteerde manuele setting van de SP vroeg me te veel gewenning om blind mee te gaan in verhouding tot de RR-versie, maar op de ‘automatische piloot’ van de Öhlins-techniek, kreeg ik het vertrouwen volledig terug. Op het gevaar af te moeten geloven in zwarte magie en een hogere intelligentievorm dan de rijder, reageerde de SP feilloos op commando’s en absorbeerde hij rijdersfouten en onverwachte bobbels in het asfalt alsof er een hogere macht aan het werk was. Het is al tekenend genoeg dat er tijdens een uitgebreide, slopende testdag op het veeleisende Portimão geen crash te noteren viel. Het is de beste demonstratie van het feit dat ‘Total Control’ meer van toepassing is op de Fireblade dan tijdens alle vijfentwintig jaren ervoor.

Joost over de Fireblade RR en SP

Persoonlijk kan ik me niet herinneren of mijn vijfentwintigste verjaardag zo’n spektakel was. In ieder geval was hij wel een stuk goedkoper. Hoe dan ook, Honda’s Fireblade is na lang wachten eindelijk weer aan de top van zijn kunnen. Dat betekent dat hij vurig is als een bosbrand en scherp als een chirurgenmes. Schitterende techniek en afwerking maken hem bovendien een machine waar je ’s avonds nog even je schuurtje voor gaat bezoeken om hem figuurlijk af te likken. Bespaar je de kosten van een vervangingsuitlaat, maar investeer liever in een kek, hoger ruitje. En moet je nu echt de SP hebben? Fijnproevers wel, maar 98% van de rijders hebben hun handen al vol genoeg met de RR.

Ons Oud en Nieuw

0

Het jaar 2017 is werkelijk voorbij gevlogen. Althans, dat gevoel kregen we toen we door ons archief van dit jaar zaten te bladeren. Maar niet alleen dit jaar vliegt voorbij. In onze rubriek Oud & Nieuw planten we nieuwe modellen naast hun voorvaders. Dit jaar deden we dat met liefst zes motoren. 

Yamaha XS650 en XSR700
Als de dag van gisteren lijkt het dat we met de Yamaha XS650 en XSR700 reden. De stap van 1968 naar 2017 is groot. Beiden viertakt tweecilinders, maar daar stokt de vergelijking dan ook eigenlijk wel. 

Yamaha XS750 en XSR900
Ook de driecilinders van Yamaha kwamen aan bod. De XS750 uit 1976 parkeerden we naast de XSR900. Dat er bij de bouw van de 900 goed gekeken is naar het origineel blijkt alleen al wel uit nagenoeg dezelfde grijs-blauwe kleurstelling. 

Honda XR750T en CRF1000L Africa Twin
In het vochtige zand lieten we de originele en huidige Africa Twin het ultieme puristengevecht beslissen: V-twin of paralel twin. 

Ducati 900SS en Supersport (S) 
Italiaanse schoonheid is tijdloos. De Ducati 900SS en gloednieuwe Supersport S bewijzen dat, ondanks het feit dat we nog veel liever een 750SS hadden gezien. Helaas, sommige motoren zijn echt waanzinnig zeldzaam. Gelukkig is de 900 ook bepaald geen lelijk eendje.

BMW R80 G/S en RnineT Urban G/S
De ongekende populariteit van BMW’s GS-lijn startte ooit met de R80 G/S. Dat de RnineT Urban G/S daarop moet lijken is in één oogopslag duidelijk. Voor de rest verschillen de twee motoren werkelijk als dag en nacht.

Kawasaki Z1-900 en Z900
Het jaar sloten we af met een aflevering die we eigenlijk tot 2018 hadden moeten uitstellen. Achteraf gezien bleken we een vooruitziende blik te hebben. Wisten wij veel dat Kawasaki achter de schermen al druk bezig was een retro replica van de Z1 uit 1973 te bouwen op basis van de Z900. 

Welke vergelijkingen zou je in het nieuwe jaar van ons willen lezen? Laat het ons hieronder weten!

2×2 terreinvreter

0

De UBCO 2×2 is de ideale motorfiets voor terrein dat allesbehalve ideaal is. Deze motorfiets heeft namelijk tweewielaandrijving. Al is dat laatste met zo’n naam geen echte verrassing meer. Het ding heeft twee grote voordelen en minstens zoveel grote nadelen. Het grootste voordeel is natuurlijk de tweewielaandrijving die je dwars door alle drab naar de plek van bestemming sleept. Het ruige uiterlijk sluit daar mooi bij aan. Nog een voordeel is het totale gebrek aan uitlaatgeluid. Je tokkelt dus geluidloos langs nietsvermoedende boswachters.

Bittere pil
Het laatste voordeel is direct een stevig nadeel. Er is namelijk een duidelijke reden voor de stilte: een elektrische motor in plaats van een verbrandingsmotor. Dat beperkt de topsnelheid en actieradius. Dat je tot 120 (theoretische) kilometers ver komt op een batterijlading is nog tot daaraantoe, maar dat je dat met maximaal 50 km/h doet is een bittere pil voor een zichzelf respecterend motorrijder.

Invoeren
Een bijkomend nadeel is dat de verkooppunten van de UBCO niet echt om de hoek liggen. De motorfabrikant is namelijk gehuisvest in Nieuw-Zeeland. De motorfiets is goedgekeurd voor straat- en offroadgebruik in het thuisland, Australië en de Verenigde Staten, maar in Nederland zul je toch echt langs de RDW moeten. Voor die tijd moet je ook nog eens achtduizend Nieuw Zeelandse dollars (een slordige € 4.800,-) aftikken.

Jagersmodus
Een elektrische motorfiets moet anno 2017 zijn eigen app hebben en de UBCO heeft die dan ook. Via bluetooth communiceren telefoon en motor met elkaar over zaken als: on- of offroadmodus, foutendiagnose, updates, snelheid, batterijconditie en een leermodule. Met een druk op de knop zet je de 2×2 in jagersmodus. Dat is nog eens wat anders dan de afgezaagde tour- en sportmodus. In de jaag-modus besluip je als jager wild op rubberen kousenvoetjes.

 

BMW ruimteschip

0

Waar moet je beginnen bij de BMW Khan? Bij het begin misschien? Onder dit futuristische kuipwerk schuilt een doodnormale – noem het gerust suffe – R1100R. Dat was het althans tot de Turkse industrieel vormgever Mehmet Doruk Erdem er op los ging. Die voorzag de naked van een kuipwerk dat zo uit de 24e eeuw lijkt te komen.

Terwijl de hele wereld ongetwijfeld smult van het waanzinnige lijnenspel waarbij zelfs Mad Max verbleekt, kijkt een verstokte BMW-rijder vast met afgrijzen naar de Khan. Geen zijkoffers te bekennen, geen comfortseat te zien en een topkoffer past ook al niet. Ergonomisch lijkt het helemaal een ramp. Kijk eens naar de plek van het zadel in combinatie met de locatie van de voetsteunen. Misschien dat een Roemeense turnster van dertien jaar een plekje vindt op deze Khan, maar voor een stevige biker is het eerder een martelwerktuig. Ooit eerder een BMW Boxer gezien waarbij de stuurhelften bijna de cilinderkop aantikken?

[justified_image_grid ids=27135,27136,27137]

Dumoulin moet motoren haten

0

Als wielrenners tijdens een tijdrit in de slipstream van een motorrijder duiken, hebben ze daar logischerwijze voordeel bij. In de luwte is het lekker rijden. Dat verandert als de motorfiets naast ze gaat rijden. De turbulenties die de motor dan opwerpt zorgt voor extra luchtweerstand.

Per kilometer kan het seconden kosten heeft hoogleraar Bert Blocken van de Technische Universiteit Eindhoven berekend. Blocken deed simulaties en windtunneltesten om zijn gelijk te staven. Aangezien de Giro d’Italia volgend jaar begint met een tijdrit moet regerend kampioen Tom Dumoulin als expert tijdrijder dan ook hopen dat de cameramotoren niet naast hem rijden.

Foto: ANP

Getest: Indian Springfield

0

Na wat smeedwerk aan het frame gaat de Chief Vintage plotseling als Springfield door het leven en is hij bedoeld voor een totaal andere doelgroep. Dit is een motor voor reislustige motorrijders met gevoel voor show. 

Waar de Chief Vintage afhaakt als toermotor gaat de Springfield door. Dat begint bij de bagagemogelijkheden. In plaats van niet afsluitbare leren zadeltassen beschikt de Springfield over  elektrisch te openen en sluiten hardkunststof koffers. Bovendien druk je in een vloeiende beweging een topkoffer als een soort Lego-steen op de kont van de toergerichte cruiser. Om de toegenomen toerkwaliteiten optimaal te benutten, krijgt de duo een groter zadel om niet alsnog om de zoveel kilometer stil te staan vanwege een klagende passagier met een houten reet. Alle wijzigingen leveren een motorfiets op die in twee stappen van toerfiets in showbak (of andersom) transformeert. Met het weghalen van de topkoffer en het windscherm is de Springfield plotseling een ‘blingbling-bagger’ waarmee je gezien kunt worden.

Rake klappen
Een toermotor stelt andere eisen aan een rijwielgedeelte en daarom sleutelde Indian om de metamorfose compleet te maken aan het frame. Om de handelbaarheid met een volle topkoffer (exact zo’n immense hutkoffer als op de Roadmaster) te garanderen gaat de balhoofdhoek van 29° naar 25°. Bovendien gaat de naloop van 155 naar 133 mm. De Springfield moet in theorie dus makkelijker insturen.

Freme knaap
De Indian weegt een niet geringe 372 droeg kilo’s en die voel je vanzelfsprekend. Het aan de hand meevoeren van de motor maakt instinctief plaats voor vanuit het zadel meesteppen. Dat voelt wel zo veilig met bijna vierhonderd kilo motorfiets onder je. Op het leer van het zadel en het rubber van de banden is alles op de Amerikaan van ijzer. 

Het zou mooi zijn als nu de zin volgt dat de kilo’s als sneeuw voor de zon verdwijnen zodra je harder dan vijftien kilometer per uur rijdt. Alleen volgt die zin niet, het is namelijk niet zoJe houdt als vanzelf ontzag voor vierhonderd kilo Amerikaans metaal van topkwaliteit. Toch verrast het hoe makkelijk zo’n ferme knaap nog stuurt.

Verrasend ontspannen
Blijkbaar heeft het frame van de Chief Classic zoveel reserve dat het ondanks de met 29 mm gekrompen wielbasis (door de steilere balhoofdhoek) nog altijd zo stabiel is als een mammoettanker. Overigens bedraagt de wielbasis nog altijd een geruststellende 1701 mm. Dat is breder dan een tweepersoonsbed. Ondanks het gigantisch lange stuur en de nog altijd gematigde geometrie stuurt de Amerikaan neutraal en valt hij de bocht niet in. Zodra de snelheid er ook maar een beetje in zit volgt de Springfield keurig de ingezette lijn. De machine is simpelweg in balans en raakt niet van makkelijk van slag af als het wegdek in de bocht niet biljartlakenvlak is. Voor een zware cruiser rijdt dit verrassend ontspannen en strak.

Prachtig blok
Trap de V-twin in de eerste versnelling, laat de koppeling met een streepje gas opkomen, schakel direct door naar twee en zonder morren of protesteren beukt het blok de 372 kilo’s verder naar voren. Misschien zegt 139 Nm @ 2600 tpm alles? Van protesterende zuigers is geen sprake, onwillig gebonk blijft achterwege, alles wat je voelt is een megasterk blok dat je met gezwinde spoed naar voren duwt. Hoe is dit mogelijk bij een 1811 cc zware twin? Elke cilinder meet bijna één liter en de zuigers hebben een diameter van 101 mm. Toch voelt het blok prachtig soepel en gedraagt het zich onderin als een heer. Hoffelijk, voorkomend en zonder een onvertogen woord doet het zijn werk van extreem lage (er zijn motoren die dan amper stationair lopen) tot hoge toerentallen. Het hoort niet en het hoeft niet, maar trek de Springfield door en hij trakteert je vanaf het middengebied nog op een extra portie pit.

Rotruit
Toeren is geen straf op de Springfield en daarmee is de missie van Indian geslaagd. Het zadel is ruim en hard genoeg (al duwt de opstaande rand wel in de rug) en de voeten hebben alle ruimte op de comfortabele treeplanken. Bij het windscherm heb ik een aha-erlebnis, al is het helaas geen positieve. Van een eerdere test met de Chief Classic herinner ik me de turbulentie die de ruit opwerpt. Het ding is weliswaar torenhoog (kleine rijders kijken verplicht door het plexiglas) maar op een of andere rare manier zet hij je niet lekker uit de wind, maar juist in een turbulente windstroom. Die landt letterlijk midden in je gezicht waardoor je al snel ongewild kopschuddend op de motor zit. Toekomstige Springfield-eigenaren leveren met liefde iets in van rijcomfort en pure toercapaciteiten voor pure beleving en het showelement van de opzichtig glanzende Amerikaan. De moddervette klappen van de V-twin werken inderdaad verslavend en rustgevend. Lastig, zoniet onmogelijk, om daar met een viercilinder toerfiets tegenop te concurreren. 

Tekst: Ad van de Wiel, foto’s: Arie Bon

 

[justified_image_grid ids=27080,27081,27082,27083,27084,27085,27086,27087,27088,27089,27090,27091,27092,27093,27094]

Benelli 402S: kopie of vleierij?

0

Imitatie zou de meest oprechte vorm van vleierij zijn. Als dat zo is, moet Ducati zich wel heel erg gestreeld voelen door de Benelli 402S.

Laten we er geen doekjes om winden: Benelli heeft op de ontwerpafdeling in Pesaro gewoon een Ducati XDiavel gekopieerd en die de 402S genoemd. Schaamteloos toch van een merk dat nog niet zolang geleden unieke motoren bouwde als de schitterende Tornado. Dat niemand ze kocht, lag niet aan het ontwerp van Adrian Morton.

Benelli is tegenwoordig in Chinese handen. Daar leek de kopieerwoede wel zo’n beetje uitgeraasd, maar kennelijk valt de drift tot namaak toch moeilijk te beteugelen.

Onderhuids vind je in de Benelli 402S een parallel-twin van 399cc, die goed is voor 39 pk en 35 Nm. De ‘mini XDiavel’ weegt net geen 160 kilo en is behoorlijk luxe uitgerust. USD-voorvork, twee remschijven en vierzuigerremklauwen voor en ABS. Zelfs de achterschokbreker is instelbaar.

Over de prijs weten we niks, maar dat zal wel zo’n Chinese discount prijs zijn. Het is nog maar de vraag of de Benelli ooit naar Europa komt.

Getest: Honda CMX500 Rebel

0

Dit gekke kleine Rebeltje krijgt het voor elkaar dat zelfs doorgewinterde motorrijders zich kostelijk vermaken. Stuurplezier op een 471 cc zwaar choppertje, staat het er echt? Ja, het staat er en het is nog gemeend ook.

Het ontwerp is niet gericht op alledaagse motorrijders, maar op nieuwkomers die in een digitale tijd zijn opgegroeid en daar met deze minichopper tegenaan schoppen. Het enige digitale aan de motorfiets is dan ook het dashboard, maar zelfs dat doet zijn best om het te verbloemen met zijn witte letters op een zwarte achtergrond. Om beginnende motorrijders nog meer te paaien bevindt het zadel zich slechts op 690 mm van de grond. Het bescheiden tweecilinder blok is al net zo’n geruststellende gedachte voor beginners als de zadelhoogte. De 471 cc zware paralleltwin kennen we uit de CB500F, CBR500R en CB500X. Goed nieuws voor toekomstige eigenaren want het blok is bombproof en wonderbaarlijk zuinig. 

Met grondspeling
Om beter aan te sluiten bij het cruisergevoel geeft de twin het maximum koppel van 43.2 Nm niet meer bij 7000 maar bij 6000 tpm af. Waarden waarvan een gemiddelde Harley-rijder in zijn broek piest, maar het bescheiden blokje geeft geen klap verkeerd. Tijdens de testrit ging het meestal te hard om iets te kunnen zeggen over trekkracht bij lage toerentallen, maar ook daar presteert het blok voldoende. Een potato-potato-ervaring ligt op basis van de specificaties al niet erg voor de hand, maar het hoogtoerige gebrom vanwege de hoge snelheden tijdens de testrit is direct het andere uiterste. De vrees voor het geluid van schrapende voetsteunen blijkt overbodig. Dit malle ding beschikt zowaar over grondspeling. Gaat het bochtenwerk in eerste instantie nog weifelend, al snel neemt het vertrouwen in de goede afloop en de Rebel toe. Het is niet langer een straf om een hoog tempo te onderhouden, het is juist feest.

Rotrem
De Rebel verrast echt op kronkelende stuurwegen. Dat het insturen weinig moeite kost met zo’n lichtgewicht is te verwachten, maar tot op hogere snelheden stuurt deze nieuwkomer neutraal en vooral gemakkelijk. Alleen de vette bobber-voorband laat zich af en toe voelen. De Rebel valt iets de bocht in, maar bij zo’n klein motorfietsje is dat makkelijk te corrigeren. Natuurlijk heeft een motorfiets van iets meer dan zeven mille geen dikke remmen, vette instelbare voorvork en achterdempers, maar het gemonteerde budgetspul doet het gewoon goed. De achterkant is straf afgeveerd, maar dat kan ook niet anders bij een veerweg van 89 millimeter. Bij de remmen is het juist andersom. Daar doet de achterrem het een stuk beter dan de enkele voorrem en de minimalistische remklauw. Knijpen, serieus hard knijpen is hier het devies.

Geen malheur
Net als je denkt dat alle verrassingen wel eens een keer zijn opgesoupeerd, dringt het besef door dat alle vooraf gevreesde pijntjes uitblinken door afwezigheid. De zitpositie op de Rebel is inderdaad compact, maar vreemd genoeg leidt het niet tot fysieke malheur. Waar sommige cruisers al na een paar kilometer meer weg hebben van een martelwerktuig dan een motorfiets, is het verrassend ontspannen rijden op de Rebel. Zelfs dat plankje dat voor zadel doorgaat, doet het gewoon goed. De voetsteunen zitten niet krankzinnig ver naar voren als een soort wannabe highway-pegs. De rijwind is beter te trotseren dan op de meeste cruisers. Alleen het rechter voetsteuntje zit wel erg dicht op het carterdeksel en dat laat zich soms voelen. 

Conclusie
De goednieuwsshow gaat maar door; Honda ontpopt zich namelijk eindelijk weer eens tot prijsvechter. De meest voor de hand liggende concurrent van de Rebel is de Vulcan S. De Kawasaki gaat voor € 9049 over de toonbank en dat scheelt € 1691. De Kawa verslaat de Rebel in een direct vergelijk op punten, maar zo’n prijsverschil vergoedt veel. Misschien heeft het kleine Hondaatje het voordeel van de underdog, maar knallen met dit ding is veel leuker dan je ooit voor mogelijk houdt. Nooit kunnen denken dat er daadwerkelijk iets rebels in deze Honda schuilt, maar het is wel zo.

Tekst: Ad van de Wiel, foto’s: Honda

 

[justified_image_grid ids=26493,26494,26495,26496,26497,26498,26499,26500,26501,26502,26503]