zondag 5 april 2026
Home Blog Pagina 988

Techniek – De geschiedenis van de voorvork

0

Sturen, veren en dempen

Met het toenemen van de snelheid van motorfietsen groeide ook de behoefte aan een geveerde voorwielbevestiging. Die moest ervoor zorgen dat band en wegdek onder alle omstandigheden in contact met elkaar bleven. In de loop der jaren passeerden talloze voorvorkconstructies de revue.

De technische vooruitgang in de begindagen van de motorfiets lag vooral in het verbeteren van motorblokjes, met als logisch gevolg dat de snelheid omhoog ging. Dat openbaarde een stuurprobleem dat werd veroorzaakt door het ontbreken van vering. Op een oneffen wegdek kan het voorwiel de hobbels namelijk volgen, omdat de band nog één en ander aan schokken opvangt. Kom je echter boven de 30 kilometer per uur, dan volgt een starre vork het wegoppervlak niet meer, omdat hij gaat stuiteren. Gottlieb Daimler en Wilhelm Maybach hadden dat probleem nog niet op hun aandoenlijke houten Einspur met zijn rechttoe, rechtaan voorvork. Ook de eerste ‘echte’ (in serie gebouwde) motorfiets, de Hildebrand & Wolfmüller van 1894, had nog een starre fietsvoorvork.

Starre vork
Starre vork

In Frankrijk ontstond een wonderlijk motorfietsje dat zijn tijd heel ver vooruit was: de Millet. Félix Millet is vrijwel zeker de uitvinder van de stermotor (en dus ook de eerste die een multicilinder-motorfiets bouwde) waarmee hij zijn motortje uitrustte. Er waren echter nog veel meer vooruitstrevende voorzieningen op de Millet van 1898 te vinden. Zo had de voorvork een als bladveer uitgevoerd voorspatbord, waarmee Félix Millet waarschijnlijk – en zonder het zelf te weten – ook de uitvinder is geweest van de leading link-voorvork.

Leading link
Leading link
Millet
Millet

In Engeland was het merk BAT (van Samuel Robert Batson) de eerste motorfiets die in 1902 iets van vering had. BAT-motoren hadden een schommelvoorvork en een geveerd subframe (met voetsteunen) en zadel. Het merk Scott, bekend van de watergekoelde tweetakt, gebruikte in 1909 echter een soort van telescoopvork die we ook aantreffen in de 500cc-Speedwell. De telescoopvork zoals wij die nog steeds kennen, is dan omstreeks 1932 weer uitgevonden door Peder Fisker en zijn zoon Anders. De vork vond zijn toepassing in de Nimbus Model C, maar was niet gedempt. Het was BMW die de vork voorzag van hydraulische demping en hem in 1935 toepaste op de productiemodellen R12 en R17.

Techniek: Actief aanpasbare geometrie

Nog altijd is een telescoopvork de meest gebruikte manier om een motorfiets onder controle te houden en de goede kant op te krijgen. In wezen een heel simpel gegeven voor een heel simpele constructie; niet meer dan twee staafjes metaal die binnen twee buisjes in elkaar schuiven.

De taak

Een voorvork moet in de eerste plaats zijn eigen gewicht, veroorzaakt door de aantrekkingskracht van de aarde, plus het gewicht van de motorfiets en berijder torsen en afveren. Ook krachten veroorzaakt door wegoneffenheden en het sturen veroorzaken bewegingsenergie die moet worden verwerkt. Overigens is die voorvork ook onderdeel van een veel groter geheel, motorfiets genaamd, met een samenspel van balhoofdhoek, naloop, wielbasis, veerweg, banden(spanning), sprong van de balhoofdplaat, toestand van de lagers en plaats van het zwaartepunt. Alle gewicht van een motor en zijn berijder(s) gaat loodrecht richting het middelpunt van de aarde. Daar kun je niet omheen, of je moet keihard kunnen bewijzen dat Isaac Newton uit zijn nek zwetste. Een voorvork staat schuin naar voren, omdat naast de zwaartekracht ook de rolweerstand meetelt. Deze rolweerstand is geneigd om de voorpartij naar achteren te drukken.

Er zijn nog meer invloeden dan hobbels en kuilen. Remmen en berg-op of berg-af rijden veranderen ook de richting van de krachten op de voorvork. Stel, je rijdt met de Captain America-chopper uit de film Easy Rider met een 45-graden-voorvork de berg af en de weg loopt onder 45 graden naar beneden. Je hebt nu alleen te maken met de zwaartekracht; de vork wijst immers loodrecht naar het oppervlak van de aarde. Draai je echter de boel om (een 45-graden-voorvork en een weg die onder 45 graden naar boven loopt), dan ligt je voorvork gelijk aan het horizontale vlak genaamd aarde en zijn de langskrachten heel anders. Een voorvork is ook nog eens een star geheel; dat de onderpoten kunnen bewegen, doet daar niets aan af.

Al het bovenstaande in aanmerking genomen is het niet verwonderlijk dat de gewone telescoopvork op veel punten te verbeteren is of zelfs kan worden vervangen. Er is zelfs een punt geweest, zo’n veertig jaar geleden, dat de telescoopvork voor dood werd verklaard. Te vroeg, overigens…

Telescoop
Telescoop

Girder

De eerste Girder-voorvork, van de firma Druid uit Birmingham (waar anders?), zou in 1913 in een Ariel zijn toegepast. Dat kan best kloppen als je foto’s ziet van types als de TT en de Deluxe Roadstar. Wie verder ‘terug’ zoekt, ziet die Girder ook al in 1911 in een Ariel. De geschiedenis van de voorvork is niet bepaald exact gedocumenteerd…

Een Girder-voorvork is wel één van de oudste typen voorvering op een motorfiets en was tot aan de Tweede Wereldoorlog de belangrijkste voorvork. Hij is in te delen in de categorieën ‘parallellogram’ en ‘leading link’. De vering, een echte veer dus, zit over het algemeen tussen of vlak onder de balhoofdplaten, maar Indian liet zien dat je ook een bladveer kunt gebruiken. Norton gebruikte Girder-voorvorken sinds het begin van de jaren twintig en je vindt ze tot in de jaren vijftig nog terug in de Sunbeam, Indian, Matchless en Rudge. Door hun constructie konden ze een beetje naar voren en naar achteren bewegen, waardoor je (net als bij een telescoopvork) een verandering in de geometrie kreeg.

Girder voorvork
Girder

De Girder-vork is een star geheel met een zeer korte veerweg (met zes tot acht centimeter heb je het wel gehad) en het nadeel van deze constructie is het hoge onafgeveerde gewicht, namelijk de hele voorvork. Hierdoor kan een Girder bij hogere snelheden gaan stuiteren, omdat het onafgeveerde gewicht dan een rol gaat spelen. Als er al enige vorm van demping werd toegepast, dan zit die aan de zijkant met behulp van ronde frictieplaatjes die onder spanning kunnen worden gebracht. De Girder maakte in 1948 nog een grote technische sprong voorwaarts toen Philip Vincent (van het merk Vincent) de grote centrale veer tussen de balhoofdplaten verving door een hydraulische schokdemper; de zogenaamde Girdraulic-vork.

Springer

De Springer-vork is een mix van een Girder- en een geduwde parallelvoorvork. Het meest in het oog springende kenmerk van de Springer is het gebruik van een statisch en dynamisch gedeelte, de zogenaamde (verende) ‘hulpvork’ die voor de echte vork zit. Ook al is een Springer-voorvork tamelijk ouderwets, in tegenstelling tot de naam gaat deze vork niet springen bij hogere snelheden, ook al is de veerweg, net als bij een Girder, op het randje van toereikend. Ook hier komt de demping van frictieplaatjes. Bij een Harley Liberator loopt dit frictiemateriaal over vlakke langwerpige plaatjes en ook hier kun je de demping instellen door een knop strakker aan te draaien. Ook het Engelse merk Brough maakte gebruik van Springer-vorken in de modellen Superior SS100 en Superior Dream.

Springer voorvork
Springer

Earles

In 1951 verwierf de Engelsman Ernest ‘Ernie’ Earles een patent op een geduwde schommelarmvoorvork. Deze uitvinding was een jaar eerder al toegepast op de Douglas Dragonfly-motoren. Een geduwde schommelarmvork (swinger) is geen leading link-vork, ook al lijkt het principe er sterk op. Bij een leading link zitten de draaipunten van de beide schommelpoten naast het wiel, maar nog achter de wielas. Bij een Earles-vork zit het draaipunt achter het wiel. Juist daar draaide het hele Earles-patent om. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog werd de Earles- of schommelvoorvork veel gebruikt en deze heeft ook een prettige bijkomstigheid bij het remmen: een natuurlijk anti-duik. Sterker nog, een Earless-voorvork komt juist omhoog bij het remmen. Aan de andere kant is een Earless vork vrij zwaar en kent die dus een hoog onafgeveerd gewicht. Ook schommelarmvoorvorken zijn er in vele soorten en maten en ze zijn vooral populair bij zijspanrijders. Daar waar een sportieve solomachine de eigenschappen en het gewicht van een schommelarm-voorvork kan missen als kiespijn zijn die juist geschikt voor een auto-achtig zijspan- of trike. 

Earles voorvork
Earles

Trailing link

De trailing link of getrokken schommelarmvoorvork is letterlijk het omgekeerde van de leading link. De Belgische FN M13 uit 1948 bezat een wel heel bijzondere uitvoering van zo’n getrokken swinger, waarbij – naar onze mening –  esthetische waarden geen prioriteit hadden. Dan ziet zo’n exemplaar er op de Honda Rune weer een stuk beter én indrukwekkender uit. 

Trailing link voorvork
Trailing link
Eenarmige vork voorvork
Eenarmige vork

Eenarmige voorvork

Eén van de meest opvallende eenarmige voorvorkconstructies was geplaatst in de Imme R100, die al uitgebreid in Clasix & Retro nummer 20 stond. Deze motorfiets (gemaakt rond 1948) was zijn tijd technisch gezien al ver vooruit met een minimaal frame, een met het motorblok geïntegreerde versnellingsbak en een achtervork die scharnierde in het blok. De eenarmige voorvork werd later nog eens gemoderniseerd opgepikt door Gilera in de tamelijk futuristisch ogende CX125.

Fuseebesturing

De toepassing van fuseebesturing (in het Engels hub centre steering, oftewel HCS) zou zijn bedacht door Massimo Tamburini en uitgewerkt door technisch specialist Ascanio Rodorigo. Een beetje motorliefhebber weet echter dat de Ner-a-car (een vreselijk lelijke, maar zeer gedurfde mix van motor, scooter en auto) in 1918 al was voorzien van fuseebesturing. De allereerste toepassing was op een Engelse James in 1910. De allernieuwste Bimota Tesi H2 is er (weer) mee uitgerust en we vonden die ook op de Vyrus, nichemerken die garant staan voor extravaganza op technisch en financieel gebied. De Yamaha GTS1000 was de eerste in massa geproduceerde motorfiets die fuseebesturing mee kreeg. Voordeel van deze ‘auto’-besturing is het lage zwaartepunt van de motorfiets, omdat de voorvork niet staat, maar ligt. Nadeel is dat naafbesturing erg zwaar stuurt. Bovendien moet de constructie zwaarder worden uitgevoerd vanwege de krachten die erop komen.

Fuseebesturing voorvork
Fuseebesturing

Fuseebesturing met lineaire vering

Uitermate geavanceerd en zeer opvallend. Andere woorden kun je niet bedenken als je de Hyper 1 Troll van de Nederlandse veringspecialist Hyperpro ziet. Een voorvork zonder voorvork, maar wel een arm die een onbeweeglijk onderdeel is van het frame. Het voorwiel veert langs een geleiderail, waarbij de stuur- en remkrachten weer van elkaar gescheiden zijn. Waarin een klein land groot kan zijn…

Hyper1 Troll voorvork
Hyper1 Troll

Hossack/Fior-voorvork

De Hossack/Fior-voorvork is een balhoofdloze motorfiets. Norman Hossack ontwierp zijn triangelvoorvork in het midden van de jaren zeventig, maar liet zijn uitvinding pas in 1984 patenteren. De voorvork van Hossack is net zo goed de voorvork van Claude Fior, aangezien beiden aan het ontwerp bijdroegen. Eigenlijk mogen we in dit geval ook de veel te vroeg overleden John Britten niet vergeten, aangezien zijn motoren ook een Hossack-systeem gebruikten. Het ziet eruit als de voorwielophanging van een Formule 1-bolide: twee triangels boven elkaar met een onder een hoek geplaatste schokbreker-demper-unit. Alleen is die dan verticaal in plaats van horizontaal geplaatst. Deze triangelbesturing is veelal lichter dan elke andere voorvorkconstructie, maar kent weer veel bewegende delen die allemaal speling kunnen geven.

Hossack-Flor voorvork
Hossack-Flor
Telelever voorvork
Telelever

Telelever

De Telelever is het best te omschrijven als een combinatie van een geduwde swingarm en een telescoop, grotendeels gebaseerd op de ideeën van Hossack en Fior. De swingarm is het gedeelte dat bestaat uit een centraal veerelement onder het balhoofd dat wordt afgeveerd op een vork die scharnierend aan het motorblok is bevestigd. De voorvork is een telescoop, die in de R1100S zelfs vermomd is als upsidedown. Ook hier hebben we te maken met gescheiden veer-, stuur- en remfuncties en de mogelijkheid om het inveren bij hard remmen te neutraliseren.

Upsidedown

Een chique naam voor een telescoopvoorvork op z’n kop, precies wat de naam al zegt. Alle lof voor het doorontwikkelen van het upsidedownprincipe gaat naar onze eigen WP-veringspecialisten, maar eerlijk is eerlijk… de Moto Guzzi’s Airone en GTV hadden in 1948 al telescoopvorken waarbij de buitenpoot aan de bovenkant zat. Door de constructie van de upsidedownvork ging het onafgeveerde gewicht omlaag, waardoor de voorvork directer en comfortabeler werkte. Bovendien geeft de bevestiging van de (dikkere) buitenpoten in de kroonplaat meer stevigheid aan de voorvork. Nadeel is dat bij een lekkende keerring alle olie in no-time uit de buitenpoot kan lopen.

Bij een gewone telescoop voorvork duikt bij (hard) remmen de hele motorfiets voorover, waardoor de hele geometrie (naloop, balhoofdhoek) verandert. Daarbij wordt de veerweg van de vork vrijwel geheel opgebruikt om de remkrachten te verwerken en blijft er niet of nauwelijks veerweg over om ook kuilen en hobbels in het wegdek de baas te kunnen. Wat de alternatieven gemeen hebben, is dat ze het grootste nadeel van een telescoopvork tenietdoen, want vering, remmen en sturen worden van elkaar gescheiden. Als er ‘vorkpoten‘ zijn, dienen ze alleen maar om het voorwiel op zijn plek te houden en te sturen. Daarbij verandert de geometrie van de motor in zijn geheel niet. Tenzij de fabrikant besluit om zijn systeem ‘toe te laten geven’ aan het remgevoel door de veeruitslag in te stellen.

Upsidedown voorvork
Upsidedown

Weinig nadelen

Toch heeft in die dikke 140 jaar motorgeschiedenis geen enkel alternatief de telescoopvork kunnen verdringen. Algemeen wordt aangenomen dat de introductie van de upsidedownvork en de snelle technische verbeteringen (nitraatcoating, afdichtingen, cartridges) die op de telescoopvork werden doorgevoerd de reden zijn dat die vork nog altijd veruit het populairst op een motorfiets is. Daarbij is de telescoop ook redelijk eenvoudig en dus ook vrij goedkoop te maken. En die paar nadelen? Wen er maar aan…

Yamaha en Michael van der Mark gaan einde seizoen uit elkaar

0

Yamaha en Michael van der Mark gaan aan het einde van het FIM-wereldkampioenschap Superbike 2020 uit elkaar. De 27-jarige Nederlander kiest een nieuwe uitdaging in 2021. Met het vertrek van Van der Mark komt een einde aan een vierjarige samenwerking, die tot nu toe drie overwinningen heeft opgeleverd in het WorldSBK en twee overwinningen op de prestigieuze Suzuka 8 Hour-race.

Van der Mark kwam in 2017 bij het Pata Yamaha WorldSBK Official Team. Tijdens zijn debuutseizoen eindigde hij twee keer op het podium. Het jaar daarop won de Nederlandse coureur zijn eerste WorldSBK-race (Race 1 op Donington Park) en Yamaha’s eerste sinds de terugkeer in het kampioenschap in 2016.

De voormalige FIM-wereldkampioen Supersport voegde in 2019 een overwinning (race 2 op Jerez) toe aan zijn lijst, maar belandde na een crash in Misano in de lappenmand. Ondanks zijn blessure scoorde Van der Mark in 2019 toch nog acht podiumplaatsen en eindigde het seizoen als vierde in het kampioenschapsklassement.

De Pata Yamaha-rijder was tijdens de openingsronde van het seizoen 2020 in Australië een kanshebber voor de overwinning in alle drie de races. Sinds Phillip Island is het WorldSBK opgeschort vanwege corona.  Van der Mark komt volgende maand weer in actie, als het WorldSBK seizoen wordt hervat met back-to-back wedstrijden in Jerez en Portimão.

Zowel Yamaha als Van der Mark zijn vastbesloten om hun succesvolle vierjarige samenwerking op een hoog niveau te beëindigen. Getweeën blijven ze strijden voor overwinningen en blijven ze gaan voor de kampioenstitel.

Terug naar toen – 1994 – Deel 1

0

Het merk MZ heeft een rijke en grillige geschiedenis. Dat laten de naamsveranderingen goed zien. Eerst is de naam DKW, daarna Auto Union en na de Tweede Wereldoorlog wordt het IFA en vervolgens MZ. In de jaren zestig is MZ een grote speler op de markt van de motorfietsen. De tweetakt ‘dienstfietsen’ zijn in het Oostblok populair. Denk maar aan de MZ ETS 250 met zijn hoge tank en ver doorlopende uitlaat. De bekende ‘Wende’ in 1989 zorgt echter voor een vrije val van de onderneming. Maar de zakenman Korous zorgt voor nieuw elan en een nieuwe naam: MuZ, dat staat voor Motorrad und Zweiradwerk. De fabriek breekt met de tweetakthistorie en komt met motoren met viertaktblokken van het Oostenrijkse Rotax.

De modellen zorgen echter niet voor een revolutie in de internationale motorwereld en dus volgt een tweede poging. Ditmaal met de Skorpion-modellen, ontworpen door het Britse designbureau Seymour-Powell. De Skorpion is er in twee versies: de Sport en de Tour. In het fraaie stalen buizenframe hangt geen Rotax-blok meer. Nu is gekozen voor een Yamaha-krachtbron. Die van de XTZ Ténéré, een 660cc-eencilinder met vijf kleppen en goed voor 48 pk. Op de kale Tour vertaalt zich dat naar een topsnelheid van 160 km/u. De van een stuurkuipje voorziene Sport haalt twintig km meer. Op de tank en het blok prijkt weer de klassieke naam MZ. Uit respect voor de historie en als hoop voor de toekomst.

Klassiekers
Motorblok MZ – MOTOR 21, 26 mei 1994

Begrip in Schiedam

Ducati is vertegenwoordigd in twee segmenten. In de zware klasse met de 750- en 900 cc SS’en. Oogverblindende motoren in knalgeel en helrood, maar wel met een gepeperd prijskaartje. Ook in de lichte klasse is een Ducati beschikbaar: de 400 SS. Een pittig ‘ding’, maar voor veel mensen toch wat aan de lichte kant. Dus is het een logische keuze van de fabriek om een motorfiets in de middenklasse te presenteren. De groep van de 600 cc’s dus. Het worden de kale M600 en de van een stroomlijn voorziene 600 SS. De laatste is er in twee modellen: de Nuda heeft een halve kuip, de Carenata een hele.

Terug naar toen – 1995 – Deel 1

Klassiekers
Kok bekijkt twee Ducati’s – MOTOR 18, 5 mei 1994

Snelheid hebben de Ducati’s voldoende in huis. De teller van de M600 raakt de 175 km/u aan, de SS zelfs de 190 km/u. Het verslag van de rijindruk laat zich lovend uit over de modellen. De redactie noemt de M600 zelfs ‘een van de beste stadsmotoren op de markt’. Maar kritiek is er ook en wel op de geringe stuuruitslag. Met enige overdrijving wordt gezegd: ‘Een schande dat je vijf keer moet insteken om bij het grijnzende gezelschap op het terras weg te komen’.

Vraag je je trouwens af wat de man met koksmuts op de foto doet? Wel, om het verslag in Italiaanse sferen te brengen wordt ook een bezoekje gebracht aan pizzeria en ijssalon La Venezia, sinds 1934 een begrip in Schiedam!

Karakteristieke brul

Harley-Davidson kennen we van de zware toermachines. Topsnelheden van de modellen geeft de fabriek nooit op. ‘Niet van toepassing’ staat dan bij de technische gegevens. Verrassend is dan ook dat Harley een machine voor het Amerikaanse Superbike-kampioenschap bouwt. Het is de VR1000, in minder dan een jaar ontwikkeld door de kleine – uit vijf personen bestaande – raceafdeling. Correspondent Alan Cathcart mag de prestaties van de V-twin ‘proeven’ op het circuit. Hij merkt op dat de Harley met z’n 142 pk nog wat vermogen tekortkomt ten opzichte van de 955 Ducati’s. Een kleine 15 pk om precies te zijn. Daar moet nog aan gewerkt worden. Maar hij is onder de indruk van de wegligging: ‘De VR1000 stuurt als een scheermes en remt als geen ander’. En hij legt ook nog wat (h)eerlijke emotie in zijn verslag: ‘Geen enkele andere sportieve motor brult op zo’n karakteristieke manier’.

Klassiekers
Zijaanzicht Harley-racer – MOTOR 47, 24 november 1994

Ducati Superleggera V4 2020 – test

0

Van de Ducati Superleggera V4 worden er slechts 500 gemaakt, met de hand in elkaar gezet nog wel. MotorNL-redacteur Nick Enghardt vloog naar Italië om daar als een kind zo blij deze slechts 159 kilo wegende, 234 pk tellende, 115.000 euro kostende superbike van Ducati aan de tand te voelen.

Terugblik: Joey Dunlop ging, maar terug kwam hij niet

0
Joey Dunlop

Zo vaak als de naam Joey Dunlop valt als het over straatracen gaat, zou je niet zeggen dat de wereld het al weer twintig jaar zonder de grootste straatracer ooit moet stellen. Sommige Joey-fans waren nog niet eens geboren toen de Noord-Ier op die tragische 2 juli 2000 omkwam. Dat alleen al zegt immens veel over de man die Joey Dunlop was.

Joey Dunlop
Een van Joey’s allereerste uitingen op het Snaefell Mountain Course tijdens de Junior TT van 1976. Hij werd zestiende op de 350cc-Yamaha. Foto: Christof Berger

Met een opgeruwd racepak aan een hangertje achterin en de lucht van benzine en racerubber waarschijnlijk indringend aanwezig in de cabine, kruipt een 48-jarige over de voorbank van zijn bestelbus. Vandaag won hij een motorrace, iets meer dan twee weken geleden won hij er ook al drie. Een overwinningsstemming hangt er desondanks zeker niet op de geïmproviseerde slaapplek. De man die hier eenzaam en alleen op de voorbank van zijn busje probeert slaap te vatten, heet namelijk Joey Dunlop. Dat busje staat in het rijderskwartier naast het circuit van Pirita-Kose-Kloostrimetsa in Tallinn, Estland. Vandaag is het 1 juli in het jaar 2000, morgen wordt er nog één race gewonnen en dan is het over.

Geen eind aan het feest?

Het leven van Joey Dunlop de straatracer eindigde zonder poespas, zoals het ooit ook begon. Toen hij om het leven kwam op zondag 2 juli 2000, was de Ulsterman ver weg van vrienden en familie. Alleen op pad, zoals hij dat het liefste deed. Na een zinderende comeback op de Isle of Man TT een maand eerder, waarbij Dunlop maar liefst drie overwinningen en in totaal vier podiums pakte uit de vijf races waaraan hij deelnam, leek er geen eind aan het feest te kunnen komen. Door de Formula One TT te winnen met de iconische rood met zwarte Honda VTR1000 SP1, liet Joey zien dat hij het nog kon. Blessureleed had de Noord-Ier jarenlang weerhouden te schitteren op de ‘big bikes’, met desondanks wel een aantal overwinningen op lichtere machines. Die Senior TT-overwinning, in de herfst van zijn carrière, had de legende van Joey Dunlop als Yer Maun (Keltisch dialect voor ‘De Man’) ferm onderstreept. Niet dat daar ooit aan werd getwijfeld, maar toch. Dat jaar won Joey nog twee races, waarbij de Ultra Lightweight 125 TT-overwinning met broer Robert op het podium extra speciaal was. Al was het maar omdat Joey daarmee een derde TT-hattrick te pakken had.

Joey Dunlop
Joey liep zijn ergste blessures niet eens op tijdens de straatraces… Na een crash op het circuit van Brands Hatch in 1989 had hij enkel nog de kracht voor lichte machines, zoals deze Honda RS125 in 1992. Foto: CHRISTOF BERGER

Logischerwijs was er feest, maar de euforische stemming zou helaas snel omslaan als Andy McMenemy – een vriend en al tijden trouw sponsor – slechts vier dagen na de laatste TT-races onverwacht zelfmoord pleegt. Het hart van de Noord-Ierse 26-voudig TT-winnaar was al meermalen gebroken door de keiharde aard van leven en dood. Al die keren lag het woord stoppen op zijn tong. Toch lijmde Dunlop de scherven zonder uitzondering op dezelfde manier: met racen.

Stoppen uit den boze

Een van de eerste malen dat Joey bij zichzelf te rade ging, was bij de 1979-editie van de North West 200-straatrace. Racezaterdag dat jaar kwam als Black Saturday bekend te staan. Het grote publiek zal vooral de dood van de toenmalige teamgenoot van Barry Sheene, Ton Herron, bijgebleven zijn, maar voor Joey kwam de gruwelijke crash van Frank Kennedy en diens overlijden enkele maanden later veel harder binnen. Dunlop won dat jaar en vergat even de pijn.

Joey had Frank Kennedy leren kennen via zijn zwager, Mervyn Robinson. Het waren Robinson, Kennedy, Jim Dunlop – Joey’s jongere broer – en dus Joey die de Armoy Armada vormden, nadat ze eind jaren zestig voor het eerst deelnamen aan races in de Ierse motorracewereld. Dat viertal verloor eerst Kennedy in 1979, waarna een jaar later ook Joey’s vriend Mervyn Robinson – zijn mentor en degene die hem besmet had met het straatracen – omkwam tijdens een training op de North West 200.

Het TT Circuit en corona, de tussenstand in getallen

De pijn van het verlies kon Joey verwerken door te doen waar hij het best in was: racen. Op de racedag reed Joey glorieus naar de overwinning. Het lijmde het gebroken hart weer even; stoppen was uit den boze. Voor de motorsportliefhebber gelukkig, want voor het seizoen 1981 zou Joey bij Honda als fabrieksrijder tekenen. Zijn carrière stond nog maar in de kinderschoenen.

Joey Dunlop
Eind jaren zeventig en begin jaren tachtig groeide Joey Dunlop uit tot een fenomeen. Hij was snel tijdens zowel de straatraces als het ‘short circuit’, zoals met de Yamaha voor Harry Klinzmann op Daytona in 1979.

Mee naar Estland

Terug naar de zomer van 2000, waarin Joey opnieuw geconfronteerd wordt met de dood van een dierbare. Na de glorieuze Isle of Man TT dat jaar zal de vraag te stoppen hem opnieuw veelvuldig zijn gesteld. Die comeback was een hoogtepunt an sich en hoeveel meer moest Joey zich nog bewijzen? Misschien verschilde de 48-jarige Noord-Ier daarin nog het meest van zijn concurrenten; hij racete niet om zich te bewijzen – niet aan zichzelf en niet aan een ander. Joey racete omdat hij van racen hield. Dus toen bevriend coureur John Caffrey vroeg of hij mee naar Estland ging om daar begin juli deel te nemen aan de Kalevi Suursõit-straatraces op het Pirita-Kose-Kloostrimetsa-circuit, net buiten de Estse hoofdstad Tallinn, was de keuze snel gemaakt. Een rit van ruim 3.000 kilometer, alleen in zijn racebus, die afgeladen was met motoren. Alleen op pad en racen, dat deed hij het liefst. Joey ging, maar terug kwam hij niet.

De races in Tallinn gingen Dunlop goed af. Het regende en dat leek in Joey’s voordeel te werken, terwijl de Ulsterman er naar verluidt zelf op stond echt niet zo’n held te zijn in het nat. De eerste racedag won hij meteen opnieuw op een zware machine. Dat was trouwens zijn eigen Honda RVF750 RC45, die tot kort voor vertrek nog aan het plafond in zijn kroeg, Joey’s Bar, hing. Zelfs op die fatale 2 juli was hij, tot het misging, ongenaakbaar. De 600 cc Supersport-race eerder op de dag won hij met weinig moeite en tijdens de 125cc-race ging hij fier aan de leiding, tot zijn Honda RS125-tweetaktmachine onder hem uit schoof in de laatste bocht van het circuit.

Joey Dunlop

Zelfs dertig jaar race-ervaring bleek niet genoeg om met een regenband aan de voorzijde en een intermediate-achterband grip te houden. Joey verloor in de bloedsnelle laatste bocht de controle en raakte een soort V-vormige boom langs het beboste gedeelte van het circuit. Hij was op slag dood.

Paspoort

Volledige naam         
William Joseph Dunlop OBE
Roepnaam     
Joey
Geboren        
25 februari 1952, Armoy, Noord-Ierland
Overleden      
2 juli 2000, Tallinn, Estland

Ridderorden
1986    Member of the Order of the British Empire (MBE)
1996    Officer of the Order of the British Empire (OBE)

TT Formula I
Wereldkampioen       
1982, 1983, 1984, 1985, 1986
Tweede          
1987, 1988, 1989
Derde 
1981

Aantal zeges
TT Formula I   18
Isle of Man TT 26
Ulster Grand Prix       24
North West 200          13
Overige straatraces   162

Luxe hotelsuite

Om zijn motoren niet onbewaakt achter te laten en omdat hij dat nou eenmaal zo deed, sliep Joey Dunlop de nacht voor hij overleed op de voorbank van zijn busje. Enkele kilometers verderop, bij een hotel aan het strand in Tallinn lagen de kamersleutels van een suite, die de hotelmanager standaard gereserveerd hield voor Joey Dunlop. Een luxe hotelsuite op kosten van het huis; Joey heeft er nooit geslapen.

Dat Estse hotel is inmiddels gesloopt en op Pirita wordt sinds 2006 niet meer geracet. Ondanks dat het ondertussen dus al twintig jaar geleden is dat Joey Dunlop het leven liet, is zijn nalatenschap nog springlevend. Bezoek een straatrace waar ook ter wereld en je komt in het publiek altijd wel een van die kenmerkende gele Arai-helmen tegen. Praat over straatraces en de naam Dunlop valt altijd, niet zelden zonder Joey specifiek te noemen. Tegenwoordig houdt enkel Michael Dunlop de straatrace-dynastievaandel wapperende, sinds Joey’s broer Robert – de vader van Michael – in 2008 eveneens overleed bij een raceongeval, net als Roberts oudste zoon William in 2018. De manier waarop de Noord-Ier zijn succes behaalde, was altijd veel indrukwekkender nog dan de hoeveelheid trofeeën, bekers, schalen en medailles die hij ermee vergaarde.

Joey Dunlop
Waar Joey’s illustere leven ten einde kwam in Tallinn in Estland vind je tegenwoordig een veel bezocht eerbetoon aan de Noord-Ier. Foto: ERKO

Wat had hij te bewijzen?

Dingen op zijn eigen manier doen, dat was Joey. Zovelen vroegen zich af wat Joey in Estland ging doen na de TT van 2000. Wat hij nog te bewijzen had en of hij niet beter zijn helm aan de wilgen had kunnen hangen. Waarom hij daar alleen heen ging en zelfs waarom hij in zijn bus bleef slapen, terwijl er een hotelsuite voor hem gereserveerd was.

Joey Dunlop was een rijder met een oeuvre en records, die zelfs twintig jaar later nog altijd niet voorbijgestreefd zijn. De mens Joey Dunlop daarentegen was niet bezig met succes, niet met faam, niet met de verwachtingen van fans, sponsors en concurrenten. Joey Dunlops straatracesuccessen brachten hem onder de aandacht, maar zijn in-en-in goede karakter en zijn drang om vooral zichzelf te willen zijn – ondanks alles – maken duidelijk waarom die iconische gele helm twintig jaar later nog steeds emoties losmaakt.

Joey Dunlop
Op Assen was de Noord-Ier bepaald niet kansloos. In 1984 moest hij tijdens de Formula TT-race tijdens de Dutch TT Roger Marshall voor zich dulden. Dunlop zou uiteindelijk vijfmaal op rij Formula TT-wereldkampioen worden, van 1982 tot en met 1986. Foto: Target Press

Joey en de Isle of Man TT

Joey kreeg een kans, de kans om te doen wat hij het liefst deed en waar hij het beste in was. In 1977 verloor de Isle of Man TT haar WK-status, nadat een rijdersstaking, onder leiding van 15-voudig GP-wereldkampioen Giacomo Agostini, het degraderen van de onveilige TT-race had afgedwongen. Toen de Isle of Man TT nog een Grand Prix-race was, had je fabriekssteun en welbedeelde sponsors nodig om ook maar een beetje mee te kunnen doen. Dat begon in die tijd net allemaal een beetje op te komen. De nieuwe WK status-loze races zette de deur open voor een getalenteerde coureur, uit een straatarm deel van Noord-Ierland en zo werd 1976 het eerste jaar dat Joey deelnam aan de TT, met een niet eens heel indrukwekkende zestiende plaats in de Junior TT als beste resultaat.

Dát 2000-Podium

Zijn legendarische overwinning in de Formula One TT van het jaar 2000 zou niet Joey’s laatste zijn. Later in de week zou hij ook de Lightweight 250 TT en de Ultra Lightweight 125 TT winnen. Toch was het wel zijn eerste TT-winst op een superbike sinds de Senior TT van 1995 en de eerste Formula One TT-overwinning sinds 1988. De twee mannen die het podium met hem bestegen, spraken zich onlangs uit over dát podium uit het jaar 2000.

Michael Rutter

‘Ik was nog een jonge hond toen, 28 jaar oud en ik probeerde mijn eigen naam te vestigen (Tony Rutter, de vader van, was al een zevenvoudig TT-winnaar, red.). Als je dan de strijd aan kunt gaan met namen als Phillip McCallen en David Jefferies, leer je snel. Dat ik nog met Joey Dunlop heb mogen rijden, blijft me ook voor altijd bij. Toen hij op dat podium zijn fles champagne liet vallen, raapte ik ’m maar voor hem op. Joey had amper vingers over aan zijn handen na verschillende crashes over de jaren, dus heel raar was het niet dat hij hem liet vallen. De zenuwen zullen zelfs toen ook nog wel meegespeeld hebben!’

Joey Dunlop
Foto: DUKE
Joey Dunlop
In het jaar 2000 waren John McGuinness en Joey Dunlop teamgenoten. Tijdens de Superbike TT van 2013 reed McGuinnes met de Honda Fireblade in die wereldberoemde kleuren van Joey. Hij startte zelfs met Joey’s kenmerkende nummer drie. Foto: PHIL LONG

John McGuinness

‘In 2000 was ik Joey’s teamgenoot. Hij was altijd al mijn held. Sta ik daar opeens samen met Michael (Rutter, red.) en Joey op dat podium. Die 48-jarige had ons mooi even de oren gewassen. Ik startte de Formula One TT-race dat jaar met startnummer vier. Joey vertrok met zijn bekende startnummer drie tien seconden voor mij. Ik voelde me echt heel wat en die tien seconden had ik in mijn hoofd allang goed gemaakt. Het jaar ervoor had ik een TT gewonnen, ik was het mannetje; ik zou het hem wel eens voordoen! Ik heb Joey tot de finish niet meer gezien. En ik reed hard.’

Met het wegvallen van nog meer wereldsterren het jaar erop, stonden voor Joey de sterren juist perfect in lijn. Al bij zijn tweede deelname verraste hij vriend en vijand door met een sterk verouderde TZ700 aan de start te komen van de Jubilee TT-race, gehouden ter ere van het zilveren jubileum van koningin Elizabeth II. De concurrentie reed inmiddels bijna allemaal op een Suzuki TR750, bij voorkeur de nieuwe, dominante Yamaha TZ750-fabrieksracer. Behalve dat dergelijke motoren onbetaalbaar waren, vond Joey de TZ750 ook niet goed genoeg sturen, terwijl zijn TZ700 juist weer het broodnodige vermogen mistte. De fabrieksrijders werden uiteindelijk allemaal te kakken gezet door Joey. Er kwam een Seeley-frame dat eigenlijk voor een Suzuki was. Met het door Joey verbeterde TZ700-blok in het frame viel alles op zijn plek. Al kostte bandenproblemen Joey nog bijna die eerste overwinning. Dankzij de bizarre vijftig seconden voorsprong die hij al had opgebouwd, kon Dunlop in de laatste ronde op Parliament Square – twintig kilometer van de finish – nog even stoppen om zijn achterband te checken.

Joey Dunlop

Mythen en sagen

Een man met een oeuvre als dat van Joey, vergaart door de jaren heen sowieso bijzondere anekdotes. Dat Joey er haast een patent op leek te hebben – voor een groot deel op conto van zijn bijzondere karakter – maakt de lijst lang. We lichten er een paar opmerkelijke uit.

De eerste race

In 1969 reed Joey op paasmaandag zijn eerste race op het circuit van Kirkistown. Hij had 50 Engelse pond moeten lenen om een 199cc-Triumph Tiger Cub te kunnen kopen. Hij zou dat jaar nog slechts één keer racen. Meer geld had hij niet. Toen Joey met racen begon was hij werkloos, in het sowieso straatarme Noord-Ierland van de jaren zestig. Het zaadje was desondanks geplant.

‘Zeg maar Joe’

De naam Joey lag William Joseph Dunlop – zoals Joey Dunlop voluit heette – niet zo. Hij wilde liever Joe genoemd worden. Oude foto’s tonen dan ook vaak de naam Joe op het ruitje. Gaandeweg werd het liefkozend Joey noemen de norm. Tot het punt dat Joey in het straatracepaddock noemen niet eens meer een achternaam behoefde. Kun je nagaan.

Kleine wereld

In de vroege jaren werd Joey gesponsord door het transportbedrijf van John Rea. Als de noemer Rea Racing op Joey’s oude Ford Transit-racebus je bekend voorkomt, kan dat kloppen. John Rea was namelijk de opa van vijfvoudig WK Superbike-kampioen Jonathan Rea. Jonathans vader Johnny – de zoon van John Rea… het wordt snel verwarrend – won zelf in 1989 de Junior TT-race. Het is een kleine wereld!

May day, may day!

Onderweg naar de Isle of Man TT van 1985, zonk de M.F.V. Tornamona – een halfbakken omgebouwde vissersboot – nog voor deze het open water van de Ierse Zee bereikt had. Aan boord waren onder meer Joey en zijn broer Robert. Verder verdwenen ook Joey’s eigen racers naar de bodem. Alleen zijn Formula One-fabrieks-RVF750’s niet, aangezien Honda die prototypes zelfs niet aan Joey toevertrouwde. Honda Britain bezorgde die persoonlijk op Man. De motoren spoelden kort nadien aan en de 1985 Isle of Man TT zou Joey’s beste tot dan toe worden.

Zuigerveren

Joey deed dingen graag zelf en op zijn eigen manier. Hij had Honda weten te overtuigen alle machines, behalve zijn Formula TT-fabrieksracers, naar zijn eigen werkplaats in Balleymoney te sturen. Zo kon hij ze afstellen en aanpassen zoals hij wilde. Toen Joey bij HRC vroeg om nieuwe zuigerveren voor zijn tweetaktmachines, vermoedde men dat Joey een complete blokrevisie wilde uitvoeren. Zodoende stuurde Honda de Noord-Ier een doos vol, met alles erop en eraan. Zuigerveren, nieuwe zuigers, pakkingen en lagers; alles zat erin. Toen Honda de doos niet veel later terugkreeg, zat nog altijd zowat alles erin. Alleen de zuigerveren waren eruit gehaald en er zat een briefje bij van Joey: ‘Ik vroeg alleen om zuigerveren’.

Die helm

Sommige helmen zijn iconischer dan andere. Denk aan de rood-wit-groene helm van Giacomo Agostini en de zwart met gouden helm met Donald Duck voorop van Barry Sheene. Joey’s knalgele Arai is ook zo’n niet te missen ontwerp. De zwarte details wijzigden tot begin jaren tachtig steeds een beetje, maar Joey reed al vroeg in zijn carrière met een helm met geel als hoofdkleur. In 1978 kreeg Joey voor het eerst een helmensponsor, met eerst Kangol en later TopTek. Uiteraard zijn Joey’s Arai’s het beroemdst. Vanaf 1982 reed de Noord-Ier met nagenoeg hetzelfde geel met zwarte ontwerp op zijn Arai-helm.

Bijgeloof

Ondanks vrachtladingen talent, was Joey een bijgelovig man. Nadat zijn dochter hem voor een race een kus op zijn helm had gegeven, verbood Joey haar dat ooit nog te doen.

De kleur van Joey’s helm was eigenlijk altijd al geel, en de accenten waren zwart. Hier draagt de Noord-Ier in 1983 als eerste jaar een Arai, het merk waarmee hij tot zijn overlijden reed. Foto ARAI

Hij reed nadien namelijk een waardeloze race. De gele kleur van zijn helm zou ook bijgeloof zijn en kreeg hij startnummer 13 toegewezen, dan ging hij naar huis en reed niet. Overigens reed hij vanaf de North West 200 van 1980 altijd met een rood shirt onder zijn pak. De man van Joey’s zus Helen reed altijd in het rood en overleed dat jaar. Om zijn zwager te eren reed hij de race in de kleur van zijn overleden vriend; hij won de race glansrijk. Verder trok Joey altijd eerst zijn linker laars aan, weigerde hij om te keren als hij onderweg bedacht iets vergeten te zijn en zou je hem nooit onder een ladder door zien lopen.

Joey Dunlop
De Honda RVF750 RC45 hangt inmiddels weer aan het plafond in Joey’s Bar in Ballymoney. Toen hij naar Estland vertrok, haalde hij de RC45 zo ook naar beneden en daags voor zijn fatale crash won hij er de Superbike-race mee. Foto: Foto ROBBIE ATKINSON

Het TT Circuit en corona, de tussenstand in getallen

0

Geen Dutch TT, geen WorldSBK, maar ook geen Truckstarfestival. De evenementen die nog wel doorgaan, moeten dat hoogst waarschijnlijk doen zonder publiek. Om te begrijpen dat de impact van corona voor Assen erg groot is, hoef je geen cijferkundige te zijn. Toch zijn het juist een aantal getallen die ons een heel helder beeld geven, waarbij vooral het verlies van 3,5 miljoen euro er bovenuit springt. Of er in hakt…

3.500.000 euro verlies

Normaal gesproken heeft het TT Circuit een omzet van zo rond de 14 miljoen euro per jaar. Het overgrote gedeelte daarvan komt voor rekening van de Dutch TT, want dat levert Assen jaarlijks namelijk zo’n 6 tot 6,5 miljoen euro op. Het niet doorgaan van de TT heeft dus niet alleen op sportief vlak grote gevolgen, financieel is de klap nog veel zwaarder. Een jaar of vijftien geleden had een klap als dit zelfs zomaar het einde van het TT Circuit kunnen betekenen, maar zover komt het gelukkig in 2020 niet omdat er ‘nog genoeg vet op de botten zit’. Desondanks geeft het TT Circuit-voorzitter Arjan Bos een dubbel gevoel: ‘Het voelt wel wrang… We hebben in de voorgaande jaren een gezonde financiële basis opgebouwd, maar nu worden we vijf jaar terug in de tijd geworpen.’ Desondanks is het gelukt om zonder ontslagen bij de TT-staf deze zware periode door te komen.

Dat het financieel allemaal nog vrij gezond is, komt ook doordat er al heel veel kaarten verkocht waren voor de TT van 2020, die hun geldigheid voor 2021 behouden. Als de TT volgend jaar wel met publiek verreden kan worden, mist Assen dus een groot gedeelte van de kaartverkoop in 2021 en dat zal uiteraard z’n weerslag hebben op het financieel resultaat.

Bos kijkt er overigens liever anders naar: ‘Dat bijna niemand zijn geld heeft teruggevraagd, laat zien dat we in Assen een hondstrouw publiek hebben.’

Voorlopig wordt er door het TT Circuit in de begroting rekening gehouden met een ‘normaal’ 2021, al is dat volgens Bos wel afhankelijk van het wel of niet hebben van een vaccin. Is dat vaccin er niet of krijgen we te maken met andere corona-regels, dan moet er door het circuit wellicht geld geleend gaan worden. Maar zelfs dan is er overduidelijk geen sprake van paniek. Niet in de laatste plaats omdat de continuïteit van de Nederlandse Grand Prix totaal niet ter discussie staat. Voorlopig loopt het contract met Dorna tot met 2026. De kans dat het daarna opnieuw tien jaar wordt verlengd, is op zich al erg groot.

3.000.000 miljoen investering

Het kon afgelopen winter niet op voor het TT Circuit. Liefst 60.000 vierkante meter gloednieuw asfalt werd er neergelegd. Hoewel dat volgens steeds meer coureurs nodig was, laat bijvoorbeeld Monza – om zomaar een ander icoon erbij te pakken – zien dat er ook circuits zijn die zich van dat soort commentaar niets aantrekken. Assen doet dat gelukkig wel en wil op die manier voorop blijven lopen. Het oude asfalt is gebruikt voor extra parkeerplaatsen bij de TT Hal. Daarvoor moest zand worden afgegraven, wat gebruikt is om de taluds een kwaliteitsimpuls te geven.

Het was zeker niet de enige aanpassing, want er werden ook achttien digitale vlagpanelen geplaatst. Deze zogeheten digiflags, die gebruikmaken van het eerder aangelegde glasvezelnetwerk, hebben exact dezelfde betekenis en waarde als de vlagsignalen, maar zijn door het gebruik van ledlampen een stuk duidelijker en bovendien ook door racecontrole te activeren. Om misverstanden te voorkomen: het is niet ter vervanging van de marshalls. Deze digiflags zijn er op eigen initiatief gekomen en met eigen geld betaald, wederom omdat het TT Circuit graag innovatief wil zijn. Dé manier om niet uit de gratie te raken.

Verder is het starthuis vervangen, dat nu hetzelfde kenmerkende golvende dak heeft als de Hoofdtribune, zijn er nieuwe pitslampen bij de uitgang van de pitstraat geplaatst, kregen een aantal curbstones een update, werd de waterafvoer vernieuwd en is er een kilometer aan bandenstapels vervangen.

En toen kwam het coronavirus en werd duidelijk dat het terugverdienen van al deze investeringen wat langer gaat duren dan verwacht…

Geen 580.000, maar 105.000 bezoekers

Van zondag 15 maart tot vrijdag 1 mei was het circuit volledig gesloten. Een unieke situatie en de investeringen die hierboven beschreven staan, maakten het allemaal extra zuur. Bos: ‘We kregen steeds minder regie, doordat de overheid steeds meer ingreep. Terecht natuurlijk, maar we wisten lange tijd niet waar we aan toe waren omdat het elke keer minder was. Half maart dachten we bijvoorbeeld echt nog wel dat de TT door zou kunnen gaan. Die was pas eind juni…’

Inmiddels wordt er gelukkig weer volop getraind en getest op het TT Circuit, maar geracet om wedstrijdpunten mag in ieder geval tot 1 september niet. Althans, dat is op het moment van schrijven de situatie. De KNMV en de KNAF, de nationale autosport federatie, hebben met hulp van het TT Circuit en Circuit Zandvoort, via het NOC*NSF een protocol ingediend bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. In dat stuk staat uitgewerkt hoe, onder strikte voorwaarden, er na 1 juli weer geracet en gecrosst zou kunnen worden. Het ministerie moet daarvoor eerst toestemming geven.

Volgens Peter Oosterbaan, algemeen directeur TT Circuit Assen, is ‘zijn’ circuit er klaar voor: ‘In het paddock ligt vier kilometer tape, waardoor elke deelnemer een apart vak heeft, en verder zijn alle processen perfect geprotocolleerd. Een gigantische klus.’

Ook zonder die toestemming staat er gelukkig wel van alles op het programma in Assen. Naast liefst 65 circuitdagen en veel racecursussen, gaat het om het IDM, de OW Cup, de ZAC Cup en de Gamma Racing Day. Allemaal na september. De Gamma Racing Day is bijvoorbeeld al verzet naar 26 en 27 september 2020. Op deze manier hoopt organisator Lee van Dam dat er wellicht zelfs publiek is toegestaan.

Voorlopig is dat nog niet het geval en denkt Assen op 105.000 bezoekers in 2020 uit te komen. Prima haalbaar als je weet dat er bij een eenvoudige circuitdag al 700 tot 800 man (en vrouw) aanwezig is. Maar wie een beetje thuis is in de bezoekersaantallen van het TT Circuit weet dat die 105.000 er normaal gesproken al aanwezig zijn op de laatste zondag van juni.

Normaal komen er overigens 580.000 bezoekers op jaarbasis naar het TT Circuit, waarvan in 2019 167.000 naar de TT. 

100 miljoen

Met zo’n 6 miljoen euro heeft het TT Circuit een serieuze financiële strop, maar de ramp voor de omgeving van het TT Circuit is door het niet doorgaan van de Dutch TT nog vele malen groter. Peter Oosterbaan: ‘De spin-off van het TT Circuit is ruim 100 miljoen euro, waarbij de TT ook hier het grootste gedeelte voor z’n rekening neemt. Het raakt dus ook de ondernemers in de omgeving van het circuit, want normaal zitten alle hotels tussen Zwolle en Windschoten vol.’

150 nieuwe vrijwilligers

Het is gelukkig niet allemaal tranen met tuiten huilen, want na een grote wervingsactie zijn er liefst 100 tot 150 nieuwe vrijwilligers aangetrokken. Iets dat hard nodig is, want het huidige bestand is flink aan het vergrijzen. Daarnaast merkt het TT Circuit goed dat het vrijetijdspatroon van mensen aan het veranderen is, waardoor steeds minder mensen vrije tijd hebben, en dat de pensioenleeftijd steeds hoger komt te liggen, helpt ook al niet. Hoe belangrijk deze groep mensen is, legt Peter Oosterbaan in heldere bewoordingen uit: ‘Uiteindelijk draait het TT Circuit op vrijwilligers. Het werk dat deze mensen doen, is niet te verlonen. Daarmee staat het belangrijkste dus niet op de balans, want zonder deze mensen kun je de tent echt sluiten.’ Op dit gebied speelt corona dus een keertje niet de hoofdrol.

MOTO73 analyseert

Dit is waarom in het kort Assen niet op de MotoGP-kalender 2020 staat

Het blijft raar, apart, vreemd en vooral onwerkelijk om het TT Circuit niet op de Grand Prix-kalender te zien staan. Dat gebeurde namelijk nog nooit! Hoe het zover gekomen is? Dat er eind juni geen publiek bij de TT zou kunnen zijn, werd al snel duidelijk. Maar de optie om te racen zonder publiek is zeer serieus overwogen. Voor het TT Circuit uiteraard minder interessant, maar voor Dorna des temeer vanwege bijvoorbeeld de tv-rechten en afspraken met sponsors. Dorna wilde daardoor ook wel zorgen dat het financieel allemaal in orde zou komen, mocht er zonder publiek gereden worden.

Maar er was nog iets dat speelde bij het houden van een groot evenement in coronatijd en dat was de beeldvorming. Hoe zou er worden gereageerd als er voor een motorsportevenement vanuit de hele wereld mensen zouden komen naar Assen? Vergis je niet, dit speelde allemaal in tijden dat de ic-bezetting in Nederland zeer kritiek was en de sterftecijfers in Spanje en Italië verschrikkelijk hoog waren. Moeten we dit wel willen, was de vraag die vaak gesteld werd op het TT Circuit.

Nadat bekend werd dat alle vergunningsplichtige evenementen verboden werden tot 1 september, was duidelijk dat eind juni onhaalbaar was. Kort daarna werd duidelijk dat het na 1 september ook niet haalbaar was. Een belangrijke reden daarvoor was dat er voor eerder gecancelde MotoGP-evenementen amper nog ruimte was op de flink ingekorte kalender. Een andere belangrijke oorzaak is dat het nog altijd zeer onduidelijk is wat er met evenementen in Nederland gaat gebeuren na 1 september. Dit, met nog een rits aan andere onzekerheden, zorgde ervoor dat er uiteindelijk door het TT Circuit en Dorna gezamenlijk werd besloten de 90e Dutch TT een jaar door te schuiven.

Inmiddels is helaas ook duidelijk dat het WorldSBK en het BSB in 2020 niet naar Assen komen.

Eerste test Ducati Superleggera V4 2020

0

De Pirelli-slicks zijn warm, het rechte stuk lonkt. Voor het eerst de volle 234 paardenkrachten loslaten op het asfalt van Mugello. De Ducati Superleggera V4 hoeft weinig voort te stuwen ook. Slechts 152 kilo aan motorfiets, een rijder a 90 kilo inclusief battledress en zeg tien kilo benzine en andere vloeistoffen. Dit is speciaal. Heel speciaal.

Dromen zijn bedrog?

Ontwikkelingsrijder Alessandro Valia is nog geen kwartier opwarmrondjes aan het rijden als de telefoon van Ducati’s communicatie-opperhoofd Francesco Rapisarda klinkt. De hoe dan ook altijd goedlachse Florentijn lacht nog breder na een ouderwets verhit maar amicaal stukje Italiaans telefoneren. Als hij ophangt legt hij uit, zoals het een beetje professioneel Italiaan betaamt, in grammaticaal goed Engels. Maar met een accent zo zalig dik dat het de Italiaanse kapitein uit de televisieserie ‘Allo Allo’ wel lijkt. Francesco: ‘Dat was een vriend van me. Woont op vijf minuten van Mugello. Hij hoorde wat en vroeg of we op het circuit aan het testen waren met de MotoGP-machine, anders kwam hij even kijken als het mocht.’ Met een nog grotere glimlach verdwijnt de telefoon in de binnenzak en sommeert hij ons dat we moeten aantreden voor de Superleggera V4. Zou bijna vergeten dat ik daarom in Coronatijd kunst- en vliegwerk heb uitgehaald om in Mugello te komen.

Het is nogal wat

De dames en heren in Ducati-shirtjes, polo’s en uiteraard perfect gestreken witte Ducati-overhemden lijken zich zo druk niet te maken. Waarom zouden ze ook; wat is heel die Ducati Superleggera V4 nou eigenlijk? Dat leg ik je even uit… Een motorfiets van 115.000 euro, waarvan er slechts 500 gemaakt worden. Elke koper krijgt op de koop toe de mogelijkheid de Ducati World Superbike Panigale V4R te rijden. Leg je nog 20.000 euro extra neer, mag je zelfs een keer testen met de MotoGP-machine. Dan geldt wel dat wie het eerst komt, wie het eerst maalt. De teller houdt op bij 30 gelukkigen. Overigens maal je al te laat… En laat Ducati tussen neus en lippen door nog even dat ze er met die 20.000 euro nog geld op verliezen. Het gaat om die Italianen om de dromen.

Verwezenlijken van die droom was van meet af de belangrijkste inspiratie voor de Superleggera V4. Ducati stelde zichzelf een uitdaging: een straatmotorfiets met bijna net zo veel vermogen als een volwaardige Superbike, er moest tien kilo af – dat werden er zelfs twaalf – ten opzichte van de toch al lichte Panigale V4 en de downforce moest geavanceerder zijn dan Ducati nu in de MotoGP heeft. Dat is nogal wat. Het is echt allemaal nogal wat, want iedereen die er toe doet binnen Ducati is van de partij. Pandemie of niet. Maar toch… zoals Francesco Rapisarda midden in waarschijnlijk Ducati’s belangrijkste presentatie ooit de telefoon opneemt om even te grappen en te grollen om vervolgens weer door te gaan. Da’s op zijn Italiaans ontspannen.

Racy genen

Het is ook niet vreemd dat die lokale connaisseur de klanken van de Superleggera V4 verwart met die van een MotoGP-Ducati. De uitlaat uit de racekit die Ducati meelevert exploiteert het beste dat de 234 pk en 119 Nm sterke V4-krachtbron te bieden heeft. Dat geluid. Je haat het of je houdt ervan. In de basis wordt de Superleggera aangedreven door de Panigale V4R WK Superbike-homologatiekrachtbron. Maar dan wel verder geoptimaliseerd en verbeterd met bijvoorbeeld anorectisch lichte titanium nokkenassen. Ducati koos haast instinctief voor de 998cc V4 in plaats van de grotere en 1103cc viercilinder uit de standaard V4 en V4S. Weet je nog, de drom? Dat was de ultieme straat-legale racer te maken. Die verrekte racegenen vlak je nou eenmaal niet zomaar uit.

Angstige oogjes

Racy is dan ook precies hoe de Superleggera aanvoelt vanaf moment nul. De zit is hoog, hoger dan standaard. Voor vandaag zijn een 125/70 slick voor en 200/65 achter gemonteerd. De kuip is weer enorm breed. Dat, en het verplichte nummer van de enthousiast rammelende droge koppeling vergt wat souplesse om de boel aan de praat te houden. Eén keer af laten slaan mag, toch? Met lichtelijk angstige oogjes wenk ik de monteur om een duwtje te geven en daar gaan we. Wetende dat ik een maatje 520-ketting heb om 234 pk naar een vederlicht achterwiel te sturen, schakel ik vlug op en rij de baan in. Opvallend: geen racewaardig lange eerste versnelling; gewoon straatoverbrengingen en schakelpatroon voor de Superleggera. Geen tijd voor zenuwen nu, er moet warmte in die Pirelli’s.

Verlengstuk van jezelf

Ook aan de voorzijde hangt een carbon-wiel, voorzien van halfzwevende joekels van Brembo-schijven, die weer aangegrepen worden door de evolutie van de Stylema-remklauw; de Stylema R. In het waas van ‘er moet warmte in die Pirelli’s’ leer je snel dat dit waarlijk ankers zijn. In Bocht een knijp ik de volgende ronde nog wel een keer zo hard. Twee vingers is meer dan voldoende. Heuvelop naar de eerste chicane. Race B is de subtielere instelling van de twee standaard rijmodi. In de eerste en tweede versnelling is de afgifte dan gematigd, zonder dat het ooit voelt alsof er ook maar iets inhoudt. Het is in het omgooien van links naar rechts dat de eerste kennismaking met het rijkarakter van de Superleggera zich echt openbaart. Na deze ervaring wordt het moeilijk welke motor dan ook nog lichtvoetig te noemen. Met de kin over de tank stuiterend over de binnenste kerbs in een rechterbocht, zo onwaarschijnlijk veel gemakkelijker dan verwacht gooi ik de Ducati om van flank naar flank. Alsof het niets weegt. Mugello heeft op zich al fijne lay-out en biedt meteen weer een links-rechts chicane. Ditmaal ga ik er met nog meer overtuiging in. Sturen is net zo moeiteloos als kijken waar je heen wilt. Zelfs de bloedsnelle heuvelaf-combinatie Casanova naar Savelli gaat als vanzelf. Deze Ducati weegt niks en laat zich bewegen alsof het een verlengstuk van jezelf is. Zo openbaart de Superleggera V4 zich.

Hart desondanks in de keel

Ook de rest van het circuit rijgt de Superleggera aan elkaar alsof ik de baan al honderd keer gereden heb. Elke bocht lijkt opeens bekend terrein. Als ik me besef dat de Biondetti-chicane richting de laatste bocht toch meer sturen vraagt dan het op de televisie lijkt, laat het lichte composietrijwielgedeelte zich van zijn beste kant zien. Het staat geheel tot je dienst, moedigt je aan tot meer durf. Terwijl het haast zo gemakkelijk gaat als in een videospel, komt een verprutste bocht enkel en alleen voor eigen rekening. En met dat vertrouwen, het hart desondanks in de keel, doemt het beruchte en bloedjesnelle rechte stuk van Mugello op. Ik heb de apex in zicht en kijk waar ik heen wil. Dan de blik op de horizon gericht en het gas tegen de stuit. En dan…

Testvideo Ducati Superleggera V4

Ferme duw

Wat dan volgt is een acceleratie die zelfs elektrische motoren of motoren met drukvulling doet verbleken. Wanneer het rechtstreeks uit de MotoGP geleende TFT-dashboard bovenin een van oranje naar rood knipperend licht laat zien, is enkel de kleine teen genoeg om de grote en centraal op het dashboard geplaatste drie naar een vier te trappen. Het onderbrekingsmoment van de quickshifter haalt de gang er merkbaar uit, waardoor je heel even voorover lijkt te schuiven. Maar nog voor je het goed en wel realiseert duwt de Superleggera V4 je weer ferm tegen de carbon bumstop op het kontje. En zo nog eens naar de vijfde versnelling. Ik kan het omschrijven als intens, maar dat dekt de lading niet.

In veel opzichten identiek aan de V4-krachtbron uit het V4R-homologatiemodel, maar nog beter afgewogen en afgemeten. Daarnaast kreeg het blok in de SFV4 ook titanium nokkenassen en werd elk boutje mogelijk vervangen door titanium.

Niet zo sexy

Stellen dat het idioot gemakkelijk over Mugello’s bepaald niet rechte of vlakke rechte stuk vliegt, dekt de lading evenmin. Geen straat-superbike voelde ooit zo stabiel en – raar als het klinkt – veilig op zo’n serieus hoog tempo. Afgaand op het schromelijk gebrek aan massa, zou de Superleggera V4 voor het gevoel veel zenuwachtiger moeten zijn. En dat brengt me bij de gigantische en bijna onooglijke vleugelpartij.

Aerodynamica is simpelweg niet zo sexy. Het effect is merkbaar, maar bij gebrek aan veel referentiemateriaal krijg ik er de vingers niet onder. Heel subtiel voel je dat het voorwiel de strijd met de zwaartekracht wint, maar echt loskomen is er ook niet bij. Bij 270 kilometer per uur zou er vijftig kilo extra druk op de voorzijde duwen, zonder dat je echt massa hoeft toe te voegen. Alleen de kuip en de vleugels dan, beide ook uit carbon, uiteraard. Overigens is de kuip wel zo gigantisch breed dat als je in het zadel zit je de vleugels eigenlijk niet ziet. Zet er een perfect gevormd ruitje op en dan kan zelfs een Hollandse jongen als ik met 1,86m zich er goed achter vouwen. Het is dan, met de aanzwellende toeren en decibellen, dat je het geluid van de Superleggera pas echt ervaart. Langs de zijlijn klonk de Ducati hels en trilde het trommelvlies van genot, maar met de knuisten om de clipons is het luid maar niks te.

Filip van Schil: De gelukkigste Belg ter wereld

Verlengstuk

Na een eerste gewenningsrondje – alsof dat heel veel is – leg ik eens echt aan voor die befaamde eerste bocht. De San Donato, waar zich al menig racedrama voltrokken heeft. Geen drama vandaag. Niet dezelfde venijnige handvol, maar een ferme en waanzinnig goed te doseren remvertraging, waarna de Superleggera als vanzelf naar binnen loopt voor de korte klim. Dan weer terug naar die eerste chicane. Links, rechts. De tweede versnelling uitmelken tot het shiftlight ook weer wakker wordt. Die tweede chicane vreet de Superleggera V4 net zo op. Zo maar. Alsof ik de wereldkampioen ben. Mugello wordt een waas, een roes. Het vloeiende en toch gigantisch snelle karakter van het circuit lijkt voor de Superleggera V4 gemaakt. Of andersom. Wat niet veel bezijden de waarheid zal liggen aangezien Alessandro Valia de machine hier vanaf nul ontwikkeld heeft. Zijn ‘eigen’ Superleggera is dan ook niet zo mooi meer. Noem het goed gebruikt. De remklauwen zijn verweerd, het blok is vies en veel boutjes zijn duidelijk meer dan eens los geweest. Zo ook Valia zelf, met een lichte stoppelbaard, een vieze veeg op zijn broek met een paar goed gebruikte sportschoenen eronder. Die Superleggera is het verlengde van Valia geworden, want dat doet de Superleggera met de rijder.

Als vanzelf

Elke bocht, elke keer dat je op het gas gaat, steeds wanneer je de motor veel sneller dan je ooit dacht te kunnen omgooit en telkens wanneer je die briljante rempartij aanspreekt; het gaat als vanzelf. De Ducati Superleggera V4 is dan ook een rijdende tegenstelling. Ducati stelde zichzelf een doel en legde er alles voor in de waagschaal dat doel, die droom te verwezenlijken. Voor zichzelf, maar zeker ook voor de Ducatist. De tegenstelling zit hem erin dat al die gedurfde beslissingen, al die innovatieve ontwikkelingen en bizarre toewijding die in het project zitten, resulteren in een motorfiets die er voor het gevoel niet eens is. Remmen gaat zonder moeite en de acceleratie is bizar bruut en toch berekenbaar. In het sturen lijkt het plots alsof je je verstand en zenuwstelsel ingeplugd hebt in de ECU van de motor. Terwijl datzelfde elektronische brein je constant aanspoort en leidt. Duizenden manuren gingen in Project 1708 zitten en de som der delen kost uiteindelijk waarschijnlijk nog zo veel meer dan wat er op het prijskaartje staat. En zelfs dan zal de droom voor maar weinigen echt haalbaar zijn, terwijl dat een droom als de Superleggera V4 juist zo bijzonder maakt. Als het gemakkelijk was, zou het geen droom zijn. Dan zou Ducati deze motor nooit gebouwd hebben. Maar het was hún droom. En voor de 500 gelukkigen voor wie mogelijk de allergrootste droom uitkomt. Het zal de best bestede 115.000 euro ooit zijn. En dat voor een motorfiets die verdwijnt zodra je erop stapt. 

Plus

De beste straatlegale sportmotorfiets die er is. Punt. Uit.

Min

Al laat je ‘m alleen maar stapvoets omvallen, je bent zowat meteen failliet…

Conclusie

Elk van de 500 met de hand in elkaar gezette Superleggera V4s gaat naar een klant die in elke vezel bovenal motorliefhebber is. Speciale Ducati’s vinden normaliter hoe dan ook wel gretig aftrek bij verzamelaars en mensen die het als investering zien. Alleen hoe leg je een prijs van 115.000 euro voor een motorfiets uit? Het is niet uit te leggen. Hoe goed de Superleggera V4 ook is, het blijft ‘maar’ een vervoersmiddel, alle inherente nadelen incluis. Maar door de  waarde van iets zo exclusief als de Superleggera V4 uit te drukken in euro’s… dan sla je de plank goed mis. Dan heb je iets niet begrepen. De droom die Ducati had toen ze zich als doel stelde de ultieme straatlegale sportmotorfiets te bouwen, is uitgekomen. Daarmee schiep Ducati voor de motorliefhebber een mogelijkheid te dromen één van de 500 gelukkigen te worden. Je krijgt voor dat geld een motor die zo veel meer is dan alleen dat. Afsluiten met een cliché dan? De Ducati Superleggera V4 is pure, onverdunde emotie. En de emotie wint uiteindelijk altijd van de ratio. Maar aan emotie heb je niet genoeg. Euro’s moet je hebben, heel veel euro’s. En daar baal ik van. Wat een motor!

Zondagmorgenfilm: Afscheid Chad Reed

0

Afgelopen zondag reed Chad Reed in het Amerikaanse Salt Lake City zijn laatste Supercross-wedstrijd ooit. Een moment dat natuurlijk niet zomaar voorbij mag gaan en dus plaatsen we – met dank aan de Monster Energy Supercross-organisatie – bijzonder graag deze mooie tribute-video online.

Filip van Schil: De gelukkigste Belg ter wereld

1

Het nummer 001/500 model van de Ducati Superleggera V4 – de enige motorfiets ter wereld die gehomologeerd is voor gebruik op de weg met een frame, achterbrug en velgen van carbon en geproduceerd is door de Italiaanse motorfietsfabrikant in een beperkte oplage van slechts 500 stuks – is officieel geleverd aan zijn nieuwe eigenaar, de Belgische Ducatist Filip Van Schil, die al negen andere Ducati motorfietsen bezit.

Ducati-museum

Voor de gelegenheid nodigde Ducati Van Schil uit in de Ducati-fabriek in Borgo Panigale voor een speciale rondleiding. Daar kon hij van dichtbij de productielijn zien waarop zijn motorfiets is gebouwd. Ook ontmoette hij de specialist die zijn Ducati Superleggera V4 heeft afgesteld. Daarna ging het naar het bedrijfsmuseum, het Ducati Design Centre en de Racing Department.

Superbike Experience

Ook krijgt Filip, net als alle andere Superleggera V4-eigenaars, de ongelooflijke kans om de Panigale V4 R, die deelneemt aan het SBK wereldkampioenschap, te testen op het circuit van Mugello in het kader van de ‘Superbike Experience’. Wie zegt dat geld niet gelukkig maakt?

DUBBELTEST: KTM 890 Duke R en Triumph Street Triple 765RS

0

Met een beter rijwielgedeelte dan sommige superbikes en fiks minder gewicht om te verplaatsen, winnen de supersportieve middenklasse-nakeds in rap tempo terrein. De Triumph Street Triple 765RS legde de lat hoger. Kan de KTM 890 Duke R direct terugslaan?

Triumph Street Triple 765RS

Hij kreeg verleden jaar vrij onverwacht alweer een update, en dat terwijl de Street Triple RS sowieso al weinig te wensen overliet. Desondanks was de nieuwe 765RS nog weer net dat beetje beter. Geen sprake van een remmende voorsprong bij Triumph…

KTM 890 Duke R

Dat ze in Hinckley scherp willen blijven, is geen overbodige luxe. KTM hoopt met deze nieuwe 890 Duke R een machine neer te zetten die op straat zijn gelijke niet kent. Wat de 790 Duke altijd had moeten zijn en meer, dat heeft hij nodig om de Triumph te kunnen kloppen.

Triumph Street Triple 765RS

‘Dus ik kom die bocht uit…’ Je kent dat soort sterke verhalen wel. De Street Triple 765RS had de hoofdrol in één van de mijne, namelijk bij de introductietest van verleden jaar, toen bocht 1 op Cartagena iets minder gang nodig had, met een grindbakexpeditie tot gevolg. Toch gaf de Street Triple RS zo veel vertrouwen dat het gas er de eerstvolgende bocht direct weer op kon. Dat zegt iets. Nu is hij terug.

Tijdens de introductie kregen we de donkergrijs-met-rode kleurstelling voorgeschoteld, terwijl dit matzwart met geel net zo strak is, maar toch iets vriendelijker oogt. Triumph paste het uiterlijk aan zoals het merk de hele machine aanpakte. Verfijnen en de nadruk leggen op details maakt het verschil. Je zit gewoon meteen goed op de Triumph, met een niet te extreme kniehoek en ook niet al je gewicht voorover en op je polsen. Het volgende dat opvalt, is hoe intuïtief de motorfiets stuurt: heel gemakkelijk, maar ook niet te gevoelig. En dan zijn we pas een paar meter op pad.

Wanneer het op het bochtenwerk aankomt, lijkt de besturing zelfs nog beter te zijn. Met speelse eenvoud en eindeloze stabiliteit laat hij zich sturen. Zo licht als het maar kan zijn, althans, dat denk je. De KTM stuurt bizar genoeg namelijk nog lichter. De Triumph voelt met één op één overstappen opeens als de degelijke van het gezelschap.

Sleutelwoord vertrouwen

Vertrouwen blijft toch het sleutelwoord. De Triumph reageert in alles heel natuurlijk en heel logisch. De gasreactie is boterzacht, maar toch scherp en reactief, waarna het blok gretig toeren maakt. De fijne voetsteunen en prima raakvlakken van de tank en het zadel maken sturen op tempo heel gemakkelijk. De quickshifter trapt het allerfijnst door de versnellingsbak bij middelhoge toerentallen – precies waar je met echt doorrijden helaas niet zit – maar kan door de bank genomen toch bekoren. Hoewel je het vermogen wel los moet trekken door toeren te draaien en de juiste versnelling dus een must is, loopt hij wel zo rap door het toerenbereik dat het snel voor elkaar is. Het blok is gegoten uit een legering van gelijke delen aluminium en haastige spoed. Dat het Hinckley triple-uitlaatgeluid vervolgens heel fijn voor het gehoor is, is de kers op de taart. Bovendien is die nieuwe demper zelf me een partij mooi. Dankzij het slim versterken van het inlaatgeluid is het vooral genieten voor de rijder, dus zonder al te veel overlast voor de omgeving.

Het enige nadeel van die toerengretigheid is wel dat je dat uitlaatgeluid nodig hebt om op tijd te schakelen. Het dashboard werd qua graphics opgefrist en is de uitzondering op de regel dat álles aan de Street Triple beter is. De toerenteller is namelijk iets te abstract geworden, met twee zijwaarts uitlopende balkjes die vollopen naarmate het toerental oploopt. Dat valt gewoon niet genoeg op, al helpt het niet dat de KTM juist beschikt over één van de allerfijnste sportieve dashboards die er zijn. Gelukkig zijn zaken als de motormapping en de mate van interventie van de elektronica speels eenvoudig in te stellen met de inmiddels bekende en bejubelde joystick links op het stuur.

Zijn Oostenrijkse tegenhanger is wat dat betreft ook al zo handig, al voelt de bediening van de Street Triple RS wel wat deftiger. De 890 Duke R is wat meer hardcore, terwijl de 765RS subtieler is.

Toch een nieuwe Triumph Street Triple S

Kleine beetjes

De illusie dat de Street Triple traag stuurt, is maar van korte duur. De Duke stuurt gemakkelijker, maar op puur vertrouwen slaat de Triumph terug. Op droge dagen met respectabele temperaturen zijn de Pirelli’s voortreffelijk. In vergelijking met de Michelins – nagenoeg slicks, joh – onder de Duke R zijn ze heel allround van insteek. De remmerij staat ook op vergelijkbare hoogte. Stylema’s zijn de nieuwe standaard, maar vlak de Brembo M50-remklauwen onder de Street Triple RS niet uit. Met de MCS-rempomp kun je het remkarakter precies op jouw rijstijl laten aansluiten, een luxe die zelfs een Ducati Panigale V4R niet standaard heeft. Zo kun je op een rondje naar de supermarkt iets minder bijtkracht kiezen en voor een straatrit op tempo klik je het wieltje door naar een agressievere stand. De KTM heeft dezelfde pomp met dezelfde instelmogelijkheden, maar het rijwielgedeelte en het blok zijn veel scherper en feller dan de Triumph hier, voor sommigen misschien zelfs net wat te. Het onderstreept hoe de Street Triple 765RS meer in de breedte werkt dan de oranje concurrent. De Triumph is breder inzetbaar en legt daardoor op veel vlakken kleine beetjes toe, maar over de hele linie blijft de Brit dusdanig indrukwekkend goed dat dat prima kan. Het Street-gedeelte in Street Triple 765RS is niet uit de lucht komen vallen.

Plus

Briljant stabiel en gemakkelijk rijwielgedeelte, fijn en gretig motorblok, nieuwe looks

Min

Dat dashboard aanpakken, zou een simpele aanpassing moeten zijn

KTM 890 Duke R

KTM geeft wat het belooft: een idioot lichtvoetige naked bike met een ophitsend tweecilindermotorblok en een uiterlijk dat schreeuwt door te willen, zelfs wanneer de motor stilstaat. Tenminste, dat beloofde KTM met de 790 Duke. Zelfs met de basale vering en een blok dat enerzijds echte overtuiging miste en anderzijds wel erg wispelturig op het gas was, kwam het in de buurt en was de 790 Duke pret op wielen. Nu wordt de belofte met de 890 Duke R goedgemaakt.

Als er toch één ding met kop en schouders uitsteekt wanneer je rijdt met de 890 Duke R, dan is het wel het gewicht, oftewel het gebrek eraan. Zeker in vergelijking met de Triumph. Zonder cijfers te weten, gok je al snel dat de KTM een goeie twintig kilo lichter is dan de Street Triple, maar daar is niets van waar. Het drooggewicht van beide komt uit op 166 geclaimde kilogrammen. Binnenkort hopen we weer gebruik te kunnen maken van onze geijkte weegschaal, want dit wil jij weten en wij ook. Het vederlicht stuurkarakter komt dus niet door de kilo’s, maar door hoe die kilo’s over de motor zijn verdeeld.

Het zadel is stevig, maar goed gevormd. Achteraan is het lekker breed om veel ruimte te geven, terwijl het naar de tank toe prima te klemmen is, maar gruwelijk smal toeloopt. Sowieso voelt de hele motor rank en afgetraind, alsof elke overgebleven gram strikt noodzakelijk is. De Duke lijkt – en is – compact en de zithouding biedt juist zeeën van ruimte om te verzitten. Dat wil je ook.

Dubbeltest: BMW F900XR en Triumph Tiger 900GT Pro

Inclusief de nadelen

Je wilt de 890 Duke R uitknijpen en de motor juicht dat toe ook. Kijk alleen al naar die banden. De Michelin Sport Cup-banden zijn op wat inkepinkjes midden op het loopvlak na nagenoeg slicks en rijden zo ook. Let wel, inclusief de nadelen. Bij reguliere straatbandenspanning de motor koud flink afschuinen en kort keren, resulteert wel eens in een glijdend bandje, of twee. Niets schrikbarends, maar wel iets om rekening mee te houden. Eenmaal warm lijkt er geen eind aan de grip te komen. Achter ritgenoot en fotograaf Jarno op de KTM aan rijdend zie je dat hij vroeger op het gas kan dan ik met de Street Triple. Het scheelt niet veel, maar je zou bijna zeggen dat de eenvoud waarmee de 890 Duke R zich laat sturen de 765RS te kakken zet. De nieuwe LC8c-twin trekt vrolijk en gretig en is soepeler en krachtiger dan de oude 790.

Bij wat minder feilloos asfalt en bij een wat hoger tempo wint de Triumph een slag terug op stabiliteit en vertrouwen. De Oostenrijker trekt in het middengebied enthousiast door en wielspin ligt dan snel op de loer. Toch staat de mate van controle dankzij de nieuwe WP-vering en de geüpgradete elektronica heel veel toe. Je voelt de motor bewegen, maar erg is het niet; jij blijft aan zet. De Track-modus blijft de favoriet, waarbij het dashboard wordt teruggebracht tot enkel het hoognodige en je met de pijltoetsen op het stuur heel vlot wat extra ‘slip’ inregelt. Een lichter voorwiel krijg je dan ook, mits de anti-wheelie uitstaat.

Dat uitzetten is eveneens een peulenschil. O, en de quickshifter wil je ook. Alleen al hoe zalig de plofjes uit de roestvrijstalen demper klinken, maar vooral omdat het zo strak schakelt. Daarmeehebben we meteen de twee absolute hoogtepuntjes aan de 890 Duke R die er dus niet standaard op zitten. Een gemiste kans, die extra pijnlijk wordt omdat de mogelijkheid van het uitschakelen van de anti-wheelie bijvoorbeeld al vooringesteld is, evenals de Track-modus. De dealer haalt enkel het digitale slotje eraf, zodat jij het kunt gebruiken. Dat slotje kost even € 346,18 en de quickshifter nog eens € 395,73. Best prijzig voor zaken die je toch echt wel wilt hebben.

Trucje

‘Als je moet vragen wat het kost, kun je het niet betalen’, gaat het gezegde. KTM doet hetzelfde trucje met de opties bij de toch al prijzige 1290 Super Duke R, waardoor het prijsgat tussen die oranje broeders er in vergelijking niet groter op wordt. Zo staat de 890 Duke R echt op eigen wielen, midden tussen de kleinere Dukes en de 790 Duke aan de ene kant en de 1290 Super Duke R als overtreffende trap aan de andere kant, ook qua prijs. Dat zou een klein slagje zijn voor de Triumph – en de 890 Duke R heeft nog steeds punten over om te missen – aangezien die met € 13.800,- wat prijs-kwaliteitverhouding echt niet onderdoet.

De KTM is simpelweg de meest hardcore straatnaked die er is: weinig tot geen compromissen en vooral veel fun. Je dient alleen wel de nadelen bij de voordelen op de koop toe te nemen. De haast profielloze banden voorspelden het lot al. Dan heb je met de KTM 890 Duke R echt wel wat. Heel wat.

Plus

Heerlijk gretig en sterk blok, strak rijwielgedeelte, goede elektronica

Min

Niet goedkoop en veel opties wil je standaard, voor sommigen wat te hardcore

KTM 890 Duke R vs Triumph Street Triple 765RS: Conclusie

Sportief rijden op straat gaat anno nu met niets beter dan met naakte machines als deze KTM 890 Duke R en Triumph Street Triple 765RS. Je zit niet compleet opgevouwen, door het gebrek aan windbescherming heb je meer snelheidsbeleving en door het hogere stuur en de afgewogen rijwielgedeelten is het wendbaarheid troef. Mede dankzij het lage gewicht ook, uiteraard. Op dat laatste gaat de KTM 890 Duke R aan de haal met de testoverwinning. Of toch niet? Beide wegen 166 droge kilo’s, maar de Oostenrijker voelt in het rijden nog zo veel lichter en wendbaarder dan zijn Britse driecilinder-tegenpool. Het totaal vernieuwde blok doet er een schepje bovenop en doet de 790 Duke haast vergeten.

Zoals wij hem reden, met de quickshifter, Track-modus en aanverwante, kost hij wel ruim € 850,- meer dan de adviesprijs van toch al € 14.300,-. Dat is veel voor een motorfiets die zo toegespitst is op fun en niet veel meer. Dergelijke bedragen zijn wat gortig voor de ‘voor erbij’-categorie. Daarmee schiet de plots wel erg complete Triumph Street Triple 765RS net voor de finish voorbij de KTM. De Brit moet het verlies toegeven wat betreft het geniaal gemakkelijke rijden van de 890 Duke R, maar veel doet hij niet onder qua feilloos sturen en rijden. De Street Triple RS wint het uiteindelijk toch op veelzijdigheid en bruikbaarheid, een beslissing die je met het hoofd maakt.

De 765RS is meer motor en schaadt je kredietwaardigheid wat minder. Volledig objectief en zonder emotie is de Triumph Street Triple 765RS de winnaar. Mocht je het prijskaartje van de KTM in jouw huishoudboekje echter wel kunnen verantwoorden onder de categorie ‘speelgoed, dan is er toch echt geen twijfel mogelijk: oranje boven!