zondag 26 april 2026
Home Blog Pagina 1194

Triumph 1200 Scrambler XC

0

Als er één merk de moderne klassieker omarmd heeft, is het Triumph wel. Ze waren er vroeg bij en zijn nog altijd vaandeldrager, met als nieuwste wapenfeit de Scrambler 1200. Wij richten ons op de meer straatgerichte Scrambler 1200XC.

Nick Enghardt

We lezen voor uit het grote motorfietsenwoordenboek: ‘scrambler /skrèm-blûr/ (m; -s) 1 een motorfiets met stevige vering en banden gericht op rijden buiten de gebaande paden. 2. modebrommer welke de illusie van een vrije ziel moet wekken, veelal geparkeerd buiten een hip restaurantje’. Met die notie grijpen we meteen de belangrijkste invalshoek bij de kladden. Is Triumphs nieuwe grote scrambler zo maar een retro – die genoemde modebrommer – met een dik blok of neigt de Scrambler 1200 toch meer naar de oerdefinitie van de scrambler?

De juiste hokjes

In de lange versie kunnen we stellen dat de 1200XC om te beginnen optisch alle juiste hokjes afvinkt. Esthetisch en qua afwerking staat de motor als een huis. Met zijn afgeronde en redelijk vlakke zadel, dat compacte tankje – met de verplichte streep over de tank én Monza-tankdop –, zijn ronde koplamp, de spaakwielen, hooggeplaatste uitlaat met dubbele demperpartij en uiteraard de staande twin met faux-luchtkoeling. Kijken we verder, dan valt vooral de afmontage op, met een set hoogwaardige Öhlins-schokdempers – twin shock, maar volgens Matthew Reed (hoofd-instructeur van Triumphs offroad-academie in Wales) zo goed als welke monoshock die hij ooit offroad reed – een wonderschone lichtmetalen achterbrug en een dikke volledig instelbare Showa-upsidedownvork met nog dikkere Brembo M50-monoblockklauwen eraan gebout. Eén ding is zeker; het uitgangspunt vertoont geen halve maatregelen – zeker niet wanneer je de specificaties afloopt en de veerwegen van 200 millimeter spot. Let wel, de nog meer offroadgerichte XE-versie heeft zelf 250 millimeter aan vering om op te slokken…

Praatjes en gaatjes

Praatjes – goede looks en chique veer- en remdelen – vullen geen gaatjes, maar wat het op papier goed doet, doet het eenmaal op weg ook opvallend goed. De lange veerwegen scheppen de verwachting mogelijk met een deinend slagschip op pad te gaan, maar je hoeft voor niets van dat alles te vrezen, blijkt al snel. Al na de eerste meters wekt de Scrambler vertrouwen. De zit is niet te hoog, maar wel hoog genoeg goed overzicht te bieden, waarbij het stuur lekker in de hand ligt. In datzelfde overzicht zien we een relatief eenvoudig ogend dashboard, maar ondanks zijn simpel overkomende uiterlijk, kan het dashboard meer dan de gemiddelde smartphone. Behalve dat het een tweetal thema’s – met nog weer variaties op die thema’s – kan tonen, is het ook aan je smartphone te koppelen en zelfs aan de nieuwste GoPro-cameraatjes. Zodoende kun je, wanneer de beide apps van respectievelijk Google Maps en GoPro later dit jaar zijn uitgerold, op je dashboard routebeschrijvingen laten tonen en kun je je actiesportcameraatje activeren vanaf het stuur. Een primeur voor de motorwereld, al zal met name de GoPro-functie voor velen wel een stukje overbodige luxe zijn.

Gemis?

Allemaal leuk en aardig, maar bovenal geeft het dashboard je prima overzicht over het wel een wee van de dikke, bullige tweepitter in een dubbel wiegframe. Vanaf 3.000 tpm heb je al zowat de volle 110 Nm aan koppel tot je beschikking, waarna de newtonmeters pas weer onder het honderdtal zakken wanneer de toerenteller de 6.000 passeert. Moet wel bij gezegd worden dat de koek dan ook echt wel op is en het blok wat buiten adem raakt. Op zich logisch, aangezien het blok – dat we in een andere afstelling kennen uit de Thruxton en de Bobber – zijn twee als carburateurs verklede gasklephuizen vervangen zag worden voor een enkele gasfabriek. Dat zorgt voor een eenvoudiger vulling vanuit de krochten van het toerenbereik – met het oog op een dikker aangezet koppel – met als logisch gevolgd dat het geheel bovenin wat mist. Of ja, missen… deze Scrambler rijd je bij voorkeur op koppel, met als hofleveranciers de derde en vierde versnelling. Schakelen gaat soepeltjes en vlotjes, maar echt nodig is het minder vaak dan je denkt.

Positief verrast

Dat er supersport-waardige radiaal gemonteerde Brembo M50 monoblock-ankers aan de voorvork hangen, wil nog niet zeggen dat je constant met de tanden in het stuur hangt. Het remt goed doseerbaar, maar totaal niet agressief. Waarschijnlijk monteert Triumph relatief harde remblokken, waardoor het qua vertraging allemaal niet uit de klauwen loopt. Dat heeft ook voordelen wanneer je besluit de Scrambler-genen aan te spreken in het onverhard, waar echt hard bijtende remmerij je spoedig je eigen tanden kost. Opvallend is ook dat de Scrambler op straat opvallend makkelijk stuurt voor een motorfiets met een 21 inch-voorwiel, ondanks het modieuze semi-genopte profiel. Standaard krijgen beide Scrambler-modellen Metzeler Tourance-rubber gemonteerd. Wat een prima balans heeft de Scrambler tussen offroadwaardige looks en straatwaardige bruikbaarheid gekregen. En lange veerwegen, maar dat zegt niets over hoe de Scrambler zich laat leiden buiten het asfalt. Hoewel: met de asfalt-Scrambler probeerden we het toch. En het moet gezegd worden: de Scrambler XC sloeg beslist geen modderfiguur.

Steve McQueen zelve

Met 205 droge kilogrammen, ben je bepaald niet met de lichtste machine op pad, maar die 110 newtonmeters aan trekkracht en het bijbehorende schakelluie karakter maken van de Scrambler 1200XC een aangename metgezel als het op onverhard toeren aankomt. Het enduro-parkoers dat we als offroadtestroute namen, is onderdeel van de Wim Motors Academy waar voornamelijk endurols wordt gegeven. Menig beginnend Dakar-rijder leert er ook hoe je met een roadbook moet rijden. Het circuit slingert door het Portugese achterland van de Algarve. En de XC scramblert er, alsof het hem niets deert, doorheen.

Drek en gravel lust ie rauw, onderwijl die lange veerwegen met speels gemak de kuilen en sporen uit de ondergrond filteren. Beide kregen een specifiek voor de Scrambler ontworpen stalen dubbelwiegframe. Het hoofdframe is zowel voor de XC als de XE gebruikt. Het verschil zit ‘m in de lange achterbrug. De XE heeft de langste. Die is maar liefst 32 millimeter langer dan het exemplaar in de wat meer ingetogen XC. Dat maakt dat de extremere XE-versie, met zijn iets luiere geometrie, langere veerwegen en bredere stuur minder moeite heeft met het . Daar staat tegenover dat de zithoogte drie centimeter meer bedraagt, wat zeker voor de wat meer verticaal beperkte motorrijder voor problemen kan zorgen mochten de bandjes onverhoopt toch grip verliezen. Overigens zul je de controle en grip niet heel snel kwijtraken, want met vijf rijmodi – Road, Rain, Sport, Off-Road en Rider -, waarvan er een volledig naar eigen believen is in te stellen. De XE krijgt nog een zesde modus, die zo’n beetje alle vangnetten overboord gooit. Maar met de bijpassende blokkarakters en mate van interventie van de tractieregeling en het ABS, zul je je best moeten doen om de controle volledig kwijt te raken. Zeker in de Off Road-modus word je zo naar dromenland geleid, alwaar je je prompt Steve McQueen zelve waant. Enerzijds zijn de elektronische handigheden van de tractieregeling en het ABS een vangnet dat je redt als een onvrijwillige pirouette dreigt, terwijl het je anderzijds helpt de grip te vinden. De veiligheidssystemen staan dan ook stiekem best heel wat gecontroleerd glijden toe en laten je – met het ABS immer als achterwacht – zelfs het achterwiel blokkeren. En geloof het maar; dat is leuk. Heel leuk zelfs!

Eind aan het cliché

Daarmee kun je vooral stellen dat Triumphs nieuwe grote Scrambler een eind maakt aan het cliché dat de moderne retro-scrambler er enkel voor de looks is. De Scrambler heeft die genoemde looks wel, maar daarnaast heeft ie ook een elektronicapakket wat de Scrambler 1200 meer tot een moderne allroad in een klassiek verantwoord jasje maakt dan enkel een knap koppie zonder inhoud. Het is dat er weinig tot geen echte windbescherming aanwezig is, de hoge uitlaat op kuithoogte op den duur toch wel erg heet wordt en je wat bagagemogelijkheden toch wel heel erg puristisch dient te kamperen, anders kon deze Scrambler 1200XC zo als Tiger 800-concurrent de boeken in. Die vlieger gaat helaas niet op, maar wat je wel kunt concluderen, is dat de Triumph Scrambler een flink aantal troeven heeft die de scramblers van de concurrentie moeten ontberen.

Niet voor een appel en een ei

Alleen betaal je voor een beetje deftige scrambler anno 2019 hoe dan ook al een aardige bom duiten en als je de prijzen van de gemiddelde allroad bekijkt, ben je niet heel vele beter af. Dus als je dan het beste van die twee genres in één motorfiets gestopt worden, kun je er donder op zeggen dat je niet voor een appel en een ei aan de Scrambler 1200 gaat, en dan heb je nog gelijk ook. De XC-versie waar we ons hier op toelegde komt uit op een vanafprijs van welgeteld 16.300 euro, terwijl de extremer uitgevoerde XE ook extremer geprijsd is en wel à – hou je vast – 17.500 euro. Veel geld voor ‘zo maar’ een scrambler, maar wanneer je bedenkt dat de Triumph Scrambler 1200 zich op heel veel vlakken technisch meten kan met allroads en avonturenmotoren die even zo veel of meer moeten opbrengen, dan voelt die prijs plots net dat beetje minder als het gedwongen ritueel slachten van je spaarvarkentje. Het biggetje met de gleuf in de rug moet het leven laten, maar in plaats daarvan krijg je een motorfiets die er verdraaid goed uitziet en zowel op straat als ernaast grijnzen op het gelaat tovert als nooit tevoren.

En met die conclusie besluiten we dan die lange versie. In het kort dan maar? De Triumph Scrambler 1200 is een echte scrambler. De enige echte.

Conclusie

Alleen al om dat knappe smoeltje heeft de Triumph Scrambler 1200 een hoge hebberigheidsfactor. Als je er dan ook nog zijn meer dan uitgebreide elektronicapakket bij optelt, wil je hem gewoon hebben. Punt uit. Zoals veel forenzen dag in, dag uit een dikke ‘je rijdt er zo mee naar Dakar’-allroad rijden zonder ooit het Afrikaanse continent aan te doen, zo kan de Scrambler 1200 op het oog zo mee doen in de Baja 1000-woestijnrace. Dat ga je ook nooit doen, maar je voelt je wel het baasje – en dat willen we stiekem allemaal. Belangrijker is dat je comfort en ruimte genoeg hebt voor de doordeweekse dagen en meer dan zat ingebakken pret voor ritjes in het weekeinde.

PLUS

Een echte scrambler met hoogwaardige afwerking, compleet elektronica pakket, goeie looks.

MIN

Behoorlijk pittig geprijsd en die uitlaat wordt erg heet aan je kuiten.

SPECS

  • Blok vloeistofgekoelde tweecilinder in lijn
  • Cilinderinhoud 1200cc
  • Vermogen 90pk @ 7.400tpm
  • Koppel 110Nm @ 3.950tpm
  • Tankinhoud 16 liter
  • Zadelhoogte 840 mm (XE: 870 mm)
  • Prijs €16.300,- (XE: €17.500,-)

KTM 1290 Super Duke GT – test

0

Eens een beest, altijd een beest. Toch bleek de GT-uitvoering van de Super Duke de afgelopen jaren een vriendelijke kant te hebben. Althans, als de berijder in kwestie dat verlangde. Die GT-versie is vernieuwd en wij rijden ‘m.

Alan Cathcart

Sportief rijden, mét comfort? De Super Duke GT heeft er een neusje voor. Nou ja, neusje? Noem het gerust een neus, met een hoofdletter N. De zo kenmerkende KTM-koplamp eist in de nieuwe neus een prominente plek op, maar er is veel meer dan dat. De gehele voorkant is nieuw. Breder en scherper dan voorheen. Kijk maar eens naar de ruit, die is groter, hoger en ongetwijfeld beter in het vangen van rijwind. Gelukkig is ie nog altijd simpel met één hand te verstellen, met negen standen over een bereik van 50 millimeter. Niet onbelangrijk is dat de ruit een stuk degelijker, steviger aanvoelt dan het vorige exemplaar.

Tijdens deze test heeft KTM een ‘oud’ model GT beschikbaar gesteld en dat blijkt geen overbodige luxe om de nieuwigheden op te speuren. Zo zie ik dat het oude model gebruik maakt van het dashboard dat we van vele KTM-modellen kennen, met een analoge toerenteller geflankeerd door twee LCD-schermpjes. Die heeft plaatsgemaakt voor een meer hedendaags TFT-exemplaar. Tja, TFT is inmiddels de standaard en we kennen de voordelen. De bediening van dit dashboard en de verdere elektronica werd door KTM aangepast na feedback van consumenten. En dat levert wat op. Zo is de cruisecontrole nu vanaf links te bedienen (zodat je je gashand niet hoeft te bewegen) en is de handvatverwarming mooier weggewerkt. Het zijn kleine dingen, maar in de dagelijkse praktijk zijn ze goud waard.

Zwevend tapijt

Los van de veranderingen die in het oog vallen, is er meer nieuws onder de zon. Hoewel de GT qua geometrie van het rijwielgedeelte niet wijzigde, heeft KTM wel stappen gemaakt qua vering en demping. Het elektronisch gestuurde WP-componenten kreeg een inwendige opfrisbeurt en dat zorgt ervoor alsof je met een vliegend tapijt op pad bent. Hoe agressief deze GT ook oogt; het zweeft majestueus en comfortabel over de weg. De veerwegen van WP’s zijn dan ook nog altijd 125 millimeter voor en 156 millimeter aan de achterzijde. Dat is inderdaad flink, voor zo’n sportieve straatmachine. Het grote voordeel zit ‘m in het ongekende comfort op slecht wegdek, in het wegfilteren van oneffenheden. Dan is het samenspel tussen grote veerwegen en slimme elektronische aansturing optimaal. Maar wees gerust, als je de Sport-modus instelt en besluit om de sportieve genen aan te spreken, weet de GT wel van wanten! Wat me opvalt, is dat de Brembo-remmerij weliswaar ongewijzigd is, maar dankzij de verbeterde demping wat beter presteren. Zo zie je maar dat het geheel terecht is dat een motorrijder uren en uren over z’n vering en demping kan spreken.

Hoogpoot

Met een zadelhoogte van 835 millimeter biedt de GT een ideale zitpositie voor de lange Nederlander, en dankzij de ongewijzigde vorm van de tank is de algehele zitpositie nog steeds meer dan ruim. Tijdens de testrit ben ik lyrisch over het zadel, die hoewel ongewijzigd, veel fijner zit dan die op het testmodel uit 2018 die ik vandaag ook af en toe rijdt. Wat blijkt? Op de nieuwe GT heeft KTM heel slim het optionele zadel gemonteerd dat net iets meer dan €250,- kost. Verwarmd bovendien. Tja, ik noem het maar valse zuinigheid als je dit zadel er niet direct bij koopt als je dan toch €21.699,- uitgeeft. Aan de andere kant, KTM had er ook voor mogen kiezen om dit luxe zadel standaard te monteren. Al vind ik dat nog meer gelden voor de koffers, die optioneel zijn. Koop je er geen koffers bij, dan zit je gelukkig niet opgescheept met lelijke ophangpunten. Kiska Design maakt al jaren de koffers en montage daarvan voor KTM en het ziet er meer dan strak uit. Pluspunten.

Schakellui

Eenmaal aan de rol valt het samenspel tussen de slimmere en verbeterde vering en het opgefriste motorblok op. Dat blok verraadt z’n frisheid niet als je enkel de specificaties leest. Boring, slag en zelfs de tandwielverhoudingen zijn hetzelfde gebleven. Maar achter die algemeenheden zijn de technici van KTM wel degelijk in de weer geweest. Waarbij de weegschaal een grote rol speelde. De inlaatkleppen zijn niet groter geworden, maar zijn nu wel van titanium. Het lagere gewicht maakt het openen en sluiten van de kleppen gemakkelijker, hetgeen weer een hoger maximum toerental mogelijk maakt. Dat steeg dan ook met 500 tpm.

De krukas werd juist zwaarder, een halve kilo zelfs. Die verhoogde massatraagheid moet de gasreactie vriendelijker maken en het toch al zo koppelrijke gevoel van het blok verhogen. Dat gevoel wordt nog eens extra kracht bijgezet doordat het koppel ook daadwerkelijk is verhoogd, met 3 Nm. En zo weet KTM 144 Nm bij 7.000 tpm uit het 1.301cc dikke motorblok te halen. Dat de tweecilinder hiervoor twee paardenkrachten inlevert, is een kwestie van slim ruilen. De koppelcurve is de grote winnaar en daarmee doet KTM de toevoeging ‘GT’ eer aan. De vlakke curve maakt dat de Super Duke nog meer schakellui is dan ie al was. Ik vind het bijna jammer, omdat de nieuwe quickshifter voor op- en terugschakelen zo verslavend is. Maar zo kun je overal wel weer een nadeel bij verzinnen. Feit is dat het blok bulkt van het koppel en in elke versnelling wel raad weet met een draai aan het gashendel. Ik reed tijdenlang in de derde en vierde versnelling rond, waar geen enkele noemenswaardige trilling m’n rijplezier aantastte.

Bijzondere mix

Eenmaal op de snelweg en opgeschakeld vanuit die derde en vierde versnelling, toont het blok toch wat dwars te kunnen zijn. Dan merk je de tweecilinder-trillingen beter. Ik troost me met de gedachte dat je een motor als deze toch alleen wilt rijden op bochtige wegen zoals ik ze vandaag rondom de KTM-fabriek in Mattighofen rijd. De bochten liggen hier voor het oprapen en de GT weet er wel raad mee. Hou hierbij het tempo vooral hoog, want dan is dit derivaat van de Super Duke op z’n best. Maar voel je je beter met een minder hoog tempo dan biedt de elektronica je voldoende mogelijkheden.

Al scrollend door de rij-modi kom je na Street, Sport en Rain ook nog de Supermoto-stand tegen. Op een GT? Echt wel! Het is en blijft natuurlijk wel een KTM. Die rijmodus laat een blokkerend achterwiel oogluikend toe, net zoals lift van het voorwiel wordt toegestaan. Maakt dat deze Super Duke GT tot een hooliganbike? Je zou het bijna denken. De uitgevoerde verfijningen tillen ‘m vooral op een hoger plan qua bruikbaarheid en souplesse. Dat er her en der beestachtige karaktertrekjes doorsijpelen is een feit, maar ze liggen zeker niet aan de oppervlakte. Maar ga je er naar op zoek, dan doet de GT niet z’n best om ze te verhullen. Ik durf best te zeggen dat comfort met stip op één staat, met de grandioze stuureigenschappen daar vlak achter. Het maakt ‘m een unicum in het huidige motoraanbod. Anderen sporttours doen ook een poging, maar het is de KTM 1290 Super Duke GRT die eenzaam op een hoog niveau staat. Comfortabel en kilometervretend naar de Eifel om aldaar zwarte strepen te trekken? Of met hetzelfde recept onderweg naar en in de Alpen? Dat is precies wat ik met deze GT voor ogen heb. Het comfort is heerlijk, maar de oerdriften die deze KTM nog altijd diep verstopt in z’n genenpakket heeft maken van de Super Duke GT een ideale danspartner. Of het nou in de Eifel is of in de Alpen makt niets uit.

Conclusie

Af en toe een facelift? Daar zal niemand wat op tegen hebben. Maar het zijn toch de onderhuidse updates die de Super Duke GT het meest doen verschillen van z’n voorganger. Het nieuwe dashboard, de doorontwikkeling van de elektronisch gestuurde veringcomponenten en het herziene blokkarakter doen de Super Duke GT meer dan goed. Qua comfort staat de KTM nog altijd op een hoog niveau en ik zal iedereen dat extra comfortabele en verwarmde optionele zadel aanraden om het helemaal af te maken. Alhoewel, de koffers moet je er ook bij kopen. En dan is de Super Duke GT best wel aan de prijs. Maar daarvoor krijg je verschrikkelijk veel en comfortabel stuurplezier terug. En vooral een blok om van te smullen.

PLUS

Koppel, comfort, sturen

MIN

Standaard geen koffers, niet goedkoop

Specs

Blok Vloeistofgekoelde V-twin

Cilinderinhoud 1301 cc

Vermogen 175 pk @ 9500 tpm

Koppel 144 Nm @ 7000 tpm

Drooggewicht 209 kg

Tankinhoud 23 liter

Zadelhoogte 835 mm

Prijs (2019) v.a. € 21.699

Alpen: Dagboek van een Bergwerker

0

In onze uitgestrekte polderpannenkoek ontbreekt het aan stijgende dan wel heupwiegende slingerwegen. Het hoogst haalbare, op een paar provincies na, is letterlijk een viaduct of dijkweg. Maar da’s dag in, dag uit niet echt bevredigend. De Alpen heeft daarom met stip onze voorkeur voor een hoognodige inhaalslag.

 Jacco van de Kuilen

Voor de uitvoering van onze jaarlijkse Operatie Hoogtewerk kunnen we eigenlijk naar elk Alpenland. Toch vermijden we Zwitserland met een reden: het risico van laarskrommende bekeuringen. Onze operatie heeft daarom meer het karakter van een queeste waarin verschillende, meer en minder bekende bergpassen centraal staan. Hans heeft de route uitgezet, heeft ie maanden over gedaan, vertrekken we uit hartje Nederland. De route leidt ons via Duitsland naar Oostenrijk, Italië en Frankrijk. Met een tandenborstel, vier camera’s en zeven onderbroeken – want een week onderweg – in de koffers gaan we op weg. 3.500 Kilometer en drie Kawasaki’s, met de brandstoftanks vol goede moed. Wat een heerlijk vooruitzicht.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/bergwerker.GPX”]

Dinsdag 10 juli: Hoe drie Kawasaki’s over de autobahn scheuren

Met een grijns van oor tot oor rijden we het asfalt van de Duitse Autobahn op. Het Grote Opschieten is begonnen. Twee Kawasaki GTR’s katapulteren legaal met ruim 200 km/u richting zuidoosten. Frank volgt in de slipstream op z’n Ninja H2 SX Tourer. De langzaamste rijdt immers altijd voorop… Iedere vezel in het lijf geniet intens, maar is ook super geconcentreerd. De eerste 550 kilometer over de E31 naar Ulm staan dan ook al vlot op de tripmeter.

Na Ulm is het bye bye Autobahn en gaat het naar Lindau. De glooiende en uitgerekte bos- en akkerwegen van Beieren gebruiken we om de heupen alvast wat los te rijden. Achtung! Rood wild. Het struint hier in grote aantallen rond. Verder prachtige kastelen, heldere kronkelbeekjes en lieflijke vakwerkhuisjes in een broeierig warm Beieren. In de verte dreigt onweer. Glooiingen worden heuvels en bochten haarspeldbochten. Christusbeeldjes langs de weg herinneren ons aan de snelheid. Of zijn het heiligverklaringen voor het perfecte asfalt? Geen wonder dat hier dichtbij het toppunt van Duits motorvernuft zich heeft gevestigd. De deelstaat Beieren ademt één-en-al motorplezier, dat moet ingenieurs mateloos hebben geïnspireerd. Als de eerste bergen opdoemen, trekt de hemel samen. Even later legen de weergoden hun blaas, wat gepaard gaat met een hoop gekletter en gedonder. Bijna 852 km droog gereden en door het laatste kwartier rijden we doorweekt Lindau aan de Bodensee binnen.

Woensdag, 11 juli: de navigatie verraadt een stijle klim

Via Liechtenstein rijden we het noordwesten van Oostenrijk binnen. Het klimmen is dan wel begonnen, maar het zicht en de temperatuur daalt zienderogen. Waar we een adembenemend mooi uitzicht hadden verwacht, kijken we aan tegen een grijze muur. Behoedzaam dalen we af en proberen de deceptie van ons af te rijden als we koers zetten naar de Silvrettapas. In de dalen hebben we wel een fraai uitzicht op bergwanden, maar toppen blijven verscholen in het dikke wolkendek.

De provinciale 188 Silvrettastraße eindigt even bij het tolhuisje. Je heffen entree om de bergpas te bestijgen. Inmiddels slecht de zon moeizaam het wolkendek en zo nu en dan stralen lichtharpen over het mistige landschap. Af en toe wordt ons een blok gegund op de immense, met sneeuw bedekte pieken. De navigatie verraadt een steile klim met veel elkaar opeenvolgende haarspeldbochten. Die vergen concentratie, behendigheid en inschattingsvermogen. Maar dat zwieren van bocht naar bocht blijft toch een fantastische bezigheid.

Op 2.032 meter parkeren we bij de Silvretta-Stausee, tussen tientallen andere motorrijders. Als de hemel kort na onze aankomst breekt, doemt aan het ijsgroene stuwmeer een dreigende bergketen op. Een gevoel van aangename nietigheid overvalt blijkbaar iedereen die hier op heeft staan wachten. De camera’s klikken en zetten de sprookjesachtige werkelijkheid om in digitale code. Wie last had van hoogteziekte, is op slag genezen. Er zijn overigens voldoende etablissementen waar je de innerlijke mens kunt versterken. Je kunt je geld ook kwijt aan souvenirs in chauvinistisch rood-wit.

Vanaf de Silvrettapas dalen we af naar een magnifieke vallei, waarvan de schepper wel een motorrijder moet zijn geweest. Er galmt rustiek geklingel van koeienbellen en vliegvissers reflecteren in ondiepe meren. Het is voortdurend spelen met de eerste drie versnellingen. Je raakt hier overdondert door het schouwspel en de kans om de gashendel te knikken. Om beide emoties beter te spreiden, nemen we de hele pas nog een keer. Ultiem werkplezier.

Donderdag, 12 juli: hoe we 48 bochten 3 keer reden

Vanaf het Nauders steken we na een paar kilometer de Italiaanse grens over. Tot onze grote schrik staan we even later toch oog in oog met een Zwitserse douanier. We manen tot kalmte in dit piepkleine stukje Zwitserland, maar de geestelijke ontbering wordt verzacht door het uitzicht vanaf de Umbrailpas. Rafters op de Muranzina en de ventilatieschachten van de jacks mogen weer open. Ook dit walhalla trekt motoren in alle soorten en maten. Inmiddels zijn we vertrouwd met de haarspeldbochten en soepel sturen we door de krappe knikken. Voor ons gevoel heel sportief, al worden we regelmatig voorbij geblazen door ervaren berggeiten.

Na de boomgrens strekt zich een eindeloos ruig berglandschap uit. We passeren de Italiaanse grens en koersen via de SS38 naar de Stelviopas. Op 2.758 meter begint de afdaling met 48 spaghettibochten. Soms met een dalingspercentage van 12%. In dit deel van Italië zijn de wegen minder breed dan op de twee Oostenrijkse passen van zo-even. Maar hier jaagt niemand elkaar op. De kale bergen met hun besneeuwde toppen overvallen je. Een enkele tegenligger neemt de bocht te ruim en daar betrap ik mezelf ook op. De korte haarspelden rechts omhoog kosten me de meeste moeite. Iets te hard remmen is geen optie met zo’n zware GTR, het moet vloeiend.

Onder de boomgrens zijn de wegen breder, wat veel gemakkelijker stuurt. We rijden door bergdorpjes behept met een aaibare tijdloosheid. Afgekloven torenspitsen waarvan de klokken al eeuwen beieren dwingen tot nederige eenvoud. Via een snikhete afdaling bereiken we halverwege de middag het Comomeer. Bij Varenna pakken we de verkeerde veer en komen terecht in het oogstrelende stijlvolle Bellagio. Even later flaneren we met onze motoren door de schilderachtige straatjes. Een paar uur later rollen we vanaf de juiste veer Mennagio binnen. De vermoeidheid van de het intensieve sturen is inmiddels voelbaar in kont en kijkers.

Vrijdag, 13 juli: het zwembad kam als geroepen

Kilometers en pizza’s vreten. We zijn blij met ieder zuchtje wind, want het zweet parelt kwistig over immer dorstige lijven. De H2 SX rijdt zich bijna klem in een afslaande auto, die geen richting aangeeft. Zal het door de hitte komen dat er geen heetgebakerde toestanden ontstaan? Dan grote schrik: benzine kost langs de snelweg ijskoud €1,99 per liter. Daar gaat het benzinebudget. Dan over de A9 Autostrada richting Milaan en vervolgens over de langs Turijn, waarna we over de A32 en de RN94 door de bergen rijden in het Italiaans-Franse grensgebied.

Met wat stokbroden onder de spin achterop voelt het leven goed. Die stokbrodenkauwen we weg met de voeten bungelend in een koele bergbeek. Wat opvalt is dat het hier net over de grens schoner is, meer uitnodigend ook en beter geordend. Na de eenvoudige lunch zwenken we opnieuw over prachtig asfalt en door donkere bergbossen naar het lieflijke bergdorpje Puy-Saint-Vincent. In een euforische roes springen we onder een stralblauwe hemel in het zwembad.

Zaterdag, 14 juli: afspraken zijn om op te rekken

Quatorze juillet. 14 Juli vieren wij op grote hoogte. Onderweg wisselen we van motor, omdat iedereen weleens van de H2 SX wil proeven. Onze machines en motorpakken zien er inmiddels bereisd uit, wat een flink contrast oplevert met de zinnenprikkelende omgeving. We merken ook dat we onze grens van stuurmanskunst weer wat verleggen. Toch geldt de afspraak dat we zicht op elkaar blijven houden. Maar die afspraak is op overzichtelijke trajecten uiteraard wat op te rekken. Op de bergweggetjes rijden we vlotter, we raken meer vertrouwd met het klim- en bochtenwerk én ontdekken wat onze motoren kunnen. Onderweg indrukwekkende forten en nog oudere burchten, die een historisch stempel drukken op het landschap.

De D902 leidt ons naar de Col de Vars, waar we moeten lachen om de schichtig buitelende marmotten. Weldra rijden we in 12 graden op 2.109 meter, om vervolgens af te dalen naar 31 graden. In de lagere en zonovergoten valleien worden we opgehitst voor de Col de la Bonette. Dan sta je op 2.802 meter naar zuurstof te happen op de op één-na-hoogste verharde doorgaande weg van Europa. De ijle lucht begint een beetje z’n tol te eisen. Lichte hoofdpijn en wat concentratieproblemen zijn het gevolg. Op hoogte daalt het reactievermogen na vijf volle dagen in het zadel. Bij het keren op de weg laat ik onhandig m’n motor vallen. De marmotten lachen vol leedvermaak.

Zondag, 15 juli: een roofvogel vliegt lui met ons mee

eHet dessert van Operatie Hoogtewerk staat haaks op de doelstelling. We koersen naar de Gorge du Verdon, een diepe kloof in het Franse land. Het heeft een gigantisch ruig landschap met onwerkelijk mooie klippen. Jurassic Park. Tijdens een koffiestop concluderen we dat we de afgelopen dagen nauwelijks 100 meter rechtuit hebben gereden. En daar brengt de dag van vandaag ook geen verandering in. Schouders, rug en achterwerk protesteren, mar de wil om te tocht te vervolgen domineert. Zelfs na 10.000 bochten blijven we euforisch. Alleen de hoogste versnelling kwam nimmer aan bod.

De aardlagen in de Gorge du Verdon zijn verstoord en verdraaid door miljoenen jaren onvermoeibare tektonische krachten. Diagonale aardlagen rijzen ver boven het nietige adertje asfalt uit waarop wij rijden. Als de weg omhoog schiet kronkelen in de diepe ravijnen traag stromende riviertjes. Roofvogels vliegen op gelijke hoogte lui met ons mee. Een zinderende hitte bakt op de dakpannen van de dorpjes. Maar ook geuren de lavendel- en zonnebloemvelden. Die geur én het geluid van cicaden zijn karakteristiek voor het zuidelijk deel van Frankrijk. Af en toe duw ik m’n helm iets omhoog om wat wind door het hete haar te laten wervelen. Inmiddels zijn we volledig versmolten met onze motoren. Een duik in het Lac de Sainte-Croix dwing tot berusting. Een sprong van de brug is er dan wel een te ver, maar ook een jolige duik vanaf het strand resulteert in een gekneusd stuitje. En dn zit zo’n toermotor ineens helemaal zo lekker niet meer.

Maandag, 16 juli: we blijven zitten met een tanktas vol herinneringen

Wat rest zijn 1.280 Kilometer naar huis en een tanktas vol herinneringen. We hebben zoveel gezien dat de eerste dag van de trip weken geleden lijkt. De ene bergpas was de andere niet tijdens deze reis en het asfalt was in het algemeen van puike kwaliteit. De slingerende klim van de Stelvio – we deden de pasweg twee keer – vergde de meeste inspanning, evenals de zinderende hitte in de lager gelegen dalen. In de ijle lucht op de Col de la Bonette had ik beter moeten anticiperen. De krassen op de motor krijg ik er wel weer uit, maar die op m’n ego zijn er op 2.800 meter voorgoed in getatoeëerd. En communicatiesets beschouwen wij onmisbaar. Korte, onderlinge waarschuwingen naar elkaar voorkwamen erger of onnodige ergernis. Aan zware maaltijden deden we niet, om energie te sparen. Al werd er wel een gletsjer aan water achterover gekieperd.

Redactiefavoriet: Zuidwest-Noorwegen

0

Lezers van Promotor zal het niet zijn ontgaan: de redactie is liefhebbers van Scandinavië. En Noorwegen in het bijzonder. Regelmatig krijgen we dan ook de vraag wat wij het mooist vinden. Langs de fjordenkust of naar de Noordkaap? Zou je denken, maar voor de redactiekeuze hoef je het minst ver te rijden: in het zuidwesten vind je eigenlijk alles wat Noorwegen zo bijzonder maakt.

Jan Dirk Onrust

Ga mee met Promotor Reizen!

In augustus 1981 kwamen we als interrailer (een maand vrij treinreizen door Europa) voor het eerst in Noorwegen. Na een uur of drie passeerden we een meer met melkachtig blauw water dat tussen intimiderende steile bergwanden lag. Bovenop de zwarte bergen lag sneeuw. Grote paarse en roze bloemen groeiden aan de oevers. We wisten niet hoe snel we de camera moesten pakken. Een minuut later verscheen het volgende fotowaardige panorama aan de andere kant van de treinwagon. En daarna nog een stuk of twintig andere. In pakweg een half uurtje hadden we net zoveel foto’s gemaakt als in de twee weken kriskras door Europa daarvoor. Wat stond er eigenlijk op die andere foto’s? Wij bij de Eiffeltoren, wij naast Manneken Pis, wij bij de flats van Monaco, wij op een terras met een paar Duitse meiden, wij stoer aan het bier, wij kotsend op het strand, wij naast een paar Ducati’s op een drukke boulevard. De verandering van onderwerp was frappant. Pas in Noorwegen ontdekten we de natuur.

Emoties die loskomen

In de puberjaren ervoor was natuur voornamelijk iets saais en waren bergen niet veel meer dan obstakels. Pas tijdens de reis door Noorwegen kwam de emotie los. We voelden de huiveringwekkende macht van de bergen en de angstaanjagende kilheid van het koudgrijze licht. Bij het zien van de ongenaakbare toppen en peilloos diepe fjorden, liepen de rillingen over de rug. Op de hoogvlakten die bezaaid waren met rotsblokken soms zo groot als een huis, drong het besef van de eigen nietigheid door. Alles voelde hier intenser. Er was een magische klik. Het noordelijke bergland ging onze kop in. Toen we thuis waren, hadden we niet één, maar twee dromen. Een rijbewijs en met de motor naar het Hoge Noorden.

Besmet met liefde

De liefde voor het Noorden is altijd gebleven. Wij zijn er inmiddels mee besmet. En als je iets heel mooi vindt, wil je het anderen ook graag laten zien. Daarom hebben we de afgelopen tien jaar veel reportages gemaakt over Noorwegen. We reden in de middernachtzon over de Lofoten, klauterden in de winter over de Hardangervidda op met driewielige motorscooters, reden in subtropische temperaturen van vuurtoren naar vuurtoren en slalomden over onverharde wegen door de schaapskuddes.

De mooiewegeninspecteur

We hebben inmiddels zoveel bijzondere wegen ontdekt en al deze kennis ligt aan de basis van Zuidwest Noorwegen toer, die we van 14 t/m 22 juni gaan rijden. Het wordt een soort best of van de mooiste en opwindendste wegen die we in al die jaren Noorwegen hebben gereden, gezien en gevoeld. Er zitten natuurlijk enkele bekende wegen tussen, maar op het grootste deel komt nauwelijks iemand, omdat ze door een shortcut overbodig zijn geworden of omdat ze simpelweg doodlopen. Maar juist dat zijn vaak de avontuurlijkste, de meest intense, de wegen die in staat zijn allerlei soorten van emotie los te maken. En daar is het ons om te doen.

Het begin: Booswichtclub Zweden

We beginnen de reis met de boottocht van Kiel naar Göteborg. Noorwegen beginnen we dus in Zweden. Wel het mooiste Zweden volgens ons, want het lijkt in het grensgebied al heel erg op Noorwegen. We sluiten de tweede reisdag af in Charlottenberg.

Hoogst dramatisch

Op derde dag rijden we Noorwegen binnen. Over bochtige plattelandswegen koersen we richting de hoge bergen van de Jotunheimen, waar aan de oostkant de Valdresflya ligt. Dat is een weg over de hoogvlakte die tot de elitecategorie van de Nationale Toeristenwegen hoort. Hier vinden we ons tweede hotel. En ons diner. De vierde dag belooft spektakel. In de morgen stuiteren we het ontbijt eruit op een onverharde en doodlopende weg (goed te doen) naar de hoogste top van het Trollheimgebergte, de Blåhø (1.671m). Het is eerder een keienmassa dan een berg en het biedt daarom de aanblik van een maanlandschap. Onwerkelijk mooi. Voor Noorse off-roaders heeft Blåhø zo ongeveer de status van bedevaartsberg. Maar toermotoren horen hier niet thuis, vooral niet op het laatste deel. Een troost is dat de andere onverharde wegen, veel zijn het er niet, stukken beter zijn.

Neem bijvoorbeeld de Dalsnibba, de volgende klapper. Die is ook hoog (1.500 m), doodlopend en onverhard, maar breed en bijna zo plat en hard als asfalt. En wat een verbijsterend mooi uitzicht heb je hier over de fjordbergen.

Dezelfde middag volgt nog de volgende knaller: de Oude Strynefjellweg, een van de hoogst gekwalificeerde Nationale Toeristenwegen en de enige (deels) onverharde in deze eliteklasse. Hij brengt je door een hoogst dramatisch landschap naar een zomerskigebied. De weg wordt geflankeerd door een luidruchtige rivier en bergmeertjes met ijsschotsen. We zoeken daarna het hotel op dat aan weg 55 ligt, die we de volgende dag blijven volgen.

Bedekt met diamanten

De 55, ook wel Sognefjellweg genoemd, wordt door velen gezien als de Mooiste Weg van Noorwegen. Op grote hoogte (tot ruim 1.400 m) gaat de weg langs de toppen van de Jotumheimen (tot 2.500 m). Als je tegen het zonlicht in rijdt, schitteren de meertjes en gletsjers je van alle kanten toe alsof de bergen met diamanten zijn bedekt. In de wereld zijn veel wegen die schermen met De Mooiste ter Wereld, maar de 55 overtreft ze allmaal.

Op de Tindeweg verlaten we de volgende morgen de 55 over een particuliere tolweg. Dat zal de reden zijn dat deze weg soms niet eens op GPS-kaarten of landkaarten voorkomt. Maar het is een superweggetje met uitstekend asfalt en met alweer zicht op de Jotunheimen. Hij eindigt als spaghetti. Hierna gaat het naar de langste verkeerstunnel van Europa, de Laerdaltunnel van 24,5 km. Maar die slaan we natuurlijk over: we gaan via het dak naar het Laerdal en pakken de overbodig geworden Sneeuwweg! De weg wordt zwaar afgeraden voor caravans en is daarmee voor motorrijders een aanrader van jewelste.

We besluiten de dag met een curiositeit: de Stalheimsweg. Die is kort, heel erg steil en heeft belachelijk veel bochtjes. Bij de top heb je zicht op een ongenaakbaar gelegen hotel. En daar gaan wij overnachten. Na het diner kun je de krankzinnige kronkels van de Stalheimweg dus nog talloze keren nemen, want die liggen vlakbij.

Compleet in verwarring

De zesde dag wordt een lange, met name omdat er twee vrij lange doodlopende weggetjes naar stuwmeren in zitten. Als de eerste van de twee – de Osaweg – een mens was, zou hij in een psychiatrische kliniek worden opgenomen. Maar wat een kraker. In een spelonk van de Hardangervidda kruipt de weg zo onnavolgbaar omhoog, dat hij je compleet in verwarring zal brengen.

Ook de tweede, Stora Blasjö, is behoorlijk vreemd. Wat te denken van een aardedonkere tunnel met bochten? Het venijn van de fjordenwegen is hier dan wel verdwenen, maar een diep melancholisch bergland komt er voor in de plaats.

Opstaan! Racen!

Wakker worden! De zevende dag wordt een race tegen de klok. Twee veerponten moeten we halen. De laatste hebben speciaal besteld. Die brengt ons in een paar uur van Niemandsland naar Nergenshuizen. Daar wacht de grootste asfaltserpentine van het Hoge Noorden: de Lysebotnweg, 27 haarspeldbochten in acht kilometer. Bovenop kun je nog een (flink) uitstapje maken naar de Prekestolen, maar helaas niet met de motor. Het hotel is niet echt ver meer, dus je kunt het makkelijk doen. Je zou ook de Lysbotn-kluwen naar beneden én nog en keer naar boven kunnen doen.

Op de achtste dag gaan we naar de kust via leuke rijwegen. Ook onverharde, als je daar zin in hebt. Met en leuke verrassing tussendoor: de Tronasen met een afdaling van 33 procent! Ook maken we onderweg nog een zijsprongetje naar de Zuidkaap van Noorwegen: Kaap Lindesnes. Als je eerder al eens op de Noordkaap (2.518 km rijden) bent geweest, kun je nu rustig de conclusie trekken dat Noorwegen van top tot teen weergaloos is. Er zit geen lelijke kilometer tussen.

Ahh, Noorwee

Op zondag 28 augustus pakken we in Kristiansand de eerste boot naar Denemarken en begint de long way home. Als je op zee last krijgt van een leeg, weeïg gevoel, maak je dan geen zorgen. Dat is volstrekt normaal. We noemen het Noorwee en je komt er nooit meer vanaf. En dat wil je ook helemaal niet.

Frankrijk: Marseille en omgeving

1

Indrukken in overvloed aan de Middellandse Zee en het bergachtige achterland van de Côte d’Azur. Een ontbijt met de machtige bochten van het Massif de la Sainte-Baume en het Massif des Maures. Een lunch met hoge snelheid op het Circuit van Le Castellet en dat van Le Luc. Als dessert een oude haven en een motorfietsmuseum. Wat is er heerlijker dan kilometers vreten?

Klaus H. Daams

‘Voa papaaaaa wowoooo :-)’ Dat ziet er fantastisch uit! Die achtergrond is een droom J J wanneer kom je terug?’ Een jeugdig en ietwat overdadig compliment voor een omgeving, waarvan de foto zojuist via de datastroom tussen Middellandse zee en Maastricht, tussen vader Andreas en dochter Pia, werd verzonden. De smartphone bloost bijna van verlegenheid door de enthousiaste loftuitingen op het display. Oké, dat is misschien een tikje overdreven. Het enige echt rode is de Honda VFR800 waarmee Andreas door de haarspeldbochten van Cap Canaille brult. Maar de eerlijkheid gebied wel te zeggen dat de rotskust én de azuurblauwe Middellandse Zee de achtergrond van de foto op een uiterst fotogenieke wijze invullen.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRACK-PRO0119-Massiv_Attack.GPX”]

Groet

Drie dagen eerder begonnen we aan de trip, ten noordwesten van Aix-en-Provence. Met Andreas was ik onderweg over de kleine departementale wegen in het bergachtige kustgebied tussen Marseille en Saint-Tropez. Met Massif de la Sainte-Beaume en het Massif des Maures zijn het verrukkelijke speelterrein van lokale motorrijders. Om in de stemming te komen luisteren we in Jouques eerst naar de Marseillaise van de motorrijder, dat op afstand al luid en duidelijk te horen is en ten gehore wordt gebracht door een trio bestaande uit een onverwoestbare Honda Hornet, een gifgroene Kawasaki Ninja en een hippe KTM Super Duke. Ze steken als begroeting een voet uit naar de fraai gebeeldhouwde VFR, die hier blijkbaar een zeer sportief imago heeft. En dan is het spul alweer verdwenen als een zomerse onweersroffel.

Sambuc

In plaats van de strijd met het natuurgeweld aan te gaan, zoekt de wat oudere motorrijder eerder een wat rustigere piste. Zodoende gaan we zoals gepland rechtsaf de D11 op, die als een wit straatje op de kaart ongestoord bochtenplezier belooft. Maar wat denk je? Bwaaahhh… Een hert, een van de snelle soort. Midden in het bos staat hij pal in de bocht. “Daar moet je voor oppassen”, vertelt niet de boswachter, maar een bewaker van het privé-circuit Grand Sambuc. Op weg naar dit circuit rijd je je al aardig warm. De meeste coureurs doen dit twee kilometer lange circuit in een sportwagen, maar ze organiseren er ook motortrainingen. Of zoals Google Translate het op de website van Grand Sambuc vertaalt in niet bijster begrijpelijk Frans: …zullen de snelheidspassagiers rocken… tot ze om te remmen, om in de volgend trein af te halen.

Sainte Baume

Nou, keien genoeg op de weg die we daarna afjakkeren richting Gorges de l’Infernet, de hellekloof, voordat de snelheidspassagier in Trets in de ankers gaat om een paar dikke lamskoteletten in te slaan. Je kunt ze afhalen in het wegrestaurant direct tegenover de plaatselijke slagerij. Wie van het plantenleven houdt, kan zich in deze periode van het jaar in het Massif de la Sainte-Baume helemaal uitleven. Hij kan zich bijna onderdompelen in het oud-roze/geel getinte bloementapijt dat de sappige weiden bedekt. Op het grijze asfaltlint op de Pas de la Couelle en de Col de l’Espiguoulier speelt de rubberboom een centrale rol. Nou ja, zijn sap dan tenminste, want zonder dat zouden we immers op houten banden de hoek om moeten. In de toekomst rijden we waarschijnlijk op rubber van paardenbloemen. Tenminste, als we de dromen van de techneuten moeten geloven.

Paul Ricard

Onze Dunlop Sportmax rubbers krijgen de gelegenheid om af te koelen in Le Castellet bij het circuit van Paul Ricard, waar het Grand Prix Hotel ons de gelegenheid voor een nachtelijke pitstop biedt. Het circuit staat bekend om het lange rechte stuk, de Mistral. Tot 1999 was het ook het toneel van de Bol d’Or, de beroemde 24-uursrace. Dit weekeinde is het circuit verhuurd aan het Porsche Center Marseille. In de paddock staat alles dat snel, mooi en duur is. En niet alleen van bloedsnelle spullen uit Zuffenhausen. Als de vleugeldeuren van de McLaren SLR zich sluiten en de Mediterrane lucht zich vermengd met de kruidige geur van verbrand rubber, klinkt ook voor de Japanse motor met de vleugel op de tank het startsignaal. We zetten koers naar Marseille.

Perspectief

In Marseille belanden we met dank aan ons navigatiesysteem in een rustige, groene oase van de parkachtige tuin rond het Newhotel Le Bompard, midden in de 1,2 miljoen mensen bevattende metropool. Marseille is niet bepaald de parel van Frankrijk. De stad lijdt onder het Bad Boy-imago, doordrenkt van economische migranten uit Afrika die vaak zonder perspectief langs de haven slenteren. Velen ervan wonen in de trieste banlieus aan de noordzijde van de stad, een voedingsbodem voor de leuzen van het rechts-radicale Front National. Maar dat Marseille, in 2013 nog de culturele hoofdstad van Europa, heeft ook zijn aantrekkelijke kanten. Want wie zich niet laat afschrikken door al die grootstedelijke rampspoed en juist de multiculturele veelzijdigheid van de stad goed in zich op neemt, zal Marseille ondanks alle clichés in zijn hart sluiten. Guide touristique Suzanne laat de pracht en praal van de mediterane havenstad die middag maar al te graag zien, terwijl ze door haar vriend Yves wordt rondgereden achterop zijn onverslijtbare rode Z1000. Ze voert ons door de wijk rond de Oude Haven, met de beide citadellen en het futuristische spiegeldak van ster-architect Foster. We bewonderen de basiliek van Notre-Dame de la Garde, met z’n zeilschepen onder het dak en het fantastische uitzicht over de hele stad. We wandelen door het MuCem, het museum dat de oude culturen rond de Middellandse Zee bewaard. En we wilden naar het in een oude molen ondergebrachte motorfietsmuseum, maar dat is op zondagen en maandagen helaas gesloten… Je kunt er diverse exoten bekijken, zoals een MGC-prototype met een viercilinder vliegtuigmotor.

Route des Crêtes

Wat in een reis als deze echt niet mag ontbreken, is de Route des Crêtes. De weg van Cassis naar La Ciotat, loopt langs de fjord-achtige inhammen van de zogeheten Calanques: “boa papaaaaa wowooo 🙂 🙂” licht op in het display van de smartphone. Thuis zijn ze ook onder de indruk. Het is de hoogste kliffenkust van Europa, volgens Suzanne en Yves, die natuurlijk niet geheel vrij zijn van chauvinisme voor de Grote Natie. Maar zeker is dat we hier toch te maken hebben met één van de spectaculairste kusten van Frankrijk. Het is alsof er bij de aanleg van het circuit van Paul Ricard nog een paar chicanes over waren. Die hebben ze maar in de bochtige D3 bij Ceyreste gedropt. Nadat we het circuit weer zijn gepasseerd, rijden we in een weide boog om de bebouwde kust van de Middellandse Zee heen naar Toulon, steken vervolgens door naar het groene achterland en rijden oostwaarts naar het Massif des Maures. De naam van dit geologisch oeroude gebergte is waarschijnlijk niet afkomstig van ‘muur’ maar van Maouro, de Provençaalse uitdrukking voor donker en dicht begroeid woud. Het werd in prehistorische tijden al bewoond door onze voorouders, als Homo Erectus en Neanderthalers.

Mimosas

De Homo Hongeritus van deze tijd verheugt zich er op dat hij in Belgentier de keuze heeft uit drie adressen: het nobele Le Moulin du Gapeau en de beide wegrestaurants Le Bistrot en Le Central Bar. Het alternatief is, maar dan laten we de magen knorren tot aan Bormes-Les-Mimosas, een middeleeuws dorp. Daar serveren ze bij de maaltijd een botanische overdaad, bestaande uit 700 planten en 60 soorten mimosa. Voor velen is dat haast te veel kleur. Toch heeft het Monster Yamaha Tech3-team van Hervé Poncharal zijn hoofdkwartier in Bormes-les-Mimosas. Toch heeft de omgeving weinig invloed op de kleurkeuze van de MotoGP-machines gehad: weinig groen, maar juist veel zwart.

Groene bossen en bruin domineren tussen de Col du Landon en de Col du Canadel. Een smal asfaltlint hangt als een hangbrug in een klimwoud zo’n 300 meter boven de kust. De weg door het bos loopt parallel aan de D558. De dikke takken van de kurkeiken reiken naar je toe alsof ze je vooruit willen helpen. Kurkeik: als je niet meteen voor de eerste valt – en er niet tegenaan knalt – zal op zijn minst bij de volgende mijmeren of dit exemplaar niet nog mooier en aantrekkelijker is dan de vorige. Hoe het ook zij, de karaktervolle bomen met hun knoestige stammen en afwijkende vormen van gebarsten schors, die er bijna uitzien als tatoeages in 3D, zijn echte nekkendraaiers.

Cap Camerat

Vuurtoren rechtuit. We rijden door een zee van wijnstokken naar Cap Camerat, een eilandje bij Ramatuelle en de standplaats van een vuurtoren die je zelfs overdag stralend tegemoet schijnt. ’s Nachts haalt hij een afstand van 60 kilometer. Iets dichterbij ligt het strand van Pampelonne, beter bekend als Saint-Tropez. Het voormalige vissersdorpje werd in de jaren ‘50 ongekend populair, ook al omdat de film “Et dieu crea la Femme” met Brigitte Bardot er zich afspeelde. Andreas kijkt die avond vooral uit naar “de beste vissoep ter wereld”, die hij hier jaren geleden al eens heeft gegeten. Dat is de reden waarom hij ons naar het strandrestaurant La Rotonde in Le Lavandou loodst.

Cols

De volgende ochtend blijkt het béste strand het strand te zijn dat direct tegenover de beschaduwde ontbijttafel ligt. En dat vinden we in het vaalgeel getinte Hotel Lido Beach in Hyères-Plage. De frisse golven van de Middellandse Zee verleiden zelfs de hardnekkigste landrotten tot een duik, nog voor de café au lait en de croissants. Het valt ons daarom zwaar ons van de hypnotiserende blik van op het schitterende water dansende boten los te maken. Het moment dat je in plaats van naar aftershave en parfum geurende hotelgasten weer pijnbomen wilt ruiken en van kurkeiken wilt genieten komt onherroepelijk. En eigenlijk is er niets gemakkelijker dan dat: gewoon gas geven.

Tussen Col de Babaou en Col de Valdingarde, Col des Fourches en Col de Collebasse heeft het Massif des Maures nog een heleboel prachtige kronkelwegen voor VFR en co in petto. Het is bijna onmogelijk om er passende woorden voor te vinden. Daarom hier de meest kenmerkende punten onderweg op rij:

1 Collobrières

In Collobrières is het naast de dorpsbron gelegen La Petite Fontain ideaal voor een langdurige pauze. Het stadje kreeg niet voor niets de beste aanbevelingen, van de Gault Milau tot de Geo Guide. Het is er zo mooi, dat we het volgende programmapunt vanwege een volle buik afzeggen. De geest is wellicht willig, maar het bewegingsapparaat is die middag te zwak voor het diep in het bos gelegen Chartreuse de la Verne. Lieve God, vergeef ons onze gemakzucht… We tuffen niet naar het klooster, maar gunnen de motoren de vrije loop. En daarmee zijn ze lekker bezig. Want wie hier niet in volle galop over de heuvelachtige pistes draaft, komt er al snel achter dat de wat optimistisch geplande dagetappes een tikje meer tijd kosten dan gepland. Dan moet je punten uit het roadbook schrappen, in dit geval de Col de Taillude, de Grimaud, La Garde-Feinet, de Col de Vignon en Le Plan-de-la-tour.

2 Saint-Tropez

Decorwissel. Saint-Tropez. Een mythe. Geniet van het leven. Waar wordt deze levenswijze tot in de max gevierd als in dit tot Mekka van de Jet-set uitgegroeide, voormalig vissersdorp? Hier moet je geweest zijn. Minstens eenmaal, of steeds opnieuw. Onze nieuwsgierigheid wordt beloond. Voor de verzameling van luxe jachten in de haven gebeurt altijd wat. Vandaag loopt het deelnemersveld van de Runball Rally er binnen: Ferrari 458 Italia, goudgeel-metallic, Ford Torino GT 428 Cobra Jet, zwarte Muscle Car uit 1969, enzovoorts. De ene klassieker is nog mooier dan de ander. In mei is Saint-Tropez overigen elk jaar het toneel van het Harley-Euro-Festival.

3 Hyères

In de avond geven we de sporttoermotoren de sporen en rijden via de snelste weg – ‘s avonds is de D98 haast leeg – terug haar Hyères, de oude, landinwaarts gelegen stad. Boah ey, zoals Pia zou zeggen. De kronkelende steegjes zijn iets voor romantisch aangelegde zielen. Om dat duidelijk te maken hebben ze op het plafond van een poort zelfs een sterrenhemel geschilderd. Wie de tijd hier uit het oog verliest, vindt de keukens gesloten. Dan moet je het in je hotelkamer doen met een paar speculaasjes en een paar pakken Saint-Omer, die je vooraf gelukkig in de Supermarkt hebt gehaald. Maar of je daar vrolijk van wordt, is nog maar de vraag…

4 Le Luc

Ook op het Circuit du Var bij Le Luc mogen toeschouwers niet naar binnen, aangezien er een Eprit Competitie en een racetraining gaande is. In de paddock staan naast een paar moderne Lotussen nog een paar verouderde Monopostos en een zeldzame Crosslé 9 S uit 1966. Het is speelgoed voor heren uit de bovenklasse, die in plaats van op een pakezel af en toe in een harde carbonschaal stappen.

5 Brigitte

Dat mannen zich op een gegeven moment ook voor andere dingen dan raceauto’s interesseren, maakt een telefoontje van mijn vader duidelijk. “Hoi Pa, fantastisch weer hier in Zuid-Frankrijk. Gisteren waren we in Saint-Tropez.” “Saint-Tropez? Daar woont Brigitte Bardot toch?” Sommige dingen maken tot op hoge leeftijd indruk en duiken steeds weer op in de stroom van herinneringen. Als een dansend stukje kurk in azuurblauwe zee. Zelfs zonder WhatsApp.

 

MotoGP-nerd gezocht

0

Zeg, altijd al je zegje willen doen over internationale coureurs terwijl duizenden mensen naar je luisteren? Dit is je kans! Eurosport is namelijk op zoek naar een gloednieuwe reporter vanuit de pits die de uitzending van de MotoGP met vernieuwende inzichten kan verrijken. Droombaan, niet? Er is wel een klein lijstje met vereisten waar je aan zal moeten voldoen mits je kans wil maken uitgenodigd te worden om eens te komen babbelen. Zo is ervaring met camerawerk echt wel verplicht. En dan bedoelen ze er wel voor en niet veilig achter.

Ook dien je een teamspeler te zijn die, mede vanwege het internationale team waar Eurosport mee werkt, vloeiend Engels spreekt. Italiaans en/of Spaans zijn voor de communicatie met de coureurs ook een grote pre. Oh en je moet echt een bovengemiddelde interesse hebben in de MotoGP. Liefst niet op het niveau van een superfan maar met een objectieve neutrale journalistieke insteek. Lukt dat? 

Aanmelden kan via sollicitatie@discovery.com. Ze vragen wel of je videotje kan meesturen van je kunsten voor de camera. 

Absoluut leuke site: pitstopindenatuur.nl

0
pitstopindenatuur.nl

Als toerrijder kom je overal, weet je de leukste weggetjes te vinden. En als je ze niet weet, kun je altijd nog een tanktastocht o.i.d. van ons downloaden. Maar onderweg wil je ook wel eens pauzeren. Voor een hapje of een warm drankje. Liefst op een leuke stek, maar weet die maar eens te vinden.

Sylvie Dücker is special voor dat doel een website gestart. pitstopindenatuur.nl. De website bevat per provincie leuke adressen voor een pitstop in de natuur. Je kunt er terecht voor een kop koffie, een heerlijke lunch en in sommige gevallen ook voor een overnachting.

Check pitstopindenatuur.nl

Trial op Olympische Spelen?

0
E-Trial Olympische Spelen

Dat zou wat zijn zeg; motorsport op de Olympische Spelen. Als dressuur kan, boogschieten of rodelen, waarom dan geen E-Trial. De FIM heeft onlangs een aanvraag ingediend bij het Internationaal Olympisch Comité (IOC). En als die een beetje gevoelig is voor de argumentatie…

Na de Olympische Spelen van Tokyo gaat het IOC er eens goed voor zitten welke sporten hun opwachting mogen maken tijdens de Spelen van 2024 in Parijs. Elke Olympische Spelen levert wel een nieuwe sport op. Zo maken baseball, softball en skateborden hun debuut in Tokyo.

De voorwaarden die het IOC stelt aan potentiële olympische sporten zijn dat het en sport moet zijn die door de jeugd wordt beoefend, door mannen én vrouwen, het moet duurzaam zijn, maar vooral ook spectaculair. En dan zit je met E-trial wel goed.

Huib Maaskant schrijft The Longcut Across, een boek over een motorreis door de USA

0

Amerika is het land waar veel motorrijders van dromen. Huib Maaskant ook. Twee jaar geleden besloot hij om deze droom maar eens uit te laten komen. Samen met zijn motor stapte hij op het vliegtuig naar de USA. Uiteindelijk werd de jongensdroom een reis over 12.500 km asfalt en gravel door tientallen steden en staten.
 
Eindelijk is het boek af wat hij over deze reis heeft willen schrijven. In 240 pagina’s en honderden foto’s neem Huib de lezer mee achterop zijn motor. The Longcut Across is een onderhoudend reisverhaal. Maar het is ook een praktisch boek boordevol reisinformatie. De route is van etappe tot etappe te volgen. En je leest hoe je een motorfiets kunt verschepen naar Amerika.

Meer informatie vind je op www.thelongcutacross.nl. The Longcut Across is vanaf 1 maart te koop, maar nu al te bestellen bij bol.com, bruna.nl en de gewone boekhandels.

Motorfiets op lpg

0

Zo zeldzaam als een Vlaamse gaai is de Nederlandse lpg-motorrijder. Heel af en toe kom je er eentje in het wild tegen, maar aangezien het veelal forenzen betreft, zijn ze net als diezelfde gaai zo weer gevlogen. We wisten er één aan de grond te houden en bestookten hem met een veelvoud aan vragen.

 

Met temperaturen van rond het vriespunt en een vrees voor bevroren verdampers, treffen we René van de Ven thuis met een carport vol oude BMW-motorfietsen. Op het eerste gezicht is geen van de twee vanaf de weg zichtbare machines erg bijzonder. De K75 en R80RT zijn de onverwoestbare grijze-muizenmachines die opvallen omdat ze niet opvallen. Ondanks hun leeftijd rijden er nog veel van rond en veelal met kilometerstanden die de mond open doen vallen, maar met goed onderhoud blijven ze ook gewoon rijden. Sinds de caféracerhype van de grond kwam, is menig boxer-BMW flink in waarde gestegen, maar daarvoor leek het wel of je de Beierse Zweiventiler-boxers voor niets nog niet kwijt kon. 

Perfect voor René dus, aangezien zijn hele lpg-avontuur begon uit kostenbesparing. Hij was thuis komen te zitten, had daardoor aardig wat tijd en als werktuigbouwkundig techneut zocht hij de uitdaging om zijn dagelijkse kilometers op twee wielen goedkoper te maken. Zeker omdat sollicitaties stiekem toch ook kilometervreten betekent en je er pas wat voor terugkrijgt als je de baan daadwerkelijk hebt, kwam het idee bovendrijven om een motorfiets op gas te maken. Dat moest niet zo heel moeilijk zijn, dacht hij. ‘Dat de motorfiets om te beginnen honderd procent goed loopt, heeft de eerste prioriteit. Als hij op benzine al moeilijk loopt, hoef je niet aan gas te beginnen’, vertelt de Brabander met een enthousiaste schittering de ogen, terwijl hij een stapeltje groene A4’tjes overhandigt. ‘Ik heb maar vast een lijstje met het hoe en wat, en de voor- en nadelen gemaakt’, vertelt hij. Het rijtje nadelen op zijn lijst is lang, zeker afgezet tegen het treurige bovenhoekje waaronder de voordelen zijn weggezet. ‘Als het goed gebeurt, is het schoner en beter voor het milieu en het zou ook moeten schelen in het verbruik van motorolie’, legt hij uit. Hij pauzeert, haalt zijn schouders op, lacht en vervolgt. ‘Eigenlijk is er maar één voordeel: dat het goedkoper is!’ 

 

 

Praktijk als leerschool

 

In zijn achtertuin staat zijn derde en laatste lpg-BMW. De dieprode R100RT is feitelijk zijn lpg-2.0-motorfiets. De witte R80 was de genesis van zijn omzwervingen in een poging het niet alleen werkend, maar ook gewoon goed werkend te krijgen. Uiteindelijk kon René weer aan het werk en dat hij als heftruck-technicus aan de slag ging, was geen toeval. ‘Veel heftrucks lopen op gas, dus op die manier kon ik me in de praktijk verdiepen in de techniek’, aldus René. Die praktijk zou de allerbelangrijkste leerschool blijken, want zo moeilijk vindbaar als ’s lands lpg-motorrijder bleek, zo ook de materie.

 

 

MOTO73 03/2019

Wil je nog meer lezen over motoren en lpg? Je vindt het artikel hierover in MOTO73 03/2019. Koop het nummer hier in de webshop. De editie is ook tot en met 13 februari verkrijgbaar in de winkel.

Foto: Jowin Boerboom
Tekst: Nick Enghardt