vrijdag 24 april 2026
Home Blog Pagina 1162

KTM & Husqvarna Testdag bij Goedhart Motoren

0
KTM Husqvarna Dag bij Goedhart Motoren

Zaterdag 1 juni staat bij Goedhart in het teken van KTM en Husqvarna. Met een broodje. Met een drankje. En met de allernieuwste KTM’s en Husqvarna’s, die je ongegeneerd aan de tand mag voelen tussen 10.00 en 17.00 uur. Dat is nog niet alles, want van 25 mei t/m 1 juni profiteer je ook van 10% korting op alle Husqvarna en KTM producten.

De volgende modellen staan voor je klaar:

Beschikbare KTM’s

– 390 Duke (A2)
– 690 Duke
– 790 Duke
– 1290 Super Duke R
– 1290 Super Duke GT
– 790 Adventure
– 790 Adventure R
– 1290 Super Adventure S

Beschikbare Husqvarna’s

– 401 Vitpilen (A2)
– 401 Svartpilen (A2)
– 701 Vitpilen
– 701 Svartpilen
– 701 Enduro

Inschrijven voor een proefrit kan ter plekke (vooraf inschrijven is niet mogelijk). Dus kom zaterdag 1 juni bij Goedhart langs: de ideale tussenstop voor een mooie toertocht door het Groene Hart!

Let op: beschermde motorkleding & motorrijbewijs zijn verplicht!

Tintelend markant: Langs de Mark en Dintel

1
Mark en Dintel

Een motorrit langs het water van Mark en Dintel staat garant voor afwisseling. Het is een tocht door bossen en over polderland. Waar vroomheid hand in hand gaat met schuld en boete. Door plaatsen vol devotie en langs oorden van orde en tucht. Waar Belgische zwier Hollandse nuchterheid ontmoet. Kortom, motorpret voor wie van variatie houdt.

Yop Segers

Al om negen uur glip ik de Belgische grens over en de N283 brengt mij kwiek van Tilburg naar Turnhout. In deze Kempische stad mogen de pk’s uitrusten op de Grote Markt. Om precies te zijn voor de ingang van de Collegiale Sint Pieterskerk, recht tegenover het stadskantoor dat comfortabel door vele horecazaken wordt geflankeerd. Ik kies voor een taverne waarin enkele gasten op dit vroege uur al gezellig pintjes nuttigen. Het is een café als uit een poesie album. Tafeltjes met smyrnakleedjes, asbakken uit blik, hoogpolig tapijt en bij de tapkast marmoleum op de vloer. Alsof de tijd er stil heeft gestaan. Maar de koffie is eigentijds lekker en ook de pruimentaart met onvervalste slagroom. De calorieën worden vlak bij de Grote Markt weggewerkt met een korte wandeling door het stemmige begijnhof.

Het werd in de Middeleeuwen opgericht om de talrijke weduwen en wezen van de kruistochten te huisvesten, voor wie geen plaats meer in de overvolle kloosters was. Een kwartiertje later worden de pk’s weer aangesproken en sjees ik over kasseien, langs het Château des Ducs de Brabant, het centrum van Turnhout uit. Een zoektocht naar de bron brengt mij dan naar het gehucht Koekhoven, waar het riviertje de Mark in een wei ontspringt en de status van een greppel krijgt. De omgeving is typisch voor een tuinbouwgebied. Tussen akkers en weilanden staan overal glazen kassen waarin aardbeien, augurken, paprika’s en tomaten worden gekweekt.

Orde en tucht

Over zwierige binnenwegen bereik ik het dorp Merksplas. Een anoniem plaatsje waar de geschiedenis aan voorbij lijkt te zijn gegaan. De annalen vermelden slechts dat hier in 1831 tijdens de Tiendaagse Veldtocht enkele schermutselingen plaatsvonden tussen het Nederlandse leger en de opstandige Belgen die voor onafhankelijkheid vochten. Drie kilometer buiten Merksplas kun je de historie echter bijna letterlijk inademen. Aan een bosrand ligt een merkwaardig gebouwencomplex dat zijn oorsprong vindt in 1823 toen de Maatschappij van Weldadigheid er een landbouwkolonie stichtte. Gevangenis, opzichterswoningen, boerenhoeve en de gestichtskerk zijn strak in het gelid geordend aan een geometrisch stratenpatroon. Daardoor doet alles wat luguber en zelfs een beetje buitenaards aan. Alsof Marsmannetjes hier een wingewest hebben opgezet. Doel van de kolonie was landlopers en bedelaars tot zelfstandige landarbeiders op te voeden. Zij moesten de omringende heide ontginnen en werden daarna te werk gesteld op de boerenhoeves die op dit ontgonnen land verrezen. Na de Belgische Revolutie werd de vrije landbouwkolonie opgedoekt en tot een strafinrichting voor opgepakte landlopers omgevormd. In plaats van op het land werken moesten de paupers nu reiskoffers, hoeden, manden, tapijten en parelmoeren knopen maken. Uiteindelijk kreeg het gevangeniscomplex, nadat België in 1993 de wet op de landloperij schrapte, een bestemming als asielzoekerscentrum.

Groot is mijn verwondering als ik na een ruwe kasseienweg door het bos, vlak bij het dorpje Wortel, opnieuw een voormalige bedelaarskolonie aantref. Ook hier is vanaf begin 19e eeuw alles in een strak geometrisch keurslijf gegoten. Zelfs het landschap moest blijkbaar orde en tucht uitdragen. Hoofdader door dit domein van 516 hectare is een kaarsrechte allee met aan weerszijden dreven die in velden en bossen verdwijnen. De kolonie van Wortel werd in 1881 een dependance van die in Merksplas. Tot aan de Eerste Wereldoorlog waren in beide instellingen meer dan vijfduizend landlopers gedetineerd. Tegenwoordig huist het complex, je raadt het al, een reguliere gevangenis.

Alle wegen leiden naar Rome

Oudenbosch zou je het Rome van de Lage Landen kunnen noemen. Want behalve de kruisbasiliek en het Nederlands Zoauvenmuseum bezit het plaatsje nog veel meer hoogstandjes van roomse cultuur. Bijvoorbeeld het Instituut Saint-Louis, een voormalig jongensinternaat rondom een binnenplein met als blikvanger een kerk waarbij de neobarokke façade een replica is van die van de Sint-Jan van Lateranen in Rome. Of het in 1837 gestichte kloosterinternaat voor meisjes Sint-Anna dat onlangs tot gemeentehuis is verbouwd. Dan is er ook nog het Collegium Berchmannium, een jezuïetenklooster en grootseminarie waarin nu een sterrenwacht en een hotel zijn ondergebracht.

Devotie en gelofte

Tussen Wortel en Hoogstraten is de jonge Mark al behoorlijk gegroeid en meandert als een onstuimige adolescent door het oude land van de Noorderkempen. Het oudhertogelijke stadje Hoogstraten verwelkomt me dan met het Gelmerslot. Dit kasteel aan de Mark heeft een bewogen geschiedenis achter de rug. Het is vaak door vuur en oorlogsgeweld verwoest en net zo veel keren weer opgebouwd. In 1810 ten slotte huisvestte men binnen zijn solide muren een bedelaarsoord. Het macabere blijft me op deze toertocht dus gezelschap houden, want het Gelmerslot is sinds 1931 een Penitentiair Schoolcentrum. Een jeugdgevangenis waar Belgisch jongste kruimeldiefjes en ruitentikkertjes op het ‘pad der deugd’ worden gewezen.

In het centrum van Hoogstraten maak ik een korte pitstop om het 16e eeuwse convent te bezoeken. Na al die gevangenissen snakt mijn geest naar verademing. Het met een muur omringde begijnhof van Hoogstraten is in elk geval een rustgevend oord. Niet zo groot als de evenknie in Turnhout maar met zijn barokke begijnhofkerk wel oorspronkelijker. Het schaduwrijke groen tussen de rijen wit geschilderde begijnenwoninkjes en de devote stilte nodigen uit tot verpozing. Misschien moet je voor zo’n gelegenheid altijd wat filosofisch leesvoer in de tanktas meenemen. Maar een blikje prik en enkele hapklare graanrepen volstaan ook.

Zigzaggend door het bed van de Mark wordt de tocht stroomaf voortgezet, via Minderhout en Meer naar Meersel-Dreef. Dit meest noordelijke gelegen dorp van België wordt ook wel het Lourdes van de Noorderkempen genoemd. Elk jaar bezoeken tienduizenden bedevaartgangers het Mariapark bij het kapucijnenklooster. Pater Jan Baptist vertrok in 1895 naar Punjab in Engels-Indië. Onderweg kwam zijn schip in zware storm terecht en hij beloofde een grot voor O.L. Vrouw van Lourdes op te richten als hij veilig aan wal zou komen. Zijn gebed werd verhoord en uiteindelijk besloot hij om zijn gelofte te volbrengen op zijn geboortegrond. In 1896 legde hij op de Meersele Dreef in de tuin tegenover het klooster de eerste steen voor de Lourdesgrot.

Na bezoek aan het genadebeeld schuifelen de pelgrims in processie langs de kruiswegstatie. Verder zijn in het Mariapark ook tal van heiligenbeelden geplaatst. Bijvoorbeeld van Pater Pio, een kapucijn die zijn leven lang de vijf kruiswonden van Christus droeg. In 1999 werd hij door de paus in de hemelse zaligheid opgenomen en in 2002 volgde zijn heiligverklaring. De gotische Sint-Luciakapel ten slotte is van oudsher de plek waar katholieken de hulp afsmeken tegen oogziekten. De naam Lucia is immers afgeleid van het Latijnse woord ‘lucis’, wat licht betekent.

Dat de bedevaart Meersel-Dreef geen windeieren heeft gelegd, wordt duidelijk als je door die ene dorpsstraat stuurt. Niet minder dan acht horecabedrijven geven hier acte de présence om de inwendige mens te versterken.

Schuld en boete

Mijn calorimeter is echter op peil zodat ik mijn Honda de sporen geef en langs de watermolen van Meersel-Dreef het bedevaartsoord vaarwel zeg. De grens met Nederland wordt ongemerkt overschreden in het buurtschap Kerzel. Vandaar zoeft de SevenFifty in lijzig tempo over de Galderseweg richting Breda. Links het Mastbos, het oudste naaldbos van ons land dat in de 16e eeuw werd aangeplant om de jagerslust van de Nassaus te bevredigen. Rechts weggedoken in het loof een groot aantal rijksinstellingen.

En jawel, één daarvan is een gevangenis voor jeugdige delinquenten. Het begint te dagen dat je voor deze tocht in plaats van filosofische uiteenzettingen beter het epos Schuld en Boete van de Russische schrijver Dostojevski erop na kunt slaan. Zeker als ik even later aan de binnenste ringweg van Breda voor de zoveelste keer op een strafinrichting wordt getrakteerd. Het is de roemruchte koepelgevangenis.

Na vijf minuten bevrijd ik me van het drukke stadsverkeer en rij ten noorden van Breda het kerkdorp Terheijden binnen. Hier las ik een ommetje in langs het Markkanaal dat sinds 1915 de Mark met het Wilhelminakanaal verbindt. Je cruist er onder een boog van prachtige eiken. Terheijden zelf is vooral bekend om zijn aarden schans die de Spaanse landvoogd Parma in 1590 aan de oever van de Mark liet aanleggen. Hij wilde hiermee Breda, dat prins Maurits zojuist door een list met het turfschip had veroverd, beroven van zijn verbinding met Holland. Een barrière uit nieuwere tijden vormt de HSL-Zuid, de hogesnelheidsspoorlijn van Rotterdam naar Antwerpen.

Het duurt even voordat ik een geschikte route heb gevonden om dit obstakel te passeren. Uiteindelijk lukt dat via de Bredeweg die vlak langs de Mark onder drie viaducten (van de snelweg A16, spoorlijn Breda-Rotterdam en de HSL) doorloopt.

Rome aan de Dintel

In Langeweg pauzeer ik om op het caféterras een bakkie leut te lebberen. Dit gehucht, dat tot 1910 Slikgat heette, is honderd jaar lang overheerst door het kapucijnenklooster en het vermaarde kleinsemenarie waar priesters werden opgeleid. Maar de bebaarde paters in bruine pijen en op sandalen zijn er niet meer. Nu runt de Emmaüs Stichting in het voormalige klooster een woon- en werkgemeenschap van (ex)daklozen. Over de Zuiddijk gaat het dan via Zevenbergen, waar de Roode Vaart de Mark met het Hollands Diep verbindt, naar Standdaarbuiten. Vanaf dit dorp draagt onze rivier de naam Dintel.

Het gebied dat ik doorkruis was vroeger roomser dan de paus. Dat bewijst Oudenbosch. Wie dit dorp nadert, ziet al van verre de kolossale koepel van de Agatha en Barbarakerk hoog boven het polderland oprijzen. Eenmaal op het kerkplein waar de pronkgevel in het zonlicht helgeel kleurt, heb je het gevoel in Italië te vertoeven. Oudenbosch heeft inderdaad iets met dat land. Het plaatsje werd bekend als verzamelcentrum voor de zouaven. Vrijwilligers die in de jaren 1863-1870 dienst namen in het pauselijk leger om de Kerkelijke Staat te verdedigen tegen Garibaldi die de eenwording van Italië nastreefde. Pastoor Hellemans liet als herinnering aan hen de Agatha en Barbarakerk bouwen (1865-1880). Een verkleinde kopie van de Sint Pieter in Rome: half zo hoog, half zo breed en een derde van de lengte.

Ik stap deze basiliek binnen en krijg zowat een beroerte van de pracht en praal die je daar tegemoet glimt. Overal prachtig stucwerk met geschilderde marmerimitaties, blote engeltjes en struise afbeeldingen van heiligen. Ook heeft men kwistig met verguldsel omgesprongen. Het interieur van de echte Sint Pieter is tot in het kleinste detail gekopieerd, inclusief de cassettengewelven en het beroemde Bernini-altaar met zijn gedraaide zuilen. Weer buiten voel ik me een pietermannetje, ietwat uit het veld geslagen door zo veel decorum.

Babylonische spraakverwarring

Breda is ontstaan op de plek waar twee rivieren bij elkaar kwamen: de Aa en de Mark. Dit heeft trouwens een Babylonische spraakverwarring opgeleverd. Want de Mark werd in de Middeleeuwen ook wel de Aa genoemd, terwijl de huidige Aa vaak als Weerijs door het leven ging. Hoe dan ook, de Mark trad vroeger regelmatig buiten zijn oevers. Dit wordt aangevoerd als verklaring voor de naam van de stad Breda: het zou komen van de ‘Brede Aa’.

Prinsenland

Het vlakke land van West-Brabant zorgt er echter voor dat mijn ziel al snel de eenvoud en nuchterheid hervindt. Bij Stampersgat waar een van de grootste suikerfabrieken van Europa zich langs de Dintel breed maakt, stuif ik via de Gastelsedijk en Zuidzeedijk het Prinsenland binnen. Dit aloude veengebied ging in de niets ontziende golven van de Sint Elizabethsvloed uit 1421 compleet ten onder.

Prins Filips Willem, zoon van Willem van Oranje, besloot in 1605 het overstroomde land in te dijken en weer droog te malen. Zo ontstond de polder Prinsenland, ten noorden begrensd door de Dintel en ten zuiden door de Steenbergse Vliet. Deze laatste rivier was vermoedelijk ooit de bedding van de Mark. Dus cruis ik langs dit water verder naar het westen.

Mijn Honda beleeft pure motorpret op de smalle dijkweggetjes. De zondagsrust is er intens en je komt er kip noch kraai tegen. Dat schept de mogelijkheid om flink aan het gas te lurken en scherp door de bochten te scheren. Een sublieme ervaring in ons dichtbevolkt landje waar na elk stoplicht een file wacht. Het polderland van West-Brabant flitst dus moeiteloos aan mij voorbij. Hier en daar tovert de Steenbergse Vliet zelfs een idyllische setting uit zijn hoed. Zo is een verlaten aanlegsteiger de ideale plek om met de SevenFifty kort te verpozen en romantisch in het niets te gluren.

Eventjes dan, want de finish komt in zicht. Het oude sluizencomplex bij Benedensas is het informele eindpunt van deze riviertocht. Hier mondt de Steenbergse Vliet – ooit de Mark dus – in het Volkerak uit. Benedensas met zijn pittoreske rolbrug en sluiswachtershuisje vormde vijftig jaar geleden nog het decor van de toen populaire tv-serie Merijntje Gijzens jeugd. Leuk om te weten, maar ik mis in Benedensas wel een etablissement om de toertocht op gepaste wijze af te sluiten. Dus wordt een epiloog ingevoegd naar Dinteloord, de plaats waar de Dintel bij de Manderssluis het brakke water van het Volkerak ontmoet. Eenmaal in het centrum van Dinteloord buffel ik een uitsmijter met ham en kaas naar binnen, ‘bikers food’ optima forma! Op de dagteller staan dik 100 mooie kilometers.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-Mark_Dintel.GPX”]

Lievelingetje: De Betuwse Linge

0
Betuwse Linge

Midden in ons landje stroomt de Linge dwars door de Betuwe. Deze fruittuin is op zijn mooist als in het voorjaar de bloesems bloeien. Je toert dan door een bekoorlijk lusthof. De vele zwierige dijkweggetjes maken zo’n rit tot de benjamin voor motorrijders die romantiek boven snelheid stellen. Een bloesemende Linge is dan ook het lievelingetje voor een relaxed motorhart.

Yop Segers

Na een kwieke tocht over het hogesnelheidsasfalt weergalmen tegen tienen de pk’s van mijn Honda in het centrum van Gorinchem, of zoals ze hier zeggen Gorkum. Ik stal mijn Japans vernuft op de Grote Markt, langs een pronkzuchtige fontein die de troonsbestijging van koningin Wilhelmina in 1898 memoreert. Op het terras van café De Hoofdwacht geurt de koffie me al tegemoet. Ideaal om de wegenkaarten te bestuderen en een route uit te stippelen langs de Linge. De rivier die midden door het land van de grote rivieren stroomt, opgeborgen in de schoot van de Betuwe.

Maar voordat ik met de slingertocht langs het water begin, wordt Gorkum even in ogenschouw genomen. Eerst de haven waar de Linge via een oude sluis in de Merwede uitmondt. Fraai nostalgisch zijn ook de gerestaureerde wallen. Gorkum was al in de 14e eeuw een belangrijke vestingstad. Twee eeuwen later kwamen de huidige stadswallen met bastions, grachten en ravelijnen tot stand. Ook is een van de vier stadspoorten bewaard gebleven. Bij deze Dalempoort drentel ik kort de stadsmuur omhoog en word getrakteerd op een van de mooiste riviergezichten van Nederland. Een weids panorama over de brede Merwede met in de verte de vestingstad Woudrichem en de contouren van slot Loevestein.

Bloesempracht

Even later komt de Honda weer tot leven en draai ik ten noorden van Gorinchem de Arkelsedijk op. Het festijn van een relaxte toertocht langs het water begint nu echt. Na vier kilometer wordt in Arkel de Noorderlingedijk ingeslagen richting Kedichem en Leerdam. De Linge is hier vanouds de scheidslijn tussen twee rivaliserende gewesten: ten noorden Holland en ten zuiden Gelre of Gelderland. Maar het zwaard aangorden is voorgoed verleden tijd. De strijd tegen het water is daarentegen gebleven. Tastbaar bewijs zijn de vele wielen waar de Noorderlingedijk rondom slingert. Een wiel is een kolk die bij een dijkdoorbraak ontstond en te diep was om te dichten, zodat de nieuwe dijk er eenvoudig met een bocht omheen is gelegd. Het levert de motorrijder in elk geval gaaf stuurwerk op.

Het dorpje Kedichem heeft vandaag de primeur. Daar wuiven mij voor het eerst de bloesems vriendelijk toe en rij ik door een haag van witte en roze bloesempracht. Door de steeds hoger aan de hemel staande voorjaarszon worden appel-, peren- en kersenbomen in bloei getrokken. Alsof het bladerloos geboomte nog eenmaal met winterse sneeuwvlokken is bedekt. Een idyllisch tafereel dat mij al snel doet besluiten het vizier van mijn systeemhelm omhoog te klappen om de bloemengeur op te snuiven. En dan te bedenken dat het epicentrum van de Nederlandse fruitteelt, de Betuwe, nog niet eens is bereikt.

Na deze ‘bloemrijke’ ouverture wordt de gemeentegrens van Leerdam bereikt, een stad die een wereldwijde reputatie als Glasstad geniet. In 1765 opende hier de eerste flessenblazerij. De benodigde grondstoffen zoals zand en kalk, konden gemakkelijk over de Linge worden aangevoerd. Begin 19e eeuw werd de ambachtelijke glasproductie gemechaniseerd. Een stimulans was de nieuwe conserveringstechniek in glazen potten die een langdurige bewaring van groenten en fruit mogelijk maakte. De belangrijkste fabrikant werd Royal Leerdam. Langs de oevers van de Linge liggen bergen geschoonde en op kleur gesorteerde glasscherven klaar voor een nieuwe kringloop. Vlak bij de fabriek ligt aan de rivierdijk het Nationaal Glasmuseum, ondergebracht in de voormalige directeurswoning. Leuk voor een pitstop tijdens regen, maar nu nodigt het mooie weer uit om te blijven motorrijden.

Lange Linge

Je zou het niet direct vermoeden maar de Linge is met zijn 108 kilometer de langste in Nederland stromende rivier. Vroeger werd hij dan ook de Lenge of Lange Rivier genoemd. De Linge komt tot leven bij het kasteel Doornenburg en krijgt zijn water van het Pannerdens Kanaal via een inlaatsluis. De bovenloop is grotendeels door mensenhanden aangelegd. In de Middeleeuwen werd van Doornenburg tot aan Tiel een wetering gegraven die het overtollige water uit de Over-Betuwe moest afvoeren. De eigenlijke rivier begon vroeger pas bij Tiel waar de Linge zich van de machtige Waal afsplitste. In 1304 werd daar de open verbinding tussen deze rivieren ingedamd en vanaf dat moment werd de Linge uitsluitend gevoed met het water uit de eerder genoemde wetering. De Linge is bevaarbaar van Gorinchem tot Geldermalsen waar het riviertje Korne met de Linge samenvloeit.

Waterlinie

Ik laat het kunstig glasservies van Chris Lebeau, Cornelis de Lorm of Piet Zwart dan ook voor wat ’t is en toer met bedaagd toerental verder. Op de zuidoever van de Linge gaat de rit verder naar het stadje Asperen. Een kleinood dat wordt gedomineerd door de majestueuze klokkentoren van de St. Catharinakerk. Uit diezelfde 15e eeuw stammen ook enkele overblijfselen van de stadsmuur. Buiten Asperen ontmoet ik de Linge weer bij een sluizencomplex dat behalve het schutten van schepen ook een militaire functie had. Het was namelijk onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Een stelsel van inundatiewerken en versterkingen begin 19e eeuw aangelegd om het westen van Nederland te verdedigen tegen een vijandelijke aanval vanuit het oosten en zuiden. De sluisdeuren werden dan gesloten zodat een groot gebied zo’n halve meter onder water liep. Hoog genoeg omdat onherkenbare greppels en sloten het voor de vijand onmogelijk maakten om er met paarden, wagens en geschut doorheen te trekken.

Op plaatsen waar dijken, bruggen en wegen boven water uitstaken werden bomvrije forten gebouwd. Van hieruit konden ook de inundatiesluizen worden bewaakt. Dus bouwde men in 1847 bij Asperen, op schootsafstand van het sluizencomplex, een formidabel bastion: drie etages hoog en dertig meter in doorsnede. De bovenste verdiepingen waren bestemd voor geschut en manschappen terwijl in de kelder latrines, munitiedepots, proviandkamers en de keuken onderdak vonden. Het Fort Asperen werd tijdens de mobilisatie in 1939 voor het laatst in staat van verdediging gebracht en in de Tweede Wereldoorlog bivakkeerden er Duitse soldaten. Tegenwoordig is het fort in de wintermaanden ‘bezet’ door vleermuizen die de constante temperatuur en hoge luchtvochtigheid in de gewelven zeer waarderen. Het publiek kan dan op zijn beurt ’s zomers door de catacomben struinen.

Bloeiende Betuwe

De pk’s in het vooronder roffelen zo lekker dat ik spontaan een ommetje inlas naar Acquoy, op de noordoever van de Linge. Een spat op de wereldkaart, maar die scheve toren dat is toch een bezienswaardigheid. Dat de kerktoren van Acquoy één meter uit het lood staat, is niet eens zo wonderlijk. Veel vreemder is dat op het kerkhofje een vrouw begraven ligt met de meisjesnaam Pisa. Je vraagt je dan meteen af: is dit doodgewoon toeval of een geestige grap? Blijkt zij de echtgenote te zijn geweest van de eens aan deze kerk verbonden predikant.

Terug op de zuidoever slalomt de Honda over kronkelige dijkweggetjes de Linge stroomop. De bloesemende fruitbomen die overal over het asfalt hangen, maken duidelijk dat we nu in het hart van de Betuwe zijn. Wanneer de wind even greep krijgt op de takken, rij je door een wolk natuurlijke confetti. Zo flitst de fruittuin van Nederland moeiteloos aan mij voorbij. Toch past hier een opmerking. Bijna alle hoogstamboomgaarden zijn uit de Betuwe verdwenen. Deze ouderwetse fruitbomen met hoge stammen hebben slechts op de dijken een wijkplaats gevonden. De boomgaarden zelf zijn nu overwegend met laagstamrassen beplant. Struikachtige bomen die veel rendabeler zijn omdat ze dichter bij elkaar kunnen worden gezet, eerder vruchten dragen en hun de is goedkoper.

Hoe dan ook, een motorrit door de bloeiende Betuwe blijft een belevenis. Als parels aan een snoer liggen de dorpjes Gellicum, Rumpt, Enspijk en Deil langs de Linge aaneengeregen. In de Middeleeuwen stuk voor stuk zelfstandige heerlijkheden waarvan het adellijk huis of kasteel in latere tijden is verdwenen. Nu zijn het vreedzame kerkdorpjes die bestuurd worden vanuit Geldermalsen. Over de Molendijk bereik ik dan de plaats Geldermalsen zelf, waar sinds 1904 een veiling is die het fruit tegen afslag aan de tussenhandel verkoopt. De fruitveiling werd overigens pas een volwaardig bedrijf toen in 1917 de tenen manden werd vervangen door houten fruitkisten.

Oranjestad

In het centrum van Geldermalsen glip ik de Linge over naar Buurmalsen. Vandaar wordt langs de Korne, een zijtak van de Linge, richting het Oranjestadje Buren gereden. De weg over de Kornedijk is breed en begiftigd met overzichtelijke bochten waarin je lekker kunt hangen. In 1551 trouwde gravin Anna van Buren met Willem van Oranje waarmee de heerlijkheid Buren in bezit kwam van de Oranjes. Even later liet Maria van Nassau, een dochter uit dit huwelijk, in het stadje aan de Korne het Koninklijk Weeshuis bouwen. Nu huisvest dit gebouw, groots opgetrokken in renaissancestijl, het Marechausseemuseum. Maar het Oranjestadje is gezegend met meer. Oude stadspoorten en wallen, een kasteeltuin, een 16e eeuws stadhuis en natuurlijk vele caféterrassen. Van dat laatste maak ik dankbaar gebruik om een lunch te verschalken.

Nadat de inwendige mens is versterkt, stuif ik over vredige binnenwegen verder oostwaarts. Tiel en omgeving wordt vermeden omdat het bed van de Linge daar op veel plaatsen is verlegd voor de Betuwelijn. Daarom wordt een route gekozen via Erichem en Zoelen. In het eerste dorpje is het Betuws Fruitteeltmuseum gevestigd, terwijl bij Zoelen de Linge onder het Amsterdam-Rijnkanaal door duikt. Dit kanaal markeert sinds zijn opening in 1952 de grens tussen de Neder- en de Over-Betuwe. Het landschap blijft gelukkig hetzelfde: bloesemende fruitbomen zo ver de einder reikt.

Boven Kesteren schram ik langs de Nederrijn waar een fantastisch uitzicht op de Cunerakerk van Rhenen mij ten deel valt. Vervolgens wordt de Linge weer opgepikt bij het dorp Opheusden. Hier wordt langs het water een landelijke weg opgedraaid richting Hemmen. Dit buurtschap bezat ooit een kasteel aan de Linge. In 1945 werd dit luisterrijk slot echter door oorlogsgeweld verwoest zodat nu slechts trieste fundamenten resteren. Wel is het in Engelse landschapsstijl aangelegde kasteelpark met glooiende gazons, pittoreske bruggetjes en grote vijvers bewaard gebleven. Een korte wandeling door dit aangeharkt groen ruimt je geest zeker op. Maar om een burn-out te voorkomen zit ik toch liever op mijn vertrouwde SevenFifty.

IJsheiligen

Een prachtig moment om langs de Linge te toeren is ook de periode dat in de lente nog nachtvorst optreedt. Volgens volkswijsheid kan dat gebeuren tot de ijsheiligen, waarvan de naamdagen tussen 11 en 14 mei vallen. Bij nachtvorst beregent de fruitteler zijn boomgaard zodat zich rond de ontluikende knoppen een isolerend en beschermend ijslaagje vormt. De volgende morgen zijn de fruitbomen dan gehuld in een witte deken van ijs en ijspegeltjes. Een fantastisch gezicht waarvoor je wel vroeg uit de veren moet.

Floris van Rosemond

De vierpitter wordt weldra een versnelling hoger geschakeld. Ik bereik namelijk een kaarsrecht asfaltlint van bijna twintig kilometer lengte. Dit is de Weteringswal die evenwijdig loopt aan het kanaal dat in de 13e eeuw werd gegraven om de Over-Betuwe beter te ontwateren. Dit kanaal vormt nu de bovenloop van de Linge. De verkeersintensiteit is er in elk geval erg laag. Auto’s kom je sporadisch tegen en al helemaal geen roedels rijendikke fietsers die zich zonder waarschuwing voor je wielen gooien. Met andere woorden: over de Weteringswal is het heerlijk cruisen. Natuurlijk moet je wel de speedometer in ‘t vizier houden. Motorrijders uit deze contreien weten dat de hermandad hier maar al te graag snelheidsduivels op de korrel neemt.

Het stroomgebied van de Linge boven Elst en Bemmel is ietwat bevreemdend. Een polderlandschap verwacht je hier tussen de Arnhemse en Nijmeegse heuvelruggen eigenlijk niet. Toch komt dat beeld op als je over de Weteringswal suist. Een weg van abstracte schoonheid, recht als een liniaal en omzoomd door rijen snelgroeiende populieren die als windbrekers fungeren. Voorbij Haalderen verandert deze uitgestrektheid weer abrupt in een intiem landschap. Draai vanaf rijksweg N839 maar eens de binnenweg met de naam Zandvoort in. Zo’n benaming doet een snelheidsparcours vermoeden, maar hier gaat dat niet op. Dromerige B-wegen met zwierige bochten leiden je door fruitboomgaarden en akkerland naar het buurtschap Flieren en vervolgens naar het kasteel De Doornenburg.

Deze robuuste burcht beheerst de omgeving even buiten het gelijknamige dorp. Hier verricht de Linge die vlak bij ‘ontspringt’, zijn eerste daad: het voeden van de slotgracht. Ik parkeer mijn trouwe Honda op de parkeerplaats en wandel onder het poortgebouw de riante voorburcht binnen. Opnieuw walmt de geur van een bakkie leut me tegemoet. Dit keer van de koffieschenkerij die een plek heeft gevonden in de voormalige kasteelboerderij. Onder het genot van cafeïne en appeltaart (met slagroom) laat ik buiten op het terras de middeleeuwse sfeer op me inwerken. Hier hebben Floris van Rosemond en zijn vriend Sindala – de tv-helden toen ik nog jong was – menig zwaardgevecht tot een goed einde weten te brengen. Als even later weer de SevenFifty wordt bestegen, waan ik me een koene ridder te paard die zo juist een schone jonkvrouw uit handen van schurken heeft gered.

Krakersbolwerk

Ik verlaat het kasteel De Doornenburg en geef mijn motor de sporen. Na enkele kilometers duikt op een dijk de finish op. De ‘bron’ van de Linge is een inlaatsluis waarmee de watertoevoer vanuit het Pannerdens Kanaal wordt geregeld. Een simpele rechthoekige koker van gewapend beton die met metalen schuiven kan worden afgesloten. Dit nietig waterstaatkundig kunstwerk is voor de Betuwe van levensbelang. Het houdt de waterstand in de Linge ook in droge tijden op een zodanig hoog niveau dat het gebied nooit ofte nimmer uitdroogt. De gulle gever van dit nat, het Pannerdens Kanaal, werd begin 18e eeuw in eerste instantie gegraven om vijandige legers uit het oosten te beletten de Betuwe in te trekken. Later werd het pas een belangrijke scheepvaartverbinding tussen Waal en Rijn. Zelfs zo belangrijk dat in 1869 juist op de splitsing van Waal en Pannerdens Kanaal een sperfort werd gebouwd. Deze door een droge gracht omgeven polygonale vesting werd in 1926 buiten werking gesteld. Een wedergeboorte beleefde het vlak voor de Tweede Wereldoorlog toen rondom zeven betonnen kazematten verrezen. Daarna kwam Fort Pannerden in bezit van een stichting die zorg moest dragen voor restauratie.

Na een relaxed dagje motorronken langs de Linge wordt tegen zevenen de terugreis aanvaard. De laatste zonnestralen begeleiden mij als ik op het Pannerdense veer nog een keer de inlaatsluis van de Linge aanschouw. Vervolgens draai ik bij Zevenaar de autoweg A12 op om met gezwinde vaart huiswaarts te zoeven.

Drents Dubbel: Hunze en Drentsche Aa

0
Drents Dubbel

Drenthe wordt aan weerszijden van de Hondsrug door twee rivieren doorsneden. De Hunze in het oosten gaf leven aan de Oostermoerse veenkoloniën, terwijl de Drentsche Aa in het westen een uniek natuurgebied voortbracht. Ze vormen een mooi paar voor een zomerse motortoer; de een stroomaf, de ander stroomop.

Yop Segers

Voor dag en dauw springt mijn Honda SevenFifty met één druk op de startknop meteen tot leven. Twee trekjes gas en hij is de straat uit. En na drie bochtjes zoeft de gestaalde perfectie uit Nippon al over het hogesnelheidsasfalt richting Drenthe. Het is hoogzomer en bijna alle Nederlanders lijken buiten de landsgrenzen te vertoeven. Meestal zoek ik de linkerbaan op om het getreuzel van overbeladen bestelbusjes, slome vrachtwagens en zwiepende sleurhutten te slim af te zijn. Maar dit is nu niet nodig want zelfs de rechterbaan van de A28 is nagenoeg leeg. Heerlijk, om zo met een sereen draaimoment van vijfduizend toeren over het vacante asfalt te suizen. Geheel onthaast – het klinkt een beetje raar in dit verband – bereik ik tegen negenen de startplaats van mijn expeditie langs Hunze en Drentsche Aa.

Het dorpje Exloo is gelukkig vergeven van hotels zodat het niet veel moeite kost om op dit vroege uur een etablissement te vinden dat koffie schenkt. Alleen al aan de Hoofdstraat tel ik drie logementen. Ik kies er een uit en vlij op het terras neer waar een dozijn hotelgasten vredig ontbijt. In koor galmt de ochtendgroet ‘goe-oeie morgen’ tussen tafels en stoelen. Drenthe blijkt zeer geliefd bij vutters die hun zorgeloos bestaan opvullen met eeuwig fietsen en wandelen. Want tijdens het ontbijt wordt driftig in atlasjes en gidsjes getuurd. De mens is een kuddedier. Dus besluit ik hetzelfde te doen en bestudeer onder het genot van een cafeïne-injectie de wegenkaart om een fraaie route uit de hoed te toveren.

Hallo!

Om de vruchtbaarheid van de akkers op het afgegraven veen te waarborgen, werden vanaf de 17e eeuw grote hoeveelheden stratendrek aangekocht voor bemesting. Dit was stadsmest die men in de steden van de straten haalde. Burgers gooiden toen hun huisvuil en stront nog gewoon op straat. Als zij dit deden waarschuwden ze voorbijgangers – zo wil de overlevering – met de kreet: ‘Hallo!’ Hoe dan ook, de eeuwenlange bemesting met stratendrek heeft zijn sporen nagelaten. Nog steeds kun je op het land in de Oostermoerse veenkoloniën vele scherven, botjes, stukjes porselein en wat al niet meer vinden.

Drentse gigantjes

Wie aan Drenthe denkt, denkt aan keien en schapen. In Exloo is dat niet anders. In de Boswachterij Exloo maakt zich een hunebed breed en midden in het dorp tref je een schaapskooi aan met daarnaast het Schapeninformatiecentrum dat alles vertelt wat over deze blèrende grazers te weten valt. Maar deze zaken zijn nu niet aan mij besteed. Mijn pelgrimage is immers het water van Hunze en Drentsche Aa. Voordat de pk’s weer worden aangesproken glip ik daarom even het Bebinghehoes (onlangs afgefikt) binnen. Dit cultuurhistorisch museum van Exloo, gehuisvest in een oude boerderij, vertelt onder meer het verhaal van het mythische Hunsow: het Atlantis van Drenthe. Deze verdwenen stad – waaraan de rivier Hunze zijn naam zou danken – lag volgens de legende in de buurt van Exloo aan een bevaarbare rivier en zou door reuzen zijn gebouwd. Toch waren deze ‘Drentse gigantjes’ niet bestand tegen de Vikingen. Nadat de noormannen in 810 Hunsow hadden verwoest, vluchtten de bewoners naar Groningen waar ze een nieuw woongebied betrokken met de naam Hunsingo, juist op de plek waar de Hunze vroeger in de Waddenzee uitstroomde.

Reëler en tastbaarder dan het legendarische Hunsow is het beroemde Halssnoer van Exloo dat ooit het decolleté van een prehistorische schone sierde en waarvan in het Bebinghehoes een replica te bewonderen is. Toch leuk om te weten dat die Drentenaren 3500 jaar geleden een verfijnde smaak hadden en dus niet alleen domme krachtpatsers waren die voor de gein met rotsblokken over de hei sukkelden. Misschien deden ze dat wel om de vrouwtjes te imponeren, zou toch kunnen?

Drentse hasjiesj

Even later draai ik buiten Exloo de Klunveensdijk op. Meteen is duidelijk dat we door een veenkoloniale streek rijden want de kasseienweg is door inklinking zo’n gatenkaas geworden dat je vullingen zelfs al in tweede versnelling uit je kiezen rammelen. Wat verderop wordt voor het eerst het Achterste Diep gekruist waarin vroeger de grootse Hunze stroomde. Nu is het een van de twee bronbeken die de huidige rivier voeden. De geboortegrond van de Hunze doet een beetje aan de Texaanse prairies herinneren. Je cruist door een verlaten wijdheid met langgerekte landbouwkavels, typisch voor een veengebied waar turf is afgegraven. De karige grond die er voor in de plaats kwam, schiep een agrarische monocultuur. Nog steeds zie je overal fabrieksaardappelvelden zo ver de einder reikt. Maar wat schept mijn verbazing? Behalve akkers vol piepers omzomen nu ook talrijke ‘wietplantages’ de wegen in de Oostermoerse veenkoloniën. Ik besluit effe polshoogte te nemen, zet mijn SevenFifty op de jiffy en duik kortstondig zo’n hennepveld in. De brandnetelvormige blaadjes worden betast, besnuffeld en geproefd. De conclusie is eenduidig: deze cannabis is beslist geen beste kwaliteit maar op zijn hoogst ‘hoestwiet’ waarvan het THC-gehalte overeenkomt met dat van een paracetamolletje. Het heeft dus geen zin om plek vrij te maken in de tanktas.

Als ik weer uit het gewas te voorschijn kom, rijdt een lieftallig meiske in een autootje voorbij. Ze toetert fervent, steekt een duim omhoog en plooit haar gezicht in mooie herkenning. Dus ik denk dat meer mensen zo’n expeditie in het groen hebben ondernomen. Navraag levert later op dat de plantages – hoewel ik dat toch betwijfel omdat er niet veel vrouwelijke hennepplanten werden aangetroffen – voor medicinale doeleinden zijn opgezet. Hoe dan ook, om in euforie te geraken heb ik enkel motorgeronk nodig. Psycholoog René Diekstra omschreef het eens als volgt: ‘Nogal wat motorrijders beleven het rijden als een meditatief moment, een moment van eenwording – en versmelting – met de machine.’ En jawel, ik behoor tot dit ras waarbij het geluid van de motor, de cadans van de wielen en de frisse rijwind een rustgevende roes creëren.

Oostermoerse Vaart

De route langs de Hunze brengt mij door Buinerveen, Drouwenerveen, Gasselternijveen, Gieterveen en Eexterveen. Stuk voor stuk randveendorpen die vanaf de 16e eeuw ontstonden als satellietnederzettingen van de oudere esdorpen op de Hondsrug. Het zijn – om zo te zeggen – dochters van Buinen, Drouwen, Gasselte, Gieten en Eext. Rijkere inwoners van deze oorden zagen poen in het afgraven van turf in het Oostermoerse hoogveengebied. De stad Groningen groeide immers als kool en had steeds meer brandstof nodig voor de verwarming van woningen en om de ketels van brouwerijen en stokerijen op temperatuur te brengen. Levensader van de veenontginningen was de Hunze, want hierover werd de turf richting Groningen verscheept. Maar om deze rivier bevaarbaar te houden moest ze worden getemd. Zo werden bochten rechtgetrokken, verschenen aan de oevers dijken en kwamen hier en daar stuwen om voldoende diepgang te garanderen. De meanderende stroom veranderde hierdoor in een rechtlijnige waterweg. Om dit te onderstrepen kreeg de gekanaliseerde Hunze een tweede naam en werd voortaan ook Oostermoerse Vaart genoemd.

Drentsche Aa

Ooit stroomde Drentsche Aa ten zuiden van Groningen in de Hunze. Maar dat is lang geleden. De benedenloop valt nu samen met het Noord-Willemskanaal. Ook is de Drentsche Aa eigenlijk geen rivier. Het is veel meer een verzameling beken en zijbeekjes die een eigen naam dragen. Uniek is dat de kronkelende stroom door 12.000 hectare natuur- en bosgebied wordt omgeven.

Natuurreservaat

Juist op de plek tot waar deze ‘vaart’ stroomopwaarts voor turfschuiten bereikbaar was, werd in 1662 Gasselternijveen gesticht. Al snel ontwikkelde dit dorp zich tot een belangrijke overslaghaven van turf. Toen later ook een dwarskanaal werd gegraven naar het Groningse Stadskanaal vestigden zich hier ook scheepswerven, cargadoorfirma’s en scheepsverzekeringskantoren. Maar anno nu herinnert in Gasselternijveen niets meer aan deze bedrijvigheid. De dwarskanalen zijn gedempt, de Hunze is al lang niet meer bevaarbaar en de turf is op. Zelfs het scheepvaartmuseum dat een ouder echtpaar hier tot voor kort runde heeft zijn deuren gesloten. Wat bleef, is de in 1903 gebouwde aardappelmeelfabriek van Avébé.

Bij Eexterveen is een gedeelte van het Hunzedal in een natuurreservaat herschapen. De kronkelige rivierloop is er in oude glorie hersteld zodat bij veel regen de oeverlanden weer overstromen en er paaigebieden voor vissen ontstaan. Het gras wordt er kort gehouden door een kudde Piedmontse koeien. Volgens het informatiebord een Italiaans ras met vriendelijk karakter en gemakkelijke geboortes. Bovendien heeft het vlees een laag cholesterolgehalte. Spontaan besluit ik het meegevoerde noodrantsoen aan te spreken en knabbel op de wegberm enkele boterhammen met runderleverpastei naar binnen. Heerlijk en goedkoop tegelijk.

Keerpunt

Na deze handzame dis ben ik weer op weg en stuur mijn Honda oostwaarts voor een ommetje naar Annerveenschekanaal. Dit veendorp ontstond eind 18e eeuw, juist op de Drents-Groningse provinciegrens, aan het toen gegraven Grevelinkskanaal. Deze vaart is een van de weinige niet gedempte Drentse kanalen en is samen met zijn sluizen en ophaalbruggen nu een beschermd monument. De vervening in dit gebied was het werk van de Annerveensche Heeren Compagnie, een ontginningsmaatschappij die door Lambertus Grevelink werd geleid. Op de noordelijke kop van het kanaal liet deze landmeter en vervener in 1785 een statig woonhuis bouwen. Bij de ophaalbrug voor dit Grevelinkhuis staat een curieuze tuipaal. Deze ferme staak werd in het verleden gebruikt om de door paarden voortgetrokken trekschuiten door de bocht te trekken richting het Groningse Kieldiep.

Bij het plaatsje Spijkboor wordt de Hunze weer opgepikt. Dit gehucht heeft zijn bestaansrecht te danken aan de sluis waar turfschippers vroeger tol betaalden en dan vertier op de oever zochten. Nog steeds kan de vermoeide reiziger in de oude herberg ’t Keerpunt voor zijn natje en zijn droogje terecht. Het café is een dorpskroeg vol oude verhalen. Bijvoorbeeld de oude kastelein die zo dik was dat hij zijn buikomvang uit de stamtafel liet zagen om toch maar bij zijn gasten te kunnen zitten. Ik maak van de gelegenheid een deugd en drink op het terras een bakkie leut. Op een steenworp afstand stroomt de Hunze voorbij, of zoals ze in Spijkboor zeggen: ’t Drents Daip.

Niemandsland

Daarna gaat de tocht verder noordwaarts en boender ik op de rechteroever van de Hunze naar het Zuidlaardermeer. De Broeken heet dit gedeelte van het ontgonnen Oostermoer. Romantische kronkelwegen en zwierige bochten zoek je er tevergeefs. De asfaltlinten die het Hunzedal hier doortrekken zijn zo recht als een liniaal. Toch heeft dat ook zijn voordelen. Verkeersdrempels zijn onbekend, verkeerslichten ontbreken en bovenal is de verkeersintensiteit in dit open niemandsland zeer laag. Zelfs fietsers laten zich er zelden zien, want de vutters op pedalen verkiezen toch vooral de hoger gelegen Hondsrug.

Andere koek is Zuidlaren. Deze plaats is met zijn fraaie 17e eeuwse havezate Laarwoud een walhalla voor dagjesmensen. Overal cafeetjes, terrasjes en winkeltjes. Om de drukte te ontlopen las ik mijn pitstop even buiten het centrum in, bij het Molenmuseum ‘de Wachter’ aan de Zuidlaardervaart. De als koren- en oliemolen gebruikte stellingmolen gaat terug tot 1851. Toch bleek al spoedig dat windkracht alleen niet voldoende was voor de gewenste maalcapaciteit. Zo kreeg de molen in 1898 gezelschap van twee stoommachines. Deze zijn samen met andere exemplaren in het museum te bewonderen.

Motorland Drenthe

Na dit kort bezoek aan antieke pk’s wordt de monding van de Hunze in het Zuidlaardermeer opgespoord. Die wordt gevonden vlak bij het restaurant Meerzicht waar gasten gratis uitkijken op de talloze kapitaalbeleggingen die op de waterplas ronddobberen. Officieel stroomt de Hunze door het Zuiderlaardermeer om op de noordoever via het Drentsche Diep in het Winschoterdiep te stromen. Maar aan de overkant van het meer zijn geen wegen. Dus wordt de Honda langs Midlaren en Noordlaren gechauffeerd om bij Glimmen de benedenloop van de Drentsche Aa te ontmoeten. Dit riviertje wordt ten noorden van het landgoed Huis Glimmen ontdekt en stroomt daar via een sluizencomplex in het Noord-Willemskanaal.

Hier wordt de voorvork omgegooid naar het zuiden en rijden we de zon achterna. Eerst vlak langs de autoweg A28 om dan een moment later het prachtige asfalt op te snuiven van de oude provinciale weg tussen Glimmen en Tynaarlo. Heerlijke, lange bochten zijn mijn deel waarin de SevenFifty zo lekker scheef kan dooracceleren. Ik begrijp nu waarom Drenthe de grootste motordichtheid van alle provincies heeft. Op elke duizend Drentenaars staan 35 motoren geregistreerd, terwijl het landelijk gemiddelde 27 bedraagt. Natuurlijk, de TT van Assen zal ook van invloed zijn op dat cijfer. Maar als je zo’n puik openbaar asfalt in de buurt hebt, is dat toch een extra reden om een machine aan te schaffen.

Van groot naar klein

De Hunze was ooit een machtige rivier waar bijna de complete Hondsrug op afwaterde. Via het Zuidlaardermeer stroomde de rivier ten oosten van de stad Groningen en mondde ter hoogte van Kloosterburen in de Waddenzee uit. Later verplaatste de bovenloop zich richting de Lauwerszee en vormde zo het stroomdal van het huidige Reitdiep. Rond 1400 werd de Hunze bij Groningen abrupt onderbroken en naar de stad geleid via het nieuw gegraven Schuitendiep, het latere Winschoterdiep. De bedding van de ooit zo trotse rivier ten oosten van de stad Groningen kwam door deze ingreep vrijwel droog te liggen.

Diep geworteld

Zo boender ik tevreden door het land van Bartje, af en toe de Drentsche Aa kruisend. In Westlaren worden de richtingborden naar Schipborg gevolgd. Dit esdorpje ontwikkelde zich tot een bescheiden schipperscentrum in het stroomgebied van de Drentsche Aa, die hier Schipborgse Diep wordt genoemd. Veel meer dan een lustig meanderend beekje is het trouwens niet. Even buiten het dorpje ligt verscholen in de bossen de modelboerderij De Schipborg, een creatie uit 1914 van onze beroemde architect Berlage. Hij bouwde deze gigahoeve voor A.G. Kröller jr., de oudste zoon van het echtpaar Kröller-Müller waarvoor Berlage één jaar later op de Veluwe ook het Jachtslot Sint Hubertus ontwierp.

Wie de aandrang van het kussen van een hunebed niet kan bedwingen, moet tegenover de oprijlaan van de modelboerderij het bos inlopen; daar staat een zindelijk exemplaar. Dan bereik ik het esdorp Anloo. De fraaie Saksische boerderijen rond de brink maken duidelijk waarom dit een beschermd dorpsgezicht. Bovendien is de dorpskerk de oudste van Drenthe. Het Romaanse bedehuis is rond het jaar 1100 opgetrokken en was oorspronkelijk gewijd aan Sint Magnus, koning van Noorwegen. Vijf kilometer verderop ligt Anderen, ook weer zo’n dorp met centrale brink waarop ooit het vee verzameld werd. Dit spatje op de landkaart heeft naam gemaakt in de wereld van de sociologie. In 1954 streken in Anderen twee Amerikaanse sociologen, het echtpaar John en Dorothy Keur, neer die via de methode van de participerende observatie een indringend portret schetsten van de samenleving in dit Drents dorpje. Hun boek The Deeply Rooted (De Diep Gewortelden) werd in Anderen natuurlijk met gemengde gevoelens ontvangen, want nu waren alle ruzies en roddels open en bloot voor iedereen te lezen. Wat voor indruk moest men in Amerika nu wel van Anderen krijgen?

Kei van Schoonloo

Bij Rolde duik ik de N33 onderdoor en volg het Anderse Diep, een van de bronbeken van de Drentsche Aa, naar de Boswachterij Borger. Hier heeft Staatsbosbeheer hoog boven de grond een wandelpad aangelegd langs de kronen van de bomen: het zogeheten Boomkroonpad. Via een wenteltrap klim je naar het 125 meter lange pad door de boomtoppen. Al wandelend maak je van dichtbij kennis met beuken en lariksen en met hun gevederde vrienden die bovenin wonen. De climax vormt een hoge uitkijktoren van waaruit Drenthe een oneindig groot bos lijkt.

Na een half uurtje sta ik weer beneden om de laatste kilometers weg te wuiven. Die gaan door het Grolloër Veld waarop het Anderse Diep tot een nauwelijks traceerbare watergreppel is vermagerd. In Schoonloo, een dorp dat honderd jaar geleden acht boerderijen telde aan de oude postweg van Coevorden naar Groningen, wordt de tocht langs de Drentse rivieren op gepaste wijze afgesloten in het café-restaurant Hegeman met een ‘kei-goeie’ spijs. Tegenover het terras showt de Trekkerkei van Schoonloo zijn robuuste schoonheid. De hunebedbouwers hebben die over het hoofd gezien want het  rotsblok van 25 ton is pas in 1966 tijdens ruilverkaveling ontdekt.

[sgpx gpx=”/wp-content/uploads/gpx/TRK-drents_dubbel.GPX”]

Kawasaki met Leon Haslam naar Gamma Racing Days

0

Kawasaki Racing Team coureur Leon Haslam demonstreert zijn snelle NINJA ZX10-RR World Superbike. Dat doet hij tijdens de 20e Gamma Racing Day op het TT Circuit Assen. Die wordt gehouden op 17 en 18 augustus. De toegang tot de Gamma Racing Day is gratis.

Ter ere van de 20e editie liet Gamma een nieuw evenementlogo ontwerpen. Het logo werd door Leon Haslam tijdens het WK Superbike in Assen getoond. Dat het Kawasaki Racing Team aanwezig is, hebben we te danken aan de nieuwe partner Kawasaki Benelux.

Grootste benzine-event van Europa

De 2019-editie wordt de twintigste editie van het grootste gecombineerde auto-, motor- en kartrace-evenement in Europa. Het gratis kaartje is verkrijgbaar vanaf juni. Vraag er naar bij de Gamma Bouwmarkten. Op de website www.gammaracingday.nl kun je ook gratis kaarten scoren. Dat geldt niet voor kaarten voor de paddock. Die kosten overigens slechts €5,- voor de vrijdag. Voor een heel weekeinde betaal je €25,-. Kinderen tot 12 jaar hebben gratis paddocktoegang.

Honda wil een deal met je sluiten

0
Honda Deals

Honda start de zomer met een aantal acties, die voordelig voor je kunnen uitpakken.

Voor motorrijders die toe zijn aan een nieuwe Adventure: vergeet niet de Honda Africa Twin op je wensenlijst te zetten. Voor zowel de Africa Twin Adventure Sports als de Africa Twin ontvang je 900 euro korting.

Toch liever een ultieme toer- en reismotor? Dan zou je de nieuwe Gold Wing ook op je lijst kunnen zetten. Volledig vernieuwd ten opzichte van de vorige Gold Wing, met de nadruk op gebruiksgemak en motorrijden. Geen overdadige Amerikaanse luxe, maar functioneel Europees comfort. Als je een Gold Wing Touring (in het zwart) of een Touring Deluxe (in het rood) aanschaft, ontvang je 1.250 euro inruilkorting.

Sportrijders

Geen toerrijder, maar juist een sportrijder? Geen nood: ook voor jou heeft Honda een mooie actie. En keuze te over met de Fireblade, Fireblade SP, CB1000R en de CB1000R+. Bij aankoop van een Fireblade of een Fireblade SP krijg je een korting van € 3.500,-. Bij de naakte CB1000R en CB1000R+ krijg je er tijdelijk een gratis Akropovic demper bij. Ook niet verkeerd.

Meer info over de Honda acties staat op de Honda Actiewebsite, maar je kunt ook naar de Honda dealer rijden.

Mega MotorTreffen 2019 – aftermovie

0

Het Mega MotorTreffen was een fantastisch motorfeest! Uiteraard waren wij aanwezig met een camera op ons eigen Mega MotorTreffen. Check de aftermovie!

Yamaha R1: remmen om nog harder te accelereren?

0

De Yamaha R1 zou voor 2020 allerlei updates krijgen. Volgens MoreBikes is een daarvan een automatische achterrem. Die moet er voor zorgen dat het voorwiel tijdens accelereren niet van de grond komt.

Onlangs patenteerde Yamaha een functie die gebruik maakt van het ABS-systeem om beide banden op de grond te houden. Zodra het systeem voelt dat het voorwiel de lucht in wil, geeft het ABS impulsen af om de voorband laag te houden. Een andere optie zou een soort tractiecontrolesysteem zijn dat de hoeveelheid kracht die naar het achterwiel gaat, vermindert.

Volgens MoreBikes zal dit nieuwe systeem de Yamaha R1 in staat stellen om te blijven accelereren zonder dat het voorwiel de lucht in gaat. Dat je je rem gebruikt om sneller te gaan, lijkt tegennatuurlijk. Maar lijkt er toch echt op dat Yamaha dit van plan is.

Hoe maak je motorkleding schoon? | Motorkledingtips

0

Hoe onderhoud je motorkleding? En hoe maak je motorkleding schoon? Rogier geeft tips om langer te kunnen genieten van je motorkleding!

Bekijk meer: hoe veilig is casual motorkleding? Bekijk de video hier.

Meer bewijs voor 2020 Kawasaki Ninja ZX-10RRR

0

Een maand geleden reageerde Kawasaki op de Ducati Panigale V4 R, die op dit moment domineert in het World Superbike Championship. Om Ducati het vuur aan de schenen te leggen, dacht Kawasaki er ook aan om een speciale homologatie superbike te bouwen. Die wordt dan net als de Panigale V4 R een pure racer mét verlichting. En gebouwd om de WorldSBK-titel te winnen.

Dat het Kawasaki menens is met de nieuwe 2020 Ninja ZX-10RRR zouden de aanvragen bewijzen die Kawasaki bij de California Air Resources Board (CARB) heeft ingeleverd. Normaal gesproken worden in zo’n CARB-file nieuwe motoren vermeld die in den volgend jaar op de weg komen. Met het gerucht over de WSB-Kawasaki is enige voorzichtigheid geboden. Immers valt de afwezigheid van ZX-10RRR in de CARB-file behoorlijk op.

Ninja ZX-10RRR niet genoemd

Een CARB-file concentreert zich meestal op een motorblok dat in meerdere modellen gebruikt kan worden. Een zo’n file kan dus meerdere modellen bevatten. In het dossier van 2019 Kawasaki Superbike bijvoorbeeld worden zowel de Ninja ZX-10R als de raceklare Ninja ZX-10RRR genoemd. Ook in andere jaren was dit altijd het geval. Maar de lijst die Kawasaki voor 2020 heeft ingeleverd bij de CARB laat alleen de emissienomen van de Ninja ZX-10R zien. De meest voor de hand liggende reden zou kunnen zijn dat de 2020 ZX-10RRR een ander blok heeft. Omdat daarmee ook de emissie-uitstoot verandert, moet er een aparte aanvraag worden ingediend.

Natuurlijk kan het ook zo zijn dat Kawasaki de plannen voor volgend jaar nog niet heeft uitgedokterd. Dat lijkt onwaarschijnlijk. Ook zou Kawasaki de homologatie van de 2020 straat Ninja ZX-10RRR kunnen uitstellen tot het Kawasaki Racing Team een besluit heeft genomen hoe te handelen in 2020. Al te lang moet Kawasaki dan niet wachten, de voorsprong van Ducati wordt anders wel heel groot.