woensdag 13 mei 2026
Home Blog Pagina 996

Eerste elektrische MX machine gaat de concurrentie aan

0

Het moet de eerste elektrische crossmotor worden die zich kan meten met de huidige generatie van 250cc crossmotoren. Eind dit jaar moet het prototype klaar zijn. De motor is een gezamenlijk project van SPIKE Technologies en Dohms Projecten, ondersteund door Yamaha Europe N.V. en de KNMV.

De nieuwe EMX machine krijgt steeds meer vorm op de tekentafel van startup SPIKE in Helmond. In een bestaand Yamaha YZ250F chassis wordt een elektromotor ingebouwd. “Ik ben ervan overtuigd dat de elektrische machine die we bouwen binnenkort sneller zal zijn dan de huidige generatie crossmotoren”, zegt Bas Verkaik van SPIKE. “Het grote voordeel van een elektrische motor is dat het koppel veel hoger is. Dat geeft meer trekkracht. Je kunt er een snellere ronde mee rijden. ”

Kansen

Het idee voor een competitieve elektrische crossmotor kwam anderhalf jaar geleden van motorcrosser en MX-trainer Elmar Dohms. “Er zijn veranderingen gaande op het gebied van geluid en milieu, die in het nadeel zijn van crossmotoren. Daarom heb ik samen met mijn bedrijf een haalbaarheidsonderzoek gedaan naar alternatieven. Hieruit bleek dat er kansen liggen op elektrisch gebied. ”

Tegelijkertijd keek motorbond KNMV naar duurzaamheid in de motorsport. “Ik ben een groot fan van motorcross, de geur van benzine en het geluid van knetterende motoren”, zegt Patrice Assendelft, directeur van de KNMV. “Door dit project te ondersteunen, geven we de traditionele verbrandingsmotoren echt niet op. Maar we moeten wel naar de toekomst kijken. Nu kunnen we nog steeds lawaai maken. Maar als circuits met beperkingen te maken krijgen, dan moeten we voorbereid zijn op de toekomst. Een elektrische MX-machine, die geen schadelijke stoffen uitstoot en geen lawaai maakt, maakt het beoefenen van motorcross eenvoudiger. ”

Batterij vervangbaar

De accu die de motor van stroom voorziet, is ontwikkeld door SPIKE. Dohms kijkt onder meer naar de aandrijving en de gewichtsverdeling. Doordat de batterij eenvoudig te vervangen is, kan na een manche snel worden deelgenomen aan een tweede sessie. 

Yamaha Motor Europe N.V. is enthousiast over het initiatief. “We ondersteunen dit project van Dohms en SPIKE graag, omdat we het belangrijk vinden om bedrijven en initiatieven als deze te motiveren om de ontwikkelingen in de elektrische technologie een impuls te geven. We kijken er erg naar uit om het prototype te testen en te evalueren om te begrijpen hoe de technologie van Dohms en SPIKE presteert in ons YZF-chassis”, zegt Leon Oosterhof van Yamaha Motor Europe’s Product Planning Division.

Kijk voor meer informatie op emx-powertrain.com.

Classic & Retro editie 25

0
Classic & Retro 25

Classic & Retro editie 25 is uit en ligt nu in de winkel.

Wil je hem online bestellen als losse editie? klik hier. GRATIS thuisbezorgd!

De Transformatie

In de Harley Sportster van Erik van der Riet  schijnt zijn werk als schoenmaker door. Het levert een bijzondere café-racer op.

Leren jacks

Niet te missen in je retrogarderobe, een leren jack. We zetten  er negen op een rijtje.  

Benelli Imperiale 400

Eenvoud is vaak de kracht van oude motoren. Ben je daar naar op zoek, dan is de Benelli Imperiale 400 iets voor jou.  

Cees Doorakkers

Privateer Cees Doorakkers reed in de 500cc tegen toppers als Lawson en Doohan. ‘Een plek tussen de vijf en de tien had erin gezeten.’

Super Ténéré (1989)

Voor deze publiekslieveling bedacht Yamaha bij de introductie de term Adventure Sport Touring. Dat willen we wel eens ondervinden.   

Cheney-BSA B44

De Engelsman Eric Cheney verenig-de de topcrosser en de toptuner in een persoon. Het leverde frames op die net een stapje  verder gingen dan die van BSA.

EN VERDER

  • De Schuur van Rob Menger
  • Inrijden
  • Yamaha XTZ750 
  • Mijlpaal – BSA Gold Star BB34 GS (1953) 
  • Toen – 1920
  • Geboren Klassieker – Ducati 350GTL/500GTL & GTV (1976-1980)
  • Toen – 1945
  • Toen – 1970
  • Techniek – ontwikkeling van de voorvork
  • Toen – 1995
  • Column Alex George
  • Verzameling – De Adlers van Aart ’t Lam
  • Verloren merk – Sparta
  • Column Hans Spaan

Gerucht houdt aan: Honda V4 sportmotor voor 2021

0

De geruchten over een mogelijke terugkeer van de Honda RVF1000R houden al enige tijd aan en zijn zelfs nooit echt verdwenen. Fans van motoren als de SP1 en SP2 zijn duidelijk opgewonden door de gedachte aan een terugkeer naar een V4. En het is waarschijnlijk dat Honda het RC213V-S project dan zal beëindigen.

Het is niet zo dat de RC213V-S op de weg geen prachtig project was, integendeel. Als je op zoek bent naar het ultieme in rijgedrag en dynamiek op het circuit, is deze Honda moeilijk te verslaan. Het probleem is dat de weguitvoering (slechts) 159 pk heeft, waardoor je een racekit nodig hebt om de volledige 215 pk te ontgrendelen. Om dat te bereiken betaal je €188.000 voor de RC213V-S en €12.000 voor de racekit. Twee ton dus voor een motor die niet meer vermogen produceert dan de nieuwste generatie Fireblade!

Met dat in gedachten zal Honda wel twee keer nadenken voor ze in een nieuw V4-avontuur stappen. Dan moet de Honda absoluut een motor worden die werkelijk alles verslaat, de Ducati V4 inbegrepen.

Het laatste gerucht dat de Honda er komt, valt te lezen op de Japanse website Young Machine. Dit medium schiet vaak raak als het om voorspellen gaat van wat zich in de fabrieken in Japan afspeelt. Maar ook wij zijn deelgenoot gemaakt van de ontwikkeling van de motor. Eens in de zoveel tijd duiken er weer nieuwe op.

Maar als Honda een nieuwe V4 zou kunnen lanceren spannend is, wat ze dan van plan met het CBR-platform? Die is net zwaar geüpdatet, die zet je niet nu al bij oud vuil. En een Honda-range zonder Fireblade kan ook niet door de beugel, maar zouden twee 200 pk+ sportmotoren echt een klantenkring kunnen delen? Waarschijnlijker is dat de V4-sportmotor  een zeer exclusieve moor wordt voor een heel kleine groep motorrijders. Motorrijders die de Fireblade te gewoon vinden.

Terug naar toen – 1945 – deel 3

0

Rubberbanden

Motoren met een stijf frame – dus zonder achtervering – zijn passé, is het stellige oordeel van de MOTOR-redactie. Behalve het comfort neemt door de vering van het rijwielgedeelte ook de wegligging aanzienlijk toe. Dat laten de ‘renmotoren’ duidelijk zien. Maar de achtervering hoeft niet per se te bestaan uit schokdempers. Ook is het mogelijk om de vering in de naaf onder te brengen. Edward Turner – de geniale ontwerper bij Triumph – noemde dat principe al in 1937.

De redactie geeft als voorbeeld een experimentele constructie die is uitgerust met 24 rubberbanden tussen de as en de buitenkant van de binnenring. Weer daaromheen wordt het gespaakte wiel gemonteerd. Het gedeelte met de rubberbanden wordt aan beide zijden afgedekt door grote schijven die respectievelijk de remtrommel en het kettingwiel bevatten.

Die schijven verlenen de vereiste stijfheid aan het mechanisme. Uiterlijk is de vering dan alleen te zien als een grote trommel in het achterwiel.

Bij de eerste rijproeven moesten de rijders wennen aan de voortdurend veranderende wielbasis. Verticaal uiteraard, maar ook in de lengterichting omdat de wielas ook in horizontale richting beweegt. Dit werd echter niet als hinderlijk ervaren. Ook niet in bochten. Niet getest en dus nog een groot vraagteken is de levensduur van de rubberbanden.

Wiel met gekruiste rubberbanden – MOTOR 19, 14 december 1945

Baggeren en ploegen

Tekening van snelle rijders op motoren – MOTOR 9, 5 oktober 1945

Dick Eysink – inderdaad van de fabriek uit Amersfoort – is in de jaren dertig een zeer geducht rijder van internationale betrouwbaarheidsritten. Met hem spreekt de redactie van MOTOR over hoe de toekomst van de terreinsport er uit moet zien nu de vrede is weergekeerd. Eysink is een man die het amateurisme hoog in het vaandel heeft staan. Voor hem dus geen grote geldprijzen voor de winnaars. Wel pleit hij voor betere ‘was- en kleedgelegenheid’ voor de rijders en een gesloten parkeerterrein voor de wedstrijdmotoren. Zijn belangrijkste punt is echter dat organisatoren het parcours te zwaar maken met veel bagger en zand. Dit gaat ten koste van de snelheid en dus van de stuurmanskunst van de deelnemers en de beleving bij het publiek. ‘Het moet wel rijden blijven en geen baggeren en ploegen worden’.

De weergave van het gesprek met Dick Eysink wordt opgeluisterd door fraaie illustraties van Charles Burki. Een tekenaar met een messcherp gevoel voor techniek en details.

Let op de puntjes

De redactie benadrukt het nogmaals: onderhoud aan de motor voorkomt narigheid onderweg. Bovendien is zo kort na de oorlog de onderdelenpositie nog slecht. Reden temeer om zuinig met je motorfiets om te gaan. Dus controleer de kettingspanning geregeld en geef de ketting z’n broodnodige vet. Kijk ook naar onderdelen die rammelen en draai de losgetrilde boutjes aan. Check ook het oliepeil in het blok. Wacht niet tot luidruchtige tandwielen dat signaal geven. Dan is de schade al aangericht.

Controleer ook geregeld de kabels van de voorrem, het gashendel en de koppeling. In geval van rafelige binnenkabels: direct vervangen. De foto laat ook een andere klus zien: het controleren en afstellen van de contactpuntjes. Het voorkomt dat je je bij het starten wezenloos moet trappen.

MOTOR 16, 23 november 1945

Nieuw: 2020 Yamaha Tracer 700 GT

0

De 2020 Yamaha Tracer 700 is aanzienlijk vernieuwd. Het model heeft een wat sportievere uitstraling, gewijzigde ergonomie, een 75 pk tweecilinder parallelmotor met geüpdatet Euro5-vermogen en een voorvork die je veelvuldig kunt afstellen.

De 2020 Yamaha Tracer 700 is iets lichter (196 kg met volle tank) en goedkoper dan de driecilinder Tracer 900. De Tracer 700 is een veelzijdige crossover, die in staat is tot prima prestaties en die je makkelijk kunt besturen.

Met de Travel accessoires-pakket (zie foto hierboven, 1.330 euro) verandert de Tracer 700 in een GT-versie. Inmiddels is ook een Yamaha Tracer 700 gefotografeerd met een speciale uitrusting voor de Italiaanse politie en reddingsdiensten. Zie foto bovenaan dit bericht.

De Yamaha Tracer 700 voor de Italiaanse politie en reddingsdiensten heeft een grotere ruit (dat van de Travel kit) en een eenzitszadel. Het duozadel is vervangen voor de radio en een deel van de speciale elektronische uitrusting, knipperlicht en een sirene. De Tracer 700 heeft ook een middenbok, verwarmde handgrepen en harde Yamaha zadeltassen.

Bron: autoevolution.com

Te koop: twee KTM RC16 MotoGP-racers

0

Te koop: KTM RC16 MotoGP-racers, bouwjaar circa 2019. Eerste eigenaar, altijd binnen gestaan, in nieuwstaat. Alle service en onderhoud uitgevoerd door in de fabriek opgeleide technici. Nooit gereden. Twee motoren beschikbaar: €288.000 per stuk. Bereid om te ruilen voor Honda RC213V of gelijkwaardig.

Het is niet de eerste keer dat KTM een aantal van zijn Grand Prix-racers te koop aanbiedt. Je had al een van de twee KTM RC16-motoren uit 2019 kunnen kopen voor de spotprijs van €250.000. Achteraf gezien helemaal niet zo’n slechte deal.

Afgezien van de gemiste kansen, voor die €288.000 (plus belasting) bezit je wel je eigen MotoGP-racer. En… doet KTM er ook nog Pol Espargaro’s gebruikte racepak en een gesigneerde helm bij. Daarnaast een VIP MotoGP-evenementenpakket voor een van de MotoGP-races van 2021.

Alleen serieuze vragen worden in overweging genomen en geïnteresseerden kunnen contact opnemen met KTM via rc16@ktm.com.

Motorleven: Hans van Schijndel

0
Hans van Schijndel

‘Zeven jaar zijn circuitdagen een verslaving geweest. Na de eerste circuitdag was ik verkocht. Al had ik, na een hele dag rijden, op de terugweg niet meer de kracht om te koppelen. Uiteindelijk deed ik mee aan de KNMV-cup en de Zomeravond-competitie. Overdreven veel talent heb ik niet, ik reed ergens bovenin de grote middenmoot. Omdat het thuisfront het niet zo leuk vond, ben ik gestopt. Mijn vrouw ging al niet mee en nadat mijn zoon me voor de derde keer onderuit zag gaan, wilde hij ook niet meer mee. Alle keren ben ik door een ander onderuit gereden. De vierde keer had ik een onvervalste highsider. Alleen weet ik dat niet meer, omdat halverwege de lucht het licht uitging.’

Paspoort

Leeftijd62
WoonplaatsSchiedam
Rijbewijs sinds1976
MotorfietsKawasaki Z1000
Kilometerstand14.000
In bezit sinds2020
Aantal gekochte motoren13
Aantal verkochte motoren12

De afgelopen jaren heb ik zo’n beetje op alle merken en motoren gereden. Elke keer kom ik toch weer terug bij Kawasaki. Ik krijg het niet over mijn hart om iets anders te kopen. Het merk past me het beste, het heeft iets rebels. Honda is toch een soort Opel Kadett geworden. Sommige mensen noemen Kawasaki het Ducati van Japan en dat geloof ik wel. Het merk heeft iets ontegenzeggelijk sportiefs en de klanten zijn merktrouw.’

Motorleven: Willem Visser

‘Toch begon het voor mij allemaal met een Suzuki toen ik op kamers in Utrecht woonde. Toen ik een T20 voor 650 gulden bij een motorzaak te koop zag staan, had ik iets van: “dat kan ik betalen”. Een auto zat er echt niet in. De verkoper deed net of hij niet wist dat ik een half jaar te jong was toen ik zonder rijbewijs een proefrit maakte. Met 17,5 had ik dus mijn eerste motor, al dacht iedereen dat ik uit mijn nek kletste.’

Motoren in mijn leven

  • Suzuki T20 (eerste motor)
  • Honda CB360
  • Kawasaki Z650
  • Suzuki ER185
  • Suzuki T350
  • Kawasaki Z550
  • Kawasaki ZZ-R1100
  • Honda XR250R
  • Kawasaki ZX-6R (circuitfiets)
  • Kawasaki ZX-9R
  • Kawasaki Z1000 (3x)
Suzuki T20
Suzuki T20 (eerste motor)

Ben jij abonnee van MOTO73 en wil je meedoen aan deze rubriek? Stuur ons dan een e-mail: redactie@moto73.nl.

Techniek: ED-Koplampen & bochtenverlichting

0

H4 versus LED

We hebben een youngtimer met een klassieke H4-koplamp voorzien van twee moderne LED-koplampen. Eentje zelfs met bochtenverlichting! Heeft een ombouw naar deze lichtgevende dioden echt zin?

De BMW R100R Mystic is inmiddels al 25 jaar oud. De originele ronde Bosch-koplamp met lensglas en H4-pit heeft een ruim bemeten diameter van 180 mm. Het inwendige is al ietwat aangetast waardoor het licht wat melkachtig aandoet. De lichtbundel lijkt echter nog steeds goed. Of zijn we er in de loop der jaren gewoon aan gewend geraakt? De klassieke gloeilamp met gloeidraden voor dim- en grootlicht verdwijnt steeds meer uit het straatbeeld, LED-koplampen met dagrijverlichting en soms zelfs bochtenverlichting zijn ook bij motorfietsen sterk in opmars. En dat niet alleen bij nieuwe modellen.

Techniek – De geschiedenis van de voorvork

Op de accessoiremarkt is er inmiddels een groot aantal LED-alternatieven voor de originele, conventionele koplamp. De voordelen zijn aanzienlijk: grote lichtopbrengst, lange levensduur en veel meer vrijheid bij de vormgeving ervan. Redenen genoeg dus om oud en nieuw eens met elkaar te vergelijken. Zeker nu de nieuwste ombouwsets zelfs met bochtenverlichting leverbaar zijn!

Meten op een muur

Onze youngtimer verlicht op een afstand van 20 meter een witte muur. Daarop kunnen we de verschillen in lichtsterkte en bundel beter vaststellen. Aan de linkerkant hebben we aanvullend nog een motor geparkeerd om het strooilicht en natuurlijk de bochtenverlichting duidelijker zichtbaar te maken. De montage van de accessoire-koplamp is meestal snel uit te voeren. Twee boutjes van de koplamphouder losdraaien, stekker lostrekken en datzelfde vervolgens in omgekeerde volgorde en klaar ben je. Niet vergeten om de koplamp goed af te stellen! Vooral LED-koplampen kunnen met hun scherpe licht-donker overgang tegenliggers snel verblinden. En dat treedt bij onze kort en hard accelererende voertuigen toch al eerder op. De ombouw naar LED-verlichting is overigens nog niet echt goedkoop. Merkproducten zijn er vanaf ongeveer 280 euro; met bochtenverlichting kom je al snel op 500 euro of meer.

Wie niet zo diep in de portemonnee wil grijpen, kan ook proberen om zijn oude koplamp weer wat op te frissen. Als bijvoorbeeld het kunststof koplampglas van buiten bekrast is, kan je dat met een polijstmiddel opknappen. Moeilijker wordt het om een van binnen vervuilde koplamp te reinigen. Die is meestal niet demontabel en alleen toegankelijk via het gat voor de fitting. Dan is het meer gepriegel, maar het loont zich vaak wel. Ook zinvol is het vervangen van de oude H4-lamp door een nieuwer, hoogwaardiger type. Hier leveren fabrikanten als Philips en Osram onder aanduiding van bijvoorbeeld ‘+150%’ H4-lampen. Die zijn weliswaar iets duurder, maar geven daadwerkelijk meer licht dan het origineel. Je haalt daarmee echter niet de lichtsterkte van de LED-alternatieven.

Standaard H4-koplamp van BMW

Fabrikant: Bosch
Diameter lens: 180 mm
Lichtbron: H4-duplolamp 60/55 Watt

De ronde koplamp van Bosch heeft nog een klassiek lensglas met een reflector erachter. De H4-pit is aan de voorzijde voorzien van een afscherming. Die zorgt ervoor dat het licht naar de zijkant tegen de reflector straalt. Van daaruit wordt het op de weg geprojecteerd. De gloeidraad van het dimlicht heeft ook nog een horizontaal afschermplaatje. Dat zorgt ervoor dat het dimlicht alleen tegen de bovenzijde van de reflector schijnt, die het vervolgens omlaag werpt tegen het wegdek. Voor het grootlicht is er een 60-watt-gloeidraad, voor het dimlicht 55 watt.

Dit type koplamp geeft een tamelijk warm, geelachtig licht. Aangenaam is het hoge aandeel strooilicht. Het zorgt ervoor dat je links en rechts van de bundel niet meteen in het pikkedonker zit. Zo blijven je ogen door het minder felwitte licht ook gevoeliger voor zwak omgevingslicht. De uitlichting van de weg zelf is echter relatief diffuus. Ook is overdag je zichtbaarheid voor het overige verkeer minder dan bij LED-koplampen met dagrijverlichting.

Koso ‘Thunderbolt’ LED-koplamp

Fabrikant: Koso
Diameter: 170 mm, helder glas
Lichtbron: LED; dimlicht 9,7 W, grootlicht 15,1 W, dagrijverlichting 4,6 W
Prijs: vanaf € 297,95
Te koop bij: Bihr.eu, caferacerwebshop.com

De complete Koso-koplamp is ook een stylingelement en laat zijn koelribben openlijk zien. Op de achterzijde zijn meerdere schroefdraadbevestigingen aangebracht om verschillende montageposities mogelijk te maken. De platte vorm (hij is maar 86 mm diep) helpt daarbij ook. De leds geven met name in dimlichtstand zeer fel licht (koel wit licht) en zorgen voor een zeer scherpe grens tussen licht en donker. Bijzonder opvallend is de extreem brede lichtbundel. Vergeleken met de standaardkoplamp wordt de weg duidelijk beter uitgelicht, maar het ontbreken van strooilicht is vooral bij het rijden van bochten hinderlijk. Bij grootlicht concentreert de Koso zijn lichtbundel duidelijk meer in het midden en geeft een goed zicht in de verte.

P&W LED-koplamp ‘British Style Typ 8’ met bochtenverlichting

Fabrikant: Paaschburg & Wunderlich
Diameter: 7 inch (177,8 mm), helder glas
Lichtbron: LED; dimlicht 20 W, grootlicht 26 W, dagrijverlichting 15 W
Prijs: € 499,95
Te koop bij: bike-design.com, Highsider-germany.de

Deze nieuwste aanwinst bij de LED-ombouwsets heeft zelfs geïntegreerde bochtenverlichting. Dat gaat bij circa tien graden hellingshoek aan (zie openingsfoto) en verlicht de binnenkant van de bocht zeer gericht. Deze bochtenverlichting is juist bij LED-koplampen met hun scherpe licht-donkergrens een wezenlijk voordeel. Het vrijwel afwezige strooilicht zorgt er namelijk voor dat je bij het insturen van bochten volstrekte duisternis inrijdt. Bij het dimlicht is deze scherpe scheidslijn goed te zien, bij het grootlicht verstrooit de koplamp in zijwaartse richting al duidelijk meer. In beide lichtstanden is het veel beter dan standaard en in combinatie met de bochtenverlichting is het ook een goede investering, zij het geen kleine. Dit model ‘Typ 8’ is ook leverbaar als inzetset in de originele behuizing voor € 459,95.

Zondagmorgenfilm: De geheimen van de VR46 Motor Ranch

0

Normaal gesproken is het onmogelijk om achter de schermen te kijken op de VR46 Motor Ranch. Valentino Rossi houdt er namelijk een zeer selecte gastenlijst op na (en gelijk heeft ‘ie natuurlijk!). Maar in deze film komen we toch akelig dichtbij.

Triotest: Kawasaki W800, Royal Enfield Interceptor 650 en Triumph Street Twin

0
Triotest kawasaki

Kawasaki W800 Street

Na een korte afwezigheid is Kawasaki’s W800 weer terug. Technisch helemaal bij de tijd, maar op het oog minstens een halve eeuw oud. Voelt hij echt modern of klassiek?

Kawasaki W800 Street
Kawasaki W800 Street
Royal Enfield Interceptor 650

Royal Enfield Interceptor 650

De Bullet is al sinds 1341 in productie. Deze staande twin is nieuw en klaar om de strijd met de concurrentie aan te gaan. Onbevreesd en aantrekkelijk geprijsd trekt deze mooie jongen ten strijde.

Triumph Street Twin

Bij zijn introductie had de Street Twin 55 paardenkrachten, maar dat zijn er ondertussen 65. Daarmee ontpopt hij zich zowaar tot de krachtpatser van dit gezelschap. Type: van dik hout zaagt men planken?

Een oudgediende dient zich aan als nieuwe concurrent voor de gevestigde retro-orde. Drukt Royal Enfield zijn neus vooraan het venster?

Triumph Street Twin
Triumph Street Twin

Kawasaki W800

Geen protesten

Kawasaki voert dit jaar deze W800 Street en de caféracer W800 Café. Die laatste heeft een bikinikuipje en een ouderwets naar beneden gebogen stuurtje. Op deze Street zit juist weer een uit de kluiten gewassen beachbar. Dat is niet alleen breed, maar het komt ook een flink eind naar achteren. Het staat leuk en ontspannen, maar zo pakt het niet uit. Het kolossale stuur dwingt je te ver achterover, waardoor je erg rechtop zit en dat voel je al snel aan je onderste.

Triotest Benelli 752S, Kawasaki Z650 en Yamaha MT-07

Het is een euvel dat dit hele trio treft; het comfort aan boord kan beter. Door de kwaliteit van de zadels wil je in alle gevallen binnen een uur afstappen. De Street Twin heeft nog de beste logische zitpositie van de drie. Je zit aangenaam voorover, maar de knieën maken een te stevige hoek door de lage zithoogte. De Royal Enfield bungelt qua comfort gevoelsmatig tussen de Triumph en Kawa in. Voor alle drie geldt dat de voetsteunen – historisch correct – ver naar voren staan, maar dat wreekt zich op ‘hoge’ snelheid. Op de Afsluitdijk met een stevige bries tegen is 120 km/u al een opgave. Je worstelt om niet dwars doormidden geblazen te worden. Als de regering ooit besluit de maximum snelheid van 130 km/u weer te verlagen naar 120 km/u verwacht ik geen protesten uit de hoek van retro-eigenaren.

Ruim voordat het monument op de Afsluitdijk in zicht komt, vraag ik me al af hoe ik ooit in drie dagen van Spanje naar Nederland reed op twee van deze retro’s. Los van ons ondergewaardeerde, maar onvoorstelbare doorzettingsvermogen scheelde het dat het stuur van de vorige W800 lager was en minder ver naar achteren kwam.

Kawasaki W800

Bèta-blokkers

Je bent het best af als je achter de Kawasaki W800 rijdt. Dat klinkt als een sneer richting de Japanner, maar het is een compliment. Wat klinkt deze motorfiets – ondanks alle Euro4-geneuzel – prachtig mooi. Dit ding klinkt echt als een klassieke staande twin; hij heeft die kenmerkende grol waarop klassieke Britse motoren patent hebben.

Kawasaki W800

Het blok – met de karakteristieke en unieke koningsas – draait zijdezacht en bulkt van het koppel. De binnenzijde van het motorblok moet met pluche en dons zijn bekleed, zo zacht als alles aanvoelt. Het is niet vrij van vibraties – dat geldt voor alle drie – maar het zijn good vibrations en geen bron van ergernis. De twin pakt overal zijdezacht op en het voelt compleet onlogisch om richting het rode gebied te knallen. Je kunt hele dagen rijden zonder dat de toerentellernaald boven de 4000 toeren uitkomt en geen moment het idee hebben dat je iets mist. Integendeel, genieten kan ook op het gemak. ‘Doe maar rustig aan’ is het devies. Dat geldt ook voor het gemiddelde verbruik, dat op 1:21,2 uitkomt.

Het rijwielgedeelte vaart ook wel bij een toeristisch tempo. Hier komt het hoge stuur weer om de hoek kijken. Het degradeert de bestuurder tot een rijdend windscherm, waardoor er op hoge snelheid al snel onrust in het rijwielgedeelte sluipt. Logisch met zulke comfortabel afgestelde vering. Een geliefde snelwegafrit eindigt in een wobbelende Kawa en een rijder die acuut behoefte heeft aan bètablokkers. Zelfs op het rechte eind weet de W800 op hoge snelheid het hoofd niet koel te houden. Het voelt wel heel retro, eindelijk weer een ouderwets Japans kauwgomballenframe. ‘Doe maar rustig aan’ is wederom het devies.

Het motorgevoel

Sturen3
Comfort2
Blok4
Prijsfactor3
Retrofactor3

De mening van…. Dennis Broek

Het is even omschakelen voor Dennis, wiens BMW S1000R over bijna 120 pk meer beschikt dan deze retro’s. Toch ziet hij de lol wel in van een toertje met een ploffende twin.

‘”Wel een leuk damesmotortje”, hoor ik mijn vrouw nog zeggen. Daar zit ik dan met mijn 1,88 meter en  meer dan honderd kilo… Het motorblok is lekker soepel en schakelt als een mes in de bekende boter. De Kawasaki klinkt het mooist van de drie. De zithouding en de vorm van het zadel zijn niet helemaal op elkaar afgestemd en geven, met mijn postuur, al na een half uur een brandend achterwerk. De comfortabele vering nodigt niet uit tot sportief rijden, al geven de over straat schrapende voetsteunen wel de indruk dat je lekker bezig bent. Uiteindelijk eindigt de W800 voor mij op de tweede plek.’

De W800 lijdt een beetje aan het Heintje Davids-syndroom. Nadat we hem eind 2017 een plaatsje in de geschiedenisboeken gaven, staat hij sinds dit voorjaar weer ouderwets in de showroom.

Dennis Broek

Al is hij door alles wat hem van rechtswege wordt opgelegd iets minder ouderwets dan voorheen. Achter heeft de trommelrem namelijk plaatsgemaakt voor een schijfrem. ABS is een moetje anno 2019. Het lijkt direct het grootste verschil met de oude W800, maar Kawasaki heeft de motorfiets van voor tot achter aangepakt. Ook het rijwielgedeelte ontsnapte niet aan de verbeterdrift van de mannen uit Kobe en hopelijk zet dat de voorheen zo goedmoedige lobbes iets meer op scherp.

Royal Enfield Interceptor 650

Geen pisbakkenstaal

Misschien had ik de avond voorafgaand aan de introductie toch een glaasje minder van het rode plaatselijke wondervocht moeten drinken. In de directe nabijheid van de Kawasaki en Triumph is de Interceptor 650 op sommige punten de mindere. Geen schande, want door zijn lage prijs verdient hij weer dikke pluspunten.

Op afstand vind ik de Royal Enfield zelfs met afstand de mooiste motor van dit trio. Ik weet het: niets is zo persoonlijks als smaak, maar het lijnenspel van de motor klopt van voor tot achter. En de Indiase fabrikant blijft gelukkig trouw aan het kleurrijke thuisland door een spetterende metallic lak op de tank te spuiten. Waarom kiezen Kawasaki en Triumph voor de saaie matte kleur op hun benzinetanks? Iedereen associeert de Japanse fabrikant met gifkleuren en de Britten hebben zeker een reputatie hoog te houden met spectaculaire kleuren. Staat er dan nergens meer een potje Nucleair Red of Blazing Orange op de schappen in Hinckley?

Royal Enfield Interceptor 650

Als je kritisch dichterbij gaat kijken, valt het pas op dat de afwerking van de Royal Enfield niet op gelijke hoogte staat met die van de andere twee. De sowieso vrij lompe uitlaatdempers zijn nogal rudimentair aan het frame gehangen en ook zaken als voetsteunen zijn minder verfijnd.

In een directe vergelijking voelt de nieuwkomer toch iets minder hoogwaardig dan de andere twee. Het is beslist geen rammelbak van Chinees pisbakkenstaal, maar de Kawasaki en Triumph stralen iets meer klasse uit en zo voelen ze ook. Gelukkig doet hij in gevoel en charme niets voor zijn tegenstanders onder.

Slachtbank

Het nieuw ontwikkelde blok vind ik qua vorm alweer de mooiste van de drie. Waarom pakken Triumph en Kawasaki hier alweer de kwast met zwarte lak? Dan doen de gepolijste en mooi afgeronde carters van de Royal Enfield het een stuk beter. Het blok heeft wel de minste cilinderinhoud van dit trio en dat kan niet zonder gevolgen blijven. Op papier (en op de rollenbank) produceert de twin net zo veel topvermogen als de Kawasaki, maar over het gehele toerengebied voelt de Japanner veel krachtiger aan. De Triumph is helemaal geen partij voor de Interceptor. Op snelheid kan hij de W800 nog wel even bijbenen, maar dat betekent toeren maken. Daarvoor moet je hem rond het piekvermogen (bij 6500 toeren) rijden en dat wil je niet. Net als de andere twee motoren is de Interceptor een machine die je lekker lui en laagtoerig zijn gang moet laten gaan. Dat kan ook, maar dan houdt de snelheidssensatie niet over. Een gemiddeld verbruik van 1:24 is wel prettig.

Royal Enfield Interceptor 650

Het is natuurlijk de vraag of snelheidssensatie een issue is bij retro’s. Zeer waarschijnlijk niet: deze motoren komen ermee weg dat ze alleen standje ‘rustig aan’ kennen. Een normale en betaalbare naked is een veel betere motorfiets dan een instap-retro.  Een Z650 maakt gehakt van een W800, een Street Triple doet hetzelfde met een Street Twin en als Royal Enfield een naked in het assortiment had, zou die de Interceptor ook op de slachtbank leggen.

De Interceptor etaleert dezelfde eigenschappen als zijn duurdere tegenstrevers. Het comfort kan beter en dat geldt ook voor de rijeigenschappen. Bij een lange, doordraaiende snelwegafrit voelt de Interceptor wat onzeker en niet zo neutraal als de andere twee. In het korte bochtenwerk valt hij bovendien wat naar binnen. Dat doet zijn gelijktijdig geïntroduceerde ‘broer’ Continental allemaal net iets beter. Met wat schroefwerk aan de achterdempers stuurt ook de Interceptor iets scherper.

Het motorgevoel

Sturen3
Comfort3
Blok3
Prijsfactor4
Retrofactor4

De mening van…. Dennis Broek

‘De zithouding van de Royal Enfield is wat beter dan die van de Kawasaki, maar het zadel is erg zacht. Dat klinkt comfortabel, maar dat is het niet. Je zakt namelijk dwars door de schuimvulling heen tot op de rand van de bodemplaat. De Interceptor stuurt en remt allemaal wat vager dan de Kawasaki en de Triumph. Inhaalacties kosten ook wat meer tijd en je voelt dat dit de minst krachtige is. Hij oogt wel het meest retro van het stel, maar daar heb ik persoonlijk niet zo veel mee. Daarom eindigt de Royal Enfield op de laatste plaats.

Iedereen die denkt dat India de natuurlijke habitat van de Interceptor 650 is, heeft het verkeerd. De Royal Enfield komt er weliswaar vandaan, maar hij moet zijn gemaakt voor de Bourgogne. Daar zwierde ik eerder dit jaar de eerste meters met de nieuwkomer. Dwars door de beroemde wijnvelden over golvende wegen en met lekker wat hoogteverschil. De Interceptor en de gelijktijdig geïntroduceerde Continental 650 maakten er diepe indruk. Ze zijn leuk om te zien, hebben een fiks prijsvoordeel en rijden goed. In de Bourgogne leken ze klaar om de strijd me andere retro’s aan te kunnen, maar is de gedachte terecht?

Triumph Street Twin

Tien paarden extra

De Street Twin slaat als enige in dit gezelschap een brug tussen een moderne naked en een retro. Dat is mooi, maar je kunt het ook als een nadeel beschouwen. Rekt de Brit de grenzen te ver op van authenticiteit? Het is in dit gezelschap bijvoorbeeld de enige motor met traction control en rijmodi. De elektronische luxe roept de waarom-vraag op. Hoeveel vermogen heeft dit ding nu helemaal? Liever had ik een duizend euro goedkopere variant gezien zonder elektronische ondersteuning. Wat is er mis met een Street Basic Edition? De motorfiets heeft al die digitale poespas namelijk sowieso niet nodig. De injectie pakt prachtig mooi op en je doseert het vermogen moeiteloos. Alle drie motoren hebben hun brandstofinjectie trouwens goed voor elkaar. Ze pakken allemaal als fluweel op. De Street Twin consumeert ook nog eens bescheiden met 1:24,4 gemiddeld.

Triumph Street Twin

Triumph heeft aan alle onderdelen – retro en modern – veel aandacht besteed. De Britten hebben serieus oog voor detail bij hun modern classics. Royal Enfield zou alleen eens moeten kijken naar het uitlaatsysteem. De dempers zijn veel kleiner dan die van de Interceptor en van prachtig geborsteld metaal. De klasse straalt ervan af.

De dempers ogen niet alleen het fraaist, zo klinken ze ook. De Triumph produceert een heerlijke donkerbruine roffel. Het illustreert de kracht van de twin. Het is veruit de krachtigste van het stel omdat Triumph gelukkig al snel terugkwam op de visie dat 45 pk voldoende zijn. De tien extra paardjes die Triumph in de stal heeft toegelaten, zijn meer dan welkom. Het levert een krachtige motorfiets op. De andere twee zijn ook onderin krachtig en alert, maar de Street Twin heeft meer in huis. Dat merk je als je boven de 100 km/u nog even lekker doortrekt. De Kawa en Enfield doen dat op hun tandvlees, de Triumph op zijn gemak.

Geen speedwobble

Als het op sturen aankomt, is de Street Twin degene die je van dit gezelschap wilt of moet hebben. Het is geen flitsende stuurfiets, eerder een liefaardige lobbes, maar wel neutraal en in balans. Ook op hogere snelheden en lange doorlopers laat hij zich niet gek maken. De vering staat net als bij zijn tegenstrevers volledig in het teken van comfort, maar de Street Twin laat zich het minst gemakkelijk in de war brengen. Een boomwortel op de ideale lijn resulteert niet direct in een speedwobble, al voel je de motor wel degelijk bewegen.

Triumph Street Twin

Het voelt alleen nooit gevaarlijk of tempo-drukkend. De Triumph en Royal Enfield beschikken bij het enthousiastere stuurwerk over voldoende grondspeling, de W800 zit erg snel aan de grond.

De zithouding sluit redelijk goed aan bij het doorrijkarakter van de motorfiets. De zit is ontspannen, maar door het niet te hoge stuur is het goed mogelijk om je schrap te zetten tegen rijwind. Op een winderige Afsluitdijk ben je met haast het best af op deze retro. Alleen de kniehoek is fors te noemen. Een hoger zadel moet pure luxe zijn om de knieën wat te ontlasten. Met een zithoogte van 750 millimeter zit er nog flink wat rek in.

Ook bij de remmen weet de Britse retro te overtuigen. De Street Twin bewijst dat een enkele remschijf aan de voorkant voldoende in zijn mars kan hebben. Met het nodige gevoel zet je de machine stil. Bij zijn concurrenten moet je daarvoor flink knijpen in een gevoelloos remhendel. Bij alle motoren geldt dat de achterrem er niet voor niets opzit.

Het motorgevoel

Sturen4
Comfort3
Blok4
Prijsfactor3
Retrofactor2

De mening van… Dennis Broek

‘De Triumph is voor mij de mooiste motorfiets om te zien. Hij remt goed, stuurt zowaar goed en heeft duidelijk de meeste power van de drie. Wel schakelt hij een stukje hakeriger dan de Kawasaki en ik had constant ruzie met de richtingaanwijzerschakelaar; wat een onmogelijk knopje is dat. De Triumph Street Twin eindigt desondanks met afstand boven aan mijn top-drie. Hij voelt moderner en beter aan dan de rest.’

De Street Twin is de senior in dit gezelschap. We zagen hem voor het eerst in 2016 en hij heeft dus beduidend meer levenservaring dan de rest. Hij wijkt op wel meer punten af van de Royal Enfield en Kawasaki. Het is de krachtigste, maar vooral de modernste. Triumph grijpt overduidelijk terug op het verleden, maar geeft er wel een moderne draai aan. Een te moderne twist? Dat is aan jou om te beslissen, maar de gietwielen en het flitsende dashboard vallen uit de toon naast de spaakwielen en de traditionele klokken bij de concurrentie.

Meten is weten

Doet vermogen er echt toe bij dit soort instap-retro’s? Het draait toch veel meer om bruikbaar en aangenaam vermogen? Ik ben geneigd op beide vragen volmondig met ‘ja’ te antwoorden. Toch bewijst het terugkrabbelen van Triumph op de twee jaar eerder nog weldoordachte ’45-pk-is-genoeg-visie’ dat vermogen ook bij dit soort ontspannen motoren van belang is. Natuurlijk draait het niet om het hoogste specifiek vermogen, maar om een duimendik uitgesmeerde laag trekkracht over het gehele toerenbereik, maar een beetje vermogen is en blijft leuk. Triumph heeft dat in tweede instantie goed begrepen.

Het valt op dat de fabrikanten bij instap-retro’s reële of zelfs te bescheiden vermogens opgeven. In de praktijk kloppen de opgeven waarden perfect of worden ze zelfs ruim overtroffen. De Street Twin is het rolmodel als alle drie motoren hun beste beentje hebben voorgezet op de Marolo-vermogensbank bij Hoco Parts. Hij produceert niet alleen het hoogste vermogen en koppel, maar geeft zijn maximale koppel redelijk vroeg af. Bij 3858 toeren produceert de twin 81,7 Nm. Het zwakke schaap, de Interceptor 650, hoest 57,1 Nm op, maar doet dat pas bij 5118 toeren. De Kawasaki bungelt daar een beetje tussen in met 67,5 Nm bij 4679 toeren. Alle snaarstrakke lijnen bewijzen één ding: de drie motorblokken zijn toppers in het lineair afgeven van het vermogen. De bescheiden cijfers maken minder indruk dan het krachtige gevoel dat ze genereren. Het is duidelijk dat de motorfiets met de geringste cilinderinhoud er het hardst aan moet trekken. Om de rest een beetje bij te benen, moet de Royal Enfield toeren maken.

De sterkste twin verbruikt heel verrassend ook nog eens het minste. Alle motoren halen gemakkelijk de 1:20 en dat levert toch nog een aardige actieradius op. Met het matige comfort aan boord weet ik niet zeker of dat een voor- of een nadeel is. Van de opgegeven en gemeten gewichten hoeft niemand wakker te liggen. Zelfs beginnende motorrijders hebben geen moeite om aan de hand te laveren met dit trio. Toch is elke kilo minder prettig en daarom pakt de Royal Enfield hier een verdiend bonuspuntje.

Conclusie

Kopers van dit soort motoren laten hun keuze afhangen van prijs, rijeigenschappen en uiterlijk. Geen van deze motoren gaat met de winst op al die drie onderdelen aan de haal. De Royal Enfield scoort dikke punten met zijn lage prijs, lage gewicht en uiterlijk. Persoonlijk vind ik het de mooiste retro met zijn oranje benzinetank. Kijk je iets dichterbij, dan zie je waar die lage prijs vandaan komt. De afwerking schiet te kort ten opzichte van de andere twee. En qua rijeigenschappen eindigt hij op de laatste plek met het zwakste blok en de vage besturing.

De W800 kan terecht pochen op mooie technische oplossingen als de koningsas en het meest authentieke staande-twingeluid. Het hoge stuur zit hem dwars, met een lager stuur had hij dichter bij de Triumph gestaan. Het levert een ongemakkelijke rechtop-zitpositie op en er komt sneller dan gewenst beweging in het rijwielgedeelte. De W800 deelt dankzij het boterzachte blok en zijn geluid net zo genereus een ontspannende ervaring uit als Nigel de Jong trappen boven de gordel, maar in tegenstelling tot deze voetballer is de Kawasaki toch een beetje de anonieme speler van dit gezelschap.

De Triumph wint deze test overtuigend. Het is de beste en meest homogene motorfiets voor de ervaren motorrijder, voor de man die normaal die normaal 165 pk onder zijn gat heeft zitten en voor de beginnende motorrijder. De Street Twin leunt van dit trio het dichtst tegen een moderne naked aan. Te dicht voor het retrogevoel? Dat is aan jou. Zoals het ook aan jou is om meer prioriteit te geven aan prijs. Met € 7798 heeft de Interceptor een machtige troefkaart in handen. Zet dat eens af tegen de € 10.500 (Triumph) en € 10.699 (Kawasaki) en heroverweeg gerust je keuze.