vrijdag 15 mei 2026
Home Blog Pagina 1354

20 jaar THAT Motorreizen – programma ’18 online

0

Dit is een persbericht. De redactie van MOTOR.nl is dus niet verantwoordelijk voor de inhoud. Heb je zelf een persbericht dat je graag op MOTOR.nl ziet? Dan mail je deze naar redactie@www.motor.nl.

Het reizenprogramma ‘18 is vanaf nu online op de volledig vernieuwde website: www.thatmotorreizen.nl. Met meer dan 60 reisbestemmingen, reiken het Europese toergebied van de Noorse Fjorden tot de witte kalkeilanden van Kroatië en van Schotse Highlands tot het Zuid-Spaanse Andalusië.

Nieuwe items en bestemmingen voor 2018:

  1. 1. Harzgebergte: 4 dagen individuele reis >>> lees meer…
  2. 2. Alpenchallenge 4.0: Jubileumtour voor de echte THAT-diehards >>> lees meer…
  3. 3. GPS Training: voor Garmin- en TomTom-gebruikers met niemand minder dan MR GPS – Hans Vaessen >>> lees meer…
  4. 4. Schotland: de beide Schotlandtours zijn uitgebreid met een extra tourdag >>> lees meer…
  5. 5. Noorwegen: het programma naar Noorwegen is uitgebreid met de Royal Fjord Norway tour, een 10-daagse trip met overnachting in luxe viersterrenhotels >>> lees meer…
  6. 6. Groepsreis Bayerischer Wald: 7 dagen naar de zuidoost hoek van Duitsland met een bezoek aan o.a. Tsjechië en Oostenrijk >>> lees meer…
  7. 7. Groepsreis Canarische Eilanden (Tenerife-Gran Canaria-Gomera): een perfecte bestemming om de winter te overbruggen. Vermoedelijke tourdatum: midden december 2018.

Contactgegevens:
THAT Motortours
Aretsbosweg 6
6351 JN Bocholtz
Tel: +31-(0)45-5444219
Web: www.thatmotorreizen.nl
Email: info@thatmotorreizen.nl 

Denemarken: Rond het Limfjord

0

Wilden kusten, rustige wegen, fjorden en kleinschalig toerisme, dat hoort allemaal bij het Hoge Noorden. En daarvoor hoef je niet direct naar Noorwegen of Zweden. Je vindt het ook al bovenin Denemarken, rond de Limfjord.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/Denemarken-Limfjord.gpx”]

Tekst en foto’s Jan Dirk Onrust

Na een druilerige dag door Duitsland, breekt een harde wind even voorbij de Deense grens het wolkendek open. Het is alsof mijn duistere vizier uiteen spat. De zware lucht lost op in honderden wolkjes, alles is glashelder en aan alle kanten zie ik de verre horizon. Het lijkt alsof het Deense luchtruim groter is dan waar ook. Yep, ik ben in Scandinavië en voel me vrij.

‘Wat een schitterende luchten heeft Denemarken toch!’ zeg ik tegen een VVV-dame die ik op een terras in Ribe spreek.
‘Oh ja? Nou, dank u wel, denk ik.’
Ze weet niet echt raad met mijn compliment. Het klinkt haar in de oren als ‘wat een mooie schaduwen heeft uw land!’ Daarvoor moet je trouwens in Andalusië zijn, in de winter, niet hier.
‘Maar wat vindt u van het landschap?’ vraagt ze.
‘Hm, dat blijft wat achter. Beetje gewoon nog. Ik wil het Hoge Noorden zien. Leegte, eind-van-de-wereld plaatjes, wilde kusten, boerenkinkels.’
‘Ga naar de kust en de Limfjord.’
‘Dat was ik al van plan.’
‘Kijk ook even rond in Ribe. Wij zijn het mooiste stadje van Denemarken.’
‘Wist u dat een mooi silhouet heeft?’
‘Dank u wel. Denk ik.’

Goede vrienden, de Denen

Een schattig plaatsje Ribe, ja. Oude huisjes, een paar smalle straten en een waterrad. Een soort Elburg, waarvandaan de Vikingen duizend jaar geleden vertrokken om West-Europese kustplaatsen kort en klein te slaan. Maar daarover hoor je niemand zaniken. Goede vrienden ook, de Denen. Ze waren de eersten die zich aan onze zijde schaarden toen Ottomaanse veroveraars een maand geleden dreigden binnen te vallen. En wij maar denken dat de Middeleeuwen voorbij waren.

Eerste fjord

Ik ga het zorgeloze Hoge Noorden zoeken en rijd eerst naar het eiland Romø, dat onder Esbjerg nog net in de Waddenzee ligt. Het heeft veel van Vlieland, alleen kun je er via een dam zomaar opkomen. Je mag hier zelfs met de motor het brede strand op. Krijg ik het noordelijk gevoel? Niet echt, te druk.
Boven Esbjerg, bij het plaatsje Nymindegab buigt de weg naar de kust en zit je tegen de Noordzeeduinen aan. Aan de andere kant van de weg verschijnt een meer van dertig kilometer lang dat zout schijnt te smaken. Met andere woorden: het is een zee-inham, in het Deens beter bekend als fjord.

Fjord! Oké, het is wat anders dan de Noorse fjorden. Er zijn geen bergen en geen haarspeldbochten. Eigenlijk zou je de weg die over de engte tussen Noordzee en fjord loopt zelfs bijna recht kunnen noemen. Toch opent zich hier voor mijn gevoel de deur naar het Hoge Noorden. De duinen zijn wilder dan bij ons en het landschap raakt leger. Via een onverhard zijweggetje kom ik bij Bovbjerg Fyr, een vuurtoren aan de rand van een klif. Die is weliswaar van zacht zandsteen, maar steil genoeg om een doodklap te maken. Als ik naar beneden kijk, zie ik twee wandelaars op het strand en een dreigende zee met schuimkoppen. In 1928 kwam de schilder Jens Søndergaard hier voor het eerst en zag de dramatische kracht van het landschap. Hij besloot dat hij hier wilde wonen en schilderde Bovbjerg vele malen. Die schilderijen horen tot de beroemdste van Denemarken. Het huis dat Søndergaard bouwde is nu een museum.

De grootste zeeslag ooit

Het landschap boven Bovbjerg vonden de Denen desolaat genoeg om er een enorme pesticidenfabriek neer te zetten. En dan komt Thyborøn – dat in het Deens klinkt als niezen. In Thyborøn stonden in de Tweede Wereldoorlog meer bunkers (zestig) dan huizen. Nu wonen er 2000 mensen achter de duinen. De weeïge stank van de visfabriek waait door de brede straten als ik er ’s avonds aankom. Op meeuwen en een dwarrelende plastic zak na, zie ik geen levensteken en een centrum is nauwelijks te ontdekken. Je zou op slag verliefd raken.
Een paar bezienswaardigheden zijn er. Het maffe Sneglehuset, een huis dat door een visser geheel met schelpen is bedekt, en sinds vorig jaar staat er een monument dat de 25 gezonken schepen en 8645 slachtoffers van de Zeeslag om Jutland (WO I) uitbeeldt – de grootste zeeslag uit de geschiedenis.

Wiebelende schuit

De weg houdt op bij deze verwaaide uithoek, omdat hier de grootste fjord van Denemarken begint, de Limfjord – die doorloopt tot aan de Oostzee. Per veerpontje steek ik over naar het Hoge Noorden van Denemarken, Noord-Jutland. De Limfjord lijkt als het hard waait verdacht veel op een zee, inclusief stranden en kliffen in de achtergrond. De golfslag is zo sterk dat ik bijna de hele overtocht van twintig minuten op de motor moet blijven zitten. Halverwege passeert de wiebelende schuit een volgende bewijs van de zeewaardigheid van de Limfjord: een zandbank met zeehonden. Mosselen en kreeften leven hier ook. Ik laat me vertellen dat die heel vol van smaak zijn omdat ze door het koude water veel langzamer groeien dan in het zuiden.

Koud Hawaii

De Limfjord bewaar ik voor morgen, eerst duw ik door naar de noordwestpunt van Denemarken, waar Hanstholm ligt. Dat betekent vijftig stille kilometers langs moeras, weilanden, bossen en tenslotte weer veel duinen. Het enige kustplaatsje onderweg is Klitmøller, ook wel bekend als Koud Hawaii. De zee doet hier sterk aan een oceaan denken: door de bijna constante harde wind zijn de Noordzeegolven bijna nergens zo hoog als hier, dus is het een paradijs voor surfers.

Pokdalig en rauw

Hanstholm ligt op de hoek waar Noordzee en Skagerrak elkaar ontmoeten, wat het de toegangspoort tot de Baltische Zee maakt. Voor de Duitsers was dit het belangrijkste punt van de Atlantik Wall. Daarom bouwden ze in de omgeving duizenden bunkers en plaatsten ze kannonen die het halve Skagerrak bestreken. Ook hun grootste zeefort zetten ze hier neer. Weghalen was na de oorlog onbegonnen werk. Het strand, de duinen en zelfs de zeebodem zijn bezaaid met Duits beton. Dat maakt van Hanstholm een pokdalige, rauwe plek. De dichte bomenmuur die is geplant om de littekens – en de harde wind – buiten het plaatsje te houden, doet daar niet zoveel aan af. Het strand is hier een waanzinnige plek om de midzomernacht te vieren, met een zon die een uur langer schijnt dan bij ons en die in het noordwesten ondergaat.
Zeker zo gek is de Bulbjerg die 35 km verderop ligt. Dit is een kustberg – zo ongeveer de enige van het Deense vasteland – die er ook echt als een berg uitziet. Dit verwacht je hier niet. Maar zo heeft Denemarken wel meer grote verrassingen. De volgende ligt in de Limfjord.

Wereldberoemd bij katten

De Hanklit is een klif van ruim zestig meter hoog op het eiland Mors, dat in de Limfjord ligt. Hier wacht archeoloog en museumhouder Henrik Madsen me op voor een rondleiding. Alsof de klif zelf nog niet bijzonder genoeg is, komt hij met de volgende verrassing.
‘In sommige landen vinden ze goud en in andere diamanten. Weet je wat wij hier uit de grond halen?’ vraagt hij.
‘Barnsteen? Zilver?’
‘Nee. Kattenbakkorrels! Zijn we wereldberoemd mee. Bij katten dan.’
Hij raapt een stuk steen van het strand en zegt: ‘Moet je voelen, dit weegt bijna niets. Dat komt omdat het superporeuze klei is. Het absorbeert als een gek. Helaas zijn we er niet slapend rijk door geworden. Alles is hier lekker kleinschalig gebleven, dat is de Limfjord. En we zijn heel inventief. Maar zoek je een bijzonder landschap? Even verderop ligt iets dat niemand zal herkennen als Denemarken. Zelfs de Denen niet.’
Een kwartier later rijden we de kattenkorrelgroeve in – Denen zetten niet zo snel een slagboom neer. En inderdaad: dit schat je eerder in als Dolomieten, maar dan ter grootte van een paar voetbalveldjes.

Drankstoker

Bij Sillerslev op Mors zou het mooiste strand van de Limfjord liggen. Dit wordt betwist door de inwoners van Handbjerg aan de overkant, die met hun zelfaangelegde strand alleen willen buigen voor de Copacabana in Brazilië.
Het strand van SIllerslev is buitengewoon klein. En er staat een klein huisje op dat ik eerst aanzie voor een toiletgebouwtje. Het blijkt de drankstokerij van Ole Mark te zijn, een binnenhuisarchitect, gespecialiseerd in het ontwerpen van pubs.
‘Drinken is altijd mijn hobby geweest,’ legt Mark uit. ‘Als student stookte ik mijn eigen drank al en heb dat nog overleefd ook. Nu probeer ik van mijn hobby mijn beroep te maken.’
Whiskey, rum, aquavit, likeuren, kruidenbitters… het repertoire van Mark is groter dan van Heineken. Prijzen lopen op tot €250,- per fles. En dat kun je gewoon allemaal zien, proeven en uitgelegd krijgen. De archeoloog zei het al: in de Limfjord is alles nog lekker klein.

Een gek poppetje

Over klein en inventief gesproken. Op een zoldertje in het havenplaatsje Struer knutselden twee vrienden wat met radio’s en luidsprekers. Peter Bang bedacht het, Svend Olufsen zocht naar kopers. Nee wacht, verkeerd voorbeeld.
Thomas Dam, een visser uit het dorpje Gjöl die te arm was om met kerst speelgoed voor zijn kinderen te kopen, maakte in 1959 een paar gekke poppetje van hout voor ze. De klasgenootjes zagen de poppetjes en wilden er ook een hebben. De kinderen in het volgende dorp even later ook. Afijn, vijf jaar later was de Troll het populairste speelgoedje ter wereld. Schatrijk werd Dam niet, door gedoe met copyrights.
Als ik nu door het gehucht rijd, zie ik bijna niets dat aan het beroemde poppetje herinnert. Het enige dat ik tegenkom is een bord aan de dorpstraat waarop een troll staat afgebeeld met een telefoonnummer erbij. Toch even proberen.
‘Met Dam Things spreekt u.’
‘Ik wil u iets vragen over trollen,’ zeg ik.
‘Oh, kom maar.’
‘Waar zit u?’
‘U staat op mijn stoep.’

Dreamworks en Disney

Het woonhuis waarvoor ik sta, blijkt het Troll hoofdkantoor te zijn. De enige aanwezige is Calle Ostergaard, de huidige baas. Ik verwacht een Don Quichotte-verhaal van een dorpeling die het opnam tegen de grote zakenwereld en jammerlijk verloor. Het blijkt anders te zitten. ‘We hebben tientallen jaren processen gevoerd,’ zegt Ostergaard. ‘Zelfs tegen Disney. En bijna alles hebben we gewonnen. In Scandinavië zijn de Trollen een succes gebleven, maar mogelijk maken ze wereldwijd een come-back. We hebben een contract met Dreamworks afgesloten dat een grote animatiefilm heeft gemaakt. Zoiets als Shrek. De regio heeft al plannen om hier een Trollenmuseum te maken, mogelijk zelfs een pretpark. Maar zelf maken we niets meer. We bewaken vooral de auteursrechten.’

Krakende hippies

Pretpark of niet, er moet wel heel veel gebeuren om het rond de Limfjord druk te maken. Het toerisme heeft hier een heel late start gemaakt. Het eilandje Livø (4 km2) is zelfs paradijselijk rustig. Ooit was het een kloostereiland. Een eeuw geleden werden er verstandelijk gehandicapten en criminelen ondergebracht. Krakende hippies probeerden er later landbouw te bedrijven, wat door gebrek aan vaardigheid mislukte. Tegenwoordig wonen er zeven mensen. Met de motor kun je er niet komen. Op het eveneens prachtig eilandje Fur kan dat wel.

Niet ver van Livø ligt de Aggersborg, de grootste Viking-site van Denemarken. Het is eigenlijk niets meer dan een grascirkel met een doorsnee van bijna driehonderd meter. Het fort met huizen dat erop stond, moet je erbij denken. De Denen hadden hier iets moois van kunnen maken, maar ze lieten het bij een onbemand schuurtje dat als informatiecentrum dient. Eigenlijk is dat wel tekenend voor de onontdektheid van de Limfjord.

De rand van de afgrond

Toeristischer is de noordkust, die hier maar 25 km boven ligt. Ik rijd nog een stuk verder naar het oosten, want daar staat Rubjerg Knude, de beroemdste vuurtoren van Denemarken. Het verlaten lichtbaken is een speelbal van de meest woeste duinen van Denemarken. Het zand is hier zo beweeglijk dat ze de toren al een paar keer hebben moeten uitgraven. De bijhuisjes werden reeds verslonden. De vuurtoren zal zelf ook verdwijnen. Hij staat op tien meter van de rand van een diep afgrond, die jaarlijks ruim anderhalve meter dichterbij komt. Dat betekent dat het in 2023 is gebeurd met de vuurtoren.

Het commerciële denken

Nadat ik de tamelijk bouwvallig vuurtoren heb beklommen, zoek ik een overnachtingadresje in de buurt. Handgeschilderde bordjes brengen me over twee onverharde paden naar Knud, een oud-bouwvakker met een paar zomerwoningen in zijn tuin.
‘Wat kost het, Knud?’
‘Zestig euro per nacht.’
‘Hm.’
‘Maar veertig euro is ook goed.’
Knud pakt het geld aan en zegt: ‘Mooi, dan ga ik nu naar de kroeg. Ga je mee? Ik trakteer.’
Het strakke, commerciële denken zit er nog niet echt in, hier in het hoge noorden. En alleen al daarom is het bijna onmogelijk niet van dit gebied te gaan houden.

Alpenpassen: vanaf 18% en steiler

0

Een toer over passen en wegen in de Alpen met een hellingspercentage van minimaal 18%. Want hoe steiler hoe beter!

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/Alpenpassen.gpx”]

Tekst en foto’s Klaus Daams

De specs van de KTM Super Duke GT liegen er niet om. 173 pk en 144 Nm zijn indrukwekkend en maken van de testosteronzwangere toursporter een ware hemelbestormer. Als vanzelf komt de vraag op: waar moet dat heen met al die power? Mijn hersens kraken een minuut als een ratelende startmotor. Totdat de motor start: bij een pittige vermogens- en koppelcurve passen toch het meest wegen die al even steil omhoog wijzen, niet dan?

Los van het feit dat motorrijden in de bergen hoe dan ook fantastisch is. Uiteraard heeft het plan ook voor de minder gemotoriseerde lezers onder ons waardevolle routetips in petto. Want sl snel is de kaart volledig bedekt met markeringen van passen en wegen in de Alpen, die één ding gemeen hebben: een ‘volwassen’ hellingspercentage van minimaal 18%. We hebben de 1290 gestart en maken ons op voor de eerste bergetappe.

Katschberghöhe: ooit zeer gevreesd

‘Is de weg voorverwarmd?,’ vragen we aan de tolpoort Nord aan de voet van de Roßfeld-Panoramastraße. Vijf graden geeft het display van de KTM aan, maar hartverwarmend is de lach van Moni Aschauer, wanneer ze de €4,50 van ons in ontvangst neemt. Nauwelijks 16 kilometer lang is de als panoramaweg aangelegde route, die tot een hoogte van 1.570 m voert. Het steilste deel met maar liefst 26% is de zuidelijke klim van Berchtesgaden via de B319. Bij mooi weer heb je uitzicht op Dachstein, Hoher Göll en Watzmann. Vandaag ziet het er maar ongezellig uit en we laten het wolkendek achter ons door richting het warme zuiden te rijden. Van het onderweg geplande uitstapje naar het Preuneggtal en de Ursprungsalm – de ‘alpenbijbel’ van Denzel vermeldt een kort steil stuk met een hellingspercentage van 20% – komt helaas niets. En op de Katschberghöhe houden we het niet droog.

Vroeger was de Katschberghöhe een van de steilste routes van Oostenrijk. Het traject werd gevreesd door bestuurders van astmatische autootjes, waarvan het aantal pk’s met een meervoud van het hellingspercentage van 30% werd overtroffen. Op diezelfde route is inmiddels veel aarde verplaatst en is de B99 voor civiel gebruik teruggebracht tot 15%. Aangezien het doorgaande verkeer bovendien over de evenwijdig lopende Tauernautobahn raast, staat niets een heerlijke liaison tussen een getemde Katschi en een wilde KTM meer in de weg.

Terwijl de nokkenassen op de shims en de klepstoters trommelen – bij een vlot ritje met The Beast kunnen dat al gauw 5000 omwentelingen per minuut zijn – fluistert de volgende kandidate al ‘ik ben nog geen 18, maar neem me mee.’ Tja, zo verleidelijk als de Nockalmstraße ook is met haar 52 bochten, verdeeld over 34 heerlijke kilometers: we kunnen wel wat meer aan dan 12%. Bovendien geldt er tussen 18 en 8 uur een rijverbod voor motoren. Dus gaan we buitenom via Thomatal naar Ramingstein, waar we bij Gästehaus Moser een gezellig onderkomen voor de nacht vinden. Daar kunnen we alvast voorgenieten van een hoogtepunt in ons tourschema.

Onrust op de Feistritzer Alm

Wow, 26% staat er op de kaart – dat vergt nogal wat van ABS en tractieregeling, wanneer we met onze Oostenrijkse funmotor tijdens de afdaling van de Turacher Höhe een stoppie maken. Wat niet gebeurt. Want laten we wel wezen: wie gaat er nu zonder dat het ergens voor nodig is, op zijn voorwiel staan wanneer je je beter kan vergapen aan de bonte bloemenzee om je heen en de in de zon oplichtende wielershirts? Verder voert de adrenaline-expres over kronkelige wegen langs de Millstätter See richting het zuiden. Borden met stijgingspercentages van 24%, 18% en 16% markeren een ware achtbaan. Onderweg komen we een 20-jarige bestuurder tegen in een rode Astra zonder achteruitkijkspiegel. Voor wie zo nodig wil inhalen, is dat een regelrechte ramp.

Pauze met koffie en frisdrank op winderige hoogte in Alpengasthof zum Enzian en daarna naar beneden naar de botanische pracht van de Feistritzer Alm. ‘Op het een- tot een krappe tweebaans grindpad is keren nauwelijks een optie. De hellingen zijn gelijkmatig en bedragen maximaal 18%’, verleidt Denzel ons tot een uitstapje dat moet aantonen over welke offroad-genen de KTM beschikt. In plaats daarvan wordt het een beproeving voor de padvindersgeest van de navigatiegeneratie. We bakken er helemaal niets van. De start in Feistritz lukt nog prima, maar al snel ratelen de motorwielen over slecht geasfalteerde weggetjes vol kuilen door het bos tot aan de Koutschitz Alm. Iets later vinden we de weg alsnog en belanden we bij een doorwaadbare plaats. Niet iets om voor terug te schrikken, maar eerder een gelegenheid om de situatie door te nemen en het avontuur op te zoeken. En daarna hard doorrijden om de gemorste tijd in te halen. Of om met Bilbo Baggins te spreken: ‘We moeten wel op tijd aan tafel.’

Het blik blikkert in de zon wanneer we via de Wurzenpass van Oostenrijk naar Slovenië rijden. Een eindeloze file op het drielandenpunt: zelfs bij een hellingspercentage van 18% vergaat ons dan het lachen. Des te aantrekkelijker is de Italiaanse SS112 van Pontebba naar Moggio. Heerlijke haarspeldbochten en achter de toppen van dennenbomen ligt een droomlandschap van bergen even puntig als het Kiska-design van de KTM. Wordt morgen vervolgd. Vandaag nog belanden we in Tolmezzo in de Albergo La Rosa, waar sinds jaar en dag een verbleekte menukaart in de vitrine in de zon hangt. En de gast het best heel eenvoudig een pizza ‘met alles erop’ neemt.

De waanzinnige Panoramica delle Vette

Zondagmorgen. Een suikerflash in de bar Il Gatto e la Volpe aan de Piazza Garibaldi. We hebben de keuze uit 17 kleverige croissants en brioches, waarvan voor de vitamientjes enkele met jam. Het zijn niet alleen honden en katten die hun pootjes aflikken. Voor wie het gas dadelijk flink wil opendraaien, wacht er nog meer heerlijks op de Monte Zoncolan. En dankzij de quickshifter hoeven we niet voortdurend de koppeling te gebruiken. Vanaf Sutrio kunnen we ons enkele kilometers flink opwarmen tot aan de Albergo al Cocul – een rustiek adresje voor een volgende keer. Daarna rijden we over supersmalle asfaltweggetjes tot aan het panoramaplateau op de Zoncolan. Wat voor de homo motoricus uit Amsterdam of Almelo van bovenaf oogt als een lieflijk omhoog kronkelende weg tegen een reusachtig bergmassief, is voor fietsers die het van hun spierkracht moeten hebben vooral een keiharde ervaring. Indrukwekkende hellingspercentages van 23% zijn zelfs voor profs als Gilberto Simoni en Ivan Basso, etappewinnaars van de Giro d’Italia, echte kuitenbijters. Om het risico van valpartijen te minimaliseren zijn de drie tunnels op de weg omlaag naar Ovaro geasfalteerd en verlicht.

We gaan meteen door naar het volgende pareltje, de waanzinnige Panoramica delle Vette! Vanaf Ravascletto kronkelt de weg zo’n 900 m omhoog, beveiligd met stevige houten vangrails en een met bloemen versierde maagd Maria. Totdat deze boven de boomgrens op een hoogte van ca. 1.800 m weer vlak wordt en daarna in een halve cirkel – nou ja, in een nogal willekeurig patroon – om de zuidflanken van Monte Pezzacul en Monte Crostis en vlak onder de bergkammen over de helling slingert. A propos: het bovenste stuk van de bergweg gaat voor de krachtige Pirelli Angels GT niet alleen over asfalt maar ook nog eens over zeven kilometer fijne steentjes. Dat is niet erg, hoewel je op zo’n Power Naked wel volledig door elkaar wordt geschud. Maar het panorama is fenomenaal en een lust voor het oog. Omlaag naar Tualis en Comeglians, opnieuw door haarspeldbochten tot 20% en een geschikt wegdek voor onze Angels.

Als derde in de reeks van curven doen we de Sella di Razzo. In plaats van alweer een lyrische beschrijving voor de verandering ditmaal alleen een tip: vlak bij Razzo aan de SP 619 ligt het Rifugio Fabbro, bij fraai weer een heuse ontmoetingsplaats voor motorrijders. Langzaam aan raakt het er vol, wat geen verwondering wekt in het betoverende Dolomietenlandschap. Met name op zondagmiddagen is er sprake van een onafgebroken verkeersstroom rondom Cortina d’Ampezzo, die al even hardnekkig is als de files rondom Rotterdam. Terwijl iedereen alleen maar een frisse neus wilde halen. Een schamele troost: file rijden houdt beter wakker dan cafeïne én is goed voor het reactievermogen.

Eindelijk verlaten we de SS 51 en dan gaat het over de SP 347 richting Passo Cibiana. Geleidelijk neemt de verkeersdrukte af en kunnen we onze 1290 weer flink op toeren brengen. Rest de vraag: blijven we ontspannen voortglijden of sprinten we op de volgende bocht af? Passo Duran, Passo di San Pellegrino, de Nigerpass en Rosengarten weten het antwoord. En wij weten dat de majestueuze, door UNESCO tot cultureel werelderfgoed gekroonde Dolomieten eigenlijk nog het mooist zijn zonder onze aanwezigheid. Waarover we laat in de avond op het terras van Hotel Dosses in Tiers heerlijk kunnen filosoferen.

Angst voor de Schreckenmanklitz

Uit vooronderzoek is vast komen te staan, dat er tussen St. Ulrich en Kastelruth een weg voert met het indrukwekkende hellingspercentage van 28%, maar zelfs de plaatselijke verkeerspolitie is hiervan niet op de hoogte. Multiregionale bekendheid genieten zonder enige twijfel ook de volksmuzikanten van de Kastelruther Spatzen, die met titels als ‘Tränen passen nicht zu dir’ gevoelige zieltjes behoorlijk weten te raken. Maar niets is mooier dan verder trekken. Op naar een weerzien met oude bekenden uit de serie ‘Hoger dan 2000 m’: de Jaufenpass en de Timmelsjoch. En daar gaan niet alleen onze mondhoeken van krullen, ook het rubber gilt het uit vanwege de vele bochten. Op de Piller Höhe daalt de adrenalinespiegel even, maar daarna laat de de KTM onze hartslag weer omhoog schieten.

Voor de nacht maken we een tussenstop in de Schwarzer Adler in Landeck, om daarna weer fris op weg te gaan naar de Hahntennjoch dat, ondanks een hellingspercentage van ‘slechts’ 15%, zoals bekend een droomparcours is. Hier moeten we onszelf echt beheersen. We kronkelen langs de ruige rotswanden door onoverzichtelijke haarspeldbochten in de richting van het Hahntennjoch. Total digital met ride-by-wire, of – bijna ouderwets zoals het enthousiaste kwintet uit Opper-Beieren – oprijdend met een onverschrokken 9 pk NSU Lux.

De laatste kilometers. We hoeven niet na te gaan of de Baldwin Street in Nieuw-Zeeland met 35% inderdaad de steilste weg ter wereld is, zoals het Guinness Book of Records ons wil doen geloven. En het is al even zinloos om het op internet gevonden waanzinnige percentage van 50% in Wallis te verifiëren. Maar nadat we op de Namlossattel met z’n 18% zijn warm gereden, kunnen we nog snel de laatste steile kandidaat aan de tand voelen. Dus rijden we via de autoweg van Füssen naar Kempten, waarbij we al onze pk’s aanspreken. Op naar de Allgäu. Een lieflijk landschap met sappige weiden en schattige koeien.

Bij Weiler-Simmerberg slingert een smal grijs lint zich door het groene landschap, alsof een speelse kat een bolletje wol heeft afgerold. Het ambivalente gevoel van schijn en zijn. Op dat moment kijkt iemand die weliswaar niet ‘verslaafd’ is aan een Super Duke GT maar wel aan een helse rit, net als Renton, Spud en Sick Boy in Trainspotting, misschien wel zijn grootste angst recht in het gezicht: de Schreckenmanklitz, 25%, berijden op eigen risico. Net als Deichkind: heerlijk eigenzinnige hip-hop

REISTIPS

Bij een Alpentour die begint bij een hellingspercentage van 18% ontbreken weliswaar diverse bekende passen. Die kun je uiteraard in een route ‘bouwen’. In plaats daarvan hebben we andere, ook aantrekkelijke routes opgezocht, die vaak nog tamelijk onbekend zijn en niet zo druk bezocht als de klassiekers. Glück auf!

Heenreis

De Roßfeld-Panoramastraße, het startpunt van deze tocht, ligt bij Berchtesgaden en is het snelst bereikbaar over de A8 München-Salzburg, via de afrit Bad Reichenhall en verder via Bischofswiesen of via de afrit Salzburg-Süd en vervolgens via Marktschellenberg.

Verblijf

De Alpen blijven een favoriete vakantie- en vrijetijdsregio. Hier vindt iedereen wel een accommodatie, hoewel de capaciteit niet onbegrensd is. Wie op safe wil spelen, reserveert in het vakantieseizoen vooraf z’n overnachtingen. Wij zochten op de bonnefooi naar kamers en vonden die in Gästehaus Moser, Birkengasse 74, A-5591 Ramingstein, tel. 0043-6475276, www.pension-moser.com; Albergo La Rosa, Via Paluzza 62, I-33028 Tolmezzo UD, tel. 0039-04332039, www.albergolarosa.com; Albergo al Cocul, Via Monte Zoncolan, Sutrio UD, tel. 0039-0433775233, www.cocul.it; Hotel Dosses, I-39050 San Cipriano,Tiers, tel. 0039-0471642195, www.dosses.com; Hotel Schwarzer Adler, Malserstraße 9, A-6500 Landeck, tel. 0043-544262316, www.schwarzeradler.at.

Pleisterplaats

Bij mooi weer worden van oudsher op hotspots als de Timmelsjoch, Hahntennjoch of de Sella Ronde de parkeerplaatsen gebruikt als favoriete ontmoetingsplaats voor motorrijders. Wie niet alleen rijkelijk benzine wil verbruiken, maar ook wil genieten van de Italiaanse keuken, kan bijvoorbeeld in de buurt van het Sella di Razzo bij het kleine ontmoetingspunt voor motorrijders op het Rifugio Fabbro zijn culinaire hart ophalen.

Van Doorns Supercross Goes 2018

0

Dit is een persbericht. De redactie van MOTOR.nl is dus niet verantwoordelijk voor de inhoud. Heb je zelf een persbericht dat je graag op MOTOR.nl ziet? Dan mail je deze naar redactie@www.motor.nl.

Na twee jaar achter elkaar uitverkocht te zijn gaan we dit jaar voor een nog betere editie.

De laatste editie liep het programma behoorlijk uit, dit willen we dit jaar proberen te voorkomen door oa de start zodanig te verleggen dat we vlotter door kunnen gaan met het programma. Ook komt er een dubbele bezetting op de medische unit, zodat we door kunnen als de wedstrijdarts niet in de hal is.

Het baanontwerp is wederom van Rinus vd Ven en Eddy Eversdijk, met wat andere elementen dan vorig jaar. De hoge bult, nodig voor de springers van MX forever zullen we dit jaar niet hebben, wat een beter zicht op het gehele circuit geeft.

We zijn volop bezig om een mooi inter-startveld te krijgen daarover in de loop van de komende weken meer nieuws.

Tussen Kerst en oud en nieuw zullen we grond inrijden. Vanaf 8 januari de tribunes erin en vanaf 9 januari de baan aanleggen.

De trainingen vangen aan vanaf vrijdagavond 12 januari en de wedstrijden zijn op 19 en 20 januari.

Nieuw dit jaar is de 125 cc twee tactklasse, op de vrijdagavond.

Verder zullen de jeugd, de hobbyrijders de Nationale, inters, en veterane weer aan de start verschijnen.

Voor alle informatie kunt u terecht op www.smz.nl.

Mvg

Stichting Motorsport Zeeland

Foto: SMZ

Indian Motorcycle opent een winkel in Zwitserland

0

Indian Motorcycle heeft de deuren geopend van een pop-up winkel in het winkelcentrum in Zwitserland. Als liefhebber van Indian is deze winkel zeker een bezoekje waard. 

Vanaf november 2017 is deze winkel zes maanden te bezoeken. Eén van de hoogtepunten van de winkel zijn de motoren van Indian. Naast deze motoren heeft de winkel ook kleding en accessoires van Indian Motorcycle, maar ook chocolade, gin en whisky van de Zwitserse Langatundistilleerderij.

De winkel in Zwitserland is de eerste pop-upwinkel waar het merk veel meer wil zijn dan alleen een winkel. Gedurende de zes maanden willen ze een ontmoetingsplek zijn voor motorrijders, waar ze gezamenlijk kunnen praten over hun liefde voor het merk of voor motorrijden en een plek die de fijnere dingen in het leven viert. 

Het winkelcentrum in Zwitserland staat in Ebikon, Canton Lucerne. Dit winkelcentrum is het op één na grootste winkelcentrum in Zwitserland. Dit winkelcentrum heeft een divers aanbod van winkels, gecombineerd met recreatieve en sportieve attracties, en niet te vergeten een kinderwereld. Daarnaast heeft het winkelcentrium de eerste indoor golfbaan voor surfers, het grootste IMAX-bioscoopscherm in het land en een multiplex met twaalf schermen. Het winkelcentrum heeft een eigen forenzentrein- en bushalte, directe toegang tot het parkeerterrein vanaf de snelweg en een groot parkeerterrein voor zowel auto’s, motoren als fietsers.

[justified_image_grid ids=26897,26898,26899,26900,26901,26902,26903,26904,26905,26906,26907,26908,26909,26910,26911,26912,26913,26914,26915]

Kawasaki Specials: Black Edition ZZR1400

0

Naast de lancering van de Vulcan S tijdens de Kawasaki News show afgelopen weekend, introduceert Kawasaki de Black Edition van de iconische ZZR1400. Deze motor biedt een combinatie van comfort en acceleratie, compleet met geavanceerde elektronische hulmiddelen als traction control, ABS en meerdere power modes.

Speciaal de fans van de ZZR1400 introduceert Kawasaki voor 2018 de ZZR1400 “Black Edition”, uitgevoerd in het nieuwe kleurenschema Metallic Carbon Gray / Emerald Blazed Green. Maar dat is niet het enige goede nieuws, want voor 2018 is de ZZR1400 ook nog eens extra toegankelijk geworden. De ZZR1400 Black Edition is namelijk al rijklaar verkrijgbaar vanaf € 16.499,-.

Voor de echte fijnproevers is er tevens het aantrekkelijke ZZR1400 Performance Pakket, wat bestaat uit; dubbele titanium Akrapovic uitlaten, een Smoke Windscherm, Buddyseat cover en Tankpad. Dit pakket ter waarde van € 2.849,- kost komend seizoen slechts € 1.999,-. Hierdoor loopt het totale voordeel op de ZZR1400 met Performance pakket op tot maar liefst € 2.900,- en is jouw ultieme ZZR1400 bereikbaarder dan ooit.

Kijk voor meer informatie en een dealer in uw regio op www.kawasaki.nl.

Kawasaki Specials: Vulcan S

0

Gisteren tijdens de Kawasaki News Show onthulde Kawasaki dat er maar liefst drie uitvoeringen beschikbaar zijn voor de Vulcan S samen met twee compleet nieuwe accessoire pakketten. 

De reguliere Vulcan S is voor 2018 uitgevoerd in tijdloos Metallic Flat Spark Black. Daarboven introduceert Kawasaki de Vulcan S SE, die is voorzien van een Pearl Lava Orange lakwerk met donkere accenten en een opvallende wheelstriping. Helemaal bovenaan de range prijkt de Vulcan S CAFE. Deze is naast de Pearl Storm Gray kleurstelling met groene accenten ook voorzien van een café-style windscherm. 

Nieuwe Sport Editie
Kawasaki lanceert voor zowel de Vulcan S als de Vulcan S SE het Sport pakket, bestaande uit een Full System Arrow uitlaat voor een fantastische sound en kenmerkend café-style windscherm. 

De meerprijs van het Sport pakket is slechts € 899,-

Nieuwe Light Tourer Editie
Voor wie de toerkwaliteiten van de veelzijdige Vulcan S en SE optimaal wil benutten is er het nieuwe Light Tourer pakket, met leren zijkoffers, een sissy bar en een hoog windscherm.

De meerprijs van het Light Tourer pakket is slechts € 999,-

ERGO-FIT
Uiteraard zijn alle 2018 Vulcan S modellen dankzij het ERGO-FIT systeem aan te passen aan de lichaamsbouw van praktisch iedere rijder, of u nu 1m50 of 2m10 bent! Uw Kawasaki dealer vertelt u graag meer over de uitgebreide mogelijkheden.

De 2018 Vulcan S modellen staan eind 2017 in de showroom vanaf € 9.049,-.

Kijk voor meer informatie en een dealer in uw regio op www.kawasaki.nl.

Getest: Ducati Monster 821

0

Ducati maakte heel wat Monsters, maar de 821 is volgens de Italianen de Best balanced Monster. Hij past precies tussen de brute 1200 en de behap- en handelbare 797. Is de laatste Monster echt zo uitgebalanceerd als Ducati ons doet geloven? 

De nieuwigheden druipen niet van de 821 af.  Een andere benzinetank en kontje verhogen de familiegelijkenis. Nieuwe voetsteunen voor de duo bieden meer ruimte aan de bestuurder. De kleur geel is terug en het fullcolour TFT-dashboard brengt alle cijfertjes haarscherp in beeld. De L-twin is Euro4-proof. Het kostte drie pk en evenveel Nm, maar dat is scorebordjournalistiek. De resterende 109 pk en 86 Nm zijn nog altijd meer dan voldoende om je prima te vermaken. Het blok bijt flink van zich af. De gasopname onderin is stevig en dat verrast je in krappe haarspeldbochten. Eenmaal aan de zwier is het juist prettig dat het blok zo direct reageert op de rechterhand.

Felle bliksem
Toch zou het blok wel een klein beetje oer-Monster kunnen gebruiken. De twin is krachtig genoeg, maar het vermogen bevindt zich hoog in de toeren. Vanaf 7000 tpm en hoger is het een felle bliksem. Onderin en in het middengebied stelt hij niet teleur, maar een moddervette koppelbrommer is de 821 niet. Overigens ontstond er verwarring over de gretigheid van het blok. Zou Ducati de gearing wat korter hebben gemaakt? Niets bleek minder waar, alles is bij hetzelfde gebleven, maar de twin voelt levendiger dan ooit.  

Erbarmelijke kwaliteit
In het drukke stadsverkeer van Rimini reageert de 821 nukkig, op de vloeiender wegen van de Apennijnen is hij op z’n plek. Een Monster gedijt beter als het vlotter gaat. Als hij met meer overtuiging de bocht in gesmeten wordt, als het gas er sneller en daadkrachtiger op gaat, als de Brembo’s met veel gevoel en stopkracht ook een danig woordje meespreken. Pas dan komt de 821 in zijn element. Om als bestuurder ook in je element te komen, moet je kilometers maken. Niemand omarmt een Monster binnen de eerste honderd meter. Een Monster moet altijd naar je toe groeien. Zeker op wegen van erbarmelijke kwaliteit – zoals in de Apennijnen – vraagt dat even geduld. 

Nerveus
Toch groeit het vertrouwen voordat de eerste meters asfalt van biljartlakenkwaliteit zijn bereikt. De voorvork kwijt zich prima van zijn taak. Het is een prima compromis tussen sportief en comfort. Gelukkig maar, want instelbaar is hij niet. De achterdemper is dat wel op veervoorspanning en uitgaande demping, maar op deze slechte wegen had ik graag liever wat extra ingaande demping gehad. De Monster 821 hoeft echt niet verder op zijn neus staan want hij stuurt onwaarschijnlijk makkelijk in. De eerste bochten stuur je elke keer weer weg uit de middenberm omdat het insturen iets te enthousiast gebeurde. Het neigt naar het nerveuze, maar het went snel en dan heet het plots speels.

Razendrap sturen
De Monster 821 ‘The best Balanced Monster’ zit precies tussen beginnersmotor 796 en de krachtige 1200 in. Om perfect uitgebalanceerd te zijn, moet de veringafstelling beter. De zachte achterkant (verklaarbaar door de erbarmelijke staat van het asfalt) moet aan daadkracht winnen om het geheel strak te houden. Die reserve heeft de demper, kwestie van even schroeven. Verder is de 821 vooral dezelfde Monster 821 gebleven die hij was. Hij is mooier dan voorheen, maar aan zaken als zithouding, rijwielgedeelte en remmen veranderde niets. Vanwege Euro4 is hij iets zwaarder en minder krachtig dan voorheen, maar dat is vooral voor de statistieken. Onderweg merk je daar niets van. Je bent dus nog altijd onderweg met een razendrap sturende fiets met een blok dat bovenin helemaal tot zijn recht komt.

Tekst: Ad van de Wiel, foto’s: Ducati

 

[justified_image_grid ids=26451,26452,26453,26454,26455,26456,26457,26458,26459,26460,26461,26462,26463,26464,26465,26466,26467,26468,26469,26470,26471,26472,26473,26474,26475,26476]

Mille Miglia

1
Mille Miglia Italie

Jaarlijks is het in Brescia een heksenketel als de legendarische Mille Miglia-rally van start gaat. Dan zijn de pleinen en straten van de Noord-Italiaanse stad gevuld met ronkende en rokende, brommende en brullende oldtimerauto’s. Promotor stuurt Michiel van Dam alvast vooruit om de route te verkennen voor Promotor’s Mille Miglia motortoer, van 15 t/m 23 september.

De uitlaat van de Ducati Multistrada geeft het startschot voor mijn eigen Mille Miglia door de mooiste steden, over de beste motorwegen en langs de fraaiste landschappen van La Bella Italia tussen Brescia en Rome. Na zo’n 40 kilometer schittert het Gardameer al in het vizier. Lago di Garda is als de bron van de eeuwige jeugd. Al zitten er geen bladeren aan de bomen, al ligt er nog sneeuw op de bergtoppen die in het water weerspiegelen, aan het Gardameer is het altijd lente. Met dit paradijselijke beeld voor ogen daver ik vervolgens via de snelweg over de platte en saaie Povlakte, totdat de volgende bergen opdoemen achter de stad Bologna, waar de wieg van mijn Multistrada stond.

Geen tijd voor sentimentaliteit nu. In plaats van de doorgaande autostrada A14 of de al even kaarsrechte Via Emilia daarnaast, stuur ik via spannende bergroutes naar San Marino. Tsja. De Eerste Vrije Republiek ter Wereld ligt schitterend op een bergtop, met uitzicht over land en zee. Middeleeuwse bouwwerken tuimelen schreeuwend om aandacht over elkaar. Maar toch wil het in San Marino met La Dolce Vita nét niet helemaal lukken. In plaats van Italiaanse flair hangt hier naar mijn smaak net iets te nadrukkelijk een sfeer die ik eerder aan de noordkant van de Alpen verwacht. Stijfjes. Geordend. Emotieloos. En om emoties gaat het juist in Italië en zeker als het de Mille Miglia betreft. San Marino is het Luxemburg van Italië, ook al vanwege al die outlets en dutyfreeshops, waar toeristen met busladingen tegelijk op afkomen. Ik verlaat met een zucht van verlichting de steile stad waar de glimmende spiegelpaleizen van commercie de oude stadsmuren omringen.

De wegen van Rossi

De SS72 brengt me terug in Italië, een rechte en drukke weg met ritsen stoplichten.Gelukkig, daar is de kust al. Rimini is synoniem voor strand, zee, zon en massatoerisme. De eerste badgasten werden aan deze kust, zo wil het verhaal, in 1830 nog door de pauselijke politie gearresteerd. Want zwemmen was zondig, toen nog. Sindsdien is er heel wat water langs de Adriatische kust gespoeld. En heel wat op de kustlijn bijgebouwd. Na een tijdje heb ik de Via Flaminia langs de kust wel gezien en stuur ik de Ducati weer het binnenland in.

Al snel danst de Multistrada over een bergkam en door een volgend dal. Hoe vaak heeft Rossi hier in de bochten platgelegen? Verplichte pitstop in het plaatsje Tuvalia, waar de kleine Valentino eerst zijn kinderwagen over de keien liet rollen, vervolgens zijn autoped en daarna…

In het spoor van Rossi en andere race- en rallylegenden liggen duizend mijlen pure stuurpret in het verschiet. Het contrast met de drukke kust is overweldigend: in de heuvels en bergen van de Marken rij ik in m’n eentje over groene heuvels met hier en daar een bos erop of een kleurig pak huizen binnen een middeleeuwse stadswal met dikke torens. Het zou anders eens saai kunnen worden onderweg, voor het hooggeëerde rallypubliek.

Parels voor het oprapen

Na het Riminisyndroom komt het stuk kust ten zuiden van Ancona als een aangename verrassing. De PR-godinnen van La Bella Italia doen hun uiterste best om de Riviera del Conero zo aanlokkend mogelijk te maken. De SP1 zigzagt met een en al bochten door fris geurend woud en dan is er nog de bonus van de berg Monte Conero, vlak aan zee. Zilte lucht waait door de helm. Ik stuur langs steile kliffen, lege stranden, blauwe zee, groene eikenbossen, kleurrijke bloemen en pittoreske vissersdorpjes als Terranova, waar ik me tussen de beach boys van het Californische Big Sur waan. Surf’s up!

Ook op de kustweg liggen de parels voor de motorzwijnen voor het oprapen. Ik geniet ervan met tientallen jonge motorrijders die op snelle streetfighters als Ducati hypermotards door de bochten razen. Wie van hen zal uiteindelijk in Rossi’s bandenspoor passen?

Ook op mij werken de kronkelwegen in het binnenland als een magneet. Maar een poging om de Moni Sibillini te bereiken loopt vast in dichte mist. Ook aan de kust regent het ondertussen dat het giet. Bij Giulianova moet ik toch echt het binnenland in, om via de Gran Sasso de Appenijnen over te steken naar het westen. In een vorig leven heb ik vast eens iets heel goeds gedaan, dat de schrikgodinnen van het weer behaagt. Gestopt voor een motorrijder met pech? Een rondje gegeven na een mooie groepsrit?

Ecco il miracolo! Het wolkendek breekt open, de zon schijnt steeds krachtiger op God’s prachtige creaties: de aardkloot en mijn gehelmde bolletje. De regen heeft het wegdek en de hemel schoongespoeld, laat nu die duizend mijlen maar doorkomen. Op de horizon lokken achter bruine geërodeerde heuvels echte, besneeuwde bergtoppen.

Onderweg langs de Corno Grande, de hoogste bergtop van Italië, rij ik op de S80 door Parco Nazionale Gran Sasso d’Italia langs met sneeuwbedekte bermen en zijwegen. De thermometer in de display geeft één graad Celcius aan, mistflarden en ijzelregens striemen over het wegdek en de eenzame motorrijder daarop. Zo kennen we de wereld weer, deze dag kan niet meer stuk.

Aardbevingen

Niet altijd zijn de godinnen genadig. Nog in 2009 beefden de bergen en de mensen daarop, toen zware aardbevingen de stad L’Aquila troffen. Nog steeds is de schade niet weggewerkt. In het centro storico, de historische binnenstad, bepalen schuttingen, hekken en steigers het beeld. Hoge kranen draaien in een meccanoballet, als machtige feniksvogels die L’Aquila (“de adelaar”) uit de as moeten laten verrijzen.

De gebouwen rond het centrale Piazza del Duomo zijn aan het zicht onttrokken door witte steigerdoeken. Een bizar beeld dringt zich aan mij op: alsof kunstenaar Christo L’Aquila als een van zijn kunstprojecten in doeken heeft gewikkeld en daar straks een sliert Promotorlezers op hun motoren langsscheurt.

Je ziet in gedachten de motoren al door de bochten rossen op de SS17. De weg is omzoomd met bomen voor schaduw op het wegdek, om tijdens de rally het hoofd koel te houden. Daarachter liggen heuvels met bossen en landbouwterrassen, daarachter weer witte bergtoppen. La vita è bella en Italia. Het wegnummer verandert van SS17 in SS4, maar het wordt er onderweg niet minder mooi om. Wat ligt er toch een enorme stoot prachtige motorwegen in dit gezegende land. Hoeveel duizenden mijlen kun je hier in extasis Ducatis rijden? De Mille Miglia tipt een groot aantal hoogtepunten aan. Zo golft de Via Salaria verder door betoverende natuur en oorspronkelijke, rafelige bergdorpen met namen als Madonna della Strada. Onze Lieve Vrouwe van de Straatweg! Die zegent natuurlijk graag passerende rallyrijders.

Beroemde bocht

Een bord waarschuwt voor een scherpe bocht, beroemd-berucht uit de Mille Miglia. De kombocht op pilaren zwiert met 180 graden dalwaarts. Dalwaarts? Daarnet bij Sella di Corno zat ik nog op zo’n duizend meter hoogte! Ook een kloof ontbreekt hier niet in het parcours. De Gole del Velino is een waardevolle opvolger van Gola di Furlo aan de oostkant van de Apennijnen, al ontbreekt hier het profiel van Mussolini.

Daarvoor is de kombocht opgedragen naar Piero Taruffi de ingenieur-coureur die in 1957 de Mille Miglia won met een Scuderia Ferrari. De toen 51-jarige ‘Zilvervos’ reed de afstand van 992.332 mijlen (1597,004 kilometer) in 10 uur, 27 minuten en 47 seconden – wat neerkomt op een gemiddelde snelheid van 152,632 kilometer per uur. Dat doe ik hem zelfs op een Ducati niet na. De winnaar van de Mille Miglia in 1955 was trouwens nog sneller: Stirling Moss reed de rally in een Mercedes-Benz met een gemiddelde snelheid van 160 kilometer per uur.

Onder de Taruffibocht staan de kleurige gevels van Antrodoce in de zon, de bewoners ervan zitten eerste rij als de Mille Miglia voorbijstuift. Verderop kleeft weer zo’n Italiaans adelaars- of gierennest aan de rotswand. Het oogt verlaten maar er wappert wel wasgoed aan de lijn. Mooie details, waar je als rallyrijder maar beter geen oog voor kunt hebben.

De eeuwige stad

Rome lokt. Normaal gesproken heb je op de motor in een stad niets te zoeken. Maar Rome is anders. Om te beginnen heb je, als je het Romeinse verkeer hebt overleefd, de stedelijke equivalent van de Paris-Dakar gewonnen. En bovendien is Rome zo mooi, dat we er makkelijk een aparte duizendmijlenroute doorheen zouden kunnen uitzetten langs allerlei bezienswaardigheden. De Eeuwige Stad is natuurlijk een toeristenmagneet. Maar ook buiten de toppers Piazza Navona, Campo de Fiori, Spaanse Trappen, Pantheon en Colosseum is Rome een groot openluchtmuseum, waar de Ducati maar een klein deel van de sluier laat opwaaien.

De oude Romeinen hadden er al een racecircuit. Hoe oud het Circus Maximus precies is, kan niemand met zekerheid zeggen. Wat er nog van het stadion over is, lag diep onder de Romeinse bodem. De originele Romeinse piste zou maar liefst vijf meter lager hebben gelegen dan de baan die je nu kunt zien, als je even de moeite zou nemen om uit het zadel te klimmen en het sinds kort voor publiek opengestelde gedeelte van de fameuze racebaan der oudheid te bezichtigen. Maar welke Miglia Millarijder neemt daarvoor de tijd? Rome ligt halverwege de rally, dus na een ererondje bij de paus van het Vaticaan richten de rallyrijders hun voertuigen weer naar Brescia in het noorden.

Na het kratermeer Lago di Bolsena pikt de Ducati het Mille Migliaspoor op over de SR2. Weer een historische weg. De klassieke Romeinse wegen die het Romeinse Rijk ontsloten en verbonden waren in de regel kaarsrecht en vlak als een plank. De SR2, nakomeling van de Via Cassia en de latere Via Francigena, vormt een zeer gelukkige uitzondering op die saaie regel. De weg lijkt de contouren van de mooiste heuvels onderweg te volgen en welft en buigt dat het een lieve lust is.

De Monte Amiata

En dan liggen er nog verleidelijke aftakkingen naast, zoals naar Pitigliano, een van de mooiste burchten van Italië bovenop een tufsteenberg, het Middeleeuwse Manhattan van San Gimignano en Etruskenmetropool Volterra, pauzenpauzeplaats Radicofani met kloeke vestingtoren en ertegenover, aan de andere kant van de SR2, een formidabele vesting van de natuur zelf: het berggebied van Monte Amiata met z’n spaghettiwirwar van bergweggetjes. Maar de motorrijder die de sirenenzang van al die zijwegen weet te weerstaan komt ook op de Via Cassia zelf niets te kort.

Eerbiedwaardige steden bieden de rijders onderweg een passend onthaal. De binnenstad van Sienna is weer een hoogtepunt, dat het waard is om de motor even voor op de zijstandaard te laten zakken. Mooiste moment van de dag is hier de zonsondergang, als de straatlantaarns aangaan, de hemel donker kleurt maar de stenen van de pleinen en gebouwen nog de gloed van de zon uitstralen. Iedereen komt voor het plein Piazza del Campo, een van de mooiste pleinen ter wereld, een halfronde boogvorm afgesloten door een rij herenhuizen aan de ene kant en de campanile aan de andere kant. Twee maal per jaar is het er nog drukker dan gewoonlijk, als de Palio-race plaatsvindt. Weliswaar niet met motoren, maar met paarden, maar daarom niet minder spectaculair.

Meer dan de helft van de Duizend Mijlen ligt al achter me. Maar de rallyroute blijft verrassen. De SR222 slingert noordwaarts door de beroemde wijnbergen van Chianti. En daar doemen de contouren van Firenze al op. Florence is het Amsterdam van Italië. Rijke kooplieden lieten er prachtige gebouwen neerzetten en trommelden de Rembrandts van hun tijd op om de boel te verfraaien. Michelangelo, Leonardo da Vinci, Botticcelli, om maar een paar topspelers te noemen, grepen terug op klassieke Griekse en Romeinse voorbeelden en daarmee was de Renaissance in Florence geboren.

De Futa en de Raticosa

‘Al ziet men kerk en toren staan, dan is de reis nog niet gedaan.’ Boven Florence krijg je nog een pittig stuk Mille Miglia voor je kiezen op de SS65. De passen Futa en Raticosa halen de duizend meter hoogte niet, maar vereisen zelfs zonder wedstrijdelement en hijgers-in-de-nek nog geconcentreerde aandacht. Elke bocht is anders aangelegd, van een vloeiend ideaal lijnenspel is hier beslist geen sprake. Geen wonder dus, dat dit parcours door testrijders van Ducati graag wordt gebruikt als onofficiële testbaan. Mijn Multistrada valt door de bochten alsof hij er eerder doorheen is gestoven. Het paard ruikt de stal, Bologna is vlakbij.En ten zuiden van La Città della Moto Rossa ligt nóg een klassieke raceroute. De bergrit Vergato-Cereglio is voor motoren tot bouwjaar 1968 gedacht en wordt jaarlijks georganiseerd door de Bolognese motorclub Ruggeri. De verleiding van die groen-omzoomde kronkelweggetjes op de kaart wordt me te sterk. En zo plak ik gretig nog een paar zevenmijlsomwegen aan de route, voordat ik bij het Gardameer afscheid moet nemen van een respectabele klassieke motorroute. Volgend jaar een editie Milione Miglia?

Aprilia Shiver 900 Test 2017

0

De Aprilia Shiver werd tien jaar geleden geïntroduceerd als een sportieve naked met een cilinderinhoud van 750 cc. Het karakter was energiek en de prijs competitief. Mooi eigenschappen maar de V-twin bereikte nooit de sterrenstatus als de Triumph Street Triple of – nog vervelender – de Ducati Monster.

Roland Brown

Op z’n tiende verjaardag mag de Shiver wat groeien, van 750 naar bijna 900cc, met een grotere 896 cc V-twin. Die extra cc’s zorgen voor een flinke brok extra koppel in het middengebied. Het maximum koppel ligt nu bij 90 Nm, waar dat voorheen 81 was. Plus, het komt er 500 tpm eerder uit, bij zo’n 6.500 tpm. De nieuwe Aprilia heeft ondanks de vergrote longinhoud (door een langere slag) geen extra pk’s, waardoor je nog altijd op pad gaat met 95 pk. De reden is simpel en doortastend: de Shiver kan eenvoudig omgezet worden naasr een 47 pk-versie, waarmee de motor voldoet aan het A2-rijbewijs. Boven de 95 pk mag er hoe dan ook geen pk-castratie plaatsvinden. En, hoe kan het anders, de 2027 Shiver heeft ook de Euro4 eisen doorstaan.

Lenen van Tuono 1100

Op het terrein van de elektronica zijn nog veel meer veranderingen te vinden. En was dat al niet de specialiteit van de ‘oude’ Shiver? De originele 750 was ooit de pionier op het gebied van ride-by-wire en de verschillende rijmodi. Het nieuwe model gaat nog een stapje verder met onder meer een driewegs verstelbare traction control en een TFT-display, geleend van de Tuono 1100. En daar komt de optie bij dat je verbonden kunt worden met Aprilia’s multimedia-platform.

Het stalen en aluminium buizenframe is ongewijzigd, maar het rijwielgedeelte kreeg wel een aanpassing. Een nieuwe Kayaba 41 mm voorvork is op veervoorspanning en uitgaande demping te verstellen, en is lichter en dunner dan de niet-instelbare 43 mm vork van de oude. De achterschokbreker, van hetzelfde merk, is niet gewijzigd en dus nog steeds verstelbaar, op veervoorspanning en uitgaande demping. Nieuwe driespaaks velgen zijn gelijk aan die van de RSV4 en wegen wat minder, waardoor de 900 uiteindelijk iets lichter is dan de 750. Aprilia geeft 218 kilo aan, inclusief het gewicht van een voor 90% gevulde tank.

Ook het ontwerp is licht gewijzigd. De luchtinlaten aan de voorzijde hebben een ander design, de uitlaatdempers hebben en andere vorm en het stalen buizenframe is rood gespoten. Ik vraag me af waar ze dat idee vandaan hebben gehaald.

Zeer flexibel

Als ik opstap, ziet (los van het nieuwe, blitse display) en voelt de nieuwe Shiver niet eens zoveel anders als de oude. Het zadel is breed, zo’n tien millimeter langer en met een zithoogte van 810 mm staan de meeste motorrijders wel met hun beide voeten aan de grond. De 900 kreeg wel een andere koppeling, waardoor je het hendel wat lichter kunt bedienen. Tijdens de introductierit door de bergen van de Dolomieten in het noorden van Italië blijkt hij ook nog eens foutloos te werken.

De boterzachte gasreactie van de Shiver geeft je extra controle. Het maakt niet uit welke rijmodi je selecteert. Die instellingen schakel je overigens gemakkelijk door een druk op de startknop. Sport is uiteraard het meest pittige, gevolgd door een licht aangepaste Touring. Het meest soepel is Rain, waarbij ook het vermogen wordt beperkt. De Aprilia blijft zich in elke mode zeer flexibel opstellen, waardoor ik al snel de voorkeur heb voor de Sport-stand. Ondanks dat de wegen nat zijn door een recente regenbui levert de meest sportieve mode geen verrassingen op.

Zoals verwacht rijdt de 900 niet anders dan de 750 gaf. Wel is de Shiver wat sterker in het middengebied en reageert ie iets beter op gas geven vanuit lage toeren. Een echt eindschot is nauwelijks voelbaar. Op de bochtige bergwegen zorgt dit flexibele karakter er wel voor dat de Aprilia gemakkelijk te rijden is, en ook snel. Er is continu voldoende trekkracht aanwezig, dat wordt bijgestaan door een zware brom uit de uitlaat die onder het zadel doorloopt.

De Shiver accelereert gretig, op het rechte stukken speert ie soepel naar z’n topsnelheid. En word je geconfronteerd met het karakter van een naked: de hoekige koplamp levert vanaf zo’n 110 km/u nauwelijks meer windbescherming. Overigens was de hoogste snelheid die ik wist te bereiken 195 km/u. Dat gretige accelereren vertaalt zich ook in het schakelgedrag: schakel je te laat, lichten er in het display verschillende waarschuwingslichten op om aan te geven dat ik tegen het toerenplafond beuk.

Als er een nadeel aan de Shiver kleeft, dan is het wel Aprilia’s besluit om het maximale vermogen op 95 pk te houden, waardoor de Italiaan niet de kracht levert die je hoopt te krijgen van een 900cc V-twin. Het is zeker geen langzame machine, maar de vermogensopbouw kan wat flauw overkomen. Qua gevoel leunt de Shiver eerder dichter tegen de 74 pk sterke en luchtgekoelde Monster 797 dan de vloeistofgekoelde Monster 821, met z’n 112 pk. En eigenlijk zou deze Ducati normaliter de concurrent zijn waarmee de Shiver zich moet meten.

Vrij standaard

Maar de elektronica van de Shiver is wel veel moderner. Samen met de eigenlijk overbodige rijmodi heeft deze Aprilia ook traction control met drie niveaus. Die is gemakkelijk te verstellen via een Tuono-achtige knop op het linkergedeelte van het stuur. Het is een simpel systeem dat geactiveerd wordt door het verschil tussen voor- en achterwiel te meten, waardoor je het ook uit moet schakelen om een wheelie te kunnen trekken. Het systeem kent zijn waarde, al geeft het minder vertrouwen als een IMU (Internal Measuring Unit, dat gebruikt hellingshoeksensoren, red.). Maar dat zal je gelet op de prijs niet verbazen.

Het nieuwe rijwielgedeelte is capabel genoeg, maar vrij standaard en voelt ook niet veel lichter dan andere middenklasse nakeds. Tijdens deze zeer bochtenrijke introductie rijdt de Shiver prima, met een redelijk licht en precies stuurkarakter. Daarnaast geeft de fiets via de vering (met een redelijke sportieve veerweg van 120 mm aan de voorzijde en 130mm achter) een stabiel gevoel door aan de rijder. Als ik het tempo verder opschroef wordt de standaard setting van de Shiver wat vaag. De Aprilia stuurt niet zo scherp als ik hoopte en minder dan ik verwachtte van een naakte Italiaanse V-twin. Door een paar klikjes extra uitgaande demping toe te voegen, werd de voorkant een stuk beter. Achter moest de veervoorspanning eraan geloven, evenals de uitgaande demping. De achterkant komt daardoor wat hoger te staan en dat levert voor mijn gewicht van 85 kilo meteen een scherper stuurkarakter op. De Shiver wordt daardoor een leukere machine om mee te sturen als het tempo wat hoger komt te liggen.

Qua remmen doet de Aprilia nauwelijks iets fout. De combinatie van een 320mm schijven en radiaal opgehangen vierzuiger remklauwen hebben wel een flinke knijp in het hendel nodig, maar de motor remt dan ook hard af. Ook beschikt de Shiver over veel grondspeling en laten de banden (Dunlop Qualifier) zich van hun beste kant zien op de natte bergwegen.

Grootste probleem

De Shiver blijkt ook redelijk praktisch. Het brede zadel is comfortabel, al verwacht je er wellicht meer van gelet op de afmeting ervan. Een passagier heeft wat minder ruimte, maar heeft wel weer robuuste handgrepen om zich aan vast te houden. Om het luxe niveau wat extra op te vijzelen is er een hele trits aan accessoires beschikbaar, waaronder zachte koffers, plastic handkappen en een middenbok. Het relatief rustige tempo tijdens de introductie zorgt ervoor dat het verbruik op een gezonde 1 op 19 uitkomt. Dat is ook wat eigenaren van een 750 veelal beweren. En dus kunnen we met de ongewijzigde tank van vijftien liter uitgaan van een actieradius die rond de 240 kilometer zal liggen.

Gewoon acceptabele getallen dus. En dat geldt ook voor de rechtuit-snelheid en de prestaties van het rijwielgedeelte. Maar nergens steekt de Shiver ergens met kop en schouders bovenuit. En misschien is dat het grootste probleem van de Shiver. De Italiaan doet alles gewoon prima en laat weinig steken vallen, maar mist daardoor een beetje charisma. En was dat niet het verhaal van de Shiver 750? Daardoor heeft de Aprilia moeite om op te vallen in de overvolle middenklasse waar sommige rivalen veel sterker zijn of met een spannender karakter aan komen zetten.

Dit vindt Roland

Een punt dat de Shiver wellicht kan helpen, is de prijs waarvoor ie in de markt wordt gezet. De 900 is een stuk goedkoper dan een Monster 821 en concurreert daardoor ook met de Monster 797. Dat lijkt van de Aprilia een krachtigere en betere tegenstander te maken, zeker als je je blik beperkt tot Italiaanse motoren. Doe je dat niet, leveren een Kawasaki Z900 en ook een Yamaha MT-09 voor hetzelfde geld betere prestaties.