zaterdag 4 april 2026
Home Blog Pagina 982

Eerste hulp bij pech onderweg

1
eerste hulp motor

Je routes staan in je gps, de hotelletjes zijn gereserveerd en je hebt voldoende mondkapjes in de zijkoffer. Na een paar dagen zonder zorgen tuffen, flikkert je kentekenplaat op straat, hangt de richtaanwijzer op een oor na een valpartij of knapt de gaskabel. Nu was MacGyver ooit je held. Dus heb je van alles meegenomen, want motorrijders roemen zelfredzaamheid. Met deze spullen red je jezelf uit de brand.

Rolletjes tape

Isolatietape gebruik je voor de bekabeling. Duct-tape werkt fantastisch als je plastic onderdelen aan je motor provisorisch wilt repareren.

Rolletjes tape

Koord

Snelbinder geknapt? Geen paniek: met een koord fiks je de boel weer. Ook ideaal als waslijntje in hotelkamer of tent.

Koord

Benzineslang

Te gebruiken als hevelslang als je maat zonder benzine staat. Voorkomt heen en weer rijden met een jerrycan. Kan in nood natuurlijk ook ter vervanging van een gescheurde slang dienen.

Benzineslang

Schuurlinnen

Een slecht massapunt opschuren met behulp van een stukje schuurlinnen. Erg simpel en altijd goed.

Schuurlinnen

Steekzekeringen groot en klein

Een assortiment veel voorkomende zekeringen die in motoren worden gebruikt. De grote zekeringen gebruik je voor de extra aanwezige losse zekeringhouder.

Steekzekeringen groot en klein

Breekmesjes in houder

Je kunt niet zonder. Om tape te snijden, om de isolatie van een draad te strippen of om een appeltje te schillen.

Breekmesjes in houder

Kabeloogjes

Hoe leg je uit dat je kabeloog kapot is in Frankrijk? De ogen aan de accu worden na verloop van tijd bros. Zul je net zien dat-ie breekt in de Gorges du Verdon. Leg dat maar eens uit in je beste Frans. Vergeet niet dat overal in je motor kabeloogjes worden gebruikt.

Kabeloogjes

Kentekenplaatboutjes

Het gebeurt nog wel eens dat je kentekenplaat lostrilt. Neem daarom twee gele kunststoffen bouten (voorkomt scheuren van de plaat) mee, inclusief vulringen.

Kentekenplaatboutjes

SKF-vet

Grote tubes zijn onhandig en je hebt onderweg aan weinig meer dan genoeg. SKF-vet gebruik je om een kabel te smeren of een boutje dat wat zwaar draait.

SKF-vet

Draadeinden, sluitringen, moeren en borgmoeren

Zit je altijd om verlegen. Tijdens het sleutelen in de vrije natuur rollen ze alle kanten op als je niet oplet. En je vindt ze nooit meer terug in het gras.

Draadeinden

Ventielsleutel en ventieldoppen

Een handig klein gereedschap voor demontage van binnenventielen zodat je ze kunt schoonmaken. De ventieldoppen gebruik je natuurlijk om zoekgeraakte te vervangen.

Splitpennen en sleutelring

Splitpennen dien je na demontage te vervangen. Ze zorgen ervoor dat belangrijke moeren geborgd blijven. Een sleutelring is geschikt als sleutelhanger, maar ook te gebruiken als de runner van een rits is afgebroken. Je zult zonder zitten.

Splitpennen en sleutelring

Vetopnemende doek

Na het sleutelen wil je ook je handen kunnen afvegen. Daar is de vetopnemende doek voor. Gebruik je ook om alle spullen in te bewaren onder het zadel. En als aflegplek voor losse onderdelen.

Vetopnemende doek

EN VERDER

– Schroefton. Om gebroken kabels te repareren.

– Draad met schakelaar. Om buitenom de motor een verbinding te leggen.

– Draad-aftakblok en kroonsteen. Als kabelverbinder te gebruiken of bij noodreparaties.

– Kabelbinders. Echt een multi-inzetbare noodoplossing. Je kunt niet zonder.

– Kabelschoenen, schuifjes en vlakstekers. Zekerheid: ze breken ooit. Maar wanneer en waar?

– Metalen kabelverbinder. Handig om kabels (kabel van je koffersluitsysteem, choke) te koppelen.

Zelf maken: startkabelset

Een startkabelset raak je niet kwijt op je motor. Veel te groot. Toch is het handig er een bij je te hebben. Daarom maken we een ministartkabelset, die je overal kwijt kunt, zelfs in je binnenzak. Koop een flexibele zwarte en rode stroomdraad van pakweg een meter en knel op de uiteinden kabelogen vast. Koop vier krokodillenbekken, vier bouten, ringen en zelfborgende moeren. Zo heb je een unieke startkabelset bij je om motoren aan de praat te krijgen. Niet geschikt voor auto’s. De set schroef je onderweg in elkaar met de meegenomen steek- en inbussleutel.

Boudewijn Geels: ‘Motoren? Geen verstand van’

0
Column Boudewijn Geels

Ik heb altijd een beetje te doen met motorherbergiers. Hoezeer deze doorgaans sympathieke ondernemers zelf ook motorfanaat zijn, het moet een hele opgave zijn om elke dag weer enthousiast met nieuw gearriveerde klanten over gemotoriseerde tweewielers te ouwehoeren. Ad, de nog redelijk nieuwe eigenaar – sinds 1 januari 2019 – van motorhotel Gus in Hoxel-Morbach, in de Eifel, heeft dat als volgt opgelost, vertelt hij ons ’s avonds op zijn terras. ‘Ik zeg meteen: “Ik heb er geen verstand van”.’ Dat is zo’n beetje hetzelfde als de paus die zegt dat-ie niet katholiek is, denk ik verbaasd.

Ad, een gemoedelijke Brabander van 55, kenden mijn maat E. en ik nog niet. Wij kenden onze landgenoten Gerben en Suzanne, afgekort tot Gus – met de u van und. Rond 2010 waren we voor het eerst bij ze. Toen waren ze nog niet zo lang in business. Althans, er zat nog een hoop werk aan hun pand. Ontzettend stoer vond ik dat: op goed geluk een grote berg gestapelde stenen kopen op een afgelegen plek in Duitsland en dan maar hopen dat motorrijdend Nederland je weet te vinden. Rijden deden ze zelf ook. Suzanne zelfs als een raket. Toen wij na een intensieve nacht aan de bar ’s ochtends rond elf uur wegreden, moest ze toevallig in het centrum van het dorp zijn. Suzanne haalde ons met een bloedgang in en verdween in een wolk van metaalschilfers van haar stepjes – de weg was nogal bochtig – binnen enkele seconden uit zicht. E. en ik hebben het er tien jaar later nog over. ‘Suus durft inderdaad te rijden’, weet Ad, ‘maar ze rijdt goed én netjes.’

Boudewijn Geels: ‘Mooi, maar sloom’

Ik wil weten wat Ad zelf heeft. ‘Een BMW GS. Maar wij rijden eigenlijk te weinig. Tsja, in het seizoen kunnen we niet, want dan zijn we hier druk. En buiten het seizoen is het weer vaak niet aantrekkelijk. Ik heb zelf ook pas zes jaar mijn rijbewijs. Astrid heeft het hare afgelopen winter pas gehaald.’ En dan wel steeds dat motorvolk over de vloer dat het over niks anders heeft? Ad: ‘Ja. En ik vind dat hartstikke leuk. Alleen kan ik zelf niet meepraten.’

Van oorsprong is hij tuinder van beroep. ‘Komkommers en tomaten. Daarna had ik een Bakker Bart, als franchiser. Ik heb ook nog in loondienst in de bouw gewerkt. Maar doen wat iemand anders zegt valt niet mee als je altijd zelfstandige bent geweest. Ik miste ook de spanning van het ondernemerschap.’ Beneveld door zes biertjes vergeet ik dat ik – in de horeca een forse handicap – totaal niet dienstbaar ben. Zo’n motorherberg lijkt mij ook wel wat! Maar hoe gaat zoiets? Ad: ‘Twee jaar geleden zaten we bij een ander motorhotel, Am Vulkanberg, hier vijftig kilometer verderop, en hoorden we dat Gus te koop was. We waren hier al eens geweest en toen had Gerben dat al aangekondigd. De uitdaging was eraf, zei hij. Dus gingen Astrid en ik onderzoeken of het kon. En nu zitten we hier.’ Hij en zijn partner Astrid weten het te rooien. ‘Maar als we opnieuw dichtmoeten door corona wordt het wel pittig’, zegt Ad. Mijn vriend E., zoon van een ondernemer, knikt ernstig. ‘Daar moet je wel tegenkunnen, die onzekerheid.’ In het toilet kijk ik in de spiegel. Ik zie de wallen onder mijn ogen. Terwijl ik voor tachtig procent veilig in loondienst ben. Ik schud mismoedig het hoofd en denk: “Geels, jij zou als ondernemer geen oog dichtdoen.’

Terugblik: MotorNL Primavera-tocht 2020

0
Primavera 2020

Toen duidelijk werd dat de MotorNL Primavera-tocht eind april niet door mocht gaan, wisten wij één ding zeker: we gaan ’m rijden in 2020. Al is het in de winter… Zover kwam het gelukkig niet, want voor zaterdag 11 juli kregen we wel groen licht. De rit bracht de vele deelnemers vanaf KTM Sportmotorcycle Nederland in Malden via Jopa Racing Products in Enter – voor een uitgebreide lunchstop – naar eindbestemming Eetpark Beilen. Wie een beetje geografische kennis heeft, weet dat je dan door misschien wel de mooiste regio’s van Nederland komt. Samen met het fantastische motorweer en de grote opkomst, zorgde dit voor een zeer geslaagde Primavera 2020, aldus Jan Kruithof van MotorNL: ‘We hadden er, mede door het verplichte uitstel, op voorhand al ongelooflijk veel zin in. Toen duidelijk werd dat het prachtig weer zou worden, konden we echt niet meer wachten om eindelijk weer eens met z’n allen op pad te gaan. De spreiding van de deelnemers in twee verschillende groepen, pakten bovendien erg goed uit. Daarnaast was de stemming onderling opperbest. We kijken dan ook terug op een zeer geslaagde “lenterit”. Op naar de Primavera 2021!’

Nog meer tochten!

Enthousiast geworden? De KouwePotenTocht – een andere MotorNL-klassieker – staat gepland voor zaterdag 31 oktober. Wie niet zo lang wil wachten, is van harte welkom op 5 en 6 september tijdens de Schemerrit van Klundert naar Zundert, één van de twee TankTasTochten die nog op de planning staat. De andere wordt op 17 en 18 oktober verreden, de Utrechtse Heuvelrug. Meer informatie over deze tochten volgt snel via www.motor.nl of schrijf je in voor onze nieuwsbrief en blijf als eerste op de hoogte van onze evenementen. Inschrijven kan hier.

Met speciale dank aan KTM Sportmotorcycle Nederland en Jopa Racing Products

1.000 km beurt voor de Kawasaki Z650 van MBU-winnaar Michel

0

Wil je weten wat er precies met een 1.000 kilometer-beurt gedaan wordt? En waarom dat echt wel nodig is? Check dan deze video die wij maakten bij Premium Motors in Apeldoorn.

Video: 1.000 km beurt voor de Kawasaki Z650 van MBU-winnaar Michel

0
1000 km beurt

‘Zodra het weer mag, ga ik meteen mijn nieuwe motor aan mijn familie showen.’ Met deze belofte vertrok Michel van der Gouw eind mei, nadat hij op het MotorNL-hoofdkwartier in Hilversum de gloednieuwe Kawasaki Z650 in ontvangst nam. Waarschijnlijk ten overvloede melden we hierbij nog even dat hij die won tijdens onze speciale winactie op MOTORbeurs Utrecht.

MOTORbeurs-winnaar Michel ontvangt Kawasaki Z650

Belofte maakt schuld, dus nadat Marc Rutte liet weten dat familie weer bezocht mocht worden, sprong Michel op zijn Z650 en reed zich een slag in de rondte om iedereen z’n nieuwste aanwinst te laten zien. Dan zit je zo op 1.000 kilometer en dus was het tijd voor de eerste beurt.

Wij maakten van de gelegenheid gebruikt om Michel uit te horen over de Kawasaki Z650, waarvan hij inmiddels een heel aardig beeld heeft: ‘De Z650 rijdt heel lekker, je kunt er echt goed mee de bocht door, al is het daarbij wel zaak om de banden op temperatuur te hebben. Verder rijdt de motor heel prettig. Het schakelen gaat bijvoorbeeld zeer soepel en daarnaast bevalt het tft-beeldscherm mij zeer. Zelfs in de zon is het prima afleesbaar. De remmen zijn wat mij betreft ook een pluspunt. Heel krachtig en goed te doseren! En dan het verbruik, dat valt echt op. Ik zit op 1 op 24 en dat is wel heel erg fijn.’

Het hoe en wat van de 1.000-beurt

Wil je weten wat er precies met een 1.000 kilometer-beurt gedaan wordt? En waarom dat echt wel nodig is? Bekijk dan hieronder de speciale film die wij maakten bij Premium Motors in Apeldoorn.

Zondagmorgenfilm: Yamaha-helden vertellen

0

Yamaha bestaat 65 jaar en dat moet gevierd worden. Onder andere met deze gave reeks aan video’s waar helden uit het heden en verleden vertellen over de mooiste Yamaha-herinnering.

https://www.youtube.com/watch?v=jl0Ib3ixIBs

Harley-Davidson Sportster XL1000 1975 – De Transformatie

0
Harley Davidson Sporster XL1000 1975

Erik van der Riet repareert schoenen, maakt sleutels… en bouwt Harleys. De eigenaar van een schoenmakerij en sleutelcentrale besloot dat zijn zelf te bouwen droommotor daar dan ook wel iets van mocht uitstralen. Maar deze compleet herboren Sportster zou je tekort doen als je enkel naar het leer en aluminium kijkt. De relaxte Harley-Davidson onderging een totale metamorfose tot superstrakke sportieve fiets. Erik: ‘Toen ik het project begon, zat er van alles scheef: niet goed. Nu is alles recht en strak en spoort hij zo goed dat je tijdens het rijden gerust je handen van het stuur kunt halen.’

Duizenden uren worden geïnvesteerd om standaard productiemotoren om te vormen tot unieke technische kunstwerken. ‘De transformatie’ laat ze aan je zien. In deze aflevering de Harley Sportster 1200 van Erik van der Riet. Die brengt zijn werk als sleutelmaker en schoenenreparateur, werkend met leer en metaal, met liefde over naar zijn Harley-Davidson Sportster.

Erik van der Riet begint te vertellen als we de deuren van zijn kleine maar zeer efficiënt ingericht werkplaats en motorgarage openen. ‘Ik kocht mijn Harley toen hij nog een project van iemand anders was. De vorige eigenaar had de Sportster omgebouwd tot Bobber en zo heb ik er ook nog een tijd op gereden. Het is eigenlijk een Sportster uit 1975, maar het motorblok is nieuwer, een EVO-blok van een Sportster 1200 EVO uit 2001. Toen ik hem kocht, had ik al een Ducati 999 voor het circuit. De Harley werd de relaxmotor. Op een bepaald moment reed ik al een paar jaar op de Bobber Harley en dan zijn er dingen die beginnen op te vallen en te storen. Zo waren sommige zaken gewoon niet goed gedaan, er zat heel veel scheef. Het klopte gewoon niet! Dat zette me aan tot het begin van wat uiteindelijk een totale verbouwing en make-over zou worden.’

Duc de deur uit

‘De Duc ging eruit, het Bobber-concept ook en de Harley dus mijn garage in’, vertelt Erik. ‘Over een periode van drie jaar ben ik iedere vrije maandag – vijf dagen per week sta ik in mijn eigen schoenmakerij en sleutelcentrale in het centrum van Nieuw-Vennep – zo’n vijf uur per dag aan het bouwen geweest. Eerst hield ik nog vast aan het concept relaxmotor, maar toen ik de nieuwe achterwielophanging eenmaal goed kon bekijken en bij de – ook lage – voorkant aankwam, werd me duidelijk dat deze motor alleen perfect gebalanceerde looks zou krijgen met clip-ons. Een idee dat verder versterkt werd door de montage van een tank van Omega Racer.’

Harley Davidson Sporster XL1000 1975
Harley Davidson Sporster XL1000 1975

‘Na een boel geëxperimenteer besloot ik dus voor een enkelvoudige achterwielophanging te gaan. Je kunt wel zeggen dat dit een trialmotor is, maar dan van trial and error… Soms bedenk ik iets in mijn hoofd, maar blijkt het toch niet te kloppen als het er eenmaal is. Dan moet je het weer aanpassen. Of eromheen werken. Je moet er eigenlijk eerst drie bouwen voor je het honderd procent in de vingers hebt. Wat dat betreft is het af en toe beter om je perfectionisme soms even te laten voor wat het is. Wat daarbij wel mooi is , is dat de puzzel op een bepaald moment in elkaar begint te vallen. Omdat ik toch ook graag een beetje doorrij, kwam er ondertussen weer een Duc bij, een Diavel deze keer.’

Honda CBX1000 (1979) – De Transformatie

‘De tank komt van Omega Racer. Ik heb er zelf de leren delen op gemaakt, dus niet alleen die op de tank maar ook de handvatten (snelgas), de riempjes om de accubak en de tas voorop die ik helemaal op maat heb gemaakt voor het schijfremslot. Ook met aluminium ben ik aan de slag geweest, dus die accubak is ook home made. Dat geldt ook voor de behuizing van de koplamp. Ik werk graag met aluminium: het laat zich heerlijk plooien naar alle vormen die ik wil. Zo krijg je een motor die ook uitstraalt wat ik in mijn werkleven doe. Als ik hem voor mijn zaak zet, trekt hij flink de aandacht (en zo kwam ook de C&R-redactie op het spoor van Eriks Harley red.) en hij straalt uit wat ik wil leveren: kwaliteit in metaal en leer.’

Harley Davidson Sporster XL1000 1975

Pindatank met een lange geschiedenis

De Harley Sportster met zijn ‘peanut tank’ is al sinds 1957 een evergreen in Harleys gamma en vertegenwoordigt, zoals de naam al aangeeft, de lichtere en sportievere Harley. Ze heten allemaal XL, dat is geen maat maar het begin van alle typenamen. Over evergreens gesproken: de XL Ironhead begon zijn carrière eind jaren vijftig en hield het vol tot halverwege de jaren tachtig. Toen verscheen, in 1986, de EVO(lution). De onze combineert zo’n latere 1200cc-motor (hij was er ook als 883 cc en 1100 cc) met het frame van zo’n eerdere versie. Dat frame komt uit 1975 en kort daarvoor was de schakeling van de rechter- naar de linkerkant verplaatst. Het motorblok van dit project stamt uit 2000. Een jaar met relatief bescheiden wijzigingen. Dat was kort daarna wel anders toen in 2003 het hele Sportster-frame op de shop ging.

Stoeien met het zadel

‘Het frame is ook een eigen ontwerp’, gaat Erik verder. ‘Het zetten van de lassen is niet mijn specialiteit, maar wel die van mijn buurman Walter Treffers (niet alleen een enthousiaste lasser, maar ook een begeesterd VMAX-rijder red.) Met het zadel ben ik flink aan het stoeien geweest. Eerst was mijn idee om het als een halve boog aan beide kanten op te laten lopen. Toen het klaar was… zag het er niet uit! Opnieuw aan de slag dus. Over de huidige vorm ben ik wel tevreden. Het maken van zo’n frame is bij mij een zaak van de buizen bestellen en het gewoon doen. Desnoods twee keer…’

‘Meteen na de keuze voor een design met clip-ons, heb ik ook voor de integratie van een Öhlins-stuurdemper gekozen, op deze motor wil je echt geen tankslapper. Toen moest ik nog een aantal andere oplossingen verzinnen: de voorvork is van een ongeveer twintig jaar oude Suzuki, de remschakelset van een Aprilia RS V4. Het is altijd zoeken naar wat past en mooi staat. Ondanks de looks en al die exotische onderdelen, is het een Harley en dat betekent in elk geval een ding: hij lekt. In de ‘bobbertijd’ heb ik ooit wat olie op het achterwiel gehad en dat wil ik echt nooit meer meemaken. Vandaar dus die bak. Natuurlijk zelf ontworpen en uit aluminium gemaakt.’

Harley-Davidson Sportster

Strak door de bocht

‘De uitlaat is ook eigenbouw’, vertelt Erik, terwijl hij met zijn handen het contour van de pijp volgt. ‘Ik wilde er iets leuks mee doen, dus ik heb ik voor een lekker extraverte slingerbocht gekozen. Het was nog wel een gedoe om allebei de dempers – met dB-killers – daarbij toch precies even lang te krijgen, maar dat is gelukt. Het is strak en recht, net als alles bij mijn motor nu. Het is dus niet alleen qua looks een totaal contrast met de bobber die hij ooit was. Ook qua geometrie is het nu een concept dat ver van Harley afzit, maar juist heel dicht bij een Ducati 999. Toen ik het project begon, zat er van alles scheef: het was gewoon niet goed. Nu is alles recht en strak en spoort hij zo goed dat je tijdens het rijden gerust je handen van het stuur kunt halen en kaarsrecht vooruit blijft sporen. In tegenstelling tot het origineel is deze Sportster ook daadwerkelijk zo sportief als zijn naam veronderstelt, hij is superstabiel en stuurt extreem kort en strak, met een fenomenale wegligging. En met zo’n 78 pk uit het EVO-blok heb je ook wel genoeg om die sportieve verwachting waar te maken als je wilt. Het laatste detail was de contactsleutel. Dat was zo’n lelijk ding met rubber dat totaal niet bij deze looks past. Dat kan bij mij niet, helemaal van ijzer moet hij zijn. Trail and error hoort erbij, maar uiteindelijk moet alles perfect. Gelukkig weet ik wel hoe ik aan bijzondere sleutels moet komen… Deze sleutel- en schoenmaker blijft altijd bij zijn leest.’

De Transformatie

Harley-Davidson Sportster XL1000 1975
Zo was hij.
Harley-Davidson Sportster
De achterkant krijgt vorm.
Harley-Davidson Sportster
The bare essentials…
Harley-Davidson Sportster
…passen in dit frame.
Harley-Davidson Sportster
‘Spaghettiwerk’ aan de uitlaat.
Harley-Davidson Sportster
Het nieuwe concept wordt uitgerold.
Harley-Davidson Sportster

De Adler-verzameling van Aart ’t Lam

0
Adler motoren

De Adler van zijn vader maakte ruim zestig jaar geleden zoveel indruk op de jonge Aart ’t Lam dat het merk nadien nooit uit zijn hoofd is geweest. Als 18-jarige verboden zijn ouders hem echter om zelfs maar aan een motor te denken. Maar heel veel later, in 2007, komt het er toch van. Z’n eerste eigen Adler. Vervolgens zijn er nog heel wat gevolgd. De teller staat nu op vijftien stuks. Z’n pronkstuk is de MB250 S, een sportversie met twee carburateurs en hoge uitlaten.

Het is rond 1958. Aart ’t Lam is een jaar of tien oud; de leeftijd van de korte broek en de kapotte knieën. Zijn vader besluit dan na een kleine Eysink en NSU voor het zwaardere werk te gaan: een Adler MB250, gekocht bij Leen Post in Naaldwijk. De kleine ’t Lam is diep onder de indruk van het geluid en de snelheid waarmee zijn vader na een groet naar het werk wegsnelt. In z’n herinnering ziet hij pa nog op de Adler rijden. Een leren kapje op, tegen de wind en de kou: ‘Maar op vrije dagen ging m’n moeder ook graag mee. Een kind tussen hen in, lekker toeren.’

Adler motoren

De relatie tussen zijn vader en de Adler duurt een jaar of vier. Pa maakt dan een heftige aanrijding met een herdershond mee. Vader overleeft de klap, de hond niet. ‘Daarna bleef hij angst houden op de motor en is hij in 1963 gestopt.’ De MB250 maakt dan plaats voor een vierwieler, een Renault Dauphine.

Is de bewondering voor de Adler van zijn vader voor zoonlief een reden om meteen op z’n achttiende jaar een rijbewijs te halen en ook zo’n Duitse machine aan te schaffen? Nee, hij wilde het dolgraag, maar de orders van zijn ouders zijn overduidelijk: ‘Daar komt niks van in, te gevaarlijk jongen.’

Hij berust gedwee in het verbod en er komt een lange periode van andere zaken: een gezin en de opbouw van zijn eigen zaak met z’n vrouw Nel. Een bedrijf in koeltechniek, gevestigd in Leerbroek. Ze doen alles wat met koelen en vriezen te maken heeft: ‘Bij de detailhandel, maar ook de horeca en ziekenhuizen.’

De Russische motoren van Jan Wassenaar

Motorrijbewijs

Maar de Adler van z’n vader blijft wel tientallen jaren in z’n gedachten en als hij in 2003 op de motorbeurs van Rosmalen de stand van de Adler Club Nederland bezoekt, meldt hij zich meteen aan als lid. Van een clublid koopt hij drie jaar later ook zijn eerste Adler. ‘Een MB250, een tweecilinder dus. In nette staat en met een origineel Nederlands kenteken.’ Maar ja, hij moet dan nog wel zijn motorrijbewijs halen, als 58-jarige… Als doorgewinterde autorijder gaat hem dat goed af. Maar ’t Lam looft wel de pittige eisen die gesteld worden: ‘Voertuigbeheersing, rem- en bochtentechniek, rijden in uiteenlopende verkeerssituaties. De lessen en het examen zijn een serieuze zaak.’ Hij lacht als hij aan de reactie van zijn bejaarde moeder denkt toen hij z’n rijbewijs liet zien: ‘Ze was… hartstikke kwaad.’

Met de MB250 maakt hij geregeld ontspannende ritjes in de omgeving van Leerbroek. De contacten met de Adler-club bevallen hem prima en zonder dat er sprake is van ‘jachtpartijen’ druppelen er allerlei modellen van het Duitse merk binnen. ‘Via tips, van een weduwe van een clublid of op een motorbeurs, bijvoorbeeld die in Mannheim. Soms één exemplaar, maar ook wel eens een paar tegelijk.’ Geleidelijk groeit zo zijn verzameling naar een indrukwekkende collectie van zo’n vijftien stuks. Alle verkeren in nette tot fraaie staat. ‘Maar ik loop ze na de aankoop wel allemaal na en als iets vervangen moet worden vanwege slijtage dan gebeurt dat.’ Een enkele motor heeft nog zijn oorspronkelijke lak. Als die nog redelijk oogt, laat hij dat zo. Wat roestpikkels en slijtplekken zijn voor hem het fraaie bewijs dat de motor een actief leven heeft gehad.

Klein merk

De collectie van de 71-jarige ’t Lam is indrukwekkend, zeker als je weet dat Adler in Nederland altijd maar een klein merk is geweest. Import van de motoren vond slechts tussen 1951 en 1957 plaats. In totaal zijn er slechts zo’n 1.200 Adlers in ons land verkocht. De hoge prijs was daarvan de oorzaak. De prestaties zeker niet, want de Adler kon zich meten met toonaangevende viertakten als de Horex Regina en de NSU Max. Gezien de geringe verkoopaantallen is het daarom wonderlijk dat vrijwel al zijn motoren een Nederlandse achtergrond hebben. ‘Inclusief de blauwe kentekenplaat en het linnen kentekenbewijs.’ Slechts twee exemplaren komen van buiten Nederland. Een MB250 uit Duitsland en een Adler-scooter uit België. ‘Een Junior met het blokje van een M100. Je ziet ze haast nooit.’ Adler probeerde met de scooter – Roller op z’n Duits – in 1955 om de inzakkende verkoopcijfers op te krikken, maar succes bleef uit. Jammer, want de Junior mag er met zijn steile achterkant en opvallende spaakwielen best zijn. ’t Lam is nu druk bezig met de opknapbeurt van de scooter. ‘Het stralen en spuiten is al achter de rug. Nu nog het opbouwen.’

Uit Frankfurt

Van oorsprong een fietsenfabrikant produceert Adler in 1901 z’n eerste motorfiets. Dat duurt tot slechts 1907. De leiding ziet namelijk meer toekomst in de fietsen en auto’s. Lange tijd later, kort voor de Tweede Wereldoorlog, keert de fabriek uit Frankfurt echter terug naar de ‘oude liefde’ van de motorfietsen met lichte betaalbare typen met een 98cc-Sachs-blokje. Een initiatief dat door de Tweede Wereldoorlog wordt onderbroken. Als na de oorlog het door de geallieerden opgelegde productieverbod voor motoren is opgeheven, verschijnen er vanaf 1949 weer motorfietsen, De eerste is de M100.

In 1952 komt Adler met de M200. Een bijzonder geconstrueerde tweecilinder met een vermogen van 12 pk. Zeer fraai voor die tijd, maar ook stevig geprijsd. Een jaar later volgt de tot 250 cc vergrote M250.

In 1954 presenteert de fabriek de gemoderniseerde MB-reeks, bestaande uit 150-, 200- en 250cc-modellen. De MB250 heeft dan ook een nieuwe voorvork, een soort mix van een schommelarm en een telescoopvork. Ingenieus is ook de constructie van het blok. Het is mogelijk om zowel de deelbare krukas als de versnellingsbak te demonteren zonder dat het blok uit het frame hoeft te worden gehaald. Tegelijk verschijnt ook de MB250 S, de sportversie met hoge uitlaten en 2 pk extra.

In 1956 vervangt Adler bij de MB250 de verouderde plunjervering door een swingarm met telescoopveren. Dat leidt wel tot een naamsverandering: Favorit. Het S-model krijgt de naam Sprinter.

Een jaar later – in 1957 – valt definitief het doek voor het befaamde Duitse motormerk. De ingestorte markt voor motorfietsen is de doodsteek. Pogingen tot samenwerking met TWN en Hercules leiden tot niets. De fabriek wordt opgekocht door Grundig en die besluit de naam Adler nog slechts te gebruiken voor haar kantoormachines.

Damesmodel

Tijd om de uitgestalde motoren te bekijken. Hoewel motoren? Eerst maar eens de bromfiets met de naam Adler Sport op de tank. Die verkeert in adembenemend mooie staat. Opvallend zijn de gestroomlijnde koplamp en de stijlvolle beplating die van het blok naar het achterspatbord loopt. Dit model zie je eigenlijk nooit. ‘Ik weet niet beter dan dat er twee in Nederland bekend zijn.’

Eind jaren dertig bracht Adler de MF-serie uit, in een heren-, dames- en sportuitvoering.  Bescheiden, goedkope motorfietsjes met een 98cc-Sachs-blokje. De drie sieren er z’n verzameling. Alle hebben ze twee versnellingen. Opvallend is de extreem lange zadelbuis en het trapstel. Onder het tankje zit de accu voor de voeding van de verlichting, als de motor niet loopt. Dat was toen een eis in Duitsland.

Adler motoren

Bij het damesmodel is de bediening van de versnelling apart: door middel van een klein hendeltje rechts op het stuur. Mooi is trouwens het logo op de tank: onder de fabrieksnaam de adelaar met gespreide vleugels. Altijd fraai om te zien bij vooroorlogse motorfietsen is de voorvering. Een Girder-vork met dunne, gebogen buizen en een centrale veer. Een tastbaar bewijs van sierlijke eenvoud.

Na de Tweede Wereldoorlog pakt Adler in 1949 de ‘motordraad’ weer op met de M100, uitgerust met een eigen 100cc-blokje. De rode van ’t Lam verkeert nog in originele staat en heeft een bijzondere geschiedenis. Hij behoorde ooit toe aan de Belgische dealer Marcel Albert uit Nessonvaux. De sticker van z’n zaak is nog op het spatbord te lezen. Die Albert heeft trouwens wel z’n sporen op motorsportgebied verdient, want hij was een begenadigd coureur voor het Belgische merk Imperia. Leuke details aan de motorfiets zijn de tankrubbers met het ingelegde logo en de kleine standaardjes aan de uiteinden van de beide voetsteunen. Handig om neer te zetten. ‘Maar in de praktijk niet ideaal, want als de veer wat lam wordt, sleept-ie over straat. Geen wonder dus dat-ie vaak werd gedemonteerd.’ Ook de grotere broers van de M100 – de M125 en M150 – staan er op hun standaard. Bijna zeventig jaar oud inmiddels, maar in onberispelijke staat.

Trumpf Junior

Behalve motorfietsen staat de naam Adler nog voor een ander bekend product. Juist, de schrijfmachines. Er staat een hele rij. Hoog en laag van uitvoering en met wisselende wagenbreedten. Maar Adler is ooit begonnen als fabrikant van rijwielen. In 1886, om precies te zijn. Er staat er uit nostalgisch oogpunt één. Apart is de voorrem. Een rubber blokje dat bij bediening op de bovenkant van de band drukt.

De grootste faam heeft Adler opgebouwd als autofabrikant in de jaren tussen de beide wereldoorlogen. In Nederland zie je deze vierwielers eigenlijk nooit. In z’n verzameling staat ook een Adler-auto. Het is een Trumpf Junior uit 1938, een cabriolet met canvas dak. Met een 995cc-viercilinderblok onder de prachtig scharnierende motorkap en – bijzonder in die tijd – voorwielaandrijving. De auto verkeert in nieuwstaat. Aart ’t Lam: ‘Het is bij het rijden wel oppassen met de bedieningspedalen, want die zitten erg dicht bij elkaar.’ Een leuk detail: de auto heeft moderne richtingaanwijzers, maar de oorspronkelijke uitklappende exemplaren zijn behouden gebleven.

Adler motoren
Adler motoren

Pronkstuk

Het topmodel van Adler is onmiskenbaar de MB250. ’t Lam heeft er enkele van staan. Een zeegroene in flonkerende staat. Even verderop ligt een Steib 200-zijspan in opbouw. Als die klaar is mag de motorfiets ’m trekken. Opvallend is hoe gedrongen de MB250 is met z’n 16-inch wielen. Aan alles zie je trouwens dat de fabriek kwaliteit en betrouwbaarheid hoog in het vaandel had staan. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het fraai afgewerkte gladde blok met de weggewerkte carburateur. Degelijkheid straalt af door de in ruime mate aanwezige smeernippels.

Er pronken ook twee zwarte MB250’s, een daarvan valt op door een apart schakelmechanisme. Dit is gemaakt door de vernuftige vorige eigenaar Melis Woudhuizen, een clublid van het eerste uur en goede vriend van ’t Lam: ‘Helaas is Melis een paar jaar terug overleden. Hij kon door problemen met zijn linkerbeen het schakelpedaal niet meer bedienen en construeerde een stelsel van assen in combinatie met een krachtige veer. Daarmee laat de motor zich met gemak met de hand schakelen. Ingenieus, niet?’

Het pronkstuk van zijn verzameling is ook een MB250, maar dan wel model S. Hij behoorde ooit toe aan Rein van der Mast, de huidige voorzitter van de Adler Club Nederland. De S houdt in dat het om een sportversie gaat en dat is ook duidelijk te zien. Aan de hoge uitlaten met hun glimmende beschermplaten tegen verbrande bovenbenen, maar ook aan het ingekorte voorspatbord. Dat is beduidend sportiever dan het gekrulde ‘helmspatbord’ van de meeste andere Adlers. Verscholen achter de uitlaten zitten twee carburateurs, in plaats van één. ‘Inwendig zijn ook de verhoudingen in de versnellingsbak aangepast en er zitten ook snellere cilinderkoppen op.’ Door alle ingrepen van Van der Mast steeg het vermogen van 18 naar 25 pk. Dat is knap.

Adler motoren

Leermodel

Op een duidelijk zichtbare plek staat een opengewerkt blok van een MB250. Delen van het carter, de cilinder en de carburateur zijn weggezaagd om de werking van alle onderdelen goed te kunnen doorgronden. Door op de kickstarter te drukken, zet je onderdelen in beweging. Zo’n opengewerkt blok wordt ook wel een ‘leermodel’ – voor monteurs in opleiding – genoemd.

Adler motoren

Niet alles

’t Lam kijkt met tevredenheid naar de indrukwekkende rij Adlers. Hij oogt zichtbaar trots en iedereen die hem verzoekt om de motoren te mogen zien, is welkom en kan rekenen op enthousiaste uitleg. Maar is z’n collectie historisch gezien compleet? Nee, de eerste productieperiode van Adler – tussen 1901 en 1907 – is niet vertegenwoordigd en dat zal ook zeker niet gebeuren. ‘Er zijn er toen maar enkele tientallen gebouwd. Als je er een vindt, is de vraagprijs tienduizenden euro’s.’

Maar hij wil nog wel enkele modellen ter aanvulling, zoals een originele crossmotor van het merk of een zesdaagsefiets. In beide takken van motorsport was Adler in de jaren vijftig zeer succesvol. En minder spectaculair: ook een doodgewone M200 ontbreekt nog. ‘Een simpel instapmodelletje waarbij zo’n beetje alles zwart oogt. Wel leuk om erbij te hebben.’ Maar hij vertelt er meteen bij dat hij zeer tevreden is met wat hij nu heeft staan. ‘Ik hoef echt niet alles te hebben, maar als er wat op m’n pad komt…’

Aparte Ardie

’t Lam mag dan verslingerd zijn aan het merk Adler, hij heeft nog enkele andere ‘Duitsers’ staan. Bijvoorbeeld een duo BMW’s, een R60/5-solomachine en een R50/2 met zijspan. Beide uit de jaren zestig. ‘Niet voor de sier. Ik gebruik ze af en toe voor een blokje. Er pronken ook nog wat fotogenieke lichte Duitse motortjes. Twee vooroorlogse Wanderers en een Ardie uit 1939. Apart bij dat machientje is dat de beide uitlaatbochten recht naar achter lopen en de carburateur met z’n ‘kop’ vol in de wind zit.

Adler motoren

Japanse klonen

De Adler MB250 is een snelle en technisch verfijnde motorfiets. Dat vinden veel kopers, maar ook fabrikanten. Ver weg, in het nog onbekende Japan nemen opkomende merken als Colleda (nu Suzuki) en Yamaha de MB250 als voorbeeld. Je hoeft echt geen expert te zijn om in de Suzuki T20 en de Yamaha YDS de tweecilinder van Adler te herkennen…

Adler Club Nederland

Ruim veertig jaar na het verdwijnen van de Adler-fabriek verschijnt er een Nederlandse vereniging van het merk. In september 2000 ziet die het levenslicht. De vereniging telt rond de vijftig leden. De meesten hebben een motorfiets, de MB250 is het populairste model. Maar er zijn er ook een paar met een Adler-auto, de Trumpf en Trumpf Junior.

Het doel van de ACN is om de fans van de Adler-twee- en -vierwielers bij elkaar te brengen door het organiseren van bijeenkomsten, treffens en ritten. Daarnaast bieden de leden elkaar technische ondersteuning bij restauratie en onderhoud.

De website van de club geeft een uitgebreide uitleg over de historie van het merk en de modellen. Boeiend en amusant zijn de vele foto’s van diverse evenementen. Een kijkje meer dan waard: www.adlerclub.nl.

Sparren met Spaan: Ander rijgevoel

0
Sparren met Spaan

‘Van die val zelf in 1981 weet ik me echt niets te herinneren. Achteraf hebben ze me verteld dat mijn achterkant wegbrak en dat ik met mijn hoofd tegen de vangrail klapte. Daar heb ik niets van meegekregen, want het volgende moment in mijn geheugen is het wakker worden in een ziekenhuisbed. Ik wist wel van alles te vertellen over de rest van de trainingsdag op Zandvoort. Ik reed op dat moment in twee klassen en begon op de 50cc. Dat ging best aardig en ik herinnerde me zelfs nog dat mijn big-end er in het laatste rondje uitliep. Daarna ben ik overgestapt op de 125cc en op die MBA ging het mis. Tot aan dat moment gaat de film, maar van het ongeval staat me helemaal niets bij. Echt compleet blanco. Ik dacht zelf altijd dat doodgaan als gevolg van een raceongeval erg pijnlijk zou zijn, maar ik wist er dus niets van. Heel gek, maar dat stelde me op één of andere manier toch eigenlijk wel gerust.

‘Kun je eindelijk voor het fabrieksteam rijden, sta je aan de zijkant’

Doordat het zo’n flinke klapper was, ontstonden er daarna toch wat fysieke problemen. Ik zat tegen een schedelbasisfractuur aan en ik kon met één oog niet zien. Daardoor was ook mijn evenwichtsgevoel weg en dat was natuurlijk toch wel een serieuze blessure. Op dat moment dacht ik nog niet aan het einde van mijn carrière, want ik verwachtte toch wel goed te kunnen herstellen. Elke dag kwamen er verpleegsters en doktoren aan mijn bed staan en die vroegen uiteraard hoe het ging. Ik antwoordde telkens met ‘Best prima!’, maar dat was eigenlijk helemaal niet het geval. Ik wilde naar huis, maar dat was eigenlijk helemaal niet verantwoord. Ik kon amper lopen, viel telkens om. Uiteindelijk mocht ik toch naar huis, maar het probleem was daarmee niet opgelost. Mijn evenwichtsgevoel was nog steeds niet optimaal, maar uiteraard wilde ik veel te snel weer op de motor zitten. Het voelde allemaal heel vreemd aan, waardoor ik ook helemaal niet wist hoe plat ik ging. En ja, weer kwam ik ten val. Op dat moment wist ik wel dat ik even moest dimmen.

Column: Sparren met Spaan: Bepalende selectiedag

Dat was lastig, helemaal tijdens de TT van Assen. Ik was daar als bezoeker, maar uiteindelijk vroegen ze bij Van Veen Kreidler of ik niet alsnog kon rijden. Stefan Dörflinger was in het Meeuwenmeer onderuit gegaan en had wat gebroken. Kun je eindelijk voor het fabrieksteam rijden, sta je aan de zijkant. De verleiding was natuurlijk groot, maar ik kon nauwelijks op één been staan. Dan krijg je zo’n kans en dan kun je die niet grijpen. Uiteindelijk ben ik haast heel dat seizoen uit de running geweest en reed ik slechts een paar nationale races aan het eind van dat jaar. Dat ging nog steeds niet geweldig, want ik kon nauwelijks diepte zien. Ook toen raakte ik nog niet gelijk in paniek, maar dacht ik vooral aan hard trainen. Dan moest het wel goed komen voor 1982. Ik heb die winter heel specifieke trainingen gedaan, vooral om mijn evenwicht weer in orde te krijgen. De doktoren wisten ook niet echt precies wat er aan de hand was, maar ze dachten dat er een zenuw was beschadigd. Gelukkig hadden de oefeningen effect en reed ik in 1982 weer een prima seizoen. Toch zat ik met een ander gevoel op de motor. Het voelde niet meer hetzelfde aan als de jaren ervoor. Het is ook nooit meer weggegaan, dus door die klap in Zandvoort liep ik onherstelbare schade op. Ik heb ermee leren leven, maar ik hield het stil richting de buitenwereld. Je weet natuurlijk wel wat er gebeurt als iemand zegt dat hij wel eens dubbele beelden ziet. Overigens heb ik daar nog altijd last van. Als ik moe word, zakt het allemaal in. Mensen die me goed kennen, zien dat ook wel aan me.’

Rossi gaat voor tiende WK met Petronas

0

Het behalen van een tiende titel is allang niet de belangrijkste reden waarom VR46 nog twee jaar racet in de MotoGP. Die titel is slechts bijzaak. Zijn passie voor motoren en racen is de echte stimulans om door te gaan

Volgens de altijd goed geïnformeerde Paolo Ianieri (Gazzetta dello Sport) wordt de overeenkomst tussen Valentino Rossi en het Petronas-team volgende week in Jerez officieel bekend gemaakt. Het is geen verrassing: sinds het officiële 2021-2022 Yamaha-team koos voor Fabio Quartararò en Maverick Viñales, was al bekend dat Valentino Rossi zijn carrière in het satellietteam van Petronas zou beëindigen. Inclusief officiële super assistentie en spullen. Want zo ga je om met een oud-kampioen.

Lin Jarvis, de baas van Yamaha Racing, had dat zo in gedachten. Als Rossi besloot door te gaan met racen, zou Jarvis er geen problemen mee hebben dat Rossi officiële fabrieksondersteuning zou krijgen en de juiste spullen. Maar Rossi moest het zeggen, hij alleen. Het gerucht dat er problemen waren over contracten met het nieuwe team, waren ongegrond. Rossi heeft namelijk geen contract met het team maar rechtstreeks met Yamaha.

Rossi had eerst graag nog wat meer GP’s willen rijden voor hij de beslissing nam. Hij wilde vooral weten waar hij stond ten opzichte van de concurrentie. Was hij nog competitief? Maar die verdraaide Covid-19 gooide roet in het eten van de negenvoudig wereldkampioen. Door die gedwongen pauze overwoog Rossi zelfs nog even om te stoppen en het roer om te gooien door iets heel anders te gaan doen. Tijdens de lockdown kabbelde Rossi’s leven als ieder ander kalmpjes voort van dag naar dag. En in die rust vond hij opnieuw de stimulans en motivatie om door te gaan met racen. Sedertdien was hij te vinden op de Ranch in Misano en op de langlaufloipes waar hij enthousiast aan zijn conditie werkte. En stilaan bekroop hem de gedachte dat stoppen toch niet echt logisch zou zijn.

Nu zijn er nogal wat kenners die twijfelen aan de mogelijkheden van Rossi. Hij zou niet meer kunnen meekomen met de snelsten. Zijn carrière was voorbij en eigenlijk had hij die een paar geleden al moeten beëindigen. Rossi heeft een andere filosofie. Hij houdt nog te veel van racen en wil niet na zijn pensioen op zijn beslissing terugkomen zoals veel kampioenen voor hem wel deden. Om vervolgens in de middenmoot te belanden. Zoals mogelijk Fernando Olonso te wachten staat. Die keert na een jaar ‘wat anders doen’ ook weer terug in de F1. En krijgt in tegenstelling tot VR46 niet de beste spullen, waarmee zijn rentree misschien tot mislukken is gedoemd.

Wat we vooral niet moeten vergeten is dat Rossi bij meer dan één gelegenheid heeft laten zien dat hij nog steeds de snelheid heeft om zich met de besten te meten. En nog belangrijker, zijn passie gaat verder dan alleen resultaten. Het is zijn constante verlangen naar uitdagingen, zich meten met anderen en het racen op zich dat hem drijft om nog twee jaar door te gaan. Natuurlijk heeft Rossi een tiende titel in zijn hoofd. Daar is hij te veel sportman voor. En met zijn onmetelijke talent en ervaring kan hij ons absoluut verrassen.